{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de jas van het slachtoffer en de daarop aangetroffen haren, waaronder haar ALA045, bevinden zich in het dossier diverse deskundigenrapporten en verklaringen. Naar het materiaal van de jas is in hoger beroep nader onderzoek gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">D.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij rapport van 19 maart 2012 heeft NFI-deskundige forensisch haaronderzoek ing. P.E. de Vreede (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 26) een onderzoek verricht aan onder meer haren die zijn veiliggesteld van een jack/jas van het slachtoffer. Dit jack is veiliggesteld bij de sectie. Door de regiopolitie is nog een haar veiliggesteld van de trui van het slachtoffer. Uit de resultaten van het haaronderzoek blijkt dat er circa 52 hoofdharen en hoofdhaardelen zijn geclassificeerd, waarvan er circa 50 passen in het referentiemonster hoofdhaar/schaamhaar van N. van der Hurk. Van één haar (gekenmerkt ALA045) is het mtDNA-profiel gekoppeld aan een onbekende persoon mito-1 en van één haar (gekenmerkt AADJ3208NL) was het mtDNA-profiel door deze deskundige al eerder (rapport d.d. 29 februari 2012, Forensisch Dossier deel 2, bijlage 24) gekoppeld aan [verbalisant 2] (hof: technisch rechercheur, o.a. belast met het bergen van het lichaam van N. van den Hurk).</p>\n<p class=\"lf-p\">D.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 september 2017 van verbalisant [verbalisant 3] is met betrekking tot de door het slachtoffer N. van den Hurk gedragen jas gerelateerd dat het een parka-jas betrof van het merk C&amp;A, type Rodeo. De buitenzijde van de jas bleek uit 100% polyester te bestaan. De foto’s van het label van de jas zijn door de politie gedeeld met de klantenafdeling van winkelketen. De winkelketen heeft navraag gedaan bij een Europese inkoper die nog steeds de Rodeo-collectie inkoopt. Deze persoon heeft bericht dat de buitenkant van de jas is gemaakt van 100% polyester en dat het materiaal door C&amp;A nog steeds veelvuldig wordt gebruikt in door C&amp;A verkochte skikleding.</p>\n<p class=\"lf-p\">D.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het NFI-rapport d.d. 6 november 2013 van ing. J.L.W. Dieltjes, deskundige Forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (Forensisch Dossier deel 3, bijlage 60), is het volgende vermeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het referentiemonster van de betrokkene [verdachte] (AVA293) (hof: verdachte) is een mtDNA-profiel verkregen. Het verkregen mtDNA-profiel is met de mtDNA-profielen van de onbekende personen mito-1 tot en met mito-7 vergeleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt geconcludeerd dat het mtDNA-profiel van de betrokkene [verdachte] AVA293 (hof: verdachte) matcht met het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045, gekoppeld aan onbekende persoon mito-1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat haarspoor ALA045 van de jas van het slachtoffer afkomstig kan zijn van de betrokkene [verdachte] of van iemand die in moederlijke lijn aan de betrokkene [verdachte] verwant is. Ook kan haarspoor ALA045 afkomstig zijn van iemand die op basis van toeval hetzelfde mtDNA-profiel heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de match tussen het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045 en de betrokkene [verdachte] is het van belang om te weten hoe zeldzaam het mtDNA-profiel is, dat zowel bij dit haarspoor als bij de betrokkene is gevonden. Hoe zeldzamer het matchende mtDNA-profiel hoe groter de bewijswaarde van het mtDNA-onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om inzicht te verkrijgen in het aantal personen dat hetzelfde mtDNA-profiel bezit als het mtDNA-profiel van het haarspoor, is gebruik gemaakt van de EMPOP-databank van de internationale forensische werkgroep die zich bezig houdt met mtDNA-onderzoek. Hiertoe is op 30 oktober 2013 het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045 met deze databank vergeleken. Op dat moment bevatte de EMPOP- databank 26230 mtDNA-profielen van referentiemonsters van personen. Deze personen zijn voor dezelfde mtDNA hypervariabele gebieden getypeerd als haarspoor ALA045. De personen in de EMPOP databank zijn van verschillende en over de gehele wereld verspreide populaties. Bij deze vergelijking is gebleken dat het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045 niet in de EMPOP mtDNA-databank voorkomt. Hoewel in een databank met ruim 26 duizend mtDNA-profielen geen matchende mtDNA-profielen zijn gevonden, is het mogelijk dat een onbekend aantal personen (mannen en vrouwen) hetzelfde mtDNA-profiel heeft als haarspoor ALA045. In elk geval hebben alle verwanten in de moederlijke lijn van de betrokkene [verdachte] hetzelfde mtDNA-profiel als het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de wetenschappelijke bewijswaarde van de bevindingen van het vergelijkend mtDNA-onderzoek te kunnen formuleren in verbale termen van waarschijnlijkheid is het volgende hypothesepaar beschouwd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hypothese I:</p>\n<p class=\"lf-p\">Haarspoor ALA045 is afkomstig van de betrokkene [verdachte] , of een in moederlijke lijn aan de betrokkene [verdachte] verwante persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hypothese II:</p>\n<p class=\"lf-p\">Haarspoor ALA045 is niet afkomstig van de betrokkene [verdachte] ; het haarspoor is van een willekeurige, niet in moederlijke lijn aan de betrokkene [verdachte] verwante persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderzoeksresultaten van het mtDNA-onderzoek zijn veel waarschijnlijker als hypothese I waar is, dan als hypothese II waar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat de onderzoeksresultaten van het mtDNA-onderzoek veel waarschijnlijker zijn als haarspoor ALA045 van [verdachte] afkomstig is, dan wanneer het haarspoor niet van [verdachte] afkomstig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">D.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundige Dieltjes is op 12 juni 2014 door de rechter-commissaris gehoord en heeft onder meer verklaard: dat in 2004 een haarwortel is onderzocht om autosomaal onderzoek te kunnen uitvoeren, maar dat dat geen profiel heeft opgeleverd; dat in 2011 het resterende deel van de haar is onderzocht samen met het deel dat in 2004 onderzocht was en dat leverde allebei hetzelfde mtDNA-profiel op, wat ook te verwachten is bij dezelfde haar; dat van de 10 parten van de 1500 bouwstenen van de ‘control region’ er 9 geschikt voor vergelijkend mitochondriaal onderzoek; dat er door het NFI niet tegen de detectiegrens is gerapporteerd, dat doet het NFI nooit; dat als er een match is de bewijswaarde geëvalueerd wordt omdat bekend is dat het onderscheidend vermogen van mitochondriaal DNA materiaal lager is dan van het autosomale DNA; dat hij het mtDNA-profiel heeft vergeleken met de EMPOP-databank, waarin nu ruim 34.000 mtDNA-profielen zijn opgenomen; dat er ruim 26.000 mtDNA-profielen voor hetzelfde gebied zijn geanalyseerd en dus bij de vergelijking zijn betrokken; dat hij wist, althans het sterke vermoeden had, dat het om een Europeaan ging hij ook nog een vergelijking kan maken met alleen Europeanen in de databank; dat hij op grond van de eerste bevinding zou kiezen voor de categorie “zeer veel waarschijnlijker’’ maar hij een categorie lager is gaan zitten vanwege de tweede uitkomst; dat de vergelijking op het mitochondriaal DNA-profiel van verdachte met spoor ALA045 1 op 1 handmatig heeft plaatsgevonden; dat zijn rapport van 6 november 2013, zoals altijd, is geschaduwd, in dit geval door drie mensen; dat het NFI opnamecriteria hanteert voor de databank, waarbij minimaal de fragmenten 2, 3, 6 en 7, de meest polymorfe, moeten worden opgenomen, ze zijn het meest onderscheidend; dat indien één van die vier zou ontbreken het persoon onderscheidend vermogen lager wordt; dat de deskundige blijkens een door hem gemaakte tekening, gehecht aan het verhoor, uit gaat van een sterk mtDNA-profiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">D.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundige Dieltjes is op de zitting van de rechtbank van 9 november 2015 gehoord en heeft onder meer het volgende verklaard (proces-verbaal terechtzitting, pag. 65-66): dat in dit geval van een match wordt gesproken, omdat de profielen met elkaar overeenkomen; dat het bij mtDNA-onderzoek van belang is om te weten of het om een zeldzaam mtDNA-spoor gaat of niet; dat mtDNA over gaat van een moeder op haar kinderen, daarom veel minder persoonsonderscheidend is en dat om die reden jaren geleden de EMPOP-databank is opgericht; dat laboratoria in de EMPOP-databank mtDNA-profielen verzamelen en het een grote verzameling is van niet verwante personen uit de hele wereld; dat hij uitkwam bij een likelihood ratio van boven de 10.000, wat zou betekenen dat hij in de schaal ‘zeer veel waarschijnlijker’ komt; dat hij, omdat de EMPOP-database nog niet zo groot is en hij aan het mtDNA-spoor kon zien dat het een persoon betrof van Europese afkomst en rekening houdend met het geringe persoonsonderscheidende vermogen van mtDNA heeft gekozen voor de schaal ‘veel waarschijnlijker’; dat hij er verder ook rekening mee moeten houden dat het mtDNA-profiel in de regio waar het feit is gepleegd vaker zal voorkomen en ook om die reden dus een schaal lager is gaan zitten; dat in dit geval moet gedacht worden aan boven de 10.000, dus hoog in de schaal ‘veel waarschijnlijker’ en laag in de schaal ‘zeer veel waarschijnlijker’ en hij conservatief in een lagere schaal gaan zitten; dat hij geen matches heeft gevonden op grond van de 26.231 vergeleken profielen en dat tot op heden nog steeds geen matches zijn gevonden in de databank; dat de opnamecriteria voor de databank die worden gehanteerd, waarover hij in zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft verklaard, niet zijn veranderd; dat dit betekent dat minimaal de fragmenten 2, 3, 6 en 7, de meest polymorfe, moeten worden opgenomen; dat hij die ook heeft aangetroffen bij de match van verdachte en in moederlijke lijn aan hem verwante personen; dat hij naast deze vier fragmenten, ook andere fragmenten heeft onderzocht en dat van de 10 fragmenten, er 9 tot een profiel geleid; dat het dus 9 sterk onderscheidende fragmenten zijn die overeenkomen met verdachte; dat conclusie van waarschijnlijkheid hetzelfde blijft als gerapporteerd; dat hij een kleine 700 extra Nederlanders heeft vergeleken, het blijven Europeanen en hij blijft telkens op iets boven de 10.000 uitkomen; dat hij ‘veel waarschijnlijker’ echter wetenschappelijk gezien beter kan onderbouwen dan ‘zeer veel waarschijnlijker’;</p>\n<p class=\"lf-p\">dat professor Parson, de beheerder van de EMPOP-databank, bepaalt wie profielen kan toevoegen aan de databank en hij de profielen beoordeelt op kwaliteit en technieken; dat de data in de databank van hoog niveau zijn; dat ten tijde van zijn eerste zoekslag er 104 Nederlandse mtDNA-profielen waren opgenomen in de database, die door hem, Dieltjes, waren ingestuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">D.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het rapport van ing. P.E. de Vreede van het NFI van 16 maart 2017 blijkt dat de haar ALA045 een lengte had van circa 3,5 centimeter en dat deze haar eerder is geclassificeerd als lichaamshaar/schaamhaar. Dit betekent dat de kenmerken van een schaamhaar (grilligheid, afgeplat) minder duidelijk worden aangenomen. Haren uit het schaamhaargebied bevatten zowel haren die de kenmerkende morfologie van schaamharen vertonen (grilligheid, afgeplat) als haren die deze kenmerken minder duidelijk vertonen. Haren uit het overgangsgebied naast het schaamhaargebied vertonen ook deze minder duidelijke kenmerken (hof: met bijgevoegde tekening).</p>\n<p class=\"lf-p\">E.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verweren van de verdediging met betrekking tot de resultaten van het DNA- onderzoek Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Door de verdediging is naar voren gebracht dat het ontbreekt aan een eenduidig en onbetwistbaar verband tussen de verdachte en het misdrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangetroffen haar ALA045 De verdediging heeft het volgende naar voren gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het haarspoor is een partieel mitochondriaal DNA-spoor verkregen (niet alle kenmerken matchen). Dit is vele malen minder persoonsonderscheidend dan een autosomaal DNA-profiel. Alle nakomelingen in de moederlijke lijn hebben hetzelfde mtDNA. Hoeveel verschillende mtDNA-profielen er in Nederland voorkomen is niet bekend. De verdediging vraagt zich af hoe er een cijfermatige kansberekening kan worden ‘gehangen’ aan de vraag of de haar aan verdachte kan toebehoren. De toelichting van deskundige Dieltjes overtuigt niet. Wat zegt het wanneer er geen match wordt gevonden met de EMPOP-databank? Hierin zitten nog geen 30.000 profielen, slechts 104 Nederlandse profielen en de databank is niet door de overheid gereguleerd. Hieraan kleven derhalve te veel bezwaren om deze informatie in een strafrechtelijke procedure voor het bewijs mee te laten wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de haar ALA045 al aan verdachte ‘toegerekend’ zou kunnen worden kan de haar op een geheel ander moment op de jas van het slachtoffer terecht zijn gekomen dan ten tijde van het delict. Dit kan via de jas van een ander, in de kroeg of op het werk van het slachtoffer of via iemand die in de moederlijke lijn aan de verdachte is verwant. In dat verband heeft de verdediging gewezen op familieleden die in de woning van het slachtoffer werkzaamheden hebben verricht (het hof begrijpt dat hiermee wordt gedoeld op [naam familielid] ). Er kan niet geoordeeld worden dat het hier een daderspoor betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt met betrekking tot deze verweren als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het verhoor van de deskundige Dieltjes bij de rechter-commissaris volgt dat de weergave van een spoor in 10 stukken over hetzelfde gebied plaatsvindt. Van de 10 parten van de 1500 bouwstenen van de ‘control region’ waren er 9 geschikt voor vergelijkend mitochondriaal onderzoek. Dieltjes heeft verklaard dat als er een match is de bewijswaarde geëvalueerd wordt omdat bekend is dat het onderscheidend vermogen van mitochondriaal DNA materiaal lager is dan van autosomaal DNA. Dieltjes heeft het profiel vergeleken met de EMPOP databank, waarin toen ruim 26.000 profielen waren opgenomen (hof: bij het verhoor bij de rechtbank is het precieze getal genoemd: 26.231). Omdat hij wist dat het om een Europeaan ging heeft hij nog een vergelijking gemaakt met alle Europeanen in de databank. Op grond van de eerste bevinding zou hij kiezen voor de categorie “zeer veel waarschijnlijker’’ maar hij is een categorie lager gaan zitten vanwege de tweede uitkomst. De vergelijking heeft handmatig plaatsgevonden en het rapport is door drie mensen geschaduwd. De deskundige gaat uit van een sterk mtDNA-profiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dieltjes heeft verklaard dat de data in de EMPOP-databank van hoog niveau zijn. De beheerder bepaalt wie profielen kan toevoegen en beoordeelt die op kwaliteit en technieken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus heeft Dieltjes inzichtelijk gemaakt hoe hij tot zijn deskundige visie is gekomen met betrekking tot de bewijskracht van spoor ALA045.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht (verweer I) geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de deskundige Dieltjes. Het hof ziet op grond van de verklaring van deskundige Dieltjes geen grond om twijfels te hebben bij de data die zijn opgenomen in de EMPOP-databank. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent de EMPOP-databank, leidt het hof niet tot een ander oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het door de verdediging onder II geschetste alternatief scenario, inhoudende dat de haar bij een andere gelegenheid op de jas terecht kan zijn gekomen, overweegt het hof als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen van familie en bekenden van verdachte en zijn eigen verklaring daarover volgt dat verdachte N. van den Hurk niet kende en in zijn dagelijks leven geen contact met haar had.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat het lichaam van N. van den Hurk was aangetroffen onder een hoeveelheid snoeiafval, bestaande uit grote dode takken, gedeeltes van coniferen en wortelstronken, zijn bij de sectie kledingstukken onderzocht op haren. Van de jas van het slachtoffer zijn circa 50 haren veiliggesteld. Blijkens een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 september 2017 betrof de jas die N. van den Hurk droeg op het moment van haar verdwijning, een parka-jas van de winkelketen C&amp;A waarvan de buitenzijde volgens het label uit 100% polyester bleek te bestaan, welk materiaal nog steeds wordt gebruikt in de door de winkelketen verkochte skikleding. Met uitzondering van één haar (gekenmerkt ALA045) en een haar die is gekoppeld aan één van de forensisch onderzoekers die in 1995 belast was met het bergen van het lichaam, passen alle overige op die polyester jas van het slachtoffer aangetroffen haren bij het slachtoffer zelf. Door de regiopolitie Brabant Zuid-Oost is van de trui van N. van den Hurk ook een haar veilig gesteld. Deze past ook in het referentiemonster hoofdhaar van het slachtoffer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de hiervoor onder D. weergegeven rapportages van de deskundigen Dieltjes en De Vreede en de verklaringen van de deskundige Dieltjes blijkt dat de haar met kenmerk ALA045, een schaamhaar dan wel een lichaamshaar betreft uit het overgangsgebied bij de schaamstreek. Er is voor dit haarspoor een sterk mtDNA-profiel gevonden dat matcht met het mtDNA-profiel van de verdachte, in die zin dat de bevindingen veel waarschijnlijker zijn wanneer het haarspoor van de verdachte afkomstig is of van een in moederlijke lijn aan verdachte verwant persoon, dan wanneer het niet van hem afkomstig is, maar van een willekeurige niet in moederlijke lijn aan de verdachte verwante persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de vele haren van het slachtoffer zelf, is op de polyester jas een haar aangetroffen die aan de verdachte of een aan hem in de moederlijke lijn verwante persoon kan worden toegeschreven. Voor de enkele stelling van de verdediging dat de haar op een ander moment dan tijdens het delict op de jas kan zijn gekomen, is in het dossier geen enkele aanwijzing te vinden. Het alternatieve scenario, inhoudende dat de haar via een ander in de kroeg of het werk op de jas van N. van den Hurk is terecht gekomen, acht het hof niet aannemelijk. Dat geldt ook ten aanzien van de persoon [naam familielid] die werkzaamheden in de ouderlijke woning van het slachtoffer zou hebben verricht, nu de verdachte op 28 september 2015 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij deze [naam familielid] nauwelijks kent en nooit met hem heeft samengewerkt. Bovendien heeft hij hem nooit meer gezien sinds zijn oom is gescheiden van de dochter van deze [naam familielid] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte hecht het hof belang aan de omstandigheden dat er verder geen haren van anderen zijn aangetroffen, noch op de jas als op de trui van het slachtoffer (behoudens één haar van een van de forensisch onderzoekers die betrokken was bij de berging van het stoffelijk overschot), hetgeen het naar het oordeel van het hof onaannemelijk maakt dat de haar bij toeval eerder op de jas is terechtgekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Interpretatie en waardering van de DNA-onderzoeksresultaten E.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft het volgende naar voren gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De interpretatie en waardering van de sporen uit de bemonsteringen door de deskundigen is allesbehalve eenduidig te noemen. Het gaat in deze zaak om een geringe hoeveelheid DNA-sporen van slechte kwaliteit en er is niet één compleet DNA-profiel aangetroffen. Er is gebruik gemaakt van LCN DNA-onderzoek met nadelige neveneffecten: allelic drop-out, allelic drop-in en stotterpieken. In 1995 ging het sporenonderzoek er heel anders aan toe dan tegenwoordig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is door het NFI de differentiële lysistechniek gebruikt om spermasporen te detecteren door middel van het scheiden van spermacellen van andere cellen, maar een 100% scheiding is niet te garanderen. Er kan niet zonder meer worden geoordeeld dat in de sporen spermavloeistof en sperma is aangetroffen en dat het gaat om spermasporen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de bemonsteringen is materiaal aanwezig van minimaal één onbekende persoon, hetgeen als waarschijnlijke oorzaak heeft dat er seksueel contact is geweest met een onbekende man. Reeds vanwege deze reden dient verdachte vrijgesproken te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan door het hof niet op verantwoorde wijze een keuze gemaakt worden om het NFI en Buckleton te volgen, gelet op de zeer grote afwijkingen in de berekende likelihood ratio’s. Er is derhalve een gebrek aan overtuigingskracht van deze berekeningen. Indien wel een keuze wordt gemaakt dan dient de statistiek van het programma TrueAllele als meest overtuigend te worden aangemerkt. Immers, in het onderzoek van het NFI is sprake van subjectiviteit, door de onderlinge contacten met de officier van justitie, waaronder de FIT-gesprekken, het gebruik van het programma LRmix, een door deskundige Koopman zelf ontworpen en niet gevalideerd en niet geaccrediteerd model. Ook ter zitting van 13 juni 2016 heeft Koopman berekeningen laten zien met een niet gevalideerd programma, te weten MixCal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De conclusie moet zijn dat er ernstige bezwaren zijn tegen het gebruik van de computermodellen LRmix en MixCal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de rapporten van J.S. Buckleton niet als deskundigenrapporten voor het bewijs gebruikt mogen worden omdat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Buckleton niet deskundig is om te werken met het soort DNA-profielen als hier aan de orde;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>hij slordige fouten heeft gemaakt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>hij zelf vraagtekens heeft gezet bij de betrouwbaarheid van de resultaten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het NFI het onderzoek door Buckleton heeft beïnvloed.</div>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft gewezen op de uitspraak van de rechtbank te New York (Verenigde Staten) van 26 augustus 2016 in de zaak Hillary, waarbij het gebruik van de resultaten van de berekening door het programma STRmix voor het bewijs op voorhand is uitgesloten wegens gebrek aan interne validatie door het New York State Police Crime Lab, waardoor het gebruik van het programma in die zaak niet betrouwbaar geacht kon worden en derhalve bevooroordeeld voor de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarentegen is volgens de verdediging ‘TrueAllele’ een computermodel dat speciaal is gebouwd voor het analyseren van complexe DNA-mengprofielen, is TrueAllele in veel rechtszaken gebruikt en is het programma gevalideerd. M. Perlin van Cybergenetics heeft uitgelegd dat TrueAllele niet meerdere replica’s nodig heeft om mee te werken en dat het programma LRmix niet betrouwbaar is omdat een kleine aanpassing in de parameters al een verschil kan maken tussen inclusie en exclusie van een persoon als donor. TrueAllele houdt rekening met het feit dat het DNA-profielen betreft die zijn verkregen met gebruikmaking van de LCN-techniek. Ook de overige parameters worden door de computer bepaald, zodat statistiek door TrueAllele veel minder subjectief is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concluderend stelt de verdediging dat de DNA-resultaten niet aan een bewezenverklaring van enig feit ten grondslag kunnen worden gelegd. Geen enkel ander bewijsmiddel bevindt zich in het dossier dat blijk geeft van een direct verband tussen verdachte en de ten laste gelegde feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt omtrent de gevoerde verweren als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft kennisgenomen van de door de deskundigen Koopman, Eikelenboom en Buckleton uitgebrachte rapporten en van hetgeen door de deskundigen in verhoren bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg ter toelichting op de bevindingen in die rapporten is besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal met betrekking tot het bewijs ten aanzien van de sporen AWA059#04, AWA059#06 en AUA106#02 als uitgangspunt nemen de rapportages zoals die door de deskundigen Koopman en Buckleton zijn opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koopman heeft ter terechtzitting in eerste aanleg toegelicht dat in deze zaak sprake was van sporen waarin weinig DNA is aangetroffen en dat het NFI om die reden gebruik heeft gemaakt van LCN techniek, waarbij met behulp van het rekenprogramma LRmix, de bewijskracht is berekend van dit DNA, rekening houdend met het optreden van ‘allelic drop-out’, ‘allelic drop-in’ en stotterpieken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na verloop van tijd heeft Koopman met een verbeterde versie van het rekenprogramma, het computermodel MixCal, de analyse herhaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter terechtzitting van de rechtbank is aan de orde gekomen wat de oorzaak is van het verschil in uitkomst tussen de analyse zoals gedaan door Eikelenboom en het door hem ingeschakelde Cybergenetics en de resultaten van het NFI. Daarbij is aan de orde gekomen dat de extracten die Eikelenboom heeft gebruikt inmiddels weer ouder waren geworden, dat Eikelenboom werkt met enkel de hypothese dat verdachte DNA heeft bijgedragen of niet en dat de input van de verschillende programma’s anders is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundige Koopman heeft erop gewezen dat in geval van de LCN techniek (weinig DNA) informatie met betrekking tot de piekhoogte (hetgeen iets zegt over de hoeveelheid DNA) niet betrouwbaar kan worden geacht. Ook heeft Koopman toegelicht wat het belang is van het rekenen met de verschillende individuele replica’s omdat dan meegenomen wordt dat in sommige replica’s bepaalde pieken maar één keer zichtbaar zijn en andere pieken in elke replica terugkomen, welke informatie waardevol is voor de analyse.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel Koopman als Eikelenboom hebben aangegeven dat het programma van het door Eikelenboom ingeschakelde instituut Cybergenetics dat niet heeft gedaan en dat dat programma heeft gerekend met een poolprofiel waarbij de gegevens van de replica’s samen zijn genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat dit anders zou zijn is het hof niet gebleken, ook niet uit de e-mailwisseling met M. Perlin van Cybergenetics. Bovendien heeft Koopman zelf een berekening gemaakt met dezelfde input (één replica) als gebruikt bij TrueAllele en Koopman kwam toen eveneens tot een lagere bewijswaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door de rechtbank ingeschakelde derde deskundige, Buckleton, heeft bevestigd dat de visie van Koopman correct is voor wat betreft het belang van het rekenen met de individuele replica’s. Buckleton heeft vervolgens met het model STRmix een berekening gemaakt en is daarbij gekomen tot resultaten die – zoals de deskundigen Koopman en ook Eikelenboom hebben verklaard – in dezelfde orde van grootte liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondanks dat de getallen in de woorden van de verdediging “bizar’’ verschillen doet dat aan de betrouwbaarheid van de berekende bewijskracht niet af, aldus de deskundigen, nu deze toch al in de hoogste categorie zit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rapporten van Koopman en van Buckleton ondersteunen elkaar derhalve onderling, terwijl de bevindingen van Eikelenboom verklaarbaar anders zijn uitgepakt, waardoor deze bevindingen, hoewel ook daarin steun is te vinden voor inclusie van verdachte als donor van celmateriaal, op zichzelf zijn blijven staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de deskundige Whitaker, die weliswaar geen onderzoek op activiteitenniveau heeft kunnen doen, maar zich wel heeft uitgelaten over reeds aanwezige resultaten op bronniveau, heeft gerapporteerd dat bewijs aanwezig is op bronniveau voor de inclusie van verdachte als donor van celmateriaal en impliceert dit dat verdachte contact heeft gehad met het slachtoffer waarbij zijn DNA werd overgebracht naar haar genitale gebied. Dit ligt derhalve in de lijn van de deskundigen Koopman en Buckleton.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof volgt de verdediging niet waar gesteld wordt dat de rapporten van Buckleton niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden en ook niet waar gesteld wordt dat de rapporten van het NFI niet objectief zijn, hetgeen wel het geval zou zijn bij TrueAllele.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de deskundigheid van Buckleton overweegt het hof het volgende. De rechtbank heeft op 4 december 2015 bepaald dat, gelet op de verschillende uitkomsten van NFI en IFS, de rechter-commissaris een deskundige diende te benoemen, die werkt met het statistische rekenmodel STRmix. De nieuw te benoemen deskundige diende de door het NFI verkregen DNA-(meng)profielen ten aanzien van de sporen AWA059#04, AWA059#06 en AUA106#02 te interpreteren en door middel van genoemd statistische rekenmodel (computerprogramma) de bewijskracht te berekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de rechter-commissaris is op 3 februari 2016 Koopman als deskundige benoemd, om zich in verbinding te stellen met een STRmix-deskundige voor de overdracht van de gegevens en ter beantwoording van vragen. Deskundige Koopman heeft vervolgens contact opgenomen met de ontwikkelaars van STRmix en daarbij zijn het instituut ESR en J.S. Buckleton naar voren gekomen als te benoemen deskundige. Tevens heeft de rechter-commissaris op 3 februari 2016 Eikelenboom benoemd als deskundige om het verloop van het onderzoek te volgen, aanwijzingen te geven en opmerkingen te maken over het verloop van het onderzoek door de STRmix-deskundige (RC stukken, map 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Buckleton is op 11 maart 2016 door de rechter-commissaris benoemd als deskundige. De rechter-commissaris heeft daarbij overwogen dat deze deskundige niet is geregistreerd in het NRGD, maar dat hij heeft kennis genomen van het toegezonden CV van Buckleton en hij heeft geoordeeld dat daaruit de deskundigheid voldoende is gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel Eikelenboom als Koopman hebben ter zitting van 13 juni 2016 aangegeven dat de deskundigheid van Buckleton niet ter discussie staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan alle correspondentie met Buckleton is door beide deskundigen Koopman en Eikelenboom deelgenomen. In die correspondentie is besproken wat de opdracht van de rechtbank was, welke hypotheses gehanteerd dienden te worden en welke parameters gebruikt dienden te worden voor de te maken berekeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 15 april 2016 heeft Buckleton een eerste rapport uitgebracht. Naar aanleiding hiervan zijn zowel door de verdediging als door het openbaar ministerie schriftelijke vragen gesteld, welke zijn beantwoord. Buckleton heeft aangegeven een foute invoer te hebben ontdekt van een allel van twee referentieprofielen (15,2 en 17,2 in plaats van 15,3 en 17,3), welke fout is gecorrigeerd in het (tweede) rapport van 3 juni 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter zitting van de rechtbank van 13 juni 2016 is een en ander besproken. Met de deskundigen Eikelenboom en Koopman is besproken welke input is gebruikt door ESR. Tevens is aan de orde gekomen dat in het kader van de berekening van de bewijskracht voor spoor AUA106#02SF niet alle replica’s meegenomen dienden te worden, omdat één replica als mislukt aangemerkt moest worden. Vanwege dit gegeven heeft de rechtbank in haar vonnis de resultaten van beide rapporten van 13 juni 2016 en 5 augustus 2016 gecombineerd gelezen en de door Buckleton aangenomen hogere bewijskracht voor spoor AUA106#02SF in het laatstbedoelde rapport buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door deskundige Buckleton is ter zitting van 13 juni 2016, evenals in eerdere correspondentie tussen de genoemde deskundigen, aangegeven waar hij zorgen over had en wat hij lastig vond in het kader van zijn opdracht. Zo heeft hij zijn reserves naar voren gebracht ten aanzien van de variabiliteit van de DNA-profielen en ten aanzien van de noodzaak om een onbekende persoon in de hypothesen op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de bespreking ter zitting is vervolgens echter overeenstemming bereikt met betrekking tot het aantal donoren, te weten drie. Voorts is door deskundige Koopman aangegeven dat ondanks de geconstateerde fouten en gepresenteerde twijfels, Buckleton een van de meest vooraanstaande DNA-statistici is die met deze modellen werkt. Buckleton heeft aangegeven dat de verschillen in de modellen verklaren dat er verschillende resultaten zijn, maar meer in brede zin dat alle modellen uiterst sterk bewijs leveren voor de inclusie van verdachte voor monster AUA106#02SF en matig tot zeer sterk bewijs voor de inclusie van verdachte voor de monsters AWA059#04SF en AWA059#06SF. Eikelenboom heeft nog verklaard dat de resultaten van LRmix en STRmix redelijk met elkaar overeen komen en dat TrueAllele andere resultaten laat zien maar dat dat heeft te maken met andere variabelen die door TrueAllele worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de instelling van de parameters heeft Buckleton in zijn rapport van 3 juni 2016 gesteld dat, omdat STRmix niet bij het NFI gebruikt wordt, de instellingen van de software zijn aangepast om deze geschikt te maken voor het (NGM 34 cycli) systeem van het NFI, waarmee de DNA-profielen zijn verkregen. Hierbij zijn volgens Buckleton de piekratio-gegevens van de NGMSelectKit meegenomen, evenals de met aanwijzingen van het NFI aangepaste drop-in parameters en piekafwijkingsparameters van het 34 cycli SGMPlus van het ESR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de validatie van STRmix voor het soort DNA-profielen hier aan de orde, is door Buckleton gesteld dat het niet realistisch is om een volledige validatie uit te voeren voor slechts één zaak. Ter zitting van de rechtbank van 13 juni 2016 is door de drie genoemde deskundigen besproken dat het afstemmen van het model op het laboratorium een kleine verandering in de resultaten met zich zou brengen, maar de resultaten niet significant anders zullen zijn. Het zou een omvangrijke studie vergen naar het afstemmen van de software, terwijl het voor wat betreft de resultaten zou gaan om een verschil op detailniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof leidt uit bovenstaande af dat de rechter-commissaris de deskundigheid van Buckleton heeft getoetst. In alle correspondentie met deze deskundige en bij de bespreking ter zitting is, naast de deskundige van het NFI, Koopman, tevens de deskundige Eikelenboom betrokken geweest en heeft deze opmerkingen kunnen maken (waaronder met betrekking tot de input van de zijde van het NFI) in het belang van de verdediging. De deskundige Buckleton heeft weliswaar fouten moeten herstellen en zorgen geuit, maar steeds is transparant gemaakt waar dit betrekking op had. Ook is er steeds een mogelijkheid voor de procespartijen en beide andere deskundigen geweest hierop te reageren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een en ander leidt er toe dat er onvoldoende aanleiding is om aan de deskundigheid van Buckleton te twijfelen, noch als deskundige op zich, noch als deskundige ten aanzien van het rekenen met de complexe DNA-profielen als hier aan de orde. Dat er geen volledige validatie heeft plaatsgevonden doet aan de betrouwbaarheid van de resultaten evenmin af, gelet op de toelichting van de deskundigen daarover. Dat in de Amerikaanse zaak Hillary op 26 augustus 2016 tot een andere beslissing is gekomen door de rechtbank te New York, omdat het New York State Police Crime Lab zonder (interne) validatie niet bevoegd was gegevens van onderzoek (naar het hof begrijpt: een DNA-mengprofiel) aan ESR te verstrekken, kan derhalve niet tot een ander oordeel leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwerpt het verweer in alle onderdelen en acht de rapporten van deskundige J.S. Buckleton bruikbaar voor het bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de gestelde subjectiviteit van de deskundigen van het NFI overweegt het hof het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het NFI is een door de Raad van Accreditatie geaccrediteerd instituut. Drs. Ing. T.J.P. de Blaeij en drs. J. Koopman zijn NFI-deskundigen forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA. Een NFI-deskundige is opgeleid en getoetst door het NFI, waarna het NFI hem of haar de bevoegdheid heeft toegekend om deskundigenrapporten op te stellen en onderzoeken te doen. Daarbij maakt de NFI-deskundige gebruik van de infrastructuur, voorschriften en kwaliteitsborgingssystematiek van het NFI. Daarnaast waren beide deskundigen ten tijde van het uitbrengen van hun rapporten ingeschreven als gerechtelijk deskundige in het NRGD voor het deskundigheidsgebied DNA analyse en interpretatie. Dat de deskundige bij het maken van een analyse op basis van kennis en ervaring en derhalve ook met gebruik van subjectieve interpretaties tot zijn of haar deskundige visie komt is inherent aan het werk van een deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">De deskundigen zijn bij de rechter-commissaris bevraagd over hun aanwezigheid bij FIT-gesprekken, de frequentie daarvan en de onderwerpen die besproken zijn, evenals de contacten met de officier van justitie. Uit hetgeen daaromtrent is verklaard zijn het hof geen aanwijzingen gebleken die erop duiden dat de deskundigen subjectief te werk zijn gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de verdediging in algemene zin vraagtekens heeft gezet bij de computermodellen LRmix en MixCal overweegt het hof als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundige Koopman heeft bij de rechtbank verklaard dat het NFI beschikt over een gevalideerd programma. Ten tijde van het uitbrengen van het rapport (hof: van 1 oktober 2013) was de software wel grondig gecheckt maar nog niet gevalideerd. Sindsdien is volgens deskundige Koopman niets gewijzigd in het (hof: inmiddels gevalideerde) programma: uit de berekeningen die zijn uitgevoerd zou hetzelfde komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het programma MixCal heeft deskundige Koopman op zitting in eerste aanleg verklaard dat het een werkversie betreft waarmee uitgebreidere analyses kunnen worden gedaan en formeel niet gevalideerd is. In het nadien op 12 juli 2016 door Koopman uitgebrachte rapport is vermeld dat MixCal recent gevalideerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een en ander ziet het hof geen aanleiding om vraagtekens te zetten bij de betrouwbaarheid van de door het NFI opgestelde rapporten. Ook het gegeven dat Koopman betrokken is geweest bij het ontwikkelen van het programma maakt dat niet anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof neemt derhalve de bevindingen van het NFI en het ESR tot uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij die bevindingen gaat het hof, voor zover relevant, uit van de hypothesen waarbij [naam vriend] is meegenomen in de hypothese, nu uit de getuigenverklaring van [naam vriend] is gebleken dat hij enkele dagen voor de verdwijning van Nicole van den Hurk gemeenschap met zijn vriendin heeft gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevindingen van de deskundigen zoals hiervoor opgenomen onder C1, C3 en C4, zijn van dien aard dat het hof daaruit de conclusie trekt dat in voldoende mate vast staat dat het verdachte is geweest die donor is van het celmateriaal in de bemonsteringen AWA059#04, AWA059#06 en AUA106#02.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien uit de verklaringen van de deskundigen blijkt dat wel sperma is gedoneerd maar dat niet kan worden vastgesteld wie dat heeft gedoneerd zal het hof er van uit gaan dat celmateriaal is gedoneerd door verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het celmateriaal is aangetroffen in de anus en de kruis van de slip van het slachtoffer. Aangezien de deskundigen niet met zekerheid kunnen aangeven dat de sporen uit de anus ook daadwerkelijk afkomstig zijn uit de anus en niet uit de vagina, gaat het hof er van uit, met de deskundige Koopman, dat gesteld kan worden dat er seksueel contact is geweest en dat het celmateriaal, bij gebreke van een andere verklaring, door binnendringing in het lichaam terecht is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aantal donoren in de sporen AWA059#04 en #06 en AUA106#02 en duiding daarvan De verdediging heeft naar voren gebracht dat er per spoor minimaal 3 donoren zijn. Niet duidelijk is of die onbekende steeds dezelfde is. In potentie zijn er vijf donoren, nog afgezien van de sporen op andere plaatsen. Er is niet duidelijk wanneer, in welke volgorde en hoe de sporen zijn achtergelaten. Er is geen begin van bewijs dat er een zedenmisdrijf is gepleegd, er is geen bewijs aangetroffen voor dwang. Het slachtoffer is gekleed aangetroffen. Er is geen bewijs voor de doodslag, nu niet uit te sluiten is dat een van de onbekende andere DNA-donoren daarvoor verantwoordelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie heeft betoogd dat er geen andere dader is. Immers, van de 625 kenmerken (komende uit 18 LCN-replica’s en 4 standaard/niet LCN-replica’s) zijn er slechts 12 niet toe te rekenen aan slachtoffer, [naam vriend] of verdachte (in spoor AWA059). Daarmee is de mogelijkheid van een tweede dader afgezet tegen contaminatie, allele drop-in of (veel) eerder plaatsgevonden hebbend (seksueel) contact met een ander dan verdachte en/of [naam vriend] nagenoeg uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het NFI-rapport d.d. 12 augustus 2011 van deskundige T.J.P. de Blaeij, waarin de resultaten van het uitgevoerde vergelijkend DNA-onderzoek zijn gerapporteerd, is over de bemonsteringen AUA106#02, AWA059#04 en #06 gerapporteerd dat het complexe (en onvolledige) DNA-mengprofielen betreft van minimaal twee personen, waarvan minimaal één man.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het NFI-rapport d.d. 1 oktober 2013 van deskundige J. Klaver is beschreven dat op basis van de resultaten van vergelijkend DNA-onderzoek wordt geconcludeerd dat in de bemonsteringen AWA059#04 en #06 en AUA106#02 van het kruis van de slip DNA aanwezig is van minimaal één onbekende persoon, niet zijnde verdachte, [naam vriend] of het slachtoffer. Vanwege de complexiteit van de DNA-profielen is het niet mogelijk om aan te geven of dit één en dezelfde persoon kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundige Klaver heeft op 19 juni 2014 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij drie rapporten heeft uitgebracht en dat er bij de eerste rapporten discussie is geweest over het wel of niet aanwezig zijn van een derde persoon. Voorts heeft zij verklaard dat in de bemonsteringen drie persoonsprofielen zaten en dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van meer dan drie personen. Als alle pieken verklaard zijn met betrekking tot het profiel van verdachte en [naam vriend] blijft een aantal pieken over. Daar heeft zij aan toegevoegd dat het in de lijn van de verwachting ligt dat die dan het slachtoffer betreffen maar daar heeft het NFI geen steun voor kunnen vinden, althans het is niet goed mogelijk om over de aan- of afwezigheid van cellen van het slachtoffer een eenduidige uitspraak te doen. Voorts heeft zij verklaard dat los van de context die overblijvende pieken zouden kunnen worden toegedicht aan hetzij het slachtoffer, aan artefacten, aan contaminatie of aan samenstellingen daarvan en dat contaminatie nooit is uit te sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft deskundige Klaver verklaard dat er een aanwijzing is dat een onbekende persoon celmateriaal heeft achtergelaten, maar dat niet bekend is wanneer dat zou zijn gebeurd. Ook heeft zij – kort gezegd – gewezen op de wijze van bemonstering in die periode en de mogelijkheden van contaminatie. Contaminatie is volgens de deskundige de meest reële verklaring voor het aantreffen van de extra pieken. De persoon kan volgens de deskundige een man of een vrouw zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op diezelfde zitting is ook deskundige Eikelenboom gehoord. Hij heeft verklaard dat contaminatie een reële optie is, zeker gelet op de wijze waarop destijds werd gewerkt. Hij heeft daaraan toegevoegd dat contaminatie sneller wordt verwacht in de nucleaire fractie, dan in de spermafractie. Het is volgens Eikelenboom waarschijnlijker dat het een mannelijke donor is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft deskundige Buckleton verklaard dat hij op hetzelfde locus van één van de replica’s van spoor #04SF en hetzelfde locus van één van de replica’s van spoor #06 vijf allelen ziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof gaat uit van het volgende: naast de pieken met betrekking tot het profiel van verdachte en [naam vriend] blijft er een aantal pieken over; de overblijvende pieken zouden kunnen worden toegedicht aan hetzij het slachtoffer, aan artefacten, aan contaminatie of aan samenstellingen daarvan; er is een aanwijzing voor een derde persoon, maar niet bekend is wanneer dit celmateriaal is achtergelaten; er zijn geen aanwijzingen voor meer dan drie personen; de derde persoon kan een man zijn, maar ook een vrouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat aan de aanwezigheid van slechts enkele DNA-kenmerken die niet passen in het profiel van verdachte en de vriend van het slachtoffer [naam vriend] , geen, de verdachte ontlastende, doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Er kan niet worden vastgesteld dat de enkele DNA-kenmerken toe te schrijven zijn aan een persoon, of personen, en contaminatie, artefacten of samenstellingen daarvan kunnen er de oorzaak van zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar ook in het geval dat die enkele DNA-kenmerken niet veroorzaakt zijn door contaminatie, artefacten of samenstellingen daarvan, leidt dit naar het oordeel van het hof er niet toe dat geconcludeerd moet worden dat een ander verantwoordelijk is voor de ten laste gelegde feiten. Het hof wijst in dit verband op de rapporten van Koopman en Buckleton omtrent de bewijskracht van de aanwezigheid van celmateriaal van verdachte (en [naam vriend] ) in de genitale zone van het slachtoffer, terwijl noch uit tactische bevindingen, noch uit overige technische bevindingen aanwijzingen zijn te vinden voor betrokkenheid van een ander of anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwerpt het verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afgebroken stukje snijtand van het slachtoffer (AACT2862NL#01) De verdediging heeft naar voren gebracht dat op het afgebroken stukje snijtand (AACT2862NL#01) kenmerken zijn aangetroffen die niet voorkomen bij verdachte maar wel in het profiel van [naam 2] , hetgeen ontlastend is voor verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt omtrent dit verweer als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is nader onderzoek gedaan aan het stukje tand dat, na het bergen van het lichaam, is aangetroffen op de plaats waar het hoofd had gelegen en dat bij onderzoek afkomstig bleek te zijn van een van de snijtanden van het slachtoffer. Betreffende het DNA-onderzoek aan het stukje tand is een deskundigenrapport door het NFI opgemaakt. In het rapport d.d. 17 november 2011 is gerapporteerd dat uit de bemonstering van de tand een onvolledig autosomaal DNA-mengprofiel werd verkregen, met daarin de DNA-kenmerken van minimaal twee personen, waarvan minimaal één man (AACT2862NL#01).