{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het gevoerde verweer, inhoudende dat het tenlastegelegde feit niet als oorlogsmisdrijf gekwalificeerd kan worden, wordt derhalve door het hof verworpen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(2)</span>Oorlogsmisdrijf arbitraire vrijheidsberoving Juridisch kader Artikel 6 lid 1 WIM luidt voor zover van belang als volgt: “Hij die zich in geval van een niet-internationaal gewapend conflict schuldig maakt aan schending van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève, te weten het begaan jegens personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft neergelegd, of jegens personen die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enig andere oorzaak, van een van de volgende feiten”.</div>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid volgt een opsomming van strafbare gedragingen die in samenhang met artikel 6 WIM een oorlogsmisdrijf kunnen constitueren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7 WIM luidt als volgt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Hij die zich in het geval van een internationaal of niet-internationaal gewapend conflict schuldig maakt aan een schending van de wetten en gebruiken van de oorlog anders dan bedoeld in de artikelen 5 of 6 wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.</div>\n<p class=\"lf-p\">2 Gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd: a. indien van een feit als bedoeld in het eerste lid de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander te duchten is; b. indien een feit als bedoeld in het eerste lid inhoudt een of meer wandaden begaan tegen de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling; c. indien een feit als bedoeld in het eerste lid inhoudt het een ander dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden; of d. indien een feit als bedoeld in het eerste lid inhoudt een stad of plaats plunderen, ook wanneer deze bij een aanval wordt ingenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Artikel 5, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op een feit als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat het oogmerk van de organisatie Liwa al-Quds mede was gericht op arbitraire detentie als oorlogsmisdrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat met betrekking tot het verwijt arbitraire vrijheidsontneming als oorlogsmisdrijf. Niet met voldoende zekerheid kan vastgesteld worden welke groep de aanhoudingen zou hebben verricht, of bij deze groep heeft gezeten en of de arrestaties in strijd waren met fundamentele beginselen van het internationaal recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling van het hof Met betrekking tot de vraag of bewezen kan worden verklaard of het oogmerk van Liwa al-Quds (mede) was gericht op arbitraire detentie als oorlogsmisdrijf oordeelt het hof als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet zich in dit verband voor de vraag gesteld of arbitraire detentie als oorlogsmisdrijf naar Nederlands recht strafbaar is gesteld in artikel 6 WIM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6 WIM bevat in de leden 1 tot 4 diverse lijsten van strafbare gedragingen die tezamen met de overige in artikel 6 WIM vervatte (contextuele) eisen het strafbare feit van een oorlogsmisdrijf opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze lijsten zijn blijkens de formulering limitatief van aard. In beginsel zijn er geen andere oorlogsmisdrijven strafbaar gesteld dan in artikel 5 (voor een internationaal gewapend conflict) en artikel 6 (voor een niet-internationaal gewapend conflict) WIM zijn opgesomd. Arbitraire detentie is daarin niet opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7 WIM biedt de mogelijkheid in aanvulling op artikel 5 en artikel 6 WIM ook andere dan in die bepalingen opgesomde strafbaarstellingen van wetten en gebruiken van de oorlog strafbaar te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7 WIM is daarom ook aangeduid als een “vangnet bepaling”. Het is een aanvulling op de hiervoor genoemde strafbaarstellingen in de artikelen 5 en 6 WIM. De Memorie van Toelichting houdt hierover in: “Tot slot kan er op deze plaats nog op worden gewezen, dat naast de artikelen 5 en 6, waarin min of meer uitgewerkte delictsomschrijvingen zijn opgenomen, in artikel 7 als sluitstuk de «vangnet»-bepaling is opgenomen die reeds in de WOS voorkwam, met inbegrip van de eveneens uit de WOS overgenomen strafverzwaringsgronden. Deze vangnetbepaling heeft betrekking op hier niet nader genoemde, maar in het internationaal recht mogelijkerwijs nog te ontwikkelen oorlogsmisdrijven, gepleegd in een al dan niet internationaal gewapend conflict. (…) Door de formulering van de “vangnet” bepaling is het mogelijk (…) ook in toekomstige verdragen strafbaar gestelde gedragingen te vervolgen zonder ingrijpende aanpassingen van de onderhavige wet.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de wijze waarop een dergelijke uitbreiding dient plaats te vinden, wordt in de Memorie van Toelichting met betrekking tot artikel 7 WIM het volgende opgemerkt: “De officier van justitie zal steeds eerst nagaan of het betrokken feit in de termen van een van de omschrijvingen in de artikelen 5 of 6 valt alvorens overtreding van artikel 7 ten laste te leggen. Indien hij twijfelt kan hij primair een feit als omschreven in artikel 5 of 6 ten laste leggen en subsidiair schending van de wetten en gebruiken van de oorlog.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorts vast dat niet langs de weg van artikel 7 WIM door het openbaar ministerie een uitbreiding van de strafbaarstellingen in artikel 6 WIM aan de verdachte is tenlastegelegd, in de vorm van het misdrijf van arbitraire detentie, terwijl daar in requisitoir in die zin ook geen aandacht aan is besteed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derhalve, voor zover sprake is van een regel van internationaal gewoonterecht – zoals door het Openbaar Ministerie betoogt - waaruit volgt dat arbitraire detentie als oorlogsmisdrijf strafbaar is, staat het wettelijk systeem van artikel 6 en artikel 7 WIM aan de strafbaarheid in de onderhavige zaak in de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de advocaat-generaal is het hof derhalve van oordeel dat bij deze stand van zaken arbitraire detentie als oorlogsmisdrijf niet bewezen kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal de verdachte derhalve voor dit onderdeel partieel vrijspreken van feit 7.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(3)</span>Oorlogsmisdrijf plundering Standpunt van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben voorts het standpunt ingenomen dat bewezen kan worden verklaard dat het oogmerk van Liwa al-Quds zag op het plegen van het oorlogsmisdrijf plundering zoals strafbaar is gesteld in artikel 6 lid 3 onder e WIM. Het openbaar ministerie sluit zich in dit verband aan bij het juridisch kader zoals dat in het vonnis door de rechtbank is geschetst.</div>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van de verdediging De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om aan te kunnen nemen dat er sprake is geweest van plundering in de zin van artikel 6 lid 3 onder e WIM. Artikel 25 lid 3 onder d van het Statuut van Rome vereist in dit verband niet alleen dat deze oorlogsmisdrijven daadwerkelijk zijn gepleegd, maar ook dat de verdachte hier een significante bijdrage aan heeft geleverd. Daarvan is niet gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de specifieke plunderingen in het al-Nayrab kamp heeft de verdediging betoogd dat de betrokkenheid van Liwa al-Quds onvoldoende is gebleken, nu getuige [getuige] heeft verklaard dat haar buren – [buren getuige] – haar huis zouden hebben afgepakt. Voorts is niet komen vast te staan dat de geplunderde goederen zouden hebben toebehoord aan personen met een beschermde status, nu niet is gebleken dat de bewoners van het al-Nayrab kamp geallieerd waren aan de tegenpartij in het conflict.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging geeft toe dat het dossier voldoende aanleiding biedt om vast te stellen dat shabiha groepen in maart 2013 zich schuldig hebben gemaakt aan plunderingen. Echter, Liwa al-Quds was op dat moment nog niet opgericht en niet is gebleken dat de verdachte persoonlijk een bijdrage heeft geleverd aan deze plunderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot, heeft de verdediging betoogd dat niet is gebleken dat de plunderingen die na het militaire offensief dat de rebellen uit de stad verdreef, op grote schaal plaatsvonden of dat de verdachte daar enig persoonlijk aandeel in heeft gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling van het hof Onder feit 7 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie welke onder meer tot oogmerk heeft het plegen van plundering als oorlogsmisdrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de delictsomschrijving van artikel 6 lid 3 onder e WIM is aansluiting gezocht bij artikel 8 lid 2 onder e (v) Statuut van Rome. Blijkens de Elementen van Misdrijven dient voor de beoordeling van dit oorlogsmisdrijf te worden vastgesteld dat de verdachte bezit heeft toegeëigend voor eigen gebruik met het doel de eigenaar van het bezit van het eigendom te ontdoen zonder toestemming van de eigenaar. De toe-eigening moet ook hebben plaatsgevonden in de context van een niet-internationaal gewapend conflict, waar de verdachte van op de hoogte was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat niet is niet vereist dat de toe-eigening moest zien op goederen van personen die behoren tot de tegenpartij. De ICC Pre-Trial Chamber in de Abd-Al-Rahman-zaak heeft bepaald dat de status van slachtoffers in deze irrelevant is. Het enige dat telt, is dat de goederen zijn ontvreemd zonder toestemming van de rechtmatige eigenaar en dat er geen militaire rechtvaardiging bestond voor het in beslag nemen van de goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de rechtbank, is het hof van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat Liwa al-Quds en haar leiders zich op verschillende wijzen verrijkt hebben door de kansen aan te grijpen die de Syrische oorlogseconomie hen bood. Zij deden dit door middel van diefstal in de gebieden die zij controleerden. In Aleppo en het Al-Nayrab kamp misbruikte Liwa al-Quds haar machtspositie om bezittingen, vooral woningen van opponenten en vluchtelingen, toe te eigenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de verdediging heeft bepleit, is niet vereist dat de verdachte persoonlijk een aanzienlijke bijdrage moet hebben geleverd aan de door Liwa al-Quds gepleegde plunderingen. Het hof heeft evenwel vastgesteld dat ook de verdachte zelf een bijdrage heeft geleverd aan de plunderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat in deze zaak voldoende bewijs is dat de plunderingen door leden van Liwa al-Quds op grote schaal plaatsvonden. De criminele organisatie had ook het oogmerk op het plegen van het oorlogsmisdrijf plundering.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(4)</span>Oogmerk plegen van misdrijven tegen de menselijkheid, te weten het misdrijf tegen de menselijkheid van wederrechtelijke vrijheidsberoving Standpunt van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het feit dat het oogmerk van Liwa al-Quds mede zag op het plegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving als misdrijf tegen de menselijkheid zoals strafbaar is gesteld in artikel 4 lid 1 onder e WIM.</div>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat het oogmerk van Liwa al-Quds zag op het plegen van arbitraire detentie als misdrijf tegen de menselijkheid. Volgens de raadslieden kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld welke groep de arrestaties zou hebben verricht, of de verdachte bij deze heeft gezeten en of de arrestaties in strijd waren met fundamentele regels van internationaal recht. De aanhoudingen die buiten het al-Nayrab kamp plaatsvonden kunnen in ieder geval niet worden aangemerkt als misdrijf tegen de menselijkheid, nu het doel van Liwa al-Quds was persoonlijk financieel gewin na te streven; niet het bevorderen van de aanval op de burgerbevolking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling van het hof Met de rechtbank is het hof van oordeel dat Liwa al-Quds sinds 2011 door de LID werd aangestuurd om op grote schaal en stelselmatig personen die verdacht werden van sympathieën met de oppositie of van deelname aan demonstraties, te arresteren en over te dragen aan de LID. Deze personen werden gedetineerd zonder enige juridisch basis, vanwege de uitoefening van fundamentele rechten en vrijheden waardoor zij als politieke gevangenen moeten worden beschouwd, en zonder dat zij op enige manier gebruik konden maken van het recht op een eerlijk proces dat aan hen toekwam. Daarmee had hun vrijheidsbeneming zonder meer een arbitrair karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus is naar het oordeel van het hof genoegzaam vast komen te staan dat het oogmerk van Liwa al-Quds mede was gericht op het plegen van het misdrijf tegen de menselijkheid van wederrechtelijke vrijheidsberoving. De hierna te bespreken wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1) van [slachtoffer]is daar een onderdeel van geweest en maakte deel uit van de wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht op de burgerbevolking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is niet vereist dat de leden van Liwa al-Quds de aanval op de burgerbevolking beoogden te bevorderen of zelfs maar onderschreven. Het enig wat is vereist is dat zij zich bewust zijn geweest van de context waarin de aanval plaatsvond. Hun persoonlijke, opportunistische motieven om hieraan bij te dragen zijn irrelevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweer van de verdediging wordt om voorgaande redenen dan ook verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schending ondervragingsrecht?