{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>deze J.M. (aldus) in een situatie heeft gebracht waarin zij langdurig (meerdere uren) voor haar leven en/of het leven van haar zoon F. heeft moeten vrezen en (ernstig) in het openbaar werd vernederd en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>deze B. (aldus) in een situatie heeft gebracht waarin hij langdurig (meerdere uren) voor het leven van zijn vrouw/partner en het leven van zijn zoon F. heeft moeten vrezen en (ernstig) in het openbaar werd vernederd Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">14.</span>Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.</div>\n<p class=\"lf-p\">In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">15.</span>Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen inzake de vastgestelde feiten en omstandigheden 15.1 Feit 1 (Ambulance) De volgende (slachtoffer)getuigen hebben in hun door het hof voor het bewijs gebezigde verklaringen de verdachte aangewezen als één van de daders van de tenlastegelegde moord op de inzittenden van de ambulance op 13 april 1994 in Mugonero in Rwanda.</div>\n<p class=\"lf-p\">J.N.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige J.N. heeft verklaringen afgelegd bij de Nationale Recherche op respectievelijk 31 juli 2006 en (telefonisch) 24 november 2006, alsmede tegenover de rechter-commissaris op 13 november 2006. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard bij zijn eerdere verklaringen te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die verklaringen komen in de kern, kort gezegd, neer op het volgende. Als chauffeur van de ambulance van het Centre de Santé in Kibingo, niet ver van Mugonero, heeft hij een aantal Tutsi's vervoerd die hij kende omdat zij daar verbleven. Doel was die inzittenden in veiligheid te brengen voor de aanvallen die er op Tutsi's plaatsvonden. De getuige noemt de namen van de moeders D., de vrouw van G.M., en B., de vrouw van A.M. en zegt dat zij werden vergezeld door hun kleine kinderen. Verder verklaart hij over een - naar hij zegt - ongeveer 7-jarig meisje uit Kilimbi, dochter van G. en nichtje van een non, genaamd L.A. Bij de slagboom in Mugonero moest de ambulance stoppen, waren er militairen die riepen dat hij Inkotanyi vervoerde en dat de kakkerlakken moesten worden afgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze wezenlijke onderdelen heeft de getuige steeds consistent verklaard en vindt zijn verklaring voldoende steun in andere door het hof voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen. Het hof acht zijn verklaring over de gebeurtenissen op 13 april 1994, ondanks het grote tijdsverloop, betrouwbaar. Van enige bijzondere omstandigheid waarom dat anders zou moeten zijn is het hof niet gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.U.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat met de omschrijving door de getuige J.N. van het 7-jarig meisje uit Kilimbi slechts de getuige B.U. kan zijn bedoeld: zij was toen weliswaar bijna 12 jaar oud, maar heeft zelf verklaard over de gebeurtenissen met de ambulance en zij verklaart tot de inzittenden te hebben behoord. De getuige B.U. is tweemaal verhoord. De eerste keer door de Nationale Recherche op 10 november 2006 en daarna, op 24 januari 2010, door de rechter-commissaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige noemt ook de namen van D. en B. met hun kleine kinderen, die zij kende, en ook de naam van de chauffeur, die zij ook kende. Zij is bovendien de dochter van G. en zij heeft een tante, een non, genaamd L.A. aan wie zij het hele verhaal later heeft verteld (de de auditu verklaring van deze L.A. heeft het hof als steunbewijs eveneens opgenomen in de bewijsmiddelen, nu het hof niet gebleken is van enige aanleiding om aan de betrouwbaarheid van die verklaring te twijfelen).</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaringen die door de getuige B.U. zijn afgelegd acht het hof consistent. De getuige B.U. ondersteunt de verklaring van de chauffeur ten aanzien van plaats en tijdstip van de gebeurtenissen, van de inzittenden en van de gang van zaken bij de slagboom in Mugonero. Zij heeft gezien dat D. en haar kinderen daar doodgeslagen zijn. Zelf is zij ontkomen. Dat er inzittenden van de ambulance daar zijn gedood wordt door andere door het hof voor het bewijs gebezigde getuigen bevestigd terwijl er ook twee getuigen zijn die verklaren dat zij daar de lijken hebben begraven \"op de veemarkt\" (de hierna te bespreken getuigen Y.H. en D. N.).</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige is stellig over de rol van de verdachte: zij acht hem (mede) verantwoordelijk voor het lot van de inzittenden van de ambulance: hij heeft gezegd hen te vermoorden en geen pardon gegeven. Ook verklaart zij dat zij hem heeft gezien bij het vermoorden van de inzittenden. Het hof heeft er zich rekenschap van gegeven dat op dat punt - zoals ook de verdediging heeft betoogd - onvoldoende duidelijk is geworden in hoeverre de \"herkenning\" van de verdachte door de getuige betrouwbaar is, met name gelet op de omstandigheid dat de getuige de verdachte niet eerder kende en zijn naam aan haar bekend is geworden \"van horen zeggen\". Voorts is onduidelijk gebleven wanneer zij de verdachte heeft geïdentificeerd en onder welke omstandigheden. Nu evenwel haar verklaring over de rol van de verdachte door een aantal andere door het hof voor het bewijs gebezigde getuigen wordt ondersteund acht het hof ook die onderdelen van de verklaring van deze getuige, als steunbewijs, voldoende betrouwbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft zich er voorts rekenschap van gegeven dat de getuige nog geen 12 jaar oud was in april 1994. Ook hier heeft het hof evenwel geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geacht op grond waarvan de herinnering aan de feiten als onvoldoende accuraat zou moeten worden beoordeeld, terwijl er geen reden is om a priori in de jonge leeftijd van bijna 12 jaar aanleiding te zien de verklaring buiten beschouwing te laten. Het hof gebruikt dan ook die onderdelen van haar verklaring, die ook steun vinden in andere bewijsmiddelen, voor het bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Y.H.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige Y.H., een Hutu, is op 29 juli 2006 en op 9 augustus 2006 door de Nationale Recherche gehoord. De getuige verklaarde, kort samengevat, dat hij de verdachte goed kent. De verdachte heeft desgevraagd ook verklaard Y.H. te kennen. Zij woonden in Mugonero bij elkaar in de buurt. De getuige verklaart uit eigen wetenschap. Er zijn verschillende details die de verklaring van andere getuigen ondersteunen: dat de chauffeur van de ambulance moest stoppen bij de slagboom, dat in de ambulance mensen uit Kibingo zaten en dat de chauffeur J.N. was. Ook kende de getuige een van de inzittenden: de vrouw van \" G.M.\" wat overeenkomt met de verklaring van de chauffeur. Ook weet hij dat een kind het heeft overleefd. Hij verklaart belastend voor de verdachte: de verdachte zou de slagboom hebben neergezet, de ambulance daar hebben tegengehouden, de inzittenden hebben gezegd uit te stappen en de Interahamwe opdracht hebben gegeven die mensen te vermoorden. De getuige beschrijft hoe mensen met knuppels en machetes zijn doodgemaakt. Hij heeft zelf de lichamen op de veemarkt begraven. Dat deed hij samen met onder andere de getuige D.N., die dat bevestigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht de verklaringen van de getuige niet alleen consistent, maar ook betrouwbaar nu die verklaringen op essentiële onderdelen steun vinden in andere door het hof voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen. Daaraan doet niet af dat de getuige niet door de rechter-commissaris is gehoord, omdat de getuige thans niet meer traceerbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. N.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hutu-getuige D.N. is gehoord door de Nationale Recherche op 7 augustus 2006. Zijn verklaring houdt in de kern, kort gezegd, het volgende in. De getuige bevestigt dat de slagboom in Mugonero is geplaatst door de verdachte. Hij verklaart ook over de verdachte als \" baas van de Interahamwe\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Het incident met de inzittenden van de ambulance heeft deze getuige deels zelf gezien en zijn verklaring ondersteunt andere door het hof voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen op de volgende punten: de mensen werden vermoord met machetes, de verdachte had een opdrachtgevende rol en samen met anderen, waaronder Y.H., heeft de getuige geholpen de lichamen te begraven bij de veemarkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van deze getuige vindt steun in andere door het hof voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen. Het hof acht die verklaring derhalve in zoverre betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De suggesties die daarover door de verdediging zijn gedaan (met name inconsistenties op onderdelen, mogelijk eigen betrokkenheid bij het doden van de slachtoffers) acht het hof, zo al aannemelijk, van onvoldoende betekenis. Aan de bruikbaarheid voor het bewijs van door anderen ondersteunde onderdelen van zijn verklaring doet evenmin af dat ook deze getuige niet door de rechter-commissaris is gehoord, omdat de getuige thans niet meer traceerbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.B.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige C.B., een Hutu-vrouw, is op 14 en 15 april 2010 door de rechter-commissaris gehoord. De bijzondere omstandigheden van het verhoor (de lange duur, de slechte gezondheid van de getuige en haar verwardheid ten aanzien van verschillende besproken onderwerpen) nopen tot buitengewone terughoudendheid bij het gebruik van haar verklaring tot het bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat neemt niet weg dat het hof van oordeel is dat tot steunbewijs kan bijdragen dat zij weet wie de verdachte is en dat zij de slagboom in Mugonero kent. Ook acht het hof voldoende betrouwbaar haar mededeling dat zij kinderlijken bij de ambulance heeft gezien en dat Y.H. en D.N. daar toen ook waren, nu deze onderdelen van haar verklaring ook steun vinden in andere door het hof voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weliswaar kan niet geheel worden uitgesloten dat - zoals door de verdediging gesteld - haar verklaringen zouden zijn besmet door contaminatie met andere getuigen (verklaringen) maar het hof acht onvoldoende aannemelijk dat de betrouwbaarheid van de hiervoor genoemde passages daardoor in het geding zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.Mu De getuige R.Mu. heeft een verklaring afgelegd tegenover de Nationale Recherche, op 22 maart 2007. Ook zij verklaart over de ambulance met chauffeur J.N. en over het vermoorden van inzittenden van de ambulance. Voorts verklaart zij over het aanwezig zijn van de slagboom bij de markt in Mugonero, waar zij destijds vlakbij woonde en waar zij de verdachte vaak zegt te hebben gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht haar verklaring op die onderdelen voldoende betrouwbaar, zodat het hof die onderdelen, die ook door andere door het hof voor het bewijs gebezigde getuigen worden bevestigd, als (steun) bewijs zal gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">JP.N.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige JP.N. heeft op 17 januari 2007 en 20 maart 2007 bij de Nationale Recherche een verklaring afgelegd. Voorts heeft hij op 18 oktober 2007 tegenover de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Deze verklaring komt in de kern, kort gezegd op het volgende neer. De getuige kent de verdachte goed. Hij bevestigt op een aantal onderdelen de hiervoor weergegeven verklaringen van andere getuigen: hij heeft in Mugonero de ambulance uit Kibingo gezien, waarvan J.N. de chauffeur was; hij zag dat de inzittenden, waaronder kinderen, bij elkaar werden gezet; hij heeft gezien dat een jongetje met een knuppel werd geslagen en hij heeft, zo verklaart hij tegen de rechter-commissaris, lijken gezien van de inzittenden van de ambulance.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opvolgende verklaringen van de getuige zijn op deze onderdelen consistent. Voorts vindt de verklaring die de getuige tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd steun in andere door het hof voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen. Het hof acht die verklaring derhalve voldoende betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom ten aanzien van de getuigen Met inachtneming van de hiervoor gemaakte opmerkingen is het hof van oordeel dat de verklaringen van de genoemde getuigen voldoende betrouwbaar zijn om aan het bewijs kunnen bijdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid - in objectieve zin - van deze getuigenverklaringen heeft het hof rekening gehouden met de in hoofdstuk 9.4 geformuleerde criteria zoals de toetsing aan objectieve, van elders verkregen informatie of gegevens zoals met betrekking tot de situatie ter plaatse; de consistentie van opeenvolgende, door de desbetreffende getuige afgelegde verklaringen; de overeenstemming van die verklaring(en) met hetgeen andere getuigen hebben verklaard en de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring(en).</p>\n<p class=\"lf-p\">De door het hof voor het bewijs gebezigde dragende getuigenverklaringen van J.N. en B.U. worden ondersteund door onderdelen van de verklaringen van de andere genoemde getuigen, die elkaar aanvullen en versterken: noch in de wijze van waarneming, noch in de mate van consistentie op de voor het bewijs essentiële onderdelen zijn redenen gelegen om aan de accuratesse van die (onderdelen van die) verklaringen te twijfelen. De inhoud van de getuigenverklaringen geeft het hof geen aanleiding om aan de plausibiliteit ervan te twijfelen. Van overigens bijzondere omstandigheden, op grond waarvan de door andere verklaringen ondersteunde verklaringen van de desbetreffende getuige niet voor het bewijs bruikbaar zouden zijn is het hof niet gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar de getuigen de verdachte hebben aangewezen, hebben zij telkens verklaard dat de verdachte een voor hen bekende persoon was. Ofschoon een latere visuele identificatie gevoelig is voor vergissingen, en daarom met voorzichtigheid dient te worden behandeld, zeker indien deze herkenning is gedaan onder moeilijke traumatische omstandigheden, ziet het hof geen aanleiding om die herkenning in dit geval (zonder meer) terzijde te schuiven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet voorts in de persoon van de getuigen geen aanleiding om aan zijn of haar geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te twijfelen. Feiten of omstandigheden die daarop een ander licht zouden kunnen werpen zijn het hof niet gebleken. Niet is gebleken dat de getuigen de verdachte kwaadwillig zouden hebben aangewezen als een van de daders of daarvoor enig belang of motief hadden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ofschoon het hof heeft geconstateerd dat de diverse voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen (op onderdelen) tegenstrijdigheden bevatten, zijn die niet van zodanig doorslaggevend belang gebleken dat de desbetreffende verklaringen voor het bewijs buiten beschouwing dienden te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover al in de achtereenvolgende verklaringen van voornoemde getuigen enige inconsistenties aanwezig zijn, acht het hof die van ondergeschikt belang en voorts in het bijzonder - als plausibele oorzaak - terug te voeren op het tijdsverloop sedert de gebeurtenissen van 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2 Feit 2 (Complex van de Zevendedagsadventisten) De navolgende (slachtoffer)getuigen hebben in hun door het hof voor het bewijs gebezigde verklaringen de verdachte aangewezen als één van de aanvallers van het Adventistencomplex van Mugonero op 16 april 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.M.