{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Als ik dat zo zeg in dat gesprek met mijn moeder, dan moet ik mij daarbij aansluiten. Hij zal dat wel zo gezegd hebben. Er zal zoiets gezegd zijn door [medeverdachte 5] , anders zeg ik dat in dit gesprek met mijn moeder niet zo. Ik denk dat het zo gegaan is zoals ik dat in het gesprek zeg. (Vraag: zou iemand anders dan [medeverdachte 5] tegen je hebben kunnen zeggen dat hij [verdachte] vanuit de Oekraïne hierheen heeft gehaald?) Nee. (Vraag: heeft hij jou deelgenoot gemaakt van zijn aanbod aan [verdachte] toen zij in Kiev waren?) Ja, anders zeg ik dat niet tegen mijn moeder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het klopt dat [medeverdachte 5] van 4 t/m 9 december 2014 in Kiev is geweest. Ik weet van horen zeggen dat [medeverdachte 25 + geboortedatum] een jeugdvriend is van [medeverdachte 5] . Ik heb hem 4 jaar geleden wel eens ontmoet. (Politie houdt [vriendin medeverdachte 5/getuige] het telefoongesprek van 11 juli met [medeverdachte 23] voor, waarin zij verklaart over het introduceren van [verdachte] M door [medeverdachte 5] in het Brabants crimineel milieu) Dat zijn mijn woorden. (Over het betalen door [medeverdachte 5] voor informatie) In 2014 hadden [medeverdachte 5] en ik een discussie over iets dat ik bij de politie had gemeld. [medeverdachte 5] was er heel erg op gefocust om deze informatie te krijgen. Toen zei [medeverdachte 5] tegen mij: 'Nu moet ik weer 800 euro betalen om die informatie te krijgen'. Dat is wat ik weet over betalingen die [medeverdachte 5] gedaan zou hebben voor het verkrijgen van informatie. (PD.05, p. 169) GET. 025: Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 14 september 2016:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik ben de moeder van [vriendin medeverdachte 5/getuige] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag: wist jij dat [medeverdachte 5] beschikte over informatie die hij van [verdachte] had gekocht?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: [vriendin medeverdachte 5/getuige] heeft mij zoiets wel eens verteld. Ik weet niet meer precies wat. [medeverdachte 5] had toen gezegd dat hij alles wist van haar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag: Heb jij ooit een signaal gehad dat hij de beschikking had over iemand bij de politie?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: Ik heb wel eens gehoord dat hij iemand had met lange armpjes. Dat heeft [vriendin medeverdachte 5/getuige] of [medeverdachte 5] mij eens verteld. Dat was dus iemand die informatie kon leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag: heb jij wel eens van [medeverdachte 5] gehoord of vernomen dat hij iemand bij de politie had die hij betaalde?</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb dat wel eens van [vriendin medeverdachte 5/getuige] gehoord. Hij had tegen haar gezegd dat hij dan weer moest betalen voor informatie. Dat was op een moment dat [vriendin medeverdachte 5/getuige] weer aangifte had gedaan. Ik dacht dat dit een bedrag van 700 of 900 euro was. [medeverdachte 5] had toen letterlijk gezegd: 'dan moet ik weer zoveel betalen'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag: in het telefoongesprek van 8 juli 2016 vertelt [vriendin medeverdachte 5/getuige] u dat [medeverdachte 5] tegen haar die morgen heeft verteld dat hij de Mol uit Kiev heeft gehaald en geïntroduceerd in Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat kunt u hierover verklaren?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: ik heb wel eens van die [medeverdachte 25 + geboortedatum] gehoord en [medeverdachte 5] zou die mol naar Nederland hebben gehaald. [vriendin medeverdachte 5/getuige] heeft mij dat inderdaad verteld. Ik heb dat allemaal van [vriendin medeverdachte 5/getuige] gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag: waar kent u [medeverdachte 25 + geboortedatum] van?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: [medeverdachte 5] heeft hem een keer aan de lijn gehad toen hij bij mij thuis was. Volgens mij is het een vriend van [medeverdachte 5] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag: uit diverse andere gesprekken die u met [vriendin medeverdachte 5/getuige] heeft, blijkt dat u op de hoogte bent van enkele zaken met betrekking tot [medeverdachte 5] en de zogenaamde politiemol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat kunt u hierover verklaren?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: ik weet dat [medeverdachte 5] dingen wist uit de aangiftes van [vriendin medeverdachte 5/getuige] . Ik heb ook een keer aangifte gedaan tegen [medeverdachte 5] en toen heeft [medeverdachte 5] tegen [vriendin medeverdachte 5/getuige] gezegd dat het allemaal wel meeviel wat haar moeder had verklaard. Daarmee was voor mij duidelijk dat hij wist wat ik bij de politie had verklaard. (PD 05, p. 174) GET. 028: Proces-verbaal van verhoor getuige [medewerker politie/getuige] , d.d. 21 september 2016:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik ben als Bijzonder Opsporingsambtenaar (BOA) werkzaam in de functie van assistent medewerker intake en service bij de politie in Eindhoven. Ik doe dit werk al ongeveer 10 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag: wij tonen u een foto van e-mail bericht van 26 november 2014, afkomstig van [vriendin medeverdachte 5/getuige] en gericht aan u. Heeft u de mail ontvangen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: ja, ik zie hem in de computer staan. Ik heb de mail ontvangen op 13 november 2014 om 11.38 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag: voor de aanvang van dit verhoor deelden wij u mede dat het ging om een politieman die informatie doorgaf aan een verdachte. Wij hoorden u toen zeggen: 'dan had ze toch gelijk'. Wat bedoelde je daar mee?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: [vriendin medeverdachte 5/getuige] heeft meerdere keren mondeling aan mij aangegeven dat [medeverdachte 5] haar vertelde dat het niet uitmaakte wat zij vertelde bij de politie. Hij zei namelijk dat hij een politieman had die hem alle informatie gaf die hij nodig had.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhoor van [vriendin medeverdachte 5/getuige] bij de rechter-commissaris, d.d. 16 mei 2017 (per abuis gedateerd 6 april 2017) Ik heb het gevoel dat ik niet heb gelogen tijdens de twee politieverhoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toen [zoon medeverdachte 5] 1 jaar was, is er een rechtszaak gestart die nu nog loopt. U (raadsman mr. Van den Biezenbos) merkt op dat het kort geding heeft plaatsgevonden op 27 november 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot feit 5: gewoontewitwassen (ZD.04 pagina 333) 5.3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkelijk contante uitgaven inclusief bankstortingen ( ... ) Bankstortingen ING-bankrekening:</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de gevorderde en verstrekte gegevens van de bankrekening NL32INGB0749990252 (t.n.v. [verdachte] ) hebben in de onderzoeksperiode van 29 augustus 2011 tot en met 29 september 2015 in totaal 21 contante geldstortingen plaatsgevonden voor een totaalbedrag van € 59.692,47. (...).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als totaal van de bankstortingen op de bankrekening t.n.v. [verdachte] is in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag opgenomen van € 59.692,47. (ZD.04 pagina’s 333-334) Bankstortingen bankrekening [bedrijf 1] .: [verdachte] is betrokken bij meerdere ondernemingen, zoals de door hem op 2 juni 2015 opgerichte onderneming [bedrijf 1] . Uit de opgevraagde bankrekening NL15INGB0006858620 ten name van [bedrijf 1] blijkt uit de opgevraagde mutatiegegevens dat op 3 juni 2015 € 10.600,00 contant op de bankrekening is gestort: (...) Uit de verstrekte gegevens door de ING-bank blijkt dat bovengenoemd ING-bankrekeningnummer is geopend op 19 maart 2015. Verder blijkt dat [verdachte] enig pashouder en gemachtigde is voor die rekening van [bedrijf 1] In de omschrijving van de twee genoemde stortingen is \"002\" opgenomen. Dit is vermoedelijk het nummer van de bij de storting gebruikte pas. Volgens de gegevens van de ING-bank is aan [verdachte] voor de bankrekening van [bedrijf 1] een (tijdelijke) pas afgegeven van 19 maart 2015 tot en met 29 juni 2015 met nummer 002 (AMB.023).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen onderliggende documenten aangetroffen, die de herkomst van de geldbedragen van deze stortingen zouden kunnen verklaren. [verdachte] is enig aandeelhouder/bestuurder is, de onderneming heeft geen personeel en [verdachte] is als enige voor de bankrekening van [bedrijf 1] is gemachtigd en als houder van pasnummer 002 is geregistreerd. (pagina SF0.698) Andere contante geldafstortingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals eerder geverbaliseerd is verdachte [verdachte] bestuurder en enig aandeelhouder van de rechtspersoon [bedrijf 1] Op de bankrekening met IBAN nummer NL15INGB0006858620 ten name van [bedrijf 1] worden op 3 juni 2015 een tweetal contante geldbedragen gestort, te weten een bedrag van € 10.000,00 en een bedrag van € 600,00. (...) (ZD.01 pagina 632) AMB211:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 2 juni 2014 heeft verdachte een contant geldbedrag van € 150,00 via Western Union laten transfereren naar [vriendin verdachte] in Kiev. (ZD.04 pagina’s 2-25) Proces-verbaal witwassen d.d. 21 november 2017 verbalisanten Pelders en De Wit:</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek Kamer van Koophandel (pagina’s 15-17):</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit raadpleging van het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat de verdachte [verdachte] diverse inschrijvingen heeft als eigenaar en bestuurder van ondernemingen (DOC.058) met name:</p>\n<p class=\"lf-p\">Naam Functie [bedrijf 1] Bestuurder /enig aandeelhouder Aandeelhouder/directeur [bedrijf 1] Naar [bedrijf 1] , gevestigd op de [adres 2] (woonadres [verdachte] ) is nader onderzoek gedaan. [bedrijf 1] is een rechtspersoon in de vorm van een besloten vennootschap die op 2 juni 2015 is opgericht met een geplaatst en gestort kapitaal van € 600,00. [verdachte] staat geregistreerd als enig aandeelhouder en algemeen directeur. Binnen de onderneming zijn geen personen werkzaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als activiteiten van [bedrijf 1] staat in het handelsregister omschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Handel in en reparatie van personenauto's en lichte bedrijfsauto's (geen import van nieuwe), Koeriers en verhuur van personenauto's en lichte bedrijfsauto's (geen operational lease).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast ook handel in met name voertuigen, transport- en koeriersdiensten, verhuren en leasen van voertuigen. Zie AMB0.19, DOC.050, DOC.058 en DOC.059. (AD.01 pagina’s 54-60) AMB.197 proces-verbaal aanvraag machtiging tot handhaven van beslag als conservatoir beslag van verbalisant [verbalisant 23] d.d. 2 febuari 2016:</p>\n<p class=\"lf-p\">In de woning aan de [adres 2] (locatie H) zijn twee geldleningsovereenkomsten aangetroffen op naam van [vriendin verdachte] en [verdachte] . Beide geldleningsovereenkomsten zijn ondertekend te Kiev:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>H.02.04.002.001; Een aflossingsvrije geldleningsovereenkomst voor onbepaalde duur tussen [verdachte] (debiteur) en [vriendin verdachte] (crediteur) van 1 januari 2014. Hierin verklaart [vriendin verdachte] dat zij € 35.000,00 leent aan [verdachte] . Volgens de geldleningsovereenkomsten zijn deze afgesloten op basis van 6% rente op jaarbasis.