{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">6.125 Naar aanleiding van de minnelijke regeling met ThyssenKrupp heeft SECC haar eis verminderd met het bedrag van de bijdrageplicht van ThyssenKrupp als hoofdelijk medeschuldenaar jegens Kone. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.4 van het eindvonnis overwogen dat deze eisvermindering voldoende concreet is, zodat er geen reden is de vordering af te wijzen wegens onvoldoende bepaaldheid, zoals Kone had bepleit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van Kone 6.126 Kone komt hiertegen op met grief XI. Volgens Kone raakt de eisvermindering aan de omvang van de aansprakelijkheid, en moet dus in de hoofdprocedure worden vastgesteld met welk bedrag de vorderingen van SECC zijn verminderd. Kone stelt dat als hoofdelijke aansprakelijkheid komt vast te staan, de interne draagplicht tussen de karteldeelnemers moet worden vastgesteld aan de hand van de overeenkomsten gesloten tussen de claimhouders en de karteldeelnemers. Volgens Kone kan zij niet aansprakelijk worden gehouden voor schade voortgekomen uit overeenkomsten aangegaan door claimhouders met ThyssenKrupp waarbij Kone niet is betrokken. De interne draagplicht van ThyssenKrupp moet dus in deze hoofdprocedure komen vast te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van SECC 6.127 Volgens SECC hoort de discussie over de interne draagplicht van de karteldeelnemers niet thuis in deze procedure. De stelling van Kone dat zij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor schade voortgekomen uit overeenkomsten aangegaan door claimhouders met ThyssenKrupp miskent het uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid, op grond waarvan SECC iedere karteldeelnemer hoofdelijk aansprakelijk kan stellen voor het geheel van de door de claimhouders geleden schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van het hof 6.128 Op grond van artikel 6:14 BW kan een schuldeiser een hoofdelijk schuldenaar van zijn verplichting tot bijdragen jegens een medeschuldenaar bevrijden door zich jegens deze laatste te verbinden zijn vordering op hem te verminderen met het bedrag dat als bijdrage gevorderd had kunnen worden. SECC beoogt kennelijk met haar eisvermindering te bereiken dat SECC, als later komt vast te staan dat het bedrag dat SECC in het kader van de schikking met ThyssenKrupp heeft ontvangen ten opzichte van het toewijsbare bedrag te laag is geweest, het verschil niet van Kone kan vorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.128 Het hof overweegt dat voor de vaststelling van de aansprakelijkheid van Kone in deze procedure niet nodig is dat de omvang van de interne draagplicht van de karteldeelnemers vast komt te staan. De grief van Kone is gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat de aansprakelijkheid van de liftfabrikanten berust op de ad hoc verdeling van afzonderlijke projecten, zodat per project moet worden vastgesteld welke liftfabrikanten bij die verdeling waren betrokken en (hoofdelijk) aansprakelijk zijn jegens de benadeelden voor de schade veroorzaakt door de verdeling van dat project. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, vloeit de aansprakelijkheid van Kone voort uit de onrechtmatige deelname aan het kartel en is Kone dus hoofdelijk aansprakelijk voor de door het kartel veroorzaakte schade. Daarom is de eisvermindering van SECC niet van belang voor de grondslag van de aansprakelijkheid van Kone, maar voor de omvang van de schadevergoeding waarop SECC jegens Kone aanspraak kan maken. De omvang van de schadevergoeding kan in de schadestaatprocedure worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.128 De grief van Kone slaagt dus niet. (viii) De vordering op grond van artikel 843a Rv 6.131 Voor het geval het hof oordeelt dat SECC onvoldoende heeft gesteld om ten aanzien van een claimhouder de mogelijkheid van schade aannemelijk te maken, vordert SECC ten aanzien van de liftinstallaties genoemd in productie 2 van SECC in hoger beroep de overlegging van offertes, overeenkomsten en facturen betreffende de installatie, het onderhoud en/of de modernisering en uitdraaien en/of screenshots van interne systemen waaruit blijkt welke transacties zijn verricht met betrekking tot deze liftinstallaties tijdens de inbreukperiode en correspondentie die betrekking heeft op deze liftinstallaties tijdens de inbreukperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.131 Het hof wijst deze vordering af. Ten aanzien van claimhouders waarvan de vorderingen verjaard zijn heeft SECC geen gerechtvaardigd belang bij deze vordering. SECC heeft evenmin een gerechtvaardigd belang voor zover het betreft claimhouders ten aanzien waarvan reeds is geoordeeld dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Ten aanzien van de resterende claimhouders geldt dat SECC noch in de memorie van antwoord, noch in productie 2 de rechtspersonen noemt die de gestelde schade (mogelijk) hebben geleden. Productie 2 vermeldt slechts concerns, zoals “NH Hotels”, “Delta Lloyd”, “CBRE”, enzovoort. Kennelijk gaat SECC ervan uit dat zij daarmee kan volstaan omdat een vordering tot schadevergoeding toekomt aan een ‘onderneming’ in de zin van het mededingingsrecht. Dat uitgangspunt is onjuist, om redenen die het hof hiervoor heeft toegelicht (zie onder 6.53 van dit arrest). Als maatstaf voor de beoordeling van een vordering op grond van artikel 843a Rv geldt dat het bestaan van de rechtsbetrekking waar de vordering op ziet, voldoende aannemelijk moet zijn (vgl. onder meer het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251). Als de benadeelde slechts