{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het hof zal thans overgaan tot het vaststellen van de feitelijke gebeurtenissen, die relevant zijn in het licht van het ten laste gelegde.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3.1 De vaststelling van de feitelijke gebeurtenissen Het hof stelt vast dat in de periode van 1 februari 1978 tot 31 december 1981 in Gojjam, Ethiopië, de volgende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exposure meetings In de maand februari 1978 is in het kader van de zogeheten “exposure campagne” van de Derg een exposure meeting gehouden op een middelbare school in Debre Marcos. De exposure meeting in Debre Marcos duurde drie dagen. Het doel van dergelijke bijeenkomsten was EPRP-leden te ontmaskeren.De mensen werden opgeroepen om naar de school te komen en zich daar als EPRP-lid bekend te maken. Hun werd medegedeeld dat als zij zichzelf bekend zouden maken als EPRP-lid hen niets zou gebeuren, maar als zij zichzelf niet bekend zouden maken de Rode Terreur zou beginnen en executies zouden volgen. Op het terrein waren gewapende kebele bewakers en gewapende kadres (het hof begrijpt: (onder)officieren) aanwezig.Er waren personen die op zo’n bijeenkomst namen van anderen noemden en ook personen die uit angst om door een ander genoemd te worden de bijeenkomst hebben bezocht en zichzelf als EPRP-lid bekend hebben gemaakt. Na afloop van de bijeenkomst zijn ongeveer driehonderd mensen onder begeleiding van bewapende kadres met bussen of vrachtwagens afgevoerd naar het nabijgelegen (zogenoemde vijftiende) militaire kamp in Debre Marcos.Dit stond leeg, omdat de militairen naar het noorden waren gestuurd om te strijden tegen de EPLF.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het militaire kamp In het militaire kamp verbleven ongeveer driehonderd mensen in de leeftijd van vijftien tot zeventig jaar, maar vooral mensen jonger dan negentien jaar.Mannen en vrouwen verbleven in hetzelfde gebouw en de ruimte was smerig. Er was weinig ruimte en mensen moesten op de grond slapen.Er was slechts één wc voor de driehonderd mensen. De familie van de gevangenen moest eten en kleren brengen. De gevangenen moesten indoctrinatiebijeenkomsten bijwonen, waar werd verteld hoe goed de Derg was en hoe slecht de EPRP en waar ze anti-EPRP liederen moesten zingen. Aanvankelijk was de sfeer redelijk goed en was er een zekere mate van vrijheid in het kamp. Er was beloofd dat ze vrijgelaten zouden worden na een week politieke oriëntatie. Hoewel er bewakers waren werd niet het gehele terrein bewaakt, hetgeen de door de eerdere belofte gewekte verwachting dat ze na de indoctrinatie weer naar huis mochten versterkte. De bewapende kadres informeerden telkens naar de structuur van de EPRP en naar hun wapens.Er werden mensen, die al eerder waren opgepakt en in de gevangenis zaten, naar het militaire kamp gebracht om de organisatie en structuur van de EPRP bekend te maken en te vertellen over de wapens van de EPRP. Bij deze gevangenen zat ook een zekere [persoon 336], de hoogste leider van de EPRP.Als er namen van mensen werden genoemd die nog niet vastzaten, gingen de kadres de stad in om hen op te pakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na ongeveer tien dagen werd een groep mannen van een bijzondere eenheid uit Addis Abeba gebracht. Zij kregen de leiding over het kamp, de sfeer verslechterde, het regime werd aanzienlijk strenger en de bewaking werd aangescherpt.Eén van de leden van deze bijzondere eenheid was een onderofficier uit de marine, [persoon 337], anderen heetten [persoon 338] en [persoon 339]. De dagelijkse leiding was in handen van kapitein [naam kapitein]; een andere [persoon] dan de verdachte.Op de dag dat ze kwamen las [persoon 338] een lijst met vijftig à zestig namen voor van hogere EPRP leiders en zij werden afgevoerd naar het politiekamp, ongeveer tien kilometer verderop.Nadien werden telkens nieuwe groepen vervoerd en uiteindelijk is iedereen overgeplaatst naar het politiekamp in Debre Marcos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het politiekamp Aanvankelijk zat de eerste groep die was overgebracht in de kantoorruimtes. Er zaten zoveel mensen in de kamer dat als ze op de grond lagen de benen elkaar raakten. De ramen waren dichtgemaakt en geblindeerd. Toen de rest van de groep kwam waren ze reeds overgeplaatst naar de grotere ruimtes, die inmiddels waren verbouwd.Dit betroffen drie grotere ruimtes: twee voor mannen en één voor vrouwen.Daarnaast waren er vier kleine ruimtes, waarvan drie gebruikt werden als verhoorruimte en één werd gebruikt als martelkamer.Vanuit andere delen van Gojjam werden ook gevangenen overgebracht naar het politiekamp in Debre Marcos.Behalve de speciale verhoorders waren vijftig à zeventig commando's gekomen om het kamp te bewaken.Familiebezoek was niet langer toegestaan. De gevangenen zaten met grote groepen in een volle cel en sliepen op de grond. Er was geen medische verzorging voor zieken of gewonden.De cellen waren op ongeveer vijftig à zestig meter afstand van de verhoorkamers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al in het militaire kamp was een disciplinair comité opgericht onder de gevangen. Het comité bestond uit onder andere [persoon 334], [persoon 340] en [persoon 341]. In het politiekamp is het voorzitterschap overgedragen aan [persoon 336], die op verzoek van het disciplinair comité weer uit de gevangenis was overgebracht om te helpen bij het volledig in kaart brengen van de EPRP. Het disciplinair comité gaf informatie door van de politie aan de gevangenen en omgekeerd, moest de speciale eenheid assisteren en riep de gevangenen op voor verhoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhoorders uit Addis Abeba zijn in het politiekamp begonnen met het verhoren van de gevangenen. Het doel van het verhoor was het (verder) in kaart brengen van de structuur van de EPRP. Omdat een EPRP-lid alleen degene direct boven en direct onder hem in de organisatie kende, was het voor het verkrijgen van een volledig beeld nodig om iedereen te verhoren. Daarom was ook iedereen uit het militaire kamp naar het politiekamp gebracht. Hierbij werd voortgebouwd op de informatie die reeds in het militaire kamp was verkregen. De gevangenen moesten vertellen wat ze hadden gedaan binnen de partij, wat hun positie was, bij wie ze in de EPRP-cel zaten, wat hun financiële bijdrage was geweest en of ze wapens hadden gehad of gebruikt. Alles werd opgeschreven en na het verhoor moesten de gevangenen hun verklaring ondertekenen.Na het verhoor werden de namen van de verhoorde gevangene met een kleur omcirkeld. Hiermee werden ze in groepen verdeeld door de ondervragers. Rood betekende dat de betreffende persoon zou moeten worden gedood. Dat gold voor hooggeplaatste EPRP-leden, leden van de squads en zij die wapens ter hand hadden genomen of gekocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien tijdens het verhoor de verklaring van de gevangene niet werd geloofd werd diegene door de speciale verhoorder uit Addis Abeba naar de martelkamer gebracht. Daar werden gevangenen op verschillende manieren mishandeld. Een methode die vaker werd gebruikt was het met een touw aan elkaar vastbinden van de armen en benen achter de rug en vervolgens aan dit touw ophijsen van het lichaam, waarna met een stok tegen het gehele lichaam en het gezicht werd geslagen, met name tegen de voeten.Na verloop van tijd werd - om het schreeuwen tegen te gaan - een gefabriceerde bal in de mond gedaan. Door de duim achter de rug te bewegen diende de gevangene dan aan te geven dat hij of zij iets wilde zeggen. Dan stopten ze met slaan en lieten ze de gevangene praten.Na afloop van de mishandelingen werden de slachtoffers, die niet of nauwelijks bij bewustzijn waren en nauwelijks nog konden lopen, gedwongen gaten te graven voor wc's.Er waren slechts weinigen die niet gemarteld werden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een zekere [persoon 322] werd zodanig vaak en zodanig ernstig mishandeld dat hij uiteindelijk in zijn cel aan zijn verwondingen is overleden. Hij had het bewustzijn verloren toen hij ondersteboven hing en werd geslagen. De ondervragers hadden hem toen naar beneden gehaald en op de grove scherpe gravelgrond voor de martelkamer gegooid en daarin omgerold. Een van de militiemannen sloeg hem met de kolf van een kalasjnikov in zijn kruis en terwijl hij daar lag werd met een bajonet een kruis in zijn rug gezet. De gezondheidsfunctionaris [persoon 340] die [persoon 322] wilde helpen en water wilde geven werd dit verboden. [persoon 322] is uiteindelijk teruggebracht naar zijn cel en is daar overleden. [persoon 323] en zijn zus [persoon 321] moesten bekennen dat zij naast lid van de EPRP ook lid van het EPLF waren, nu hun ouders oorspronkelijk uit Eritrea kwamen. [persoon 321] en [persoon 323] hingen in dezelfde kamer aan het plafond aan hun armen, die naar achteren vastgebonden waren op hun rug, en moesten zien hoe de ander werd mishandeld. Toen ze naar buiten kwamen konden ze niet meer lopen. [persoon 323] is uiteindelijk gedood. Vele jaren later had [persoon 321] nog steeds geen gevoel in haar handen. [persoon 313] heeft verklaard dat hij werd verhoord in een ruimte naast de martelkamer. Hij hoorde geluiden, gezucht, mensen die werden geslagen en die moesten overgeven. Er werd gezegd dat dit met je zou gebeuren als je nu niet zou verklaren. Je werd dan alleen gelaten met het geluid van het martelen in de aangrenzende kamer. Daarna kwamen 'ze' terug om je te ondervragen. Hij heeft verklaard dat hij ook werd meegenomen naar de martelkamer en dat hij daar werd getrapt en met de vlakke hand geslagen en dat hem werd gezegd dat hij er maar over na moest denken en morgen terug zou komen. [persoon 324] heeft verklaard dat hij met zijn armen en voeten achter zijn rug gebonden aan het plafond werd gehesen en dat hij al hangend door de kamer werd geduwd, terwijl hij met een stok werd geslagen op zijn rug, benen en voeten. De klappen op zijn voeten waren het ergste. Het duurde tussen de tien en vijftien minuten. [persoon 319] heeft verklaard dat hij vijftien tot twintig minuten werd geslagen. Hierbij werd een lat gebruikt met een roestige spijker erin die door zijn voetzool ging. 'Ze' sloegen met alles wat ze vast konden houden. Zijn voeten waren een aantal dagen gezwollen geweest door de infectie van de roestige spijker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen eind april en midden mei 1978 zijn de gevangenen in groepjes overgeplaatst naar de gevangenis in Debre Marcos.Zij zijn hiervoor niet bij een rechtbank geweest.Een aantal van de gevangenen is - na een periode van politieke oriëntatie - vrijgelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevangenis De gevangenis in Debre Marcos, bijgenaamd Demelash, lag aan de voet van een heuvel. Boven op de heuvel lag een (voormalig) paleis, waar ook het kantoor van verdachte gevestigd was. In de gevangenis verbleven naast de politieke gevangenen ook gewone gevangenen, 'droge gevangenen' genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gevangenis waren gewone cellen en 4 donkere cellen. In elke donkere cel zaten ongeveer zestig mensen.Hier zaten de hoger geplaatste EPRP-leden of zij die ervan verdacht werden geweld te hebben gebruikt.Degenen die een rode cirkel om hun naam hadden gekregen zaten bij elkaar in een aparte donkere cel.De gevangenen in de donkere cellen mochten alleen 's ochtends en 's avonds een keer uit de cel om naar de wc te gaan.Ze mochten geen contact hebben met de andere gevangenen of met familie. Het eten werd gebracht door de familie en buiten de cel neergezet en naar binnen gegooid.De gevangenen deelden het met degenen die geen familie hadden. Het was erg warm in de cellen, er was geen licht en het stonk. De gevangenen moesten hun behoeften doen in een bakje dat je aan de muur kon hangen. Het was er vol met mensen, iedereen had ongeveer één lichaamslengte plek. Je kon dan niet meer lopen. Er was niet of onvoldoende medische verzorging. Er werd voorafgaand aan het verblijf in de donkere kamers geen informatie gegeven aan de gevangenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gewone cellen werd niet voorzien in medische behandelingen.De toiletten waren vijftig à zestig gaten in de grond en je moest je met een handdoek afschermen voor privacy.Ook de gewone cellen waren zo vol dat er te weinig ruimte was om op je rug te slapen. Ook waren er voor de politiek gevangenen geen bedden. De gevangenen in de gewone cellen mochten overdag naar de wc, maar vanaf 18:00 uur niet meer. Er was dan een aardewerken pot aan de muur waarin je kon plassen. Je kreeg uit een vat te eten, een pannetje met een stukje brood. Familie kon ook eten naar de gevangenis brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 16 juni 1978 probeerde een aantal gevangenen te ontsnappen uit een van de donkere cellen. In ieder geval één van hen ([persoon 81]) is het gelukt te ontsnappen, de anderen waaronder [persoon 342], [persoon 2] en [persoon 3] - zijn bij hun poging doodgeschoten.Na deze poging werden de gevangenen in de donkere kamers (“dark rooms”) in paren aan hun enkels geboeid, met de rechtervoet aan andermans linkervoet. Zij moesten daarom alles samen doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omstreeks 5 augustus 1978 werd het vonnis tegen de eerste groep politieke gevangenen voorgelezen.Omstreeks 12 augustus 1978 werd het vonnis tegen een tweede groep voorgelezen.Geen van de veroordeelden is bij een rechtbank geweest, hun zaken zijn niet door een rechtbank behandeld, noch hebben zij een afschrift van het vonnis ontvangen. De beslissingen tot veroordeling zijn genomen op basis van de informatie die is verkregen door de speciale verhoorders uit Addis Abeba.Eerst werd de groep genoemd die drie jaar gevangenisstraf had gekregen, daarna de korter gestraften. Er was ook een groep die helemaal niet werd genoemd. Deze laatste groep betrof de mensen met een hogere functie binnen de EPRP of de squads.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die avond is een groep van ongeveer twintig hooggeplaatste EPRP-leden in een vrachtwagen vervoerd tot vlak buiten de stad. Daar zijn zij doodgeschoten, waarna hun lichamen mee terug zijn genomen naar het gevangenisterrein. Een van de slachtoffers was [persoon 323].