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige M.M., een Tutsi, heeft op 8 en 9 februari 2010 tegenover de rechter-commissaris belastend over de verdachte verklaard. De kern van haar verklaring is, kort gezegd, dat zij naar het Adventistencomplex was gevlucht en dat zij de verdachte 's ochtends aan het begin van de aanval heeft gezien en dat hij één van de aanvallers met een vuurwapen was. De getuige kende de verdachte. Zij heeft hem eerder bij zijn ouders gezien. Haar broer werkte voor de vader van de verdachte. Zij verklaart voorts dat zij heeft gezien dat de verdachte in de aanval voorop liep en dat hij met een geweer heeft geschoten op vluchtelingen. Zij stond toen voor de kerk, vlakbij ESI. De schieters stonden vlakbij een klein huis, dat zij Uwiteka noemden. Zij was getuige van de dood van haar broer Munonozi. Hij werd eerst neergeschoten en daarna gesneden met traditionele wapens. Over de dood van Munonozi wordt eveneens verklaard door de getuigen V.U., I.S. en E.K.. De aanvallers zijn volgens de getuige binnen de kerk gekomen en hebben gezegd dat de in de kerk aanwezige Tutsi-vrouwen die waren getrouwd met Hutu-mannen, naar buiten moesten gaan. Daarna begonnen de aanvallers eerst te schieten en degenen die machetes hadden hebben de vluchtelingen afgemaakt. Heel veel mensen zijn gedood, aldus de getuige. De getuige is naar het ziekenhuis gegaan en heeft zich daar verstopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht deze verklaring voldoende betrouwbaar en derhalve bruikbaar voor het bewijs. De verklaring van de getuige komt op essentiële onderdelen, zoals over de dood van Munonozi en de namen van aanvallers, overeen met de verklaringen van andere voor het bewijs gebruikte getuigen. Bovendien stemt de verklaring op hoofdlijnen overeen met de verklaring die de getuige eerder bij de Nationale Recherche op 11 november 2009 heeft afgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">I.S.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige I.S. heeft op 17 en 19 april 2010 een verklaring afgelegd tegenover de rechter-commissaris. De kern van zijn verklaring is, kort gezegd, dat hij zich op het Adventistencomppex bevond op 16 april 1994 en dat hij de verdachte heeft gezien bij het begin van de aanval. De getuige, een Tutsi, verklaart dat er is gevochten vlakbij de de Association. De verdachte was één van de aanvallers. Hij had een vuurwapen en schoot daarmee op de vluchtelingen. De getuige kende de verdachte al voor de oorlog. Hij zag hem op de markt en bij zijn ouders en heeft hem tijdens de aanval herkend. Hij heeft gezien hoe vier mensen werden gedood in de buurt van de Association, waaronder Munonozi en Donat. Over Munonozi verklaarde hij in het bijzonder dat die werd geschoten en een paar minuten later gehakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige is vervolgens naar de kerk gevlucht, waar de aanvallers eveneens vluchtelingen hebben gedood. Voordat de kerk werd aangevallen heeft hij gehoord dat Sikubwabo tegen de Tutsi vrouwen die met Hutu's getrouwd waren heeft gezegd de kerk uit te gaan. Dit komt overeen met de waarneming van de getuigen M.M., I.M., en L.N.e. Vervolgens is er door de aanvallers door de tralies van de ramen van de kerk naar binnen geschoten en is er met granaten en traangas gegooid. Velen zijn daarbij om het leven gekomen. De getuige heeft de verdachte ook gezien bij de kerk. Hij heeft hem zien schieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat de verklaring van deze getuige over de aanwezigheid en betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde aanval in ruim voldoende mate steun vindt in andere door het hof voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen. Over verdachtes betrokkenheid bij de aanval op de kerk wordt eveneens verklaard door de getuige I.M.. Het hof acht de verklaring van I.S. derhalve voldoende betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Over verdachtes aanwezigheid bij het begin van de aanval, de dood van Munonozi en Donat, het schieten door de verdachte en de toespraak in de kerk door Sikubwabo, wordt eveneens verklaard door andere getuigen. Daarbij komt dat de getuige eerder op 5 november 2009 bij de Nationale Recherche in hoofdlijnen gelijkluidend heeft verklaard. Beide verklaringen zijn op die onderdelen consistent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de getuige in zijn statement van 25 september 2001 in het strafrechtelijk onderzoek tegen Elizaphan en Gérard Ntakirutimana, de naam van de verdachte niet heeft genoemd doet aan het vorenstaande niet af, nu niet alleen de focus van dit onderzoek op andere verdachten was gericht, maar bovendien de context van de bevraging het hof niet duidelijk is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">I.M.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige I.M. een Tutsi, heeft op 4, 6 en 7 december 2010 een erklaring afgelegd tegenover de rechter-commissaris. Zijn verklaring komt er in de kern op neer, kort gezegd, dat hij de verdachte en andere aanvallers met geweren heeft herkend bij het begin van de aanval. Hij kende de verdachte. Hij deed voor zijn oma boodschappen en kwam dan in de winkel van de familie van de verdachte en sprak dan wel eens met hem. De getuige zag de verdachte op de dag van de aanval op de plaats waar thans de Memorial staat. De verdachte droeg een vuurwapen en vanaf het moment dat hij hem zag schoot de verdachte op mensen. De getuige noemt de verdachte een van de leiders. De aanvallers schoten door het hoofd en door de borst en de getuige zag mensen op de grond vallen en dood gaan. De getuige is vervolgens naar de kerk gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige verklaarde voorts dat de verdachte betrokken was bij de aanval op de kerk op het complex, die vol met vluchtelingen zat. Sikubwabo zei volgens de getuige dat de aanwezige Hutu's de kerk mochten verlaten. Dit wordt eveneens door de getuigen I.S., M.M. en L.N verklaard. Toen de kerk werd aangevallen werden door de aanvallers granaten naar binnen gegooid, werd de kerk ingeschoten en er kwamen aanvallers de kerk binnen met traditionele wapens. De getuige heeft gezien dat de verdachte in de kerk heeft geschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht de verklaring van de getuige voldoende betrouwbaar. De verklaring is in overeenstemming met andere door het hof voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen, onder meer over de rol van de verdachte en de plek waar hij stond bij het begin van de aanval. Ook ondersteunen de verklaringen van I.S., V.U. en S.N. de betrokkenheid van de verdachte bij de aanval op de kerk. De opeenvolgende verklaringen van de getuige zijn op essentiële onderdelen bovendien consistent. Eerder heeft deze getuige op 10 november 2009 een verklaring afgelegd bij de Nationale Recherche. Hij heeft toen min of meer gelijkluidend verklaard over verdachtes betrokkenheid en rol bij het begin van de aanval en over zijn aanwezig was bij de moordpartij in de kerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de getuige in zijn eerdere op 15 november 1999 tegenover onderzoekers van het ICTR (als beschermde) getuige afgelegde witness statement, alsmede in zijn trial testimony van 3, 4 en 5 oktober 2001 in het proces tegen Elizaphan en Gerard Ntakirutimana de naam van de verdachte niet heeft genoemd doet hieraan, gelet op overeenstemming met ander bewijs op essentiële onderdelen, niet af te minder nu de omstandigheden waaronder de getuige zijn witness statement heeft afgelegd niet inzichtelijk zijn geworden en die verklaring, blijkens het beschikbare transcript, niet vermeldt welke (exacte) vragen door de onderzoekers aan de getuige zijn gesteld. Uit de beschikbare trial testimonies blijkt voorts niet dat de getuige is gevraagd een uitputtende opsomming te geven van alle aanvallers die hij die dag heeft gezien, nog los ervan dat het desbetreffende strafrechtelijk onderzoek was gericht tegen andere verdachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is gebleken is dat deze getuige, ondanks protest daartegen door het openbaar ministerie, bij de rechter-commissaris langdurig is ondervraagd. Het hof acht het niet onaannemelijk dat de getuige nog steeds getraumatiseerd is door hetgeen hij heeft meegemaakt tijdens de aanval op het Adventistencomplex en ter voorkoming van hertraumatisering de herinnering aan bepaalde gebeurtenissen (tijdelijk) heeft weggedrukt. Het hof vindt hiervoor steun in de verklaring van de getuige die, na een langdurig en intensief verhoor, op vragen van de rechter-commissaris of hij kon uitleggen waarom hij bij eerdere gelegenheid bepaalde namen van daders niet heeft genoemd, als verklaring daarvoor geeft dat hij bij het zien van daders in verwarring is geraakt, dat hij nog in een trauma was en dat namen vergeten niet betekent dat hij de daders niet heeft gezien en dat om goed te kunnen slapen hij zijn best deed om hun namen te vergeten, omdat hij anders iedere nacht moet dromen.124 Het hof acht dit een aannemelijke verklaring voor de door de rechter-commissaris geconstateerde kennelijke inconsistentie en ziet daarin, gelet op het vorenoverwogene, geen aanleiding de getuigenverklaring voor het bewijs buiten beschouwing te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het feit dat de getuige ten tijde van de aanval in april 1994 minderjarig was (15 jaar) doet aan het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen in de onderhavige strafzaak. Het hof heeft geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geacht op grond waarvan de herinnering aan de feiten als onvoldoende accuraat zou moeten worden beoordeeld uitsluitend omdat die herinneringen betrekking hebben op ervaringen van een vijftienjarige. Het hof zal dan ook die onderdelen van zijn verklaring voor het bewijs gebruiken, die ook steun vinden in andere bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.B.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige M.B. heeft op 8, 9 en 10 juni 2010 een belastende verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris in hoger beroep. De verklaring van de getuige, een Tutsi, komt er in de kern op neer, zakelijk weergegeven, dat hij de verdachte bij het begin van de aanval heeft zien schieten op Tutsi vluchtelingen. Hij heeft de verdachte een paar mensen zien doodschieten. De getuige is stellig in zijn verklaring dat hij zich in die waarneming niet heeft vergist. De getuige kende de verdachte al eerder en heeft hem bij het begin van de aanval weer herkend. Hij heeft gezien dat de verdachte Donat heeft neergeschoten. De getuige stond toen bij de Uwiteka. Donat is vervolgens afgemaakt met een machete. De verklaring van de getuige M.B. vindt steun in de verklaringen van andere getuigen, waaronder A.N., I.N. en V.U. die eveneens over de dood van Donat hebben verklaard. Volgens de getuige heeft de verdachte tijdens de aanval aanwijzingen en opdrachten aan andere aanvallers gegeven. Dit wordt ook door de getuige S.N. verklaard. Ook andere getuigen noemden de verdachte een leider.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige is tevens op 7 november 2009 door de Nationale Recherche gehoord. Het hof is van oordeel dat beide door de getuige opeenvolgend afgelegde verklaringen consistent zijn en op talloze voor het bewijs relevante onderdelen, waaronder de rol van de verdachte bij het begin van de aanval, steun vinden in de verklaringen van andere door het hof voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de getuige tenslotte in zijn eerdere op 5 maart 2007 tegenover de Canadese autoriteiten afgelegde witness statement in de zaak tegen de van oorlogsmisdrijven verdachte Jacques Mungwarere de naam van de verdachte niet heeft genoemd, doet naar het oordeel van het hof aan het vorenstaande niet af, in het bijzonder niet omdat het onderzoek in die zaak niet specifiek was gericht op de (schuld van de) verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de getuige tenslotte in zijn verhoor bij de Nationale Recherche niet erg accuraat is geweest over de afstand tussen hem en de verdachte bij het begin van de aanval, doet naar het oordeel van het hof evenmin af aan de betrouwbaarheid van zijn latere verklaringen bij de rechter-commissaris. Zoals in hoofdstuk 9.1 werd overwogen, moet er allereerst rekening mee worden gehouden dat sommige Rwandese getuigen niet erg vertrouwd zijn met het exact aangeven van afstanden, zonder dat daarmee nadelige conclusies aan de betrouwbaarheid van de getuige moeten worden verbonden. Bovendien komt zijn schatting bij de rechter-commissaris van de afstand tussen hem en de aanvallers bij het begin van de aanval, overeen met de werkelijke afstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op al deze omstandigheden kan de verklaringen van de getuige tegenover de rechter-commissaris zonder meer worden gebruikt tot bewijs in deze zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">I.N.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige I.N., een Tutsi, is in hoger beroep op 16 en 17 november 2010 door de rechter-commissaris gehoord. De verklaring komt er, kort gezegd, in de kern op neer dat de verdachte één van de aanvallers was van het Adventistencomplex. De getuige zag hem bij het begin van de aanval samen met andere aanvallers. Hij herkende de verdachte, die hij al vóór 1994 kende. De getuige stond vlakbij de Association. De verdachte had een vuurwapen en schoot daarmee op de vluchtelingen. De getuige heeft eveneens gezien dat vier mensen, waaronder Munonozi en Donat, werden gedood in de buurt van de Association. Munonozi werd neergeschoten en een paar minuten later gehakt. De getuige is naar het ziekenhuis gevlucht en daar heeft hij de verdachte wederom gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring over het begin van de aanval, verdachtes rol daarbij en over de dood van Munonozi en Donat, vindt steun in verklaringen van andere door het hof voor het bewijs gebezigde getuigen. Het hof acht de verklaring in zoverre betrouwbaar en bruikbaar tot bewijs, te meer nu dit onderdeel van verklaring overeenkomt met de eerder door de getuige afgelegde verklaring bij de Nationale Recherche.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerder heeft de getuige ook tegenover de Canadese autoriteiten in het onderzoek tegen Jacques Mungawere op respectievelijk 5 maart 2007 en 23 september 2009 een witness statement afgelegd. Hij noemt in die verklaring eveneens de naam van de verdachte als één van de aanvallers. Anderzijds heeft het hof geconstateerd dat de getuige wisselend heeft verklaard over de plaats waar zijn vrouw en kinderen zijn gedood en wie voor hun dood verantwoordelijk was. Tegenover de Canadese onderzoekers heeft de getuige verklaard dat hij niet kon vertellen wie zijn vrouw en kinderen hebben gedood. Voorts heeft hij verklaard dat zij in de kerk om het leven zijn gekomen. Tegenover de rechter-commissaris houdt hij de verdachte verantwoordelijk voor hun dood en verklaart hij dat zij nooit in de kerk zijn geweest en zijn overleden in het ziekenhuis. Ofschoon de getuige dit laatste ook in zijn verhoor bij de Nationale Recherche op 9 november 2009 heeft verklaard, is minstgenomen sprake van een opmerkelijke tegenstrijdigheid. Nu dit onderdeel van de verklaring geen steun vindt in andere bewijsmiddelen ziet het hof aanleiding dit (inconsistente) gedeelte van de verklaring voor het bewijs buiten beschouwing te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.N.