{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Gelet op het vorenstaande neemt het hof vorenstaande overwegingen en beslissing van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne, op grond waarvan het verweer van de verdediging wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de rechtbank stelt het hof post 24 vast op een bedrag van € 13.613,40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Post 25:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voer- en vaartuigen De rechtbank heeft in het beroepen vonnis (blz. 45 en 46) omtrent post 25 “Voer- en vaartuigen” het navolgende overwogen en beslist:</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelde heeft bij [naam] Adviesgroep een aantal voer- en vaartuigen verzekerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De meeste daarvan zijn betaald uit de bedrijfskas van veroordeelde. Van de aanschaf van 3 voertuigen zijn in het SFO geen nota’s aangetroffen, niet in de privé administratie en niet in de bedrijfsadministratie. Het betreft een Aprilla scooter en twee KTM crossmotoren. De KTM motoren zijn verzekerd per 6 juli 2001, de Aprilla scooter per 17 juli 2002.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft aangevoerd dat veroordeelde de Aprilla motor heeft gekregen van een klant van hem, [naam klant]. De beide KTM’s heeft hij gekocht voor in totaal € 1.000,00 en verkocht voor € 1.250,00. In totaal dient er in de kasopstelling onder deze post € 250,00 aan inkomsten te worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie heeft voor de scooter en de motoren een stelpost aangenomen van € 1.250,00 per voertuig. Aanvankelijk is in de kasopstelling onder post 25 een totaalbedrag van € 3.750,00 aan uitgaven opgenomen. In de conclusie van repliek is dit teruggebracht tot een bedrag van € 2.500,00, uitgaande van 1 KTM motor en de Aprilla scooter.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat veroordeelde geen stukken heeft overgelegd, waaruit blijkt dat hij de Aprilla scooter heeft gekregen en dat hij de KTM crossmotoren heeft gekocht voor in totaal € 1.000,00 en heeft verkocht voor in totaal € 1.250,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door het openbaar ministerie aangenomen stelpost van € 1.250,00 per voertuig komt de rechtbank niet onredelijk voor. In een tapgesprek van 4 september 2004 gaat het over “de crosser van [veroordeelde]”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat wijst erop dat veroordeelde op die datum in ieder geval één crossmotor in bezit had. Gelet hierop zal de rechtbank de aanschaf van een Aprilla scooter en één KTM crossmotor in aanmerking nemen voor een totaalbedrag van € 2.500,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft in het hoger beroep het in eerste aanleg gevoerde verweer zoals hiervoor weergegeven in de overwegingen van de rechtbank herhaald en dit standpunt in het hoger beroep niet nader onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet geen reden anders te overwegen en te beslissen dan de rechtbank heeft gedaan en neemt vorenstaande overwegingen en beslissing van de rechtbank over, maakt deze tot de zijne en verwerpt op grond daarvan het standpunt van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij merkt het hof op dat de in hoger beroep toegewezen getuige [naam], die volgens veroordeelde de klant was die hem de Aprilla gegeven had, is overleden voor hij verhoord kon worden. Daarmee keert het hof echter terug tot het uitgangspunt dat aannemelijkheid van zodanige schenking allereerst zou kunnen blijken uit schriftelijke gegevens. Die ontbreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de rechtbank stelt het hof post 25 vast op een bedrag van € 2.500,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Post 26:</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft in het beroepen vonnis (blz. 46) omtrent post 26 “Safari-wereldreizen” het navolgende overwogen en beslist:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Rapport Kasopstelling gaat ervan uit dat veroordeelde samen met [naam] drie langere reizen heeft gemaakt. Analyse van aangetroffen aantekeningen wijst volgens het rapport uit dat de (verblijf)kosten van een reis minimaal € 6.535 bedroegen. De helft van de kosten dient voor rekening van veroordeelde te komen. De kasopstelling stelt het bedrag op € 3.000 per reis, dus in totaal € 9.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelde voert aan dat [naam] bijna alles voor hem betaalde. Deze post kan hooguit € 4.000 bedragen. Voorts wijst hij op de verklaring van [naam] afgelegd op 20 november 2007, waarbij deze aangeeft dat de kosten onderweg ongeveer € 1.500 per man per reis waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is van oordeel dat aan de stelling van veroordeelde dat [naam] bijna alles voor hem betaalde wordt tegengesproken door [naam] die aangeeft dat de kosten onderweg werden betaald uit een gezamenlijke pot en dat de kosten onderweg door ieder fifty-fifty werden betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de hoogte van het bedrag per reis zoekt de rechtbank aansluiting bij de dagboekaantekeningen van veroordeelde van zijn reis naar Zuid-Amerika.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het Rapport Kasopstelling opgenomen stelpost per reis komt de rechtbank dan ook alleszins redelijk voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal voor wat betreft de drie wereldreizen à €3.000 een bedrag van €9.000 als contante uitgave opnemen in de kasopstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft in hoger beroep het in eerste aanleg gevoerde verweer zoals weergegeven in de hiervoor opgenomen overweging van de rechtbank herhaald en heeft in het hoger beroep aanvullend verzocht [naam] omtrent deze post als getuige te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat mede gelet op de door [naam] in een eerder stadium afgelegde verklaring, de verklaring van veroordeelde dat deze post hooguit € 4.000,- kan hebben bedragen aannemelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig het standpunt van de verdediging stelt het hof post 26 vast op € 4.000,-. Het andersluidende standpunt van het openbaar ministerie wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het vorenstaande gaat het hof aan het getuigenverzoek van de verdediging zoals gedaan ter terechtzitting van 21 maart 2019 voorbij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Post 27:</p>\n<p class=\"lf-p\">Diverse hulpen 5.27.1 [naam] De rechtbank heeft in het beroepen vonnis (blz. 47) omtrent post 27.1 “Naam” het navolgende overwogen en beslist: [naam] heeft in de onderzoeksperiode werkzaamheden voor veroordeelde verricht. Hij heeft hierover het volgende verklaard. “Ik heb diverse keren auto’s opgehaald voor [bedrijf veroordeelde] bij [bedrijf]. Dat is misschien wel 100 of 150 keer gebeurd. Ik kan niet aangeven wat ik hiervoor totaal heb ontvangen. De ene keer kreeg ik fl. 50,00 of fl. 100,00 of ooit €50,00. Ik kreeg ook gratis wasbeurten voor mijn auto en een glas drinken. Ik kan hiervoor geen totaalbedrag geven, maar volgens mij is het nooit meer geweest dan fl. 500,00. Het ophalen van auto’s doe ik al lang, misschien al wel 27 jaar. Het bedrag van fl. 500,00 heeft betrekking op de periode vanaf 2000 tot en met september 2004. (..). Ik heb [veroordeelde] nooit rekeningen gegeven wat mijn kosten waren voor de door mij uitgevoerde werkzaamheden. en Volgens veroordeelde dient te worden uitgegaan van de verklaring van [naam] dat hij in totaal fl. 500,00 (€ 226,89) heeft ontvangen voor de werkzaamheden. en De rechtbank zal veroordeelde volgen in zijn standpunt. Bij gebrek aan andersluidende (betalings-)bewijzen ziet de rechtbank geen voldoende concrete aanknopingspunten om de verklaring van [naam] als onjuist te kunnen aanmerken. De rechtbank zal ten aanzien van [naam]derhalve een bedrag van € 226,89 in aanmerking nemen voor de kasopstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof neemt vorenstaande overwegingen en beslissingen van de rechtbank over, maakt deze tot de zijne en stelt met de rechtbank post 27.1 vast op € 226,89.