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als aandachtspunt is in het rapport opgemerkt dat er geen aanwijzingen zijn verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van het slachtoffer zelf in deze bemonstering, hetgeen een opmerkelijk resultaat is en niet conform verwachting, indien de informatie correct is dat deze tand afkomstig is uit het gebit van het slachtoffer en op de plaats delict is aangetroffen in de nabijheid (onder het lichaam) van het slachtoffer. Wanneer er (onderzoeks-)handelingen zijn verricht aan de tand nadat deze op de plaats delict is veiliggesteld, waarbij mogelijk niet dezelfde strikte preventieve maatregelen zijn gehanteerd zoals bij DNA-onderzoek gebruikelijk is en die de kans op contaminatie van het onderzoeksmateriaal moeten minimaliseren, kan het oorspronkelijke sporenbeeld verstoord zijn geraakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet duidelijk is hoe met de tand is omgegaan; er moet rekening worden gehouden met contaminatie. Uit het NFI-rapport van 5 december 2011 (Forensisch Dossier map 2, bijlage 20) volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het aanvraagformulier bij aanvraag 027 is naast bovenstaande informatie de volgende informatie opgenomen: (..) Onbekend is wat er in de loop der jaren precies allemaal met het stukje tand is gebeurd. Op enig moment, tijdens het cold-case onderzoek door het Landelijk Team Kindermoorden in 2004 is het, ter beoordeling aangeboden aan de tandarts van het slachtoffer. Hierbij is het tandje doormidden gebroken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De deskundige Koopman heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat er een tand onder het stoffelijk overschot is aangetroffen en bemonsterd en dat er ook een tand ontbrak. Het idee van het NFI was dat er mogelijk aanraaksporen op de tand aanwezig zouden kunnen zijn, maar dat onderzoek heeft echter niets opgeleverd. Op de tand is zelfs het DNA-profiel van het slachtoffer niet meer aangetroffen (zitting 10 november 2015, pag. 109).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het IFS heeft in de DNA bemonstering AACT2862NL#01 (snijtand) bij autosomaal onderzoek DNA-kenmerken verkregen. De combinatie kenmerken komt niet voor bij het slachtoffer, de verdachte of de andere betrokkenen. Bij het Y-chromosomaal onderzoek is gebleken dat de combinatie kenmerken, op een enkel kenmerk na, past bij het profiel van [naam 2] . Hij kan niet worden uitgesloten als mogelijke donor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat onder bovenbeschreven omstandigheden aan het enkele feit dat [naam 2] niet kan worden uitgesloten als mogelijke donor, niet de conclusie kan worden verbonden dat dit gegeven ontlastend is voor verdachte. Er is immers geen statistische bewijskracht aan toegekend en doordat er in de loop der jaren onderzoekshandelingen zijn verricht is niet eenduidig vast te stellen op welk moment celmateriaal op van de tand terecht is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwerpt het verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rugzakje van het slachtoffer De verdediging heeft naar voren gebracht dat ontlastend voor verdachte is dat op het rugzakje geen sporen van verdachte zijn gevonden maar wel van anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het rugzakje zijn bemonsteringen genomen [AADB7426NL#01 t/m #11]. Ten aanzien van enkele bemonsteringen heeft het NFI geen DNA-profiel verkregen (#01, #02, #09), dan wel een enkel kenmerk, een tweetal of enkele kenmerken (#03, #04, #06, #08) of een partieel DNA-profiel (#05, #07, #10, #11). Ten aanzien van alle sporen is gebleken dat de DNA kenmerken niet overeenkomen met het slachtoffer, de verdachte en andere betrokkenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de verdediging zou uit de analyse door het IFS van de sporen #01, #02, #04, #05, #06 en #07 volgen dat mogelijk een onbekende persoon of personen heeft/hebben bijgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt dat IFS blijkens haar rapport van spoor #01 enkele kenmerken heeft verkregen en dat mogelijk een onbekende persoon een geringe hoeveelheid DNA heeft gedoneerd in het extract. De technische bewijswaarde van enkele kenmerken is echter gering. Van spoor #02 is door IFS een partieel DNA-profiel verkregen. Mogelijk heeft een onbekende persoon een geringe hoeveelheid DNA gedoneerd in het extract. Een bewijskracht is hier niet aan verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de sporen #04 en #05 is door IFS een partieel DNA-mengprofiel verkregen. Ten minste drie personen DNA hebben bijgedragen aan dit spoor. Een bewijskracht is hier niet aan verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van spoor #06 en #07 is een partieel DNA-mengprofiel verkregen waaraan ten minste vier personen DNA hebben bijgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt dat uit het DNA onderzoek van het NFI en van IFS met betrekking tot het rugzakje blijkt dat geen DNA van het slachtoffer is aangetroffen hetgeen opmerkelijk te noemen is, omdat het rugzakje (waar onder andere make up in zat) door haar werd gebruikt. Het rugzakje is leeg in een sloot aangetroffen en heeft daar bijna twee weken gelegen, geconstateerd was dat voorwerpen uit het tasje er naast lagen en dat papiertjes waren doorweekt en aangetast door weersomstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat aan de resultaten van het aan het rugzakje verrichte DNA-onderzoek geen (wetenschappelijke) bewijswaarde kan worden gehecht, in belastende noch in ontlastende zin. Er kunnen geen conclusies aan worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwerpt het verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lichaamshaar anus van het slachtoffer De verdediging heeft naar voren gebracht dat er een lichaamshaar (AWA059#07) is aangetroffen bij de anus van slachtoffer waarvan het NFI geen profiel heeft verkregen. IFS heeft daarentegen wel DNA-kenmerken aangetroffen alsmede het kenmerk Y. Dit duidt op een andere dader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het NFI-rapport d.d. 29 februari 2012 (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 24) zijn in het uitstrijkje van de anus AWA059 van het slachtoffer zeven lichaamsharen aangetroffen (SIN AACC8712NL). Het extract of de haar(wortel) is veiliggesteld voor een DNA-onderzoek, met kenmerken AWA059#07 t/m #013. Van deze haarsporen zijn geen of geen voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikte autosomale DNA-profielen verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het mtDNA-onderzoek kunnen de haarsporen AWA059#07 t/m #13 afkomstig zijn van het slachtoffer N. van den Hurk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens het NFI rapport van 19 maart 2012 (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 26) is het mtDNA-profiel van de zeven lichaamsharen, AWA059#07 tot en met AWA059#13 gekoppeld aan het slachtoffer.</p>\n<p class=\"lf-p\">IFS heeft (rapport van 20 september 2015) van het extract AWA059#07 enkele DNA-kenmerken en het kenmerk Y verkregen en concludeert dat ten minste één man een geringe hoeveelheid DNA heeft gedoneerd in het extract. De combinatie van verkregen DNA-kenmerken komt niet voor in de profielen van het slachtoffer, de verdachte en de overige betrokkenen. Een onbekende man kan een geringe hoeveelheid DNA hebben gedoneerd in het extract. Van de profielen AWA059#08 t/m #13 zijn door het IFS geen DNA-profielen verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt dat door het NFI geen autosomaal DNA-profiel is verkregen maar wel mtDNA-profielen, die zijn gekoppeld aan het slachtoffer. Dat strookt niet met de resultaten van het IFS, die bij autosomaal DNA-onderzoek het kenmerk Y (wat zou duiden op een man) heeft verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof constateert dat de bevindingen van IFS niet overeenkomen met die van het NFI, en dat het enkele verkrijgen van een kenmerk Y (in één extract) op zichzelf nog niet ontlastend is voor de verdachte. Het hof kan derhalve geen betekenis hechten aan de bevindingen van IFS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweer wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige sporen Door de verdediging is aangevoerd dat er tal van sporen zijn aangetroffen die geen voor de verdachte belastend materiaal bevatten, maar juist ontlastend voor hem zijn. Uit de rapportage van het IFS blijkt dat er aanwijzingen zijn dat er DNA van anderen dan de verdachte in de extracten (van de bemonsteringen) aanwezig is. Het gaat dan met name om bemonsteringen van het kruis van de spijkerbroek, het kruis van de slip en de vagina en de anus van het slachtoffer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de verdediging is daarover het volgende naar voren gebracht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bemonsteringen kruis spijkerbroek (AUA107#02SF, #03SF, #04SF, #07SF, #11SF, #12NF, #15SF, #18SF en #19SF) Uit het extract van de bemonstering AUA107#02SF zijn door IFS enkele DNA-kenmerken verkregen. De technische bewijswaarde van twee van de verkregen DNA-kenmerken is volgens IFS zeer gering. Bij Y-chromosomaal onderzoek aan het extract is één kenmerk verkregen. Er zijn geen aanwijzingen dat er DNA van verdachte in het extract aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het extract van de bemonstering AUA107#03SF heeft het IFS enkele DNA-kenmerken verkregen. De combinatie van kenmerken komt niet voor in de profielen van het slachtoffer, verdachte of andere betrokkenen. IFS heeft gerapporteerd dat mogelijk een onbekende persoon een geringe hoeveelheid DNA heeft gedoneerd in het extract. Het extract betreft een spermafractie. Waarschijnlijker is dat het van een man afkomstig is. Dit is ontlastend voor verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het extract van de bemonstering AUA107#04SF heeft het IFS een zeer partieel DNA-profiel verkregen. De combinatie van verkregen DNA-kenmerken komt niet voor in het profiel van verdachte en is daarom ontlastend.</p>\n<p class=\"lf-p\">IFS heeft gerapporteerd uit het extract van de bemonstering van AUA107#07SF een tweetal DNA-kenmerken te hebben verkregen. De combinatie van kenmerken komt niet voor in de profielen van het slachtoffer, verdachte of andere betrokkenen. Mogelijk heeft een onbekende persoon een zeer geringe hoeveelheid DNA gedoneerd in het extract. Het extract betreft een spermafractie en daarom is het waarschijnlijker dat dit DNA betreft van een andere onbekende man dan dat het DNA van een vrouw is. Dit is wederom ontlastend voor verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij Y-chromosomaal onderzoek aan de bemonstering van AUA107#11SF heeft IFS twee DNA-kenmerken verkregen, welke combinatie bij meerdere betrokkenen voorkomt, onder wie [naam vriend] . De twee verkregen DNA-kenmerken komen niet voor bij verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">IFS heeft van het extract van de bemonstering van AUA107#12NF DNA-mengprofielen verkregen, waaraan tenminste twee personen hebben bijgedragen. Het merendeel van de kenmerken komt voor in het profiel van het slachtoffer, maar daarnaast heeft IFS enkele afwijkende kenmerken aangetroffen van tenminste één man. Het is een man, omdat het kenmerk Y is aangetroffen in het extract. De combinatie van kenmerken komt niet voor in het profiel van verdachte of de overige betrokkenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">IFS heeft van het extract van de bemonstering van AUA107#15SF een tweetal DNA-kenmerken verkregen. De combinatie van deze twee kenmerken komt overeen met het profiel van het slachtoffer en een andere (mannelijke) betrokkene, en niet met het profiel van verdachte. Dit is ontlastend.</p>\n<p class=\"lf-p\">IFS heeft van het extract van de bemonstering van AUA107#18SF een tweetal DNA-kenmerken verkregen en bij extract AUA107#19SF een enkel kenmerk. De combinatie van kenmerken komt niet voor in de profielen van het slachtoffer, verdachte of andere betrokkenen. Het betreft de spermafractie en dit is wederom een sterke aanwijzing dat een andere onbekende man sperma heeft achtergelaten op het kruis van de spijkerbroek van het slachtoffer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bemonsteringen kruis slip (AUA106#02NF, #03SF #04SF) Van het extract AUA106#02NF zijn door IFS partiële DNA-profielen verkregen, bestaande uit enkele kenmerken. Ten minste één man heeft een geringe hoeveelheid DNA gedoneerd, er is immers een Y-chromosoom aangetroffen. De combinatie van kenmerken past bij het profiel van de verdachte en twee andere betrokkenen. Mogelijk heeft een van deze drie DNA gedoneerd in het extract. Verdachte scoort in de 100% tabel tussen 0 en 16%, waarbij één van de andere betrokkenen hoger scoort dan verdachte. Er kan niet worden geconcludeerd dat verdachte heeft bijgedragen aan dit extract.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot DNA-bemonstering AUA106#03SF heeft IFS net als het NFI partiële DNA-mengprofielen verkregen. Ten minste twee, mogelijk drie personen hebben aan dit spoor bijgedragen. Op het composietprofiel matcht de verdachte met 79% en [naam vriend] met 68%, maar voor een volledige match missen voor beiden een aantal kenmerken.Bij het Y-chromosomaal onderzoek zijn DNA-mengprofielen aangetroffen van minimaal twee mannen. Een match is geconstateerd met [naam vriend] (en met diens vader [naam vader] ). Er is aldus meer steun voor de conclusie dat [naam vriend] DNA heeft bijgedragen dan dat de verdachte dat heeft gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door IFS is een partieel profiel verkregen van de DNA bemonstering AUA106#04SF. De combinatie van verkregen DNA-kenmerken komt niet voor in de profielen van het slachtoffer, verdachte of andere betrokkenen. Mogelijk heeft een onbekende derde persoon een geringe hoeveelheid DNA gedoneerd in het extract. Het betreft de spermafractie, waardoor het waarschijnlijker is dat het DNA van een man in. Dit is ontlastend voor verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bemonsteringen vagina slachtoffer (AWA059#01, #02SF en #05SF) Bij het Y-chromosomale onderzoek ten aanzien van bemonstering AWA059#01 heeft IFS slechts enkele Y-chromosomale kenmerken verkregen. De combinatie van verkregen DNA-kenmerken komt voor in de profielen van de verdachte en drie andere betrokkenen. De technische bewijswaarde van enkele Y-chromosomale kenmerken is zeer gering. In de optiek van de verdediging van kan dit resultaat dan ook niet voor het bewijs worden gebezigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het extract AWA059#02SF heeft IFS een enkel DNA-kenmerk gekregen en door gebruik van LCN-technieken zijn partiële DNA-mengprofielen verkregen. Ten minste twee personen hebben DNA bijgedragen aan dit spoor. De combinatie van verkregen kenmerken komt niet overeen met het profiel van verdachte en de overige betrokkenen. Mogelijk heeft een onbekende persoon een hoeveelheid DNA gedoneerd in het extract. Bij het Y-chromosomale onderzoek zijn door IFS enkele DNA-kenmerken verkregen. Ten minste één man heeft bijgedragen in het extract. De combinatie van verkregen DNA-kenmerken komt overeen met die in de profielen van de verdachte en vier andere betrokkenen. De technische bewijswaarde van enkele Y-chromosomale DNA-kenmerken is gering. Dit resultaat kan naar het oordeel van de verdediging dan ook niet bijdragen aan het bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door IFS zijn in de bemonstering AWA059#05SF enkele DNA-kenmerken verkregen. De combinatie van verkregen autosomale DNA-kenmerken komt niet overeen met die in het profiel van het slachtoffer, de verdachte en overige betrokkenen. Bij het Y-chromosomaal onderzoek zijn partiële DNA-mengprofielen verkregen. Er is geen match geconstateerd met de profielen van het slachtoffer, de verdachte en overige betrokkenen. Omdat het de spermafractie betreft heeft mogelijk een onbekende man een geringe hoeveelheid DNA gedoneerd in het extract AWA059#05SF.