</p>\n<p class=\"lf-p\">Op of omstreeks 14 augustus 1978 werd aan het begin van de avond een aantal mensen uit verschillende cellen gehaald en hun handen met touw op de rug gebonden. Zij werden naar het kerkgebouw op het terrein van de gevangenis gebracht. Daar werd een touw om hun nek gedaan, werden zij geslagen en met de touwen gewurgd. De lichamen zijn door een aantal droge gevangenen, die moesten helpen, onder wie [persoon 343] en [persoon 344], naar een eerder gegraven gat in de grond achter de kerk gebracht en daarin gelegd. Twee van de slachtoffers - een man genaamd [persoon 345] en een vrouw genaamd [persoon 346] - waren nog niet dood toen zij in het gat werden gelegd.Het gat werd daarna gedicht en de slachtoffers zijn niet meer gezien. Het eten dat de familie van de slachtoffers in de dagen daarna kwam brengen werd niet meer aangenomen. Op die manier werd de dood van deze familieleden bekend Dat deze mensen daadwerkelijk zijn gedood blijkt behalve uit getuigenverklaringen ook uit documenten, bestaande uit brieven en namenlijsten die zich in het dossier bevinden. In een brief van 14 augustus 1978 is aan het hoofd van de gevangenissen in de provincie Gojjam, Debre Marcos, opgedragen 'revolutionaire maatregelen' uit te voeren tegen tachtig in de bijlage genoemde personen. Bij brief van 16 augustus 1978 met bijlage, bevestigt [persoon 327], het hoofd van de gevangenis in de provincie Gojjam, dat hij naar aanleiding van het bevel van 14 augustus 1978 met betrekking tot 71 mensen de revolutionaire maatregel heeft genomen. Hij geeft in deze brief tevens aan dat drie mensen zijn gedood bij de voornoemde ontsnappingspoging, dat één persoon is ontsnapt en dat vijf mensen niet in Debre Marcos vastzitten, maar in de gevangenis in Metekel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit een brief van 16 augustus 1978 gericht aan het gevangeniskantoor in Metekel blijkt dat diezelfde dag nog opdracht is gegeven om ten aanzien van deze groep van vijf mensen in Metekel tevens 'revolutionaire maatregelen' te nemen. Bij brief van 17 augustus 1978 bevestigt [persoon 328] dat het bij brief van 16 augustus 1978 gegeven en telefonisch bevestigde bevel tot het nemen van de 'revolutionaire maatregel' tegen deze mensen is uitgevoerd. Uit een briefwisseling op 17 augustus 1978 blijkt dat ook opdracht is gegeven de 'revolutionaire maatregel' uit te voeren ten aanzien van [persoon 78] en dat daaraan die zelfde dag om 12:30 uur gevolg is gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat met de term 'revolutionaire maatregel' in de hiervoor omschreven brieven niets anders kan zijn bedoeld dan het ter dood brengen van de betreffende personen. Immers, de bijlage bij de brief van 16 augustus 1978 vermeldt dat de revolutionaire maatregel de straf is die werd opgelegd aan degenen die ‘huurmoordenaars en leden van de EPRP waren’, mensen die ernstige misdaden zouden hebben begaan tegen de revolutie, hebben geprobeerd te vluchten en dat hun aanwezigheid een gevaar vormt voor het land.Aan de anderen werd een gevangenisstraf opgelegd. Het is niet voor de hand liggend dat degenen die beschuldigd werden van de meest ernstige misdrijven en die als een gevaar voor het land werden gezien en die kennelijk geen gevangenisstraf kregen, niet ter dood zouden worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar komt bij dat degenen die op 14 augustus 1978 vanuit de gevangenis van Debre Marcos zijn weggevoerd blijkens de overzichten van de opgelegde straffenzijn gestraft met de 'revolutionaire maatregel'. [persoon 2] en [persoon 1] worden ook in dit overzicht genoemd. Achter hun naam staat de vermelding: \"revolutionaire maatregel is genomen toen hij probeerde de gevangenisdeur open te breken\". Nu – zoals hiervoor is overwogen - zij zijn gedood tijdens de ontsnappingspogingkan het niet anders dan dat in deze brieven met 'revolutionaire maatregelen' wordt bedoeld het ter dood brengen. Veelzeggend in dit verband is tenslotte ook een brief van 11 juni 1978, gericht aan de verdachte als vast lid van de Derg in de Provincie van Gojjam, over het feit dat tegen 12 personen een revolutionaire maatregel is uitgevoerd en dat ze voor hun bezittingen (horloges en geld) hebben getekend toen ze nog in leven waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na 15 augustus 1978 werden de resterende gevangenen verdeeld over alle cellen. De gevangenen in de donkere cellen mochten na 15 augustus 1978 ook overdag naar buiten en de ketens werden verwijderd van hun enkels.Ook mochten de gevangen bezoek ontvangen, hun cel verlaten met een politieman en werd behandeling gegeven aan zieken.Er werd eten verschaft door de gevangenis, maar dat was van slechte kwaliteit.Nadat de verschillende straffen waren uitgezeten, of kort daarvoor, werden gevangenen vrijgelaten. Een aantal van hen heeft langer gezeten dan de opgelegde straf.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3.2 Namen van (bewezenverklaarde) personen Het hof heeft vastgesteld dat alle bewezenverklaarde namen van personen zijn opgenomen in de genoemde lijsten en/of brieven van/aan de verdachte, dan wel volgen uit de getuigenverklaringen waar in de bewijsoverwegingen naar is verwezen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de schrijfwijze van namen in het dossier niet steeds consequent is, vermoedelijk mede veroorzaakt door de (fonetisch ingegeven) vertaalslag vanuit het Amhaarse schrift. Ten aanzien van de bewezen verklaarde personen heeft het hof, voor zover er sprake was een discrepantie in schrijfwijze, geoordeeld dat deze discrepantie moet worden verklaard door de vertaling. Er is ten aanzien van die personen geen twijfel gerezen over de vraag of daadwerkelijk dezelfde persoon wordt bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partiële vrijspraak ten aanzien van enkele personen</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Nu het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de feiten onder 1 en 4 jegens [persoon 325], [persoon 315] en [persoon 316] zijn gepleegd, dient de verdachte te worden vrijgesproken van het – voor zover nog inhoudelijk aan de orde in hoger beroep - onder 1 en 4 tenlastegelegde betrekking hebbend op [persoon 325], [persoon 315] en [persoon 316].</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het hof heeft reeds eerder - in het kader van de beoordeling van de getuigenverklaringen - geoordeeld dat de verklaring van [persoon 317] onvoldoende betrouwbaar is om voor het bewijs te gebruiken. Dit heeft als gevolg dat het hof de verdachte zal vrijspreken voor de feiten 1 en 4 voor zover die betrekking hebben op [persoon 317].</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Om diezelfde reden zal ook vrijspraak volgen van het onder 2 tenlastegelegde ten aanzien van [persoon 326].</div>\n<p class=\"lf-p\">13.3.4 Partiële vrijspraak ten aanzien van pleegperiode feit 4 Het hof zal de verdachte vrijspreken van het onder 4 tenlastegelegde voor zover dit betrekking heeft op de periode ná augustus 1978, te weten van 1 september 1978 tot en met 31 december 1981. Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de detentieomstandigheden vanaf dat moment nog immer zodanig slecht waren dat zij als wreed en/of onmenselijk en/of vernederend kunnen worden gekwalificeerd. Bovendien valt uit het dossier op te maken dat de verdachte vanaf dat moment niet meer de dienst uitmaakte in Gojjam. Het dossier behelst onvoldoende informatie om de uit hoofde van de vonnissen daarna nog voortdurende vrijheidsberoving toe te schrijven aan de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4 Beschermde personen Het openbaar ministerie heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betoogd dat het evident is dat, op het moment dat de misdrijven gepleegd werden, niemand van de slachtoffers rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam en zij aldus beschermde personen waren als bedoeld in gemeenschappelijk artikel 3. Zij bevonden zich allen in de macht van de verdachte. De verdediging heeft hierover geen standpunt ingenomen. Het hof oordeelt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenschappelijk artikel 3 beschermt iedereen die niet of niet langer actief deelneemt aan de vijandelijkheden die verband houden met het gewapend conflict. Deze bepaling maakt ook deel uit van het internationaal gewoonterecht. In de praktijk betekent dit dat burgers, strijders die de wapens hebben neergelegd of strijders die buiten gevecht zijn, bijvoorbeeld omdat ze gevangen zijn genomen of ziek of gewond zijn, bescherming genieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat er geen enkele reële aanwijzing is dat degenen die op exposure meetings aanwezig waren, actief deelnamen aan de aan de vijandelijkheden tussen de Derg en EPRP of een van de andere hiervoor genoemde gewapende groepen. Dat geldt des te meer vanaf het moment dat personen gearresteerd waren en aankwamen dan wel verbleven in het politiekamp, militaire kamp of de gevangenis in Debre Marcos of Metekel. De slachtoffers behoorden derhalve tot de personen aan wie gemeenschappelijk artikel 3 en het humanitair gewoonterecht bescherming bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5 Schendingen van internationaal humanitair recht Hiervoor is het hof tot een feitelijke vaststelling gekomen ten aanzien van de onder l, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten en omstandigheden. Het hof zal nu uiteenzetten of deze feiten en omstandigheden schendingen opleveren van gemeenschappelijk artikel 3 en het internationaal humanitair gewoonterecht. Het hof oriënteert zich voor de uitleg van de delictsbestanddelen van de strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven op het internationale recht, zoals het Statuut voor het Internationaal Strafhof en de op de voet van artikel 9 van het Statuut van het Strafhof opgestelde Elementen van Misdrijven, en richtinggevende uitspraken van de internationale tribunalen, zoals het ICTY, gelet op de internationale karakter van dit misdrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het onder 1 en 4 tenlastegelegde houdt dit in dat het hof zich zal uitlaten over arbitraire vrijheidsberoving, het uitspreken en tenuitvoerleggen van buitengerechtelijke vonnissen, wrede en onmenselijke behandeling en aanranding van de persoonlijke waardigheid. Ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal het hof zich buigen over het verbod van marteling en doden. Daarbij neemt het hof het kader dat de rechtbank zeer uitvoerig heeft geschetst en toegepast grotendeels over, zoals ook door het openbaar ministerie in hoger beroep verzocht. De verdediging heeft op de toepassing van het internationaal humanitair recht geen verweer gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5.1 Het toetsingskader Ten aanzien van het onder 1 en 4 tenlastegelegde Arbitraire vrijheidsberoving Vrijheidsberoving en vrijheidsbeperking op willekeurige gronden in het kader van een niet-internationaal gewapend conflict is in strijd met gemeenschappelijk artikel 3, en wel met het centrale gebod om personen die niet of niet meer aan de vijandelijkheden deelnemen menslievend te behandelen. Dit gebod rust op alle strijdende partijen en geldt 'onder alle omstandigheden'. Het raakt de kern van het internationaal humanitair recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit kader kan worden aangeknoopt bij Rule 99 van het ICRC: \"Arbitrary deprivation of liberty is prohibited.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 719 van het ICRC Commentary on the First Geneva Convention legt het als volgt uit: \"It is a requirement under customary international law (…) that any detention must not be arbitrary. Therefore, certain grounds and procedures for such detention must be provided.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Met andere woorden, een geldige reden en een deugdelijke procedure zijn vereist. Voor een geldige reden moet ofwel sprake zijn van een aanhouding en detentie in het kader van een wettelijk voorziene strafrechtelijke procedure ofwel van internering om zwaarwegende veiligheidsredenen in verband met het niet-internationale gewapend conflict. In dit laatste geval moet het gaan om preventieve redenen van veiligheid, in die zin dat de geïnterneerde persoon een veiligheidsrisico vormt voor de internerende partij bij het gewapende conflict. Dit kan het geval zijn omdat de persoon in kwestie rechtstreeks aan de vijandelijkheden heeft deelgenomen of anderszins een reële bedreiging vormt. Dit betekent dat het vastzetten van een hele bevolkingsgroep zonder aanwijsbaar of tenminste aannemelijk veiligheidsrisico in het individuele geval niet geoorloofd is.Voorts is het inwinnen van informatie, bijvoorbeeld over de organisatie van de tegenpartij, geen geldige reden voor een veiligheidsinternering, tenzij de persoon in kwestie zelf een bedreiging vormt voor de internerende partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijheidsontneming die berust op buitengerechtelijke bestraffing kan per definitie geen geldige reden hebben, omdat het buitengerechtelijk uitdelen van straffen door gemeenschappelijk artikel 3, eerste lid onder d, uitdrukkelijk wordt verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de vraag of het verbod op arbitraire vrijheidsberoving ook reeds in de tenlastegelegde periode tot het internationaal gewoonterecht behoorde stelt het hof het volgende voorop.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Ethiopische Penal Code van 1957, die in 1978 van kracht was, was detentie van de burgerbevolking in (concentratie)kampen tijdens zowel internationale als niet-internationale conflicten als oorlogsmisdrijf strafbaar gesteld (artikel 282(c)). De Penal Code stelde bovendien \"unlawful arrest or detention\" door \"any public servant\" strafbaar (artikel 416). Dit omvatte het negeren van \"forms and procedures prescribed by law\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook buiten Ethiopië werd het reeds als onaanvaardbaar gezien om mensen onrechtmatig van hun vrijheid te beroven. Zo oordeelde het Internationale Hof van Justitie in 1980 (kort na het begin van de tenlastegelegde periode): \"Wrongfully to deprive human beings of their freedom and to subject them to physical constraint in conditions of hardship is in itself incompatible with the principles of the Charter of the United Nations as well as fundamental principles enunciated in the Universal Declaration of Human Rights.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op vorenstaande stelt het hof dan ook vast dat er geen twijfel over kan bestaan dat dat het verbod van arbitraire detentie reeds in de tenlastegelegde periode tot het internationaal gewoonterecht behoorde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitspreken en tenuitvoerleggen van buitengerechtelijke vonnissen Om de elementen van misdrijf ten aanzien van het uitspreken en tenuitvoerleggen van buitengerechtelijke vonnissen te kunnen vaststellen, volgt het hof de lijn die is uitgezet in het ICRC Commentary en in de jurisprudentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenschappelijk artikel 3, eerste lid, onder d verbiedt (zoals hiervoor al onder het kopje toepasselijk recht aangegeven): “het uitspreken en tenuitvoerleggen van vonnissen zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod is in artikel 6, tweede lid, van het AP II en in het internationaal gewoonterecht verder uitgewerkt. In artikel 6, tweede lid, van het AP II is het vereiste opgenomen dat een gerecht over de essentiële waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid dient te beschikken, zodat een eerlijk proces kan worden gegarandeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wil een gerecht onafhankelijk zijn, dan moet het kunnen functioneren \"without interference from any other branch of government, especially the executive\".Het vereiste van onpartijdigheid bestaat uit twee aspecten, het subjectieve en het objectieve aspect.