</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de verdediging is de strafrechtelijke betrokkenheid van de verdachte bij de organisatie van Liwa al-Quds na december 2013 in beslissende mate gebaseerd op de verklaringen van de twee anoniem bedreigde getuigen GT08175 en GT202650. Het gebruik van deze verklaring zou in dat opzicht een schending van artikel 6 EVRM opleveren, omdat de verdediging deze getuigen niet zelf heeft kunnen ondervragen. De verdediging heeft het hof verzocht de status-beslissing met betrekking tot deze twee getuigen te heroverwegen, maar dat is afgewezen. Voor de beperkingen van het ondervragingsrecht zijn onvoldoende compenserende factoren aanwezig, omdat de verdediging enkel en alleen schriftelijke vragen aan de getuigen heeft mogen opgeven. In die zin heeft geen eerlijk proces plaatsgevonden, zodat hun verklaringen niet mogen worden gebruikt voor het bewijs, met als gevolg dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 7 voor de pleegperiode december 2013 t/m december 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het onderhavige dossier bevinden zich verklaringen van twee personen die door de rechter-commissaris zijn gehoord als anoniem bedreigde getuigen op grond van artikel 226a Sv. Het gaat om de getuigen GT089175 en GT202650. In de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 25 augustus 2023 en de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 12 oktober 2022 is aan hen die status verleend. Het hoger beroep tegen die beschikkingen is door de raadkamer van de rechtbank afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschikkingen van de rechter-commissaris zijn met redenen omkleed en daarin is verantwoording afgelegd over de gegronde reden dat de identiteit van de getuigen verborgen moest worden gehouden. Het hof kan en mag daarvan uitgaan. Of een getuige kan worden aangemerkt als bedreigde getuige in de zin van artikel 226a Sv, wordt immers beoordeeld door de rechter-commissaris en niet door de zittingsrechter. De zittingsrechter beoordeelt of, als hij voor het bewijs gebruikmaakt van de resultaten van het in artikel 226d Sv bedoelde verhoor van de bedreigde getuige, dat gebruik in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces, zoals dat wordt gewaarborgd door onder meer artikel 6 EVRM. Bij die beoordeling wordt ook betrokken of aan de wijze van totstandkoming dan wel aan de inhoud van het bevel van de rechter-commissaris of van de in artikel 226b Sv bedoelde rechter dat de identiteit van de getuige bij zijn verhoor verborgen wordt gehouden, fundamentele gebreken kleven en, zo ja, of (mede) als gevolg van die fundamentele gebreken het gebruik van de resultaten van het verhoor in strijd komt met het recht op een eerlijk proces. (HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:982 en in enigszins andere bewoordingen, HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5471, rechtsoverweging 4.8.1.).</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter-commissaris heeft zich conform artikel 226e Sv rekenschap gegeven over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen in kwestie. Dat is uitgebreid verantwoord in processen-verbaal van bevindingen en verrichtingen houdende onderzoek naar de betrouwbaarheid van de getuigen d.d. 6 juli 2023 en 14 november 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof kleven er geen fundamentele gebreken aan de inhoud van het bevel van de rechter-commissaris, gezien de inhoud van de beschikking over de statusverlening en gelet op de inhoud van de processen-verbaal over de betrouwbaarheid. Het gebruik van de resultaten van de verhoren is bovendien niet in strijd met het recht op een eerlijk proces. Hierbij neemt het hof het volgende in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorop dat behoedzaamheid is vereist bij de waardering en het gebruik voor het bewijs van de verklaring van een anonieme getuige; hetgeen het hof ook in acht heeft genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast stelt het hof vast dat het bewijs dat de verdachte het onder 7 tenlastegelegde (de criminele organisatie) heeft begaan niet uitsluitend of in beslissende mate is gegrond op de verklaringen van de betreffende bedreigde getuigen (artikel 344a lid 1 Sv). Het hof heeft hiervoor uiteengezet welke andere bewijsmiddelen ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring van dit verwijt, en dan gaat het bijvoorbeeld over de rapporten van dr. L. Leenders en het IIIM rapport, de eigen verklaring van de verdachte (dat hij zich had aangesloten bij Liwa al-Quds), verklaringen van andere getuigen en foto’s, video en berichten op Facebook. In weerwil van het verweer van de verdediging heeft het hof daarbij gekeken naar het onder 7 tenlastegelegde als geheel, en niets slechts naar een onderdeel, te weten de betrokkenheid van de verdachte in de periode vanaf december 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaringen in kwestie kunnen voorts ook meewerken tot het bewijs, omdat de getuigen als bedreigde getuigen zijn gehoord door de rechter-commissaris en omdat het tenlastegelegde onder 7 (artikel 140 Sr met het oogmerk tot het plegen van internationale misdrijven) een misdrijf is als omschreven in artikel 67 lid 1 Sv en het - gezien zijn aard, het georganiseerd verband waarin het is begaan, in samenhang bezien met de andere bewezenverklaarde misdrijven - zonder meer een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert (artikel 344a lid 2 Sv).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten derde heeft de verdediging de gelegenheid gekregen om schriftelijke vragen op te geven aan de betreffende getuigen, zodat het ondervragingsrecht met betrekking tot deze anoniem bedreigde getuigen in enige vorm had kunnen plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter-commissaris heeft, als overwogen, de betrouwbaarheid van de getuige onderzocht en daarover in genoemde processen-verbaal rekenschap afgelegd. Het hof sluit zich aan bij dat oordeel over de betrouwbaarheid door de rechter-commissaris; de verklaringen zijn voor een groot deel gebaseerd op eigen waarneming, zijn consistent en vinden steun in andere bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot is nog van belang dat de verdediging wel haar ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen ten aanzien van andere (belastende) getuigen, zoals [zoon slachtoffer] en [slachtoffer], ten overstaan van een rechter-commissaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee voldoet de procedure in haar geheel aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, ook met gebruikmaking van de verklaringen van de anoniem bedreigde getuigen voor het bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">13Vaststelling van de feiten mbt feiten 1, 2 en 3 [slachtoffer](verder: [slachtoffer]) was woonachtig in het (vluchtelingen)kamp Al-Nayrab, in de buurt van Aleppo, Syrië.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2013 was hij docent aan een school in het kamp Al-Nayrab. Hij was een uitgesproken tegenstander van het bewapenen van de bewoners, in het bijzonder jongeren, van het kamp voor de gewapende strijd tussen de oppositie en het regime van Assad en het betrekken van (de bewoners van) het kamp in die strijd. Hij sprak zich hiertegen uit samen met anderen vanuit een door hen opgericht comité genaamd de Buurt verbeteringscommissie. Dit leidde volgens [slachtoffer] tot problemen, in de zin van verschillende ideologieën, tussen dit comité, de veiligheidsdiensten en de shabiha groepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 28 januari 2013 ’s nachts hebben een groep mannen [slachtoffer] uit zijn huis in het kamp Al-Nayrab tegen zijn wil onder gebruik making van heftig geweld en na bedreiging meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De groep bestond uit onder andere [verdachte], [veiligheidschef], [persoon 2], [persoon 3] ([naam 1]); [shabihaleider 4]([naam 2]), [shabihaleider 3], [persoon 4], [persoon 5] ([naam 3]), en een agent van de militaire veiligheidsdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze groep was gewapend met Kalasjnikovs. Een aantal van hen droeg een sjaal als masker en camouflagepakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de personen die de woning binnenvielen, stonden er ook gewapende mannen voor de woning en buiten op de hoofdstraat bij een auto die was geparkeerd voor de smalle steeg die uitkomt bij de woning van [slachtoffer].</p>\n<p class=\"lf-p\">In de woning is geschoten en de mannen hebben met [slachtoffer]– die zich aanvankelijk tegen zijn aanhouding verzette - gevochten. Hij is daarbij geslagen in zijn gezicht en met een kolf van een geweer op zijn rug geslagen. Ook zijn zoon is geslagen – op zijn hoofd - en is daardoor buiten bewustzijn geraakt. [slachtoffer] is door een aantal mannen naar de gereedstaande auto op de nabijgelegen hoofdstraat gesleept in zijn pyjama en op blote voeten en met deels een T-shirt over zijn hoofd getrokken. Enkele leden van de groep stonden buiten in een ring om de auto heen, zodat andere leden van de groep [slachtoffer] veilig – zonder inmenging van zo’n 50 omstanders - in de auto konden plaatsen. [slachtoffer] is vervolgens op de achterbank gezet met twee van de mannen aan weerszijden en met twee mannen voorin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op deze vastgestelde feiten en omstandigheden heeft het meenemen van [slachtoffer] uit zijn woning en hem in de auto zetten niet heel lang geduurd. [slachtoffer] heeft het over een half uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvankelijk stond de verdachte bij de deur van het huis, terwijl andere leden van de groep de woning binnentraden. Later stond hij tegen de auto aan. De verdachte droeg camouflagekleding, een tactisch vest vol magazijnen en een Kalasjnikov.</p>\n<p class=\"lf-p\">De groep stond onder leiding van een first warrant officer van de LID, genaamd [veiligheidschef], werkzaam op het vliegveld van Aleppo. Hij heeft de opdracht gegeven om [slachtoffer] mee te nemen waarbij hij aanvankelijk had bevolen om zowel de verdachte als zijn zoon mee te nemen. [slachtoffer] is vervolgens weggevoerd in de auto naar het vliegveld. Hem is niet verteld waarom hij werd meegenomen noch is hem een arrestatiebevel getoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na acht dagen op het militaire gedeelte van het vliegveld te zijn vastgehouden is [slachtoffer] per helikopter overgebracht naar de militaire academie van Assad, vanaf daar met een busje naar het kantoor van de LID in Aleppo gebracht en is daar vastgehouden. In dit kantoor van de LID bevond zich een ondergrondse gevangenis. [slachtoffer] werd daar geplaatst in een cel van vier bij vijf meter (cel nummer 4), bevolkt door tussen de 87 en 100 gedetineerden. Er was te weinig ruimte om de benen te strekken en de gedetineerden moesten voortdurend met opgetrokken benen zitten of slapen. Toiletbezoek was slechts twee keer per dag toegestaan, waarbij de gedetineerden met een stok of zweep werden geslagen. Sommige gedetineerden plasten in een fles. Er waren slechts kleine ventilatieopeningen in de cel en het was er warm. De gedetineerden kregen weinig en slecht te eten en te drinken en de gedetineerden dronken met olie vermengd water uit de CV. Voor zijn vrijheidsberoving woog [slachtoffer] 80 kilogram, bij zijn vrijlating 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cel was gelegen naast een verhoorkamer en [slachtoffer] kon de verhoren die daar plaatsvonden, de martelingen en het geschreeuw van de gedetineerden horen. Vijf dagen na zijn aankomst in de gevangenis werd [slachtoffer] naar een kamer gebracht waar een officier stond. Deze officier bracht een rapport ter sprake waaruit zou blijken dat hij had gedemonstreerd tegen gewapende strijders en dat hij in contact stond met leden van de gewapende oppositie. Toen hij ontkende, zei de officier tegen een andere man: \"Neem hem mee en zorg dat hij bekent”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze man - een beul, zoals [slachtoffer] hem noemt- bracht hem naar een verhoorruimte, drukte hem tegen de grond en begon hem tegen het hoofd, de rug en de flanken te slaan en te schoppen. [slachtoffer] werd, liggend op zijn rug, met een stok op zijn blote voeten geslagen, 30 a 40 keer, waarbij hij tussentijds gedwongen werd te staan en te springen en te huppelen, opdat zijn voeten doorbloedden en hij het gevoel erin terugkreeg. Tegelijkertijd werd geschreeuwd dat hij moest bekennen. Na aanvankelijk stil te zijn gebleven is [slachtoffer]op enig moment gaan schreeuwen dat hij niets met de verdenking te maken had. Daarop zei de man die hem sloeg: \"Je wordt standrechtelijk berecht”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij terugkomst in zijn cel - [slachtoffer]kon toen niet meer staan en kroop over zijn buik - werden de andere gedetineerden stil toen hij vertelde wat hem gezegd was. Het betekende namelijk dat [slachtoffer]geëxecuteerd zou worden. Toen hij zag hoe zijn medegedetineerden schrokken, werd hij ook angstig. [slachtoffer]heeft ongeveer 20 dagen vastgezeten voordat hij in de nacht van 28 februari 2013 werd vrijgelaten. Hij werd door familieleden opgehaald bij de poort van de gevangenis van de LID en meteen naar het ziekenhuis gebracht, alwaar hij zeven dagen in coma op de intensive care afdeling heeft gelegen. Een teen van zijn rechtervoet en een teen van zijn linkervoet zijn geamputeerd. Een arts vertelde [slachtoffer]dat zijn voeten waren geëlektrocuteerd en verbrand.</p>\n<p class=\"lf-p\">14Nadere overwegingen feit 1 Standpunt van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft medegepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair het standpunt ingenomen dat de aanhouding geen onderdeel was van een wijdverbreide en stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiair heef de verdediging gesteld dat de verdachte niet wist (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de tenlastegelegde detentie plaatsvond als onderdeel van een wijdverbreide en stelselmatige aanval op de burgerbevolking. De verdediging betwist dat in dit verband voorwaardelijk opzet voldoende zou zijn ten aanzien van de wetenschap dat de gedragingen onderdeel uitmaakten van de aanval.