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>H.02.04.002: Een aflossingsvrije geldleningsovereenkomst voor onbepaalde duur tussen [verdachte] (debiteur) en [vriendin verdachte] (crediteur) van 1 januari 2015. Hierin verklaart lavorska dat zij € 25.000,00 leent aan [verdachte] . Volgens de geldleningsovereenkomsten zijn deze afgesloten op basis van 6% rente op jaarbasis.</div>\n<p class=\"lf-p\">In de opgevraagde financiële bankgegevens zijn geen mutaties gevonden die in relatie kunnen staan met deze overeenkomsten ofwel een ontvangst van € 25.000,00 en € 35.000,00 door [verdachte] . (pagina 56) Verklaring afgelegd door de verdachte ter openbare terechtzitting van de rechtbank d.d. 15 januari 2018, p. 3, aangehecht aan het proces-verbaal van die datum:</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de geldleningsovereenkomsten met [vriendin verdachte] : (…) Ik wil u nogmaals op attenderen dat deze overeenkomsten tijdens de zoeking zijn aangetroffen. Het onderzoeksteam wil u ervan overtuigen dat het hier zou gaan om “valse of vervalste” documenten. Dit aangezien ik op 1 -1-2014 en 1-1-2015 niet fysiek aanwezig was in Kiev en dat de documenten ondertekend zijn met de plaatsnaam Kiev.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot feit 6: voorhanden hebben van valse paspoorten (ZD.03 pagina’s 75-76 en 145-146) Bevindingen verbalisant, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 29 september 2015 werd een doorzoeking gedaan van de woning gelegen aan de [adres 3] . Tijdens deze doorzoeking werden onder nummer 1.14.01.014, twee Britse paspoorten in beslag genomen. Het betrof de volgende paspoorten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Paspoort United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland nr. 305221402 op naam van [naam 1] , geboren op [geboortedag 5] -1970;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Paspoort United Kingdom of Great Britain and Northem Ireland nr. 305742506 op naam van [naam 2] , geboren op [geboortedag 6] -1966.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beide paspoorten zijn door de Koninklijke Marechaussee te Eindhoven onderzocht en bleken echt en onvervalst te zijn. Wel bleken beide voorzien te zijn van dezelfde pasfoto.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit diverse Britse en Nederlandse onderzoeken was gebleken dat met name Britse criminelen anoniem konden opereren in Groot-Brittannië en Nederland door het aannemen van een andere valse identiteit. Deze criminelen maakten daarvoor gebruik van Fraudulently Obfained Genuine Passports (frauduleus verkregen paspoorten) of zogenaamde \"FOG's\".</p>\n<p class=\"lf-p\">FOG paspoorten betreffen dus echte Britse paspoorten, die door bedrog zijn verkregen, op naam van echt bestaande Britse personen, maar waarop de foto geplaatst is van de betrokken crimineel. Uit de verstrekte gegevens van de Serieus Organised Grime Agency blijkt dat beide genoemde Britse paspoorten zogenoemde FOG paspoorten betreffen, welke op frauduleuze wijze zijn aangevraagd bij Her Majesty's Passport Office in Groot-Brittannië en voorzien zijn van een foto van een Britse crimineel genaamd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Naam: [naam 3] Voornamen: [naam 3] Geboortedatum: [geboortedag 7] 1966 Geboorteplaats: [geboorteplaats 3] Parketnummer: 01/879982-15 [verdachte] Geboorteland: Groot - Brittannië Geslacht: Man Nationaliteit: Brits burger Genoemde goederen werden aangetroffen in de woning van de ouders van verdachte [verdachte] . Tot kort voor zijn aanhouding woonde de verdachte daar echter samen met zijn ouders. Beide paspoorten waren voorzien van dezelfde pasfoto. (ZD.03 pagina 147) Kopie paspoort op naam van [naam 2]. (ZD.03 pagina 148) Kopie paspoort op naam van [geboortedag 5] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring verdachte ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 9 mei 2017, p. 11:Ik heb een tijdje gewerkt in Wijk bij Duurstede bij de afdeling archivering van de politie. Ik moest daar onder andere nietjes en plastic uit stukken halen. Eén van de leidinggevenden daar toen heeft tegen mij gezegd dat ik paspoorten in een vuilnisdoos voor plastic afval moest doen. Omdat ik die doos toen niet zag staan heb ik de bij mijn ouders aangetroffen Britse paspoorten meegenomen. De Britse paspoorten zijn op de een of andere manier samen met wat andere spullen bij mijn ouders op zolder terecht gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsoverwegingen Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inleiding met betrekking tot feit 1, 2 en 3 Introductie Tijdens het strafrechtelijk onderzoek ‘Bergaster’ in 2015 tegen de verdachte [medeverdachte 4] , werden er – in de cloud-omgeving van de digitale administratie van bedrijven [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] – zogenaamde Blue View Registratie Export documenten aangetroffen. In een map werd een 15-tal files (zo’n 5000 pagina’s) op naam gevonden. De namen werden herkend als bij de politie bekende subjecten. Deze Blue View registratie documenten bleken in juni 2013 te zijn gegenereerd door de gebruiker KLP008416, welk verbalisantnummer is gekoppeld aan politiemedewerker [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten van de landelijk Eenheid van de Nationale Politie werd een oriënterend onderzoek gedaan en naar aanleiding van de bevindingen van die afdeling werd op 29 juni 2015 door de Rijksrecherche een onderzoek gestart op verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De loopbaan van verdachte bij de politie Verdachte is op 26 januari 2009 aangesteld als aspirant in tijdelijke dienst gedurende de initiële opleiding (zes jaar) bij de Dienst Nationale Recherche (hierna: DNR). Hij is een zij-instromer op niveau 4. Op 21 november 2008 tekende verdachte daartoe een geheimhoudersverklaring van de Landelijke Eenheid en op 15 december 2008 werd een verklaring van geen bezwaar voor deze functie afgegeven. Op 22 april 2009 legde verdachte de ambtseed af en ondertekende hij het eedsformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 13 juli 2010 werd verdachte aangesteld als generalist tactische recherche tot en met 31 juli 2011 en op 28 juli 2011 werd de proeftijd verlengd tot en met 31 januari 2012. Op 1 februari 2012 volgde een vaste aanstelling bij de DNR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 14 oktober 2011 ontving het hoofd van het Bureau Veiligheid en Integriteit KLPD een brief ‘Weigering verklaring van geen bezwaar’ (hierna: VGB) met betrekking tot verdachte, waarin wordt vermeld dat verdachte van deze weigering op de hoogte is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door deze weigering kon verdachte niet bij de DNR blijven werken en werd hij op verschillende locaties tewerkgesteld. Hij werkte onder andere in 2013 bij de Dienst Verkeer van het KLPD in Driebergen in Maasbracht en in 2014 bij de Landelijk Eenheid, Dienst Infra, locatie Croeselaan te Utrecht. Daarnaast werkte hij nog in de regio Venlo en Eindhoven ten behoeve van het behalen van modules in het kader van zijn opleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opleiding van verdachte verliep niet vlekkeloos, zijn studietijd moest meerdere malen worden verlengd, voor het laatst in het vierde kwartaal van 2014. Bij niet afstuderen zou eventueel ontslag volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie 1 Verdachte is aldus aan te merken als een ambtenaar in de zin van artikel 84 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte was in de tenlastegelegde periode werkzaam als politieagent en had uit hoofde van zijn functie, zo blijkt uit zijn beëdiging, een algemene geheimhoudingsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blue View Blue View is een indexsysteem, waarin dumps plaatsvinden van diverse politiesystemen, zoals BVO, Summ-it, HKS, BVH, Luris, FIU, afkomstig van bijna alle opsporingsinstanties van Nederland (Kmar, FIOD et cetera).</p>\n<p class=\"lf-p\">Accounts in Blue View zijn strikt persoonlijk en mogen niet gedeeld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om Blue View te raadplegen wordt ingelogd met een gebruikersnaam en een wachtwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebruikersnaam is het dienstnummer van de verbalisant, KLP008416, zijnde verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij had een Blue View account vanaf 29 augustus 2011 om 10.18 uur, op niveau Opsporing basis 3 en 4. Bevragingen geschieden op een zogenaamde lange KENO, een zoeksleutel gebaseerd op onder andere achternaam en geboortejaar van de te bevragen persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaten van bevragingen kunnen worden geëxporteerd als PDF- of Excelbestand. Vervolgens kunnen deze worden opgeslagen op bijvoorbeeld een harde schijf van een computer of op een USB-stick, indien de gebruiker rechten heeft om gegevens op een USB-stick op te slaan. Verdachte had die rechten. In de naam die het document krijgt tijdens het exporteren zit de tekst ‘Registratie Export’. Uit de bestandsnaam is af te leiden op welke datum de export is gemaakt en wat het accountnummer is van de gebruiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het eerste blad van elke export is een waarschuwing opgenomen voor de gebruiker: ‘Het oneigenlijk gebruik dan wel misbruik van deze gegevens is ten strengste verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is het verstrekken van deze gegevens aan derden welke niet de vereiste autorisatie bezitten eveneens ten strengste verboden’. De gebruiker kan pas verder gaan met exporteren als hij aangeeft dat hij de bovenstaande waarschuwing heeft gelezen en op OK drukt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie 2 Het hof stelt vast dat verdachte toegang had tot vertrouwelijke politiegegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7 van de Wet Politiegegevens bepaalt dat de politieambtenaar aan wie politiegegevens ter beschikking zijn gesteld, in beginsel verplicht is tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover een of bij of krachtens de wet gegeven voorschrift tot verstrekking verplicht, de bepalingen van paragraaf 3 verstrekking toelaten of de politietaak in bijzondere gevallen tot verstrekking noodzaakt. Van enige uitzonderingsgrond is uit het dossier niets gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte was uit hoofde van zijn ambt derhalve bekend met deze geheimhoudingsplicht, hij wist dat de informatie in Blue View vertrouwelijk was en werd daar bij export van gegevens nogmaals op gewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Abonnementen en bevragingen in Blue View Vanaf 30 augustus 2011 heeft verdachte 52 abonnementen gehad. Na oktober 2011 werden geruime tijd geen abonnementen afgesloten. Dit betreft de periode nadat de VGB was geweigerd, te weten na 19 oktober 2011. In juli 2012 werd weer een abonnement afgesloten. Verdachte deelde geen abonnementen met andere gebruikers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte had in Blue View op 15 juni 2015 24 abonnementen lopen op personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze abonnementen moeten actief worden aangemaakt, driemaandelijks worden verlengd en worden afgesloten. De personen werden automatisch bevraagd op een lange KENO en de gebruiker, in casu verdachte, kreeg elke week berichten op zijn werk e-mailadres met de nieuwe resultaten van zijn abonnementen. Op 14 september 2015 liepen er in de account van verdachte 23 abonnementen op personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is uit het overzicht van het totaal aantal bevragingen van verdachte in de onderzoeksperiode, gebleken dat het totale logbestand van verdachte in de periode van 30 augustus 2011 tot en met 29 september 2015 uit 28.521 regels in Blue View bestaat. Die regels werden zowel door zoekvragen als zoekresultaten gegenereerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie 3 Verdachte heeft abonnementen op personen aangemaakt en tevens verlengd, ook nadat hij in verband met de weigering van de VGB niet meer deelnam aan opsporingsonderzoeken binnen de DNR. Bovendien heeft hij ruim 28.000 bevragingen in Blue View gedaan in de tenlastegelegde periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft aangevoerd dat manipulatie via de inloggegevens van verdachte – te weten zijn gebruikersnaam en wachtwoord – door een ander dan verdachte niet kan worden uitgesloten. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hierboven uiteengezet zijn op het Blue View account van verdachte, gedurende ruim 4 jaar, tientallen abonnementen op personen afgesloten en duizenden zoekopdrachten naar personen uitgevoerd. Indien iemand anders dan verdachte deze handelingen zou hebben verricht, zou dat betekenen dat verdachte gedurende ruim 4 jaar niet heeft opgemerkt dat een derde ook gebruik maakte van zijn inloggegevens en dit zeer veelvuldig deed. Dit is naar het oordeel van het hof volstrekt onwaarschijnlijk, nu bij het afsluiten van abonnementen op personen, verdachte automatisch wekelijks een bericht ontving per e-mail waarin de nieuwe resultaten kenbaar werden gemaakt. Indien niet verdachte maar een derde deze abonnementen zou hebben afgesloten, zou dit verdachte moeten zijn opgevallen en had het in de rede gelegen dat verdachte met het vermoeden dat zijn inloggegevens werden misbruikt, daarvan een melding zou hebben gemaakt. Nu verdachte nimmer een dergelijke melding heeft gemaakt, gaat het hof voorbij aan het volstrekt onwaarschijnlijke verweer dat een ander dan verdachte gebruik kan hebben gemaakt van zijn inloggegevens. Het hof neemt daarbij mede in overweging, dat de verdediging dit verweer op geen enkele, laat staan aannemelijke, wijze heeft onderbouwd. Het is louter een suggestie. Daar komt bij, dat ook overigens uit het onderzoek Zijdehaai niet is gebleken dat andere personen met de inloggegevens van verdachte bevragingen hebben gedaan. Het hof verwerpt daarom dit verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is door de verdediging aangevoerd dat de 28.521 logregels in Blue View niet representatief zijn voor het aantal zoekopdrachten, nu elke mutatie in Blue View een nieuwe logregel creëert. Verdachte schat zelf dat hij ongeveer 5000 bevragingen heeft uitgevoerd. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de verdediging het navolgende naar voren gebracht. a. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris en ter zitting in eerste aanleg en hoger beroep aangevoerd dat niet kan worden aangenomen dat alle bevragingen in die periode illegaal werden gedaan. Hij werd immers, ook nadat hij niet meer bij de DNR werkzaam was, juist speciaal in onderzoeken ingezet met de vraag om gebruik te maken van zijn accreditatie voor Blue View en ook omdat hij een zekere handigheid had in het bevragen van dat systeem. b. Daarnaast heeft verdachte ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij het systeem weliswaar veelvuldig heeft geraadpleegd, maar dat deze bevragingen werden gedaan ter bevrediging van zijn nieuwsgierigheid, een soort hobby, zoals anderen voor hun plezier op internet surfen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt, samen met de rechtbank, met betrekking tot deze stellingen van verdachte het volgende: a. Dat verdachte wel eens door collega's zou zijn benaderd om Blue View te bevragen wordt ook door de getuigen [getuige 3] en [getuige 2] bij de rechter-commissaris niet ontkend, zij het dat zij hem zelf nooit gevraagd hebben Blue View te raadplegen. Het hof sluit dan ook niet uit dat het heel wel kan zijn dat verdachte op verzoek wel eens ten behoeve van opsporingsonderzoeken Blue View heeft bevraagd, ook nadat hij niet meer bij de DNR werkzaam was. Hij had immers zijn accreditatie op niveau 3 en 4 gewoon behouden. Gelet op de enorme hoeveelheid gevoelige informatie die door verdachte is bevraagd, welke niet allemaal volledig is onderzocht, is het niet uit te sluiten dat verdachte op verzoek van collega's daadwerkelijk wel eens informatie uit het systeem heeft opgevraagd. Door verdachte is overigens geen enkel voorbeeld aangewezen waarbij dat het geval zou zijn geweest. Het hof is echter van oordeel, dat dit onverlet laat dat door verdachte zonder enige professionele aanleiding of intern verzoek ook grote hoeveelheden vertrouwelijke informatie zijn bevraagd en geëxporteerd en aangetroffen zijn bij derden zoals het hof hierna nog zal bespreken. Wat er ook zij van het verweer, het staat een bewezenverklaring niet in de weg. Het verweer faalt daarom reeds in zoverre. b. Dat verdachte het systeem ook wel eens uit nieuwsgierigheid raadpleegde, zoals hij verklaart, valt eveneens niet geheel uit te sluiten. Verdachte heeft deze bewering echter niet nader toegelicht of onderbouwd met concrete voorbeelden. Daarover wilde verdachte, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, niet verklaren. Het hof acht het dan ook volstrekt onaannemelijk dat verdachte alle bevragingen die hij niet in het kader van zijn taakvervulling als politieagent heeft verricht louter uit nieuwsgierigheid heeft gedaan. Uit het dossier blijkt dat verdachte regelmatig hem bekende personen heeft bevraagd, personen die veelal in verband konden worden gebracht met hennepteelt/-kwekerijen. Zo bevroeg verdachte regelmatig zijn medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Daarbij moeten ook gegevens zijn verstrekt door derden bijvoorbeeld met betrekking tot identificatiegegevens van personen of adressen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook valt op, dat verdachte vaak personen bevroeg voorafgaand, tijdens en na een onderzoek of doorzoeking. Dit was bijvoorbeeld het geval bij zijn oom, de heer [oom verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat verdachte niet louter uit nieuwsgierigheid maar zeker ook op verzoek van derden bevragingen deed, blijkt uit hetgeen het hof hierna met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit zal overwegen, namelijk dat hij op verzoek van een tweetal undercover-agenten bevragingen heeft gedaan. Bovendien, zelfs al zou verdachte een aantal bevragingen louter uit nieuwsgierigheid hebben gedaan, verdachte wist en behoorde te weten dat hij uitsluitend gerechtigd was Blue View te raadplegen in het kader van zijn politietaak en daarvan is naar het oordeel van het hof bij het hobbymatig door het systeem zoeken ten behoeve van zichzelf geen sprake. Ook dit deel van het verweer gaat daarom niet op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot feit 1: medeplegen schending ambtsgeheim De advocaat-generaal is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, nu op grond van het bewijs kan worden vastgesteld dat de geheime informatie bij anderen terecht is gekomen door toedoen van verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken, nu – kort gezegd – niet uit het dossier is gebleken dat verdachte, na het opvragen van informatie, deze informatie ook daadwerkelijk heeft verspreid. Zo is niet duidelijk hoe de PDF-bestanden bij [medeverdachte 4] terecht zijn gekomen; het is slechts een aanname dat verdachte dit heeft gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft de verdediging bepleit dat slechts een bewezenverklaring kan volgen voor de bevragingen in Blue View waarvan ook daadwerkelijk stukken zijn aangetroffen, nu het dossier verder geen bewijs bevat dat de geheime gegevens van de andere bevragingen daadwerkelijk zijn verstrekt aan onbevoegde derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal, evenals de rechtbank, de bewijsmiddelen die in het dossier aanwezig zijn bespreken aan de hand van de door verdachte afgesloten abonnementen, diens werkwijze en de in het dossier genoemde namen van onderzoeken en personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De abonnementen Op 23 juli 2012 sloot verdachte een abonnement af op de KENO van medeverdachte [medeverdachte 5] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de lange KENO van medeverdachte [medeverdachte 2] wordt op 28 juni 2013 een abonnement gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 15 juni 2015 had verdachte nog abonnementen lopen op onder andere de KENO van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 14 september 2015 liepen deze abonnementen nog. Op die datum was toen één nieuw abonnement op de KENO van [medeverdachte 22] . Voornoemd abonnement werd afgesloten op 7 juli 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een in beslag genomen agenda van het jaar 2013 van verdachte werd een lijst met namen van personen aangetroffen, welke lijst precies overeenkomt met de tussen 31 augustus 2011 en 29 september 2015 door verdachte bevraagde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie 4 Verdachte maakte abonnementen aan op onder andere de medeverdachten in het onderhavige onderzoek. Nu deze abonnementen over een langere periode liepen en de abonnementen driemaandelijks moesten worden verlengd, heeft verdachte de betreffende abonnementen dus bewust in stand gehouden. Verdachte bevroeg een vaste groep personen gedurende een langere tijd. Over de concrete bevragingen en abonnementen en de beweegredenen daarvoor heeft verdachte, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, niet willen verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkwijze I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het politiedomein worden (bijvoorbeeld) op 7 november 2014 e-mails verzonden naar het politieacademie domein. De verstuurde e-mails bevatten Blue View export registraties. De verstuurde e-mails worden niet meer aangetroffen in de mailbox van het politieacademie domein. Wel wordt een verwijzing gevonden naar een bijlage, die op een externe mediadrager is geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 7 september 2015 werd een bevel stelselmatige informatie-inwinning en pseudokoop op verdachte afgegeven. De raadsman heeft ten aanzien van het WOD-traject (onder andere voor wat betreft de overtreding van het Talloncriterium en de methoden van het verbaliseren door A-3869 en A-3870) verschillende verweren gevoerd. Voor het oordeel van het hof hieromtrent wordt verwezen naar hetgeen hierna met betrekking tot feit 3 wordt overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 27 september 2015 keerde verdachte terug uit Curaçao, waar hij met verbalisant A-3869 afspraken had gemaakt over het raadplegen van de politiesystemen op de persoon van de informant, die bij verdachte bekend was als [naam 6] en op een persoon, die bij verdachte bekend was gemaakt als [naam 5] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 28 september 2015 om 10.27 uur kocht verdachte bij de Mediamarkt in Son en Breugel een USB-stick PNY en een prepaid telefoon, die hij contant afrekende. Vervolgens reed hij naar het politiebureau aan de Croeselaan in Utrecht, waar hij tussen 11.43 uur en 12.49 uur een groot aantal bevragingen deed op [naam 6] en [naam 5] . De bewuste USB-stick is op 30 september 2015 in de woning van de ouders van verdachte in Weert terug gevonden. Op de USB-stick stonden Blue View Exportbestanden met betrekking tot [naam 6] en [naam 5] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 28 september 2015 om ongeveer 14.00 uur verlaat de verdachte het politiebureau in Utrecht en op verzoek van A-3869 vindt om 15.30 uur een ontmoeting plaats bij McDonalds in Best. Op aanwijzing van verdachte rijdt verdachte met A-3869 mee naar een openbare picknickplaats aan de A2. Daar brengt verdachte A-3869 mondeling op de hoogte van zijn bevindingen. Daarbij merkt verdachte op dat de informatie zo minimaal was dat hij had besloten om A-3869 een en ander mondeling mede te delen.</p>\n<p class=\"lf-p\">III.