</p>\n<p class=\"lf-p\">Allereerst mogen rechters hun oordeel niet vellen op grond van vooroordelen en persoonlijke vooringenomenheid. Tevens mogen rechters niet partijdig zijn, door het belang van de ene partij voorop te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast dienen rechters, vanuit een objectief gezichtspunt, onpartijdig te zijn. Met andere woorden, de onpartijdigheid moet voor een redelijke waarnemer zichtbaar zijn. Deze twee aspecten van het vereiste van onpartijdigheid zijn onder meer door het ICTY in de Furundiija zaakaangenomen en door het ICTR in de Akayesu zaak.Het hof zal in zijn beoordeling van de onderhavige zaak deze lijn volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De juridische waarborgen die door beschaafde volken als onmisbaar zijn erkend - zoals in gemeenschappelijk artikel 3, eerste lid, onder d opgenomen - zijn in de ICC Elements of Crimes vervangen door het vereiste, \"generally recognized as indispensable under international law\".Het hof zal deze laatste uitleg volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenschappelijk artikel 3, eerste lid, onder d geeft geen uitleg over de specifieke juridische waarborgen. Artikel 6 van het AP II geeft wel de minimale waarborgen waaraan een eerlijk proces dient te voldoen en die onmisbaar zijn in het hedendaags internationaal recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof kunnen deze waarborgen worden gebruikt bij de nadere invulling van de norm van gemeenschappelijk artikel 3, omdat het volgens het ICRC gaat om waarborgen die onderdeel uitmaken van het internationaal gewoonterecht. Deze waarborgen zijn overigens niet limitatief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de jurisprudentie, gemeenschappelijk artikel 3 en AP II en het internationaal gewoonterecht vloeien in elk geval de volgende waarborgen voort: de verplichting om de verdachte tijdig te informeren over de beschuldiging; de rechten van de verdachte in acht nemen en middelen ter beschikking stellen ten behoeve van zijn verdediging; het recht van de verdachte om slechts veroordeeld te worden op grond van individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid; het nullum crimen, nulla poena sine lege-beginsel en het verbod om een zwaardere straf op te leggen dan de straf die gold ten tijde van het plegen van het strafbare feit; de onschuldpresumptie; het recht van de verdachte om bij zijn berechting aanwezig te zijn; het zwijgrecht van de verdachte en het verbod op een gedwongen bekentenis; het recht van de verdachte om kennis te kunnen nemen van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als één of meer van deze waarborgen bij het uitspreken en tenuitvoerleggen van vonnissen niet worden nageleefd, dan is niet voldaan aan de hiervoor beschreven essentiële waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, zodat van een eerlijk proces niet kan worden gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wrede en onmenselijke behandeling Het verbod op wrede of onmenselijke behandeling in gemeenschappelijk artikel 3 is een middel om zeker te stellen dat personen, die niet deelnemen aan de vijandelijkheden, onder alle omstandigheden menselijk worden behandeld. De Geneefse Conventies noch de Aanvullende Protocollen geven een definitie van wrede behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de jurisprudentie wordt wrede of onmenselijke behandeling als volgt gedefinieerd: \"[treatment] which causes serious mental or physical suffering or constitutes a serious attack upon human dignity, which is equivalent to the offence of inhuman treatment in the framework of the grave breaches provisions of the Geneva Conventions”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier wordt ook de aanranding van de persoonlijke waardigheid benoemd. Het hof komt hier verderop in het arrest op terug.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om van wrede of onmenselijke behandeling te spreken, moet er sprake zijn van ernstig fysiek of psychisch lijden.Hiervoor is geen speciaal oogmerk vereist. Of er sprake is van ernstig fysiek of psychisch lijden, dient van geval tot geval te worden beoordeeld. Hierbij dient zowel naar de objectieve als naar de subjectieve omstandigheden te worden gekeken. Wrede of onmenselijke behandeling kan bestaan uit één geïsoleerde handeling, maar kan ook het gevolg zijn van een combinatie of ophoping van verschillende handelingen, die los van elkaar niet als wrede of onmenselijke behandeling zou worden gekwalificeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De elementen die van belang kunnen zijn bij de beoordeling of van voldoende ernst sprake is, zijn de aard van de gedraging of van het nalaten, de context waarin de gedraging plaatsvindt, de duur en/of de herhaling van de gedraging, de fysieke, psychische en morele gevolgen van de gedraging voor het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van het slachtoffer, met daarbij inbegrepen leeftijd, geslacht en gezondheid. Het is geen vereiste dat het lijden, dat is veroorzaakt door de wrede behandeling blijvend is. Wel dat het ernstig is.Indien een gedraging op de lange termijn gevolgen heeft, kan dit van belang zijn voor het vaststellen van de ernst van de gedraging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke handelingen die als wreed worden gezien zijn onder meer het gebrek aan adequate medische voorzieningenen onmenselijke leefomstandigheden in een gevangenis, slaan, en poging tot moord.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Limaj zaak zijn door het ICTY de detentieomstandigheden uiteengezet waarbij is vastgesteld dat er sprake is geweest van wrede behandeling. Daartoe waren de volgende detentieomstandigheden van belang. Het was heel warm in de kamer, er was geen ventilatie, er was alleen een klein raam en de grond was van beton. Op de grond lagen uitwerpselen en er was bloed. De gevangenen waren vastgebonden of geketend, soms aan andere gevangenen. De atmosfeer en geur waren verstikkend. De temperatuur en de geur waren op een gegeven moment ondraaglijk geworden, ook omdat de gevangenen in deze ruimte moesten slapen en eten. De gevangenen verbleven de hele dag in de kleine ruimte en mochten niet met elkaar praten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er was voor de gevangenen niet genoeg ruimte om zich uit te strekken. De gevangenen moesten twintig uur per dag in deze ruimte verblijven en konden deze niet verlaten. De ijzeren deur was de hele tijd gesloten. Er waren dagen dat de gevangenen helemaal geen voedsel kregen en dagen dat ze soep of brood kregen. Volgens de gevangenen zag het eten er uit als veevoer en was het niet geschikt voor mensen. De gevangenen sliepen op een klein tapijt op de grond. Er was geen beddengoed. Er waren geen sanitaire voorzieningen. De gevangenen mochten geen gebruik maken van het toilet dat zich buiten bevond, maar moesten gebruik maken van een emmer, die niet regelmatig werd geleegd. Ondanks dat er gevangenen waren met ernstige verwondingen, was er geen medische zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de gevangenen was sprake van ernstig psychisch en fysiek lijden, hetgeen een ernstige inbreuk op hun waardigheid maakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof put ten aanzien van de detentieomstandigheden ook uit de Delalié zaak. In deze zaak heeft het ICTY ook de detentieomstandigheden benoemd en geconcludeerd dat er sprake was van wrede behandeling. Er is in die zaak vastgesteld dat het voedsel voor de gevangenen ontoereikend was. Op warme dagen moesten de gevangenen in de hangar verblijven. De gevangenen moesten op het kale beton en op hun zij liggend, tegen elkaar aan slapen. Er was sprake van een opeenhoping van uitwerpselen van de gevangenen. Er was een tekort aan medische voorzieningen en er was sprake van constante psychische kwelling. De gevangenen leefden in een atmosfeer van terreur, waarbij ze bang waren om geslagen of gedood te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft hierboven slechts die detentieomstandigheden uit de jurisprudentie aangehaald die relevant zijn voor de beoordeling van hetgeen aan de verdachte in de onderhavige zaak is ten laste gelegd. Het hof benadrukt dat het hier geen limitatieve opsomming van elementen van misdrijf betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanranding van de persoonlijke waardigheid Het verbod op aanranding van de persoonlijke waardigheid, door vernederende en onterende behandeling, zoals ten laste gelegd, is ook in gemeenschappelijk artikel 3 vastgelegd. Dit verbod is herbevestigd in de Aanvullende Protocollen en wordt beschouwd als geldend internationaal gewoonterecht. De Geneefse Conventies noch de Aanvullende Protocollen geven echter een definitie van aanranding van de persoonlijke waardigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal ook ten aanzien van aanranding van de persoonlijke waardigheid door vernederende en onterende behandeling de lijn volgen die eerder in de jurisprudentie is uiteengezet en daarbij specifiek op de detentieomstandigheden ingaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van aanranding van de persoonlijke waardigheid heeft het ICTY in de Kunarac zaak de volgende definitie vastgesteld: \"The accused intentionally committed or participated in an act or omission which would be generally considered to cause serious humiliation, degradation or otherwise be a serious attack on human dignity.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Met andere woorden, de aanranding kan een opzettelijk handelen behelzen, maar ook een nalaten, dat algemeen beschouwd een ernstige vernedering of anderszins een ernstige aanranding van de menselijke waardigheid heeft veroorzaakt. En ook bij deze beoordeling dient naar subjectieve criteria te worden gekeken, zoals de gevoeligheid van het slachtoffer, maar ook naar objectieve criteria die gerelateerd zijn aan de ernst van de handeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Net als wrede of onmenselijke behandeling kan aanranding van de persoonlijke waardigheid bestaan uit één geïsoleerde handeling, maar ook het gevolg zijn van een combinatie of ophoping van verschillende handelingen, die los van elkaar als niet wrede of onmenselijke behandeling zou worden gekwalificeerd. Het hof volgt hetgeen door het ICTY in de Aleksovski zaak is bepaald: \"The seriousness of an act and its consequences may arise either from the nature of the act per se or from the repetition of an act or from a combination of different acts which, taken individually, would not constitute a crime within the meaning of Article 3 of the Statute. The form, severity and duration of the violence, the intensity and duration of the physical or mental suffering, shall serve as a basis for assessing whether crimes were committed.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals reeds vastgesteld dient de vernedering ernstig te zijn, doch het is geen vereiste dat de aanranding blijvende gevolgen heeft.Ook is geen bijzonder oogmerk vereist, zoals dat wel bij marteling het geval is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaak Kvocka is door het ICTY ernstige vernedering op grond van detentieomstandigheden aangenomen. In deze zaak zijn gevangenen blootgesteld aan ernstige vernedering met daaronder inbegrepen slechte detentieomstandigheden, het gedwongen zijn tot uitvoering van vernederende handelingen, gedwongen zijn om hun behoeften in de eigen kleding te doen of langdurig angstig zijn om blootgesteld te worden aan fysiek, psychisch of seksueel geweld in het kamp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook hier heeft het hof slechts die elementen van aanranding van de persoonlijke waardigheid, door vernederende en onterende behandeling uit de jurisprudentie aangehaald die relevant zijn voor de beoordeling van hetgeen aan de verdachte in de onderhavige zaak is tenlastegelegd. Het hof benadrukt ook hier dat het geen limitatieve opsomming van elementen van misdrijf betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde Als toetsingskader voor de elementen van het misdrijf marteling zoekt het hof opnieuw aansluiting bij de toepassing van gemeenschappelijk artikel 3. Immers dat schrijft voor dat, in geval van een niet-internationaal gewapend conflict, ten aanzien van de beschermde personen overal en te allen tijde verboden is om te martelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Geneefse Conventies geven geen definitie van het begrip marteling, dit begrip is nader gedefinieerd en uitgewerkt in de literatuur en in de (internationale) rechtspraak. Het hof wijst op bijvoorbeeld de Greek Case uit 1972, van de Europese Commissie voor de Mensenrechten waarin die Commissie marteling definieerde als \"inhuman treatment which has a purpose, such as the obtaining of information or concessions, or the infliction of punishment\". Inhuman treatment werd vervolgens gedefiniëerd als \"deliberately causing severe suffering, mental or physical, in the particular situation unjustifiable\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De elementen van het misdrijf marteling zijn ontwikkeld en uitgekristalliseerd in de rechtspraak van het ICC en het ICTY en in Rule 90 van de Customary International Humanitarian Law Database van het ICRC.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Trial Chamber van het ICTY schetste in onder meer de zaak Furundzija de vereisten voor marteling als volgt: (i) consists of the infliction by act or omission of severe pain or suffering, whether physical or mental; in addition (ii) this act or omission must be intentional; (iii) it must aim at obtaining information or a confession, or at punishing, intimidating or coercing the victim or a third person; or at discriminating, on any ground against the victim or a third person; (iv) it must be linked to an armed conflict; (v) at least one of the persons involved in the torture process must be a public official or must at any rate act in a non-private capacity, e.g. as a de facto organ of a State or any other authority-wielding entity.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaak Kunarac nuanceerde de Trial Chamber het onder (v) geschetste element door te concluderen dat: \"the presence of a state official or any other authority-wielding person in the torture process is not necessary for the offence to be regarded as torture under international humanitarian law.