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bemonstering anus slachtoffer (AWA059#06NF)</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Van het composietprofiel AWA059#06NF is een 100% tabel gemaakt, waar alle betrokkenen, inclusief verdachte, substantieel laag scoren. Er is dan ook weinig steun voor de hypothese dat de verdachte of andere betrokkenen DNA hebben bijgedragen aan dit extract. Ook IFS concludeert dat er mogelijk een onbekende persoon DNA heeft bijgedragen, Dit wijst op de mogelijkheid van een andere dader en dit is ontlastend voor verdachte.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt met betrekking tot de voornoemde verweren als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spijkerbroek Uit het NFI rapport d.d. 12 augustus 2011 (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 13) blijkt dat het kruis van de spijkerbroek van het slachtoffer is bemonsterd. Het NFI heeft geen voor DNA-vergelijkend onderzoek geschikte profielen uit de bemonsteringen verkregen, wat volgens deskundige Koopman (ter zitting van de rechtbank) betekent dat er zo weinig DNA-kenmerken in zitten dat het NFI niet weet wat het betekent als er overeenkomsten zijn. Of het toeval is of echt iets betekent, kan niet statistisch worden onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadien (NFI rapport 14 oktober 2011, pag. 6, Forensisch Dossier deel 3, bijlage 55) zijn van de bemonsteringen AUA107#11SF en AUA107#11NF complexe DNA-mengprofielen verkregen. Er zijn uit het onderzoek geen aanwijzingen gekomen voor de aanwezigheid van DNA van verdachte in de bemonsteringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het onderzoek door IFS stelt het hof vast dat uit de bemonsteringen AUA107#02SF, #03SF, #07SF, #11SF, #15SF, #18SF en #19SF telkens slechts één, twee of enkele DNA-kenmerken zijn verkregen. Het hof is van oordeel dat aan de aanwezigheid van slechts enkele DNA-kenmerken die niet passen in het profiel van verdachte geen, de verdachte ontlastende, doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Daarbij betrekt het hof de hiervoor genoemde verklaring van deskundige Koopman alsmede de mening van IFS dat de technische bewijswaarde van één DNA-kenmerk (AUA107#15SF en AUA107#19SF) of twee DNA-kenmerken (AUA107#02SF, AUA107#07SF, AUA107#11SF, AUA107#15SF en AUA107#18SF zeer gering is en bij enkele DNA-kenmerken gering is (AUA107#03SF).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat ten aanzien van de bemonsteringen AUA107#04SF en #12NF het aantal verkregen kenmerken door de verdediging niet is vermeld, maar is gesteld dat de combinatie van kenmerken niet voorkomt in het profiel van verdachte, doet aan het voorgaande oordeel niet af. De door de verdediging getrokken conclusie dat de IFS-resultaten steun geven aan de bevindingen dat een andere (onbekende) man (mogelijk) DNA heeft gedoneerd in het extract (aangezien de andere persoon ‘niet kan worden uitgesloten’) heeft zonder statistische onderbouwing namelijk geen bewijskracht, en reeds daarom geen belastende of ontlastende bewijswaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van al het voorgaande zal het hof geen conclusies verbinden aan voormeld DNA-onderzoek aangaande het kruis van de spijkerbroek van het slachtoffer. Het verweer wordt in zoverre verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slip, vagina en anus Uit het IFS-rapport van 20 september 2015 kan worden afgeleid dat de Y-chromosomale DNA-resultaten zijn weergegeven in een 100% tabel (tabel 9b in bijlage 2 bij het rapport). Ter terechtzitting van de rechtbank heeft deskundige Eikelenboom dienaangaande verklaard dat de 100% tabellen ter illustratie zijn; er zijn geen matches weergegeven; een 100% tabel slechts het aantal kenmerken dat een betrokkene of verdachte overeenkomend heeft met het zogeheten composietprofiel aangeeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voorbeeld is nog aan de orde geweest het spoor AACT2862NL#01 (het afgebroken stukje van een snijtand). De tabel toont volgens Eikelenboom niet dat er op dat punt een 93% match is, het getal kan namelijk ook op toeval berusten. Hij heeft verklaard dat men daarop graag een statistische analyse wil uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof leidt hieruit af dat alvorens een conclusie is te verbinden aan de uitkomst van een 100% tabel een statistische analyse nodig is. Een overeenkomst met een kenmerk kan namelijk op toeval berusten. Het hof stelt vast dat IFS geen statistische analyse heeft uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus kan ten aanzien van bemonsteringen AUA106#02NF en AUA106#3SF alsook AWA059#06NF niet de conclusie worden verbonden dat verdachte niet heeft bijgedragen althans dat [naam vriend] of een onbekende donor DNA heeft bijgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de stelling van de verdediging dat mogelijk een onbekende derde persoon een geringe hoeveelheid DNA heeft gedoneerd in het extract van de DNA bemonstering AUA106#04SF, gaat niet op. Ook hiervoor heeft te gelden dat de deskundigen tot een verschillende beoordeling komen. Het NFI heeft partiële profielen verkregen waaraan ten minste één persoon DNA heeft bijgedragen. De verkregen kenmerken komen voor in het profiel van het slachtoffer. De combinatie van door IFS verkregen DNA-kenmerken komt evenwel niet voor in de profielen van het slachtoffer, verdachte of andere betrokkenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu de deskundigen bovendien geen statistische analyse hebben kunnen uitvoeren, wordt door het hof geen statistische bewijskracht aan dit spoor toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het Y-chromosomale onderzoek ten aanzien van bemonstering AWA059#05 door IFS zijn slechts enkele kenmerken verkregen. De combinatie van verkregen DNA-kenmerken komt niet overeen met de profielen van het slachtoffer, de verdachte en andere betrokkenen. Het hof is van oordeel dat aan de aanwezigheid van slechts enkele DNA-kenmerken die niet passen in het profiel van verdachte geen, de verdachte ontlastende, doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Daarbij betrekt het hof de hiervoor genoemde verklaring van deskundige Koopman ter zitting van de rechtbank, als ook hetgeen door Eikelenboom is verklaard ten aanzien van de (zeer) geringe bewijskracht als ook het feit dat er weinig kenmerken voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu het hof de onderzoeksresultaten met betrekking tot de bemonsteringen AWA059#01 en #02SF niet tot het bewijs bezigt, behoeft het verweer van de verdediging – wat daar inhoudelijk ook van zij – geen bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het voorgaande zal het hof geen conclusies verbinden aan voormeld DNA-onderzoek aangaande de slip, vagina en anus van het slachtoffer. Het verweer wordt in zoverre verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotconclusie verweren De verweren met betrekking tot de resultaten van het DNA-onderzoek worden in al hun onderdelen verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief scenario: vrijwillig seksueel contact tussen verdachte en slachtoffer De verdediging heeft naar voren gebracht dat indien sporen aan verdachte zouden zijn te linken dat het dan aannemelijk is dat sprake is geweest van vrijwillig seksueel verkeer tussen verdachte en het slachtoffer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft aangevoerd dat er bij verdachte sprake was van een gevoel van minderwaardigheid, wat maakte dat verdachte aanzien wist te krijgen bij bijvoorbeeld vrienden door het versieren van vrouwen en het hebben van seks met hen. Zijn vrienden [naam 3] en [naam 4] hebben verklaard dat verdachte altijd alle aandacht had van de vrouwen als ze op stap gingen en [ex-vriendin verdachte 3] heeft verklaard dat verdachte aan elke hand vijf meiden kon krijgen. Ook zijn relaties bevestigen dat verdachte met veel vrouwen seks heeft gehad. Verdachte had die seks op de meest vreemde plaatsen, zo heeft hij verklaard. Verdachte had voor hij de TBS in ging een ruig en wild leven. Drank en drugs moesten de gevoelens van onrust dempen, hij gebruikte ook geweld en vrouwen om aanzien te verwerven. Het is voorts niet vreemd dat verdachte zich na al die tijd niet meer weet te herinneren wat en met wie hij ook op seksueel gebied heeft gedaan, aldus de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de verdediging is gewezen op verklaringen van getuigen waaruit afgeleid kan worden, volgens de raadslieden, dat het slachtoffer loog over haar leeftijd, er ouder uit kon zien, met drie jongens tegelijk verkering had, seksueel actief was, op oudere mannen viel, vaker uitging dan haar ouders wisten, stiekem uitging en soms veel drank gebruikte als zij uitging. De gedachte van vrijwillig seksueel contact tussen beiden is niet vreemd. Ze gingen op dezelfde plekken uit. Het is niet raar dat verdachte haar niet herkende toen haar foto in de media verscheen. Het kan zijn dat zij er anders uitzag tijdens het uitgaan en in uitgaansgelegenheden is het vaak donker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de door de verdediging aangehaalde getuigenverklaringen (bijgevoegd bij de stukken van de zitting in eerste aanleg van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015) blijkt het volgende. [ex-vriend slachtoffer 1] heeft op 14 november 2011 verklaard dat hij acht maanden verkering heeft gehad met Nicole van den Hurk, dat hij seks met haar heeft gehad, maar dat hij geen verkering meer met haar had toen zij 15 jaar werd. [ex-vriend slachtoffer 2] heeft op 5 december 2011 verklaard dat hij drie weken voordat Nicole verdween de verkering heeft uitgemaakt en dat hij nooit seks met Nicole heeft gehad. Er was sprake van alleen zoenen. Ze was trouw. Als zij uitging dronk zij zoete drankjes, zo hebben ze elkaar leren kennen op het Stratumseind, ze waren toen allebei zat. [ex-vriend slachtoffer 3] heeft op 21 april 2011 verklaard dat hij verkering had met Nicole in de tijd dat zij verdween. Hij had geen seksuele relatie met haar, wel was sprake van kussen. Hij heeft nooit geweten dat zij alcohol dronk. Dat zij een baantje had bij de Konmar of waar zij verbleef in Eindhoven wist hij niet. [naam 5] heeft op 28 september 2011 verklaard dat Nicole en [ex-vriend slachtoffer 3] tussen een paar weken en een paar maanden verkering hadden toen ze verdween. Hij kan zich echter niet herinneren dat hij ooit gesproken heeft met Nicole van den Hurk en zou haar ook niet herkennen. [naam 6] heeft op 20 oktober 1995 verklaard een vriendschap, geen relatie, te hebben gehad met Nicole. Hij weet dat ze kort verkering had met [ex-vriend slachtoffer 4] . De laatste tijd voor haar vermissing heeft hij geen contact met haar gehad. [vriendin slachtoffer 2] heeft op 7 november 1995 verklaard dat Nicole met drie vrienden seks heeft gehad, [ex-vriend slachtoffer 1] , [ex-vriend slachtoffer 4] en [naam vriend] . Een vriend buiten [naam vriend] is haar niet bekend en dat zou Nicole wel verteld hebben. Ze weet dat Nicole 1 keer per maand uit mocht en zich dan bedronk met Feigling. Dat laatste heeft ze nooit zelf gezien, alleen gehoord. [vriendin slachtoffer 1] heeft op 18 oktober 1995 verklaard over de maanden juli en augustus 1995, dat Nicole in de zomervakantie een boottochtje maakte en op de boot een jongen leerde kennen van een jaar of 26 en dat zij toen haar leeftijd verzweeg. [ex-vriend slachtoffer 5] heeft op 27 oktober 1995 verklaard dat hij toen hij 18 was in 1994 verkering had met Nicole. Zij mocht in die tijd zelden naar buiten en moest altijd oppassen op [naam halfbroer] en [naam stiefzus] . Hij heeft Nicole in de zomer voor het laatst gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">[ex-vriend slachtoffer 6] heeft op 2 december 1995 verklaard dat hij twee of drie jaar geleden (hij was toen 17 of 18) verkering had met Nicole voor een week of twee. Hij heeft nooit gemeenschap met haar gehad. [vriendin slachtoffer 3] heeft op 2 november 1995 verklaard dat Nicole haar alles vertelde. Dat Nicole met [ex-vriend slachtoffer 1] heeft geslapen en dat zij terughoudend was; ze wilde niet als ze verkering had gelijk met iemand naar bed. Ze was ook met [ex-vriend slachtoffer 4] naar bed geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 20 december 1995 heeft [vriendin slachtoffer 3] verklaard dat Nicole 1 keer per maand uit mocht, maar dat ze vaker gingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De laatste keer dat zij uitging met Nicole was een week voor haar vermissing. Nicole en zij zijn toen met haar vriend [naam vriend] en diens vriend na het uitgaan nog naar de eendenvijver gegaan. De vriend van [naam vriend] ging toen naar huis. Ze bleven tot 01:00 uur en gingen toen naar huis. [ex-vriend slachtoffer 7] heeft op 17 oktober 1995 verklaard dat hij van 23 juli 1994 tot en met 22 december 1994 verkering had met Nicole. Hij was 20 en Nicole 14 jaar. Het was een kalverliefde. Hij heeft haar een half jaar geleden voor het laatst gezien. [naam 7] en [ex-vriend slachtoffer 8] hebben op 24 oktober 1995 verklaard dat [ex-vriend slachtoffer 8] (toen 24) op Gran Canaria een dag of twee, drie met Nicole is opgetrokken. Zij was een vakantieliefde. [ex-vriend slachtoffer 9] heeft op 16 oktober 1995 verklaard dat hij anderhalf jaar geleden 4 of 5 maanden verkering had met Nicole en dat hij haar drie weken daarvoor voor het laatst heeft gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze verklaringen blijkt dat, afgezien van [naam vriend] , Nicole van den Hurk twee keer eerder seks heeft gehad met een jongen waar zij verkering mee had. Dat zij tegelijk met [naam vriend] nog een andere vriend had, is niet vast komen te staan. Haar vriendin [vriendin slachtoffer 3] wist hier niet van. Ook zijn de verklaringen van [ex-vriend slachtoffer 3] en [naam 5] weinig concreet, nu [ex-vriend slachtoffer 3] niet eens weet waar zij verbleef in Eindhoven en of zij werkte bij de supermarkt die week en [naam 5] haar nooit gesproken heeft. De andere verklaringen hebben betrekking op eerdere relaties van langer geleden. De laatste keer dat Nicole uitging was volgens haar vriendin [vriendin slachtoffer 3] mét [naam vriend] en was in het weekend voor de week van haar verdwijning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts blijkt uit de beschrijving van de week waarin het slachtoffer verdween (door haar oma, tante en haar vriend), dat zij van haar oma om 21:00 uur in de avond binnen moest zijn en al om kwart voor vijf in de ochtend op moest om te gaan werken om 06:00 uur. Uit die verklaringen blijkt geenszins dat Nicole doordeweeks is uit geweest of dat zij dat stiekem heeft gedaan. [naam vriend] heeft verklaard dat hij en Nicole verliefd waren en dat hij zich niet herkent in verklaringen over drankgebruik (verklaring [naam vriend] bij de rechter-commissaris d.d. 13 november 2014).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte heeft verklaard dat hij Nicole van den Hurk niet kende, niet op jonge meisjes valt en dat hij haar niet herkende op de foto die in de media verscheen na haar vermissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al deze omstandigheden bijeen genomen acht het hof niet aannemelijk geworden dat verdachte vrijwillig seks heeft gehad met Nicole van den Hurk in het weekend en de daaropvolgende week voor haar verdwijning. Voor deze periode sluit het hof aan bij hetgeen de deskundigen hebben verklaard over de duur van de periode waarin spermasporen nog aangetroffen kunnen worden in het lichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht het alternatief scenario derhalve niet aannemelijk geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwerpt het verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doodsoorzaak G.