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de doorzoeking van de [adres 4] werd een grote hoeveelheid bewerkte Blue View informatie op papier aangetroffen (zie hierna) met leesaanduidingen en met namen van geadresseerden erop aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie 5 Verdachte e-mailde exportrapportages van zijn politie-emailadres naar zijn mailbox bij de politieacademie en zette de informatie over op (bijvoorbeeld) USB-sticks. Verdachte heeft over het hoe en waarom van deze werkwijze zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, geen verklaring willen afleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte verstrekte informatie zowel mondeling als schriftelijk aan afnemers. Daarbij werd de nodige behoedzaamheid in acht genomen. Met betrekking tot de aan A-3869 verstrekte informatie heeft verdachte ter zitting van het hof toegegeven dat de verstrekking op de wijze zoals verwoord aan A-3869 heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de aangetroffen informatie op papier heeft verdachte niet willen verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoeken Bergaster en Fuut / medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] I. Onderzoek Bergaster In de in de cloud opgeslagen digitale administratie van verdachte [medeverdachte 4] werden 15 PDF-bestanden gevonden met onder andere de namen [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , te herleiden tot bij de politie bekende subjecten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>‘ [medeverdachte 2] ’ zou medeverdachte [medeverdachte 2] , geboren 31 juli 1978, betreffen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>‘ [medeverdachte 1] ’ zou medeverdachte M.F.W. [medeverdachte 1] , geboren 15 februari 1970, betreffen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze bestanden zijn op 25 en 28 juni 2013 geëxporteerd. Op die data registreert verdachte bijzonder verlof. Desondanks stuurde verdachte op 25 juni 2013 om 15.10 uur en 15.13 uur vanaf zijn politie-emailadres twee e-mails en op 28 juni 2013 te 12.23 uur nog één.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het openen van de PDF van [medeverdachte 2] bleek dat het ging om een bestand van 468 pagina's, geëxporteerd op 25 juni 2013 te 13.38 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestand van [medeverdachte 1] betrof 265 pagina's, geëxporteerd op 25 juni 2013 te 13.54 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 7 maart 2013 bevraagt verdachte medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] voor de eerste keer in Blue View. In een memo in een in beslag genomen Samsung Galaxy SIII (aangetroffen in een woning aan de [adres 3] , de woning van de ouders van verdachte) van 6 maart 2013 staan de namen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] met enige specifieke details, die – naar het hof begrijpt – nodig voor het genereren van een KENO.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een map met mini processen-verbaal die op 29 september 2015 tevens in de woning van de ouders van verdachte ( [adres 3] ) in beslag zijn genomen, stonden op het bovenste vel de gegevens van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] die – naar het hof begrijpt – nodig zijn voor het genereren van een KENO op deze personen. Ook in een agenda over het jaar 2013 (tevens inbeslaggenomen in de woning aan de [adres 3] ) werd een lijst met namen aangetroffen, waaronder die van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] en mogelijk [medeverdachte 2] . In een oude telefoon van verdachte werd een memo van 25 juni 2013 aangetroffen, met daarin de namen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder blijkt dat vlak voor de actiedag in het onderzoek ‘Bergaster’ 13 auto's uit de bedrijfsvoorraad van [bedrijf 2] zijn overgeschreven op naam van onder andere [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . De sleutels van één van deze auto's zijn op 29 september 2015 aangetroffen in de woning in Veldhoven waar [medeverdachte 1] verbleef.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie 6 Reeds in 2013 bevroeg verdachte medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in Blue View en exporteerde deze gegevens, die uiteindelijk in de cloud van [bedrijf 2] terechtkwamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte maakte geen deel uit van het onderzoeksteam in het onderzoek Bergaster, noch is gebleken van een andere politietaak die de betreffende bevragingen en het exporteren van de daaruit vloeiende gegevens zou kunnen verklaren. Derhalve had verdachte geen valide reden om Blue View op deze personen te bevragen. Bovendien hebben zowel verdachte en als medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hieromtrent geen verklaring afgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">II. Onderzoek Fuut Het onderzoek Fuut betreft een verdenking van bedrieglijke bankbreuk. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zouden aan de verdachte in het onderzoek Fuut een groot geldbedrag hebben geleend. In het kader van dit onderzoek werd op 29 juli 2015 rond 12.00 uur [medeverdachte 3] door de FIOD gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op diezelfde dag wordt waargenomen dat verdachte om 16.18 uur uit het gebouw van de politieacademie te Eindhoven komt en in een Peugeot [kentekens] ) stapt. De Peugeot wordt om 16.42 uur geparkeerd op een parkeerterrein De Plaatse in Veldhoven en verdachte begeeft zich naar het terras van een grand café. Om 18.37 uur heeft verdachte contact met de bestuurder van een Ford Mondeo ( [kentekens] ). De bestuurder van de Ford Mondeo is [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft deze Ford Mondeo geleased. Verdachte stapt in. Om 18.53 uur staat de Ford Mondeo geparkeerd op de oprit van de [adres 4] . In deze woning verblijft [medeverdachte 1] ; hij staat er echter niet ingeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om 19.17 uur wordt een Audi A5 ( [kentekens] ) geparkeerd in de straat en twee mannen, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , gaan de woning binnen. [medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat hij wel eens met [medeverdachte 2] in een woning in Veldhoven is geweest om daar te praten en te kaarten. Hij trof toen in die woning verdachte en [medeverdachte 1] . Die zaten samen op de bank. Bij die gelegenheid hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gesproken over het gesprek met de FIOD, het zou kunnen zijn dat de beide [verdachte + medeverdachte 1] (verdachte en [medeverdachte 1] ) dat hebben opgevangen, aldus [medeverdachte 3] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek Fuut werd door verdachte op 28 juli 2015 en 3 augustus 2015 in Blue View uitgebreid bevraagd. Op 3 augustus 2015 raadpleegt verdachte rechtstreeks op het onderzoek en geeft ook twee zoekopdrachten: ‘vervalst fuut’ en ‘saxo fuut’. Bij het onderhoud van de FIOD met [medeverdachte 3] was op 29 juli 2015 gesproken over een vervalst bankafschrift van de Saxobank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie 7 Nu verdachte vlak vóór en vlak na de ontmoeting met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de woning van [medeverdachte 1] het onderzoek Fuut uitgebreid bevroeg, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat hij dit deed op verzoek van een of meer van zijn medeverdachten. Verdachte had met name op de KENO van [medeverdachte 2] al vele bevragingen gedaan en er liep ook een abonnement op [medeverdachte 2] . Verdachte had geen enkele reden of motief om juist op dit onderzoek bevragingen te doen; hij was geen lid van het onderzoeksteam van de FIOD en er is geen enkele valide andere reden voor de raadpleging, anders dan dat hij daar door anderen om is verzocht. Ook hieromtrent heeft verdachte geen nadere verhelderende verklaring willen afleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">III.A Op 29 september 2015 werd een achter een afgesloten schot onder de trap in de [adres 4] verborgen bundel documenten in beslag genomen van in totaal 167 pagina's met informatie over vele subjecten. Het bleek te gaan om bewerkte Blue View producten: het was het resultaat van verschillende downloads en bewerkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er was informatie toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het document [medeverdachte 22] staat getypt op de linkerbovenhoek: ‘ [medeverdachte 2] [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]] Bovenstaande inzake onderstaand onderzoek hennep (reeds verstrekt)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het document Gortworst in de linkerbovenhoek getypt: ‘10x afgeschermd onderzoek DOOMER (zie eerdere uitleg)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het document Zaak in de linkerbovenhoek is getypt: ‘Let op inzet IMSI catcher bij verdachten’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op één van de andere pagina's staat het tijdstip van export: 12-08-2015 13.25.06. De tekst betreft een mutatie van een onderzoek, dat door verdachte blijkens zijn logfiles op 12 augustus 2015 om 13.42.32 is bevraagd. Vervolgens zijn er 152 mutaties uit Blue View geëxporteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op gevouwen hoekjes op twee A4tjes stond: onder andere ‘ [medeverdachte 2] ’. ‘ [medeverdachte 2] ’ bleek een deel van een mutatie van 19 augustus 2015. Op dit mutatienummer heeft verdachte op 25 augustus 2015 en 28 september 2015 gezocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op één van de pagina's is een vingerafdruk van [medeverdachte 2] aangetroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op zeven pagina's uit de bundel werden vingerafdrukken van verdachte aangetroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 1 september 2015 werd om 17.58 uur gezien dat verdachte in Weert in een BMW [kentekens] ) stapte en om 18.26 uur reed hij over de Run in Veldhoven. Vervolgens stond de BMW geparkeerd op het parkeerterrein De Plaatse te Veldhoven. Om 18.50 uur staat de Ford Mondeo (7 TXS 33) geparkeerd op de oprit van de [adres 4] . Om 19.07 uur arriveert een Audi ( [kentekens] ) ter hoogte van nummer 40. De bestuurder, die na onderzoek geïdentificeerd kan worden als [medeverdachte 2] , stapt uit. Om 19.58 uur verlaat hij de woning. Om 20.04 uur verlaat verdachte de woning en stapt hij bij [medeverdachte 1] als bijrijder in de Ford Mondeo. Om 20.12 uur stopt de Mondeo bij de BMW. Om 20.39 uur is de BMW in Weert en om 21.04 stapt verdachte zijn woning binnen met een voorwerp in zijn hand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 27 augustus 2015 werd Blue View door verdachte bevraagd. Er werd een groot aantal bevragingen gedaan en informatie werd geëxporteerd. [medeverdachte 2] werd uitgebreid bevraagd en vermoedelijk werd een BVH-registratie geëxporteerd, handelende over de overgeschreven auto's in het onderzoek Bergaster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 1 september 2015 zijn er twee externe gegevensdragers aangesloten geweest op de computer van [medeverdachte 1] . Uit de linkfiles op die computer kan worden afgeleid dat op één van die gegevensdragers op die computer bestanden zijn geopend. In totaal zijn er 27 fragmenten tekst gevonden in de computer van [medeverdachte 1] , onder meer 4 fragmenten op de KENO [medeverdachte 2] en 9 fragmenten op het onderzoek Fuut.</p>\n<p class=\"lf-p\">III.B Op 30 september 2015 werd in de garage van de [adres 4] in een plastic tas een briefje gevonden met de tekst: 'Ab: [medeverdachte 22] '.