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde Het hof neemt wederom het centrale verbod van gemeenschappelijk artikel 3 als uitgangspunt in dit kader: ten aanzien van beschermde personen blijft te allen tijde en overal verboden een aanslag op het leven, in het bijzonder het doden op welke wijze ook. De uitwerking van het verbod op doden is terug te vinden in de rechtspraak van de internationale tribunalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het Statuut van het ICC en dat van het ICTY bevatten een verbod van dit oorlogsmisdrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bepaling van internationaal humanitair gewoonterecht heeft het verbod zijn weerslag gevonden in Rule 89 in de al eerder genoemde database van het ICRC.</p>\n<p class=\"lf-p\">De elementen van het misdrijf doden zijn in artikel 8(2)(c) van het ICC Statuut als oorlogsmisdrijf geschetst en als volgt (samengevat): \"The perpetrator killed one or more persons, such person or persons were civilians, taking no part in the hostilities, the perpetrator was aware of the circumstances of this status, the conduct took place in the context of and was associated with a non-international armed conflict, the perpetrator was aware of the circumstances that established the existence of an armed conflict.”</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5.2 Schendingen van het internationaal humanitair recht in deze zaak Het hof zal hieronder beoordelen of de vastgestelde feitelijke gebeurtenissen schendingen opleveren van het internationaal humanitair recht. Daarvoor zal het hof de zojuist geschetste elementen van misdrijven gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het onder 1 en 4 tenlastegelegde Arbitraire vrijheidsberoving en buitengerechtelijke vonnissen Het hof komt op basis van de eerder vastgestelde feiten en omstandigheden tot de volgende conclusies met betrekking tot de vraag of sprake is geweest van vrijheidsbeneming en zo ja, of dit arbitrair was en of buitengerechtelijke vonnissen zijn gewezen en tenuitvoergelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van een campagne tegen de EPRP hebben in Debre Marcos in de maand februari 1978 gedurende drie dagen exposure meetings op het terrein van de plaatselijke school plaatsgevonden. Deelname aan deze exposure meetings geschiedde onder druk en uit angst voor ernstige represailles. Er waren gewapende bewakers op het terrein. In de loop van de exposure meetings zijn verscheidene personen ter plekke afgevoerd, nadat zij zichzelf bekend hadden gemaakt als EPRP-lid of als zodanig bekend waren gemaakt door anderen. De meesten, ongeveer driehonderd personen, werden aan het eind van de bijeenkomst op de derde dag afgevoerd naar het militaire kamp. Het hof stelt vast dat dit vrijheidsberoving betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrijheidsberoving werd voor een groot aantal personen verder voortgezet in het daaropvolgende verblijf in het politiekamp en daarna in de gevangenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof hebben van meet af aan rechtens geldige redenen ontbroken voor het gehele proces van vrijheidsbeperking tijdens de exposure meetings, de vrijheidsberoving bij de arrestaties en de daaropvolgende detentie van een groot aantal van de gevangenen in het militaire kamp, het politiekamp en de gevangenis tot aan het wijzen van de 'vonnissen' in augustus 1978. De vrijheidsberoving speelde - naast militaire activiteiten, felle anti-EPRP propaganda en politieke herscholing - een centrale rol in de campagne van de Derg om de EPRP in de provincie Gojjam definitief te verslaan. Het gehele proces van vrijheidsberoving was er op gericht de structuur van de EPRP bloot te leggen om vervolgens zijn al dan niet vermeende leden te elimineren, dan wel gevangen te houden. Geen van hen is ooit op formele gronden in staat van beschuldiging gesteld van een specifiek strafbaar feit. Deze manier van handelen maakt dat naar het oordeel van het hof geen sprake kan zijn geweest van vrijheidsberoving in het kader van een wettelijk voorziene strafrechtelijke procedure. De totale willekeur waarmee de mensen na de exposure meetings werden vastgezet en vastgehouden alleen al maakt dat niet kan worden gesproken van internering om zwaarwegende veiligheidsredenen al dan niet in verband met het niet-internationale gewapende conflict.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is voorts van oordeel dat ook de vrijheidsberoving na de 'vonnissen' in augustus 1978 arbitrair is geweest, omdat die 'vonnissen' buitengerechtelijk zijn geweest. Tegen de betreffende personen zijn immers maatregelen (gevangenisstraf met zware arbeid) uitgevaardigd en ten uitvoer gelegd zonder voorafgaande berechting door een (onafhankelijke) rechtbank en zonder dat zij een proces hebben gekregen, laat staan een eerlijk proces. Zij zijn niet berecht door een gerecht dat over de essentiële waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid beschikte. Zo zijn in ieder geval de volgende waarborgen niet in acht genomen: de verplichting om de verdachte tijdig te informeren over de beschuldiging; het recht van de verdachte om kennis te kunnen nemen van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen; middelen ter beschikking stellen ten behoeve van zijn verdediging; het recht van de verdachte om bij zijn berechting aanwezig te zijn; het zwijgrecht van de verdachte erkennen en het verbod op een gedwongen bekentenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op vorenstaande concludeert het hof dan ook dat de vrijheidsbeperking en - beroving bij de exposure meetings, in het militaire kamp, in het politiekamp en in de gevangenis, zowel vóór als na de buitengerechtelijke vonnissen, arbitrair is geweest. Dit levert aldus een schending op van het gewoonterechtelijk verbod op arbitraire vrijheidsberoving. Verder concludeert het hof dat de arbitraire vrijheidsberoving en het uitvaardigen en tenuitvoerleggen van buitengerechtelijke vonnissen schendingen opleveren van het bepaalde in gemeenschappelijk artikel 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detentieomstandigheden Met betrekking tot de detentieomstandigheden overweegt het hof het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel in het militaire kamp slechts weinig ruimte was, mensen op de grond moesten slapen, familieleden voor eten en kleding moesten zorgen, en er slechts één wc was voor driehonderd mensen, werd het leven daar strikt genomen niet als slecht beschouwd door degenen die er moesten verblijven. Het hof is ten aanzien van de hier geldende detentieomstandigheden van oordeel dat - mede gelet op de in die tijd en cultuur geldende maatstaven - niet kan worden vastgesteld dat dit een wrede dan wel onmenselijke behandeling opleverde en/of dat de betrokken personen hiermee in hun waardigheid werden aangerand dan wel vernederend en onterend werden behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is echter anders voor de detentieomstandigheden in het politiekamp. Het hof overweegt dat hier - nog los van de veel te krappe cellen en de afwezigheid van (behoorlijke) sanitaire voorzieningen - meerdere gevangenen ernstig werden mishandeld. De gevangenen hoorden geschreeuw en gehuil vanuit de martelkamers en werden geconfronteerd met de verwondingen van de mishandelden. De gewonde medegevangenen werden - zonder enige medische zorg teruggeplaatst in de cellen bij de andere gevangenen. De andere gevangenen werd vervolgens verboden om hen te helpen. [persoon 322] is zelfs in de cel, in de aanwezigheid van medegevangenen, overleden. De gevangenen moeten voortdurend in angst hebben geleefd dat zij de volgende konden zijn die zouden worden mishandeld of gedood. Het hof acht het gevangenhouden onder deze detentieomstandigheden een wrede dan wel onmenselijke behandeling en is van oordeel dat de betrokken personen hiermee in hun waardigheid werden aangerand dan wel vernederend en onterend werden behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in de gevangenis waren de omstandigheden voordat de buitengerechtelijke vonnissen werden uitgesproken erbarmelijk. In de gewone cellen was er te weinig ruimte om op de rug te slapen, bij de toiletten - gaten in de grond - was geen privacy en er was geen medische zorg. In de dark rooms, waar de politieke gevangenen werden opgesloten, waren de detentieomstandigheden schrijnend te noemen. De cellen hadden vrijwel geen daglicht. De gevangenen uit deze cellen mochten - anders dan de anderen - overdag niet uit hun cel en konden alleen 's ochtends en 's middags één keer gebruik maken van het toilet. Voor het overige moesten zij hun behoefte doen in een bakje dat aan de muur hing; de warmte en de stank werd beschreven als ondraaglijk. De gevangenen werden na een ontsnappingspoging van medegedetineerden paarsgewijs aan de enkels geboeid, hetgeen het bewegen bemoeilijkte. Er was niet of nauwelijks medische zorg. Daarnaast werd er geen informatie gegeven voorafgaande aan het verblijf in een dark room. De gevangenen verkeerden in volstrekte onzekerheid omtrent hun lot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is op grond van voormelde feiten en omstandigheden van oordeel dat ook de detentieomstandigheden in de gevangenis een wrede dan wel onmenselijke behandeling opleverden en dat de gevangenen hiermee in hun persoonlijke waardigheid werden aangerand en vernederend en onterend zijn behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het vorenstaande komt het hof met betrekking tot de detentieomstandigheden tot de conclusie dat sprake is van een schending van het internationaal humanitair recht. Dit geldt, zoals eerder overwogen niet voor de detentieomstandigheden korte tijd ná de buitengerechtelijke vonnissen. Uit de verschillende getuigenverklaringen komt hierover immers weinig naar voren, anders dan dat de donkere cellen nadien niet meer als zodanig werden gebruikt en dat er nadien meer vrijheid was. Voor dat onderdeel dient dan ook vrijspraak te volgen. Hetzelfde geldt voor de detentieomstandigheden in Metekel, aangezien over de omstandigheden daar onvoldoende blijkt uit het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde Gelet op de hiervoor beschreven gebeurtenissen, waaruit blijkt dat sprake was van het opzettelijk toebrengen van fysiek en mentaal lijden, afgezet tegen de hiervoor geschetste elementen van misdrijf, is het hof van oordeel dat de onder feit 2 aan verdachte ten laste gelegde marteling voldoet aan de criteria zoals neergelegd in gemeenschappelijk artikel 3 en nader uitgewerkt in de aangehaalde rechtspraak. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat dit ook geldt voor het geweld dat [persoon 313] werd aangedaan. Hoewel het hier een klap en schop betreft is het hof van oordeel dat deze mishandeling - hoewel op zichzelf minder ernstig - in samenhang met de hiervoor reeds omschreven detentieomstandigheden en in samenhang met zijn jonge leeftijd bij hem een mentaal lijden heeft veroorzaakt zodat het kan worden gekwalificeerd als marteling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde Wanneer het hof de vastgestelde gebeurtenissen toetst aan het in gemeenschappelijk artikel 3 neergelegde verbod op doden van beschermde personen en de in het ICC Statuut opgesomde criteria komt het hof tot het oordeel dat de aan verdachte onder 3 tenlastegelegde opdracht tot het doden van de personen in de gevangenis voldoet aan alle hiervoor geschetste elementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betrokkenheid en rol van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten 13.6.1 De vaststelling van de feitelijke rol van de verdachte Hiervoor heeft het hof vaststellingen gedaan over de feitelijke gebeurtenissen in de ten laste gelegde periode. Ook heeft het hof vaststellingen gedaan over de taken en functie van de verdachte in die tijd: als voorzitter van het revolutionair coördinerend campagnecomité was hij de enige vertegenwoordiger van de Derg in Gojjam. Gelet op de inhoud van Proclamatie 129, tot stand gekomen kort na de lancering van de “Red Campaign”, in samenhang met de eerder genoemde redevoeringen en oproepen van Mengistu (“to crush” (i.a.) the EPRP) stelt het hof tevens vast dat hij de taak had de politieke weerstand van de oppositie te breken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de inhoud van het dossier, waaronder de verschillende getuigenverklaringen en documenten, het handschriftonderzoek en de verklaring van de verdachte zelf komt het hof verder tot de volgende vaststelling van de feitelijke handelingen van de verdachte. De verdachte was op meerdere dagen aanwezig bij de exposure meetings in februari 1978 in Debre Marcos. De verdachte had daar de leiding en hield daar een speech waarin hij vertelde over hoe de exposure meetings zouden gaan. Hij zei dat de EPRP destructief was voor de natie.Hij bewoog de mensen zichzelf en anderen aldaar bekend te maken als EPRP-lid, door te beloven dat hen niets zou overkomen als ze zichzelf bekend maakten en te dreigen met de dood als ze door een ander zouden worden genoemd.De verdachte heeft (de kadres) bevolen dat degenen die verdacht werden van leugens of zich bekend hadden gemaakt als EPRP-lid moesten worden meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft ondervragers van de veiligheidsdienst uit Addis Abeba persoonlijk naar het militaire kamp gebracht. Toen dat gebeurde, veranderde de sfeer. De verdachte was boos over de milde omstandigheden en zei dat deze mensen verder het onderzoek zouden doen. De bedoeling was dat verteld zou worden hoe de structuur binnen de EPRP was. Er was ook een officier bij die niet zelf martelde, maar erop toezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof baseert de betrokkenheid van de verdachte hierbij mede op de overweging in het Ethiopische vonnis tegen de verdachte, voor zover daarin twee brieven van de hand van de verdachte worden beschreven; te weten die van 16 maart 1978 waarin een verzoek wordt gedaan om rechercheurs van de veiligheidsdienst uit Addis Abeba te sturen en een brief gedateerd 7 april 1978 waarin het bevel aan de financiële administratie van de provincie Gojjam wordt gegeven om voor vijftien dagen een vergoeding per dag te betalen aan de rechercheurs. In hoger beroep is een afschrift van een brief van de verdachte van 7 april 1978 gericht aan de financiële en begrotingsafdeling van het bestuur van Gojjam in het dossier gevoegd, welke brief ziet op de concrete vergoeding van de salarissen van deze vijf personen, hetgeen deze gang van zaken bevestigt. Deze brief heeft de verdachte op 8 april 1978 in afschrift gestuurd aan de tijdelijke Militaire regering (het permanent Comité Volksveiligheid) te Addis Abeba en daarin schrijft de verdachte: “Naar aanleiding van aanwijzingen en ontmaskering hebben wij werknemers van verschillende instanties en studenten/scholieren aangehouden die naar de contrarevolutionaire kamp zijn overgegaan. Het is bekend dat een ploeg die onderzoek doet en het resultaat daarvan aan ons rapporteert vanuit Addis Abeba is gekomen en hier in Debre Markos met het onderzoek bezig is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De inhoud en datering van de brieven, in samenhang met de verklaring van [persoon 319]en andere getuigen die verklaren over de komst van deze ondervragers, leiden tot de vaststelling dat de verdachte verantwoordelijk was voor het sturen van deze vier personen om verhoren af te nemen, en ondersteunen ook de betrokkenheid van de verdachte bij de “ontmaskering” en het vastzetten van deze personen in de kampen De verdachte is vervolgens ook in het politiekamp geweest en heeft daar contact gehad met voornoemde ondervragers uit Addis Abeba.De verdachte sprak voor de verhoorkamer met deze verhoorders, informeerde hoe het ging en leek hun aanwijzingen te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de verhoren werden de lijsten met de omcirkelde namen van degenen die verhoord waren naar het kantoor van de verdachte gebracht, die vervolgens op basis van de bevindingen van de verhoorders besloot welke straf aan de verschillende gevangenen zou worden opgelegd. Uit de documenten blijkt dat de gevangen een kleur kregen. De namen van de gevangenen die moesten worden gedood werden met de kleur rood aangeduid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diverse getuigen hebben verklaard dat bij of na het voorlezen van de gevangenisstraffen die werden opgelegd werd gezegd dat het vonnis was getekend danwel de beslissing was genomen door de verdachte/de leider van het revolutionair coördinerend campagne comité.