{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 15.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] 20Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57, 96, 140a, 157, 176a, 176b, 255, 288a en 289a van het Wetboek van Strafrecht en artikel 4 van de Wet internationale misdrijven, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.</p>\n<p class=\"lf-p\">21BESLISSING Het hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 71-256885-24 tenlastegelegde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 71-256885-24 tenlastegelegde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het onder 4 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging voor zover dat ziet op de zinsnede “in een hulpeloze toestand gebracht”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 71-283722-22 onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart het in de zaak met parketnummer 71-283722-22 onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 71-283722-22 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.000,00 (vijftienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 71-283722-22 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.000,00 (vijftienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 100 (honderd) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door, mr. M.A.J. van de Kar als voorzitter, mr. L.C. van Walree en mr. F.W. Pieters, leden, in bijzijn van de griffiers mr. T.A. van den Berg en mr. R. de Geus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 maart 2026.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 1 Zaak met parketnummer 71-283722-22:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.zij, verdachte, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 1 december 2015 te Raqqa, althans in één of meer plaats(en) in Syrië en/of Irak, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan slavernij, zoals bedoeld in artikel 4, lid 2 onder b van de Wet Internationale Misdrijven, gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht door de Islamitische Staat (IS) tegen een burgerbevolking, te weten de Jezidi bevolking in de Iraakse regio Sinjar, althans in één of meer plaats(en) in Irak en/of Syrië, met kennis van de aanval, hebbende verdachte en/of haar medeverdachte(n) toen en daar in haar en/of medeverdachte’s woning en/of daarbuiten een (Jezidi) vrouw, genaamd [slachtoffer 1] , (gedurende vele uren per dag) schoonmaakwerk en/of huishoudelijk werk laten verrichten en/of eten laten bereiden en/of voor de zoon van verdachte zorg laten dragen, terwijl dit gedwongen arbeid betrof;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 16 februari 2015 tot en met 2 november 2022 in één of meer plaats(en) in Syrië en/of Irak, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie(s) tot oogmerk had(den) en/of heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten, A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a Wetboek van Strafrecht) en/of B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie);</p>\n<p class=\"lf-p\">3.zij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 2 november 2022, in één of meerdere plaats(en) in Nederland en/of Syrië en/of Irak meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om (een) misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 83 en/of 157 en/of 176a en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en/of te bevorderen, 1. een ander heeft getracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of 2. gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich en/of anderen heeft getracht te verschaffen, en/of 3. een of meer voorwerpen, voorhanden heeft gehad waarvan zij, verdachte, wist dat deze bestemd waren tot het plegen van het misdrijf, door, A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door terroristische organisaties zoals Islamitische Staat (IS) eigen te maken en/of B. zich te laten informeren over het afreizen naar en/of verblijven in het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of C. de reis naar Syrië en/of Irak te maken teneinde zich te begeven naar het strijdgebied, althans naar een, door een terroristische organisatie zoals IS gecontroleerd gebied en/of gedurende enige tijd te verblijven in het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of D. zich te voegen bij een of meer IS-strijder(s) althans perso(o)n(en) gelieerd aan (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan en/of (op Islamitische wijze) een huwelijk aan te gaan met deze IS-strijder(s) en/of een gezamenlijk huishouding te voeren met een of meer person(en) die (eveneens) deelnam(en) aan IS, althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en/of E. met één of meer mededader(s) in Syrië en/of Irak deel te nemen en/of bij te dragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de terroristische organisatie IS, althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan en/of F. zich (middels internet/social media(kanalen)/mediaplatform(s)) te uiten en/of met (een) andere(n) te chatten/communiceren en/of berichten en/of afbeeldingen te plaatsen en/of te delen, met betrekking tot en/of inhoudende (onder meer) (gewelddadig) jihadistisch getinte en/of (pro)IS-gerelateerde content/propaganda en/of G. in Syrië en/of Irak (een of meer) (automatisch(e)) vuurwapen(s) te gebruiken en/of te dragen en/of voorhanden te hebben,</div>\n<p class=\"lf-p\">in welke gewapende Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.zij in de periode van 16 februari 2015 tot en met 2 november 2022 in Syrië en/of Irak, opzettelijk haar minderjarige kind genaamd [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] , tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging zij als ouder van [minderjarige] krachtens de wet verplicht was, in een hulpeloze toestand gebracht en/of in een hulpeloze toestand heeft gelaten, door, terwijl zij wist dat [minderjarige] gedurende bovengenoemde periode (mede gelet op de minderjarigheid) zichzelf niet kon verweren en/of beschermen en/of in een veilige situatie kon brengen, met die [minderjarige] naar Syrië en/of Irak te reizen en/of die [minderjarige] mee te nemen naar en/of langdurig te laten verblijven in één of meer plaats(en) en/of gebied(en) waar gewapende conflicten aan de gang waren en/of oorlogsgeweld heerste en/of (in de nabijheid van die [naam kind]) één of meer vuurwapens voor handen te hebben en/of (daarbij) die [minderjarige] (telkens) bloot te stellen aan en/of in een situatie te brengen van gevaren en/of de (rechtstreekse) gevolgen van gewapende conflicten en/of oorlogsgeweld (zoals bombardementen en/of beschietingen en/of dreiging van geweld door personen) en/of (daarmee) (telkens) het leven en/of de psychische en lichamelijke gezondheid en/of welzijn van die [minderjarige] in gevaar te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Gerechtshof Den Haag, 13 juni 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1052 en Gerechtshof Den Haag, 20 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2570.