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de omstandigheden waaronder de aanhouding van [slachtoffer]heeft plaatsgevonden niet “of such gravity” zijn geweest, dat sprake is geweest van strijd met fundamentele regels van internationaal recht. De tenlastegelegde vrijheidsberoving was immers van dusdanig korte duur – enkele minuten, hooguit een half uur – dat deze het niveau van een internationaal misdrijf niet haalt. Daarnaast is ook niet gebleken van andere omstandigheden waaronder deze kortdurende vrijheidsberoving wel een internationaal misdrijf zou opleveren. Zo is het bij de aanhouding toegepaste geweld niet van zodanige ernst dat ondanks de korte duur, toch van een misdrijf tegen de menselijkheid kan worden gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts was de vrijheidsberoving volgens de verdediging niet arbitrair, nu er mogelijk sprake was van een wettelijke grondslag voor de vrijheidsbeneming, omdat de veiligheidssituatie in het kamp een dergelijke vrijheidsberoving zou kunnen rechtvaardigen. Er was namelijk sprake van een zeer precaire veiligheidssituatie in het kamp Al-Nayrab en onder die omstandigheden kwam het regime een relatief ruime marge toe om te beoordelen wie gedetineerd moest worden. Gelet op de contacten die [slachtoffer]met de oppositie onderhield om noodzakelijke goederen het kamp in te brengen en zijn weerstand tegen de bewapening van inwoners van het kamp, was het niet vreemd dat hij door het regime zou worden aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de eventuele rol van de verdachte bij de aanhouding van [slachtoffer], hooguit als medeplichtigheid dient te worden gekwalificeerd, en niet als medeplegen. De verdediging verwijst in dit verband naar de tekst van de tenlastelegging (“wacht gehouden voor het huis van [slachtoffer]en zodoende mogelijke hulp van derden voorkomen”) en de verklaring van [slachtoffer]over de rol van de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling van het hof Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat de Nederlandse rechter zich weliswaar voor het trekken van de grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid zich mede dient te oriënteren op het internationale recht en daarbij acht zal dienen te slaan op de jurisprudentie van de internationale straftribunalen en het Internationaal Strafhof. Echter, de Nederlandse wet geldt als kader. Dit heeft het hof geoordeeld in de zaak over de organisatie van Tamil Tijgers (in de Engelse afkorting: LTTE), maar dit uitgangspunt geldt ook in de onderhavige zaak waarin de verdachte geen Nederlander maar Syriër is en de tenlastegelegde feiten zich in niet (hoofdzakelijk) in Nederland maar in Syrië afspeelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadere overwegingen en bespreking van de verweren inzake artikel 4 WIM Onder verwijzing naar het juridisch kader inzake artikel 4 WIM zoals hiervoor uiteengezet zal het hof hieronder bespreken of gelet op de feitelijke vaststellingen de tenlastelegging voor wat betreft feit 1 kan worden bewezen en kan worden gekwalificeerd als een misdrijf tegen de menselijkheid. De Romeinse cijfers verwijzen naar de nummering van de bestanddelen in het juridische kader. (I) en (III) een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen de burgerbevolking Uit de hiervoor weergegeven feitelijke vaststellingen volgt dat het Syrische regime vanaf maart 2011 op nagenoeg het gehele territoir van Syrië, inclusief de gebieden rondom Aleppo in samenwerking met groeperingen zoals de volkscomités, vreedzame demonstraties met harde hand de kop indrukte door de demonstranten met geweld uiteen te drijven en aan te houden. De Crisis Cel van het regime van president Bashar Al-Assad stuurde de verschillende veiligheidsdiensten en het leger aan en gaf opdracht met harde hand op te treden tegen de oppositie. Aan de Crisis Cel namen deel de Minister van Defensie, en de hoofden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; derhalve het hoogste niveau van onder andere de politiek en het leger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naarmate de vreedzame demonstraties toenamen, trad het Syrische regime met meer geweld op. Het regime voorzag pro-regime groeperingen, zoals Liwa al-Quds, van wapens en andere middelen en zette het leger, de veiligheidsdiensten en deze groeperingen in om burgers op te pakken, onder zeer erbarmelijke omstandigheden vast te houden, te martelen, te folteren en/of te doden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doelwit van het geweld waren (vermeende) oppositieleden, demonstranten en activisten, maar ook burgers (waaronder kinderen) die geenszins betrokken waren bij de demonstraties. Voornamelijk Syrische burgers waren het onderwerp van de aanval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit massaal en structureel oppakken en (onbeperkt) vasthouden van burgers was volgens de Crisis Cel het hoofdbestanddeel van het repressie arsenaal waarmee het regime de demonstraties bestreed. Voorts werd het ongelimiteerd gewelddadig optreden doelbewust door de Crisis Cel ingezet als middel om de bevolking vrees aan te jagen en diende ook ter onderdrukking van de bevolking met als doel het regime van Al-Assad in het zadel te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus is het hof met de rechtbank van oordeel dat deze gedragingen, gelet op de aard en omvang daarvan, dienen te worden aangemerkt als een aanval op een burgerbevolking. Ook is het hof met de rechtbank van oordeel dat deze aanval zowel een wijdverbreid als een stelselmatig karakter droeg, gelet op de grote schaal en het structurele en planmatige karakter ervan. (ii) beleid van de staat of organisatie Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het Syrische regime en de Crisis Cel de gewelddadige onderdrukking van burgers aanstuurde en coördineerde. De besluiten van de Crisis Cel werden doorgezet naar de lokale branches van de veiligheidsdiensten en het leger om te worden uitgevoerd. Aldus vond de stelselmatige en wijdverbreide aanval op de burgerbevolking plaats ter uitvoering van het beleid van de Syrische staat. (iv) nauw verband (nexus) tussen de handeling(en) van de verdachte en de aanval Het hof heeft hiervoor het volgende vastgesteld. Sinds 2011 werd Liwa al-Quds en zijn shabiha-voorgangers door de LID aangestuurd. Op grote schaal, in aanzienlijke aantallen en stelselmatig werden burgers die verdacht werden van sympathieën met de oppositie of van deelname aan demonstraties wederrechtelijk van hun vrijheid beroofd en overgedragen aan de LID die ze gevangenhielden voor onbepaalde tijd, martelden, folterden, en in voorkomend geval ook gedood dan wel stierven onder erbarmelijke detentie-omstandigheden. Het doel was deze burgers angst aan te jagen, opdat ze zich niet (meer) tegen het regime van Al-Assad zouden keren. [slachtoffer] maakte deel uit van een comité binnen het Al-Nayrab kamp die opvattingen uitdroeg die werden gezien als strijdig met de belangen van het regime. Hij is met geweld uit zijn woning gehaald door een groep personen bestaande uit onder andere leden van Liwa al-Quds onder leiding van een officier van de LID en vervolgens afgevoerd naar een detentie-faciliteit van de LID waar hij – zoals later zal worden vastgesteld - is gemarteld en gefolterd, met het doel om hem zodanige vrees aan te jagen dat hij zijn (vermeende) oppositie tegen het regime zou staken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het bovenstaande stond naar het oordeel van het hof – en anders dan de verdediging heeft betoogd - deze wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] in nauw verband met de wijdverbreide en stelselmatige aanval op de burgerbevolking. Met de rechtbank stelt het hof vast dat dit misdrijf in die zin naadloos past in het patroon van misdrijven die mede de aanval op de burgerbevolking in deze zaak vormen. (v) wetenschap van de verdachte van de aanval en dat zijn/haar gedraging deel uitmaakte van de aanval Het hof heeft hiervoor – zakelijk weergegeven - het volgende vastgesteld. De LID zette Liwa al-Quds in om burgers, waaronder (vermeende) opponenten, - zoals onder andere personen uit het AL-Nayrab kamp - te arresteren en van hun vrijheid te beroven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wrede reputatie van de LID was algemeen bekend; evenals dat de op grote schaal deze gearresteerde personen naar de faciliteiten van de LID werden gebracht waar ze werden gevangen gehouden voor onbepaalde tijd, gemarteld en gefolterd, en in voorkomend geval ook gedood dan wel stierven onder erbarmelijke detentie-omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervoor is ook vastgesteld dat Liwa al-Quds mede tot taak te assisteren van de LID bij het oppakken, arresteren en gevangenzetten van (vermeende) opponenten van het Syrische regime, zoals mensen uit het kamp Al-Nayrab. De verdachte maakte deel uit van Liwa al-Quds en in die hoedanigheid van de groep die [slachtoffer]met geweld uit zijn woning in voornoemd kamp heeft gehaald, in een auto heeft gedwongen en afgevoerd. Dit vond plaats onder leiding van een officier van de LID die ter plekke eveneens aanwezig was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder die omstandigheden moet de verdachte hebben geweten dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer]deel uitmaakte van een wijdverbreide en stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking. Het hof heeft hierbij voorts betrokken dat verdachte als geen ander hiervan kennis had uit eigen familiekring, nu een oom van hem, [oom verdachte], was meegenomen naar de LID onder omstandigheden die sterke overeenkomsten vertoonde met de wijze waarop [slachtoffer]is meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het bovenstaande in onderlinge samenhang bezien is het hof met de rechtbank van oordeel – en anders dan de verdediging - dat de verdachte wetenschap had van de wijdverbreide en stelselmatige aanval op de burgerbevolking en wist hij dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer]waarbij hij betrokken was, deel uitmaakte van die aanval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke eisen m.b.t. de verboden gedraging onder e: andere ernstige vormen van beroving van de lichamelijke vrijheid in strijd met fundamentele regels van internationaal recht De tenlastelegging spitst de beroving van de lichamelijke vrijheid van [slachtoffer]toe op het uit de woning halen en het in het voertuig dwingen van [slachtoffer].</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft vastgesteld dat [slachtoffer]gedurende enige tijd van zijn vrijheid is beroofd. Hij werd immers tegen zijn wil en met geweld uit zijn woning gehaald, naar buiten gesleept en op de achterbank van een auto gedwongen, waarbij links en rechts van hem personen kwamen zitten, zodat hij werd belemmerd om weg te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die feitelijke handelingen zijn in duur beperkt geweest gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat aan de beperkte duur van de vrijheidsberoving alleen geen doorslaggevende betekenis toekomt. In de onderhavige zaak komt groter gewicht toe aan de omstandigheden waaronder de vrijheidsberoving plaatsvond. Het hof kent daarbij in het bijzonder betekenis toe aan het onrechtmatige karakter van de arrestatie van [slachtoffer], het excessieve geweld dat daarbij tegen hem en zijn zoon is gebruikt, de dreiging ook zijn zoon mee te nemen en het doel waarmee hij is gearresteerd en afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vaststelling van de ernst van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, heeft het hof rekening gehouden met het feit dat [slachtoffer]in het holst van de nacht door een groep gewapende en deels gemaskerde mannen van zijn bed is gelicht, onder wie leden van een irreguliere militie zonder officiële positie in het Syrisch staatsapparaat onder leiding van een officier van de LID. Daarbij is geschoten in de woning en zijn [slachtoffer]en zijn zoon ernstig mishandeld en werd [slachtoffer]gesommeerd mee te komen en is daarbij gedreigd ook zijn zoon mee te nemen. [slachtoffer]is met een vuist in zijn gezicht geslagen en met een geweerkolf op zijn rug, terwijl zijn zoon dusdanig hard op zijn hoofd is geslagen dat hij daardoor buiten bewustzijn is geraakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft het hof meegewogen dat de groep die hem heeft meegenomen onder leiding stond van een officier van het LID – een van de meest gevreesde instanties binnen het Syrische staatsapparaat waarvan algemeen bekend was dat mensen die in hun macht terecht kwamen doorgaans een verschrikkelijk lot te wachten stonden. [slachtoffer]moet – gelet op de aanwezigheid van deze LID-officier – hebben geweten wat hem te wachten stond. Ondanks dit beangstigende vooruitzicht, voelde [slachtoffer]zich gedwongen mee te werken met zijn belagers om zijn zoon eenzelfde lot te besparen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het onrechtmatige karakter van de vrijheidsberoving, stelt het hof vast dat [slachtoffer]geen arrestatiebevel is getoond, hij op geen enkel moment is geïnformeerd omtrent de redenen van zijn arrestatie en/of de beschuldigingen die tegen hem waren ingebracht, en hij niet is gewezen op de procedurele rechten waarop hij aanspraak zou kunnen maken. Dit zijn stuk voor stuk schendingen van fundamentele mensenrechten, die onder meer zijn vastgelegd in artikel 9 van het IVBPR en tevens van toepassing zijn in het kader van internering van burgers om dwingende veiligheidsredenen op basis van internationaal humanitair recht, indien daar al sprake van zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het door de verdediging geschetste scenario die de vrijheidsbeneming in die benadering