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.27.2. De tuinman in Spanje De rechtbank heeft in het beroepen vonnis (blz. 47 en 48) omtrent post 27.2 “De tuinman in Spanje” het navolgende overwogen en beslist:</p>\n<p class=\"lf-p\">In enkele tapgesprekken spreekt veroordeelde over een tuinman in zijn villa in Spanje (naar de rechtbank aanneemt villa [Spaanse villa].</p>\n<p class=\"lf-p\">In een van de tapgesprekken zegt veroordeelde dat de villa wordt verhuurd voor 1.800 euro per week. “Als ik het een paar keer verhuur, kan ik de tuinman weer betalen, aldus veroordeelde.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de doorzoeking van de villa is een factuur d.d. 16 augustus 2004 aangetroffen voor een totaalbedrag van € 5.008,45. Daarop staan maandelijkse bedragen van € 1.000,00 vermeld voor de maanden juli tot en met december 2004. Bij de factuur waren enkele bonnen gevoegd betreffende het schoonmaken van het zwembad, voor een totaalbedrag van € 148,75. en De rechtbank zal alleen de betalingen in aanmerking nemen betreffende de maanden juli en augustus 2004 en de eerste drie weken van september 2004. Al met al komt de rechtbank dan tot een totaalbedrag van € 3.400,00 (bedoeld zal zijn: € 2.700,-, hof) (2 maal € 2.000 (bedoeld zal zijn: € 1.000,-, hof) plus 21/30 maal 2.000 (bedoeld zal zijn: 21/30 maal € 1.000,-, hof).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof neemt vorenstaande overwegingen en beslissingen van de rechtbank over, maakt deze tot de zijne en stelt met de rechtbank - na aanpassing in verband met een rekenfout - post 27.2 vast op € 2.700,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.27.3. [naam] De rechtbank heeft in het beroepen vonnis (blz. 48) omtrent post 27.3 “[Naam]” onder meer het navolgende overwogen en beslist:</p>\n<p class=\"lf-p\">In de conclusie van antwoord (p. 15) komt veroordeelde tot een totaalbedrag van € 7.700,00 uitgaande van 40 weken per jaar en een dagvergoeding oplopende van f1. 75,00 in 2001 tot € 50,00 in 2004. en Mede omdat nadere andersluidende (betalings-)bewijzen ontbreken, zal de rechtbank veroordeelde volgen in de door hem gemaakte berekening en in totaal het door hem geschatte bedrag van € 7.700,00 in aanmerking nemen Het hof neemt vorenstaande overwegingen en beslissingen van de rechtbank over, maakt deze tot de zijne en stelt met de rechtbank post 27.3 vast op € 7.700,-..</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de rechtbank stelt het hof post 27 vast op (€ 226,89 + € 2.700,- + € 7.700,-=) € 10.626,89 .</p>\n<p class=\"lf-p\">Post 28:</p>\n<p class=\"lf-p\">Eindsaldo 21 september 2004 De rechtbank heeft in het beroepen vonnis (blz. 49) omtrent post 28 “Eindsaldo 21 september 2004” het navolgende overwogen en beslist:</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelde is op 21 september 2004 op Rotterdam Airport aangehouden. Hij had een bedrag van € 7.806,30 bij zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit bedrag heeft het openbaar ministerie aangemerkt als het eindsaldo aan privé uitgaven in de kasopstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft aangevoerd dat dit geen privé geld was, maar geld uit de bedrijfskas.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat de verdediging haar stelling niet nader heeft onderbouwd. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat het hier om zakelijke kasgelden ging. De rechtbank zal dan ook het bij verdachte aangetroffen bedrag van € 7.806,30 in aanmerking nemen als eindsaldo in de kasopstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoger beroep heeft de verdediging het in eerste aanleg gevoerde verweer zoals weergegeven in voormelde overweging van de rechtbank herhaald en niet nader onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet reden te overwegen en te beslissen zoals de rechtbank in vorenstaande overweging heeft gedaan. Het hof neemt de overwegingen en de beslissing van de rechtbank over, maakt deze tot de zijne en verwerpt op grond daarvan het verweer van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de rechtbank stelt het hof post 28 vast op: €7.806,30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Post 29:</p>\n<p class=\"lf-p\">Lening [naam] De rechtbank heeft in het beroepen vonnis (vonnis, blz. 49) omtrent post 29 “Lening [naam]” het navolgende overwogen en beslist:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 22 juni 2001 heeft mevrouw [naam] een koopovereenkomst getekend. Dit betrof het appartementsrecht van de woning [adres] te Utrecht en het recht op het uitsluitend gebruik van de kluiskelder. De koopsom bedroeg f1. 90.000,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de akte van levering is de bepaling opgenomen dat veroordeelde een voorkeursrecht tot koop heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 5 juni 2006 heeft veroordeelde f1. 97.127,12 (€ 44.074,36) contant gestort op de derdengeldrekening van notariskantoor [naam] te [plaats]onder vermelding van “[vermelding]”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De boekhouder van mevrouw [naam], [boekhouder], heeft onder meer een afschrift van een nota d.d. 6 juni 2001 overgelegd. Daarop staat vermeld: “aankoop kluiskelder [adres] (...) door u te voldoen f 97.127,12 (...) u ontvangt een hypothecaire lening van [veroordeelde] van f 97.127,12 resteert door u te voldoen nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 20 juli 2006 hebben [naam] en haar toenmalige partner, [naam], een gesprek gehad met de belastingdienst over onder meer de inkomsten van de coffeeshop [naam].. In het gespreksverslag is ten aanzien van [naam] onder meer het volgende genoteerd: “Aankoop kelder in 2001. Geleend bij [bedrijf veroordeelde] te [adres] f1. 97.197,12”.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het aanvullend rapport kasopstelling is het volgende vermeld over de contante storting door veroordeelde op de rekening van voormeld notariskantoor. “Uit onderzoek in de in beslag genomen administraties van de eenmanszaak van verdachte van [bedrijf veroordeelde], blijkt dat de afstorting (...) niet opgenomen is in de kasadministratie van genoemde onderneming. De contante afstorting kan ook niet worden verklaard uit contante opnamen van andere bankrekeningen van verdachte [naam]. [naam] is op 2 september 2008 door de politie gehoord. Zij heeft verklaard dat de aankoop van het pand is gefinancierd met een lening van coffeeshop [naam] en niet met een lening van veroordeelde. De verwijzing naar een geldlening van veroordeelde op voormeld bankafschrift van de rekening van de notaris en op voormelde nota van 6 juni 2001 klopt volgens haar niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie heeft in de kasopstelling het bedrag van f1. 97.127,12 (€44.074,36) in aanmerking genomen als privé uitgave van veroordeelde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft aangevoerd dat het daarbij gaat om geld dat [naam] in bewaring heeft gegeven bij veroordeelde. Bovendien heeft [bewaring gever] zelf betwist dat zij de aankoop van het pand heeft gefinancierd met een geldlening van veroordeelde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat verdachte ten behoeve van de aankoop van het pand het voormelde bedrag aan [naam] heeft geleend. De rechtbank baseert dit oordeel op het bankafschrift van de rekening van voormeld notariskantoor d.d. 5 juni 2005, voormelde nota van 6 juni 2006 en op de verklaring van [naam] zelf in voormeld gesprek met de belastingdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts wijst de rechtbank op de door veroordeelde niet betwiste constatering van het openbaar ministerie dat de contante storting niet is terug te vinden in de kasadministratie van de onderneming van veroordeelde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het verweer dat het hierbij gaat om geld dat [naam] bij veroordeelde in bewaring had gegeven, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierover heeft overwogen in paragraaf 5.0.