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige A.N. heeft tegenover de rechter-commissaris op 17 en 18 juni 2010 eveneens belastend over de verdachte verklaard. Ook deze getuige verklaart, kort gezegd, dat zij de verdachte heeft gezien bij het begin van de aanval op het Adventistencomplex, toen hij met andere aanvallers vanuit de richting van de Association, langs een klein huis, genaamd Uwiteka, kwam lopen. Zij kende de verdachte van eerdere ontmoetingen. Toen de aanval begon stond zij voor de kerk van ESI en zij heeft, naast de verdachte, veel aanvallers gezien. Zij kon de aanvallers goed zien. De verdachte droeg een geweer en hij schoot op Tutsi's. Dat heeft zij met eigen ogen gezien. Ook heeft zij gezien dat Donat neerviel. De dood van Donat vindt voorts steun in de verklaringen van de getuigen D.G., V.U., JD.U en M.B.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht de verklaring van de getuige in zoverrre betrouwbaar en consistent. Niet alleen is de verklaring bij de rechter-commissaris in overeenstemming met hetgeen andere getuigen hebben verklaard, maar bovendien heeft de getuige in de kern gelijkluidend verklaard bij de Nationale Recherche op 7 november 2009. Zij noemt ook daar de verdachte als een van de aanvallers. Zij heeft daarbij duidelijke beperkingen aangebracht in wie zij wel en niet heeft gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de getuige in haar verklaring op 6 maart 2007 tegenover de Canadese autoriteiten in de zaak tegen Jacques Mungawere de naam van de verdachte niet heeft genoemd als één van de aanvallers doet hieraan naar het oordeel van het hof niet af. Bij de rechter-commissaris geeft zij ter verklaring hiervan aan dat zij namen is vergeten en dat zij ook de naam van de verdachte was vergeten. Het hof acht dit een aannemelijke verklaring mede gelet erop dat het onderzoek in die zaak niet was gericht op de persoon van de verdachte en het gelet op het groot aantal aanvallers die bij de aanval op het Adventistencomplex betrokken waren en het zeer lange tijdsverloop.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.K.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige J.K., een Tutsi, heeft op 17, 18 en 19 november 2010, alsmede op 7 december 2010 tegenover de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. De getuige heeft verklaard dat zij de verdachte kende van de winkel van zijn vader en van zijn bezoekjes aan zijn vriendin, de dochter van pasteur M.G. De getuige heeft voorts uitvoerig en indringend verklaard over wat met haar en andere vluchtelingen is gebeurd in het ziekenhuis. De getuige verklaart dat zij kort na het begin van de aanval naar de chirurgie van het ziekenhuis gevlucht waar ze zich heeft verstopt. De aanvallers hebben op de in het ziekenhuis aanwezige vluchtelingen geschoten en zij gooiden granaten naar binnen. Nadien is zij naar een toiletruimte gegaan waar zij was met een aantal andere vrouwen. Vijf vrouwen zijn daar gedood met de speer van een aanvaller. De verklaring over het in en rond het ziekenhuis door de aanvallers gebruikte geweld, vindt steun in andere door het hof voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen en komt bovendien overeen met haar eerdere bij de Nationale Recherche op 12 november 2009 afgelegde verklaring en is naar het oordeel van het hof, in zoverre, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerkelijk is dat deze getuige tegenover de rechter-commissaris de naam van de verdachte niet noemt als één van de aanvallers van het Adventistencomplex, terwijl zij dat in haar eerdere verhoor bij de Nationale Recherche nog wel heeft gedaan. Als verklaring voor deze discrepantie, geeft de getuige tegenover de rechter-commissaris aan dat de Nederlandse politie haar niet goed heeft begrepen. Ook verklaart zij dat andere door haar eerder genoemde aanvallers, waaronder O.R., niet heeft gezien tijdens de aanval. Wel zou ze van anderen hebben gehoord dat hij en anderen aanwezig zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft geconstateerd dat de getuige J.K. zéér langdurig en intensief door de rechter-commissaris is verhoord, niettegenstaande het feit dat zij getraumatiseerd was en ernstige ziekteverschijnselen (ernstig verhoogde bloeddruk) vertoonde en tijdens de laatste verhoordag aan de rechter-commissaris aangaf dat zij zich niet goed voelde en hoofdpijn had en bovendien erg moe was. Desondanks is de rechter-commissaris, na een korte pauze, doorgegaan met haar verhoor, waarna de getuige plotseling is teruggekomen op een aantal essentiële onderdelen van haar eerdere verklaring(en), waaronder over de betrokkenheid van een aantal specifiek genoemde aanvallers. Zoals het hof reeds heeft overwogen, is de kans dat informatie die door getuigen aan het eind van een lang en intensief verhoor wordt gegeven betrouwbaar is, kleiner wordt naarmate het verhoor langer duurt. Het hof sluit bepaald niet uit dat daar in dit geval bijkomt dat de getuige als gevolg van haar mentale en fysieke conditie, na vier lange dagen van verhoor \"van het verhoor af wilde zijn\" en afsluitend heeft verklaard dat zij zich heeft vergist en dat zij de verdachte en anderen, waaronder O.R., niet op 16 april 1994 heeft gezien maar de dag erna.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige heeft bij de Nationale Recherche en in haar trial testimony van 1 oktober 2001 in de zaak in de zaak tegen Elizaphan en Gérard Ntakirutimana de naam van O.R. immers wel genoemd als één van de aanvallers op 16 april: \"but I saw many other attackers. These were not the only attackers I saw\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is, het vorenstaande overziend, desalniettemin van oordeel dat de eerdere verklaring van de getuige over verdachtes betrokkenheid bij de aanval op het Adventistencomplex voor het bewijs buiten beschouwing dient te worden gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">D.G.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige D.G. heeft op 24 en 26 juli 2010 een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris en eerder, op 9 november 2009, is de getuige gehoord door de Nationale Recherche. De getuige heeft tegenover de rechter-commissaris gedetailleerd verklaard over de aanval op het Adventistencomplex. Bij het begin van de aanval stond hijzelf vlakbij de Association. Hij heeft gezien dat Donat Hategekimana voor het bureau van de Association is gedood in het begin van de aanval. De dood van Donat in de directe omgeving van de Association vindt bevestiging in diverse andere door het hof voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen. Dit geldt eveneens voor tal van details over de aanval die door de getuige in zijn verklaringen worden genoemd. Bovendien zijn die onderdelen van de verklaring van D.G. in overeenstemming met zijn eerdere verklaring bij de Nationale Recherche. Het hof acht de verklaringen in zoverre voldoende betrouwbaar om ze, in algemeen ondersteunende zin, te laten meewegen voor het bewijs. Dat hij wisselend heeft verklaard omtrent de aanwezigheid van de verdachte tijdens de aanval, maakt dit niet anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.N.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vorenoverwogene geldt evenzeer voor de verklaring van de getuige L.N. Deze getuige heeft op 22 april 2010 alsmede op 18 en 19 mei 2010 tegenover de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Deze verklaring komt er in de kern op neer, zakelijk weergegeven, dat zij op de dag van de aanval met haar man en kinderen en vele andere vluchtelingen verbleef in de kerk van het Adventistencomplex. De meerderheid van de aanwezigen waren vrouwen en kinderen. Voordat de aanvallers de kerk inkwamen hebben ze gezegd dat alle Hutu's naar buiten moesten komen. Zij kon naar buiten kijken en zag dat de aanvallers met heel veel waren. Er is een granaat de kerk ingegooid en de vluchtelingen werden beschoten en gehakt met machetes. Ook werden er knuppels gebruikt. De getuige verklaart dat zij de verdachte tijdens de aanval niet heeft gezien. Wel heeft zij van mensen gehoord dat hij daar ook was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat de waarneming van de getuige over wat zich in de kerk heeft afgespeeld tijdens de aanval, voldoende steun vindt in andere door het hof voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen en derhalve betrouwbaar is. Ook het feit dat de getuige de verdachte niet zelf heeft herkend tijdens de aanval, doet niets aan de verklaringen van andere getuigen dat hij daar was af.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorts door het hof voor het bewijs gebruikte getuigen M.Bi, JD.U., V. U., E.K. en S.N., hebben, in eerste aanleg, tegenover de rechter-commissaris een voor de verdachte belastende verklaring afgelegd. Alle getuigen verklaarden in de kern, kort gezegd, dat de verdachte bij de aanval aanwezig was en dat hij in de loop van de dag onder meer bij de kerk en/of bij het ziekenhuis vluchtelingen aanviel.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. Bi.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige M.Bi. heeft op respectievelijk 17 oktober 2007 en op 18 december 2008 2007 tegenover de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Hij verklaarde, kort samengevat, dat hij de verdachte kende vanaf zijn jonge jaren en hem vóór 16 april heeft gezien en dat hij hem op de dag van de aanval samen met anderen heeft zien schieten op vluchtelingen bij de ESI. De getuige bevond zich toen vóór de ESI. Er zijn toen volgens de getuige veel mensen doodgeschoten, waaronder Munonozi. Over het begin van de aanval en de dood van Munonozi wordt eveneens verklaard door de getuigen M.M., I.S., I.N. en JD.U.. De getuige is vervolgens het ziekenhuis ingevlucht waar hij zich onder de lijken heeft verstopt. In het ziekenhuis heeft hij de verdachte gezien en horen spreken. Dat de verdachte aanwezig was bij het ziekenhuis vindt voorts steun in de verklaring van de getuige I.N.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat deze verklaring consistent is, nu deze verklaring in hoofdlijnen en op onderdelen overeenkomt met zijn eerdere verklaring bij de Nationale Recherche op 28 maart 2007. Het hof merkt verder op dat de getuige op het moment dat hij de verdachte in het ziekenhuis zag volgens zijn verklaring onder lijken verstopt lag. Dit is een omstandigheid die de kwaliteit van de waarneming kan beïnvloeden. Gelet erop dat de verklaring over verdachtes aanwezigheid evenwel wordt ondersteund door andere door het hof voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen en de getuige bovendien heeft verklaard de verdachte te kennen, is het hof van oordeel dat de waarneming van de getuige M.Bi. bruikbaar is voor het bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn witness statement van 13 augustus 2002 in de zaak Niyitegeka noemt de getuige de naam van de verdachte overigens niet in relatie tot de aanval van 16 april. De getuige heeft de naam van de verdachte evenmin genoemd in zijn trial testimony van 16 oktober 1997 in de zaak Kayishema en Ruzindana. Naar het oordeel van het hof doet dit evenwel niet aan de betrouwbaarheid van de verklaring bij de rechter-commissaris af, nu deze verklaring consistent is en in voldoende mate steun vindt in het overige door het hof voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen. Daarbij komt dat blijkens de specifieke aanklachten in de zaken tegen de ICTR-verdachten Kayishema, Ruzindana en Niyitegeka de aanval op het Adventistencomplex niet was tenlastegelegd.125 JD.U.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige JD.U. heeft tegenover de rechter-commissaris in eerste aanleg op respectievelijk 28, 29 en 31 maart 2008, 1 en 2 april 2008, alsmede op 27 en 28 januari 2009 een verklaring afgelegd over de gebeurtenissen van 16 april 1994. De verklaring komt in de kern, kort gezegd, op het volgende neer. In de ochtend van 16 april 1994 zag hij de verdachte, die hij al sinds zijn jonge jaren kende, lopen voor een groep mensen die gewapend waren met machetes. De verdachte schoot met een vuurwapen op vluchtelingen die iets hoger stonden en als zij gewond neervielen dan werden ze afgemaakt door mensen met machetes.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige stond op dat moment in de richting van waar thans de Memorial staat. Ook heeft hij gezien dat Munonozi werd gedood. Over het begin van de aanval, het schieten door de verdachte op vluchtelingen en de dood van Munonozi op de plek die door de getuige wordt beschreven, is eveneens - in ondersteunende zin - door diverse andere door het hof voor het bewijs gebezigde getuigen verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook verklaren getuigen, wier verklaringen eveneens door het hof voor het bewijs worden gebezigd, dat de verdachte toen vóór een groep van aanvallers stond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige heeft in diverse opeenvolgende verklaringen consistent verklaard over de rol van de verdachte bij de aanval op het Adventistencomplex. Ook in zijn verklaring bij de Nationale Recherche op 12 december 2007 heeft hij de verdachte een leider genoemd, die opdracht gaf aan anderen en op vluchtelingen schoot tijdens de aanval. Ook in zijn eerdere verklaring van juni 2006 bij het Parquet Géneral en tijdens zijn verhoor bij de Canadese autoriteiten van 1 maart 2007 noemt de getuige de verdachte als één van de aanvallers van het Adventistencomplex. Tenslotte heeft hij de naam van de verdachte als leider van de aanval bij het ziekenhuis van Mugonero genoemd in zijn verklaring bij de gacaca in de periode van 2 tot 16 mei 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen in zijn eerdere statements van respectievelijk 1999 en 2002, afgelegd tijdens het onderzoek in de ICTR-strafzaak tegen Mika Muhimana, heeft de getuige de naam van de verdachte niet expliciet genoemd in relatie tot 16 april 1994. Dit doet naar het oordeel van het hof evenwel niet af aan de betrouwbaarheid van zijn nadien elders en in de onderhavige strafzaak afgelegde verklaringen ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij de aanval, te minder nu de witness statement in de zaak Muhimana ook niet uitsluit dat de verdachte één van de leiders van de aanval althans aanvallers was: \"[...] the hospital was attacked by soldiers and Interahamwe led by Mika Muhimana, Ruzindana, Sikubwabo, Gerard Ntakirutimana, Nyiringango and many others.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in zijn trial testimonies uit 2001 in de ICTR-zaak Elizephan en Gérard Ntakirutimana noemt de getuige (die als HH heeft verklaard) niet expliciet de naam van de verdachte. Ook dit doet naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van zijn in de onderhavige strafzaak afgelegde verklaringen. Aannemelijk is geworden dat de focus van het onderzoek ter terechtzitting primair gericht was op de schuldvraag van beide verdachten Ntakirutimana en voorts is niet gebleken dat aan de getuige is gevraagd een uitputtende opsomming te geven van alle aanvallers van het Adventistencomplex.126 Voor zover er voorts sprake is van discrepanties, dan tasten zij de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige JD.U. niet aan. Het hof baseert dit op de consistentie van de verklaringen van de getuige door de jaren heen. Zoals hiervoor is overwogen, komen die verklaringen bovendien op essentiële onderdelen overeen met de verklaringen van andere door het hof voor het bewijs gebruikte getuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">V.U.