niet arbitrair zou doen zijn, is in het licht van de hierboven vastgestelde omstandigheden, niet aannemelijk geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel – anders dan de verdediging - dat er sprake is geweest van een voldoende ernstige vorm van beroving van de lichamelijke vrijheid van [slachtoffer]in strijd met fundamentele regels van internationaal recht om te worden gekwalificeerd als een misdrijf tegen de menselijkheid ingevolge artikel 4 lid 1 sub e WIM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweer met betrekking tot het medeplegen/de medeplichtigheid Het hof stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict dient in dit verband van voldoende gewicht te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan het hof rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een groep gewapende mannen in camouflagekleding is naar de woning van [slachtoffer]gegaan en is – met geweld tegen hem en zijn zoon - de woning binnengevallen om hem mee te nemen in een gereedstaande auto naar een locatie elders. De verdachte maakte van deze groep onmiskenbaar deel uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de groep werd leiding gegeven door een officier van de LID. Verder maakte van de groep deel uit een lid van de militaire veiligheidsdienst en leden van Liwa al-Quds. Er was een taakverdeling en samenwerking waarbij een officier van de LID de leiding had over de arrestatie van [slachtoffer]. Hij heeft ook het bevel gegeven [slachtoffer]en aanvankelijk ook zijn zoon mee te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige leden van de groep bevonden zich in de woning ter verrichting van de gewelddadige aanhouding; anderen stonden buiten de woning of in de aangrenzende straat bij de auto stond waarmee [slachtoffer]uiteindelijk is afgevoerd, om mensen op afstand te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte gekleed in camouflagekleding en gewapend met een automatisch vuurwapen, is op twee sleutel momenten aanwezig geweest. Hij heeft zowel bij de deur van de woning van [slachtoffer]gestaan toen leden van de groep de woning waren binnengedrongen, als dichtbij de auto waar [slachtoffer]vanuit de woning naar toe is gesleept. Zijn taak was om zowel bij de woning als de auto samen met anderen omstanders op afstand te houden. Bij de auto stonden toen [slachtoffer]in de auto werd gestopt, drie personen, waaronder de verdachte en [shabihaleider 3] en daaromheen weer anderen in een kring om omstanders op afstand te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande duidt op een vorm van voorbereiding om gewapend naar de woning van [slachtoffer]te gaan met als doel [slachtoffer]uit zijn woning te halen en daartoe samen te werken door de verdeling van taken in en buiten de woning om hem tenslotte af te voeren in de gereedstaande auto met de nodige beveiliging daaromheen om dat proces te faciliteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering waarbij de individuele bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige bewijsverweren worden door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen weerlegd. Het hof verwerpt de verweren.</p>\n<p class=\"lf-p\">15Nadere overwegingen feiten 2 en 3 Marteling Het hof is van oordeel dat de hiervoor weergegeven gedragingen en de omstandigheden waaronder [slachtoffer]werd vastgehouden zonder meer zijn aan te merken als het opzettelijk veroorzaken van ernstig pijn en lijden, lichamelijk en geestelijk, terwijl hij gevangen was in een gevangenis van de LID.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht dan ook bewezen dat [slachtoffer]is gemarteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerder is al overwogen dat marteling wijdverbreid en stelselmatig werd ingezet in een aanval gericht tegen de burgerbevolking. Net zoals de vrijheidsberoving van [slachtoffer]past ook de daaropvolgende marteling naadloos in het algemene patroon van het op stelselmatige wijze gewelddadig onderdrukken van de burgerbevolking. De verdachte wist ook dat marteling onderdeel was van die wijdverbreide en stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking, zoals hiervoor reeds uiteengezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Foltering Het hof is verder van oordeel dat het martelen van [slachtoffer]gebeurde met het oogmerk om van hem de bekentenis te verkrijgen dat hij contacten had met de gewapende oppositie en met het oogmerk om hem vrees aan te jagen. Dat blijkt uit de uitlatingen van de LID officier die aangaf dat [slachtoffer]moest worden meegenomen om hem te laten bekennen, en van de beul in de verhoorruimte die tegen [slachtoffer]zei dat hij moest bekennen en voorts uit de mededeling van de beul dat hij standrechtelijk zou worden berecht, dat wil zeggen: geëxecuteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de marteling werd gepleegd van overheidswege en door een ambtenaar of een andere voor de overheid werkzame persoon, in de uitoefening van zijn functie, staat ook vast. [slachtoffer]werd immers vastgehouden in een gevangenis van de LID - een dienst van de Syrische overheid - terwijl zijn marteling werd verordonneerd door een officier van die staatsdienst en uitgevoerd door iemand die in ieder geval ten dienste van de overheid werkzaam was. Beiden handelden in de uitoefening van hun functie, omdat de LID de vervolging van vermeende tegenstanders tot zijn staatsveiligheidstaak rekende. De officier en de man die [slachtoffer] als beul betitelde, hebben daarbij nauw en bewust samengewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is dus ook sprake van foltering geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medeplichtigheid aan marteling en foltering Het hof stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in artikel 48, aanhef en onder 1° of 2º Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook als het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte wist dat een officier van de LID de leiding had over de arrestatie van [slachtoffer]. De verdachte heeft bij de deur van de woning van [slachtoffer]gestaan. Vandaar is [slachtoffer]naar de gereed staande auto gesleept. De LID-officier was in de woning en deelde daar bevelen uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het begin van de opstand in Syrië was de LID nadrukkelijk aanwezig in het kamp. Deze LID-officier patrouilleerde dagelijks in het kamp. Iedereen wist dat hij een officier was bij de LID. De verdachte woonde in het kamp en Liwa al-Quds en de shabiha groep waartoe de verdachte behoorde hadden een goede relatie met deze LID-officier. Zijn aanwezigheid maakte dat de aanhouding van [slachtoffer]geen “gewone” aanhouding was. De LID officier voerde deze uit voor de LID. Het was algemeen bekend dat degene die door de LID wordt gearresteerd wordt gemarteld en de gevangenschap zelden overleeft. De LID was berucht in heel Syrië. De verdachte heeft bovendien gezien hoe slecht zijn oom [oom verdachte] er aan toe was nadat hij in augustus 2012 was gedetineerd en gemarteld door de LID. De verdachte wist welk lot [slachtoffer]in de gevangenis van de LID in Aleppo wachtte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de verdediging gaat het hof ervan uit dat [slachtoffer]bij zijn arrestatie direct in handen kwam van de LID – de aanwezige LID officier had immers in of bij de woning van [slachtoffer]het bevel “neem hem mee” gegeven - en verwerpt het verweer dat hij pas na zijn verblijf van 8 dagen op het vliegveld aan de LID is overgedragen. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat het tijdelijke verblijf op het vliegveld een logistieke achtergrond had en [slachtoffer]per helikopter naar de gevangenis van de LID is gebracht zodra dit (weer) mogelijk was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert dat de verdachte – gelet op wat hiervoor is overwogen en gezien de inhoud van de bewijsmiddelen – bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij gelegenheid heeft verschaft voor het martelen en folteren van [slachtoffer]. Hieraan doet niet af dat [slachtoffer]na zijn aanhouding eerst is overgebracht naar het vliegveld en vervolgens naar de gevangenis van de LID in Aleppo. De verdachte moet hebben geweten dat [slachtoffer]– zoals eigenlijk iedere Syrische burger die in handen van de LID valt - vroeg of laat aan marteling en foltering zou worden blootgesteld. Het hof heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat de verdachte de leider was van een eenheid binnen Liwa al-Quds, een organisatie die intensief samenwerkte met de LID.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte had opzet op zijn eigen deelnemingshandeling. Hij heeft in uniform en gewapend bij de woning gestaan toen [slachtoffer]werd aangehouden en hij heeft bij de gereedstaande auto het publiek op afstand gehouden toen [slachtoffer]werd afgevoerd, zoals hiervoor reeds vastgesteld bij feit 1. [slachtoffer]is door nauw en bewust samenwerkende medewerkers van de LID gemarteld en gefolterd.</p>\n<p class=\"lf-p\">16Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>primairhij, verdachte, op of omstreeks 28 januari 2013, althans op een tijdstip in of omstreeks de maand januari 2013, althans op een tijdstip in of omstreeks de maand januari 2012, te Al-Nayrab, althans in Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een persoon, te weten [slachtoffer], in strijd met fundamentele regels van internationaal recht van zijn lichamelijke vrijheid heeft beroofd, welke beroving van de lichamelijke vrijheid hierin bestond dat hij, verdachte, in de hoedanigheid van lid van de pro-regime militie Liwa al-Quds en/of (een) shabiha-groep(en) uit het Al-Nayrab kamp, en/of één of meerdere mededader(s), voor het huis van deze [slachtoffer]de wacht heeft/hebben gehouden, en zodoende mogelijke hulp van derden heeft/hebben voorkomen, terwijl deze [slachtoffer]door andere leden van de Liwa al-Quds militie en/of (een) shabiha-groep(en) uit het Al-Nayrab kamp en/of de militaire veiligheidsdienst en/of de inlichtingendienst van de Syrische luchtmacht met geweld uit zijn woning werd gehaald en/of in een voertuig werd gedwongen, terwijl deze beroving van de lichamelijke vrijheid werd gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide en/of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, terwijl hij, verdachte, wist dat deze gedragingen onderdeel waren van een wijdverspreide wijdverbreide en/of stelselmatige aanval uitgevoerd door het Syrische inlichtingenapparaat en/of het Syrische leger en/of pro-regime milities tegen de Syrische burgerbevolking;</div>\n<p class=\"lf-p\">2.één of meer medewerker(s) van de (gevangenis van de) inlichtingendienst van de Syrische luchtmacht, althans één of meer ten dienste van de Syrische overheid werkzame perso(o)n(en), in de uitoefening van zijn/hun functie, op één of meer tijdstip (pen) in of omstreeks de periode van 28 januari 2013 tot en met 1 maart 2013, althans de periode van 28 januari 2012 tot en met 1 maart 2012, te Aleppo, althans in Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander (en), althans alleen, een persoon, te weten [slachtoffer], meermalen, althans eenmaal, heeft/hebben gefolterd, welke foltering hierin bestond dat voornoemd(e) perso(o)n(en) bij deze [slachtoffer](telkens) opzettelijk ernstige pijn of ernstig lijden veroorzaakte(n), hetzij lichamelijk, hetzij en geestelijk, terwijl deze [slachtoffer]zich in gevangenschap bevond en/of in de macht bevond van voornoemde perso(o)n(en), (telkens) met het oogmerk om van deze [slachtoffer]te bestraffen voor een handeling die hij begaan heeft en/of van hem (een) bekentenis(sen) te verkrijgen en/of hem vrees aan te jagen, van overheidswege gepleegd, door, toen en aldaar, deze [slachtoffer]met een stok, althans een hard voorwerp, op zijn blote voeten en/of op zijn hoofd te slaan en/of meermalen, althans eenmaal, in zijn zij en/of rug te schoppen en/of (een) andere geweldshandeling(en) te plegen en/of hem te bedreigen met terdoodbrenging, door de volgende woorden te zeggen: \"Jij gaat in stukjes terug naar jouw huis, wij gaan jou in stukjes hakken\" en/of \"Je wordt standrechtelijk berecht\", althans woorden van gelijke strekking, en/of (een) andere handeling(en) te plegen die opzettelijk ernstige pijn of ernstig lijden veroorzaakte(n), tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, op of omstreeks 28 januari 2013, althans in of omstreeks de maand januari 2013, althans in of omstreeks de maand januari 2012, te Al-Nayrab en/of Aleppo, althans in Syrië, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door deze [slachtoffer], na hem in strijd met fundamentele regels van internationaal recht tezamen en in vereniging met (een) ander(en) van zijn lichamelijke vrijheid te hebben beroofd, over te dragen aan de inlichtingendienst van de Syrische luchtmacht, althans aan één of meer ten dienste van de Syrische overheid werkzame perso(o)n(en), terwijl hij wist of bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat deze [slachtoffer]daardoor blootgesteld zou worden aan foltering;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.