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het voorgaande zal de rechtbank een bedrag van € 44.074,36 in aanmerking nemen als contante privé uitgave onder post 30 van de kasopstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoger beroep heeft de verdediging het in eerste aanleg gevoerde verweer, zoals hiervoor weergegeven in de overwegingen van de rechtbank herhaald en ter verdere onderbouwing verwezen naar de getuigenverklaring van [naam] ten overstaan van de raadsheer-commissaris op 31 oktober 2017 waarbij [naam]heeft verklaard dat [veroordeelde] haar nooit geld heeft geleend maar dat zij wel geld aan hem in bewaring heeft gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet in voormelde getuigenverklaring van [naam] geen reden anders te overwegen en te beslissen als de rechtbank heeft gedaan. Daargelaten de rechtsgrond is sprake van een contante storting door de veroordeelde van - omgerekend - € 44.074,36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof neemt vorenstaande overwegingen en beslissing van de rechtbank over voor wat betreft de privé-uitgave, maakt deze tot de zijne en verwerpt op grond daarvan het standpunt van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de rechtbank stelt het hof post 29 vast op: € 44.074,36.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bewaring gegeven gelden De verdediging heeft in hoger beroep eveneens het in de overweging van de rechtbank weergegeven verweer herhaald dat de privé-uitgave mogelijk is gemaakt door aan hem in bewaring gegeven gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat dit verweer door de verdediging ten aanzien van meerdere posten is gevoerd zal het hof dit hierna afzonderlijk bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Post 30:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aankoop [adres] De rechtbank heeft in het beroepen vonnis (blz. 51 en 52) omtrent post 30 “Aankoop [adres]” het navolgende overwogen en beslist:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 4 april 2001 hebben veroordeelde en mevrouw [naam] een koopakte getekend. Daarin is de aankoop van het pand [adres]te Utrecht geregeld. Het betrof een woning met werfkelder en het appartementsrecht op het uitsluitend gebruik van een auto-opstalplaats in een nabij de woning gelegen parkeerkelder. Verkopers waren [verkoper] en [verkoper]. De koopsom bedroeg f1. 1.000.000,00 (€ 453.780,00).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 19 februari 2002 zijn voormelde onroerende zaken geleverd. Volgens de notariële akte wordt de woning geleverd aan [naam] en de auto-opstalplaats aan veroordeelde. De akte vermeldt verder dat de koopsom voor de woning (€ 431.091,00) is voldaan door [naam] en de koopsom voor de opstalplaats (€ 22.689,00) is voldaan door veroordeelde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 19 februari 2002 heeft veroordeelde een bedrag van € 24.674,04 gestort op de rekening van de notaris onder vermelding van ‘Auto opslagplaats te Utrecht’.</p>\n<p class=\"lf-p\">In juli 2005 heeft veroordeelde de auto opstelplaats aan [naam] verkocht voor een bedrag van € 48.000,00. [verkoper] heeft verklaard dat de onroerende zaken zijn verkocht via een makelaarskantoor van zijn broer. De vraagprijs was voor de woning € (bedoeld zal zijn: fl., hof) 925,000,00 of € (idem, hof) 945.000,00 en voor de parkeerplaats fl. 100.000,00. “Bij de onderhandelingen heeft [veroordeelde] aangegeven dat hij fl. 100.000,00 zwart wilde betalen. Ik heb hierover gesproken met mijn makelaar en die adviseerde mij om dit niet te doen. Ik was er zelf ook al uit om dit niet te doen. Er werd een totaalprijs afgesproken van fl. 1.000.000,00. Naast dit bedrag is een bedrag van fl. 25.000,00 contant betaald. Ik heb dit bedrag van mevrouw [naam] ontvangen. (...) Feitelijk heb ik dus een extra bedrag ontvangen voor het pand. Ik weet nog dat deze fl. 25.000,00 door dezelfde mevrouw waarvan ik aanneem dat het mevrouw [naam] was, bij mij aan de deur gebracht is in een envelop.. (...) Het was ver voor de datum van transport.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens [verkoper] was de bij de verkoop betrokken makelaar [makelaar]. Deze heeft verklaard dat hij van een overeenkomst tot betaling van fl. 25.000,00 niets afweet. Hij kan zich niet herinneren dat er is gesproken over een betaling buiten de officiële koopprijs om.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 10 juli 2008 is bij een doorzoeking van de woning van [naam] en het bedrijfspand van haar toenmalige partner [naam] een niet ondertekende overeenkomst d.d. 18 april 2001 aangetroffen. In de overeenkomst staat onder meer dat veroordeelde het volgende verklaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij zal naast de in de koopovereenkomst van 5 april 2001 overeengekomen koopsom een extra bedrag van fl. 25.000,00 bij het tekenen van de overeenkomst overhandigen aan voormeld echtpaar [verkopers]. Deze overeenkomst zal direct na betaling van fl.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.000,00 ter kwijting aan de heer [veroordeelde] worden overhandigd. Onder de overeenkomst staan de namen van veroordeelde en van het echtpaar [verkopers] . Deze overeenkomst is ook aangetroffen in de administratie van makelaarskantoor [naam]. [naam] heeft verklaard dat zij niets kan verklaren over voormelde overeenkomst van 18 april 2001, omdat haar naam niet op de overeenkomst staat. Zij kan zich niet herinneren dat zij [verkoper] fl. 25.000,00 heeft overhandigd. Ze kan zich ook niet herinneren dat veroordeelde dit bedrag heeft betaald. Ze weet ook niet hoe deze akte bij de makelaar is terecht gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie heeft eerdergenoemd bedrag van fl. 25.000,00 (€ 11.344,50) in de kasopstelling opgenomen als privé uitgave van verdachte (bedoeld is: veroordeelde, hof).</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelde heeft betwist dat hij ooit dit bedrag inzake het pand aan de [adres] heeft betaald. Hij en [naam] hebben de onroerende zaken niet samen gekocht. Hij was alleen aanwezig bij de onderhandelingen, omdat [naam] hem dat had gevraagd. Zij kon geen beroep op haar toenmalige partner doen, omdat die op dat moment gedetineerd zat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt voorop dat zij geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [verkoper]. In deze verklaring belast immers [verkoper] zichzelf, door te erkennen dat hij een extra bedrag heeft ontvangen naast de notarieel vastgelegde verkoopprijs. Uit zijn verklaring blijkt dat veroordeelde bij de onderhandelingen heeft voorgesteld een bedrag zwart te betalen. Uiteindelijk is [verkoper] een bedrag van € 25.000,00 betaald. Mede gelet op de overeenkomst van 18 april 2001, welke onder meer bij de makelaar is aangetroffen, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat dit bedrag afkomstig was van veroordeelde. Dat [naam] volgens [verkoper] degene is geweest die het geld aan hem heeft overhandigd, doet daar niet aan af. De rechtbank zal dan ook onder post 30 van de kasopstelling een privé uitgave van €25.000,00 in aanmerking nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoger beroep heeft de verdediging het verweer zoals weergegeven in voormelde overwegingen van de rechtbank herhaald en heeft dit nader onderbouwd door te verwijzen naar de getuigenverklaring van [naam], afgelegd ten overstaan van de raadsheer-commissaris op 31 oktober 2017. Uit deze verklaring volgt dat [naam] niet meer weet of er bij de aankoop van dit pand een bedrag in contanten is betaald maar als dat wel het geval is geweest, dit van haar afkomstig moet zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet in voormelde verklaring van [naam] geen reden anders te overwegen en te beslissen als de rechtbank heeft gedaan. Daarvoor is de getuigenverklaring [naam] te weinig specifiek en is deze onvoldoende onderbouwd. Ook het late stadium waarop de verklaring is afgelegd doet afbreuk aan de betrouwbaarheid ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof vult vorenstaande overwegingen van de rechtbank nog aan met de verklaring van veroordeelde ter terechtzitting in hoger beroep op 21 maart 2019 dat hij bij de aankoop van dit pand een bedrag van fl. 25.000,- contant heeft betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eveneens corrigeert het hof voormelde overweging van de rechtbank doordat daarin abusievelijk op een tweetal plaatsen is vermeld dat veroordeelde € 25.000,- zou hebben betaald terwijl uit het verloop van de overwegingen volgt dat dit moet zijn fl. 25.000,-, wat gelijk staat aan € 11.344,50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieruit volgt dat het hof de beslissing van de rechtbank ook zal verbeteren en anders dan de rechtbank post 30 vaststelt op: € 11.344,50.