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 9 Statuut van Rome.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de evenknie: artikel 7 lid 1 sub c Statuut van Rome.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7 lid 1 sub c onder 1 ICC Elementen van Misdrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 van het Aanvullend Verdrag inzake de afschaffing van de slavernij, de slavenhandel en met slavernij gelijk te stellen instellingen en praktijken uit 1956 verbiedt met slavernij gelijk te stellen praktijken en instellingen zoals pandelingschap, lijfeigenschap, gedwongen uithuwelijking van een vrouw tegen betaling, de overdracht van een vrouw door haar echtgenoot of familie aan een ander tegen betaling, overerving van een vrouw na de dood van haar echtgenoot aan een ander, of overdracht van een kind jonger dan 18 jaar door hun ouders of voogden voor uitbuiting of arbeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3 sub a van het Protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, definieert “mensenhandel” als “het werven, vervoeren, overbrengen van en het bieden van onderdak aan of het opnemen van personen, door dreiging met of gebruik van geweld of andere vormen van dwang, ontvoering, bedrog, misleiding, machtsmisbruik of misbruik van een kwetsbare positie of het verstrekken of in ontvangst nemen van betalingen of voordelen teneinde de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap heeft over een andere persoon, ten behoeve van uitbuiting. Uitbuiting omvat mede: ten minste de uitbuiting van prostitutie van anderen of andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen arbeid of diensten, slavernij of praktijken die vergelijkbaar zijn met slavernij, onderworpenheid of de verwijdering van organen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC Office of the Prosecutor, Special Rapporteur Patricia Viseur Sellers, Policy on Slavery Crimes, December 2024, available at: https://www.icc-cpi.int/sites/default/files/2024-12/policy-slavery-web-eng.pdf, para. 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC, Prosecutor v. Ongwen, Case No. ICC-02/04-01/15, Trial Judgment, 4 February 2021, (“ICC Ongwen Trial Judgment”), para. 2712. Zie ook: ICTY, Prosecutor v. Kunarac et al., Case No. IT-96-23-T&amp;IT-96-23/1-T, Trial Judgment, 22 February 2001, (“ICTY Kunarac et al. Trial Judgment”), paras. 542-543.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC Ongwen Trial Judgment, para. 2713.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2 lid 1 van het Verdrag betreffende den gedwongen of verplichten arbeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICTY, Prosecutor v. Kunarac et al., Case No. IT-96-23&amp; IT-96-23/1-A, Appeal Judgment, 12 June 2002, (“ICTY Kunarac et al. Appeal Judgment”), para. 120.</p>\n<p class=\"lf-p\">IMT, judgment of 1 October 1946, in The Trial of German Major War Criminals. Proceedings of the International Military Tribunal sitting at Nuremberg, Germany, Part 22 (22nd August ,1946 to 1st October, 1946), p. 528. Zie ook: ICTY Kunarac et al. Trial Judgment, para. 523, citing: Trial of Major War Criminals Before the International Military Tribunal, Nuremberg, 14 November 1945 – 1 October 1946, Vol 3 (1947), Proceedings, 1 December 1945 – 14 Dec 1945, pp. 451-452 en ICC Ongwen Trial Judgment, paras. 2082 and 3053.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC Ongwen Trial Judgment, para. 2713.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICTY Kunarac et al. Trial Judgment, para. 542.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC Office of the Prosecutor, Special Advisor Patricia Viseur Sellers, “Policy on Slavery Crimes,” December 2024, para. 65.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICTY, Kunarac et al. Appeal Judgment, para. 121; ICC Ongwen Trial Judgment, para. 2714.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICTY, Kunarac et al. Appeal Judgment, para. 122.</p>\n<p class=\"lf-p\">ICC, Prosecutor v. Katanga, Case No. ICC-01/04-01/07, Trial Judgment, 7 March 2014, para. 1119.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Gerechtshof Den Haag, 13 juni 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1052 en Gerechtshof Den Haag, 20 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2570.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7 lid 2 ICC Elementen van Misdrijven formuleert het als volgt: “The last two elements for each crime against humanity describe the context in which the conduct must take place. These elements clarify the requisite participation in and knowledge of a widespread or systematic attack against a civilian population. However, the last element should not be interpreted as requiring proof that the perpetrator had knowledge of all characteristics of the attack or the precise details of the plan or policy of the State or organization. […]”</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 27 augustus 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1715.</p>\n<p class=\"lf-p\">IJI rapport, p 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">IJI rapport, p. 29-30.</p>\n<p class=\"lf-p\">IJI rapport, p. 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit 04/2022 van de Algemene Kamer van het Hof van Cassatie (2022 - 2023), bijlage bij aanvullende brief Riad.</p>\n<p class=\"lf-p\">IJI rapport p. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem.</p>\n<p class=\"lf-p\">IJI p. 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Riad, p. 40 (‘estimate’), in het Nederlands vertaald met schatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">IJI rapport, p. 40.</p></div>", "next": 0}