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar de doodsoorzaak van N. van den Hurk is onderzoek gedaan, zowel in de periode direct na het aantreffen van het stoffelijk overschot als later na de exhumatie van het lichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de sectie in 1995 is door dr. R. Visser het volgende letsel vastgesteld (Sectieverslag 12 april 1996, dr. R. Visser; Forensisch Dossier deel 1, bijlage 02):</p>\n<p class=\"lf-p\">Tamelijk scherprandige, ovale huidklievingen aan de linkerzijde van het voorhoofd (ter plaatse van de haargrens), afmeting 3,5 bij 1,5 cm, en achter het rechteroor (uitbreidend in de rechter oorschelp), alsmede een dubbele breuk aan de rechterzijde van de onderkaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze letsels zijn opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch hevig botsend, kantig geweld aan het hoofd. Indien deze letsels voor het intreden van de dood zijn aangebracht zouden deze van betekenis kunnen zijn ten aanzien van het intreden van de dood.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens een schrijven van dr. B. Kubat van het NFI d.d. 4 mei 2011 (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 11) kan, gezien de beschrijving van de staat van ontbinding waarin het slachtoffer verkeerde, geen enkele anatomische doodsoorzaak worden uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de exhumatie in 2011 is een forensisch-antropologische en forensisch-pathologische sectie uitgevoerd door drs. R.R.R. Gerretsen en drs. P.M.I. van Driessche. Hierbij is een beschadiging geconstateerd aan de onderzijde van de tiende linker rib (rapport Antropologisch onderzoek 26 januari 2012, R.R.R. Gerretsen; Forensisch Dossier deel 2 bijlage 21).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het deskundigenrapport van het NFI, Afdeling Pathologie en Antropologie van 2013 (rapport ter beantwoording van aanvullende vragen in verband met sectie, 28 november 2013 van drs. P.M.I. Van Driessche en drs. R.R.R. Gerretsen; Forensisch Dossier deel 3, bijlage 48) kon geen zekere, sluitend bewezen, doodsoorzaak worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel was het mogelijk, aan de hand van de revisie, meerdere mogelijke doodsoorzaken te beschouwen. De hypothese van verbloeding ten gevolge van bij leven opgelopen inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en klievend geweld (steek- en snijletsel) linkszijwaarts tot achterwaarts aan de borstkast, was het best passend bij alle bevindingen en derhalve het meest waarschijnlijke op basis van deze bevindingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omtrent beschadiging aan de tiende rib is door voornoemde deskundigen Gerretsen en Van Driessche enerzijds en ing. I. Keereweer anderzijds gerapporteerd over de aard van de beschadiging in de tiende rib van Nicole van den Hurk. Zij komen tot een verschil in bevindingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerretsen en Van Driessche hebben gesteld dat het onwaarschijnlijk was dat de bescha-diging aan de tiende rib was veroorzaakt tijdens de sectie, dat het letsel aan de rib goed kon passen bij het oplopen van letsel door inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en klievend geweld (steek- en snijletsel) en dat indien een dergelijke beschadiging bij leven zou zijn veroorzaakt, dit een bloeding tot gevolg zou hebben die, zonder medische zorg, op termijn niet met het leven verenigbaar zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ing. I. Keereweer heeft in zijn rapport Kras-, indruk- en vormsporenonderzoek d.d. 13 januari 2012 (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 45) gesteld dat de beschadiging een zaagspoor betreft en dat, gezien het typespoor dat wordt veroorzaakt met de typen zagen die in 1995 bij sectie werd gebruikt, het sectiegereedschap niet kon worden uitgesloten. Maar ook een combinatiemes met een zaag of een mes met een zaaggedeelte kon niet worden uitgesloten. Keereweer heeft geen snijsporen waargenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit voormeld deskundigenrapport van 28 november 2013 van Gerretsen en Van Driessche blijkt dat er onvoldoende argumenten zijn om aan te nemen dat het letsel zoals aangetroffen aan de tiende rib links is opgelopen ten tijde van of aansluitend aan de sectie in 1995 of de hersectie in 2011. Gesteld wordt dat de beschadiging met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet is opgelopen door zaaghandelingen bij de sectie. Ten eerste omdat het letsel alleen op de tiende rib aanwezig was en niet op een andere rib. Ten tweede omdat de lokalisatie zijwaarts niet past bij zaaghandelingen zoals die worden uitgevoerd bij een sectie. Ten derde omdat het lichaam zodanig was ontbonden dat voor het openen van de borstkas bij de sectie geen zaaghandelingen nodig waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tezamen met de bevindingen aan de gehele borstkas (doch met name links), met forse postmortale veranderingen waardoor huiddefecten en bloeduitstortingen niet adequaat konden worden beoordeeld, kan het letsel aan de rib goed verklaard worden door inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en klievend geweld (steek- en snijletsel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien in dit geval geen doodsoorzaak sluitend is vastgesteld, kunnen een aantal mogelijke doodsoorzaken niet worden uitgesloten. Echter, gezien de letsels aan het hoofd, de asymmetrische/ongelijkmatige ontbinding, het letsel aan de tiende rib links en gezien de tactische omstandigheden (zoals de toestand bij aantreffen) is een natuurlijk overlijden zeer onwaarschijnlijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerretsen en Keereweer zijn over hun bevindingen door de rechter-commissaris gehoord (resp. op 10 september 2014 en 18 juni 2014) en ook ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 10 november 2015 zijn zij in elkaars bijzijn gehoord. Zowel Keereweer als Gerretsen blijven achter hun eerdere conclusies staan, waarbij de door de ander getrokken conclusies overigens niet worden uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof kan aan hetgeen door deze deskundigen is gerapporteerd met betrekking tot de beschadiging aan de tiende linker rib geen doorslaggevende betekenis toekennen waar het gaat om het vaststellen van de doodsoorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">N. van den Hurk was 15 jaar oud en uit het procesdossier is niets gebleken waaruit afgeleid kan worden dat zij niet gezond was. Bij het aantreffen van het stoffelijk overschot zijn letsels geconstateerd aan het hoofd, welke letsels volgens dr. Visser zijn opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch hevig botsend, kantig geweld aan het hoofd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dr. Visser stelt dat indien deze letsels voor het intreden van de dood zijn aangebracht, deze van betekenis zouden kunnen zijn ten aanzien van het intreden van de dood.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat het slachtoffer is overleden als gevolg van opzettelijk op haar door een ander uitgeoefend geweld en dat er geen sprake is geweest van een natuurlijke doodsoorzaak of een ongeval.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een en ander rechtvaardigt naar het oordeel van het hof de conclusie dat Nicole van den Hurk door geweld van het leven is beroofd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien vanaf de ochtend van 6 oktober 1995 niets meer van Nicole van den Hurk is vernomen en gelet op de conclusies van het entomologisch onderzoek aangaande het post-mortem-interval (de toestand van het lichaam wijst op een relatief lang PMI, ter plekke overlijden, of overlijden en onmiddellijk of kort daarna deponeren van het lijk ter plekke kan niet worden uitgesloten, ei-afzetting heeft plaatsgevonden in de periode 6 tot 19 oktober) gaat het hof er van uit dat Nicole van den Hurk op of omstreeks 6 oktober 1995 is overleden door geweldshandelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotoverwegingen met betrekking tot het bewijs Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat het slachtoffer Nicole van den Hurk door geweldshandelingen een onnatuurlijke dood is gestorven op of omstreeks 6 oktober 1995. Immers, er is geweld toegepast onder andere op het hoofd van het slachtoffer, hetgeen volgens de arts en patholoog dr. Visser van betekenis kan zijn geweest voor het intreden van de dood.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het lichaam van Nicole van den Hurk, te weten in de anus, alsmede in het kruis van de slip, zijn DNA-sporen aangetroffen. Het hof gaat er van uit dat haar vriend [naam vriend] in twee sporen celmateriaal heeft bijgedragen gelet op de forensische en tactische onderzoeksresultaten. Uit het dossier is gebleken dat [naam vriend] in de ochtend van 6 oktober 1995 thuis was en dat hij Nicole van den Hurk voor het laatst op de avond van 5 oktober 1995 heeft gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft het in de anus aangetroffen spoor AWA059#04 is door het NFI berekend dat de bevindingen – in verbale termen – zeer veel waarschijnlijker zijn onder de hypothese dat de bemonstering celmateriaal bevat van [naam vriend] , de verdachte en één onbekende persoon dan onder de hypothese dat de bemonstering celmateriaal bevat van [naam vriend] en twee onbekende personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundige Koopman heeft later meer specifiek met het programma LRmixStudio berekend dat de bevindingen van vergelijkend DNA-onderzoek tussen de 120 duizend en 1,7 miljoen keer waarschijnlijker zijn als de bemonstering DNA van verdachte, [naam vriend] en van een onbekende, niet aan hen verwante persoon bevat dan wanneer de bemonstering DNA van [naam vriend] en twee onbekende, niet aan hem of aan de verdachte of aan elkaar verwante personen bevat. De door de deskundige gemaakte, meer specifieke, puntschatting met het programma MixCal komt uit op 1 miljoen keer waarschijnlijker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundige Buckleton heeft met het programma STRmix berekend dat het sporenbeeld met betrekking tot AWA059#04 2,08 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het celmateriaal in de bemonstering afkomstig is van [naam vriend] en verdachte en een onbekend persoon dan wanneer het celmateriaal afkomstig is van [naam vriend] en twee onbekende personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het spoor AWA059#06 is door het NFI geconcludeerd dat de bevindingen zeer veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering celmateriaal van verdachte en twee willekeurige onbekende personen bevat dan wanneer de bemonstering celmateriaal van drie willekeurige onbekende personen bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundige Koopman heeft later meer specifiek met het programma LRmixStudio berekend dat de bevindingen van vergelijkend DNA-onderzoek tussen de 130 duizend en 470 duizend keer waarschijnlijker zijn als de bemonstering DNA van verdachte en twee onbekende, niet aan hem of aan elkaar verwante personen bevat dan wanneer de bemonstering DNA van drie onbekende, niet aan de verdachte of aan elkaar verwante personen bevat. Met het programma MixCal heeft de deskundige een puntschatting berekend die uitkomt op 1,2 miljoen keer waarschijnlijker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundige Buckleton heeft met het programma STRmix berekend dat het sporenbeeld voor dit spoor 23.900 keer waarschijnlijker is onder de hypothese dat verdachte en twee onbekende personen celmateriaal hebben bijgedragen dan wanneer drie onbekende personen hebben bijgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het spoor uit het kruis van de slip (AUA106#02) heeft het NFI geconcludeerd dat de bevindingen extreem veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering celmateriaal van verdachte, van [naam vriend] en een onbekende bevat dan wanneer de bemonstering celmateriaal van [naam vriend] en twee willekeurige onbekende personen bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundige Koopman heeft later meer specifiek berekend met het programma LRmixStudio dat de bevindingen van vergelijkend DNA-onderzoek tussen de 1 miljard en 6 miljard keer waarschijnlijker zijn als de bemonstering DNA van verdachte, [naam vriend] en van een onbekende, niet aan hen verwante persoon bevat dan wanneer de bemonstering DNA van [naam vriend] en van twee onbekende, niet aan hem of aan de verdachte of aan elkaar verwante personen bevat. Met het programma MixCal heeft de deskundige een puntschatting gemaakt die uitkomt op 180 miljard keer waarschijnlijker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundige Buckleton heeft met het programma STRmix berekend dat het sporenbeeld 168 biljoen keer waarschijnlijker is wanneer het celmateriaal in de bemonstering afkomstig is van [naam vriend] en verdachte en een onbekende dan wanneer het celmateriaal afkomstig is van [naam vriend] en twee onbekende personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens is op de jas van het slachtoffer een schaamhaar dan wel lichaamshaar uit het aan de schaamstreek grenzende gebied aangetroffen (spoor ALA045) welke op basis van mitochondriaal DNA-onderzoek met een likelihood ratio van boven de 10.000 kan worden toegeschreven aan de verdachte dan wel een aan de verdachte in de moederlijke lijn verwante persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de bevindingen met betrekking tot deze sporen in onderlinge samenhang bezien leidt het hof af dat verdachte celmateriaal heeft achtergelaten in het lichaam van Nicole van den Hurk en een schaam-/lichaamshaar heeft achtergelaten op de jas van Nicole van den Hurk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de aangetroffen DNA-kenmerken die volgens de verdediging zouden wijzen op een andere dader of daders kan het hof geen doorslaggevende betekenis toekennen, nu uit de bevindingen van de deskundigen is gebleken dat die sporen geen of nauwelijks bewijskracht hebben. Daartegenover staat de hoge mate van bewijskracht die wordt toegekend aan de bevindingen die betrekking hebben op verdachte. Er zijn geen tactische en technische aanwijzingen in het dossier die wijzen op een andere dader of daders dan verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht niet aannemelijk geworden dat het celmateriaal van verdachte op een eerder moment, tijdens het uitgaan door vrijwillig seksueel contact met Nicole van den Hurk in het lichaam en de slip is terechtgekomen dan wel dat de haar op andere wijze dan door de ten laste gelegde feiten op de jas is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het daarover gegeven alternatieve scenario acht het hof niet aannemelijk geworden. Voorts heeft verdachte geen verklaring gegeven over zijn activiteiten, nadat hij in de avond/nacht van 5 op 6 oktober 1995 door bemiddeling van de politie de woning van zijn ex-partner in Eindhoven heeft verlaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu het celmateriaal van verdachte is aangetroffen in het genitale gebied van Nicole van den Hurk gaat het hof er van uit dat sprake is geweest van seksueel contact en dat het celmateriaal in het lichaam is terechtgekomen doordat verdachte met zijn geslachtsorgaan is binnengedrongen in het lichaam van Nicole van den Hurk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nicole van den Hurk was in de vroege ochtend van 6 oktober 1995 op haar fiets op weg naar haar werk bij de Konmar supermarkt in Eindhoven. Daar is zij niet aangekomen en er is niets meer van haar vernomen. Haar fiets werd dezelfde dag in de rivier de Dommel te Eindhoven gevonden en haar tas met persoonlijke spullen is aangetroffen langs de Kanaaldijk Zuid binnen de bebouwde kom van de gemeente Eindhoven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Haar lichaam, met diverse letsels (onder andere aan het hoofd waaronder een dubbele kaakbreuk), is aangetroffen op een afgelegen bosperceel in Lierop, hemelsbreed 12,6 kilometer verderop. Het lichaam was bedekt met snoeiafval. Aan de kleding was te zien dat het lichaam kennelijk was gesleept.