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige V.U. heeft op 16 en 17 december 2006, op 19 januari 2007, op 17 december 2008, alsmede op 26 en 27 januari 2009 tegenover de rechter-commissaris een verklaring afgelegd over de aanval op het Adventistencomplex. Deze verklaringen komen in de kern, kort gezegd, op het volgende neer. De getuige heeft de verdachte op 16 april 1994 gezien bij het begin van de aanval. Hij kende de verdachte. Hij deed boodschappen in de winkel van de verdachte en sprak hem dan vaak. De getuige stond toen de aanval begon bij de andere vluchtelingen. Dat was op de plek waar thans de Memorial staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechts voor hem was het gebouw van de Association. De getuige kon de verdachte goed zien vanaf de plek waar hij stond en hij zag dat de verdachte samen met anderen op vluchtelingen schoot. Deze waarneming van de getuige wordt voorts ondersteund door getuigen van wie het hof de verklaringen eveneens voor het bewijs bezigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige heeft de verdachte later op de dag bij de aanval op de kerk gezien. De verdachte was bij een van de ramen en schoot naar binnen. Ook de getuigen I.M. en I.S. verklaarden dat de verdachte betrokken was bij de aanval op de kerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van de getuige bij de rechter-commissaris voldoende betrouwbaar om te kunnen bijdragen tot het bewijs, te meer nu deze verklaring steun vindt in andere door het hof voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen en bovendien overeenkomt met hetgeen de getuige over de positie en rol van de verdachte eerder in 2006 heeft verklaard bij de Nationale Recherche, op 28 juni 2006 bij het Parquet Général en in 2005 bij de gacaca: \"Ik geef een verklaring die [naam verdachte] aanklacht. Hij was onder de mensen die anderen opdroegen om Tutsi's te vermoorden die bij het ziekenhuis te Mugonero waren gevlucht. [...]\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze getuige in zijn trial testimonies van 1 oktober 2001 en 2 oktober 2001 in de zaak Elizaphan en Gérard Ntakirutimana de naam van de verdachte in relatie tot de aanval niet heeft genoemd doet daaraan niet af. Zoals het hof eerder heeft overwogen was de bevraging van een getuige bij of door het ICTR voornamelijk gericht op de persoon van de verdachte en de schuldvraag in een concrete strafzaak. Aan het feit dat in die strafzaak de naam van de onderhavige verdachte niet is genoemd, mag naar het oordeel van het hof geen (doorslaggevende) betekenis worden toegekend. Daar komt bij dat de Trail Chamber in de zaak Elizaphan en Gérard Ntakirutimana oordeelde dat de getuige V.U. \"to be generally credible\" was.127 Ook heeft V.U. bij het ICTR zowel een witness statements als trial testimonies in de zaak tegen de verdachte Niyitegeka afgelegd. In zijn witness statement van 25 oktober 1999 wordt de naam van de verdachte niet vermeld. In zijn trial testimony van 30 april 2004 heeft de getuige de naam van de verdachte evenmin genoemd. Hieraan zal het hof evenwel geen betekenis toekennen, nu aan Niyitegeka de aanval op het Adventistencomplex niet was tenlastegelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verklaring afgelegd ten overstaan van de justitiële autoriteiten in de Verenigde Staten in de zaak van Enos Kagabe (2003) tenslotte, heeft de getuige de verdachte evenmin (expliciet) genoemd als een van de aanvallers van het Adventistencomplex. Hij heeft een aantal leiders van de aanval bij naam genoemd, maar verklaarde dat er, naast de door hem genoemde leiders van de aanval, waaronder Sikubwabo en Ruzindana, vele anderen (\"many others\") waren. Gelet op de inhoud van die verklaring, die de verdachte als één van de aanvallers niet uitsluit, wordt naar het oordeel van het hof geen afbreuk gedaan aan de betrouwbaarheid van de verklaringen over de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde aanval van 16 april 1994. Bovendien geeft de getuige hiervoor desgevraagd bij de rechter-commissaris als plausibele verklaring dat de namen die hij heeft genoemd de eerste waren die in zijn hoofd sprongen.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.K.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige E.K. heeft op 22 en 23 januari 2007, 20 maart 2007 alsmede op 19 en 20 december 2008 een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. De verklaring van de getuige met betrekking tot verdachtes betrokkenheid bij de aanval op het Adventistencomplex komt er, kort gezegd, in de kern op neer dat hij de verdachte, samen met andere aanvallers, in de vroege ochtend van de aanval heeft gezien. Hij noemt de verdachte, die hij persoonlijk kende, één van de leiders van de aanval. De verdachte droeg een geweer en hij heeft volgens de getuige mensen doodgeschoten. De getuige was bij de kerk en hij kon zien in welke richting de verdachte schoot. Hij schoot in de richting van het ziekenhuis en hij heeft gezien dat de verdachte Munonozi heeft geschoten en hem heeft geraakt. Hij heeft Munonozi zien neervallen. Hierover alsmede over de positie en rol van de verdachte hebben ook andere getuigen verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht deze verklaring betrouwbaar, nu de waarneming van de getuige overeenkomt met die van andere getuigen, van wie de verklaringen door het hof voor het bewijs worden gebezigd. De verklaring dat hij de verdachte heeft zien schieten komt bovendien overeen met de verklaring die de getuige eerder heeft afgelegd bij de Nationale Recherche op 4 augustus 2006. Ook heeft de getuige verklaard over de verdachte en diens betrokkenheid bij de aanval op het Adventistencomplex bij de gacaca in 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daaraan doet in beginsel niet af dat de getuige de naam van de verdachte niet heeft genoemd in zijn eerdere verklaringen bij het Parquet Général in 2006, bij het ICTR in zijn trial testimonies van september 2001 in de zaak tegen Elizaphan en Gérard Ntakirutimana, alsmede in zijn trial testimonies van november 1997 in de zaak tegen Kayishema en Ruzindana noch in zijn eerdere witness statements van 1996, 1999 en 2002. Zoals hiervoor reeds werd overwogen stonden de verdachten Kayishema en Ruzindana niet terecht voor betrokkenheid bij de aanval van het Adventistencomplex. Het hof kent derhalve geen bijzondere betekenis toe aan het niet noemen van de naam van de verdachte door de getuige in zijn verklaringen in die zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige heeft voorts tegenover de rechter-commissaris desgevraagd aangegeven dat hem in de zaak tegen Elizaphan en Gérard Ntakirutimana door het ICTR is gevraagd aanvallers op te noemen. Hij noemde dan namen, maar niet alle namen. Hem is nooit gevraagd om alle aanvallers te noemen. Het hof is van oordeel dat dit een voldoende aannemelijke verklaring is voor het feit dat hij de naam van de verdachte niet heeft genoemd als een van de aanvallers van het Adventistencomplex. Daarbij komt dat de focus van het desbetreffende onderzoek ook niet lag bij de schuldvraag van de verdachte. Een en ander doet naar het oordeel van het hof niet af aan de uitvoerige en voldoende betrouwbaar geachte verklaringen die de getuige E.K. tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.N.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige S.N. heeft op 14 en 15 november 2006, op 16 januari 2007 en op 16 en 17 december 2008 een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. In die verklaringen heeft hij de verdachte, die hij al kende sinds de verdachte op de middelbare school zat, een leider genoemd die opdrachten aan anderen gaf. Hij heeft hem 's ochtends gezien met een vuurwapen, waarmee hij op Tutsi's schoot. De getuige was toen samen met andere Tutsi's voor de school van ESI bij het schoolplein. Hij hoorde tevens dat de verdachte opdrachten aan andere aanvallers gaf. Tegenover de rechter-commissaris heeft hij voorts verklaard dat hij vanaf de plek waar hij stond het ziekenhuis kon zien. De getuige heeft ook mensen zien vallen. Hij heeft de verdachte mensen dood zien schieten. Dat was bij de middelbare school, bij het terrein van het ziekenhuis en onder de bomen. Later die dag heeft hij de verdachte op mensen zien schieten bij het terrein van het ziekenhuis en bij de kerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht deze verklaring in de kern betrouwbaar, omdat de waarnemingen van de getuige op deze punten steun vinden in de door het hof voor het bewijs gebezigde verklaringen van andere getuigen over de plek waar de getuige stond (de getuigen V.U. en JD.U.) en over verdachtes betrokkenheid en rol bij de aanval. Meerdere getuigen verklaren dat de verdachte voor de andere aanvallers stond en noemen hem één van de leiders. Bovendien is zijn verklaring, op hooflijnen, in overeenstemming met hetgeen hij eerder bij de Nationale Recherche in zijn verhoor van 27 juli 2006 heeft verklaard over de aanval en verdachtes aandeel daarin. Ook in zijn verklaring bij het Parquet Général van 29 juni 2006 heeft de getuige de verdachte genoemd als één van de aanvallers die schoot op de Tutsi's op het Adventistencomplex.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze getuige heeft ook in 2003 een verklaring afgelegd tegenover de justitiële autoriteiten van de Verenigde Staten in de zaak van Enos Kagaba. Met betrekking tot de aanval op het Adventistencomplex heeft hij Obed Ruzindana, Kagaba, Elizaphan en Gérard Ntakirutimana, en Charles Sikubwabo genoemd als leiders van de aanval. De naam van de verdachte komt in deze verklaring niet voor. In zijn diverse witness statements in 1995, 1999 en 2002 komt de naam van de verdachte evenmin voor. In een gacaca-verklaring die dateert van eind mei/begin juni 2005 heeft de getuige wel de naam van de verdachte genoemd als betrokkene bij de genocide maar niet in relatie tot de aanval op het Adventistencomplex.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter-commissaris heeft de getuige gevraagd waarom hij eerst vanaf 2006 de verdachte heeft genoemd als één van de aanvallers. De getuige heeft hierop gezegd dat zijn antwoord afhing van hoe de vraag was gesteld en van het doel dat de vragensteller voor ogen had. \"Soms wilde hij [de vragensteller] een specifieke naam weten. Dan noemde ik vijf mensen en zei hij 'stop' als hij de naam hoorde die hij wilde horen. Dan kunt u zijn naam bij de ene instantie vinden en bij de andere niet.\" Met betrekking tot de door de getuige opgestelde 'list of killers in Mugonero Hospital and Church' die als bijlage bij een witness statement was gevoegd en waarop negen namen van aanvallers staan, heeft hij opgemerkt dat hij niet meer weet wat de vraag is geweest. Hij heeft gezegd dat hij denkt dat hem de vraag is gesteld de namen op te schrijven en opnieuw verwezen naar het doel dat de vragensteller voor ogen stond. Over zijn verklaringen voor de autoriteiten van de Verenigde Staten heeft hij verder opgemerkt dat hij werd ondervraagd met het doel 'bepaalde personen te onderzoeken'. Ook heeft hij aangegeven dat hoe langer hem vragen worden gesteld, hoe meer hij zich kan herinneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet hierin een voldoende plausibele verklaring voor het niet-noemen van de naam van de verdachte in eerdere hiervoor genoemde verklaringen. Daar komt bij dat aangenomen kan worden dat de focus in die onderzoeken was gericht op anderen dan de verdachte, waarbij de vragen vaak een open karakter hadden. De bewijswaarde van die verklaringen is naar het oordeel van het hof, zeker bezien in relatie tot de overigens consistente opeenvolgende verklaringen van de getuige in de onderhavige strafzaak, betrekkelijk. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om de belastende onderdelen van de verklaringen van deze getuige zoals die bij de bij de rechter-commissaris zijn afgelegd, om die reden voor het bewijs buiten beschouwing te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom ten aanzien van deze getuigen Met inachtneming van de hiervoor gemaakte opmerkingen is het hof van oordeel dat de verklaringen van de genoemde getuigen voldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs kunnen bijdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid - in objectieve zin - van deze getuigenverklaringen heeft het hof rekening gehouden met de in hoofdstuk 9.4 geformuleerde criteria zoals de toetsing aan objectieve, van elders verkregen informatie of gegevens zoals met betrekking tot de situatie ter plaatse; de consistentie van opeenvolgende, door de desbetreffende getuige afgelegde verklaringen; de overeenstemming van die verklaring(en) met hetgeen andere getuigen hebben verklaard en de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring(en).</p>\n<p class=\"lf-p\">De door het hof voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen worden (op onderdelen) ondersteund door onderdelen van de verklaringen van de andere genoemde getuigen, die elkaar aanvullen en versterken; noch in de wijze van waarneming, noch in de mate van consistentie op de voor het bewijs essentiële onderdelen zijn redenen gelegen om aan de accuratesse van die (onderdelen van die) verklaringen te twijfelen. De inhoud van de getuigenverklaringen geeft het hof geen aanleiding om aan de plausibiliteit ervan te twijfelen. Van overigens bijzondere omstandigheden, op grond waarvan de door andere verklaringen ondersteunde verklaringen van de desbetreffende getuige niet voor het bewijs bruikbaar zouden zijn is het hof niet gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle vorengenoemde getuigen hebben verklaard dat zij de verdachte voor de aanval eerder hebben gezien of persoonlijk kenden en hem op de dag van de aanval (weer) hebben herkend. Ofschoon een latere visuele identificatie gevoelig is voor vergissingen, en daarom met voorzichtigheid dient te worden behandeld, zeker indien deze herkenning is gedaan onder moeilijke traumatiserende omstandigheden, ziet het hof geen aanleiding om die herkenning in dit geval terzijde te schuiven nu geen omstandigheden zijn gebleken die de kwaliteit en betrouwbaarheid van de waarneming die tot de herkenning heeft geleid ter discussie zouden kunnen stellen. De waarnemingen zijn bij daglicht gedaan, de afstand tussen de getuige en de verdachte maken de waarneming voldoende aannemelijk en de waarnemingen zijn bovendien onderbouwd door ander (getuigen)bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof betrekt hierbij bovendien dat de verdachte blijkens zijn eigen verklaring ter terechtzitting in hoger beroep niet uitsluit dat hij op het terrein van het Adventistencomplex is geweest in de tenlastegelegde periode van 6 april 1994 tot 1 juli 1994: \"Ik zeg dus niet dat ik na 6 april 1994 niet meer op het terrein van het Mugonero-complex ben geweest, maar ik kan mij dat niet herinneren\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet voorts in de persoon van de getuigen geen aanleiding om aan zijn of haar geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te twijfelen. Niet is gebleken of anderszins aannemelijk geworden dat de getuigen de verdachte kwaadwillig hebben aangewezen als een van de aanvallers van het Adventistencomplex of daarvoor een motief hadden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ofschoon het hof heeft geconstateerd dat de diverse voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen (op onderdelen) tegenstrijdigheden bevatten, zijn die niet van zodanig doorslaggevend belang gebleken dat de desbetreffende verklaringen voor het bewijs buiten beschouwing dienden te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.3 Feit 3 (Familie B.) De navolgende slachtoffergetuigen hebben in hun door het hof voor het bewijs gebezigde, verklaringen de verdachte aangewezen als één van daders van de tenlastegelegde aanranding van de persoonlijke waardigheid en bedreiging van J.M., W.B. en hun zoontje F. op 27 april 1994 in Mugonero.