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bewaring gegeven gelden De verdediging heeft in hoger beroep eveneens het in de overweging van de rechtbank weergegeven verweer herhaald dat de privé-uitgave mogelijk is gemaakt door aan hem in bewaring gegeven gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat dit verweer door de verdediging ten aanzien van meerdere posten is gevoerd zal het hof dit hierna afzonderlijk bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inkomsten Uitgaven Nr Omschrijving Bedrag Nr Omschrijving Bedrag 01 Saldo 01-01-2000 2.268,90 03 Kasstorting [zaak] 8.939,98 02 Kasopnamen autobedrijf 88.777,24 04 Kosten levensonderhoud 28.500,00 03 Kasopnamen [zaak] 3.805,45 06 Kasstortingen Rabo 153 0,00 05 Kasopnamen Rabo 452 7.289,98 07 Kasstortingen Rabo 525 0,00 09 Kasmutaties Unicaja 21.359,38 08 Kasstortingen Rabo 757 0,00 10 Kasopnamen Rabo 862 181,51 12 Kasstorting Sarasin Bank 550.000,00 11 Contante huren 0,00 13 Aankoop villa 2 Spanje 462.992,28 16 Aankoop [Villa Spanje] 20.420,10 14 Kasstortingen [bedrijf] 151.068,00 15 Vakantiereizen 37.920,00 16 Aankoop [Villa Spanje] 34.501,16 17 Inrichting [Villa Spanje] 0,00 18 Inrichting [Villa Spanje] 24.944,70 19 Verbouwing [adres] 28.480,57 20 Nieuwbouw [nieuwbouw] 69.027,43 21 Storting CAIL Luxemburg 50.268,63 22 Kasgeld R’dam airport 42.700,00 23 Aankoop pand Nijmegen 45.378,00 24 Lening [naam] 13.613,40 25 Voer- en vaartuigen 2.500,00 26 4.000,00 27 Diverse hulpen 10.626,89 30 Lening [naam] 44.074,37 30 Aankoop [Adres] 11.344,50 31 Lening [naam] 0,00 Saldo kasopstelling 1.484.583,65 28 Eindsaldo 21-09-2004 7.806,30 Totaaltelling 1.628.686,21 Totaaltelling 1.628.686,21 Resumerend bedraagt het voordeel op grond van artikel 36e lid 3 (oud) Sr: € 1.484.583,65 .</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt: In bewaring gegeven gelden Zoals hiervoor overwogen heeft de verdediging ten aanzien van de navolgende posten uit de kasopstelling het standpunt uit de eerste aanleg herhaald dat de uitgaven ten aanzien van die posten mogelijk zijn gemaakt door gelden die aan veroordeelde in bewaring waren gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om de navolgende posten uit de eenvoudige kasopstelling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Post: 1: Beginsaldo Post: 12: Kasstorting Sarasinbank Post: 13: Aankoop [Villa Spanje] Post: 20.1: Aannemer [Naam] Post 21: Kasstorting C.A.I.L. Luxemburg Post 22: Kasgeld Rotterdam Airport Post 29: Lening [naam] De rechtbank heeft omtrent voormeld standpunt van de verdediging voorzover van belang het navolgende overwogen en beslist (vonnis, blz. 9 en 10): (..). sluit de rechtbank niet uit dat [bewaring gever] inderdaad grote sommen geld bij veroordeelde in bewaring heeft gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is echter onvoldoende aannemelijk geworden dat het geld van legale herkomst was. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Allereerst stelt de rechtbank vast dat veroordeelde pas ter zitting van 27 september 2011 voor het eerst heeft verklaard dat [bewaring gever] geld bij hem heeft afgegeven. Bij eerdere zittingen heeft hij hierover niets verklaard. Hij heeft bij eerdere zittingen wel verzocht om het horen van een groot aantal getuigen – onder wie [bewaring gevers] - maar bij de toelichting op deze getuigenverzoeken niet gerept over het in bewaring geven van geld door [bewaring gever].. Als het ging om geld van legale herkomst, dan is het de rechtbank niet duidelijk geworden, waarom veroordeelde niet van meet af aan heeft aangevoerd dat dit geld moest worden meegeteld als inkomsten in de kasopstelling, zeker als het om zulke grote bedragen ging als door veroordeelde is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van veroordeelde gelegen alsdan reeds aanstonds hiervan melding te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts neemt de rechtbank de door veroordeelde zelf geschetste gang van zaken in aanmerking. Het gaat volgens veroordeelde om grote sommen geld die door [bewaring gever] persoonlijk in sporttassen bij de woning van veroordeelde zijn afgegeven. Veroordeelde heeft dit geld opgeborgen achter een losse wand in zijn kantoor. Zelf heeft [bewaring gever] geen vragen willen beantwoorden over de door veroordeelde geschetste gang van zaken. Volgens veroordeelde was het geld afkomstig van de coffeeshop [naam]. [bewaring gever] is naar eigen zeggen veroordeeld voor het in bezit hebben van een te grote voorraad soft drugs. Bij haar is in 2003 een handelsvoorraad van 180 kilo soft drugs aangetroffen. De eigenaar van [coffeeshop], haar toenmalige partner, zat tijdens de onderzoeksperiode een langdurige vrijheidsstraf uit voor de handel in en export van soft drugs en Het lag, gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, op de weg van veroordeelde om aannemelijk te maken dat het geld dat volgens hem door [bewaring gever] bij hem in bewaring werd gegeven van legale herkomst was. In dat verband heeft veroordeelde aangevoerd dat coffeeshops indertijd geen bankrekening mochten voeren en [bewaring gever] daarom het geld bij hem in bewaring gaf. [bewaring gever] had echter zelf een bankrekening. Waarom zij niet heeft gekozen voor het storten van het geld op een bankrekening, zoals te doen gebruikelijk bij legale inkomsten van een omvang als gesteld door veroordeelde, blijft onverklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [bewaring gever] geld van legale herkomst bij hem in bewaring heeft gegeven. De rechtbank zal dit geld dan ook niet als inkomsten van veroordeelde in de kasopstelling opnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft in het hoger beroep ter nadere onderbouwing van het standpunt nog gewezen op de getuigenverklaringen van [getuigen]ten overstaan van de raadsheer-commissaris van dit hof. [getuige] heeft op 11 november 2014 verklaard van [veroordeelde] gehoord te hebben dat hij van [bewaring gevers] geld in bewaring had gekregen. [getuige] heeft op 4 juni 2015 verklaard dat [bewaring gever] geld aan veroordeelde in bewaring had gegeven en dat het meer was dan 500.000 en wel tegen een miljoen aan. [bewaring gever] heeft op 31 oktober 2017 verklaard dat gedurende de periode dat haar partner, [naam], gedetineerd zat, zij het contante geld van zijn coffeeshop aan veroordeelde in bewaring had gegeven. Dit geld kon niet op een bankrekening worden gestort in verband met afspraken met de belastingdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de verdediging volgt uit deze verklaringen dat [bewaring gever] aan veroordeelde legaal geld (afkomstig uit de coffeeshop) aan veroordeelde in bewaring heeft gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is – anders dan de verdediging – van oordeel dat voormelde getuigenverklaringen niet afdoen aan hetgeen de rechtbank heeft overwogen zoals hiervoor weergegeven. Met name de door de rechtbank genoemde bijzondere omstandigheden: zoals het transport van het geld met sporttassen, het verbergen ervan achter een wand en het niet storten van het geld van de coffeeshop op een bankrekening, worden door deze verklaringen niet ontkracht. Evenmin is een stuk ingebracht waaruit blijkt van de afspraak tussen [bewaring gever] en de belastingdienst dat het geld van de coffeeshop niet op een rekening gestort mocht worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de verklaring van veroordeelde ter terechtzitting in hoger beroep op 21 maart 2019 maakt het standpunt dat de gestelde in bewaring gegeven gelden inderdaad een legale herkomst hebben gehad, er bepaald niet sterker op. Zo heeft veroordeelde verklaard er maar vanuit te zijn gegaan dat de gelden van de coffeeshop afkomstig waren, is hij nooit mee naar de coffeeshop gegaan om te kijken of het geld daar inderdaad vandaan kwam en heeft hij aan [bewaring gever] nooit gevraagd waarom zij het geld niet gewoon op een rekening zette of zelf thuis bewaarde. Veroordeelde heeft wel verklaard op schrift te hebben bijgehouden hoeveel geld [bewaring gever] aan hem in bewaring zou hebben gegeven, maar heeft die stukken niet ingebracht en dit ook overigens niet aannemelijk gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan dit alles voegt het hof nog toe dat veroordeelde met de gestelde in bewaring gegeven gelden heeft gehandeld alsof het zijn eigen