is aangeduid met de naam van een groep, en niet is gespecificeerd welke rechtspersoon door de inbreuk is geraakt, is aan die maatstaf niet voldaan. (ix) De proceskostenveroordeling Het oordeel van de rechtbank 6.133 De rechtbank heeft bij de vaststelling van het tarief rekening gehouden met de omstandigheid dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat sprake is van een zeer aanzienlijke schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van Kone 6.134 Hiertegen komt Kone op met grief XII. Kone acht het onbegrijpelijk dat de rechtbank bij de vaststelling van het tarief rekening houdt met een zeer aanzienlijke schade omdat ten aanzien van de omvang van de schade nog niets is vastgesteld. Voor het overige is grief XII een veeggrief, gericht tegen de toewijzing van de vorderingen van SECC. Het is niet nodig om op dat deel van de grief in te gaan, omdat de bezwaren van Kone tegen de toewijzing van de vorderingen van SECC hiervoor reeds zijn besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van SECC 6.135 Volgens SECC is het juist om er bij de vaststelling van het tarief van uit te gaan dat de mogelijke schade als gevolg van het kartel zeer aanzienlijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van het hof 6.136 Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van het tarief. Het door de rechtbank gehanteerde tarief hoort bij zaken met een geldswaarde boven € 1.000.000,-. Gelet op, onder meer, het aantal claimhouders, de aard, werking en duur van het kartel en de waarde van de betrokken producten en diensten acht ook het hof voldoende aannemelijk dat de totale schadevergoeding waarop SECC aanspraak zal kunnen maken, hoger zal uitkomen dan € 1.000.000,-. Het hof zal in zijn proceskostenveroordeling van hetzelfde tarief uitgaan. Grief XII van Kone faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Conclusie 7.1 Uit het voorgaande volgt dat, enkele ondergeschikte aspecten daargelaten (de duur van de inbreukperiode en enkele wijzigingen in de lijst van claimhouders ten aanzien waarvan de verklaring van recht wordt gegeven), alle grieven van Kone en SECC falen. Het hof zal het tussenvonnis bekrachtigen, de verklaring voor recht in het eindvonnis vernietigen, deze opnieuw uitspreken met de juiste inbreukperiode en de wijzigingen in de lijst van claimhouders, en het eindvonnis voor het overige bekrachtigen. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, aldus dat in beide zaken iedere partij de eigen kosten draagt, aangezien Kone in zaak 200.304.621/01 en SECC in zaak 200.304.673/01 (grotendeels) in het ongelijk zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Beslissing Het hof: bekrachtigt het tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 oktober 2019; vernietigt randnummers 6.3 en 6.9 van het eindvonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2021, en in zoverre opnieuw rechtdoende: verklaart voor recht dat Kone c.s. van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004 in strijd hebben gehandeld met artikel 81 EG-Verdrag, thans artikel 101 VWEU, en dat zij dientengevolge hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die de hierna genoemde claimhouders als gevolg van het kartel hebben geleden, verminderd met het bedrag van de bijdrageplicht van ThyssenKrupp Liften B.V. en ThyssenKrupp AG als hoofdelijk medeschuldenaar jegens Kone c.s., deze schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet:</p>\n<p class=\"lf-p\">IKEA Beheer B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwbedrijf Van Grunsven Erp B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwbedrijf Van Grunsven Nijmegen B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schiphol Nederland B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">C&amp;A Nederland C.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Amsterdam Gemeente Rotterdam Rotterdam Electrische Tram N.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">ProRail B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">RE-z Beheer B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stichting Franciscus Vlietland Groep SPF Beheer B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw Woningstichting Domijn Delta Lloyd Levensverzekeringen N.V. als rechtsopvolger van Delta Lloyd Vastgoed Woningen B.V. en Delta Lloyd Vastgoed Winkels B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Krasnapolsky Hotels &amp; Restaurants N.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stichting het Nederlands Kanker Instituut – Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis Stichting Pensioenfonds Wonen FSMC NL Property Group B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">NS Stations B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Real Estate Office Fund Netherlands B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Apple Park Maastricht B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hotel Derlon B.V. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2021 voor het overige; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders gevorderde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door mr. P. Glazener, mr. H.J.M. Burg en mr. M.E. Honée en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2024 in aanwezigheid van de griffier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, Pb L 349 van 5 december 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 25 januari 2017, Stb. 2017, 28 Vgl. T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (Burgerlijk Proces &amp; Praktijk nr. 14), 2012, 401, met verwijzingen naar rechtspraak.</p></div>", "next": 0}