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige J.M. heeft op 5 en 6 februari 2007 tegenover de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Eerder heeft zij op 2 augustus 2006 bij de nationale recherche verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaringen van de getuige, afgelegd tegenover de rechter-commissaris houden in de kern, kort gezegd, het volgende in. De getuige is samen met haar man W.B. en hun pasgeboren zoontje gevlucht voor het geweld en werden tegengehouden bij de barrière van Mugonero. Deze barrière werd bewaakt door gewapende milities. De getuige mocht, als Tutsi, evenmin als haar zoontje verder reizen. De getuige verklaart dat zij uren zijn vastgehouden en ernstig zijn bedreigd, onder andere met de dood, en vernederd. Zij hebben daarbij voor hun leven moeten vrezen. Met de verdachte moest worden onderhandeld omtrent verdere vervolg van hun reis. De verdachte was volgens de getuige de baas. De milities luisterden naar hem en hij nam de beslissingen. De verdachte heeft ook een brief geschreven aan de burgemeester van Gishyita om hem te vragen om naar Mugonero te komen en in de zaak te beslissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de verdachte heeft de getuige verklaard dat zij hem kent als [voornaam verdachte, achternaam vader verdachte]]. Zij heeft verder gezegd dat zij via internet weet dat andere hem [achternaam verdachte] noemen. Zij kent de verdachte al heel lang, omdat zij met zijn zusters op school zat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft de verklaringen van de getuigen in de onderhavige zaak terdege op hun betrouwbaarheid getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij verdient vermelding dat deze getuige al op 18 oktober 1996 een witness statement heeft afgelegd tegenover onderzoekers van het ICTR, waarin zij in een onderzoek tegen O.R. reeds heeft verklaard omtrent de barricade van Mugonero, de rol van verdachte daarbij en diens rol bij het tenlastegelegde feit. Deze verklaring is relatief kort na de tenlastegelegde gebeurtenis afgelegd. Daarnaast komt haar statement in hoofdlijnen overeen met de inhoud van haar (latere) meer gedetailleerde verklaringen in de strafzaak tegen de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat die verklaringen op wezenlijke onderdelen consistent zijn. De verklaringen van de getuige vinden voorts steun in de verklaring van de getuige W.B. De door het hof geconstateerde verschillen in de verklaringen van de getuige doen geen afbreuk aan de betrouwbaarheid daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de verdediging is in eerste aanleg - kort en zakelijk weergegeven - nog gesteld dat uit niets met voldoende mate van zekerheid kan worden afgeleid dat de verdachte als (mede) pleger van het feit moet worden aangemerkt. Er is geen sprake van een eenduidige herkenning van de verdachte door J.M., terwijl ook niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het aan de burgemeester van Gishyita gestuurde briefje door de verdachte is geschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de herkenning van de verdachte overweegt het hof evenwel dat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij het wel moet zijn geweest die in de door de getuige J.M. gegeven omschrijving, dan wel aanduiding van [naam verdachte] past. Het hof wijst voorts nog in het bijzonder op de verklaring van Y.H., een bekende van de verdachte, die de verdachte als [naam verdachte] aanduidt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover al - anders dan het hof - aangenomen zou moeten worden dat bovenvermelde brief aan de burgemeester van Gishyita niet door de verdachte zelf is geschreven en ondertekend, merkt het hof nog op dat reeds de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien de conclusie kunnen dragen dat het de verdachte is geweest die het onderhavige feit (mede) heeft gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan door de raadsman betoogd, kan naar het oordeel van het hof uit de verklaringen van S.M. niet met voldoende mate van aannemelijkheid worden afgeleid dat de verdachte op 27 april 1994 aanwezig was bij aanvallen op de Kizenga heuvel. Daar komt bij dat de verdachte de verklaringen van die getuige in het geheel niet ondersteunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.B.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige W.B. heeft op 1 augustus 2006 bij de Nationale Recherche een verklaring afgelegd. Voorts heeft hij tegenover de rechter-commissaris verklaard, op 6 en 7 februari 2007. Ook deze getuige verklaart over de barrière van Mugonero waar zij werden tegengehouden omdat zijn vrouw J.M., als Tutsi, en hun zoontje niet verder mochten reizen. Volgens de getuige zijn zij naar een winkel gebracht waar moest worden onderhandeld over de verdere doorreis. Tijdens het wachten zijn zij, en met name zijn echtgenote, ernstig bedreigd, met de dood. De getuige verklaarde verder dat hij de indruk had dat de eigenaar van de winkel beslissingsbevoegdheden had en hij heeft ook waargenomen dat de eigenaar deelnam aan alle beslissingsprocessen. Hij heeft van zijn vrouw gehoord dat die persoon \"[voornaam verdachte]\" was. De naam M. is bij de getuige blijven hangen, omdat de brief die door de eigenaar van de winkel is geschreven daarmee was ondertekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de verklaringen van de getuige W.B. acht het hof consistent. Deze getuige verklaart weliswaar beduidend minder gedetailleerd dan zijn (thans) echtgenote, maar zijn verklaring wordt door haar verklaring in voldoende mate ondersteund. Het hof acht de verklaringen van de getuige derhalve voldoende betrouwbaar voor het bewijs van het tenlastegelegde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de omstandigheid dat de getuige W.B. het onderhavige feit niet heeft genoemd in zijn tegenover onderzoekers van het ICTR in 1995 en 1996 afgelegde witness statement heeft deze getuige bij de rechter-commissaris een naar het oordeel van het hof plausibele verklaring gegeven. Voor het ICTR ging het immers, aldus de getuige, vooral om de algemene toestand in Rwanda, vóór, tijdens en na afloop van de genocide; voor het internationale tribunaal was [voornaam verdachte] destijds slechts een 'bijpersoon'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover al in de achtereenvolgende verklaringen van voornoemde getuigen enige inconsistenties aanwezig zijn, wijst het hof in het bijzonder - als plausibele oorzaak - op het tijdsverloop sedert de gebeurtenissen van 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Y.H.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige Y.H. heeft op 26 juli 2006 bij de Nationale Recherche een algemene verklaring afgelegd over de tenlastegelegde gebeurtenis. Deze verklaring komt er, kort gezegd, op neer dat hij heeft gezien dat een blanke man met zijn Rwandeze vrouw bij de slagboom van Mugonero is tegengehouden. Zij zijn vervolgens meegenomen naar de woning van (de vader van) de verdachte. Daar hebben de man en vrouw moeten wachten tot er een bericht kwam van de préfect dat zij door mochten rijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de verklaring van Y.H. acht het hof, voor zover als bewijsmiddel gebezigd, betrouwbaar. Ook deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van J.M., in ieder geval omtrent het begin en het einde van het feit, alsmede in het bijzonder ook omtrent de identiteit van de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom ten aanzien van de getuigenverklaringen Met inachtneming van de hiervoor gemaakte opmerkingen is het hof van oordeel dat de verklaringen van de genoemde getuigen voldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs kunnen bijdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid - in objectieve zin - van deze getuigenverklaringen heeft het hof rekening gehouden met de in hoofdstuk 9.4 geformuleerde criteria zoals de toetsing aan objectieve, van elders verkregen informatie of gegevens zoals met betrekking tot de situatie ter plaatse; de consistentie van opeenvolgende, door de desbetreffende getuige afgelegde verklaringen; de overeenstemming van die verklaring(en) met hetgeen andere getuigen hebben verklaard en de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring(en).</p>\n<p class=\"lf-p\">De door het hof voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen worden (op onderdelen) ondersteund door onderdelen van de verklaringen van de andere genoemde getuigen, die elkaar aanvullen en versterken; noch in de wijze van waarneming, noch in de mate van consistentie op de voor het bewijs essentiële onderdelen zijn redenen gelegen om aan de accuratesse van die (onderdelen van die) verklaringen te twijfelen. De inhoud van de getuigenverklaringen geeft het hof geen aanleiding om aan de plausibiliteit ervan te twijfelen. Van overigens bijzondere omstandigheden, op grond waarvan de door andere verklaringen ondersteunde verklaringen van de desbetreffende getuige niet voor het bewijs bruikbaar zouden zijn is het hof niet gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar de getuigen de verdachte hebben aangewezen, hebben zij telkens verklaard dat de verdachte een voor hen bekende persoon was. Ofschoon een latere visuele identificatie gevoelig is voor vergissingen, en daarom met voorzichtigheid dient te worden behandeld, zeker indien deze herkenning is gedaan onder moeilijke traumatische omstandigheden, ziet het hof geen aanleiding om die herkenning in dit geval (zondermeer) terzijde te schuiven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet voorts in de persoon van de getuigen geen aanleiding om aan zijn of haar geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te twijfelen. Feiten of omstandigheden die daarop een ander licht zouden kunnen werpen zijn het hof niet gebleken. Niet is gebleken dat de getuigen de verdachte kwaadwillig hebben aangewezen als een van de daders of daarvoor enig belang of motief hadden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ofschoon het hof heeft geconstateerd dat de diverse voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen (op onderdelen) tegenstrijdigheden bevatten, zijn die niet van zodanig doorslaggevend belang gebleken dat de desbetreffende verklaringen voor het bewijs buiten beschouwing dienden te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover al in de achtereenvolgende verklaringen van voornoemde getuigen enige inconsistenties aanwezig zijn, acht het hof die van ondergeschikt belang en wijst het hof voorts in het bijzonder - als plausibele oorzaak - op het tijdsverloop sedert de gebeurtenissen van 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.4 De eigen verklaring van de verdachte De verdachte heeft bij voortduring enig aandeel in het hem tenlastegelegde feit ontkend. Het hof hecht geen geloof aan deze ontkenning. De gebezigde bewijsmiddelen rechtvaardigen buiten redelijke twijfel de bewezenverklaring.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">16.</span>Oorlogsmisdrijven 16.1 Wettelijke kader en volkenrechtelijke rechtsbronnen De verdachte zijn diverse strafbare feiten tenlastegelegd, primair als onderdeel van oorlogsmisdrijven. Het hof sluit zich ter zake van het bij oorlogsmisdrijven toepasselijke wettelijke kader en de volkenrechtelijke rechtsbronnen, grotendeels aan bij het onderstaande juridische kader zoals dat ook door de rechtbank is vastgesteld.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ten tijde van de tenlastegelegde feiten werden oorlogsmisdrijven onder andere in artikel 8 (oud) Wet Oorlogsstrafrecht (WOS) strafbaar gesteld. Artikel 8 (oud) WOS luidde toen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Hij die zich schuldig maakt aan schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd:</div>\n<p class=\"lf-p\">1°. indien van het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander te duchten is;</p>\n<p class=\"lf-p\">2°. indien het feit een onmenselijke behandeling inhoudt;</p>\n<p class=\"lf-p\">3°. indien het feit inhoudt het een ander dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden;</p>\n<p class=\"lf-p\">4°. indien het feit plundering inhoudt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd:</div>\n<p class=\"lf-p\">1°. indien het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander tengevolge heeft dan wel verkrachting inhoudt;</p>\n<p class=\"lf-p\">2°. indien het feit inhoudt geweldpleging met verenigde krachten tegen een of meer personen dan wel geweldpleging tegen een dode, zieke of gewonde;</p>\n<p class=\"lf-p\">3°. indien het feit inhoudt het met verenigde krachten vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken van enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort;</p>\n<p class=\"lf-p\">4°. indien het feit, in het voorgaande lid bedoeld onder 3° of 4°, wordt gepleegd met verenigde krachten;</p>\n<p class=\"lf-p\">5°. indien het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan;</p>\n<p class=\"lf-p\">6°. indien het feit inhoudt een schending van een gegeven belofte, of een schending van een met de tegenpartij als zodanig gesloten overeenkomst;</p>\n<p class=\"lf-p\">7°. indien het feit inhoudt misbruik van een door de wetten en gebruiken van de oorlog beschermde vlag of teken dan wel van de militaire onderscheidingstekenen of de uniform van de tegenpartij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8 (oud) WOS is met ingang van 1 oktober 2003 vervangen door de artikelen 5, 6 en 7 van de Wet Internationale Misdrijven (WIM). Er heeft zich derhalve een verandering van wetgeving voorgedaan. Ingevolge het bepaalde in artikel 1 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, dat uitdrukking geeft aan de erkenning van het legaliteitsbeginsel voor het (materiële) strafrecht, dient het hof te onderzoeken of sprake is van een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van de in dit kader relevante gedraging. Indien dat het geval is, dient het hof vast te stellen welke strafbepaling voor de verdachte een gunstiger bepaling oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wetgever heeft in de WIM gekozen voor een hercodificatie van de strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven. In plaats van een ruime en open geformuleerde strafbepaling waarin artikel 8 (oud) WOS rechtstreeks verwees naar het humanitair oorlogsrecht dat zowel geschreven als ongeschreven bronnen omvat128, is in de WIM gekozen voor een gespecificeerde uitwerking van de verschillende misdrijven. Artikel 5 WIM betreft de strafbaarstelling van de oorlogsmisdrijven gepleegd in een internationaal gewapend conflict, artikel 6 WIM de oorlogsmisdrijven gepleegd in een niet-internationaal gewapend conflict, artikel 7 WIM fungeert in navolging van de WOS als een 'vangnetbepaling', waarin overige schendingen van het internationaal humanitair oorlogsrecht worden strafbaar gesteld.129 In artikel 7 WIM is de terminologie van artikel 8 WOS 'wetten en gebruiken van oorlog' overgenomen.130 Blijkens de wetsgeschiedenis van de WIM wordt de nationale rechter aangespoord zich voor wat betreft het juridische kader in belangrijke mate te laten leiden door de rechtspraak van de internationale gerechten.131 Ook het hof zal voor de beoordeling van dit wettelijk kader en de rechtsbronnen aansluiting zoeken bij deze rechtspraak, die immers een (belangrijke) indicatie vormt van de ontwikkeling hierover in het internationaal gewoonterecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hercodificatie komt niet voort uit een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de in dit kader relevante strafbaar gestelde gedragingen, dat tot toepassing van artikel 1 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht aanleiding zou geven. Dit gewijzigd inzicht kan ook niet worden afgeleid uit de strafbedreiging, waarin de WIM voor wat betreft oorlogsmisdrijven niet wezenlijk verschilt van de WOS en aansluiting is gezocht bij in de WOS aanwezige strafverzwaringsgronden.132 Ook in uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage en van dit gerechtshof is reeds vastgesteld dat artikel 1 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing vindt.133 Het hof acht derhalve artikel 8 (oud) WOS van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directe aanleiding voor de strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven in de WOS begin jaren vijftig vormden de vier Verdragen Geneve van 12 augustus 1949. In deze verdragen staan centraal de verschillende categorieën van beschermde personen. Deze categorieën zijn respectievelijk gewonden en zieken zich bevindende bij de strijdkrachten te velde (Verdrag I), gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee (Verdrag II), krijgsgevangenen (Verdrag III) en burgers in oorlogstijd (Verdrag IV).134 De wetgever zag in de in die Verdragen vervatte verplichtingen tot strafbaarstelling en vervolging van ernstige schendingen van die Verdragen 'een dringende reden om thans tot een definitieve wettelijke regeling te komen'.135 Gekozen is, zoals volgt uit het vorenoverwogene, voor een verwijzing naar 'wetten en gebruiken van oorlog'. In de memorie van toelichting wordt vermeld dat hieronder wordt verstaan: \"Het delict in het eerste lid van artikel 8 omschreven, is het zich schuldig maken aan schending van de wetten en de gebruiken van de oorlog. Deze bepaling verwijst derhalve rechtstreeks naar het oorlogsrecht, niet alleen naar het geschreven oorlogsrecht, dat in internationale overeenkomsten is neergelegd, doch ook naar het internationaal gewoonterecht, voor zover op oorlog betrekking hebbende.