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hiervoor beschreven werkwijze past bij de functie die de verdachte diende uit te voeren. Het was immers de taak van het campagnecomité om de anti-revolutionairen aan te pakken. Een ieder die orders, voortvloeiend uit de proclamatie niet opvolgde of deze orders trachtte te ontwijken, of die iemand anders aanspoorde tot dergelijke ongehoorzaamheid, bestraft worden met gevangenisstraf of de doodstraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkenheid van de verdachte bij het nemen van dergelijke beslissingen blijkt ook uit de verantwoording die hij hierover kennelijk aflegde aan de Derg-leiding in Addis Abeba, gezien de in de security office van de Derg aangetroffen, ongedateerde lijsten met namen en per naam de gekregen straf, welke lijsten vermelden te zijn getekend door de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dossier bevat tot slot brieven van de verdachte gericht aan het hoofd van de verschillende gevangenissen in Gojjam met in de brief of bijbehorende bijlage (lijsten met) de namen van personen tegen wie revolutionaire maatregelen moesten worden uitgevoerd.Deze brieven leveren zeer overtuigend bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij de bepaling van het lot van de gevangenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concluderend stelt het hof – met de rechtbank - vast dat de verdachte exposure meetings heeft georganiseerd in Debre Marcos en daar ook bij aanwezig is geweest. De verdachte is daarnaast zowel in het militaire kamp als in het politiekamp geweest. Verder heeft hij speciale ondervragers laten komen uit Addis Abeba voor het verhoren van de gevangenen en heeft hij bevelen getekend om personen gevangen te houden en te doden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep gewezen op de mogelijkheid dat niet de Derg, maar Meison voornoemde exposuremeetings organiseerde. Wat daarvan ook zij – eerder is immers al vastgesteld dat Meison in de loop van 1976 al tot de tegenstanders van het regime ging behoren – dit doet niets af aan voornoemde, andersluidende bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de rechtbank volgt het hof het openbaar ministerie niet in zijn betoog dat de verdachte zelf aanwezig is geweest bij het doden van gevangenen. Het hof heeft reeds eerder uiteengezet dat hij de verklaringen van de enige getuige die de verdachte die nacht in de gevangenis zegt te hebben gezien, te weten [persoon 326], niet voor het bewijs zal gebruiken, gelet op de vele inconsistenties in zijn verklaring. Anders dan het openbaar ministerie heeft aangevoerd valt de aanwezigheid van de verdachte bij het doden niet af te leiden uit het door het openbaar ministerie aangehaalde deel van de (schriftelijke) verklaring van [persoon 347]. Hoewel meerdere getuigen hebben verklaard van verschillende bronnen te hebben gehoord dat de verdachte die nacht bij het doden aanwezig was, zijn dit allemaal zogenoemde de auditu verklaringen. Het hof vindt dit onvoldoende overtuigend.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.6.2 Juridische kwalificatie van de rol van de verdachte Hiervoor heeft het hof vastgesteld bij welke strafbare feiten de verdachte een rol heeft gehad. Het hof zal nu per feit bespreken welke aansprakelijkheidsvorm voor de verdachte bewezen kan worden geacht. Bij deze beoordeling geldt dat de regels met betrekking tot deelneming aan strafbare feiten van het commune (nationaal) strafrecht ook van toepassing zijn bij de berechting van oorlogsmisdrijven (artikel 91 Sr.).</p>\n<p class=\"lf-p\">De toetsingskaders van de verschillende tenlastegelegde deelnemingsvormen die het hof hierna als uitgangspunt zal nemen bij de verdere beoordeling sluiten aan bij die van de rechtbank; het hof zal de vereisten - voor zover aan de orde - nader uiteenzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de onder 1, 2 en 4 cumulatief/alternatief ten laste gelegde aansprakelijkheid van de meerdere in de zin van artikel 9 (oud) van de WOS zij daarbij vooropgesteld dat het hof bij de beoordeling hiervan aansluiting heeft gezocht bij het internationale recht, inclusief de doctrine van 'command responsibility', zoals terug te vinden de Statuten van verschillende tribunalen, en de daarop betrekking hebbende rechtspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aansprakelijkheid van de meerdere sluit niet uit dat de meerdere ook strafbaar kan zijn als (mede)pleger, doen-pleger of uitlokker. Bij samenloop van deze daderschapsvormen zal de meer directe vorm (bijvoorbeeld het zelf (mede)plegen) voorrang dienen te krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft in het bijzonder acht geslagen op het ICTY in Blaškić: ‘[i]t would be illogical to hold a commander criminally responsible for planning, instigating or ordering the commission of crimes and, at the same time, reproach him for not preventing or punishing them.’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van alle vier de feiten geldt dat het hof de functie van de verdachte en de wijze waarop hij daaraan uitvoering gaf bij de beoordeling steeds als uitgangspunt heeft genomen. Hoewel de verdachte zelf in zijn verklaringen – ook ter zitting in hoger beroep - zijn rol als voorzitter van het campagnecomité omschrijft als (slechts) coördinerend, en gelijk aan de positie van de andere leden in het campagnecomité, acht het hof dit op basis van het dossier onaannemelijk. Uit de getuigenverklaringen en documenten blijkt naar het oordeel van het hof dat de verdachte een zodanige machtspositie had dat hij – als voorzitter – de (alles bepalende) stem van dit comité was en zodoende in Gojjam de absolute politieke leiding in handen had, waarbij het voornaamste doel van het comité was om, zoals hiervoor al aangegeven, de politieke weerstand van de oppositie te breken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De handelingen van de verdachte dienen dan ook steeds in dit licht te worden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de onder 1 en 4 tenlastegelegde feiten De feiten 1 en 4 op de tenlastelegging zien op de arbitraire vrijheidsberoving, het uitspreken en de tenuitvoerlegging van vonnissen zonder eerlijk proces, de wrede en onmenselijke behandeling en aanranding van de persoonlijke waardigheid. Het hof heeft reeds vastgesteld dat in de tenlastegelegde periode een groot aantal mensen bij - onder meer - exposure meetings is opgepakt en vervolgens in een militair kamp en een politiekamp arbitrair van hun vrijheid is beroofd onder veelal zeer slechte detentieomstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft ook vastgesteld dat de verdachte aanwezig is geweest bij de exposure meetings in Debre Marcos. Deze exposure meetings maakten deel uit van de campagne van de Derg om de weerstand van partijen zoals de EPRP tegen te gaan. Gelet op hetgeen het hof reeds heeft opgemerkt over de mate waarin de verdachte de politieke leiding had, gaat het hof er vanuit dat de verdachte een initiërende en sturende rol heeft gehad in het tot stand komen en uitvoeren van die exposure meetings. In dit kader is door het hof ook vastgesteld dat de verdachte bij meerdere exposure meetings het woord voerde, de gang van zaken uiteen zette, mensen ertoe bracht zichzelf of anderen bekend te maken als EPRP lid en opdracht gaf hen weg te voeren. De verdachte had naar het oordeel van het hof aldus naast een initiërende ook een uitvoerende rol bij de exposure meetings.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de exposure meetings is de verdachte betrokken geweest bij het gevangenhouden van de grote groep (vermeende) EPRP-leden en is hij daarbij in zowel het militaire kamp alsook in het politiekamp aanwezig geweest. De verdachte moet aldus op de hoogte zijn geweest van de slechte detentieomstandigheden, maar heeft zich op geen enkel moment daarvan gedistantieerd of ingegrepen. De straffen die uiteindelijk aan een groot aantal gevangenen zijn opgelegd, zijn uitgevaardigd door het Comité, waarvan de verdachte de voorzitter was. De verdachte heeft in dit verband de rapporten van de verhoorders ontvangen en gelezen, waarna hij op basis daarvan een beslissing nam. Ook hiervoor geldt dus dat de gevangenhouding van de (vermeende) EPRP-leden door de mededaders (zoals de gevangenbewaarders en gevangenisdirecteuren) niet zou hebben plaatsgevonden zonder de aanvankelijke opdracht van de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het voorgaande is het hof, met de rechtbank en het openbaar ministerie, van oordeel dat de verdachte kan worden gekwalificeerd als medepleger van deze tenlastegelegde feiten. Het hof heeft hierbij gelet op de navolgende omstandigheden: de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het feit en het belang van de rol van verdachte, waaronder diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken/distantiëren op een daartoe geëigend tijdstip. Voor medeplegen is niet vereist dat de verdachte alle uitvoeringshandelingen zoals vermeld op de tenlastelegging mede heeft verricht, maar wel dat de bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het hof deze criteria toetst aan de gedragingen van de verdachte, is de conclusie van het hof dat er tussen de verdachte en zijn mededaders een zodanige nauwe en bewuste samenwerking is geweest ten aanzien van de feitelijke gedragingen zoals onder 1 en 4 tenlastegelegd, dat kan worden gesproken van medeplegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De feitelijke gedragingen van de verdachte laten zich niet kwalificeren als medeplichtigheid (feit 1 en 4 cumulatief/alternatief); de rol van de verdachte als medepleger sluit dit uit. Ook is zijn medewerking aan de uitvoering van het delict in dit geval te groot om hem als uitlokker te beschouwen (feit 4 cumulatief/ alternatief), waardoor op deze onderdelen van de tenlastelegging niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. Ditzelfde geldt ten aanzien van de onder feit 1 en 4 (cumulatief/alternatief) tenlastegelegde toelaten als meerdere (‘superior responsibility’). Hoewel medeplegen de aansprakelijkheid als meerdere niet uitsluit, staat in dit geval de aard en mate van betrokkenheid van de verdachte daaraan in de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft de handelingen op de tenlastelegging immers actief (mede)gepleegd en daarbij een initiërende, sturende en uitvoerende rol gehad; dit behelst naar het oordeel van het hof een ander verwijt dan dat de verdachte als meerdere aansprakelijk moet worden gehouden voor zijn ondergeschikten. Zijn feitelijke betrokkenheid bij de uitvoering van die handelingen was daarvoor te groot. Hierdoor is het hof van oordeel dat in dit geval beide aansprakelijkheidsvormen niet met elkaar zijn te verenigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde Feit 2 op de tenlastelegging behelst de marteling van een aantal gevangenen. Het hof heeft hiervoor op grond van het dossier vastgesteld dat er in Debre Marcos meerdere mensen in gevangenschap zijn gemarteld en dat dit is gebeurd door of op last van speciale ondervragers uit Addis Abeba. Hierbij heeft het hof vastgesteld dat de verdachte verantwoordelijk was voor het naar Debre Marcos halen van deze speciale ondervragers en dat hij tevens heeft gezorgd voor hun betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de rechtbank, en met het openbaar ministerie, is het hof van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is om de verdachte als medepleger van dit feit aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht in dit verband de navolgende feiten en omstandigheden relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Ethiopië vonden in de ten laste gelegde periode al geruime tijd op grote schaal mensenrechtenschendingen plaats. De verdachte moet hiervan, mede gelet op zijn functie, hebben geweten. Illustratief hiervoor is het gegeven dat de verdachte een vriend van hem uit de gevangenis heeft gered, toen die ervan werd verdacht EPRP-lid te zijn. De verdachte heeft hierover verklaard dat de zwagers van die vriend EPRP-leden waren, en dat zij die vriend vals beschuldigd hadden ook EPRP-lid te zijn. De verdachte had gehoord dat die zwagers waren gedood. De vriend van de verdachte werd ook opgepakt, werd gemarteld en stond op de dodenlijst. De verdachte heeft toen al zijn invloed aangewend om hem te redden van de dood. Dit speelde in de periode dat de verdachte als politiek kader op het terrein van de Derg in Addis Abeba woonde, voordat hij naar Gojjam kwam. De verdachte was er in de ten laste gelegde periode dus terdege van op de hoogte dat EPRP-gevangenen werden gemarteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is van belang dat de onderzoekers uit Addis Abeba in opdracht van de verdachte naar Debre Marcos zijn gekomen om de gevangenen te verhoren. Zij brachten vervolgens verslag uit aan de verdachte. Het was ook de verdachte die zich bezighield met de betaling van de ondervragers. Uit de verklaringen van getuigen volgt daarnaast dat de verdachte in het politiekamp met de verhoorders heeft gesproken. Het hof acht het volstrekt onaannemelijk dat de verdachte niet wist van de martelingen in het kamp, gezien zijn aanwezigheid aldaar, waar de gevangenen verwondingen hadden en waar regelmatig gegil en geschreeuw te horen was. Omdat de verdachte boos was over de “milde omstandigheden” in het kamp tot dusver, heeft het er - integendeel - alles van weg dat de verdachte de nieuwe verhoorders juist binnenhaalde om de verhoren met harde hand te laten plaatsvinden. De speciale ondervragers waren vervolgens ook zeer succesvol in het verkrijgen van bekentenissen, terwijl het, zo benadrukt het openbaar ministerie terecht in zijn requisitoir, gelet op de gevaren die het EPRP-lidmaatschap in die periode meebracht, niet voor de hand lag dat men dit zomaar toegaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vast staat verder dat de verdachte ook niet heeft ingegrepen om het geweld tegen de gevangenen te laten stoppen, terwijl hij dit naar eigen zeggen gezien zijn functie wel had gekund.