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze omstandigheden leidt het hof af dat het slachtoffer niet vrijwillig met de verdachte is meegegaan, dat zij het seksueel contact met verdachte onder dwang heeft ondergaan en dat voor, tijdens en/of na deze verkrachting dusdanig geweld is toegepast dat het slachtoffer om het leven is gekomen. Door toepassing van dit geweld heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer om het leven zou komen. Voorts leidt het hof uit de omstandigheden af dat verdachte, teneinde te voorkomen dat ontdekt zou worden dat hij het slachtoffer heeft verkracht en om het leven heeft gebracht, haar lichaam op een afgelegen bosperceel onder snoeiafval heeft achtergelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof leidt uit al het voorgaande af dat het verdachte is geweest die Nicole van den Hurk op of omstreeks 6 oktober 1995 heeft verkracht en van het leven heeft beroofd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>hij op of omstreeks 6 oktober 1995 te Eindhoven, althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) N. van den Hurk (geboren op 4 juli 1980) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die Van den Hurk, hebbende verdachte (telkens) zijn penis in de vagina van die Van den Hurk gebracht/geduwd/gehouden en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>die Van den Hurk heeft meegenomen en/of vastgehouden dan wel anderszins van de vrijheid heeft beroofd (gehouden) en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een of meer (andere) vormen van geweld en/of (andere) geweldshandelingen op het hoofd en/of het lichaam van die Van den Hurk en/of tegen die Van den Hurk heeft toegepast/uitgeoefend, en/of (aldus) voor die van den Hurk (telkens) een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>hij op of omstreeks 6 oktober 1995 in Nederland, opzettelijk N. van den Hurk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, een of meer geweldshandelingen op het hoofd en/of het lichaam van die Van den Hurk toegepast/uitgeoefend, ten gevolge waarvan voornoemde Van den Hurk is overleden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddelen en algemene bewijsoverwegingen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaardelijke verzoeken De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2018, overeenkomstig de overgelegde pleitnotities, - zakelijk weergegeven - de volgende voorwaardelijke verzoeken gedaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval het hof tot de conclusie zou komen dat er sprake is van een DNA-hit uit 1987 en dientengevolge verdachte ook verantwoordelijk acht voor de verkrachting uit 1987 is het noodzakelijk hier nader onderzoek naar te verrichten en wordt nogmaals het verzoek gedaan om ter zake het DNA-bewijs een second opinion te doen verrichten door het IFS (in de persoon van de heer Eikelenboom). Daarnaast wordt alsdan verzocht mevrouw [slachtoffer] op te roepen als getuige voor een nader getuigenverhoor in het bijzijn van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het hof tot de conclusie mocht komen dat de sporen die anussporen worden genoemd ook daadwerkelijk uit de anus komen, meent de verdediging dat het noodzakelijk is alsnog voormalig arts en patholoog R. Visser als getuige/deskundige op te roepen teneinde hem te bevragen of sporen waarvan wordt vermoed dat die uit de anus komen ook daadwerkelijk daar vandaan komen en/of dat zij daar op een andere manier terecht kunnen zijn gekomen dan tijdens een anale verkrachting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal geen acht slaan op de door de verdediging genoemde DNA-hit uit 1987. Daardoor is de aan het verweer ten grondslag gelegde voorwaarde niet vervuld, zodat het hof in zoverre niet hoeft te beslissen op de voorwaardelijke verzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals eerder overwogen leidt het hof af uit de toelichtingen van de deskundigen dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat sprake is geweest van anaal seksueel verkeer. Nu de door de verdediging genoemde conclusie niet wordt getrokken, omdat niet wordt uitgesloten dat het celmateriaal van de verdachte kan zijn verplaatst en het niet is vast te stellen of anaal seksueel contact heeft plaatsgevonden, is het horen van de genoemde getuige/deskundige niet noodzakelijk. Het voorwaardelijke verzoek wordt derhalve afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diversen Rapport Alkemade Door de verdediging is naar voren gebracht dat het rapport van dr. F.J.M. Alkemade d.d. 30 september 2017 niet tot het bewijs gebezigd mag worden omdat het door het openbaar ministerie onrechtmatig is verkregen. Alkemade is niet als deskundige geregistreerd in het NRGD en derhalve had het openbaar ministerie niet buiten het hof om een rapport mogen laten opstellen door Alkemade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter zitting van 30 mei 2017 heeft het hof de vordering van het openbaar ministerie afgewezen om dr. F.J.M. Alkemade te benoemen als deskundige teneinde een Bayesiaans rapport te laten opstellen in de zaak Bosuil aangezien het hof dat niet noodzakelijk achtte. Tevens heeft het hof geoordeeld dat de stelling van de verdediging dat het openbaar ministerie het rapport in het geheel niet in het geding zou mogen brengen, geen steun vindt in het recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rapport d.d. 30 september 2017 is door het openbaar ministerie toegevoegd aan de stukken en aan de verdediging is vervolgens toegestaan een contra onderzoek te laten verrichten door prof. dr. R.W.J. Meester (rapport van 4 december 2017).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus is naar het oordeel van het hof geen sprake van schending van enig beginsel van een goede procesorde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof betrekt daarbij dat in het Nederlandse stelsel van strafvordering de selectie en waardering van bewijsmateriaal steeds achteraf geschiedt, nadat de bewijsgaring heeft plaatsgevonden. Daarbij is de sanctie op onrechtmatigheid van die bewijsgaring dat het daardoor verkregen bewijsmateriaal buiten beschouwing gelaten moet worden. De wet, in het geval als hier aan de orde, voorziet niet in een voorafgaand rechterlijk toezicht op de bewijsgaring zoals die door het openbaar ministerie plaatsvindt. Om die reden heeft het hof geoordeeld dat het recht geen steun biedt aan de stelling van de verdediging dat het rapport in het geheel niet ingebracht had mogen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan toetsing van de (on)rechtmatigheid van het rapport dan wel de (on)deskundigheid van Alkemade komt het hof echter niet toe nu het hof het rapport van Alkemade niet voor het bewijs bezigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover door het openbaar ministerie naar voren is gebracht -kort gezegd- dat dr. F.J.M. Alkemade en prof. dr. R.W.J. Meester elkaar zouden vinden in hun oordeel dat het DNA-bewijs geen ruimte laat voor een tweede dader en dit als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan het hof heeft voorgelegd, ziet het hof geen aanleiding om daar op te responderen. De selectie en waardering van het bewijsmateriaal is aan het hof. Bovendien heeft het openbaar ministerie geen belang bij een reactie van het hof nu het hof tot een integrale bewezenverklaring komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] In de loop van de procedure in eerste aanleg hebben zich twee getuigen gemeld, [getuige 1] en [getuige 3] , welke hebben verklaard dat verdachte tijdens het verblijf in de TBS kliniek Veldzicht, tegen hen gezegd zou hebben dat hij een vrouw heeft omgebracht en dat hij nooit gepakt is voor die zaak, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking. Deze getuigen zijn in eerste aanleg gehoord bij de rechter-commissaris op 5 februari 2016. In hoger beroep is door het openbaar ministerie een zaaksproces-verbaal uitvoering bevel stelselmatige informatie-inwinning d.d. 9 oktober 2017 ingebracht (onderzoek Bosuil 2/Rani) met daarin opgenomen de verslagen van gesprekken van een politieel informatie inwinner met [getuige 1] en diens vriendin [getuige 2] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu het hof de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] niet tot het bewijs bezigt, reeds omdat deze onvoldoende concreet en specifiek zijn, behoeft het verweer van de verdediging strekkende tot uitsluiting van het bewijs van die verklaringen wegens schending van het recht op een eerlijk proces en beginselen van een behoorlijke procesorde, geen bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: verkrachting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder 2 bewezen verklaarde levert op: doodslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op te leggen sanctie(s) De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de ten laste gelegde doodslag en heeft hem ter zake van verkrachting veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Standpunten procespartijen Door de advocaten-generaal is oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren gevorderd voor de verkrachting van en doodslag op N. van den Hurk. Daarbij is rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door de benadeelde partijen gewenste oplegging van de TBS-maatregel is door het openbaar ministerie niet gevorderd. Verdachte was tot aan zijn aanhouding in deze zaak in de eindfase van de TBS die hem was opgelegd voor een in 2000 gepleegde verkrachting. Hoewel de advocaten-generaal het met de nabestaanden eens zijn dat die TBS-behandeling niet is afgerond, onder meer omdat hij tijdens die behandeling geen openheid van zaken heeft verschaft over wat met N. van den Hurk is gebeurd, is er een juridisch beletsel voor het opleggen van een (nieuwe) TBS. De advocaten-generaal menen namelijk dat niet is voldaan aan de eis van een recidiverisico dat voortkomt uit een bij verdachte geconstateerde stoornis en dat het opleggen van die TBS noodzakelijk maakt. En hoewel de advocaten-generaal (evenals de officier van justitie in eerste aanleg) vraagtekens hebben gezet bij de in 2014 uitgevoerde risicotaxatie door de gedragsdeskundigen Offermans en Oudejans, is uit de beschikbare gegevens niet af te leiden dat dit (hof: herhalingsgevaar) aan de orde was in 1995.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaten-generaal zijn bij hun eis uitgegaan van een volledig toerekeningsvatbare verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd en heeft daarbij gewezen op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het bepaalde van artikel 63 Sr;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de overschrijding van de redelijke termijn;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de grote hoeveelheid en voor de verdachte negatieve media-aandacht;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de lange duur van de voorlopige hechtenis, waarbij de verdachte geen voorwaardelijke invrijheidstelling is vergund;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de aannemelijk te achten verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten tijde van het delict; en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de succesvolle TBS-behandeling die de verdachte inmiddels heeft genoten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze omstandigheden dienen naar de mening van de verdediging in straf verminderende zin bij de strafoplegging te worden meegewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts mag de omstandigheid dat de verdachte zich al die jaren niet bij de politie heeft gemeld niet straf verhogend werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door het openbaar ministerie gevorderde straf is bovendien te zwaar gelet op de straffen die in soortgelijke zaken in het verleden (jaren negentig) werden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oplegging van een TBS-maatregel, zoals de benadeelde partijen voorstaan, is volgens de verdediging niet aan de orde omdat geen recidiverisico en geen doorwerking van een stoornis in het delict kan worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegingen hof Algemene overwegingen aangaande de strafoplegging Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft zich in 1995 schuldig gemaakt aan de verkrachting van en doodslag op Nicole van den Hurk. Hij heeft het 15-jarige meisje met nog een heel leven voor zich, toen zij in de vroege ochtend op weg was naar haar bijbaantje, gedwongen tot seksueel contact en heeft haar vervolgens het meest kostbare dat een mens bezit, het leven, ontnomen. Het jonge slachtoffer moet de laatste momenten van haar leven onvoorstelbaar bang zijn geweest en hebben geweten dat haar laatste uur was geslagen. Dat moet vreselijk voor haar zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de nabestaanden van het slachtoffer is onherstelbaar leed toegebracht. Dat geldt eens te meer nu zij in het ongewisse blijven ten aanzien van de laatste levensmomenten van hun (stief-)dochter en zus. Zij moeten leven in de wetenschap dat het slachtoffer seksueel is misbruikt en vervolgens op gewelddadige wijze om het leven is gebracht. Bovendien hebben zij tijdens de wekenlange vermissing van het meisje in angst en onzekerheid geleefd. Daarna hebben de nabestaanden vele jaren in het duister getast omtrent de identiteit van de dader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel de stiefmoeder als de juridisch vader van het slachtoffer hebben tijdens het uitoefenen van hun spreekrecht op indringende en emotionele wijze kenbaar gemaakt welke impact het handelen van verdachte nu, jaren later, nog steeds op de hele familie heeft. Ook uit de schriftelijke verklaringen van de halfbroer en de stiefzus van het slachtoffer volgt het immense verdriet dat hen door de verdachte is aangedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de bewezenverklaarde verkrachting heeft verdachte de geestelijke en lichamelijke integriteit van het jonge slachtoffer op een verstrekkende manier geschonden. Het hof houdt rekening met de strafverzwarende omstandigheden dat het destijds 15-jarige slachtoffer, op weg naar haar bijbaantje door de verdachte onverhoeds is benaderd en is verkracht, waarbij de verdachte, gelet op zijn leeftijd en postuur, misbruik heeft gemaakt van zijn overwicht op haar. Een verkrachting is in zijn algemeenheid een uitermate traumatische gebeurtenis voor een slachtoffer en dus ook voor het 15-jarige slachtoffer. Het behoeft ook geen betoog dat verkrachtingen gevoelens van afschuw en verontwaardiging oproepen in de samenleving en dat vrouwen zich hierdoor minder veilig voelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook een levensdelict als de bewezenverklaarde doodslag schokt de rechtsorde zeer ernstig. De omstandigheden waaronder het lichaam van het slachtoffer is gevonden brengen in de samenleving verbijstering en gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft tevens acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 augustus 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, onder meer ter zake van geweldsdelicten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie De enige wijze waarop aan de ernst en de aard van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, recht kan worden gedaan, is met de oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 63 Het hof dient bij zijn straftoemeting het bepaalde in artikel 63 Sr toe te passen. Verdachte is:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bij vonnis van 6 maart 1996 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor een zware mishandeling (gepleegd op 13 november 1995) tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 voorwaardelijk;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bij vonnis van 7 juni 2000 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor verkrachting, meermalen gepleegd (op 13 februari 2000) tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 voorwaardelijk; en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bij vonnis van 18 januari 2001 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch veroordeeld (wegens verkrachting, meermalen gepleegd, en wederrechtelijke vrijheidsberoving) tot gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en TBS met bevel tot verpleging.