\"136 De formulering van artikel 8 lid 1 (oud) WOS verwijst de rechter naar een veelvoud van mogelijk toepasselijke bronnen, zonder nadere specificatie. Van de rechter wordt verlangd dat hij zich voor de toepassing van de delictsomschrijvingen van artikel 8 (oud) WOS oriënteert op het internationale recht en de internationale rechtspraak zoals die zich met name heeft gevormd na de Tweede Wereldoorlog.137 Het begrip 'de wetten en gebruiken van oorlog' verwijst, zoals overwogen, naar onder andere de hiervoor genoemde vier Geneefse Verdragen maar ook naar de daarbij behorende, later tot stand gekomen Aanvullende Protocollen I en II daterend van 8 juni 1977.138 De Verdragen van Geneve zijn in hun volle omvang van toepassing op internationale gewapende conflicten en, voor een beperkt onderdeel, op niet-internationale (interne) conflicten. Deze vier verdragen bevatten een gelijkluidend artikel 3, ook Gemeenschappelijk artikel 3 genoemd. Dit Gemeenschappelijk artikel 3 bevat minimumgedragsnormen ten aanzien van de (menswaardige) bejegening van \"personen, die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen\", waaraan de strijdende partijen zich bij een niet-internationaal gewapend conflict dienen te houden.139 Uit de (vaste) jurisprudentie van de internationale ad hoc tribunalen volgt dat Gemeenschappelijk artikel 3, zoals omschreven in de Verdragen van Genève, de status heeft van internationaal gewoonterecht.140</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenschappelijk artikel 3 luidt als volgt (in de Nederlandse vertaling): [1.] In geval van een gewapend conflict op het grondgebied van één der Hoge Verdragsluitende partijen, hetwelk geen internationaal karakter draagt, is ieder der Partijen bij het conflict gehouden ten minste de volgende bepalingen toe te passen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft nedergelegd, en zij die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak, moeten onder alle omstandigheden menslievend worden behandeld, zonder enig voor hen nadelig onderscheid, gegrond op ras, huidkleur, godsdienst of geloof, geslacht, geboorte of maatschappelijke welstand of enig ander soortgelijk criterium.</div>\n<p class=\"lf-p\">Te dien einde zijn en blijven te allen tijde en overal ten aanzien vanbovengenoemde personen verboden: a. aanslag op het leven en lichamelijke geweldpleging, in het bijzonder het doden op welke wijze ook, verminking, wrede behandeling en marteling; b. het nemen van gijzelaars; c. aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling; d. het uitspreken en tenuitvoerleggen van vonnissen zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Aanvullende Protocollen I en II vullen een aantal hiaten op in de Geneefse Verdragen. Het Aanvullend Protocol I doet dit voor internationale gewapende conflicten, het Aanvullend Protocol II voor niet-internationaal gewapende conflicten. Doelstelling van het Aanvullend Protocol II is de (verdere) verbetering van de bescherming van de burgers en anderen die niet (meer) deelnemen aan de gewapende strijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 Aanvullend Protocol II, dat de reikwijdte van dit Protocol bepaalt, luidt als volgt (in de Nederlandse vertaling):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Dit Protocol, dat de gemeenschappelijke artikelen 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 uitbreidt en aanvult, zonder wijziging aan te brengen in de omstandigheden waaronder deze artikelen thans worden toegepast, is van toepassing op alle gewapende conflicten, waarop artikel 1 van het Aanvullende Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Protocol I) niet van toepassing is, en die plaatsvinden op het grondgebied van een Hoge Verdragsluitende Partij tussen de strijdkrachten van die Partij en dissidente strijdkrachten of andere georganiseerde gewapende groepen die, staande onder een verantwoordelijk bevel, het grondgebied van die partij gedeeltelijk beheersen op een zodanige wijze dat zij in staat zijn aanhoudende en samenhangende militaire operaties uit te voeren en de bepalingen van dit Protocol toe te passen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit Protocol is niet van toepassing op situaties van interne ongeregeldheden en spanningen, zoals rellen, op zichzelf staande en sporadisch voorkomende daden van geweld en andere handelingen van soortgelijke aard, die niet zijn te beschouwen als gewapende conflicten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4 Aanvullend Protocol II luidt als volgt (in de Nederlandse vertaling):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Allen die niet rechtstreeks deelnemen of niet meer deelnemen aan de vijandelijkheden maken ongeacht of hun vrijheid is beperkt of niet, aanspraak op eerbiediging van hun persoon, eer, overtuigingen en het uitoefenen van hun godsdienst. Zij moeten onder alle omstandigheden menselijk worden behandeld, zonder enig nadelig onderscheid. Het is verboden het bevel te geven dat niemand mag overleven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Onverminderd het algemene karakter van de voorgaande bepalingen zijn en blijven de volgende daden, gericht tegen de in het eerste lid bedoelde personen, te allen tijde en op iedere plaats verboden: (a) geweld, gericht tegen het leven, de gezondheid en het lichamelijke of geestelijke welzijn van personen, in het bijzonder moord, evenals wrede behandeling zoals marteling, verminking of lijfstraffen in wat voor vorm dan ook; (b) collectieve straffen; (c) het nemen van gijzelaars; (d) daden van terrorisme; (e) aanslagen op de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling, verkrachting, gedwongen prostitutie en iedere vorm van aanranding van de eerbaarheid; (f) slavernij en slavenhandel in iedere vorm; (g) plundering; (h) bedreiging met een van de bovengenoemde daden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Kinderen moeten de zorg en hulp ontvangen die zij nodig hebben, en in het bijzonder: (a) dienen zij een opvoeding te krijgen, daaronder begrepen een godsdienstige en morele opvoeding, overeenkomstig de wensen van hun ouders of, bij afwezigheid van hun ouders, van diegenen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor die kinderen; (b) dienen alle geëigende stappen te worden genomen om de hereniging van gezinnen waarvan de leden tijdelijk van elkaar zijn gescheiden, te vergemakkelijken; (c) dienen kinderen die de leeftijd van vijftien jaar nog niet hebben bereikt, noch in dienst te worden geroepen bij de strijdkrachten of gewapende groepen, noch dient het hun te worden toegestaan aan de vijandelijkheden deel te nemen; (d) blijft de bijzondere bescherming, door dit artikel verleend aan kinderen die de leeftijd van vijftien jaar nog niet hebben bereikt, op hen van toepassing wanneer zij ondanks de bepalingen van letter (c) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen en gevangen worden genomen; (e) dienen, wanneer nodig, maatregelen te worden genomen, zo mogelijk met toestemming van de ouders of de personen die krachtens de wet of het gebruik in de eerste plaats voor de zorg voor de desbetreffende kinderen verantwoordelijk zijn, om kinderen tijdelijk uit het gebied waarin vijandelijkheden plaatsvinden over te brengen naar een veiliger gebied in het land, en te verzekeren dat zij worden vergezeld door voor hun veiligheid en welzijn verantwoordelijke personen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenschappelijk artikel 3 is aanwezig in alle vier de Geneefse Verdragen, met dezelfde inhoud en de materiële inhoud van deze bepaling is van toepassing qua gewoonterecht, zowel op de interne als ook op de internationale conflicten. Ofschoon Aanvullend Protocol II als geheel nog niet kan worden beschouwd integraal deel uit te maken van het internationaal gewoonterecht, vormen veel van de bepalingen ervan wel een weerspiegeling van het gewoonterecht en worden deze beschouwd als een bevestiging van de bestaande gewoonterechtelijke regels.141 Met betrekking tot de relatie tussen Gemeenschappelijk artikel 3 en het Aanvullend Protocol II overweegt het hof voorts dat het Aanvullend Protocol II vooral bedoeld was om de positie en de bescherming van burgers tijdens de interne gewapende conflicten te verbeteren door het ontwikkelen en aanvullen van Gemeenschappelijk artikel 3 zonder wijziging van de bestaande voorwaarden van de toepassing van deze bepaling. In de praktijk heeft het Aanvullend Protocol II de bescherming van de Conventies van Genève verder uitgebreid en uitgewerkt.142 Het protocol was niet bedoeld om de autonomie van het regime van Gemeenschappelijk artikel 3 te verminderen noch de voorwaarden voor de toepassing van Gemeenschappelijk artikel 3, noch de reikwijdte van de bescherming ervan werden gewijzigd door Aanvullend Protocol II.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.2 Individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid Het hof merkt allereerst op dat uit de delictsomschrijving van de in deze strafzaak telkens primair tenlastegelegde feiten voortvloeit dat hij die zich, als dader of als mededader, schuldig maakt aan schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, krachtens conventioneel geschreven oorlogsrecht, zoals dat voortvloeit uit de diverse verdragen of internationaal gewoonterecht, individueel strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor oorlogsmisdrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de delictsomschrijving niet uitdrukkelijk vermeldt dat een specifieke hoedanigheid is vereist voor het kunnen plegen van de tenlastegelegde oorlogsmisdrijven, vloeit uit het contextuele bestanddeel van het gewapend conflict voort dat in beginsel slechts militairen, leden van andere gewapende groeperingen, alsmede hun militaire en civiele leiders en opdrachtgevers onder deze bepalingen kunnen vallen.143 De verschillende vormen van de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid vinden hun rechtsgrond in de verdragen, het internationaal gewoonterecht of in beide. Het feit dat een specifieke vorm van individuele aansprakelijkheid in het gewoonterecht erkenning heeft gevonden is om twee redenen van belang: (i) in tegenstelling tot de relevante verdragen, is het internationaal humanitair gewoonterecht bindend voor alle staten en hetzelfde geldt voor de persoon die wordt beschuldigd (die eveneens gebonden is aan het internationale (strafrechtelijke) gewoonterecht en (ii) het is vaste praktijk van de tribunalen om een verdachte niet aansprakelijk te houden voor betrokkenheid bij het plegen van een bepaald strafbaar feit, tenzij dat misdrijf erkenning heeft gevonden in het (internationale) gewoonterecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts levert niet elke schending van de wetten en gebruiken van oorlog, - het humanitair oorlogsrecht -, een oorlogsmisdrijf op. Alleen ernstige schendingen ('serious violations') van het humanitair oorlogsrecht worden in het internationale recht bedreigd met individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid. Aangenomen moet worden dat de wetgever de strafbaarstelling van artikel 8 WOS (oud) tot die ernstige schendingen van het oorlogsstrafrecht heeft willen beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor reeds werd overwogen dient de Nederlandse rechter zich voor het trekken van de grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid te oriënteren op het internationale recht. Derhalve zal het hof moeten onderzoeken of de aan de verdachte verweten gedragingen te gelden hebben als ernstige schendingen van het humanitair oorlogsrecht en (derhalve) strafbaar zijn 'according to general principles of law recognized by the community of nations'144 Een schending is ernstig indien daardoor elementaire humanitair-rechtelijke normen, zoals die zijn vastgelegd in verdragen of onderdeel uitmaken van het internationaal gewoonterecht, worden geschonden en de schending ernstige gevolgen heeft voor het slachtoffer.145Aan deze eis is voldaan indien de gedraging die het humanitaire recht schendt beschermde personen of goederen in gevaar brengt of in strijd is of een schending inhoudt van regels die belangrijke waarden beschermen.146 De ernstige inbreuken van de bepalingen van de Geneefse Verdragen zorgen voor universele rechtsmacht over zulke schendingen en impliceren, tegelijkertijd, een plicht van de staten om dergelijke ernstige schendingen te vervolgen of om vermeende oorlogsmisdadigers uit te leveren. Indien tenslotte een ernstige schending wordt geconstateerd, dan resulteert dit in individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid naar internationaal recht.147 Traditioneel is de notie van oorlogsmisdaden beperkt tot internationaal gewapende conflicten. In het licht van het intern karakter van het gewapend conflict in Rwanda, is evenwel besloten om het ICTR jurisdictie te geven over schendingen van het humanitair recht in een niet-internationaal gewapend conflict. En hoewel de Statuten van het Joegoslavië-tribunaal (hierna: ICTY148) niet uitdrukkelijk voorzien in rechtsmacht over de schendingen van het humanitaire recht begaan in niet-internationaal gewapend conflict, blijkt uit de jurisprudentie van dit tribunaal dat schendingen van het humanitair recht in het kader van niet-internationaal gewapende conflicten eveneens kunnen leiden tot individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens het internationale recht. In de richtinggevende uitspraak in de zaak Tadic, heeft de Appeals Chamber van het ICTY geoordeeld dat onder het gewoonterecht vele regels van het humanitair recht die van toepassing zijn op internationale gewapende conflicten tevens gelden voor niet-internationale gewapende conflicten.149 De vaststelling dat uit schendingen van het internationaal humanitair recht in niet-internationale gewapende conflicten individuele aansprakelijkheid voortvloeit op grond van gewoonterecht was gebaseerd op de overweging dat bestraffing van de daders nodig was om de handhaving van het humanitair recht te waarborgen.150</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel Gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Geneve minimumregels vaststelt die gelden voor gewapende conflicten met een niet-internationaal (intern) karakter, die later werden uitgebreid door het Aanvullend Protocol II, bevat deze bepaling geen expliciete verwijzing naar de strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens schending van de bepalingen ervan. Desondanks voldoen ernstige schendingen van de in Gemeenschappelijk artikel 3 vervatte verboden aan de eisen voor individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid naar internationaal recht.151 Gemeenschappelijk artikel 3 maakt, zoals reeds overwogen, onderdeel uit van de vier Geneefse Verdragen van 1949 die nagenoeg universeel zijn geratificeerd, onder andere door Nederland en op 5 mei 1964 door Rwanda. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat handelen in strijd met Gemeenschappelijk artikel 3 van het Verdrag [inzake de bescherming van burgers in oorlogstijd, zijnde één van de Geneefse Verdragen] het in art. 8 (oud) WOS omschreven misdrijf oplevert.152 In de Statuten van de diverse internationale ad hoc tribunalen worden schendingen van Gemeenschappelijk artikel 3 eveneens strafbaar gesteld. Het Statuut van het ICTR stelt in artikel 4 ernstige schendingen van het Gemeenschappelijk artikel 3 strafbaar. In artikel 6 van dit Statuut is voorts bepaald dat onder andere degene die zich schuldig maakt aan het bepaalde in artikel 4 voornoemd individueel strafrechtelijk aansprakelijk is. Voorts wordt in artikel 3 van het Statuut van het ICTY verwezen naar de 'laws or customs of war'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de rechtspraak van het ICTY blijkt dat daaronder (onder meer) schendingen van Gemeenschappelijk artikel 3 vallen.153 Ook kan artikel 3 van het Statuut van het Speciale Hof voor Sierra Leone worden genoemd waarin naar het Gemeenschappelijk artikel 3 wordt verwezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernstige schendingen van de in het Aanvullend Protocol II vervatte verboden voldoen eveneens aan de eisen voor individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid naar internationaal recht. Hiertoe heeft het hof vastgesteld dat het Aanvullend Protocol II eveneens internationaal breed is geratificeerd. Rwanda heeft dit Protocol geratificeerd op 19 november 1984 en derhalve ruim voor de tenlastegelegde periode. Verder stelt artikel 4 van het Statuut van het ICTR schending van het Aanvullend Protocol II strafbaar. In artikel 6 van dit Statuut is voorts - zoals hiervoor reeds is vermeld - bepaald dat onder andere degene die zich schuldig maakt aan het bepaalde in artikel 4 voornoemd individueel strafrechtelijk aansprakelijk is. In de uitspraken van het ICTR is vastgesteld dat de strafbare feiten die worden opgesomd in artikel 4 van haar Statuut, tevens misdrijven vormen onder de wetten van Rwanda en dat de RPF, een van de partijen bij het gewapend conflict, tegenover het International Rode Kruis heeft verklaard dat het gebonden was aan de regels van het internationaal humanitaire recht.154 Artikel 4 van het Aanvullend Protocol II, zijnde één van de de in artikel 8 WOS (oud) bedoelde schendingen van de wetten van oorlog, verbiedt 'te allen tijde en op iedere plaats' bedreiging met geweld, op dezelfde wijze als het de daadwerkelijke uitoefening van geweld verbiedt. Uit deze formulering blijkt dat het hierbij om een fundamentele norm gaat. In het Statuut van het ICTR is in artikel 4 sub h de bedreiging met geweld ook als zelfstandig te vervolgen oorlogsmisdrijf opgenomen. Dat bedreiging met geweld een ernstige schending van het oorlogsrecht oplevert, blijkt voorts uit het feit dat die bedreiging onder omstandigheden ook kan worden aangemerkt als onmenselijke behandeling en als marteling.155 De in Gemeenschappelijk artikel 3 en een aanzienlijk deel van de in het Aanvullend Protocol II vervatte normen hebben zich ontwikkeld tot internationaal gewoonterecht waarvan ernstige schendingen kunnen worden beschouwd als een oorlogsmisdrijf. Uit een onderzoek van het Internationale Rode Kruis naar het bestaan en de inhoud van gewoonterechtelijk oorlogsrecht, volgt verder dat gewoonterechtelijke regels, waarvan ernstige schending beschouwd moet worden als oorlogsmisdrijf - voor wat betreft een niet-internationaal gewapend conflict - kunnen worden vastgesteld op basis van de inhoud van Gemeenschappelijk artikel 3 en het Aanvullend Protocol II. Volgens de Internationale Rode Kruis-studie hebben deze verdragen zich, als het gaat om oorlogsmisdrijven, voor een aanzienlijk deel ontwikkeld tot gewoonterecht.156 Verder worden schendingen van het humanitair recht, die in het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof zijn gecodificeerd als oorlogsmisdrijven in een niet-internationaal gewapend conflict, gezien als basis voor gewoonterechtelijke normen.157</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het overwogene komt het hof tot de slotsom dat de personen die verantwoordelijk zijn voor de schendingen van het humanitair oorlogsrecht, zoals neergelegd in de tenlastegelegde Gemeenschappelijk artikel 3, het Aanvullend Protocol II en in het internationaal gewoonterecht, tijdens de gebeurtenissen op het Rwandese grondgebied in 1994, individueel strafrechtelijk aansprakelijk zijn naar internationaal recht en derhalve kunnen worden onderworpen aan rechtsvervolging.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.3 Vereisten voor oorlogsmisdrijven in een niet-internationaal gewapend conflict Op grond van Gemeenschappelijk artikel 3 en het Aanvullend Protocol II, alsmede de invulling die daaraan is gegeven in de literatuur en de (internationale) rechtspraak van de ad hoc tribunalen, is er sprake van een oorlogsmisdrijf in een niet-internationaal gewapend conflict indien er is voldaan aan de volgende vereisten: (i) er moet sprake zijn van een gewapend conflict op het grondgebied van een der verdragsluitende partijen in de in de tenlastegelegde periode; (ii) er bestaat een voldoende verband tussen het strafbare feit en het gewapende conflict en (iii) het slachtoffer behoort tot een van de categorieën beschermde personen bedoeld in Gemeenschappelijk artikel 3.158 16.3.1 Gewapend conflict Ingevolge de vaste jurisprudentie van de internationale ad hoc tribunalen159 is er sprake van een gewapend conflict wanneer er toevlucht wordt genomen tot gewapend geweld tussen staten of wanneer er sprake is van langdurige gewapend geweld tussen overheidsinstanties en georganiseerde gewapende groepen of tussen deze groepen binnen een staat.160 In deze definitie wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal gewapende conflicten aan de ene kant (gewapend geweld tussen twee of meer staten) en de niet-internationaal (intern) gewapende conflicten aan de andere kant (gewapend geweld tussen strijdkrachten van een staat en dissidente strijdkrachten of andere georganiseerde gewapende groepen of tussen deze groepen binnen de staat).161 De definitie van een intern gewapend conflict focust zich op twee aspecten van het (interne) conflict: a) de intensiteit en de duur van de vijandelijkheden en b) de mate van organisatie van de strijdende partijen.162 De beoordeling van de vraag of de vijandelijkheden van voldoende intensiteit zijn om te kunnen spreken van een gewapend conflict is niet afhankelijk van de subjectieve beoordeling en evaluatie van de partijen van het conflict, maar van het objectieve en feitelijke niveau van het geweld dat wordt gebruikt in de confrontatie tussen de strijdende partijen: \"the ascertainment of the intensity of a non-international conflict does not depend on the subjective judgment of the parties in the conflict. [...] If the application of international humanitarian law depended solely on the discretionary judgment of the parties to the conflict, in most cases there would be a tendency for the conflict to be minimized by the parties thereto.\" 163 Voorts moeten de bij het conflict betrokken partijen een minimale graad van organisatie en samenhang hebben die hen als zodanig in staat stellen om militaire operaties te plannen en uit te voeren en discipline op te leggen binnen hun gelederen.164 In het bijzonder moeten de troepen in alle gevallen onder verantwoordelijk bevel staan ??en in staat zijn om aan de minimale normen van het humanitair recht te voldoen:</p>\n<p class=\"lf-p\">\"An armed conflict is distinguished from internal disturbances by the level of intensity of the conflict and the degree of organization of the parties to the conflict\".165 In de zaak Limaj overwoog de Trial Camber van het ICTY dat een zekere mate van organisatie door de partijen zal volstaan om het bestaan van een gewapend conflict vast te stellen. Deze graad hoeft volgens de Trial Chamber niet hetzelfde te zijn als die welke vereist is voor de vaststelling van de verantwoordelijkheid van leidinggevenden voor de handelingen van hun ondergeschikten binnen de organisatie.166 In geval van een intern gewapend conflict hoeven geen van de bij het conflict betrokken partijen overigens de legitieme autoriteiten te vertegenwoordigen. Evenmin is het noodzakelijk dat een van de partijen bij het conflict de controle uitoefent over een (aanzienlijk) deel van een grondgebied, ofschoon dit feit relevant zou kunnen zijn voor de vaststelling dat de vijandelijkheden inderdaad meer zijn dan louter banditisme of opstand. Gevallen van banditisme, ongeorganiseerde en kortstondige opstand of terroristische activiteiten zijn immers niet onderworpen aan het internationaal humanitair recht.167 Voorzover het de toepassing van de wetten van de oorlog betreft, strekt de temporele en de geografische reikwijdte van zowel de interne als internationale gewapende conflicten zich verder uit dan de exacte tijd en plaats van de vijandelijkheden.168 Zo is voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een gewapend conflict, niet doorslaggevend dat wordt vastgesteld dat er een gewapend conflict is 'op iedere vierkante centimeter van het gebied' waar zich de militaire activiteiten afspelen. In de zaak Kunarac heeft de Appeals Chamber van het ICTY het aldus overwogen: \"The state of armed conflict is not limited to the areas of actual military combat but exists across the entire territory under the control of the warring parties.\"169 Met andere woorden: zodra er is vastgesteld dat de verweten gedragingen hebben plaatsgevonden binnen het grondgebied waarover een van de strijdende partijen bij het conflict controle heeft (gehad), zullen de wetten en gebruiken van de oorlog in principe gelden voor het gehele grondgebied van de strijdende partijen, ongeacht of er op dat moment en op die plaats feitelijke gevechtshandelingen plaatsvonden. Deze wetten en gebruiken van oorlog blijven in dat geval van toepassing tot een algemene vredesregeling is bereikt, of in het geval van interne gewapende conflicten, tot een vreedzame oplossing is bereikt.170</p>\n<p class=\"lf-p\">16.3.2 Nexus tussen strafbaar feit en gewapend conflict Het hof stelt voorop dat niet alle misdrijven die zijn gepleegd tijdens een gewapend conflict tevens oorlogsmisdrijven zijn. Wil er sprake zijn van een oorlogsmisdrijf dan moet het tenlastegelegde misdrijf tevens in voldoende nauwe relatie staan ('a clear nexus') tot het gewapend conflict.171Deze nauwe relatie tussen gewapend conflict en criminele handelwijze van de pleger, de nexus, onderscheidt oorlogsmisdrijven van 'gewone' commune misdrijven gepleegd tijdens - maar niet verband houdende met - een gewapend conflict.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oorlogsmisdaden hoeven evenwel niet zo verweven te zijn met de oorlog dat wanneer identiek crimineel gedrag zich zou hebben voorgedaan in vredestijd, dergelijke strafbare feiten niet kunnen worden beschouwd als oorlogsmisdaden begaan ten tijde van de oorlog.172 De strafbaarheid van de oorlog overlapt een veel met vredestijd criminaliteit en veel van die handelingen die in aanmerking zouden komen als oorlogsmisdrijven (zoals moord en verkrachting) zouden vaak te kwalificeren zijn als binnenlandse strafbare feiten, indien begaan in vredestijd, zodat het feit dat bepaalde handelingen of gedragingen kunnen vallen in een categorie niet uitsluit dat ze ook zou vallen in de andere.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Appeals Chamber van het ICTR heeft in de zaak Rutaganda de contouren van de ondergrens van de nexus als volgt geschetst: \"It is only necessary to explain two matters. First, the expression under the guise of the armed conflict\" does not mean simply at the same time as an armed conflict\" and/or \"in any circumstances created in part of the armed conflict\". For example, if a non-combatant takes advantage of the lessened effectiveness of the police in conditions of disorder created by an armed conflict to murder a neighbour he has hated for years, that would not, without more, constitute a war crime under Article 4 of the Statute.\"173 De functie van het nexus-vereiste is derhalve in wezen tweeledig. In de eerste plaats dient het om oorlogsmisdaden te onderscheiden van de zuiver commune misdaden. In de tweede plaats, is de nexus-eis noodzakelijk om louter toevallige of geïsoleerde criminele voorvallen die geen oorlogsmisdaden vormen in het kader van de internationale wetten van oorlog uit te sluiten. Bedoelde willekeurige of geïsoleerde incidenten worden in beginsel gesanctioneerd door de nationale wetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet zich voor de vraag gesteld welke invulling moet worden gegeven aan de vereiste nauwe samenhang van de bewezenverklaarde feiten met het gewapende conflict, met andere woorden: welke factoren kunnen bijdragen om de nexus vast te stellen? Het hof bij de beantwoording van die vraag aansluiting gezocht bij de uitspraken van de ad hoc tribunalen, die bij de invulling van dit vereiste als richtinggevend kunnen worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na te hebben verduidelijkt dat een oorlogsmisdrijf in nauw verband moet staan tot de vijandelijkheden ('closely related to the hostilities')174, heeft de Appeals Chamber van het ICTY in de gezaghebbende uitspraak over het nexus-vereiste overwogen dat, in de concrete omstandigheden, de volgende beginselen dienen te worden toegepast: \"57. There is no necessary correlation between the area where the actual fighting is taking place and the geographical reach of the laws of war. The laws of war apply in the whole territory of the warring states or, in the case of internal armed conflicts, the whole territory under the control of a party to the conflict, whether or not actual combat takes place there, and continue to apply until a general conclusion of peace or, in the case of internal armed conflicts, until a peaceful settlement is achieved. A violation of the laws or customs of war may therefore occur at a time when and in a place where no fighting is actually taking place. As indicated by the Trial Chamber, the requirement that the acts of the accused must be closely related to the armed conflict would not be negated if the crimes were temporally and geographically remote from the actual fighting. It would be sufficient, for instance, for the purpose of this requirement, that the alleged crimes were closely related to hostilities occurring in other parts of the territories controlled by the parties to the conflict.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">58.