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op alle voormelde feiten en omstandigheden concludeert het hof dat er tussen de verdachte en de speciale ondervragers een nauwe en bewuste samenwerking bestond, waarbij het hof er vanuit gaat dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet had ten aanzien van de door de ondervragers uitgevoerde martelingen. Het hof komt daardoor tot een bewezenverklaring van medeplegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de cumulatief/alternatief tenlastegelegde aansprakelijkheid als meerdere en de medeplichtigheid komt het hof tot vrijspraak, omdat ook hier – conform feit 1 en 4 - de aard en mate van zijn betrokkenheid respectievelijk de rol van de verdachte als medepleger, hieraan in de weg staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde Feit 3 op de tenlastelegging behelst het doden van een groot aantal personen. Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat een groot aantal mensen in de tenlastegelegde periode in Debre Marcos en een aantal in Metekel is gedood.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft de verdachte in dit verband aangemerkt als medepleger en uitlokker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft reeds vastgesteld dat de beslissing om deze personen te doden is genomen door de verdachte en dat hij hiertoe opdracht heeft gegeven aan het hoofd van de gevangenissen waar de betrokken personen op dat moment vastzaten. Na uitvoering van de betreffende executies hebben de hoofden van de gevangenissen dit aan de verdachte gerapporteerd. Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat de verdachte bij de executies aanwezig is geweest. De verdachte heeft de executies ook niet zelf voltrokken. De bijdrage van de verdachte aan de executies is naar het oordeel van het hof desondanks van voldoende gewicht om de kwalificatie van medeplegen te rechtvaardigen. De opdracht van de verdachte was de reden dat de executies überhaupt hebben plaatsgevonden; bovendien werden deze aan hem teruggekoppeld. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte dan ook zeer nauw en bewust samengewerkt met zijn mededaders, zodat medeplegen bewezen kan worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de cumulatief/alternatief tenlastegelegde uitlokking is het hof van oordeel dat de verdachte niet (ook) als uitlokker kan worden beschouwd, nu – zoals hiervoor uiteengezet - het handelen van de verdachte verder strekt dan het aanzetten van een ander/anderen tot het tenlastegelegde doden. De vèrgaande betrokkenheid van de verdachte, die naar het hof moet worden beschouwd als een gezamenlijke uitvoering met de gevangenisdirecteuren en degenen die de executies uitvoerden, maakt dat deze beide deelnemingsvormen elkaar in dit geval uitsluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 tweede cumulatief/alternatief, onder 2 tweede cumulatief/alternatief, onder 3 tweede cumulatief/alternatief, en onder 4 tweede en derde cumulatief/alternatief ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.7 Nexus Hiervoor is door het hof vastgesteld dat er in de ten laste gelegde periode sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict waar de verdachte kennis van had, en dat de verdachte aansprakelijk kan worden gehouden voor de tijdens dit conflict gepleegde schendingen van het internationaal humanitair recht. De vraag die voorligt is of er sprake was van een nauwe samenhang (in de (internationale) rechtspraak ook wel ‘nexus’ genoemd) tussen deze schendingen en het gewapende conflict.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven beoogt immers bescherming te bieden tegen misdrijven die in (nauwe) relatie staan tot de oorlog. Het nexus-vereiste dient in dat verband om oorlogsmisdaden te onderscheiden van commune misdaden en andere internationale misdrijven zoals genocide en misdrijven tegen de menselijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de rechtspraak van de ICTY is nader ingegaan in verschillende uitspraken op de uitleg van het begrip nexus. Daarbij zijn richtinggevende aanknopingspunten genoemd voor de beantwoording van de vraag of in het voorliggende geval sprake is van een nexus. Dit laat onverlet dat de beoordeling van het bestaan van een nexus van zaak tot zaak beoordeeld moet worden. Uitgangspunt is dat het oorlogsstrafrecht toepassing vindt op het gehele territoir van de strijdende partijen, ongeacht waar op dat moment actuele gevechten plaatsvinden, tot het moment dat een vreedzame oplossing is gevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestaan van een gewapend conflict moet op zijn minst (i) een substantiële rol hebben gespeeld bij de beslissing van de dader het misdrijf te begaan, (ii) zijn mogelijkheid dit te doen, (iii) de wijze waarop het misdrijf is begaan of (iv) het doel waarvoor het is begaan. Het hof begrijpt deze aanknopingspunten aldus dat het geen 'harde’ en evenmin limitatieve criteria zijn. Voorts kan de rechter voor de beoordeling van de vraag of een gedraging in voldoende verband staat tot het gewapend conflict onder meer de volgende factoren betrekken: de omstandigheid dat de dader een strijder is; de omstandigheid dat het slachtoffer een non-combattant is; de omstandigheid dat het slachtoffer behoort tot de tegenpartij; de omstandigheid dat de gedraging gezegd kan worden het ultieme doel van de militaire campagne te dienen; en de omstandigheid dat het strafbare feit is gepleegd als onderdeel van of in de context van de uitoefening van de officiële functie van de dader.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dader moet op de hoogte zijn geweest van de feitelijke omstandigheden die het bestaan van het gewapende conflict vormden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling door het hof Met het openbaar ministerie en de rechtbank is het hof van oordeel dat er sprake is van een nexus tussen de gedragingen van de verdachte als vertegenwoordiger van de Derg in Gojjam en het gewapend conflict in Ethiopië. De slachtoffers behoorden tot of werden geassocieerd met de tegenpartij in het gewapend conflict dat de Derg voerde met de EPRP, de bewezenverklaarde feiten werden uitgevoerd om de tegenstanders in beeld te brengen en/of uit te schakelen, en de misdrijven werden gepleegd in de officiële hoedanigheid van de verdachte, namelijk als voorzitter van het campagnecomité en permanent vertegenwoordiger van de Derg in Gojjam. De verdachte was als zodanig ook op de hoogte van de feitelijke omstandigheden van het conflict. Deze vaststellingen leiden het hof tot de conclusie dat de nexus aanwezig was.</p>\n<p class=\"lf-p\">14Conclusie Het hof volgt de verdachte niet in zijn verklaring dat hij onschuldig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft in het voorgaande vastgesteld dat in Ethiopië in de tenlastegelegde periode sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict, waarvan de verdachte kennis had. Verder heeft het hof vastgesteld dat in die periode schendingen hebben plaatsgevonden van het internationaal humanitair recht en dat de verdachte hierbij als medepleger betrokken is geweest. De bewezen verklaarde misdrijven hebben alle plaatsgevonden in samenhang met het gewapend conflict. Er is dus sprake geweest van schending van de wetten en de gebruiken van de oorlog door de verdachte. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 8 (oud) van de WOS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reeds overwogen is dat de feiten 1, 2 en 4 een onmenselijke behandeling inhielden. Feit 2 had de dood van [persoon 322] en zwaar lichamelijk letsel van [persoon 321] tot gevolg. Het feit 3 had de dood van 75 personen tot gevolg. Dit betekent dat deze strafverzwarende omstandigheden ook bewezen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof waren daarnaast de vrijheidsberoving, het martelen, het doden en het opleggen van buitengerechtelijke straffen (dus alle feiten) uiting van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen een bepaalde groep van de bevolking, namelijk diegenen die ervan verdacht werden dat zij behoorden tot of sympathiseerden met de EPRP. De handelingen verrichte de verdachte immers vanuit zijn functie als vertegenwoordiger van de Derg, en tegen de achtergrond van de daarbij uit te voeren Rode Terreur: het vernietigen van (onder andere) de EPRP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de feiten 1 en 2 is bovendien sprake van de strafverzwarende omstandigheid dat van de door verdachte gepleegde feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Door de uiterst onhygiënische detentieomstandigheden was het uitbreken van ziektes verre van denkbeeldig. Voor de marteling behoeft dit verder geen uitleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de feiten 1, 2 en 4 is verder sprake van het met verenigde krachten dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden: mensen werden op de exposure meetings en tijdens de martelingen door verdachte en/of zijn mededaders gedwongen zich als EPRP lid bekend te maken of de namen van anderen te noemen. De (mensonterende) vrijheidsbeperking en – beneming door de verdachte en zijn mededaders was iets wat geduld moest worden. Voor het martelen geldt dit eveneens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij feit 2 en 3 is sprake van de strafverzwarende omstandigheid dat dit feit tevens geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhield. Voor alle feiten geldt tenslotte dat een gegeven belofte is geschonden. Immers, bij de exposure meetings is door verdachte en/of zijn mededaders voorgehouden dat, als personen zich maar zelf zouden melden, hen niets zou overkomen. Van die belofte is niets terecht gekomen: zij werden opgepakt, van hun vrijheid beroofd en gehouden, gemarteld of zelfs gedood.</p>\n<p class=\"lf-p\">15Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3 eerste cumulatief/alternatief en 4 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewezenverklaring is als bijlage 2 aan dit arrest gehecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">16Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl van het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander te duchten is en terwijl het feit een onmenselijke behandeling inhoudt, meermalen gepleegd en medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit inhoudt het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en terwijl het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en terwijl het feit inhoudt een schending van een gegeven belofte, meermalen gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl van het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander te duchten was en terwijl het feit een onmenselijke behandeling inhoudt, meermalen gepleegd en medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander ten gevolge heeft en terwijl het feit inhoudt het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en terwijl het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en terwijl het feit inhoudt een schending van een gegeven belofte, meermalen gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit de dood van een ander tengevolge heeft en terwijl het feit inhoudt geweldpleging met verenigde krachten tegen een of meer personen en terwijl het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en terwijl het feit inhoudt een schending van een gegeven belofte, meermalen gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder 4 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl van het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander te duchten is en terwijl het feit een onmenselijke behandeling inhoudt, meermalen gepleegd en medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit inhoudt het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en terwijl het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en terwijl het feit inhoudt een schending van een gegeven belofte, meermalen gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">17Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">18Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ernst van de feiten De verdachte was in de periode 1977-1978 als voorzitter van het revolutionair coördinerend campagnecomité permanent vertegenwoordiger van de Derg in de Ethiopische provincie Gojjam. In Ethiopië was op dat moment een niet-internationaal gewapend conflict gaande, waarbij een bloedige strijd bestond tussen het regime en oppositiebewegingen als het EPRP. Gojjam was een van de conflictgebieden en de verdachte had tot taak om op te treden tegen de oppositie in deze provincie. De verdachte heeft hieraan op zeer hardvochtige wijze uitvoering gegeven. Vermeende tegenstanders van het Derg-regime werden op grote schaal opgepakt tijdens zogeheten exposure meetings en vastgezet als politieke gevangenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Velen werden zonder enige vorm van proces gevangengezet in het militaire kamp en/of het politiekamp en verkeerden vervolgens in een onzekere en zeer angstige situatie. De omstandigheden in de cellen van het politiekamp en de gevangenis waren mensonterend. De cellen waren overvol, gevangenen moesten op de grond slapen, er waren onvoldoende sanitaire voorzieningen en de hygiënische situatie was erbarmelijk, of men voedsel kreeg was afhankelijk van de familie van de (mede)gevangenen, er waren geen medische voorzieningen en een groep gevangenen heeft maanden in een donkere cel doorgebracht. In het politiekamp zijn gevangenen bij hun verhoor gemarteld. Eén van de gevangenen was er na een marteling zo slecht aan toe dat hij is overleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De informatie die werd verkregen uit de verhoren werd vervolgens gebruikt bij het bepalen van de straf. De verdachte heeft vele buitengerechtelijke vonnissen uitgesproken, waaronder ook een groot aantal veroordelingen tot de doodstraf. Niet minder dan 75 personen zijn vervolgens nabij het terrein van de gevangenis in een kerk op gruwelijke wijze geëxecuteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft zich op deze wijze samen met anderen schuldig gemaakt aan een veelheid van oorlogsmisdrijven, te weten arbitraire vrijheidsberoving en opsluiting onder mensonterende omstandigheden van honderden personen, marteling, het opleggen en uitvoeren van buitengerechtelijke gevangenisstraffen en het op gruwelijke wijze doden van een grote groep mensen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is niet tot een bewezen verklaring gekomen ten aanzien van het als meerdere toelaten dat zijn ondergeschikte de feiten pleegt, of het uitlokken. Het hof ziet wel aanleiding om de positie van de verdachte mee te laten wegen bij de strafmaat. De verdachte heeft de feiten immers gepleegd vanuit zijn functie als vertegenwoordiger van de Derg; hij bepaalde wat er moest gebeuren. Hij kan ten aanzien van alle feiten gezien worden als de instigator en heeft anderen, zijn mededaders, daarin meegetrokken. Het hof neemt de verdachte dat zeer kwalijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft met zijn daden op een extreem kille en berekenende manier zijn landgenoten van hun wezenlijke rechten beroofd: het recht op vrijheid, het recht om niet wreed of onmenselijk behandeld te worden of niet te worden gemarteld en het meest wezenlijke recht: het recht op leven. Het handelen van de verdachte was er kennelijk op gericht om politieke tegenstanders van het regime voor langere tijd, danwel definitief uit te schakelen. Hij deed dat zonder oog te hebben voor de menswaardigheid van zijn politieke tegenstanders. Met zijn daden heeft de verdachte de slachtoffers en hun familieleden onmetelijk leed berokkend. Veel van de slachtoffers waren destijds nog kind, of nog maar net volwassen. De feiten die de verdachte heeft begaan hebben diepe wonden achtergelaten bij slachtoffers en nabestaanden. Een deel van de inhoudelijke behandeling is bijgewoond door vier slachtoffers/nabestaande(n) die speciaal voor deze zaak vanuit het buitenland naar Nederland zijn overgekomen. Dit geeft aan dat zij, na ruim 40 jaar, nog altijd lijden onder wat hen of hun dierbaren destijds door de verdachte is aangedaan. Zij, en een vijfde slachtoffer die per videoverbinding aanwezig was, hebben dit ter zitting in hun slachtofferverklaringen ook duidelijk (doen) verwoord(en).