geld was, hetgeen bij een daadwerkelijke in bewaring geven van legale gelden moeilijk denkbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alles overziende is het hof met de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [bewaring gever] legale gelden aan veroordeelde in bewaring heeft gegeven en veroordeelde hiervan uitgaven heeft gedaan, op grond waarvan het hof het standpunt van de verdediging voorzover hierop gebaseerd verwerpt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordeel uit soortgelijk feit ex artikel 36e lid 2 (oud) Sr Villa [Spaanse villa] De besparing van kosten (Spaanse vermogenswinstbelasting) De rechtbank heeft omtrent de “Besparing van kosten (Spaanse vermogenswinstbelasting)” (vonnis, blz. 29 t/m 31) overeenkomstig de vordering van de officier van justitie beslist dat als gevolg van de onjuist opgegeven aan-en verkoopsom van de woning [Spaanse villa] per saldo te weinig Spaanse vermogenswinstbelasting is geheven. Daardoor zou veroordeelde een besparing van kosten hebben gehad van € 80.202,- dat als wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoger beroep heeft de verdediging gelijk in eerste aanleg deze post betwist. Tevens heeft de verdediging omtrent deze post verzocht een deskundige omtrent de Spaanse belastingwetgeving te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft zich geschaard achter het oordeel van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal anders dan de rechtbank deze post niet in de voordeelsberekening betrekken. Reden daarvoor is dat deze post door het openbaar ministerie onvoldoende is onderbouwd. Enkel in een relaasproces-verbaal (pagina A-25) is omtrent deze post gerelateerd. Brondocumenten waarop dit relaasproces-verbaal is gebaseerd ontbreken. Het andersluidende standpunt van het openbaar ministerie wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ter terechtzitting van 12 mei 2014 aangehouden beslissing van het hof op het verzoek van de verdediging om een deskundige op het gebied van artikel 74 AWR en/of ontnemingswetgeving en/of Spaanse belastingheffing wordt thans gegeven. Dit verzoek wordt afgewezen, omdat zodanig verhoor gelet op de gegeven beslissing niet noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgprofijt vermogenswinst [Spaanse villa] De rechtbank heeft in het beroepen vonnis omtrent post 16B “Vervolgprofijt vermogenswinst [Spaanse villa]” (vonnis, blz. 31 t/m 33) het navolgende overwogen en beslist:</p>\n<p class=\"lf-p\">De officier van justitie heeft voorts ter berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel als vervolgprofijt in aanmerking genomen : de vermogenswinst op de woning [Spaanse villa].</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld , allereerst dat het vervolgprofijt betreffende de woning niet voor ontneming in aanmerking komt omdat de aankoop daarvan is gedaan met legaal geld. En verder omdat als wel sprake is van deels zwarte betalingen — ervan moet worden uitgegaan dat die zwarte betalingen hebben plaatsgevonden vóór aanvang van de onderzoeksperiode. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vermogenswinst niet voor ontneming in aanmerking komt voor zover die is behaald met legaal geld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft, (…) de aankoopsom bepaald op € 224.859,85 en het deel van de zwarte betaling daarvan op € 34.501,18. Naar niet in geschil is bedraagt de verkoopopbrengst vóór aftrek van belasting € 597.500,-. De rechtbank volgt dit bedrag. Na aftrek van feitelijk € 14.875 ingehouden vermogenswinstbelasting resteert dan een verkoopopbrengst van € 582.625,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank dient bij de vaststelling van de omvang van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel de gehele vermogenswinst van € 357.765,15 in de beschouwing te worden betrokken. De rechtbank stelt vast dat de woning deels is betaald met zwart geld. Aldus is er, gelet op de bij verkoop behaalde vermogenswinst, een direct causaal verband tussen de gerealiseerde waardestijging en het geïnvesteerde zwarte geld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders gezegd: zonder de inzet van het zwarte geld was deze vermogensstijging niet gerealiseerd. Het standpunt van de verdediging wordt daarom verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft in hoger beroep het verweer zoals weergegeven in de hiervoor opgenomen overweging van de rechtbank herhaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof neemt de vorenstaande overwegingen en beslissingen van de rechtbank over behalve voorzover het betreft de beslissing op het subsidiaire standpunt van de verdediging. Anders dan de rechtbank zal het hof de verdediging in dat standpunt volgen en is het van oordeel dat het gedeelte van de vermogenswinst dat is behaald met legaal geld niet voor ontneming in aanmerking komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt daartoe dat bij de aankoop vermenging heeft plaatsgevonden doordat een deel van de koopprijs van € 224.859,85 te weten € 190.358,67 “wit” is betaald en een deel te weten € 34.501,18 “zwart” is betaald. Aldus zal moeten worden bepaald welk gedeelte van de vermogenswinst van € 357.765,15 aan het wederrechtelijke “zwarte” deel kan worden toegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarvoor zal het “zwarte” deel als percentage van de totale koopprijs moeten worden uitgedrukt en voor het vervolgprofijt zal datzelfde percentage vervolgens toegepast dienen te worden op de gerealiseerde vermogenswinst. Dit levert de volgende berekening op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Percentage zwarte deel:</p>\n<p class=\"lf-p\">34.501,18/224.859,85 x 100% = 15,34% Zwart deel vermogenswinst:</p>\n<p class=\"lf-p\">15,34% van 357.765,15 = € 54.881,17 Op basis van het voorgaande stelt het hof dit vervolgprofijt vast op € 54.881,17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het andersluidende standpunt van het openbaar ministerie wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgprofijt rente-opbrengsten Luxemburgse bankrekeningen De rechtbank heeft omtrent het “Vervolgprofijt de rente-opbrengsten Luxemburgse bankrekeningen” in het beroepen vonnis (blz. 31) overwogen en beslist:</p>\n<p class=\"lf-p\">De officier van justitie heeft voorts ter berekening van het wederrechteljk verkregen voordeel als vervolgprofijt in aanmerking genomen de rente-opbrengsten tot 14 augustus 2008 van de door veroordeelde bij de Bank Credit Agricole Luxembourg (voorheen Bank Sarasin Europe SA) aangehouden rekening met nummer [nummer] en de rente-opbrengsten tot 14 augustus 2008 van de door veroordeelde bij de Bank Credit Agricole lndosuez Luxembourg (thans opgenomen in de Bank Credit Agricole Luxembourg) aangehouden rekening met nummer [nummer]. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de zwarte betalingen zijn gedaan binnen de onderzoeksperiode, onder verwijzing naar het proces-verbaal van [verbalisant] van 12 maart 2013. en Het vervolgprofijt bestaande uit de renteaangroei dient nog te worden vermeerderd met ontvangen en nog te vorderen renten vanaf 14 februari 2008 tot het tijdstip van de executie van de ontnemingsmaatregel. en (vonnis, blz. 32): (..)..met betrekking tot het vervolgprofijt bestaande uit de renteopbrengsten van de Luxemburgse bankrekeningen is de verdediging van mening dat dit geld betreft dat afkomstig was uit legale activiteiten; dat veroordeelde dit geld eigenlijk voor [bewaring gevers] in bewaring had en dat hij dit heeft geleend. Om die reden kan hier geen profijtberekening over worden gemaakt.’ en Ten aanzien van de rente-opbrengsten van de Luxemburgse bankrekeningen De stukken vermelden de navolgende saldi en rentebijschrijvingen tot 14 februari 2008:</p>\n<p class=\"lf-p\">Credit Agricole Luxembourg Bank (v/h Bank Sarasin Europe) [nummer] 24 juni 2003 storting € 550.000,00 rentebijschrijvingen minus kosten € 45.225,42 14 februari 2008 saldo € 595.225,42 Credit Agricole lndosuez Luxembourg Bankrekening [nummer] 9 augustus 2004 storting CHF 25.000,00= € 16.268,83 rentebijschrijvingen minus kosten CHF 362,34 14 februari 2008 saldo CHF 25.362,34= € 15.723,70 Koers 9 augustus 2004 1 € = CHF 1,5367 Koers 14 februari 2008 1 €= CHF 1,6130 (vonnis, blz. 33) Credit Agricole lndosuez Luxembourg Bankrekening [nummer] 9 augustus 2004 storting € 34.000,00 rentebijschrijvingen minus kosten € 1.326,99 14 februari 2008 saldo € 35.326,99 Het vervolgprofijt van bankrekening 3034246 bedraagt tot 14 februari 2008: € 45.225,42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vervolgprofijt van bankrekening 1001140.001 bedraagt tot 15 februari 2008: €781,86, berekend als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">9 augustus 2004 waarde van de storting € 50.268,83 (€ 16.268,83 + € 34.000) 14 februari 2008 waarde van het saldo €51.050,69 (€ 15.723,70 +€ 35.326,99) Vervolgprofijt: € 781,86.