één of meer medewerker (s) van de (gevangenis van de) inlichtingendienst van de Syrische luchtmacht, en/of één of meer lid/leden van Liwa al-Quds en/of een of meer lid/leden van (een) shabiha-groep(en) uit het Al-Nayrab kamp en/of (een) andere(n) ten dienste van de Syrische overheid werkzame perso(o)n(en), op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 januari 2013 tot en met 1 maart 2013, althans de periode van 28 januari 2012 tot en met 1 maart 2012, te Aleppo, althans in Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een persoon, te weten [slachtoffer], heeft/hebben gemarteld, welke marteling hierin bestond dat voornoemd(e) perso(o)n(en) deze [slachtoffer]meermalen, althans eenmaal, met een stok, althans een hard voorwerp, op zijn blote voeten en/of hoofd heeft/hebben geslagen en/of meermalen, althans eenmaal, in zijn zij en/of rug heeft/hebben geschopt en/of (een) andere geweldshandeling(en) heeft/hebben gepleegd en/of met terdoodbrenging heeft/hebben bedreigd, door de volgende woorden te zeggen: \"Jij gaat in stukjes terug naar jouw huis, wij gaan jou in stukjes hakken\" en/of \"Je wordt standrechtelijk berecht\", althans woorden van gelijke strekking, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, op of omstreeks 28 januari 2013, althans in of omstreeks de maand januari 2013, althans in of omstreeks de maand januari 2012, te Al-Nayrab en/of Aleppo, althans in Syrië, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door deze [slachtoffer], na hem in strijd met fundamentele regels van internationaal recht van zijn lichamelijke vrijheid te hebben beroofd, over te hebben gedragen aan de inlichtingendienst van de Syrische luchtmacht, terwijl hij, verdachte, wist of bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat deze [slachtoffer]daardoor blootgesteld zou worden aan marteling, terwijl deze marteling onderdeel was van een wijdverbreide en/of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, terwijl hij, verdachte, wist dat deze gedragingen onderdeel waren van een wijdverspreide wijdverbreide en/of stelselmatige aanval uitgevoerd door het Syrische inlichtingenapparaat en/of het Syrische leger en/of pro-regime milities tegen de Syrische burgerbevolking;</p>\n<p class=\"lf-p\">7.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2017, te Al-Nayrab en/of Aleppo en/of Khanassar en/of Oost-Ghouta, althans in Syrië, heeft deelgenomen aan (een) organisatie(s), te weten (een) shabiha-groep(en) uit het Al-Nayrab kamp en/of de pro-regime militie Liwa al-Quds, waaraan in elk geval heeft/hebben deelgenomen verdachte en/of (een) andere perso(o)n(en), welke organisatie(s) (telkens) tot oogmerk heeft/hebben het plegen van internationale misdrijven, te weten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het plegen van lichamelijke geweldpleging als oorlogsmisdrijf en/of arbitraire detentie als oorlogsmisdrijf en/of plundering als oorlogsmisdrijf, in verband met een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Syrië, en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid in strijd met fundamentele regels van internationaal recht als misdrijf tegen de menselijkheid, als onderdeel van een wijdverbreide en/of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, terwijl hij, verdachte, leider en/of oprichter en/of bestuurder was.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">17Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, lid 3, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">18Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op: medeplegen van het misdrijf tegen de menselijkheid gevangenneming of andere ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid in strijd met fundamentele regels van internationaal recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder 2 en 3 bewezenverklaarde levert op: de eendaadse samenloop van medeplichtigheid aan medeplegen van foltering door een ambtenaar of anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon in de uitoefening van zijn functie en medeplichtigheid aan medeplegen van het misdrijf tegen de menselijkheid marteling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder 7 bewezenverklaarde levert op: als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">19Strafbaarheid van de verdachte Standpunt van de verdediging De verdediging heeft gesteld dat de strafvervolging voor feit 7 niet voorzienbaar was voor de verdachte, als het hof ervoor kiest om het Nederlands juridisch kader van artikel 140 Sr toe te passen. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte geen enkele link heeft met Nederland, dat hij in een vluchtelingenkamp is opgegroeid en geen hoge opleiding heeft gevolgd. Ook is, volgens de verdediging, niet gebleken dat het Syrisch recht deelneming aan een dergelijke organisatie strafbaar heeft gesteld. Om die reden is sprake van schending van het legaliteitsbeginsel en dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van het openbaar ministerie De advocaten-generaal stellen dat het verweer moet worden verworpen en hebben daarbij aansluiting gezocht bij de overweging van de rechtbank en erop gewezen dat Syrië, net als Nederland, weldegelijk het fenomeen groepsaansprakelijkheid aan misdrijven kent en dat vervolging onder groepsaansprakelijkheid voor internationale misdrijven al sinds Neurenberg een voorzienbare mogelijkheid was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt, grotendeels met de rechtbank, als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel, zoals onder meer neergelegd in artikel 1 lid 1 Sr, omvat onder meer de eisen dat voorzienbaar en kenbaar moet zijn welk gedrag de wetgever strafbaar heeft gesteld. Hieruit volgt dat strafbaarstellingen duidelijk moeten omschrijven welk gedrag onder welke omstandigheden strafbaar is. De eis van voorzienbaarheid is ook te vinden in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waar het de interpretatie van artikel 7 van het EVRM betreft. In dat artikel is bepaald dat geen veroordeling kan volgen indien het handelen (of nalaten) van de verdachte geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde van het handelen (of nalaten) van de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt allereerst vast dat de strafbaarstelling van artikel 140 Sr jo. artikel 1 lid 4 WIM berust op een wet in formele zin. Daarmee is voldaan aan de eveneens in het legaliteitsbeginsel besloten liggende norm van toegankelijkheid van wettelijke strafbepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag is of de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten redelijkerwijs kon voorzien dat zijn handelen strafbaar was. Het hof is van oordeel dat dit het geval is en overweegt daartoe als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft deelgenomen aan de organisatie Liwa al-Quds. Deze organisatie had tot oogmerk het plegen van internationale misdrijven, meer in het bijzonder de internationale misdrijven die zijn opgenomen in het onder feit 7 bewezenverklaarde feit. Het staat niet ter discussie dat dergelijke misdrijven ten tijde van het plegen daarvan strafbaar waren en dat ook voorzienbaar was dat dergelijk handelen een strafbaar feit oplevert. De verdachte heeft, door zijn deelname aan Liwa al-Quds en in de wetenschap van het criminele oogmerk van deze organisatie, ook kunnen voorzien dat dit handelen in groepsverband als zodanig strafrechtelijke aansprakelijkheid met zich brengt. Dat deelname aan een criminele organisatie naar Syrisch strafrecht - zoals betoogd - geen zelfstandig strafbaar feit oplevert en dat de niet hoogopgeleide verdachte geen enkele link had met Nederland, doet daar niet aan af. Daarbij is voorts van belang dat strafrechtelijke aansprakelijkheid voor gedragingen die zijn begaan met één of meer anderen, of in (georganiseerd) groepsverband, in tal van rechtsstelsels voorkomt. Ook heeft vervolging onder een vorm van groepsaansprakelijkheid voor internationale misdrijven bij diverse tribunalen al vaker plaatsgevonden, zodat het ook om die reden een voorzienbare mogelijkheid was. De strafbaarstelling en precieze afbakening van dergelijke strafrechtelijke aansprakelijkheid verschilt weliswaar per nationaal rechtsstelsel, maar dat maakt niet dat de verdachte met succes een beroep op schending van het legaliteitsbeginsel kan doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">20Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft vier strafbare feiten bewezenverklaard. Bij het bepalen van de strafmaat zal het hof naast de ernst van de feiten die blijkt uit de daarop gestelde maximumstraffen, kijken naar de ernst van de gevolgen die die feiten hebben veroorzaakt. Vervolgens zal het hof beoordelen of er aspecten zijn die in strafverhogende of juist in strafverminderende zin aan de hoogte van de op te leggen straf bijdragen. Dat gaat om zaken als de intentie van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en zijn concrete rol en (hiërarchische) positie ten tijde van het plegen van de feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbedreiging Feit 1 betreft het misdrijf tegen de menselijkheid wederrechtelijke vrijheidsberoving. Artikel 4 lid 1 onder e WIM bepaalt dat voor dit delict een tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaren kan worden opgelegd, dan wel een levenslange gevangenisstraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feiten 2 en 3 betreffen foltering en het misdrijf tegen de menselijkheid marteling. Artikel 8 WIM en artikel 4 lid 1 onder f WIM bepalen dat voor beide feiten een tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaren kan worden opgelegd, dan wel een levenslange gevangenisstraf. Gelet op de eendaadse samenloop tussen de beide bewezenverklaarde feiten bedraagt de maximaal op te leggen straf voor deze feiten een tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaren, dan wel een levenslange gevangenisstraf. Het maximum van de tijdelijke hoofdstraffen dat op die misdrijven is gesteld, wordt met een derde verminderd, omdat sprake is van medeplichtigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 7 betreft deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. In de bewezenverklaarde periode gold op grond van artikel 140 lid 1 (oud) Sr een maximum gevangenisstraf van 6 jaren. Voor leiders konden op grond van artikel 140 lid 3 (oud) Sr de gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd, zodat de maximale gevangenisstraf voor dit feit op 8 jaren uitkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevolgen [slachtoffer]is in het midden van de nacht door gemaskerde en gewapende mannen uit zijn huis gesleept en in een auto gezet met aan weerszijden een van de mannen. Zijn zoon is hierbij aanwezig geweest. [slachtoffer]heeft hierbij blauwe plekken en losse tanden overgehouden. Er was geen arrestatiebevel en er is geen reden voor de arrestatie opgegeven. De betrokkenen bij de aanhouding wisten van de politieke opvattingen van [slachtoffer], die tegen het bewapenen van de inwoners van het kamp Al Nayrab was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na zijn aanhouding is [slachtoffer]in de auto geslagen en zijn er sigaretten op zijn hoofd uitgedrukt. Een van de leden van Liwa al-Quds heeft tegen [slachtoffer]gezegd: “Wij gaan jou in stukjes hakken”. Hij is – na verblijf op de civiele luchthaven van Aleppo - overgebracht naar de gevangenis van de LID. Daar is hij opgesloten in een cel van 6 bij 4 meter met ongeveer 80 a 100 medegevangenen. Zij stonden tegen elkaar en konden niet liggen. De cel had geen ramen, alleen een luchtrooster. Na enige dagen is hij gemarteld met de methode ‘Falaka’. [slachtoffer]moest zijn benen omhoog houden en is vervolgens langdurig met een houten stok op zijn voeten geslagen waardoor hij het gevoel daarin verloor. Vervolgens moest hij opstaan en huppelen om het gevoel terug te krijgen en werd hij opnieuw op zijn voetzolen geslagen. Nadat de verhoorder stopte met slaan zei hij tegen [slachtoffer]dat hij standrechtelijk berecht zou worden; hetgeen executie betekende. Tijdens zijn gevangenschap heeft [slachtoffer]nauwelijks eten gekregen. Toen hij binnen werd gebracht woog hij 80 kilogram en bij vertrek nog maar 35 kilogram. Omdat er onvoldoende water was, dronk hij water vermengd met olie uit de CV. Na zijn vrijlating heeft [slachtoffer] 7 of 8 dagen op de Intensive Care van het ziekenhuis gelegen. Twee van zijn tenen, die waren verbrand door elektrocutie, zijn daar geamputeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft [slachtoffer] niet zelf gefolterd of gemarteld. Hij is medeplichtig geweest aan deze ernstige misdrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook heeft de verdachte een essentiële bijdrage geleverd aan de aanhouding van [slachtoffer] door de LID. Hij moet hebben geweten dat hij zo bijdroeg aan de onmenselijke behandeling die [slachtoffer] later in gevangenschap van de LID zou ondergaan. Hij heeft op de koop toe genomen dat anderen [slachtoffer] afschuwelijk zouden martelen en folteren met ernstige blijvende gevolgen. [slachtoffer] heeft bij zijn verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris op 12 januari 2023 – ongeveer 10 jaar na zijn aanhouding – uiteengezet dat hij nog steeds last heeft op de plek van de geamputeerde teen aan zijn linkervoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft de verdachte deelgenomen aan de organisatie Liwa al-Quds. Hij heeft actief bijgedragen aan de verwezenlijking van het oogmerk van deze organisatie, namelijk het plegen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Deze organisatie heeft bijgedragen aan de onderdrukking van de Syrische burgers, onder meer door actief samen te werken met de LID, die bekend stond als de wreedste onder de Syrische inlichtingendiensten. In het nadeel van de verdachte houdt het hof rekening met zijn leidinggevende positie binnen Liwa al-Quds.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bovenstaande rechtvaardigt de oplegging van een langdurige gevangenisstraf. Het hof realiseert zich dat oplegging van deze straf het leed van [slachtoffer]niet kan wegnemen, maar hoopt dat dit enige genoegdoening kan bieden. Het hof haalt ter illustratie hiervan een deel van de verklaring van [slachtoffer]bij de rechter-commissaris aan: “Ik heb niets tegen de verdachte persoonlijk. Ik wil dat het recht zegeviert. Ik wil gebruik maken van de gerechtigheid in Europa, zodat ik mijn stem kan laten horen aan alle slachtoffers.