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met zijn handelen heeft de verdachte ook grove inbreuk gemaakt op de Ethiopische en de internationale – en daarmee ook de Nederlandse – rechtsorde. De strafoplegging heeft ook tot doel de internationale gemeenschap duidelijk te maken hoe ernstig deze feiten zijn en dient het signaal af te geven dat hiertegen wordt opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon van de verdachte Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 maart 2022, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft zich ambtshalve nog de vraag gesteld of de jonge leeftijd die de verdachte had ten tijde van het ten laste gelegde (23/24 jaar) een voor de strafmaat relevante factor is. Enigszins voorstelbaar zou immers zijn dat hij nog niet opgewassen was in te gaan tegen het beleid, zoals dat werd gedicteerd en bepaald door met name Mengistu, en/of bang was eenzelfde lot beschoren te zijn als anderen binnen de Derg die dat wel deden en werden omgebracht. Nu de verdachte ter zitting – ook desgevraagd - geen enkele aanwijzing in die richting heeft gegeven, heeft het hof deze vraag echter ontkennend beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft het hof zich rekenschap gegeven van de gezondheidstoestand van de verdachte. Vast staat dat de verdachte ernstig ziek is en naar verwachting niet lang meer te leven heeft. Het hof heeft in dit verband acht geslagen op de deskundigenrapporten van psychiater Gosker (d.d. 10 december 2021 en 30 maart 2022) en van forensisch arts Menke (d.d. 30 januari 2022 en 31 maart 2022) die in aanloop naar de inhoudelijke behandeling zijn opgemaakt. Gelet op de ernst en omvang van de gepleegde feiten ziet het hof geen mogelijkheid dit als strafmatigende omstandigheid mee te wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwegingen ten aanzien van de straf Gelet op de uitzonderlijke ernst van de feiten is naar het oordeel van het hof de zwaarste straf die mogelijk is op zijn plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat een tijdelijke gevangenisstraf onvoldoende recht doet aan de aard, ernst en omvang van de door de verdachte gepleegde misdrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitsluitend kan daarom het opleggen van een levenslange gevangenisstraf aan de orde zijn. Het hof zal deze dan ook, conform de eis van het openbaar ministerie, opleggen. Voor het opleggen van een levenslange gevangenisstraf ziet het hof geen contra-indicaties. Het hof heeft zich de vraag gesteld of de oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet in strijd is met artikel 3 EVRM. Uit de EHRM rechtspraak in verband met dit artikel vloeit voort dat ook een levenslanggestrafte altijd een perspectief op vrijlating moet hebben. Het Nederlandse systeem ten aanzien van levenslanggestraften is, mede gelet op de invoering van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften – en het op grond daarvan ingestelde Adviescollege levenslanggestraften (sinds 2017) – aangepast. Het Nederlandse systeem voorziet thans in een stelsel van herbeoordeling na 25 jaar detentie, waarbij in voorkomend geval tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf kan worden overgegaan door middel van gratieverlening. Eerder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat met dit systeem van herbeoordeling de Nederlandse strafpraktijk (waarbij zelden tot nooit gratie werd verleend) de oplegging van levenslange gevangenisstraf niet in strijd is met artikel 3 voornoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is op de hoogte van het feit dat thans een aantal klachten bij het EHRM voor ligt over de tenuitvoerlegging van in Nederland opgelegde levenslange gevangenisstraffen en dat aan de Nederlandse regering in dat verband vragen zijn gesteld over – kort gezegd - het feitelijk en juridisch perspectief. Het hof heeft hier goede nota van genomen, maar ziet hierin geen reden anders te oordelen over de verenigbaarheid van de levenslange gevangenisstraf met artikel 3 EVRM, noch om af te zien van de oplegging van die straf in deze zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft tot slot geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is geschonden. De verdachte is op 29 september 2015 in verzekering gesteld, waarmee de vervolging is aangevangen en de rechtbank heeft eindvonnis gewezen op 15 december 2017. De redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg is daarmee overschreden met ruim 8 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoger beroep is de redelijke termijn met ruim 3 jaar overschreden, nu namens de verdachte op 28 december 2017 hoger beroep is ingesteld en het hof eindarrest wijst op 8 juni 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alles bijeen genomen heeft de behandeling van de zaak in beide instanties in totaal ruim 6 jaar en 8 maanden geduurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de aan de verdachte op te leggen levenslange gevangenisstraf zich naar haar aard niet voor strafvermindering leent, is er geen mogelijkheid om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. Het hof zal daarom volstaan met het enkel constateren van de overschrijding van de redelijke termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een levenslange gevangenisstraf een passende en geboden reactie vormt.</p>\n<p class=\"lf-p\">19Vorderingen tot schadevergoeding De vorderingen van de benadeelde partijen In eerste aanleg zijn vorderingen tot schadevergoeding ingediend door [persoon 348], [persoon 318], [persoon 334], [persoon 335], [persoon 319] en [persoon 320], steeds ter hoogte van een bedrag van € 226,89.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij brief van 23 juni 2017 hebben de toenmalige raadslieden een toelichting gegeven op de vorderingen en gemeld dat het immateriële schade betreft die genoemde personen hebben geleden als gevolg van de door verdachte gepleegde feiten. Als bijlage hebben de raadslieden een Expert Opinion meegezonden, die is opgesteld door Gebrehiwot Hadush en Abiy Chelbeka verbonden aan de Mekelle University College of Law in Ethiopia over het Ethiopische recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoger beroep hebben de benadeelde partijen hun vorderingen gehandhaafd. Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling heeft een schriftelijke ronde plaatsgevonden, waarbij de advocaten van de benadeelde partijen, het openbaar ministerie en de verdediging hun respectievelijke standpunten kenbaar hebben gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Benadeelde partij [persoon 348] In het onderhavige strafproces heeft [persoon 348] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 226,89. [persoon 348] is de zus van [persoon 4], een van de slachtoffers van de feiten onder 1 en 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de vordering van de benadeelde partij niet is betwist, zal het hof ambtshalve dienen te onderzoeken of haar vordering ontvankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Allereerst dient het hof vast te stellen wat de grondslag van de vordering is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij als erfgename van haar broer de immateriële schade die hij heeft geleden heeft gevorderd en dat zij daarom in de vordering kan worden ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raadsvrouw van de benadeelde partij, mr. Vossenberg, heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 13 april 2022 desgevraagd medegedeeld dat de ingediende vordering ziet op de eigen schade van de benadeelde partij die is ontstaan door het overlijden van haar broer en die zij, naar Ethiopisch recht, als ‘representative’ van de familie mag vorderen. Uit de toelichting bij het voegingsformulier maakt het hof eveneens op dat de vordering ziet op de eigen schade van de benadeelde partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt, met het openbaar ministerie en anders dan de raadsvrouw van de benadeelde partij, verder vast dat bij de formele beoordeling van de vordering van een benadeelde partij, waaronder de ontvankelijkheid valt, op grond van artikel 21a van de WIM het Nederlands recht van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt, in navolging van de rechtbank, vervolgens vast dat de broer van [persoon 348] rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten. Ingevolge het bepaalde in artikel 51f, tweede lid, Sv kunnen in het geval degene die rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het strafbare feit is overleden, zich voegen diens erfgenamen ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de daar bedoelde vorderingen. Het gaat bij dergelijke vorderingen echter om vergoeding van materiële schade. [persoon 348] vordert vergoeding van de door haar geleden immateriële schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel door de wetgever inmiddels een mogelijkheid is geboden om deze immateriële schade te vorderen, door invoering van de Wet Affectieschade, die op 1 januari 2019 in werking is getreden, heeft deze regeling geen terugwerkende kracht. Dat betekent dat schadevergoedingen op basis van deze wet alleen kunnen worden toegekend voor wat betreft misdrijven gepleegd na de inwerkingtreding van deze wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof onderkent dat het overlijden destijds van haar broer de benadeelde partij ongetwijfeld veel emotioneel leed zal hebben gebracht. Dit is onder meer tot uitdrukking gebracht in het namens haar uitgeoefende spreekrecht ter zitting in hoger beroep op 13 april 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof kan echter niet anders dan bepalen dat zij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Benadeelde partijen [persoon 318], [persoon 334], [persoon 335], [persoon 319] en [persoon 320] In het onderhavige strafproces hebben [persoon 318], [persoon 334], [persoon 335], [persoon 319] en [persoon 320] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, ieder voor een bedrag van € 226,89.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoger beroep zijn deze vorderingen steeds aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorderingen van de benadeelde partijen zijn door en namens de verdachte niet betwist.</p>\n<p class=\"lf-p\">In navolging van de rechtbank overweegt het hof als volgt. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad is op de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen Ethiopisch recht van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de hiervoor genoemde expert opinion kan worden opgemaakt dat de Ethiopische Civil Code de mogelijkheid kent van zogenaamde ‘intentionele aansprakelijkheid’, dat wil zeggen aansprakelijkheid die voortvloeit uit opzettelijk handelen of nalaten van de verdachte. Het Ethiopisch recht kent daarnaast drie elementen, waarvan sprake moet zijn om vast te stellen dat er sprake is van een onrechtmatige daad, te weten: er moet een grond van aansprakelijkheid zijn, het slachtoffer heeft schade geleden en er moet sprake zijn van causaal verband tussen het schadebrengende feit en de schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat, mede gelet op voornoemd onrechtmatige daads-begrip, voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partijen immateriële schade hebben geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van de onder 1 (jegens [persoon 334], [persoon 335], [persoon 319], [persoon 318] en [persoon 320]), onder 2 (jegens [persoon 319]) en onder 4 (jegens [persoon 334], [persoon 335] en [persoon 318]) bewezenverklaarde feiten. De vorderingen ter zake van geleden immateriële schade lenen zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot de gevorderde bedragen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente (naar Nederlands recht) over dit bedrag vanaf 31 juli 1978 tot aan de dag der algehele voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kostenveroordeling Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen [persoon 318], [persoon 334], [persoon 335], [persoon 319] en [persoon 320] tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 348] ziet het hof aanleiding te bepalen dat de kosten die in verband met de behandeling van de door de benadeelde partij ingediende vordering zijn gemaakt over en weer dienen te worden gecompenseerd, aldus dat de verdachte en de benadeelde partij in zoverre zijn eigen kosten draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">20Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op artikel 8 (oud) van de Wet oorlogsstrafrecht en de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.</p>\n<p class=\"lf-p\">21BESLISSING Het hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen het onder 2 tenlastegelegde, voor zover betrekking hebbend op [persoon 329] en [persoon 330], en het onder feit 4 tenlastegelegde, voor zover betrekking hebbend op [persoon 325], [persoon 319] en [persoon 320].