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het totale vervolgprofijt voor de Luxemburgse bankrekeningen tot 14 februari 2008 bedraagt daarmee € 45.225,42 + € 781,86 = € 46.007,28.</p>\n<p class=\"lf-p\">De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat dit bedrag nog dient te worden vermeerderd met de ontvangen en de nog te vorderen renten vanaf 14 februari 2008 tot het tijdstip van de executie van de ontnemingsmaatregel. Hieromtrent is evenwel geen concrete nadere informatie verschaft, terwijl ook uit het dossier niet valt te op te maken op basis van welke grondslagen deze bedragen zouden moeten worden becijferd. De rechtbank zal bij gebrek hieraan daarom aan dit laatste onderdeel voorbijgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft het standpunt uit eerste aanleg - weergegeven in voormelde overweging van de rechtbank – herhaald en heeft dit standpunt in hoger beroep niet nader onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet geen reden anders te overwegen en te beslissen dan de rechtbank in vorenstaande overweging heeft gedaan, welke overweging en beslissing door het hof wordt overgenomen en tot de zijne wordt gemaakt. Op grond daarvan verwerpt het hof het standpunt van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt met de rechtbank het vervolgprofijt ten aanzien van de Luxemburgse bankrekeningen vast op een bedrag van: € 46.007,28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resumé voordeelsberekening:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit al het voorgaande vloeit de navolgende opstelling voort: -voordeel ex artikel 36e lid 3 (oud) Sr op basis vaneenvoudige kasopstelling: € 1.484.583,65 -voordeel ex artikel 36e lid 2 (oud) Sr: vervolgprofijt: verkoopwinst: € 54.881,17 -vervolgprofijt: rente-voordeel stortingen Luxemburgse bankrekeningen: € 46.007,28+ Totaal geschat wederrechtelijk verkregen voordeel € 1.585.472,10 Het hof zal voormeld bedrag afronden op € 1.585.472,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op te leggen betalingsverplichting Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbeurdverklaring Het hof heeft in de hoofdzaak bij arrest van 4 juni 2008 een bedrag van 39.200 Engelse Ponden verbeurd verklaard. Dit op de grond dat dit geldbedrag – kort gezegd – samenhing met het bewezenverklaarde witwassen van dat geldbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de rechtbank zal het hof voormeld verbeurdverklaard bedrag niet op de betalingsverplichting in mindering brengen nu uit het dossier niet blijkt dat dit geldbedrag tevens is betrokken in de onderhavige voordeelsberekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redelijke termijn Eerste aanleg De rechtbank heeft (vonnis, blz. 4) beslist dat de overschrijding van de redelijke termijn niet zodanig is dat dit tot matiging van de opgelegde betalingsverplichting dient te leiden. De rechtbank heeft daarbij de aanvang van de redelijke termijn gesteld op 22 december 2004, de datum van de betekening van het strafrechtelijk financieel onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft in hoger beroep het verweer uit eerste aanleg herhaald met betrekking tot de redelijke termijn en heeft zich daarbij wederom op het standpunt gesteld dat de aanvang ervan is gelegen op 23 september 2004, de datum waarop onder veroordeelde op een groot aantal onroerende zaken conservatoir beslag is gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt dienaangaande als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de rechtbank stelt het hof – overeenkomstig het standpunt van de verdediging – de aanvang van de redelijke termijn op 23 september 2004. Op die datum is op een groot aantal onroerende zaken van verdachte beslag gelegd waardoor de positie van veroordeelde in belangrijke mate werd beïnvloed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft vervolgens over het verloop van het geding in eerste aanleg het volgende vastgesteld (vonnis, blz. 4):</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt allereerst vast dat het om een ingewikkelde ontnemingsvordering gaat met een zeer omvangrijk dossier. De kasopstelling betreft 31 posten, die alle uitvoerig zijn gedocumenteerd. Vrijwel alle posten zijn in geschil geweest, waarbij de verdediging op haar beurt eveneens haar standpunt uitvoerig heeft gedocumenteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 6 december 2004 heeft de rechter-commissaris machtiging verleend tot het instellen van een sfo (hof: Strafrechtelijk Financieel Onderzoek). De rechtbank heeft in de strafzaak op 8 mei 2007 vonnis gewezen. In hoger beroep is op 4 juni 2008 arrest gewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De resultaten van het sfo zijn vastgelegd in het Rapport Kasopstelling van 27 februari 2008, de ontnemingsrapportage van 28 februari 2008 en een aanvullend Rapport Kasopstelling van 12 november 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie heeft binnen de in artikel 511b, eerste lid, Sv gestelde termijn van 2 jaar na het vonnis in eerste aanleg een ontnemingsvordering ingediend, te weten op 19 februari 2009. Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 27 maart 2009. Ter zitting van 2 juli 2009 heeft de rechtbank verzoeken tot het horen van 19 getuigen toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze zijn in februari-april 2010 door de rechter-commissaris gehoord. Nadat onderhandelingen tussen veroordeelde, het openbaar ministerie en de belastingdienst over het te ontnemen bedrag waren mislukt, zijn ter zitting van 27 september 2011 termijnen gesteld voor het volgen van een schriftelijke procedure. Deze procedure is afgerond met het indienen van de conclusie van dupliek in februari 2012. Nadat wederom een poging tot een schikking was mislukt, is het onderzoek ter zitting hervat op 26 maart 2013 en gesloten ter zitting van 19 juni 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op dit procesverloop is de rechtbank van een onvoldoende voortvarend optreden van het openbaar ministerie niet gebleken. De behandeling ter terechtzitting heeft met name vertraging opgelopen door getuigenverzoeken van de verdediging en door twee pogingen om tot een schikking te komen. Mede gezien de complexiteit en omvang van het dossier is de redelijke termijn voor behandeling van de zaak naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig overschreden, dat dit zou moeten leiden tot matiging van het wederrechtelijk verkregen voordeel Vorenstaande overwegingen van de rechtbank neemt het hof over en het vult deze aan met de vaststelling dat op 30 juli 2013 door de rechtbank in de onderhavige ontnemingszaak vonnis is gewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een aanvang van de redelijke termijn op 23 september 2004 en het einde ervan met het eindvonnis op 30 juli 2013 staat daarmee vast dat de procedure in eerste aanleg 8 jaren en ongeveer 10 maanden heeft geduurd. Daarmee is de redelijke termijn die voor deze fase doorgaans op twee jaren wordt gesteld met 6 jaren en ongeveer 10 maanden overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Desondanks ziet het hof geen reden anders te overwegen en te beslissen als de rechtbank hiervoor heeft gedaan. Het hof neemt deze overwegingen en beslissing van de rechtbank over behoudens de hiervoor genoemde aanvang van de redelijke termijn alsmede de mate van overschrijding van die termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat de rechtbank in vorengenoemde beslissing afdoende de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld, heeft betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoger beroep Op 30 juli 2013 heeft veroordeelde hoger beroep ingesteld tegen het ontnemingsvonnis van de