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder dient van de oplegging van deze straf een afschrikkende werking uit te gaan. Degenen die zich elders in de wereld schuldig hebben gemaakt aan de meest ernstige misdrijven, moeten zich realiseren dat Nederland geen vluchthaven biedt, maar zich inzet voor de berechting van verdachten van deze misdrijven met mogelijk langdurige gevangenisstraffen tot gevolg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De individuele omstandigheden van de verdachte Het hof stelt op grond van een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 mei 2025 vast dat de verdachte in Nederland niet eerder met justitie in aanraking is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte is als vluchteling vanuit Syrië naar Nederland gekomen. Hij heeft op 10 oktober 2020 asiel aangevraagd. Hij heeft een verblijfsvergunning asiel gekregen voor bepaalde tijd, geldig van 10 oktober 2020 tot 10 oktober 2025. Zijn dossier is op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag nader onderzocht. Bij besluit van 23 mei 2025 is zijn verblijfsvergunning asiel ingetrokken. Hij heeft niet de verplichting om terug te keren naar Syrië gelet op de recente machtswisseling in Syrië en de omstandigheid dat de verdachte wordt beschouwd als een actieve aanhanger van het voormalige Syrische regime. Als Palestijn is hij naar alle waarschijnlijkheid staatloos.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte op grond van de bovenstaande omstandigheden niet gebruik zal kunnen maken van een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling en dat hij vanwege het gevaar in Syrië de inrichting niet zal kunnen verlaten op grond van artikel 40a van de Regeling Tijdelijk Verlaten van de Inrichting (strafonderbreking). Hoewel nu niet met zekerheid kan worden gezegd dat de geschetste ontwikkelingen zich ook daadwerkelijk zullen voordoen, houdt het hof in strafmatigende zin daarmee rekening. Ook houdt het hof in het voordeel van de verdachte in enige mate rekening met de omstandigheid dat de verdachte is gescheiden van zijn vrouw, zijn kinderen niet ziet, geen overige familie in Nederland heeft en hij de opgelegde gevangenisstraf moet ondergaan in een Nederlandse gevangenis terwijl hij de Nederlandse taal niet machtig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is uit het onderzoek ter terechtzitting niet van persoonlijke feiten en/of omstandigheden gebleken waarmee het hof bij de strafoplegging – ten voordele of ten nadele van de verdachte – rekening moet houden. De verdachte heeft zich goeddeels op zijn zwijgrecht beroepen. Hierdoor is maar beperkt inzicht verkregen in de persoonlijke omstandigheden en de beweegredenen van de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop Bij het bepalen van de straf heeft het hof in aanmerking genomen dat sprake is van eendaadse samenloop ten aanzien van de foltering van [slachtoffer]en het misdrijf tegen de menselijkheid marteling. Van eendaadse samenloop van de feiten 2 en 3 met feit 1, zoals de verdediging heeft betoogd, is naar het oordeel van het hof geen sprake. Bij feit 1 gaat het om – kort gezegd – het beroven van de lichamelijke vrijheid van [slachtoffer]op een bepaald moment in en rondom het vluchtelingenkamp Al-Nayrab, terwijl het bij de feiten 2 en 3 gaat om – eveneens kort gezegd – medeplichtigheid aan het martelen en folteren van [slachtoffer]gedurende 20 dagen daarna in de gevangenis van de LID in Aleppo. Van die 3 feiten kan verdachte niet (in wezen) één verwijt worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom Foltering en misdrijven tegen de menselijkheid behoren tot de ernstigste misdrijven, te weten de internationale misdrijven die de hele internationale gemeenschap met zorg vervullen en die niet onbestraft mogen blijven. De vooropgestelde strafmaxima brengen dit tot uitdrukking. De grootschalige onderdrukking en geweldpleging tegen burgers door Liwa al-Quds, waaraan de verdachte als leider een belangrijke bijdrage heeft geleverd, die tot veel onherstelbaar leed heeft geleid, rekent het hof de verdachte zwaar aan. De door de rechtbank opgelegde straf doet onvoldoende recht aan de ernst van de door de verdachte begane strafbare feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is daarom van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren in beginsel gerechtvaardigd zou zijn. De omstandigheden die ten voordele van de verdachte worden meegewogen, zoals hiervoor uiteengezet, leiden echter tot een strafvermindering van 9 maanden, zodat oplegging van een gevangenisstraf van 13 jaren en 3 maanden in beginsel passend en geboden wordt geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt evenwel vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vervolging van de verdachte is met zijn inverzekeringstelling aangevangen op 24 mei 2022 en eerst op 22 januari 2024 is door de rechtbank vonnis gewezen, terwijl de verdachte op dat moment nog steeds in voorarrest zat. Hierdoor is de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg met ongeveer 4 maanden overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu de verdachte op 1 februari 2024 hoger beroep heeft ingesteld en het hof arrest wijst op 27 augustus 2025 en de verdachte ook op dit moment nog in voorarrest zit, is de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in hoger beroep met ongeveer 3 maanden overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat in die zin dat in plaats van de eerder genoemde in beginsel passende en geboden straf een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren zal worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.</p>\n<p class=\"lf-p\">21Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]en schadevergoedingsmaatregel In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer]zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00 als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde en tot een bedrag van € 30.000,00 als gevolg van het aan de verdachte onder 2 en 3 tenlastegelegde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van in totaal € 40.000,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van de advocaten-generaal De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van de verdediging De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Daartoe is primair aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiair is aangevoerd dat er sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding en dat de verdediging niet in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen zij tot verweer tegen de vordering kan aanvoeren. Daarbij is verwezen naar de hoeveelheid ingebrachte stukken en is gesteld dat het naar het Syrisch civiele recht niet duidelijk is of er sprake is van causaliteit, of de vordering is verjaard en of de verdachte een beroep kan doen op enige immuniteit. Daarbij heeft de verdediging tevens opgemerkt dat de wettelijke basis ontbreekt voor het indienen van rapporten welke in opdracht van de benadeelde partij zijn opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht om de schade te matigen en de verdachte niet hoofdelijk aansprakelijk te stellen gelet op zijn rol. Voorts is verzocht om geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oordeel van het hof Toepasselijkheid van het Syrisch recht De vraag die eerst beantwoord moet worden, is naar welk (materieel) burgerlijk recht de vordering dient te worden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoelde vraag naar het toepasselijke recht op de vordering benadeelde partij (over de onrechtmatige daad) dient te worden beantwoord aan de hand van de regels uit de zogenaamde Rome II-verordening (Verordening EG, nr 864/2007). De Rome II-verordening is vanaf 11 januari 2009 van toepassing in alle EU-lidstaten (behalve Denemarken) en dus ook in Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rome II heeft ingevolge artikel 3 een universeel formeel toepassingsgebied, hetgeen betekent dat deze verordening ook van toepassing is op zaken die aan de Nederlandse rechter worden voorgelegd, waarin een onrechtmatige daad aan de orde is die buiten de EU is gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4 lid 1 Rome II-verordening geeft de algemene regel voor de vaststelling van het toepasselijke recht, te weten het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad, is het recht van het land waar de schade zich voordoet (lex loci damni), ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze hoofdregel leidt in het onderhavige geval naar de toepassing van het Syrisch recht, omdat de onrechtmatige daad zich daar heeft voorgedaan en daar ook de schade zich heeft voorgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal daarom, mede gelet op het standpunt van alle procespartijen, de vordering van de benadeelde partij beoordelen naar Syrisch recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesverloop en ontvankelijkheid vordering Met betrekking tot de relevante Syrische bepalingen en de uitleg ervan heeft de benadeelde partij in een eerdere fase, stukken in het geding gebracht, te weten een stuk aangeduid als ‘rechtsgeleerd oordeel ter zake van vergoeding vanwege misdrijf’ van A. Majni (ingebracht in het geding op 21 september 2023) en een stuk getiteld ’Persoonlijke rechtsvordering (Schadevergoeding), herstel van schade conform de Syrische wet’ van R. Ali (ingebracht in het geding op 30 december 2024), waarin is ingegaan op het juridisch kader over schadevergoeding op grond van een onrechtmatige daad naar Syrisch burgerlijk recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft op de pro forma zitting van 7 oktober 2024 een schriftelijke ronde gelast over de vordering van de benadeelde partij. Vervolgens heeft het hof naar aanleiding van de schriftelijke ronde de zaak op de pro forma zitting van 5 maart 2025 verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde zich nader te laten voorlichten over de toepassing van het Syrische (burgerlijk) recht, hetgeen heeft geresulteerd in het “Expertiseverslag aangaande de schadevordering in het Syrische burgerlijk recht” van het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI). De Engelse versie van het deskundigenbericht is op 20 mei 2025 verstrekt aan partijen en de naar het Nederlandse vertaalde versie op 4 juni 2025. Bij brief van 20 mei 2025 met bijlagen – aan de orde gesteld tijdens de pro forma zitting van 26 mei 2025 – heeft de advocaat van de benadeelde partij de beantwoording van drie nadere vragen door R. Ali ingebracht. Een van de vragen had betrekking op de toewijsbaarheid van wettelijke rente over de schadevergoeding. Hij heeft bij de beantwoording verwezen naar een aantal in een bijlage opgenomen precedenten van Syrische rechters.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle partijen hebben naar het oordeel van het hof tijdig kennis kunnen nemen van alle hierboven genoemde ingebrachte stukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op dit procesverloop en de voorhanden zijnde stukken acht het hof zich, anders dan de rechtbank, inmiddels voldoende voorgelicht om een inhoudelijk oordeel te geven over de vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is voorts van oordeel dat dat gelet op de aard van de vordering van de benadeelde partij, te weten overzichtelijk en op zichzelf eenvoudig van aard (het betreft alleen een vordering ter zake van immateriële schade), en nu in aanvulling op de in 2023 en 2024 ingebrachte stukken, in hoger beroep zowel een schriftelijke ronde heeft plaatsgevonden met vervolgens een deskundigenbericht van het IJI en de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep, de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid moet worden geacht te zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij tot verweer tegen de vordering wenst aan te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof is derhalve met de behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep, geen sprake van een onevenredige belasting van het strafgeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit vertaling IJI deskundigenbericht Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de kwaliteit van de vertaling van het deskundigenbericht van het IJI gebrekkig is, onvolkomenheden of onjuistheden bevat. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de inhoud van het bericht van het IJI geen tegenstrijdigheden bevat met de eerder ingebrachte partijstukken en dat de conclusies in die rapporten over de thema’s verjaring, causaliteit en de schattingsbevoegdheid op de relevante onderdelen grotendeels overeenkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweren inzake de deskundigenberichten van de benadeelde partij Het hof zal bij de beoordeling van de vordering tevens acht slaan op de stukken die in opdracht van de benadeelde partij zijn opgesteld en in het geding zijn gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof merkt deze rapporten, gezien de inhoud daarvan en in weerwil van het verweer van de verdediging, aan als stukken voor het bewijs van de ten gevolge van het strafbare feit geleden schade, zoals genoemd in artikel 334 lid 1 Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast heeft de verdediging erop gewezen dat zij geen toegang heeft gekregen tot Syrische uitspraken die gebruikt zijn in het stuk van R. Ali dat door de benadeelde partij is ingebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof staat het niet kunnen raadplegen van de Syrische jurisprudentie in het stuk van R. Ali niet in de weg aan het gebruik ervan ter duiding van het Syrische recht in dit opzicht. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat het hof een deskundige heeft benoemd - in aanvulling op de reeds eerder ingebrachte stukken - met het oog op het opmaken van een deskundigenbericht over de toepassing van het Syrische civiele recht op een aantal genoemde punten tegen de achtergrond van de door het hof te beantwoorden vraag naar de civiele aansprakelijkheid van de verdachte. Het hof heeft vastgesteld dat ten aanzien van de relevante onderdelen er geen discrepanties bestaan ten aanzien van de uitleg van het Syrische recht in de drie vermelde stukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweren inzake de vordering van de benadeelde partij a. Verjaring Uit het deskundigenbericht van het IJI en de twee namens de benadeelde partij ingebrachte stukken blijkt dat onder Syrisch recht de verjaring van een onrechtmatige daad die het gevolg is van een strafbaar feit de verjaringstermijn van het strafbare feit volgt (vergelijk artikel 173 lid 2 Syrisch Burgerlijk Wetboek). Voor misdrijven geldt onder het Syrische recht een verjaringstermijn van 10 jaar, blijkens artikel 437 Syrisch Wetboek van Strafvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Benadeelde [slachtoffer]is op 28 januari 2013 door onder andere de verdachte wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd. Het onderzoek tegen de verdachte is begonnen op 2 oktober 2020 en de verdachte is aangehouden en in verzekering gesteld op 24 mei 2022. Dat betekent dat de verjaring onder Syrisch recht is gestuit met de inverzekeringstelling van de verdachte op 24 mei 2022, nu op dat moment nog geen 10 jaren waren verstreken sinds de pleegdatum van het strafbare feit. De vordering is onder Syrisch recht dus niet verjaard. Ook dit levert dus – anders dan door de verdediging betoogd - geen reden op voor niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immuniteit Voorts stelt het hof vast dat gesteld noch gebleken is dat de verdachte naar Syrisch recht immuniteit geniet, zodat de benadeelde partij ook in dat opzicht ontvankelijk is in de vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Causaliteit Artikel 164 Syrisch Burgerlijk Wetboek bepaalt dat elke fout die schade berokkent aan anderen, door de dader dient te worden vergoed. Artikel 138 Syrisch Burgerlijk Wetboek bepaalt voorts dat elke pleger van een misdrijf waaruit materiele of immateriële schade is ontstaan, gehouden is die schade te vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft, voor zover relevant voor de vordering, vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan drie misdrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar Syrisch recht, moet komen vast te staan dat het slachtoffer de geclaimde schade heeft geleden en dat de schade door de verdachte is veroorzaakt (het causale verband).</p>\n<p class=\"lf-p\">De beantwoording van de vraag of sprake is van een causaal verband dient te worden beantwoord aan de hand van de “theory of the productive cause”, aldus het deskundigenbericht van het IJI. Volgens deze theorie moet er onderscheid worden gemaakt tussen de productieve oorzaak, die op zichzelf voldoende is om schade te veroorzaken en de bijkomende oorzaak die op zichzelf niet voldoende is om schade te veroorzaken. Om een verband tussen fout en schade vast te stellen, moet dit oorzakelijk verband verwezenlijkt en rechtsreeks zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de bewezenverklaarde feiten is het hof van oordeel dat de verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor schade die het gevolg is van zijn handelen aan de hand van de ‘theory of productive cause’. De bekendheid van de verdachte met de reputatie van de LID en dus met de aanstaande marteling en foltering die [slachtoffer]in gevangenschap zou ondergaan, leidt tot het oordeel dat de marteling en foltering in LID-gevangenschap in voldoende rechtstreeks verband stond met de bijdrage van de verdachte aan de arrestatie van [slachtoffer].</p>\n<p class=\"lf-p\">Type schadevergoeding Zowel materiele als immateriële schade komt naar Syrisch recht voor vergoeding in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schatting van de schadevergoeding Naar Syrisch recht heeft de benadeelde recht op vergoeding van de schade vanaf het moment van het ontstaan ervan. Artikel 171 Syrisch Burgerlijk Wetboek houdt in dat de rechter de omvang van de schadevergoeding dient te schatten, rekening houdend met de omstandigheden. Dit zijn zowel de omstandigheden van de benadeelde als de omstandigheden van de aansprakelijke partij, met inbegrip van de ernst van de fout en de financiële situatie van de aansprakelijke partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijze van schadevergoeding Artikel 172 Syrisch Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de rechter de wijze van schadevergoeding vaststelt, in natura of anderszins.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdelijke aansprakelijkheid Artikel 170 Syrisch Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de schade hoofdelijk kan worden toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesveroordeling Artikel 318 Syrisch Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de veroordeelde wordt veroordeeld in de proceskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade als bedoeld in artikel 223 Syrisch Burgerlijk Wetboek ten bedrage van € 10.000,- heeft geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat het onder 1 primair bewezenverklaarde een fout is in de zin van artikel 164 Syrisch Burgerlijk Wetboek. Voorts stelt het hof vast dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde nu deze schade als natuurlijk gevolg moet worden aangemerkt zoals bedoeld in artikel 222 Syrisch Burgerlijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande leent de vordering ter zake van geleden immateriële schade zich voor hoofdelijke toewijzing tot het gevorderde bedrag gelet op het bepaalde in de artikelen 170, 171 en 172 lid 2 Syrisch Burgerlijk Wetboek. Het hof neemt hierbij in aanmerking de ernst van de fout, de omstandigheden waaronder die plaatsvond en de gevolgen voor de benadeelde, zoals die blijken uit de bewijsvoering, de strafmotivering en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij. Wat betreft de exacte financiële situatie van de aansprakelijke, de verdachte, is weinig bekend; de aansprakelijke zit nu gedetineerd en heeft geen inkomen, over vermogen of schulden is geen informatie beschikbaar. De financiële situatie van de aansprakelijke leidt er volgens het hof niet toe dat de schatting van de schadevergoeding lager uitvalt dan het gevorderde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal de gevorderde wettelijke rente afwijzen. Het rapport van het IJI biedt geen juridische grondslag voor toewijzing naar Syrisch recht. De verwijzing van de door de benadeelde partij geraadpleegde Riad Ali naar enkele Syrische precedenten die verschuldigdheid van wettelijke rente zouden ondersteunen acht het hof een te smalle basis om dat onderdeel van de vordering toe te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade als bedoeld in artikel 223 Syrisch Burgerlijk Wetboek ten bedrage van € 30.000,- heeft geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat het onder 2 en 3 bewezenverklaarde een fout is in de zin van artikel 164 Syrisch Burgerlijk Wetboek. Voorts stelt het hof vast dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde nu deze schade als natuurlijk gevolg moet worden aangemerkt zoals bedoeld in artikel 222 SBW. Het hof betrekt daarbij dat het ten tijde van het handelen van de verdachte voorzienbaar was dat de benadeelde partij uiteindelijk zou worden overgedragen aan de LID en dat deze daardoor zou worden blootgesteld aan foltering en marteling en als gevolg daarvan extra schade zou lijden; hetgeen blijkt uit de bewijsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande leent de vordering ter zake van geleden immateriële schade zich voor hoofdelijke toewijzing tot het gevorderde bedrag gelet op het bepaalde in de artikelen 170, 171 en 172 lid 2 Syrisch Burgerlijk Wetboek. Het hof neemt hierbij in aanmerking de ernst van de fouten, de omstandigheden waaronder die plaatsvonden en de gevolgen voor de benadeelde, zoals die blijken uit de bewijsvoering, de strafmotivering en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij. Wat betreft de exacte financiële situatie van de aansprakelijke, de verdachte, is weinig bekend; de aansprakelijke zit nu gedetineerd en heeft geen inkomen, over vermogen of schulden is geen informatie beschikbaar. De financiële situatie van de aansprakelijke leidt er volgens het hof niet toe dat de schatting van de schadevergoeding lager uitvalt dan het gevorderde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wettelijke rente is niet toewijsbaar. Het hof verwijst daartoe naar wat hiervoor is overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande dient de verdachte op grond van artikel 318 Syrisch Wetboek van Strafvordering te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 40.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].</p>\n<p class=\"lf-p\">22Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 36f, 47, 48, 55, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1 , 2 (oud), 4 en 8 van de Wet internationale misdrijven, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.</p>\n<p class=\"lf-p\">23BESLISSING Het hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4, 5 en 6 tenlastegelegde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4, 5 en 6 tenlastegelegde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de dagvaarding wat betreft het onder 7 tenlastegelegde partieel nietig, zoals hiervoor overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 7 tenlastegelegde heeft begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 en 7 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer]ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 40.000,00 (veertigduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 40.000,00 (veertigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 235 (tweehonderdvijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door mr. D.M. Thierry, als voorzitter, mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. W.S. Korteling, leden, in bijzijn van de griffiers mr. T.A. van den Berg en mr. R. de Geus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 augustus 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8 lid 2 onder f, tweede zin, Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (verder: Statuut van Rome).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8 lid 2 onder f, eerste zin, Statuut van Rome.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC, Prosecutor v. Lubanga, Case No. ICC-01/04-01/06, Trial Judgment, 14 March 2012, paras. 534-538.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC, Prosecutor v. Al-Hassan, Case No. ICC-01/12-01/18, Trial Judgment, 26 June 2024, (ICC Al-Hassan Trial Judgment), para. 1079.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, paras. 1079 en 1267.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC, Prosecutor v. Ongwen, Case No. ICC-02/04-01/15, Trial Judgment, 4 February 2021, para. 2685.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC Al-Hassan Trial Judgment, para. 1256.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, para. 429, fn. 1051.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 4 lid 1 en lid 2 van de WIM gehanteerde definitie is overgenomen van artikel 7 Statuut van Rome. In de Elementen van Misdrijven aangenomen met het oog om het Internationaal Strafhof te assisteren bij de uitleg en toepassing van het Statuut van Rome (artikel 21 Statuut van Rome), wordt artikel 7 nader toegelicht. Het hof zal derhalve de Elementen van Misdrijven ook gebruiken voor een verdere duiding van artikel 4 WIM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, pp. 40-41.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICTY, Prosecutor v. Kunarac et al., Case No. IT-96-23-T&amp;IT-96-23/1-T, Trial Judgment, 22 February 2001, (“ICTY Kunarac et al. Trial Judgment”), para. 416.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elementen van Misdrijven, artikel 7.3 en voetnoot 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICTY, Prosecutor v. D. Tadić, Case No. IT-94-1-T, Trial Judgment, 7 May 1997, paras. 638 en 644.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICTY, Prosecutor v. Kunarac et al., Case No. IT-96-23&amp; IT-96-23/1-A, Appeal Judgment, 12 June 2002, (“ICTY Kunarac et al. Appeal Judgment”), para. 86.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICTR, Prosecutor v. Semanza, Case No. ICTR-97-20-T, Trial Judgment, 15 May 2003, ( “ICTR Semanza Trial Judgment”), para. 326.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art 7 lid 3 Elementen van Misdrijven formuleert het als volgt: “It is understood that “policy to commit such attack” requires that the State or organization actively promote or encourage such an attack against a civilian population. Such a policy may, in exceptional circumstances, be implemented by a deliberate failure to take action, which is consciously aimed at encouraging such attack.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 30 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1082 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2015:1082), para. 11.3.2.3.1.1.1.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 41. Zie ook ICTY Kunarac et al. Appeal Judgment, paras. 94 en 96.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de oorspronkelijke Franse versie van het ICTR Statuut waren deze vereisten cumulatief geformuleerd: “…dans le cadre d’une attaque généralisée et systématique…” Aangezien internationaal gewoonterecht slechts vereist dat de aanval wijdverbreid of systematisch is, oordeelde de Trial Chamber in de Akayezu-zaak dat het een vertaalfout betrof. Zie: ICTR, Prosecutor v. Akayezu, Case No. ICTR-96-4-T, Trial Judgment, 2 September 1998, para. 579, voetnoot 144.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICTY Kunarac et al. Appeal Judgment, para. 90.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICTY Kunarac et al. Appeal Judgment, para. 100; ICTY Kunarac et al. Trial Judgment, para. 418-419.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICTR Semanza Trial Judgment, para. 326.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC, Prosecutor v. Ongwen, Case No. ICC-02/04-01/15, Trial Judgement, 4 February 2021, para. 2688.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICTY Kunarac et al. Appeal Judgment, para. 102. Zie ook: ICTY, Prosecutor v. Šainović et al., Case No. IT-05-87-A, Appeal Judgment, 23 January 2014, , paras. 267-271.