</p>\n<p class=\"lf-p\">Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tweede cumulatief/alternatief, het onder 2 tweede cumulatief/alternatief, het onder 3 tweede cumulatief/alternatief, en het onder 4 tweede en derde cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3 eerste cumulatief/alternatief en 4 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart het onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 2 eerste cumulatief/alternatief, 3 eerste cumulatief/alternatief en 4 eerste cumulatief/alternatief bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte tot levenslange gevangenisstraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [persoon 348] Verklaart de benadeelde partij [persoon 348] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij [persoon 348] ieder hun eigen kosten dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [persoon 318] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [persoon 318] ter zake van het onder 1 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 226,89 (tweehonderdzesentwintig euro en negenentachtig cent) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 juli 1978.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [persoon 335] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [persoon 335] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 226,89 (tweehonderdzesentwintig euro en negenentachtig cent) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 juli 1978.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [persoon 319] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [persoon 319] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 226,89 (tweehonderdzesentwintig euro en negenentachtig cent) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 juli 1978.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [persoon 320] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [persoon 320] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 226,89 (tweehonderdzesentwintig euro en negenentachtig cent) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 juli 1978.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [persoon 334] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [persoon 334] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 226,89 (tweehonderdzesentwintig euro en negenentachtig cent) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 juli 1978.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door mr. L.C. van Walree, mr. B. Stapert en mr. Y.C. Bours, in bijzijn van de griffiers mr. S. Johannes en mr. J. van der Vegte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juni 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 1 Tenlastelegging Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg, en voor zover inhoudelijk nog aan de orde in hoger beroep - ten laste gelegd dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijheidsberoving en onmenselijke behandeling van 1 februari 1978 tot en met 24 augustus 1978 1.1 medeplegen dat hij op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 juli 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft geschonden, terwijl die feiten zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan de verdachte te duchten was; die feiten onmenselijke behandeling inhielden, hierin bestaande dat hij, verdachte, toen en daar (telkens) in strijd met</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het bepaalde in het \"gemeenschappelijk\" artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het internationaal humanitair gewoonterecht en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>( in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke verbod op arbitraire vrijheidsberoving in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopie, personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak, te weten 1. persoon 1] 2. [ persoon 2] 3. [ persoon 3] 4. [ persoon 4] 5. [ persoon 5] 6. [ persoon 6] 7. [ persoon 7] 8. [ persoon 8] 9. [ persoon 9] 10. [ persoon 10] 11. [ persoon 11] 12. [ persoon 12] 13. [ persoon 13] 14. [ persoon 14] 15. [ persoon 15] 16. [ persoon 16] 17. [ persoon 17] 18. [ persoon 18] 19. [ persoon 19] 20. [ persoon 20] 21. [ persoon 21] 22. [ persoon 22] 23. [ persoon 23] 24. [ persoon 24] 25. [ persoon 25] 26. [ persoon 26] 27. [ persoon 27] 28. [ persoon 28] 29. [ persoon 29] 30. [ persoon 30] 31. [ persoon 31] 32. [ persoon 32] 33. [ persoon 33] 34. [ persoon 34] 35. [ persoon 35] 36. [ persoon 36] 37. [ persoon 37] 38. [ persoon 38] 39. [ persoon 39] 40. [ persoon 40] 41. [ persoon 41] 42. [ persoon 42] 43. [ persoon 43] 44. [ persoon 44] 45. [ persoon 45] 46. [ persoon 46] 47. [ persoon 47] 48. [ persoon 48] 49. [ persoon 49] 50. [ persoon 50] 51. [ persoon 51] 52. [ persoon 52] 53. [ persoon 53] 54. [ persoon 54] 55. [ persoon 55] 56. [ persoon 56] 57. [ persoon 57] 58. [ persoon 58] 59. [ persoon 59] 60. [ persoon 60] 61. [ persoon 61] 62. [ persoon 62] 63. [ persoon 63] 64. [ persoon 64] 65. [ persoon 65] 66. [ persoon 66] 67. [ persoon 67] 68. [ persoon 68] 69. [ persoon 69] 70. [ persoon 70] 71. [ persoon 71] 72. [ persoon 72] 73. [ persoon 73] 74. [ persoon 74] 75. [ persoon 75] 76. [ persoon 76] 77. [ persoon 77] 78. [ persoon 78] 79. [ persoon 79] 80. [ persoon 80] 81. [ persoon 81] 82. [ persoon 82] 83. [ persoon 83] 84. [ persoon 84] 85. [ persoon 85] 86. [ persoon 86] 87. [ persoon 87] 88. [ persoon 88] 89. [ persoon 89] 90. [ persoon 90] 91. [ persoon 91] 92. [ persoon 92] 93. [ persoon 93] 94. [ persoon 94] 95. [ persoon 95] 96. [ persoon 96] 97. [ persoon 97] 98. [ persoon 98] 99. [ persoon 99] 100. [persoon 100] 101. [persoon 101] 102. [persoon 102] 103. [persoon 103] 104. [persoon 104] 105. [persoon 105] 106. [persoon 106] 107. [persoon 107] 108. [persoon 108] 109. [persoon 109] 110. [persoon 110] 111. [persoon 111] 112. [persoon 112] 113. [persoon 113] 114. [persoon 114] 115. [persoon 115] 116. [persoon 116] 117. [persoon 117] 118. [persoon 118] 119. [persoon 119] 120. [persoon 120]</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">121.</span>[persoon 121] 122. [persoon 122] 123. [persoon 123] 124. [persoon 124] 125. [persoon 125] 126. [persoon 126] 127. [persoon 127] 128. [persoon 128] 129. [persoon 129] 130. [persoon 130] 131. [persoon 131] 132. [persoon 132] 133. [persoon 133] 134. [persoon 134] 135. [persoon 135] 136. [persoon 136] 137. [persoon 137] 138. [persoon 138] 139. [persoon 139] 140. [persoon 140] 141. [persoon 141] 142. [persoon 142] 143. [persoon 143] 144. [persoon 144] 145. [persoon 145] 146. [persoon 146] 147. [persoon 147] 148. [persoon 148] 149. [persoon 149] 150. [persoon 150] 151. [persoon 151] 152. [persoon 152] 153. [persoon 153] 154. [persoon 154] 155. [persoon 155] 156. [persoon 156] 157. [persoon 157] 158. [persoon 158] 159. [persoon 159] 160. [persoon 160] 161. [persoon 161] 162. [persoon 162] 163. [persoon 163] 164. [persoon 164] 165. [persoon 165] 166. [persoon 166] 167. [persoon 167] 168. [persoon 168] 169. [persoon 169] 170. [persoon 170] 171. [persoon 171] 172. [persoon 172] 173. [persoon 173] 174. [persoon 174] 175. [persoon 175] 176. [persoon 176] 177. [persoon 177] 178. [persoon 178] 179. [persoon 179] 180. [persoon 180] 181. [persoon 181] 182. [persoon 182] 183. [persoon 183] 184. [persoon 184] 185. [persoon 185] 186. [persoon 186] 187. [persoon 187] 188. [persoon 188] 189. [persoon 189] 190. [persoon 190] 191. [persoon 191] 192. [persoon 192] 193. [persoon 193] 194. [persoon 194] 195. [persoon 195] 196. [persoon 196] 197. [persoon 197] 198. [persoon 198] 199. [persoon 199] 200. [persoon 200] 201. [persoon 201] 202. [persoon 202] 203. [persoon 203] 204. [persoon 204] 205. [persoon 205] 206. [persoon 206] 207. [persoon 207] 208. [persoon 208] 209. [persoon 209] 210. [persoon 210] 211. [persoon 211] 212. [persoon 212] 213. [persoon 213] 214. [persoon 214] 215. [persoon 215] 216. [persoon 216] 217. [persoon 217] 218. [persoon 218] 219. [persoon 219] 220. [persoon 220] 221. [persoon 221] 222. [persoon 222] 223. [persoon 223] 224. [persoon 224] 225. [persoon 225] 226. [persoon 226] 227. [persoon 227] 228. [persoon 228] 229. [persoon 229] 230. [persoon 230] 231. [persoon 231] 232. [persoon 232] 233. [persoon 233] 234. [persoon 234] 235. [persoon 235] 236. [persoon 236] 237. [persoon 237] 238. [persoon 238] 239. [persoon 239] 240. [persoon 240] 241. [persoon 241] 242. [persoon 242] 243. [persoon 243] 244. [persoon 244] 245. [persoon 245] 246. [persoon 246] 247. [persoon 247] 248. [persoon 248] 249. [persoon 249] 250. [persoon 250] 251. [persoon 251] 252. [persoon 252] 253. [persoon 253] 254. [persoon 254] 255. [persoon 255] 256. [persoon 256] 257. [persoon 257] 258. [persoon 258] 259. [persoon 259]</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">260.</span>[persoon 260] 261. [persoon 261] 262. [persoon 262] 263. [persoon 263] 264. [persoon 264] 265. [persoon 265] 266. [persoon 266] 267. [persoon 267] 268. [persoon 268] 269. [persoon 269] 270. [persoon 270] 271. [persoon 271] 272. [persoon 272] 273. [persoon 273] 274. [persoon 274] 275. [persoon 275] 276. [persoon 276] 277. [persoon 277] 278. [persoon 278] 279. [persoon 279] 280. [persoon 280] 281. [persoon 281] 282. [persoon 282] 283. [persoon 283] 284. [persoon 284] 285. [persoon 285] 286. [persoon 286] 287. [persoon 287] 288. [persoon 288] 289. [persoon 289] 290. [persoon 290] 291. [persoon 291] 292. [persoon 292] 293. [persoon 293] 294. [persoon 294] 295. [persoon 295] 296. [persoon 296] 297. [persoon 297] 298. [persoon 298] 299. [persoon 299] 300. [persoon 300] 301. [persoon 301] 302. [persoon 302] 303. [persoon 303] 304. [persoon 304] 305. [persoon 305] 306. [persoon 306] 307. [persoon 307] 308. [persoon 308] 309. [persoon 309] 310. [persoon 310] 311. [persoon 311] 312. [persoon 312] 313. [persoon 313] 314. [persoon 325] 315. [persoon 319] 316. [persoon 320] 317. [persoon 314] 318. [persoon 315] 319. [persoon 316] 320. [persoon 317] 321. [persoon 318] en/of een of meer anderen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>wreed en/of onmenselijk heeft behandeld en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>( meermalen) hun persoonlijke waardigheid heeft aangerand (en/of) (in het bijzonder) voornoemde personen vernederend en/of onterend heeft behandeld en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>tegen hen vonnissen heeft uitgesproken en/of ten uitvoer heeft gelegd zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>hen arbitrair van hun vrijheid heeft beroofd welke wrede en/of onmenselijke behandeling en/of welke aanranding van de persoonlijke waardigheid en/of vernederende en/of onterende behandeling en/of welk uitspreken en/of ten uitvoerleggen van vonnissen en/of welke arbitraire vrijheidsberoving als voornoemd hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of een of meer mededader(s) tegen voornoemde perso(o)n(en) (op exposurebijeenkomsten) (gevangenis)straffen en/of andere vrijheidsbeperkende maatregelen heeft/ hebben uitgesproken en/of ten uitvoer heeft/ hebben gelegd en/of laten leggen zonder voorafgaande berechting door een (onafhankelijke) rechtbank en/of zonder dat zij een eerlijk proces hebben gekregen en/of (in het bijzonder) zonder dat zij zijn berecht door een onafhankelijke en onpartijdige instantie en/of zonder dat zij onverwijld op de hoogte zijn gesteld van de beschuldigingen tegen hen en/of zonder dat zij de nodige rechten en middelen tot een verdediging tot hun beschikking hadden en/of in strijd met het verbod op collectieve bestraffing en/of in strijd met het legaliteitsbeginsel en/of zonder dat sprake was van de onschuldpresumptie en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht om aanwezig te zijn bij de eigen berechting en/of zonder dat zij het recht hadden niet mee te werken aan de eigen veroordeling en/of zonder dat zij gebruik konden maken van het recht op advies aangaande de juridische en andere beroepsmogelijkheden en aangaande de termijnen waarbinnen hiervan gebruik dient te worden gemaakt en/of huiszoekingen heeft/hebben verricht/laten verrichten bij voornoemde perso(o)n(en) en/of hen heeft/hebben gearresteerd en/of naar een politiebureau en/of gevangenis gebracht/laten brengen en/of genoemde perso(o)n(en) gevangen heeft/hebben gehouden met te veel mensen in te kleine ruimtes en/of in ruimtes waarin geen of nauwelijks daglicht binnenkwam en/of zonder dat zij in voldoende mate gebruik konden maken van sanitaire voorzieningen en/of terwijl het voedsel en/of drinkwater dat zij kregen slecht en/of vies en/of onvoldoende was en/of zij geen of ontoereikende medische verzorging kregen (art. 8 WOS (oud) jo. 47 Sr.) en/of 1.2 toelaten dat aan verdachte ondergeschikte personen (zoals (leden van) kadres en/of kebeles en/of politiebeambten en/of bewakers en/of verhoorders) en/of één of meer andere(n) tezamen en in vereniging op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 juli 1978, in ieder geval in 1978, te Debre Marcos en/of Metekel, in de Provincie Gojam, althans op plaatsen in Ethiopië,</div>\n<p class=\"lf-p\">(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>die feiten zwaar lichamelijk letsel tengevolge hebben gehad en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>die feiten geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden dan wel geweldpleging tegen doden zieken of gewonden en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>die feiten inhielden het met verenigde krachten anderen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>die feiten uitingen waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>die feiten schendingen van gegeven beloften inhielden en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>van die feiten de dood of zwaar lichamelijk letsel van anderen dan henzelf te duchten was;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>die feiten onmenselijke behandeling inhielden. hierin bestaande dat zij toen en daar (telkens) in strijd met — het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 1 2 augustus 1949 en/of — het internationaal humanitair gewoonterecht en/of — (in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke verbod op arbitraire vrijheidsberoving in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Ethiopië, personen die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten burgers en/of personeel van strijdkrachten dat de wapens had neergelegd en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak, te weten 1. persoon 1] 2. [ persoon 2] 3. [ persoon 3] 4. [ persoon 4] 5. [ persoon 5] 6. [ persoon 6] 7. [ persoon 7] 8. [ persoon 8] 9. [ persoon 9] 10. [ persoon 10] 11. [ persoon 11] 12. [ persoon 12] 13. [ persoon 13] 14. [ persoon 14] 15. [ persoon 15] 16. [ persoon 16] 17. [ persoon 17] 18. [ persoon 18] 19. [ persoon 19] 20. [ persoon 20] 21. [ persoon 21] 22. [ persoon 22] 23. [ persoon 23] 24. [ persoon 24] 25. [ persoon 25] 26. [ persoon 26] 27. [ persoon 27] 28. [ persoon 28] 29. [ persoon 29] 30. [ persoon 30] 31. [ persoon 31] 32. [ persoon 32] 33. [ persoon 33] 34. [ persoon 34] 35. [ persoon 35]</div></div>", "next": 239915}