rechtbank. Bij appelschriftuur van 12 augustus 2013 heeft de verdediging, naast het te kennen geven van andere onderzoekswensen tevens verzocht om 31 getuigen te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens een regiezitting van het hof op 28 maart 2014 heeft de verdediging deze verzoeken nader toegelicht waarna het hof ter zitting van 12 mei 2014 onder meer heeft beslist dat 22 getuigen door de raadsheer-commissaris gehoord dienden te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de eerstvolgende terechtzitting op 22 januari 2018 is door het hof vastgesteld dat drie getuigen nog niet gehoord konden worden. Tevens zijn bij die gelegenheid door de verdediging twee aanvullende getuigenverzoeken gedaan. Bij beslissing van 5 februari 2018 heeft op het hof op de nog openstaande getuigenverzoeken beslist, in die zin dat twee nog niet gehoorde getuigen opnieuw dienden te worden opgeroepen en dat de aanvullend verzochte getuigen dienden te worden gehoord. Ook heeft het hof bij die gelegenheid een schriftelijke conclusiewisseling gelast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenslotte heeft op 13 december 2018 een regiezitting plaatsgevonden waarbij is vastgesteld dat alle toegewezen getuigen zijn gehoord dan wel is getracht ze te horen en dat er conclusies door de verdediging en het openbaar ministerie waren ingediend. Daarop is door het hof een aanvullende conclusiewisseling gelast en is de inhoudelijke behandeling van de zaak gepland op 21 maart 2019. Het hof wijst heden, 1 mei 2019, eindarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat gelet op vorenomschreven procedureverloop dat is aangevangen op 30 juli 2013 en dat zal eindigen met het arrest op 1 mei 2019 een periode van 5 jaren en bijna 9 maanden zijn verstreken. Daarmee is de redelijke termijn die eveneens voor deze periode op twee jaren wordt gesteld met 3 jaren en bijna 9 maanden overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alles overziende is het hof van oordeel dat in de eerste plaats onnodig veel tijd is verstreken tussen het instellen van het hoger beroep op 30 juli 2013 en de eerste regiebehandeling ter terechtzitting op 28 maart 2014. Eveneens is het hof van oordeel dat de periode waarop werd beslist tot het horen van 22 getuigen op 12 mei 2014 en de eerstvolgende zitting op 22 januari 2018 onnodig ruim is geweest. Het een en ander leidt het hof tot het oordeel dat de overschrijding in het hoger beroep dient te leiden tot matiging van de betalingsverplichting met een bedrag van € 10.000,-, zodat een betalingsverplichting wordt opgelegd van (€ 1.585.472,- -/- € 10.000,-=) € 1.575.472,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volledigheidshalve stelt het hof vast dat de termijn voor het inzenden van de stukken in het hoger beroep die doorgaans op 8 maanden wordt gesteld, niet is overschreden. Blijkens een aantekening in het dossier zijn de stukken op 6 augustus 2013 door de strafgriffie van het hof ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het behalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">BESLISSING Het hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 1.585.472,00 (éénmiljoen vijfhonderdvijfentachtigduizend vierhonderdtweeënzeventig euro).</p>\n<p class=\"lf-p\">Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 1.575.472,00 (éénmiljoen vijfhonderdvijfenzeventigduizend vierhonderdtweeënzeventig euro).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus gewezen door: mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mr. P.T. Gründemann en mr. M.J. Grapperhaus, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. D.M.M. Kortis, griffier, en op 1 mei 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. A.R.O. Mooy en mr. P.T. Gründemann zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage Kasopstelling, d.d. 27 februari 2008. p. 5 en bijlage 1, p. 140.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor [naam], d.d. 23 maart 2005. aanvullend delict 2. map 10, p. 766.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhoor van [naam] bij de rechter-commissaris d.d. 28 april 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor [veroordeelde], d.d. 13 oktober 2004, bijlage 39 bij de aanvullende ontnemingsrapprtage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport kasopstelling, d.d. 27 februari 2008. p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 29-230338. pp.5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport Kasopstelling d.d. 27 februari 2008. bijlage 2. p. 149.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 5 bij de rapportage kasopstelling d.d. 27 februari 2008, p. 302.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor [veroordeelde], d.d. 13 oktober 2004, bijlage 39 bij de aanvullende ontnemingsrapprtage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 6 bij de rapportage kasopstelling d.d. 27 februari 2008, bankafschriften p. 309, 310 en 314.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant]. d.d. 28 september 2010. p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhoor [boekhouder] bij de rechter-commissaris, d.d. 28 april 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 3. 3a en 3b bij het verhoor van [boekhouder] bij de rechter-commissaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Delictdossier, ordner 10, p. 118-127.</p>\n<p class=\"lf-p\">Delictdossier, ordner 10, p. 128.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport Kasopstelling. d.d. 27 februari 2008. Delictdossier 2, map 9, p. 737-749.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. p. 185.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport Kasopstelling, d.d. 27 februari 2008. bijlage 9 bij bijlage 13D, p. 775.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, delictdossier 2, map 9, p. 679-682.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, p. 201.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhoor [getuige], ibidem. p. 837.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhoor [getuige] bij de rechter-commissaris, d.d. 22 februari 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport Kasopstelling, d.d 27 februari 2008. delictdossier 2. map 9. p. 702.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, p. 724.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport Kasopstelling, d.d 27 februari 2008. delictdossier 2. map 9. p. 106.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, p. 123.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. p. 158.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 september 2004, p. 787.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal verhoor [getuige] van 11 oktober 2018 ten overstaan van de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. p. 727.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, p. 772.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhoor [advocaat], d.d. 9 december 2004, ibidem. p. 870.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, p. 724.</p>\n<p class=\"lf-p\">Delictdossier 2. bijlage 6.4, p. 349-352.</p>\n<p class=\"lf-p\">Delictdossier 2. bijlage 2.3, p. 186.</p>\n<p class=\"lf-p\">Delictdossier 2. bijlage 6.4, p. 354.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van repliek, p. 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 7 september 2006, ordner delictdossier 2, p. 660 en 662.</p>\n<p class=\"lf-p\">Delictdossier 2. bijlage 13D. transactie B13. p. 740-741.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. p. 761.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor [naam], d.d. 16 juni 2005 en factuur d.d. 8 augustus 2004, Rapportage Kasopstelling, d.d. 27 februari 2008. bijlage 22E, p. 2210-2213. lbidem. p. 2219. map 3, p. 989. map 3, pp. 992-994. map 3. p. 1015. map 3, p. 1017. map 3. pp. 1055-1 058. map 3. p. 1059. map 3. p. 1151 map 3. p. 1159. map 3. pp. l117-1120.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van dupliek, p. 5-8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal nr. 27-059984, bijlage 2, p. 1187-1194.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal nr. 27-059984, bijlage 3, p. 1195-1225.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal nr. 27-059984, bijlage 1, p. 1185.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal nr. 27-059984, p. 1176.