{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Nu belanghebbende niet met vrucht een beroep op het Unierecht kan doen, behoeft haar beroep op de Unierechtelijke effectiviteits-, proportionaliteits- en rechtszekerheidsbeginselen (geschilpunt e) geen behandeling, aangezien deze beginselen slechts een rol spelen bij de uitvoering van Unierecht. Hetzelfde geldt overigens voor de eventuele toepassing van het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel, waarover de Inspecteur in zijn pleitnota voor het Hof onder verwijzing naar het arrest van het HvJ van 8 mei 2019, Związek, C-566/17, ECLI:EU:C:2019:390, BNB 2019/159, punt 41 heeft geopperd dat het voorgaat op het nationale vertrouwensbeginsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Non-discriminatiebepaling Verdrag 1980 (geschilpunt g) 5.39.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende heeft betoogd dat de weigering om teruggaaf van dividendbelasting in strijd komt met artikel 23, lid 4, van het Verdrag 1980, omdat de participanten van belanghebbende – te weten de polishouders en pensioengerechtigden – woonachtig dan wel gevestigd zijn in het Verenigd Koninkrijk. Door de weigering ontstaat een verboden verschil in belastingheffing met het geval van een Nederlands pensioenfonds of Nederlandse verzekeraar met in Nederland wonende gerechtigden en deelnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.39.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Inspecteur heeft dit bestreden en in dat verband naar voren gebracht dat de polishouders en pensioengerechtigden niet het kapitaal van belanghebbende beheersen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.39.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de Rechtbank terecht heeft geoordeeld, is de opvatting van de Inspecteur juist. Artikel 23, lid 4, van het Verdrag 1980 beschermt ondernemingen van een verdragsluitende staat, waarvan het kapitaal geheel of ten dele, onmiddellijk of middellijk, in het bezit is van of wordt beheerst door een of meer inwoners van de andere verdragsluitende staat. Het kapitaal van belanghebbende wordt evenwel niet beheerst door de polishouders en pensioengerechtigden (die overigens net als zijzelf in het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd), maar door een andere eveneens in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap (zie onder 2.1). De ingeroepen bepaling ziet dus niet op haar geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anticiperende werking Verdrag 2008 (geschilpunt h) 5.40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbendes betoog dat de bepalingen van het Verdrag 2008 op grond van artikel 18 van het Verdrag van Wenen anticiperende werking hebben, in die zin dat Nederland vanaf de ondertekening van het Verdrag 2008 op 26 september 2008 de voordelen daarvan aan haar diende toe te kennen, zoals voor de jaren vanaf 2011 ook is gebeurd, – een betoog dat door de Inspecteur terecht wordt bestreden – faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 18, aanhef en letter a, van het Verdrag van Wenen bepaalt (voor zover thans van belang) dat indien een Staat een verdrag heeft ondertekend, hij zich moet onthouden van handelingen die het verdrag zijn voorwerp en zijn doel zouden ontnemen, totdat hij zijn bedoeling geen partij te willen worden bij het verdrag kenbaar heeft gemaakt. Uit de tekst van deze bepaling kan echter niet worden opgemaakt dat een verdrag moet worden toegepast met betrekking tot rechtshandelingen die zijn verricht vóór het tijdstip waarop het verdrag van toepassing werd. Die tekst schrijft niet méér voor dan dat verdragsluitende staten in de periode vanaf de ondertekening van een verdrag afzien van handelingen die de verdragsafspraken bij voorbaat betekenisloos zouden maken, en is kennelijk een aspect van de in de preambule van het Verdrag van Wenen vermelde goede trouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee komt niet in strijd het weigeren van teruggaaf van dividendbelasting in overeenstemming met een voordien geldend verdrag, waarvan de werking naar de uitdrukkelijke bedoeling van de verdragsluitende staten voortduurt tot de inwerkingtreding van het nieuwe verdrag. Die weigering hindert immers op generlei wijze de latere toekenning van voordelen onder het nieuwe verdrag. In dit verband wordt verwezen naar de in 1966 door de International Law Commission (een orgaan van de Verenigde Naties) aangenomen ‘Draft Articles on the Law of Treaties’ en het daarbij gevoegde commentaar, waarin over het met artikel 18 van het Verdrag van Wenen vergelijkbare artikel 15 staat opgenomen: “That an obligation of good faith to refrain from acts calculated to frustrate the object of the treaty attaches to a State which has signed a treaty subject to ratification appears to be generally accepted.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Yearbook of the International Law Commission 2007, vol. II/2, p. 33 wordt nog het volgende vermeld: “It is unanimously accepted that article 18, paragraph (a), of the Vienna Convention does not oblige a signatory State to respect the treaty, but merely to refrain from rendering the treaty inoperative prior to its expression of consent to be bound”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De andersluidende uitleg bepleit door belanghebbende verhoudt zich ten slotte slecht met de bepalingen in de artikelen 24, 25 en 28 van het Verdrag van Wenen omtrent de inwerkingtreding en (voorlopige) toepassing van verdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 5.41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het voorgaande volgt dat de geschilpunten a tot en met h in het nadeel van belanghebbende dienen te worden beslist, zodat zij geen recht heeft op de door haar in hoger beroep bepleite teruggaven. Het geschilpunt met betrekking tot de over die teruggaven gevorderde rentevergoeding (geschilpunt j) behoeft derhalve geen behandeling. De vraag of het hoger beroep ontvankelijk is voor zover daarin door belanghebbende dividendbelasting wordt teruggevraagd ter zake van dividenduitkeringen die niet zijn opgenomen in de onder 1.1 vermelde verzoeken om teruggaaf, behoeft alsdan om redenen van proceseconomie evenmin beoordeling meer (zie bijvoorbeeld HR 20 april 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3803, BNB 1988/177, onderdeel 4 en HR 19 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4634, BNB 1991/245, r.o. 4.2). Het hoger beroep is ongegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proceskosten 6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het verzoek om een vergoeding van de werkelijke proceskosten omdat de Inspecteur niet (althans te laat) heeft voldaan aan zijn verplichting om op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen (geschilpunt i), wordt niet tegemoet gekomen, aangezien die klacht over de op de zaak betrekking hebbende stukken niet slaagt (zie r.o. 5.5.1 tot en met 5.8.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, P.J.J. Vonk en R.P.C.W.M. Brandsma, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik.</p>\n<p class=\"lf-p\">De griffier, de voorzitter, A.S.H.M. Strik C. Maas De beslissing is op 11 december 2025 in het openbaar uitgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</p>\n<p class=\"lf-p\">2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, ondertekend op 7 november 1980.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, ondertekend op 26 september 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit Staatssecretaris van Financiën van 22 december 2016, nr. 2016-0000232006, Stcrt. 2016, 70610.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Vgl. HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1610, rechtsoverweging 2.4.2, tweede volzin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie Kamerstukken II 1962/63, 6000, nr. 11, blz. 2-3, en Kamerstukken I 2001/02, 27 896 en 28 246, nr. 117b, blz. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie Kamerstukken II 2000/2001, 27 896, nr. 3, blz. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Vgl. HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1610, rechtsoverweging 2.4.2, derde volzin.</p></div>", "next": 0}