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 5-6 onder verwijzing naar artikel 7 lid 2 van de Elementen van Misdrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie artikel 7 lid 2 waarin verder wordt opgemerkt dat het voldoende is “the perpetrator intended to further such an attack.”</p>\n<p class=\"lf-p\">ICTY Kunarac et al. Appeal Judgment, para. 103.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC, Prosecutor v. Katanga, Case No. ICC-01/04-01/07, Trial Judgment, 7 March 2014, para. 1125.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de evenknie artikel 7 lid 1(e) Statuut van Rome.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICTY, Prosecutor v. Prlić et al., Case No. IT-04-74-A, Appeal Judgment, 27 November 2017, para. 473.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC, Situation in the Republic of Burundi, Case No. ICC-01/17-X-9-US-Exp, Decision Pursuant to Article 15 of the Rome Statute on the Authorization of an Investigation into the Situation in the Republic of Burundi , Pre-Trial Chamber, 25 October 2017, 9 November 2017, para. 68.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: ICTY, Prosecutor v. Kordić &amp; Čerkez, Case No. IT-95-14/2, Trial Judgment, 26 February 2001, para. 300, voetnoot 420. In de Kamerstukken bij de WIM wordt gewezen op het voorkomen van een te restrictieve interpretatie. Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC, Prosecutor v. Yekatom &amp; Ngaïssona, Case No. ICC-01/14-01/18, Trial Judgment, 24 July 2025, (ICC Yekatom &amp; Ngaïssona Trial Judgment), para. 3835.</p>\n<p class=\"lf-p\">SPSC, Prosecutor v. Mesquita, Trial Judgement, 28/2003 , 6 December 2004, para. 88.</p>\n<p class=\"lf-p\">SPSC, Prosecutor v. Barros, Case No. 1/2004, Trial Judgement, 12 May 2005, paras. 152-3 SPSC, Prosecutor v. Cardoso, Case No. 4c/2001, Trial Judgment, 5 April 2003, para. 359.</p>\n<p class=\"lf-p\">SPSC, Prosecutor v. Tacaqui, Trial Judgement, 20/2001, 9 December 2004, p. 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ICC Yekatom &amp; Ngaïssona Trial Judgment, para. 3835 waarin wordt overwogen: “The duration or brevity of detention does not, as such, determine whether a deprivation of physical liberty is severe.”</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC, Prosecutor v. Yekatom &amp; Ngaïssona, Case No. ICC-01/14-01/18, Decision on the Confirmation of Charges of 11 December 2019, Pre-Trial Chamber, 28 June 2021 para. 119. Zie in deze zin ook: Carsten Stahn, Commentary on the Rome Statute, Article 7, para. 68; Kai Ambos, Treatise on International Criminal Law: Volume II, The Crimes and Sentencing, Oxford University Press, second edition: 2022, p. 97.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband: SPSC, Prosecutor v. Mesquita, Case No. 28/2003, Trial Judgement, 6 December 2004, para. 88.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC Yekatom &amp; Ngaïssona Trial Judgment, para. 3835.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 42. De Arabische Republiek Syrië is zowel lid van het IVBPR als van het Arabisch Handvest voor de Mensenrechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICJ, ‘Legality of the Threat or Use of Nuclear Weapons’, AO, 1996, para. 25; ICJ, ‘Legal Consequences of the Construction of a Wall in the Occupied Palestinian Territory’, AO, 2004, para. 106.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 42. Het moet gaan om “onrechtmatige vormen” van vrijheidsbeneming of andere ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid. Zie in deze zin ook: Gerechtshof Den Haag 30 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1082, para. 11.3.2.3.1.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de artikelen 147 Vierde Geneefse Conventie, 75 en 85(4)(e) Aanvullend Protocol I, en 5 en 6 Aanvullend Protocol II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ICC Yekatom &amp; Ngaïssona Trial Judgment, para. 3834.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC Yekatom &amp; Ngaïssona Trial Judgment, para. 3836.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC, Prosecutor v. Bemba, Case No. ICC-01/05-01/08, Decision Pursuant to Article 61(7)(a) and (b) of the Rome Statute on the Charges of the Prosecutor Against Jean-Pierre Bemba Gombo, Pre-Trial Chamber, 15 June 2009, (ICC Bemba Decision on the Confirmation of the Charges), para. 193.</p>\n<p class=\"lf-p\">KSC, Prosecutor v. Salih Mustafa, Case No. KSC-BC-2020-05, Trial Judgment, 16 December 2022, (KSC Mustafa Trial Judgment), para. 668 KSC Mustafa Trial Judgment, para. 669.</p>\n<p class=\"lf-p\">KSC Mustafa Trial Judgment, paras. 670 en 671 voor additionele vormen van marteling.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC Bemba Decision on the Confirmation of the Charges, para. 194. Zie ook: ICTY, Prosecutor v. Kvočka et al., Case No. IT-98-30/1-A, Appeal Judgment, 28 February 2005, para. 308.</p>\n<p class=\"lf-p\">Carsten Stahn in Kai Ambos (eds), Rome Statute of the International Criminal Court: Article-by-Article Commentary, fourth edition: 2022, Art. 7, para. 238.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Report by the UN Special Rapporteur on Torture, P. Kooijmans, UN Doc. E/CN.4/1988/17, 12 January 1988, para. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, pp. 7 en 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, pp. 47-48.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafmaat is gewijzigd in 2018. Zie Stb. 2018, 228 inwerkingtreding 19 september 2018. De maximale gevangenisstraf is toen verhoogd van 20 naar 30 jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin: Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2444 (hoofdstuk 16, nr. 22) met betrekking tot de Uitvoeringswet Foltering die per 1 oktober 2001 door de WIM is vervangen maar in dit opzicht geen gewijzigde ratio van de strafbaarstelling met zich bracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:1995:ZD0179, rov. 6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2017:2390, rov. 3.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voorts ook het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curacao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in de in de vorige noot genoemde zaak. Voorop werd gesteld dat diende te worden vastgesteld met welke intentie of bedoeling de verdachte de feitelijke handelingen hadden verricht (rov. 3.2.2). De Hoge Raad oordeelde dat deze vooropstelling geen blijk gaf van een onjuiste uitleg van het begrip oogmerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst naar: International, impartial and independent Mechanism, Brief on the Commencement of the Initial Non-International Armed Conflict in Syria, September 2020, paragrafen 48-51 en 53-57 waarin nader wordt ingegaan op de intensiteit van de gewapende strijd en de mate van organisatie van het Vrije Syrisch Leger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontleend aan de ter terechtzitting van het hof van 16 december 2024 gevoegde documenten van het ‘International, Impartial and Independent Mechanism to Assist in the Investigation and Prosecution of Persons Responsible for the Most Serious Crimes under International Law Committed in the Syrian Arab Republic since March 2011’. In het proces-verbaal van het Team Internationale Misdrijven van de politie d.d. 25 april 2022 op blz. 24 wordt daarnaar verwezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Report of the independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic van de Verenigde Naties, 22 november 2011. nr A/HRC/S-17/2/Add, geraadpleegd via: https://www.ohchr.org/sites/default/files/Documents/Countries/SY/A.HRC.S-17.2.Add.1_en.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Report of the independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic van de Verenigde Naties, 22 februari 2012, nr. A/HRC/19/69, geraadpleegd via https://www.ohchr.org/sites/default/files/Documents/HRBodies/HRCouncil/RegularSession/Session19/A-HRC-19-69_en.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Report of the Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic van de Verenigde Naties, 15 augustus 2019, nr. A/HRC/42/51, geraadpleegd via: https://documents.un.org/doc/undoc/gen/g19/243/69/pdf/g1924369.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer, vergaderjaar 2001–2002, 28 337, nr. 3, p. 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer, vergaderjaar 2001–2002, 28 337, nr. 3, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens niet in geschil tussen partijen. Zie ook Rechtbank Den Haag, 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365 rov. 7.9 vanaf een deel van de in die zaak ten laste gelegde periode - juli 2012 tot en met 31 oktober 2014 - met betrekking tot in het bijzonder ISIL/IS en Jabhat al-Nusra. Zie ook Gerechtshof Den Haag 16 januari 2021 ECLI:NL:GHDHA:2021:103 met betrekking tot in het bijzonder IS en Jabhat al-Nusra.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin ook: Higher Regional Court of Koblenz, Case No. 1 StE 3/21, 3 BJs 9/19-4, Judgment, 24 februari 2021, geraadpleegd via https://www.internationalcrimesdatabase.org/Case/3324/Eyad-Al-Gharib/.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Gerechtshof Den Haag 8 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:973 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2022:973), p. 76-78 betrof het ten laste gelegde feiten van voor de inwerkingtreding van artikel 6 WIM. De vraag naar het limitatieve karakter van voornoemde bepalingen speelde derhalve (nog) geen rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, MvT, nr. 3, p. 11 en p. 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, MvT, nr. 3, p. 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC, Prosecutor v. Abd-Al-Rahman (Kushayb), Case No. ICC-02/05-01/20, Decision on the Confirmation of Charges Against Ali Muhammad Ali Abd-Al-Rahman (‘Ali Kushayb’), Pre-Trial Chamber, 9 July 2021, para. 76.</p>\n<p class=\"lf-p\">UN Report of the Working Group on Arbitrary Detention, Doc. No. E/CN.4/1998/44, 19 December 1997, Annex I: Revised Methods of Work, para. 8 ICTY, Prosecutor v. D. Tadić, Case No. IT-94-1-A, Judgment, Appeals Chamber, 15 July 1999, para. 272.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer, vergaderjaar 2001–2002, 28 337, nr. 3, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 30 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1082.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin ook: Higher Regional Court of Koblenz, Case No. 1 StE 3/21, 3 BJs 9/19-4, Judgment, 24 februari 2021, geraadpleegd via https://www.internationalcrimesdatabase.org/Case/3324/Eyad-Al-Gharib/.</p>\n<p class=\"lf-p\">UN Human Rights Committee, Doc No. CCPR/C/GC/35, General Comment 35 International Covenant on Civil and Political Rights, Article 9 (liberty and security of person), 16 December 2014, para. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie artikel 49 lid 1 Sr. Artikel 49 lid 2 Sr brengt de maximale straf voor misdrijven bedreigd met een levenslange gevangenisstraf terug naar 20 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 173 Syrisch Burgerlijk wetboek 1- De vordering tot schadevergoeding die voortvloeit uit de onrechtmatige daad verjaart krachtens de verjaringswet na drie jaar vanaf de dag waarop de gelaedeerde kennis heeft gekregen van het ontstaan van de schade en de persoon die ervoor verantwoordelijk is, en deze vordering verjaart in elk geval na vijftien jaar vanaf de dag waarop de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2- Echter, indien deze rechtsvordering voortvloeit uit een strafbaar feit en de strafzaak niet is geseponeerd na het verstrijken van de in het vorige lid genoemde termijn, dan eindigt de vordering tot schadevergoeding pas met de beëindiging van de strafzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundigenbericht ICJ (Nederlandse vertaling), p. 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 223 Syrisch Burgerlijk Wetboek luidt voor zover relevant:</p>\n<p class=\"lf-p\">1- Schadevergoeding omvat ook immateriële schade. (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 171 Syrisch Burgerlijk Wetboek luidt als volgt: De rechter stelt de omvang van de vergoeding van de schade van de benadeelde vast overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 222 en 223, rekening houdend met de omstandigheden en zonder beperking.(…).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundigenbericht IJI (Nederlandse vertaling), p. 39 en p. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 172 Syrisch Burgerlijk Wetboek luidt als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">1- De rechter bepaalt de wijze van schadevergoeding afhankelijk van de omstandigheden. Het is mogelijk dat de schadevergoeding in termijnen wordt uitgekeerd en het mag ook een looninkomen zijn. In deze gevallen kan de schuldenaar verplicht worden om in een verzekering te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">2- De schadevergoeding wordt begroot in een geldbedrag. De rechter kan echter, afhankelijk van de omstandigheden en op verzoek van de benadeelde, bevelen om de situatie zoals die was te herstellen, of om een bepaalde opdracht in verband met de onwettige handeling uit te voeren, als schadeloosstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 170 Syrisch Burgerlijk Wetboek luidt als volgt: Indien er meerdere verantwoordelijken zijn voor een schadelijke handeling, dan zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichting tot schadevergoeding. De verantwoordelijkheid onder hen is gelijk, tenzij de rechter het aandeel van elk van hen in de compensatie vaststelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 318 Syrisch Wetboek van Strafvordering luidt als volgt: De veroordeelde wordt veroordeeld in de honoraria en proceskosten die verschuldigd zijn aan de staat en aan de burgerlijke partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de brief d.d. 20 mei 2025 met bijlage gevoegd ter terechtzitting van het hof van 26 mei 2025.</p></div>", "next": 0}