</span>What ultimately distinguishes a war crime from a purely domestic offence is that a war crime is shaped by or dependent upon the environment - the armed conflict - in which it is committed. It need not have been planned or supported by some form of policy. The armed conflict need not have been causal to the commission of the crime, but the existence of an armed conflict must, at a minimum, have played a substantial part in the perpetrator's ability to commit it, his decision to commit it, the manner in which it was committed or the purpose for which it was committed. Hence, if it can be established, as in the present case, that the perpetrator acted in furtherance of or under the guise of the armed conflict, it would be sufficient to conclude that his acts were closely related to the armed conflict. The Trial Chamber's finding on that point is unimpeachable.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">59.</span>In determining whether or not the act in question is sufficiently related to the armed conflict, the Trial Chamber may take into account, inter alia, the following factors: the fact that the perpetrator is a combatant; the fact that the victim is a non-combatant; the fact that the victim is a member of the opposing party; the fact that the act may be said to serve the ultimate goal of a military campaign; and the fact that the crime is committed as part of or in the context of the perpetrator's official duties.\"175 Uit deze richtinggevende uitspraak kan worden geconcludeerd dat het gewapend conflict een substantiële invloed moet hebben gehad op de mogelijkheid van de dader om het misdrijf te plegen, op zijn beslissing om het te plegen, op de manier waarop het werd gepleegd of op het doel waarvoor het werd gepleegd.176Indien kan worden vastgesteld dat de pleger van het desbetreffende misdrijf handelde 'in the furtherance of or under the guise of the armed conflict', dan is er volgens de Appeals Chamber voldaan aan het nexus-vereiste. De overige in de hiervoor in rechtsoverweging 59 van die uitspraak genoemde criteria (het feit dat de dader, in tegenstelling tot het slachtoffer, is een militair of strijder, dat het slachtoffer een lid is van de andere partij etc.), zijn factoren die kunnen bijdragen tot het bewijs van de nexus.</div>\n<p class=\"lf-p\">Uit de jurisprudentie van de ad hoc tribunalen blijkt overigens dat het gewapende conflict niet de oorzaak hoeft te zijn van het plegen van het misdrijf om dit als een oorlogsmisdaad te kunnen kwalificeren177, ofschoon het gewapende conflict een substantieel aandeel moet hebben gehad in de mogelijkheid van de dader om het strafbare feit te plegen, zijn beslissing daartoe, de wijze waarop of het doel waarvoor het strafbare feit is gepleegd.178 Ofschoon het plaatsvinden van daadwerkelijke gevechtshandelingen tijdens of in de buurt van het misdrijf een factor is die kan bijdragen om een nexus vast te stellen tussen de tenlastegelegde strafbare gedraging en het gewapend conflict, houdt het nexus-vereiste niet noodzakelijkerwijs een strikte geografische of temporele toevalligheid tussen de handelingen van de dader en het gewapend conflict in.179Om een misdrijf te kunnen kwalificeren als oorlogsmisdrijf hoeft het misdrijf hoeft niet te worden gepleegd terwijl er tegelijkertijd wordt gevochten door de partijen bij het conflict, noch hoeft het misdrijf te zijn begaan op de plaats waar de vijandelijkheden zich afspelen. Het is voldoende dat de handelingen van de verdachte voldoende nauw samenhangen met die vijandelijkheden c.q. het gewapend conflict als geheel, bijvoorbeeld omdat de onderliggende misdrijven mogelijk werden gemaakt door het gewapend conflict of er deel van uitmaakten.180 Er is met andere woorden geen noodzakelijk verband tussen het gebied waar de daadwerkelijke gevechten plaatsvinden en het geografische bereik van de wetten van de oorlog: 'There is no neccesary correlation between the area where the actual fighting is taking place and the geographical reach of the laws of war'.181Zoals hiervoor reeds werd overwogen zijn de wetten van de oorlog immers van toepassing en dienen toegepast te blijven op het gehele grondgebied onder de controle van een van de partijen bij het conflict.182 In de zaak Blaskic overwoog de Trial Chamber van het ICTY in dit verband o.a. als volgt: \"69. In addition to the existence of an armed conflict, it is imperative to find an evident nexus between the alleged crimes and the armed conflict as a whole. This does not mean that the crimes must all be committed in the precise geographical region where an armed conflict is taking place at a given moment. To show that a link exists, it is sufficient that: 'the alleged crimes were closely related to the hostilities occurring in other parts of the territories controlled by the parties to the conflict'.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">70.</span>The foregoing observations demonstrate that a given municipality need not be prey to armed confrontation for the standards of international law to apply there.\"183 Het hof verwijst voorts naar de uitspraak van de Trial Chamber in de zaak Kunarac, waar het gerecht overwoog, zakelijk weergegeven, dat de handelingen van de dader (in casu verkrachting en andere vormen van seksueel geweld) nauw verwant waren aan het gewapend conflict, ondanks het feit dat de desbetreffende misdrijven waren begaan over een langere periode, inclusief de tijd waarin er helemaal geen militaire activiteiten hebben plaatsgevonden in de regio waar de misdrijven waren gepleegd. De Trial Chamber komt vervolgens tot de volgende vaststelling: \"Not only were the many underlying crimes made possible by the armed conflict, but they were very much a part of it\".184 Anderzijds is het niet voldoende indien alleen kan worden vastgesteld dat het onderhavige misdrijf plaatsvond terwijl een gewapend conflict aan de gang was, of dat dit misdrijf kon worden gepleegd door de omstandigheden gecreëerd door het gewapende conflict.Voorwaarde blijft dat het crimineel gedrag plaatsvond in het kader van het gewapend conflict en daarmee kan worden geassocieerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Oorlogsmisdaden zijn voorts niet beperkt tot misdaden van een zuiver militaire aard. De categorie van oorlogsmisdaden is uitgebreid buiten de grenzen van de misdaden van militairen en andere gewapende groepen behorende tot de strijdende partijen. Dit impliceert met andere woorden, dat een oorlogsmisdaad in het algemeen kan worden gepleegd door zowel strijders als niet-strijders, zoals de Trial Chamber van het ICTY heeft overwogen in de zaak Vasiljevic: \"Although he did not take part in any fighting, the Accused was closely associated with Serb paramilitaries, his acts were all committed in furtherance of the armed conflict, and he acted under the guise of the armed conflict to commit the crimes which the Trial Chamber accepted to be committed.\" 185 Het hof overweegt tevens dat het nexus-vereiste van toepassing is op de handelingen van de verdachte (zoals feitelijk omschreven in de tenlastelegging) en de oorlog zelf, dat wil zeggen, de omstandigheden, de (feitelijke) gebeurtenissen, en de gevolgen die voortvloeien uit de gevechten tussen twee of meer partijen. Niet is vereist dat de dader op de een of andere manier moet worden gerelateerd of gekoppeld aan een van de partijen bij het conflict. In de zaak Akayesu overwoog de Appeals Chamber van het ICTR hierover als volgt: \"[The] nexus between violations and the armed conflict implies that, in most cases, the perpatrator of the crime will probably have a special relationship with one party to the conflict. However, such a relationship is not a condition precedent to the application of common Article 3 and, hence of Article 4 of the Statute.\"186 Tenslotte wijst het hof nog op het volgende. Zoals hiervoor reeds werd overwogen, is op het grondgebied van Rwanda in 1994 op honderdduizenden Tutsi's genocide gepleegd. Er kan sprake zijn van een nauwe relatie tussen het gewapend conflict en de genocide. Onder omstandigheden is het derhalve heel wel mogelijk dat de criminele handelingen van de verdachte, als onderdeel van de genocide, zelfs indien dit misdrijf onder het voorwendsel van een gewapend conflict wordt gepleegd, zowel zijn te kwalificeren als genocide en als een oorlogsmisdrijf.187Het een sluit het ander niet uit. Hierbij zal uiteraard dienen komen vast te staan dat de genocide gericht was tegen burgers die geassocieerd werden met de tegenovergestelde strijdende partij en dat het gewapende conflict tussen de strijdende partijen bescherming en rechtvaardiging voor de genocide vormde.188Dit is ook in lijn met de eerder aangehaalde uitspraak in de zaak Kunarac en het aldaar geformuleerde criterium dat: \"if can be established (...) that the perpetrator acted in furtherance or under the guise of the armed conflict, it would be sufficient to conclude that his acts were closely related to the armed conflict.\"189</p>\n<p class=\"lf-p\">16.3.3 Beschermde personen als bedoeld in Gemeenschappelijk artikel 3 Het derde, ook nauw met de nexus standaard verbonden, element ter vaststelling van een oorlogsmisdrijf in een niet-internationaal gewapend conflict betreft het vereiste en dat het slachtoffer moet behoren tot een van de categorieën beschermde personen bedoeld in Gemeenschappelijk artikel 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt daarbij voorop dat de strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven beoogt te bevorderen dat gewapende conflicten op een zoveel mogelijk aanvaardbare wijze en in overeenstemming met het oorlogsrecht verlopen. Daarbij dienen de gevolgen van de vijandelijkheden zoveel mogelijk te worden beperkt tot hen die aan de vijandelijkheden deelnemen. Aan de strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven in een niet-internationaal gewapend conflict ligt immers de gedachte ten grondslag dat de (verschrikkelijke) gevolgen van een gewapende strijd dienen te worden beperkt tot diegenen die daarin strijd voeren en dat in het verlengde daarvan een effectieve bescherming dient te worden geboden aan diegenen die aan deze strijd niet (meer) deelnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het met deze strafbaarstelling beoogde belang is de bescherming van mensen die ten tijde van een binnenlandse oorlog slachtoffer (dreigen te) worden van misdrijven die in relatie tot de oorlog worden gepleegd. In de zaak Semanza heeft de Appeals Chamber van het ICTR dit als volgt onder woorden gebracht: 'The purpose of the said provisions [Gemeenschappelijk artikel 3 en het Aanvullend Protocol II; toevoeging hof] is the protection of people as victims of internal armed conflicts, not the protection of peopleagainst crimes unrelated to the conflict, however reprehensible such crimes maybe.'190 De bescherming die wordt geboden door Gemeenschappelijk artikel 3 is in twee opzichten beperkt: in de eerst plaats is Gemeenschappelijk artikel 3 alleen van toepassing op een bepaalde categorie van interne vijandelijkheden en, anderzijds, beschermt het alleen bepaalde categorieën van slachtoffers van de oorlog, namelijk de categorie personen als omschreven in artikel 1 sub 1 van die bepaling. Met betrekking tot de eerste beperking, in Gemeenschappelijk artikel 3 is bepaald dat zij van toepassing is in geval van een gewapend conflict dat een niet-internationaal karakter draagt op het grondgebied van een der Hoge Verdragsluitende partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede beperking is gelegen in de categorie van personen die onder de bescherming vallen. Om door Gemeenschappelijk artikel 3 te worden beschermd moet het slachtoffer ofwel een burger zijn191of iemand die niet actief deelneemt aan de vijandelijkheden, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft neergelegd, en zij die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak. In de zaak Tadic heeft de Appeals Chamber van het ICTY in die zin overwogen dat Gemeenschappelijk artikel 3: 'embraces, at least, all of those protected under the grave breaches regime applicable to conflict of an international character: civilians, prisoners of war, wounded and sick members of the armed forces at sea\".192 Gemeenschappelijk artikel 3 is dus bedoeld voor al diegenen die zich op het grondgebied van de staat waar het conflict plaatsvindt bevinden, met uitzondering van strijders die op dat moment vechten tot hun gevangenneming en burgers die direct deel te nemen aan de vijandelijkheden en die daardoor hun privileges vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alhoewel het gebruik van geweld door burgers om zich te verdedigen tegen de onrechtmatige aanval of plunderingen, verkrachtingen en moord door plunderende soldaten of andere deelnemers aan de strijd ertoe zou kunnen leiden dat de vereiste drempel van door de handeling toegebrachte schade aan personen (dood, verwonding of vernietiging) wordt overschreden, is het uitdrukkelijk niet de bedoeling om een van de partijen bij het conflict te steunen tegen de andere. Indien individuele zelfverdediging tegen verboden geweld zou inhouden dat je niet meer beschermd wordt tegen een directe aanval zou dit immers de (absurde) consequentie hebben dat daardoor een eendere onrechtvaardige aanval gelegitimeerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom kan het gebruik van noodzakelijk en proportioneel geweld in dergelijke situaties niet worden beschouwd als directe participatie aan het gewapend conflict.193 Indien dit wordt vergeleken met de categorieën van personen die worden beschermd door andere relevante wettelijke bepalingen, dan kan worden vastgesteld dat Gemeenschappelijk artikel 3, onder meer, al diegenen omvat die op basis van de Geneefse Conventies worden beschermd tegen ernstige inbreuken, alsmede zij die vallen onder de bescherming van Aanvullend Protocol II. Terwijl Gemeenschappelijk artikel 3 de categorie van beschermde personen limiteert, kan iedereen -strijder en niet-strijder- in principe aansprakelijk worden gesteld voor een ernstige schending van Gemeenschappelijk artikel 3. Dit artikel bevat in principe geen beperking van de categorieën van potentiële daders. Meer in het bijzonder is niet vereist dat de dader op enigerlei wijze gerelateerd is aan een van de partijen bij de gewapende conflicten (ook al is dat in de praktijk vaak het geval).194 17. Feitelijke vaststellingen door het hof Met inachtneming van het vorenstaande en voorts op basis van de voorhanden zijnde bewijsstukken alsmede het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, komt het hof tot de volgende feitelijke vaststellingen die tot de afzonderlijke bewezenverklaringen hebben geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.1 Individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid De verdachte heeft zich samen met anderen, naar internationaal humanitair recht, tegenover de inzittenden van een ambulance, alsmede tegenover personen behorende tot de Tutsi-bevolkingsgroep die zich op het Adventistencomplex bevonden, schuldig gemaakt aan zeer ernstige geweldmisdrijven, in het bijzonder moord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is evident dat dit schendingen zijn van het humanitair oorlogsrecht zoals neergelegd in alle in de tenlastelegging genoemde rechtsbronnen, te weten Gemeenschappelijk artikel 3, het Aanvullend Protocol II en het internationale gewoonterecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte en zijn mededaders hebben vele Tutsi-burgers die zich op het Adventistencomplex bevonden, gedood en tevens hebben zij Tutsi-burgers bij die gelegenheid lichamelijk letsel toegebracht.195 De verdachte en zijn mededaders hebben inzittenden van een ambulance gedood.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenschappelijk artikel 3, eerste lid, onder a en het Aanvullend Protocol II, tweede lid, onder a verbieden aanslagen op het leven en lichamelijke geweldpleging, in het bijzonder moord.</p></div>", "next": 239263}