</div>\n<p class=\"lf-p\">In dit concrete geval houdt dat in dat, nu verdachte thans schuldig wordt verklaard aan misdrijven die zijn gepleegd vóór de hiervoor genoemde strafopleggingen, het hof de bepalingen van artikel 57 Sr. dient toe te passen om een door de wetgever onwenselijk geachte cumulatie van straffen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast heeft het Hof bij zijn strafoplegging ook artikel 10 Sr te betrekken, hetgeen onder meer betekent dat de destijds, ten tijde van het plegen van de feiten in 1995, geldende wettelijke strafmaxima moeten worden toegepast. Ingevolge artikel 242 Sr kon voor een verkrachting een gevangenisstraf van ten hoogste 12 jaren worden opgelegd; ingevolge artikel 287 Sr gold voor doodslag een gevangenisstraf voor ten hoogste 15 jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de voorgeschreven gematigde cumulatie kan het hof thans niet meer opleggen dan één derde boven de hoogste maximumstraf van 15 jaren, minus de hiervoor genoemde eerdere veroordelingen (tweemaal 18 maanden plus 3 jaren), derhalve een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oplegging maatregel van TBS?</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2014 is door een tweetal gedragsdeskundigen gerapporteerd over de geestvermogens van de verdachte. Uit de rapportage d.d. 25 november 2014 van psycholoog Oudejans volgt dat het aannemelijk is dat in 1995 sprake was van persoonlijkheidsproblematiek en middelenproblematiek, maar dat het niet mogelijk is om een gedragsdeskundige reconstructie te maken om op een verantwoorde wijze de aard, omvang en ernst van de toen bestaande persoonlijkheidsproblematiek en middelenproblematiek en de doorwerking daarvan in de thans tenlastegelegde feiten, te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de rapportage d.d. 24 november 2014 van psychiater Offermans volgt een vergelijkbaar advies. Er is bij verdachte sprake van een persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anderszins omschreven), waarin naast narcistische en borderline trekken ook en vooral antisociale trekken aanwezig zijn. De deskundige onthoudt zich evenwel van een uitspraak over de doorwerking van de (toenmalige) stoornissen, gelet ook op de ontkenning door verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu door de deskundigen aldus geen uitspraak is gedaan over de mate van toerekeningsvatbaarheid, met welke conclusie het hof zich verenigt, kan hiermee – anders dan door de verdediging is verzocht – in strafmatigende zin geen rekening worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het hof is er gelet op het voorgaande eveneens onvoldoende houvast om te concluderen tot het opleggen van de maatregel van TBS, zoals door de benadeelde partijen verzocht is. Met de advocaten-generaal en de verdediging vindt het hof dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van die maatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Media-aandacht De hoeveelheid media-aandacht die deze zaak heeft gekregen, vindt het hof in deze zaak niet een straf verminderende factor. Zowel de aard van de zaak als het lange verloop van het politieonderzoek kunnen die aandacht heel wel verklaren. Bovendien brengt de omstandigheid dat na bijna 20 jaar als gevolg van DNA-onderzoek een verdachte is getraceerd, als zodanig al veel media-aandacht met zich. Dat verdachte meer dan normaal te verwachten door de media-aandacht nadelig is getroffen, is het hof niet gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweer van de verdachte wordt in zoverre gepasseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duur voorlopige hechtenis Ook het verweer met betrekking tot de lange duur van de voorlopige hechtenis slaagt niet. De omstandigheid dat verdachte na ommekomst van tweederde van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, niet voorwaardelijk in vrijheid is gesteld, leidt evenmin tot strafvermindering. Bij tussenbeslissing van 18 mei 2018 heeft het hof reeds beslist dat noch uit de tekst van de wet, noch uit de wetsgeschiedenis, noch uit de bepalingen met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling een verplichting valt te destilleren tot opheffing van de voorlopige hechtenis met ingang van de datum waarop, ware verdachte onherroepelijk veroordeeld, de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling is bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie Het hof zal voor de strafmaat aansluiting zoeken bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. In het bijzonder slaat het hof acht op de ernst van de feiten, zoals die hiervoor ook uiteen is gezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door de advocaten-generaal gevorderde gevangenisstraf van 14 jaren acht het hof op zich een passende straf, maar het hof zal er ook rekening mee houden dat verdachte in 2001 ook is veroordeeld tot een TBS-maatregel (die nog niet beëindigd is) en in dat kader is behandeld en van zijn vrijheid is beroofd. Daarmee rekening houdend zal het hof komen tot een lagere strafoplegging van in beginsel 12 jaren en 6 maanden gevangenisstraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redelijke termijn Het hof stelt ten aanzien van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten vast dat de verdachte op 14 januari 2014 is aangehouden en in verzekering is gesteld voor het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat in verband met een gedetineerde verdachte de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, hier de inverzekeringstelling op 14 januari 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vonnis van de rechtbank dateert van 21 november 2016 en is derhalve niet binnen de genoemde termijn van 16 maanden gewezen. Bij de bepaling van de redelijkheid van de duur van de zaak heeft het hof gelet op de omstandigheid dat de zaak zeer ingewikkeld is, alsmede op de aard en omvang van het verrichte onderzoek en het horen van verschillende getuigen en deskundigen. Aangezien een deel van het aanvullende DNA-onderzoek is geïnitieerd door de rechtbank, meent het hof dat het daardoor opgetreden tijdsverloop niet voor rekening van de verdachte moet komen. Aldus is het hof van oordeel dat in eerste aanleg de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft op 30 november 2016 appel ingesteld. Het hof stelt vast dat de stukken van het geding op 12 januari 2017 reeds bij het hof zijn binnengekomen. Aldus geldt in zoverre geen overschrijding van de redelijke termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de berechting van de zaak in hoger beroep geldt, gelijk de berechting in eerste aanleg, dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting, na het instellen van appel, dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden. Het hof wijst arrest op 9 oktober 2018, derhalve niet binnen die termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in hoger beroep slaat het hof acht op de ingewikkeldheid van de zaak, maar daarnaast ook op het verloop van het rechtsgeding in hoger beroep. In dit verband is het hof van oordeel dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Als gevolg van de door het openbaar ministerie ingezette onderzoeken (de zogenaamde Ikea-proef, het traject werken onder dekmantel en de rapportage houdende de Bayesiaanse visie van dr. Alkemade) heeft het proces in hoger beroep in enige mate vertraging heeft opgelopen. Hiervan kan de verdachte geen verwijt worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal derhalve met deze overschrijdingen in strafmatigende zin rekening houden. Het hof zal daarom op de overwogen totale gevangenisstraf van 12 jaren en 6 maanden, 6 maanden in mindering brengen, zodat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren resteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie Alles overziend acht het hof het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vorderingen van de benadeelde partijen De juridische vader, halfbroer, stiefmoeder en stiefzus hebben zich alle vier als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorderingen zullen hierna onder A. afzonderlijk worden weergegeven, waarbij tevens (kort) het oordeel van de rechtbank wordt vermeld. De standpunten van de advocaten-generaal staan onder B. De standpunten van/namens de verdachte met betrekking tot de ontvankelijkheid en de inhoud van de vorderingen tot schadevergoeding zullen vervolgens onder C. worden uiteengezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overwegingen van het hof staan ten slotte onder D. Het hof ziet in de aard van de vorderingen aanleiding om deze deels gezamenlijk te bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Vorderingen en oordeel rechtbank A.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] De juridische vader van het slachtoffer, [benadeelde partij 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade tot een bedrag van € 15.000,00, als gevolg van de aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde doodslag. Daarnaast heeft [benadeelde partij 1] bij de rechtbank een bedrag aan proceskosten gevorderd van € 720,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, omdat de rechtbank de doodslag niet bewezen heeft geacht. Ten aanzien van de proceskosten heeft de rechtbank beslist dat elke partij de eigen kosten draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van het eerder ingediende verzoek tot schadevergoeding van € 15.000,00. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering voor zover deze betrekking heeft op proceskosten van € 720,00 ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] De halfbroer van het slachtoffer, [benadeelde partij 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend tot een totaalbedrag van € 18.350,60. Deze vordering bestaat uit bedragen aan materiële schade, € 647,40 en € 203,20, in verband met gemaakte reis- en parkeerkosten van de strafzaak bij de rechtbank en het gerechtshof. Daarnaast is een bedrag van € 17.500,00 aan geleden immateriële schade gevorderd, als gevolg van de aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde doodslag. Ter terechtzitting van de rechtbank is namens de benadeelde partij verzocht de gevorderde schade te vermeerderen met de wettelijke rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, omdat de rechtbank de doodslag niet bewezen heeft geacht. Ten aanzien van de proceskosten heeft de rechtbank beslist dat elke partij de eigen kosten draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, voor zover deze betrekking heeft op de gevorderde immateriële schade van € 17.500,00 en de reiskosten van de strafzaak bij de rechtbank van € 647,40. De reis- en parkeerkosten van de behandeling van de strafzaak bij het gerechtshof zijn beperkt tot een bedrag van € 158,80.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] De stiefmoeder en toeziend voogd van het slachtoffer, [benadeelde partij 3] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend tot een totaalbedrag van € 18.080,60. Deze vordering bestaat uit bedragen aan materiële schade, € 377,40 en € 203,20, in verband met gemaakte reis- en parkeerkosten van de strafzaak bij de rechtbank en het gerechtshof. Daarnaast is een bedrag van € 17.500,00 aan geleden immateriële schade gevorderd, als gevolg van de aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde doodslag. Ter terechtzitting van de rechtbank is namens de benadeelde partij verzocht de gevorderde schade te vermeerderen met de wettelijke rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, omdat de rechtbank de doodslag niet bewezen heeft geacht. Ten aanzien van de proceskosten heeft de rechtbank beslist dat elke partij de eigen kosten draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, voor zover deze betrekking heeft op de gevorderde immateriële schade van € 17.500,00 en de reiskosten van de strafzaak bij de rechtbank van € 377,40. De reis- en parkeerkosten van de behandeling van de strafzaak bij het gerechtshof zijn beperkt tot een bedrag van € 182,65.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] De stiefzus van het slachtoffer, [benadeelde partij 4] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend tot een totaalbedrag van € 20.217,51. Deze vordering bestaat uit bedragen aan materiële schade, € 52,60 en € 203,20, in verband met gemaakte reis- en parkeerkosten van de strafzaak bij de rechtbank en het gerechtshof, en € 1.782,74 en € 678,97, in verband met opgenomen verlofdagen voor het bijwonen van de behandeling van de strafzaak bij de rechtbank en het gerechtshof. Daarnaast is een bedrag van € 17.500,00 aan geleden immateriële schade gevorderd, als gevolg van de aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde doodslag. Ter terechtzitting van de rechtbank is namens de benadeelde partij verzocht de gevorderde schade te vermeerderen met de wettelijke rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, omdat de rechtbank de doodslag niet bewezen heeft geacht. Ten aanzien van de proceskosten heeft de rechtbank beslist dat elke partij de eigen kosten draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, voor zover deze betrekking heeft op de gevorderde immateriële schade van € 17.500,00 en de reiskosten en verlofdagen van de strafzaak bij de rechtbank van € 52,60 en € 1.782,74. De reis- en parkeerkosten van de behandeling van de strafzaak bij het gerechtshof en de in verband daarmee opgenomen verlofdagen zijn beperkt tot bedragen van € 182,65 en € 595,84.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Standpunten van de advocaten-generaal B.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontvankelijkheid van de benadeelde partijen Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun vorderingen hebben de advocaten-generaal zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] het slachtoffer heeft erkend en dat hij derhalve ontvangen kan worden in zijn vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van halfbroer [benadeelde partij 2] hebben de advocaten-generaal naar voren gebracht dat hij als bloedverwant ontvankelijk is in zijn vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] hebben de advocaten-generaal betoogd dat het hof hen niet-ontvankelijk kan verklaren, omdat zij geen bloedverwanten zijn, maar stieffamilie. De advocaten-generaal zien echter in de omstandigheden dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het slachtoffer deel uitmaakte van het gezin van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] ,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[benadeelde partij 3] voogd was van het slachtoffer (hof: toeziend voogd), en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de kring van nabestaanden die met ingang van 1 januari 2019 affectieschade kunnen vorderen, wordt uitgebreid, aanleiding om hen wel ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.</div>\n<p class=\"lf-p\">B.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiële schade gevorderd door [benadeelde partij 2] . [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]</p></div>", "next": 239471}