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal nr. 27-059984, verklaring [getuige]. bijlage 13, p. 1295.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal nr. 27-059984, verklaring [getuige], bijlage 16, p. 1318.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal nr. 27-059984, p. 1176 Proces-verbaal nr. 27-087839, p Al2; proces-verbaal nr. 27-059984, p. 1178, 1293, 1367, 1373-1375, 1376-1378, 1381, 1383.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal 27-059984 p. 1176 in verband met bijlage 8 bij dit proces-verbaal (blz 1259-1265) Ontnemingsrapportage bijlage A Rapport Kasopstelling d.d. 27 februari 2008, bijlage 17, p. 1416.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal nr. 29-230338, d.d. 27 september 2010. p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhoor [partner veroordeelde] bij de rechter-commissaris, d.d. 28 april 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhoor [partner veroordeelde] bij de rechter-commissaris, d.d. 28april 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport kasopstelling. d.d. 27 februari 2008. bijlage 18A, p. 1427.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring [naam] d.d. 2 februari 2005. delictdossier 2. p. 843. en verklaring [naam], d.d. 23 februari 2005. delictdossier 2. p. 847-849.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport kasopstelling, d.d. 27 februari 2008. bijlage 18B. p. 1435.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage bij verhoor [boekhouder] bij de rechter-commissaris. d.d. 28 april 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van repliek. p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage kasopstelling. d.d. 27 februari 2008. p. 75.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage kasopstelling. d.d. 27 februari 2008. bijlage 19D. p. 1471.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. p. 1479 en 1480.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. p. 1481.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, p. 1472.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. p. 1474.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. p. 1483.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage kasopstelling, d.d. 27 februari 2008, bijlage 20A, p. 1575.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, bijlage 20G, p. 1661.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, p. 81.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhoor [directeur aannemingsbedrijf] d.d. 18 december 2007, ibidem. bijlage 20J. p. 1689-1691.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage kasopstelling, d.d. 27 februari 2008. bijlage 20K. p. 1695.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. p. 1696.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. bijlage 20K, p. 1703.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhoor [naam], d.d. 12 oktober 2005. bijlage 20L, p. 1710-1714.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, bijlage 20M. p. 1729-1816.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhoor [naam]. d.d, 9 februari 2006, bijlage 20N. p. 1816-1817 en rapportage kasopstelling. d.d. 27 februari 2008, p. 87.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage Kasopstelling, d.d. 27 februari 2008, p. 86.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage Kasopstelling, d.d. 27 februari 2008. p. 89-9 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, bijlage 20X. p. 1903-1913.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhoor [naam], d.d. 6 februari 2006, ibidem, p. 1900.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. p. 1575-1582.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, p. 1578.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage Kasopstelling. d.d. 27 februari 2008. p. 95.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhoor [naam], ibidem. bijlage 20 ZD. p. 1971-1973.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. bijlage ZC. p. 196 1-1967.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. p. 1968.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van antwoord. p. 30-31 en bijlage 37A en 37B bij de conclusie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage Kasopstelling. d.d. 27 februari 2008. bijlage 4 van bijlage 21 B, p. 2024 en p. 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal d.d. 22 augustus 2006. ibidem. p. 2022-2033 en proces-verbaal van verhoor. ibidem. bijlage 6 van bijlage 2lC, p. 2156-2158.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage Kasopstelling [namen]Belastingadviseurs, ongedateerd, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Processen-verbaal van verhoor [naam] Rapportage kasopstelling, d.d. 27 februari 2008, bijlage 13G, p.860-910 en verhoor bij de rechter-commissaris, d.d. 22 februari 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage kasopstelling, d.d. 27 februari 2008. bijlage 22A, p. 2163.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport kasopstelling. d.d. 27 februari 2008. bijlage 23G. p. 2256-2257.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. p. 2274.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor [naam] dcl. 13 februari 2008. bijlage 23E. p. 2252.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. p. 2297.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport kasopstelling, d.d. 27 februari 2008. bijlage 23E. p. 2240.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. bijlage 23A. p. 2234.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal d.d. 12 februari 2008, ibidem, bijlage 23H. p. 2299-3000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor [naam] d.d. 7 februari 2008, ibidem, bijlage 23C. p. 2246-2247.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van dupliek, p. 34-35. map 6. p. 2308 map 6. p. 2309 Proces-verbaal van verhoor [zus partner veroordeelde] ten overstaan van de raadsheer-commissaris op 4 juni 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport Kasopstelling. d.d. 27 februari 2008. p. 113-114 en bijlage 4F. p. 271.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. bijlage 4D. p. 261. map 2. pp.417-418.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, p. 116 en bijlage 26B. p. 2363.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage kasopstelling, d.d. 27 februari 2008, bijlage 19L. p. 1560-1561.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. bijlage 278. p. 2443-2447.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. p. 2446.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. p. 2448-2451.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage Kasopstelling. d.d. 27 februari 2008. p. 122.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend rapport kasopstelling d.d. 12 november 2008. bijlage 29D. p. A137-139.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, bijlage 29A. p. A128.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. bijlage 29L, p. A230 en 231 en bijlage 29M. p. 242.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. bijlage 29E. p. A197.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. bijlage 29N. p. A253.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. p. A086 Aanvullend rapport kasopstelling, d.d. 12 november 2008. bijlage 30A. p. A257-A270.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, p. A277-278.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, p. A275.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, bijlage 29-E, p. A184 en p. A186-187.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. bijlage 30-D, p. A340-A342.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. bijlage 30-E. p. 358-361.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem. bijlage 30-B, p. A299.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, bijlage 30-C. p. A312.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende ontnemingsrapportage 27-087839, p. A-l Conclusie van dupliek, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van dupliek, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal nr. 60-2 13852, d.d. 12 maart 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal nr. 27-069669, pv bevindingen rechtshulp Luxemburg, p, A039 t/m A070. als bijlage 4 gevoegd bij proces-verbaal nr. 27-087839, aanvullende ontnemingsrapportage.</p></div>", "next": 0}