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een papiertje met ongeveer gelijkluidende gegevens werd aangetroffen in een plastic bakje in een kastje in de woning van verdachte in Weert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 22 juni 2015 is door verdachte in Blue View gezocht op de KENO van deze persoon en de registraties worden vermoedelijk geëxporteerd. Op 23 juni 2015 worden de registraties (opnieuw) geëxporteerd. Op 7 juli 2015 wordt wederom een raadpleging gedaan. Er wordt een abonnement aangemaakt op de lange KENO van de persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 21 en 28 juli 2015 wordt de KENO bevraagd. Op 25 augustus 2015 wordt opnieuw bevraagd en wordt een BVH-registratie, die ook op 22 en 23 juni 2015 en op 5 augustus 2015 door verdachte is geraadpleegd, geëxporteerd. Deze registratie is gestart naar aanleiding van een melding van activiteiten die verband hielden met het kweken van hennep na een inbraak in een woning en de registratie werd in de loop van de tijd steeds uitgebreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De registratie werd voor de laatste maal geraadpleegd en geëxporteerd op 28 september 2015 om 11.23.19 uur. De verdachte in die zaak was de huurder van de woning: [medeverdachte 22] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van de in de bergplaats gevonden documenten met daarop getypt ‘ [medeverdachte 22] ’ en handgeschreven ‘AB’, gaan over de persoon [medeverdachte 22] en is afkomstig uit mutaties in de bovengenoemde registratie die door verdachte op verschillende tijdstippen is geraadpleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de computer van [medeverdachte 1] zijn in de 'unallocated space' sporen aangetroffen van teksten die te herleiden zijn naar één van deze mutaties. Deze mutatie betreft een proces-verbaal dat is gesloten op 24 augustus 2015. Op 25 augustus 2015 is de mutatie in Blue View geraadpleegd en geëxporteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie 8 Uit deze bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de periode van juni 2015 tot en met september 2015 informatie uit Blue View heeft geëxporteerd, onder meer ten aanzien van [medeverdachte 2] . Uit het feit dat de geëxporteerde informatie niet alleen was uitgeprint, maar ook was bewerkt ten behoeve van de afnemer en was voorzien van extra aanwijzingen alsmede uit het aantreffen van dactyloscopische sporen van zowel verdachte op de aangetroffen bundel papieren, blijkt naar het oordeel van het hof dat verdachte met een duidelijk doel buiten zijn politietaak informatie heeft gegenereerd. Uit het feit dat op een van de papieren uit die bundel eveneens een dactyloscopisch spoor van [medeverdachte 2] is aangetroffen, blijkt bovendien dat [medeverdachte 2] in elk geval een deel van die informatie op enig moment in handen heeft gekregen. Uit de aangetroffen teksten op de documenten blijkt tevens dat de informatie werd verstrekt om anderen van buiten de politieorganisatie te waarschuwen, op de hoogte te stellen van lopende onderzoeken en van ingezette opsporingsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] zijn verblijfplaats aan de [adres 4] beschikbaar stelde om de (papieren) informatie goed te verbergen, dat er informatie op de computer van [medeverdachte 1] werd bekeken / verwerkt en dat de woning van [medeverdachte 1] werd gebruikt om de afnemer(s) van de informatie te ontmoeten / te spreken. Daarnaast bracht [medeverdachte 1] verdachte naar en van het adres in Veldhoven. [medeverdachte 1] moet volledig op de hoogte zijn geweest van het handelen van [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek Gutenberg Zoals reeds aangehaald, werd in de in de cloud opgeslagen digitale administratie van [medeverdachte 4] een 15-tal PDF-bestanden gevonden met onder andere de naam ‘ [medeverdachte 6] ’. [medeverdachte 6] is te herleiden naar [medeverdachte 6] (geboren op [medeverdachte 6] 1981), hoofdverdachte in het onderzoek Gutenberg. De voornoemde bestanden waren uit Blue View Registratie geëxporteerd. Ook aan de bovenzijde van deze PDF stond de gebruikersnaam van verdachte, KLP08416, en een datum vermeld. Het PDF-bestand van 476 pagina’s inzake [medeverdachte 6] werd op 28 juni 2013 te 12.27.36 uur door [verdachte] bevraagd en geëxporteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de voornoemde een map met mini processen-verbaal die op 29 september 2015 in de woning van de ouders van verdachte ( [adres 3] ) in beslag zijn genomen, bevatte het bovenste vel tevens de gegevens van [medeverdachte 6] , die – naar het hof begrijpt – nodig zijn voor het genereren van een KENO op deze persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het onderzoek Gutenberg van DNR Son en Breugel werden bij doorzoekingen op 23 september 2014 situaties aangetroffen die duiden op schoning van deze locaties. [verdachte] heeft deel uitgemaakt van de DNR Son en Breugel en heeft kennelijk nog steeds toegang tot de teammap 20. Verder is met de inlogcode van [verdachte] in de periode 15 januari 2014 tot 15 september 2014 in Blue View tenminste 94 maal gezocht op de naam [medeverdachte 6] . Verder werd de term Gutenberg 183 maal aangetroffen in het bestand met bevragingen in Blue View.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie 9 Verdachte heeft [medeverdachte 6] , de hoofdverdachte in het onderzoek Gutenberg, en de term Gutenberg veelvuldig bevraagd in Blue View. Deze gegevens zijn tevens geëxporteerd, zo blijkt uit het feit dat een PDF- bestand genaamd ‘ [medeverdachte 6] ’ werd aangetroffen in de digitale administratie bij [medeverdachte 4] . Uit inbeslaggenomen gegevens blijkt dat de gegevens van verdachte [medeverdachte 6] , die nodig waren voor het genereren van een KENO op hem, op een vel papier genoteerd stonden. Het hof overweegt dat niet is gebleken dat verdachte een valide reden had om [medeverdachte 6] en het onderzoek Gutenberg te raadplegen in Blue View.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, en mede gelet op de omstandigheid dat bij de doorzoekingen ‘schone locaties’ werden aangetroffen, het niet anders kan zijn dan dat verdachte op verzoek van een ander en ten behoeve van [medeverdachte 6] de geheime politie-informatie in het onderzoek Gutenberg heeft bevraagd en vervolgens heeft geëxporteerd en verstrekt. Met deze informatie werd verdachte [medeverdachte 6] gewaarschuwd en op de hoogte gesteld van de lopende onderzoeken en ingezette opsporingsmiddelen. Het is het hof ambtshalve bekend dat [medeverdachte 6] , hoofdverdachte is in het onderzoek Gutenberg, niet is gearresteerd en nog steeds voortvluchtig is. [oom verdachte] / medeverdachte [medeverdachte 5] Verdachte zoekt verschillende keren op zijn oom [oom verdachte] in de periode van januari tot en met september 2014. Op 19 januari 2015 zoekt verdachte op ‘ [adres 8] ’ en ‘ [adres 8] ’. Op 27 juni 2015 zoekt verdachte op onder andere ‘ [adres 8] ’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 17 augustus 2015 wordt een ontmanteld apaanlaboratorium aangetroffen in de woning [adres 8] . In de loods bij de woning bevindt zich een hennepkwekerij.</p>\n<p class=\"lf-p\">De huurder van deze woning en loods is [oom verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 21 januari 2015 raadpleegde verdachte Blue View op de locatie ‘ [adres 9] ’. Op 24 februari 2015 is een opgeruimde hennepplantage in een loods aan de [adres 9] aangetroffen. Huurder van de loods is [oom verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 8 en 10 januari 2014 zocht verdachte meermalen op ‘ [adres 11] ’, ‘ [adres 11] ’, ‘ [adres 10] ’ en ‘ [adres 10] ’. Op 7 januari 2014 werden op beide locaties hennepkwekerijen aangetroffen. Huurder van deze locaties was [oom verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals eerder opgemerkt, maakte verdachte reeds in 2012 een abonnement aan op Van den Akker, dit liep tot september 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 17 februari 2012 raadpleegde verdachte in Blue View medeverdachte [medeverdachte 5] voor het eerst, op dezelfde dag en op vrijwel het zelfde tijdstip dat verdachte een zekere [medeverdachte 25 + geboortedatum] ook bevraagt. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 25 + geboortedatum] kenden elkaar. Op 23 november 2012 wordt aan de [adres 12] een hennepkwekerij aangetroffen. Volgens de GBA staat [medeverdachte 25 + geboortedatum] op dat adres ingeschreven. Het adres wordt door verdachte uitgebreid bevraagd op die datum. Verdachte raadpleegt die dag ook nog op een aantal andere hennep-gerelateerde adressen. In 2012 werd [medeverdachte 5] zelf verdacht van betrokkenheid bij hennepteelt. Dit alles wijst erop dat verdachte Blue View op [medeverdachte 5] heeft bevraagd om hem op de hoogte te houden van lopende opsporingsonderzoeken in verband met hennepteelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit tapgesprekken en de verklaring van de getuige [vriendin medeverdachte 5/getuige] blijkt dat de latere bevragingen (tot en met augustus 2015) op [medeverdachte 5] vooral de relationele problemen tussen [vriendin medeverdachte 5/getuige] en [medeverdachte 5] betroffen waarbij de politie werd ingeschakeld. [medeverdachte 5] , [medeverdachte 25 + geboortedatum] en verdachte zouden elkaar kennen via een wederzijdse kennis in Oekraïne. [medeverdachte 5] zou verdachte in Nederland hebben geïntroduceerd als iemand van wie men informatie zou kunnen kopen, aldus getuige [vriendin medeverdachte 5/getuige] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie 10 Verdachte raadpleegde Blue View niet alleen op adressen waar hennepkwekerijen waren ontmanteld, maar ook op adressen waar hennepkwekerijen waren gevestigd voordat die locaties binnen de politiesystemen werden opgenomen. Uit het feit dat de bevraagde adressen allen een duidelijke link laten zien met de oom van verdachte of met [medeverdachte 25 + geboortedatum] en [medeverdachte 5] , maakt het hof, evenals de rechtbank, op dat verdachte deze bevragingen ten behoeve van zijn familielid [oom verdachte] of ten behoeve van kennissen zoals [medeverdachte 25 + geboortedatum] en [medeverdachte 5] heeft gedaan. Uit de bewijsmiddelen volgt ook, dat verdachte Blue View raadpleegde voor [medeverdachte 5] , waar het ging om relationele problemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie Vooropgesteld moet worden dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat het ‘schenden’ van een geheim in de zin van artikel 272 Wetboek van Strafrecht moet worden uitgelegd als het verstrekken van geheime gegevens aan een ander die tot kennisneming daarvan onbevoegd is (vgl. HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:527). Gelet daarop is het hof van oordeel dat verdachte zijn ambtsgeheim niet heeft geschonden door geheime gegevens voor zichzelf te ontsluiten. Echter, het hof stelt – op grond van hetgeen hiervoor overwogen en de daarbij genomen tussenconclusies – vast dat verdachte zijn geheimhoudingsplicht gedurende lange tijd bij herhaling heeft geschonden door politie-informatie te delen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en andere belanghebbenden, zoals zijn oom [oom verdachte] en [medeverdachte 6] . Uit de wijze waarop verdachte de informatie aan derden zoals [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] overbracht, concludeert het hof dat deze geen van allen bevoegd was om van de informatie kennis te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweer van de verdediging dat niet vaststaat dat verdachte daadwerkelijk geheime politie-informatie heeft verspreid wordt door het hof verworpen. Immers, vast is komen te staan dat verdachte in Blue View veelvuldig bevragingen heeft gedaan anders dan ter vervulling zijn politietaak. Bovendien is gebleken dat verdachte met een aantal van de bevraagde personen, al dan niet levenden lijve, contact heeft gehad. In de gedragingen van verdachte over een lange periode is een patroon te zien. Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, blijkt dat een deel van de door verdachte uit Blue View geëxporteerde vertrouwelijke politie-informatie bij verdachte [medeverdachte 4] is aangetroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel niet concreet is gebleken hoe die informatie bij [medeverdachte 4] terecht is gekomen, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat die informatie via hem – verdachte – bij [medeverdachte 4] is beland. Het past namelijk in het genoemde patroon. Zo is door verdachte uit Blue View geëxporteerde informatie ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 2] in geprinte vorm in het huis van medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen en is op een vel daarvan een dactyloscopisch spoor van [medeverdachte 2] gevonden. Daaruit blijkt dat in elk geval een deel van die informatie op enig moment in handen van [medeverdachte 2] terecht is gekomen. Verder past het bij het feit dat verdachte op verzoek van twee undercover-agenten bevragingen omtrent hun persoon heeft gedaan in Blue View.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de verklaring van de getuige [vriendin medeverdachte 5/getuige] , dat [medeverdachte 5] verdachte in Nederland heeft geïntroduceerd als iemand van wie men informatie zou kunnen kopen, ondersteunt dit patroon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het verweer van de verdediging dat slechts een bewezenverklaring kan volgen voor de bevragingen in Blue View waarvan daadwerkelijk stukken zijn aangetroffen, wordt door het hof verworpen. Nu verdachte zelf geen aannemelijke verklaring heeft willen geven over concrete, niet in het dossier uitgewerkte bevragingen, acht het hof het voldoende aannemelijk geworden dat verdachte ook buiten de door de Rijksrecherche in het dossier opgenomen gevallen Blue View op grote schaal heeft bevraagd, informatie heeft geëxporteerd en aan onbevoegden heeft verstrekt. Ook dit past volledig in het geschetste patroon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medeplegen De verdediging heeft bepleit dat van het medeplegen schending ambtsgeheim geen sprake kan zijn, nu de geobserveerde contacten in de woning van [medeverdachte 1] in dat verband geen redengevend bewijs opleveren. Niet duidelijk is waarom verdachte zich in die woning bevond en wat er bij die gelegenheid werd besproken, aldus de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Juridisch kader Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte dit feit heeft medegepleegd in de zin van art. 47 eerste lid, sub 1, Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt als toetsingskader het volgende voorop. Op grond van bestendige jurisprudentie voor medeplegen moet daarbij sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en derhalve eerder zien op het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Voor de vraag of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan in dat geval onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beslissingskader zoals dat in het hier voorgaande is weergegeven kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn. Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen. Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. in dezen: HR 02 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij dient in deze zaak betrokken te worden de vraag of er in dit geval sprake kan zijn van medeplegen van overtreding van artikel 272 Sr, een zogenaamd kwaliteitsdelict.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immers, medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] waren niet werkzaam bij de politie, maar waren ‘burgers’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is, samen met de rechtbank, van oordeel dat voor een veroordeling wegens het medeplegen van een kwaliteitsdelict voldoende is dat één van de deelnemers over de kwaliteit beschikt en dat de anderen daar weet van hadden. In casu was daarvan bij medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] Anders dan de rechtbank acht het hof het medeplegen van schending van het ambtsgeheim door [verdachte] , tezamen met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] niet bewezen. Hoewel is gebleken dat verdachte de namen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] veelvuldig raadpleegde en abonnementen in Blue View op hen had lopen en er vertrouwelijke informatie uit dat systeem door verdachte is geëxporteerd en bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] terecht is gekomen, al dan niet op hun verzoek, is er geen wettig en overtuigend bewijs dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] aan dit strafbare feit door verdachte hebben deelgenomen in de vorm van medeplegen. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier onvoldoende bewijs dat tussen verdachte, [verdachte] en andere personen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] van voldoende gewicht was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medeverdachte [medeverdachte 1] Ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 1] , overweegt het hof als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de bovenstaande feiten en omstandigheden blijkt in de eerste plaats dat [medeverdachte 1] voldoende wetenschap had van de 'kwaliteit' van [verdachte] , namelijk dat hij politie-agent was. Daarnaast is in het vorenstaande het volgende naar voren gekomen.Uit de observaties van 29 juli 2015 blijkt dat verdachte meerijdt in de Ford Mondeo van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] haalt verdachte op vanaf een terras naar zijn verblijfplaats aan de [adres 4] . Ook [medeverdachte 3] verklaart vaker in deze woning te zijn geweest, waarbij hij verdachte en [medeverdachte 1] dan samen op de bank aantrof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 29 september 2015 werd achter een afgesloten schot onder de trap op de verblijfplaats van [medeverdachte 1] [adres 4] ) een verborgen bundel documenten in beslag genomen van in totaal 167 pagina's met informatie over vele subjecten. Dit bleek te gaan om bewerkte Blue View producten, welke mutaties door verdachte op 12 augustus 2015 zijn bevraagd en vervolgens zijn er 152 mutaties uit Blue View geëxporteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 1 september 2015 werd gezien dat verdachte opnieuw meerijdt in de Ford Mondeo van [medeverdachte 1] om vervolgens naar de woning aan de [adres 4] te gaan. Enige tijd later verlaat verdachte de woning en stapt hij wederom in bij [medeverdachte 1] als bijrijder in de Ford Mondeo. Bergaster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 1 september 2015 zijn er twee externe gegevensdragers aangesloten geweest op de computer van [medeverdachte 1] . Uit de linkfiles op die computer kan worden afgeleid dat op één van die gegevensdragers op die computer bestanden zijn geopend. In totaal zijn er 27 fragmenten tekst gevonden in de computer van [medeverdachte 1] , onder meer 4 fragmenten op de KENO [medeverdachte 2] en 9 fragmenten op het onderzoek Fuut.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 30 september 2015 werd in de garage van de [adres 4] in een plastic tas een briefje gevonden met de gegevens van [medeverdachte 22] . Gelijkluidende gegevens worden aangetroffen in een plastic bakje in een kastje in de woning van verdachte in Weert. Door verdachte wordt de KENO van deze persoon veelvuldig gezocht, een abonnement afgesloten en de registraties worden meermaals geëxporteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van de in de bergplaats gevonden documenten met daarop getypt ‘ [medeverdachte 22] ’ en handgeschreven ‘AB’, gaan over de persoon [medeverdachte 22] en is afkomstig uit mutaties in de bovengenoemde registratie die door verdachte op verschillende tijdstippen is geraadpleegd. In de computer van [medeverdachte 1] zijn in de 'unallocated space' sporen aangetroffen van teksten die te herleiden zijn naar één van deze mutaties. Deze mutatie betreft een proces-verbaal dat is gesloten op 24 augustus 2015. Op 25 augustus 2015 is de mutatie in Blue View geraadpleegd en geëxporteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze feiten en omstandigheden blijkt dat [medeverdachte 1] een bepalende rol had bij het schenden van het ambtsgeheim door verdachte ten behoeve van derden, onder meer met betrekking tot vertrouwelijke politie-informatie betreffende de onderzoeken Fuut en Bergaster. [medeverdachte 1] stelde niet alleen zijn woning beschikbaar als ontmoetingsplek, hij verborg ook vertrouwelijke politie-informatie van verdachte op een geheime bergplaats, hij gebruikte zijn computer om informatie te lezen en/of te bewerken of liet zijn computer daarvoor gebruiken, hij maakte het mogelijk dat verdachte en afnemers van de informatie elkaar in zijn woning konden ontmoeten en hij haalde verdachte daartoe op en bracht hem weer terug. Daarmee was gedurende die maanden sprake een intensieve samenwerking tussen beiden. De onderlinge taakverdeling was zo dat verdachte zorgde voor de gegevens en [medeverdachte 1] hielp met de verspreiding van die gegevens zodat onbevoegden daarvan kennis konden nemen. Daardoor hielp [medeverdachte 1] verdachte met de afhandeling van het delict, de schending van zijn ambtsgeheim. Gelet daarop is er naar het oordeel van het hof sprake van een bewuste en nauwe samenwerking van voldoende gewicht tussen de verdachte en [medeverdachte 1] . De rol van [medeverdachte 1] vormde immers een wezenlijke bijdrage in het geheel van handelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert dan ook op grond van het bovenstaande dat verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het gedurende langere tijd bij herhaling schenden van het ambtsgeheim.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot feit 2: computervredebreuk De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat dit feit bewezen kan worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij – kort gezegd – het volgende aangevoerd. Er is geen sprake van het zogenaamd ‘hacken’ zoals bedoeld in artikel 138ab Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft het begrip ‘binnendringen’ verkeerd uitgelegd. Dit artikel strekt zich namelijk niet tot de bescherming van de (inhoud van) gegevens, maar is bedoeld om het binnendringen op zich strafbaar te stellen. Dit blijkt des te meer uit het nieuwe artikel 138c Wetboek van Strafrecht, in welk artikel het met rechtmatig toegang wederrechtelijk overnemen van gegevens strafbaar is gesteld. Van dergelijk binnendringen is thans geen sprake, nu verdachte beschikte over een rechtmatige 'sleutel', te weten zijn accreditatie om Blue View te raadplegen. Bovendien is geen sprake van een valse hoedanigheid, doorbreken van beveiliging of technische ingreep van de zijde van verdachte, aldus de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt, onder verwijzing naar artikel 80sexies Sr zoals geldend ten tijde van het tenlastegelegde, samen met de rechtbank vast dat – zoals bij de bespreking van feit 1 aan de orde is geweest – het Blue View systeem een geautomatiseerd werk is, in casu zijnde een digitaal verzamelsysteem dat door politieambtenaren in de uitoefening van hun politietaak kan worden geraadpleegd mits zij daarvoor zijn geaccrediteerd en beschikken over een autorisatie. Er moeten om in het beveiligde systeem te komen een gebruikersnaam (dienstnummer) en wachtwoord worden gegeven. Verdachte beschikte over een zodanige autorisatie vanaf 29 augustus 2011 tot zijn aanhouding op 29 september 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt omtrent het verweer dat verdachte rechtmatig beschikte over een autorisatie waarmee hij Blue View kon raadplegen en dat daarmee geen veroordeling ter zake van het onder 2 tenlastegelegde kan volgen, als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wetsartikel omtrent computervredebreuk luidt – voor zover in casu van toepassing – als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 138ab 1. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren geldboete van de vierde categorie wordt, als schuldig aan computervredebreuk, gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk binnendringt in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan. Van binnendringen is in ieder geval sprake indien de toegang tot het werk wordt verworven: a. door het doorbreken van een beveiliging, b. door een technische ingreep, c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel, of d. door het aannemen van een valse hoedanigheid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft computervredebreuk, indien de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt, aftapt of opneemt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het schenden van artikel 138ab Sr was tot de inwerkingtreding van de Wet kraken en leegstand (Stb. 2010, 320) tot 1 oktober 2010 geregeld in art. 138a Sr. Op grond van de parlementaire stukken kan ter zake van het huidige art. 138ab Sr – het toenmalige art. 138a Sr – het volgende worden opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafbaarstelling van art. 138ab Sr beschermt degene die blijkens feitelijke beveiliging heeft duidelijk gemaakt dat hij zijn gegevens heeft willen afschermen tegen nieuwsgierige blikken door het systeem daartegen te beveiligen. De bescherming van gerechtvaardigde belangen van houders van gegevensbestanden die, opgeslagen in computers, vooral via de telecommunicatie-infrastructuur voor onbevoegde blikken toegankelijk zijn, wordt via deze strafbaarstelling geboden doordat het doorbreken van een aangebrachte beveiliging wordt strafbaar gesteld. Daarbij is aansluiting gezocht bij de bestaande strafbaarstelling betreffende de huisvredebreuk. De eisen rondom wederrechtelijke binnendringing zijn in de sfeer van de informatietechniek in deze strafbaarstelling vertaald in het bestanddeel ‘binnendringen’, inhoudende dat een beveiliging moet zijn doorbroken. In de Memorie van Toelichting is hierover opgenomen: ‘Het gaat er om dat de degeen die de computer binnendringt door het doorbreken van de beveiliging, heeft blijk gegeven de wetenschap te hebben gehad dat hij een beveiligd systeem binnendringt en doelbewust enige inspanning heeft gedaan de beveiliging te doorbreken’ (vgl. Kamerstukken II 1989/90, 21 551, nr. 3, p. 16).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aangehaalde lid 1 van artikel 138ab Sr geeft aan dat van ‘binnendringen’ in ieder geval sprake is indien de toegang tot het werk wordt verworven met behulp van een valse sleutel of door het aannemen van een valse hoedanigheid. In de Kamerstukken van het toenmalige wetsvoorstel wordt over het bestanddeel ‘valse sleutel’ weergegeven dat een password een sleutel is die de gebruiker toegang geeft tot het systeem of tot een deel daarvan. Daarbij werd aangehaald dat de Hoge Raad in zijn arrest van 20 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9359, NJ 1987/130) heeft bepaald dat een huissleutel die wordt gebruikt tot opening van een slot door iemand die daartoe niet is gerechtigd, een valse sleutel is en dat niet is vereist dat ten aanzien van de sleutel enige beveiligingsmaatregel is genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar artikel 90 Sr, waarin geen definitie van het begrip ‘valse sleutels’ wordt gegeven maar enkel wordt aangegeven wat onder het begrip dient te worden begrepen (‘alle tot opening van het slot niet bestemde werktuigen’) – waarbij de wetgever heeft aangegeven dat “(O)nverschillig (is) of het werktuig al of niet een sleutel, zoo het slechts niet die sleutel is, die voor opening van dat slot bestemd is.” (zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Deel I, tweede druk, p. 544) – stelt het hof dat de jurisprudentie van de Hoge Raad verder ter zake van ‘valse sleutel’ heeft uitgemaakt dat ook onrechtmatig gebruik van bijvoorbeeld een bankpas of een tankpas kan worden aangemerkt als het gebruik maken van een ‘valse sleutel’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders gezegd: de Hoge Raad geeft een ruime uitleg aan het begrip ‘valse sleutels’ waarbij ook gebruik door een onbevoegde als een ‘valse sleutel’ kan worden aangemerkt (vgl. CAG Knigge in ECLI:NL:PHR:2017:1012 onder verwijzing naar HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2546).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de uitleg in de genoemde bepaling ter zake van het bestanddeel ‘valse hoedanigheid wijst het hof op de uitleg die de Hoge Raad daaraan geeft in zijn overzichtsarrest van 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158, m.nt. Keijzer, rov. 2.3.4. De Hoge Raad heeft ter zake van het aannemen van een valse hoedanigheid overwogen dat het daarbij in de kern gaat om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de 'persoon' van de verdachte wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daarbij heeft de Hoge Raad specifiek aangegeven dat de in de rechtspraak wel gebruikte formulering dat een verdachte zich als een 'bonafide' deelnemer aan het rechtsverkeer heeft gepresenteerd, met betrekking tot het aannemen van een valse hoedanigheid slechts relevant is als zo een presentatie als bonafide (potentiële) wederpartij berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft op enig moment, namelijk toen hij werkzaam zou worden bij de Nationale Recherche toegang gekregen tot het beveiligde Blue View systeem. Om Blue View te kunnen raadplegen, heeft verdachte moeten inloggen met een gebruikersnaam (zijn dienstnummer) en een wachtwoord. Daarmee verkreeg verdachte ook de bevoegdheid om de resultaten van bevragingen te kunnen exporteren als PDF of Excel-bestand en op te slaan op een bijvoorbeeld een externe opslagplaats, zoals een USB stick. Verdachte werd daarbij uitdrukkelijk via het systeem gewaarschuwd dat oneigenlijk gebruik dan wel misbruik van deze gegevens, waaronder het verstrekken van deze gegevens aan derden welke niet de vereiste autorisatie bezitten, ten strengste verboden was. Zoals hierboven weergegeven zijn deze werkzaamheden spoedig gestaakt omdat hij geen “Verklaring van geen bezwaar” verkreeg. Desalniettemin heeft verdachte nog jaren dit systeem ingezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof oordeelt dat verdachte op grond van de in het voorgaande weergegeven feiten en omstandigheden het beveiligde politiesysteem Blue View, dat hij in het kader van zijn specifieke werkzaamheden als politieambtenaar op die betreffende gegevens niet behoefde en niet behoorde in te zien, heeft misbruikt om informatie/gegevens over criminelen in te zien, deze informatie/gegevens over te nemen en deze informatie/gegevens ook aan deze criminelen te verstrekken. Hij is met behulp van de aan hem toegekende autorisatie het systeem Blue View opzettelijk en wederrechtelijk binnengedrongen om inzage te krijgen van gegevens waar hij niet toe bevoegd was en vervolgens deze over te nemen. Door op deze wijze de betreffende gegevens in te zien en over te nemen, heeft verdachte, wetende dat het een beveiligd systeem betrof, doelbewust de beveiliging van dit systeem doorbroken en is hij derhalve het systeem binnengedrongen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij heeft zich daarbij bediend van een valse sleutel en het aannemen van een valse hoedanigheid. Verdachte heeft immers weliswaar geautoriseerd maar onbevoegd ter zake van de betreffende gegevens zich opzettelijk en wederrechtelijk de toegang verschaft tot het systeem Blue View. Daarbij was aan verdachte de autorisatie verstrekt om het systeem te raadplegen om in het kader van zijn werk als politieambtenaar naspeuringen te verrichten, maar niet om daarmee informatie in te winnen en dit aan criminelen te verstrekken waardoor deze zich aan die naspeuringen konden onttrekken. Tevens heeft verdachte in de context van zijn handelen als politieambtenaar voldoende specifieke gedragingen verricht om een onjuiste voorstelling van zaken in het leven roepen met betrekking tot de hoedanigheid van de 'persoon' van de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte heeft namelijk onder de voorstelling van de hoedanigheid van een persoon die gerechtigd was om op grond van zijn werkzaamheden inzage in de betreffende gegevens te mogen verrichten, zich de toegang verschaft tot het systeem Blue View, teneinde daarvan misbruik te maken. Verdachte bevroeg vele personen in het Blue View systeem zonder dat is gebleken dat daartoe in de uitoefening van zijn politietaak enige aanleiding bestond. Zowel de collega’s van verdachte als de maatschappij mocht erop vertrouwen – mede gelet de aard en de functie van verdachte en de ambtseed die hij heeft moeten afleggen – dat zij te maken hadden met een betrouwbare en onkreukbare ambtenaar. Verdachte heeft echter op bedrieglijke wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van en in de politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de verdediging is het hof van mening dat de strafbaarstelling opgenomen in artikel 138c Sr geen inbreuk maakt op een mogelijke bewezenverklaring van hetgeen aan verdachte onder 2 is tenlastegelegd en strafbaar is gesteld onder artikel 138ab Sr. De wetgever heeft in artikel 138c Sr strafbaar gesteld het opzettelijk en wederrechtelijk voor zichzelf of voor een ander overnemen van niet-openbare gegevens die zijn opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk. De bepaling is vooral van belang voor gevallen waarin de dader rechtmatige toegang heeft tot de gegevens, maar deze wederrechtelijk overneemt (vgl. Kamerstukken II 2015/16, 34 372, nr. 3, p. 64). In de onderhavige zaak had verdachte weliswaar autorisatie om toegang te krijgen tot het systeem Blue View, maar hij was niet bevoegd tot het inzien en overnemen van de gegevens waar het in de onderhavige strafzaak om gaat. Verdachte heeft derhalve met behulp van de aan hem toegekende autorisatie het systeem Blue View opzettelijk en wederrechtelijk binnengedrongen om inzage te krijgen van gegevens waar hij niet toe bevoegd was en vervolgens deze overgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is dan ook van oordeel dat de tenlastegelegde computervredebreuk bewezen kan worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot feit 3: omkoping Onder feit 3 is verdachte – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij als politieambtenaar geld en/of beloftes heeft aangenomen, dan wel gevraagd om hem ertoe te bewegen in strijd met zijn plicht vertrouwelijke informatie te verstrekken aan daartoe niet gerechtigde derden. Daarmee zou hij zich schuldig hebben gemaakt aan (passieve) omkoping.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft zich op de gronden als verwoord in het schriftelijk requisitoir op het standpunt gesteld dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, inclusief het aannemen van giften, te weten geldbedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft van dit feit vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de algemene overweging uit het zogenoemde Mr. Big-arrest van de Hoge Raad, inhoudende dat naast verslaglegging door middel van verbalisering het in de rede ligt dat die communicatie auditief of audiovisueel wordt geregistreerd, ook in de onderhavige zaak van toepassing moet zijn. Temeer nu: er twijfels bestaan over wie de frase ‘investeren in de toekomst’ zou hebben gezegd; de waarnemingen van verbalisanten A-3869 en A-3870 niet nauwkeurig zijn geverbaliseerd; de processen-verbaal gezamenlijk zijn opgemaakt en later dan gebruikelijk zijn ondertekend; er ongeoorloofde druk op verdachte is uitgeoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebrek aan auditieve of audiovisuele opnamen waardoor verificatie of falsificatie van het WOD-traject onmogelijk is geworden terwijl deze formele en materiële gebreken kent, gecombineerd met de voorgaande omstandigheden, maken dat – naar de mening van de verdediging – de resultaten uit het WOD-traject niet gebruikt zouden moeten worden bij een eventuele bewijsconstructie. Het deel op grond waarvan blijkt dat verdachte pertinent geen geldelijke tegenprestatie wilde ontvangen, wordt door de verdediging niet betwist. Nu verdachte geen geld wilde aannemen van de verbalisanten en verder alleen een volstrekt ondefinieerbare uitlating aangaande een onzekere toekomst overblijft, is geen sprake van een tegenprestatie, aldus de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt hieromtrent als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partiële vrijspraak: aannemen van geldbedragen en vragen van een gift/belofte/dienst Met betrekking tot het aannemen van geld overweegt het hof, in navolging van de rechtbank, het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder feit 1 heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte geheime politie-informatie heeft opgevraagd in Blue View en deze gegevens heeft verstrekt aan daartoe niet-gerechtigde derden. In sommige gevallen betrof dit verdachten in grootschalige opsporingsonderzoeken. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat verdachte voor de bewezen diensten is betaald. Strafrechtelijk bewijs dient echter niet te zijn gebaseerd op vermoedens en veronderstellingen, maar op wettige bewijsmiddelen. Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende wettig bewijs dat verdachte geld is betaald of aangeboden voor het verstrekken van de politie-informatie. Verdachte heeft hieromtrent zelf niet willen verklaren, er zijn geen verklaringen van medeverdachten die hem op dit punt belasten en ook de ingezette bijzondere opsporingsmiddelen hebben geen bewijs van betaling of het aanbieden van geldbedragen opgeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft in hoger beroep nogmaals gewezen op de verklaring van getuige C. [vriendin medeverdachte 5/getuige] . Zij heeft verklaard van medeverdachte [medeverdachte 5] te hebben gehoord dat criminelen van verdachte informatie kopen. Ook zou [medeverdachte 5] haar in 2014 hebben verteld dat hij ‘weer 800 euro moet betalen om die informatie te krijgen’. Volgens de advocaat-generaal doelde [vriendin medeverdachte 5/getuige] daarbij op informatieverstrekking van verdachte aan [medeverdachte 5] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat verdachte aan [medeverdachte 5] persoonsgegevens heeft verstrekt ten behoeve van het aanmaken van een KENO, waarmee verdachte gedurende langere tijd verschillende malen in Blue View zonder legitieme reden bevragingen heeft gedaan op de persoon van [medeverdachte 5] , alsmede dat verdachte een abonnement heeft gehad op de persoon van [medeverdachte 5] in dat systeem. De door verdachte aldus opgevraagde vertrouwelijke informatie is blijkens de verklaringen van [vriendin medeverdachte 5/getuige] , haar moeder [getuige 4] en [medewerker politie/getuige] ook bij [medeverdachte 5] terechtgekomen, terwijl [medeverdachte 5] daartoe niet gerechtigd was. Verdachte heeft aldus gehandeld in strijd zijn met geheimhoudingsplicht en ambtseed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de verklaringen van [vriendin medeverdachte 5/getuige] en haar moeder [getuige 4] blijkt voorts dat [medeverdachte 5] voor die informatie aan verdachte heeft betaald. Daarbij overweegt het hof dat de verklaringen van [vriendin medeverdachte 5/getuige] en haar moeder [getuige 4] , worden ondersteund door een afgeluisterd telefoongesprek tussen hen beiden en niet op zichzelf staan, maar tevens worden ondersteund door het feit dat uit het systeem blijkt dat door verdachte in de betreffende periode daadwerkelijk bevragingen zijn gedaan op [medeverdachte 5] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft de advocaat-generaal betoogd dat verdachte over een onverklaarbaar vermogen zou beschikken. Het hof zal onder feit 5 nader ingaan op dit onverklaarbare vermogen. In ieder geval is naar het oordeel van het hof geen sprake van een vermogen verkregen uit eigen misdrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat de omvang van de handelingen van verdachte (te weten het grote aantal door hem afgesloten en telkens verlengde abonnementen en de grote hoeveelheid aan informatie die hij uit de systemen heeft gehaald), alsmede de ontmoetingen tussen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de bij [medeverdachte 1] aangetroffen politie-informatie naast het vermogen van ruim € 235.000,- aanwijzingen vormen dat verdachte is betaald voor zijn handelingen. Hoewel deze omstandigheden inderdaad aanwijzingen daarvan zouden kunnen zijn, blijft het daar naar het oordeel van het hof ook bij. Wettig en overtuigend bewijs voor de betalingen aan verdachte ontbreekt. Nu wettig bewijs van het betalen of aanbieden van geldbedragen ontbreekt, rest het hof maar één conclusie: verdachte dient van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal verdachte eveneens vrijspreken voor het onder feit 3 cumulatief onderdeel tenlastegelegde dat ziet op hetgeen is strafbaar gesteld onder artikel 363 lid 1, onder sub 2, 3 en 4 Sr. De advocaat-generaal is zelf niet nader ingegaan op deze in artikel 363 lid 1 Sr strafbaar gestelde onderdelen van het delict. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden opgemaakt dat verdachte een gift of belofte dan wel een dienst heeft aangenomen of gevraagd, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden werd ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten, noch dat hij een gift of belofte dan wel een dienst heeft gevraagd teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewezenverklaring: aannemen van een belofte De tenlastelegging is op dit onderdeel toegesneden op de contacten die politie-informanten in het kader van het Werken onder Dekmantel (WOD) hebben gelegd met verdachte tijdens diens vakantie op Curaçao van 15 september 2015 tot en met 26 september 2015. De wettelijke grondslag van dit WOD-traject was gelegen in het bevel stelselmatige inwinning van informatie van 7 september 2015 (ex artikel 126j Sv van 7 september 2015 en artikel 177o Sv Curaçao) en op een bevel pseudokoop van 7 september 2015 (ex artikel 126i Sv en artikel 177n Sv Curaçao). In het bevel pseudokoop staat dat ‘getracht zal worden in contact met verdachte te komen om te bezien of hij gegevens afkomstig uit politieonderzoeken en/of geautomatiseerde politiesystemen, al dan niet tegen een tegenprestatie, zou kunnen en willen leveren’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het WOD-traject werd uitgevoerd door twee informanten, A-3869 en A-3870, onder begeleiding van B-2464. De informanten maakten contact met verdachte en zijn toenmalige echtgenote op 15 september 2015 tijdens de vlucht naar Curaçao. Op Curaçao hadden ze geregeld contact met verdachte en zijn echtgenote. Onder feit 1 is reeds bewezen verklaard dat verdachte enkele dagen na terugkeer uit Curaçao in Nederland geheime gegevens uit de Blue View heeft verstrekt aan informant A-3869.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de processen-verbaal van informant A-3869 (deels mede ondertekend door informant A-3870) is het volgende gerelateerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 18 september 2015 raakt verdachte in gesprek met informant A-3869 en vertelt dat hij zich bezighoudt met het opzetten van bedrijven in de Oekraïne, met name gericht op telefoons met encryptie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 23 september 2015 zegt verdachte tegen A-3869 dat hij speciale, niet afluisterbare encrypted telefoons aan hem zou kunnen leveren. De informant zegt dan dat hij wel zou willen weten wat er over hem in de politiecomputer staat. Dan zou verdachte weten met wie hij te maken had en zou verdachte nog kunnen besluiten om van een eventuele deal met betrekking tot de telefoons af te zien. De informant wijst verdachte op een tas met daarin 400 dollar en verklaart hem later nog eens 500 euro te kunnen betalen voor de te verstrekken informatie. De informanten hebben hierover het volgende gerelateerd: ‘Vervolgens zei [verdachte] [het hof begrijpt: verdachte] dat hij geen geld wil, maar het als een investering ziet in de toekomst. Ik vulde hem aan ... Je doelt op de aankoop van mij bij jou van 52 telefoons?’ [verdachte] reageerde met: ‘nee, 56’. (We hebben in een eerder gesprek samen een optelling gedaan van het aantal encrypted telefoons dat ik in eerste instantie nodig zou hebben.) Wij, A-3869 en A-3870, hoorden dat [verdachte] zei: ‘schrijf je naam en geboortedatum maar op, dan zie ik wel wat ik kan doen’. En kort daarna zegt hij: ‘Je moet echt mee naar Kiev komen, ik zie daar een hoop mogelijkheden voor jou en je diamanten’.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-3869 heeft op 25 september 2015 aan verdachte de namen en geboortedata van twee gefingeerde personen (zie hierboven onder feit 1) doorgegeven met het verzoek deze personen na te trekken in het politiesysteem. Verdachte stemde daarmee in. Verdachte vroeg ook naar het e-mailadres van de informant en zei dat hij hem zou mailen als het encryptiesysteem van de telefoons klaar zou zijn. Hij had nog twee maanden nodig om het systeem en de telefoons klaar te hebben. ‘Wij spraken vervolgens over de telefoons die [verdachte] aan mij zou kunnen leveren en de kosten daarvan inclusief de server. [verdachte] vertelde dat hoe meer er afgenomen werden, hoe lager de prijs zou zijn. Hij zei dat hij een voorlopige prijs zou maken en wat gegevens (...) in een e-mail naar mij zou sturen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afgesproken werd dat verdachte na terugkeer in Nederland de gevraagde gegevens uit de politiesystemen aan de informant zou verstrekken. Informant A-3869 vroeg verdachte hoe hij de betaling zag voor het zoeken naar informatie in de politiecomputer. Verdachte antwoordde dat hij ‘onze samenwerking in de toekomst als een investering zag’, aldus informant A-3869.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 28 september neemt A-3869 per sms-bericht contact op met verdachte en spreken ze af elkaar te ontmoeten in Best. Verdachte deelt de informant mee wat hij over hem en de tweede persoon in de politiesystemen heeft gevonden aan lopend onderzoek en justitiële documentatie. Vervolgens ging het gesprek weer over de telefoons ‘waar ik op Curaçao te kennen had gegeven interesse in te hebben en bij goed functioneren in ieder geval 56 telefoontoestellen à 2000 euro wilde kopen en de daarbij behorende servers ter waarde van enkele honderden euro's per server. (...) Ook begon [verdachte] over het samen met mij zaken doen in Oekraïne op het gebied van diamanten. Ik zou dan eerst een keer samen met hem naar Oekraïne gaan om mij te oriënteren, waarbij hij mij zou introduceren bij een aantal mensen’, aldus informant A-3869. De informant biedt hem ter plaatse 400 dollar aan in ruil voor de door verdachte verstrekte politie-informatie. Verdachte wil het geld niet aannemen ‘en zei dat wat hij voor mij had opgezocht in het politiesysteem, hij ziet het als een investering voor in de toekomst met betrekking tot de telefoondeal in Afrika en het samen zaken doen op gebied van diamanten in Oekraïne’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze processen-verbaal blijkt naar het oordeel van het hof een directe samenhang tussen de bereidheid van de informant om zaken te doen met verdachte en het verstrekken van de politie-informatie door verdachte aan deze informant. Verdachte wist – op z'n minst in de zin van voorwaardelijk opzet – dat de informant diens bereidheid tot zaken doen (mede) toonde om hem ertoe te bewegen vertrouwelijke politie-informatie te verstrekken. Door in te gaan op die bereidheid heeft verdachte een belofte, in de zin van een in het vooruitzicht gesteld toekomstig voordeel, aangenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de overtuiging dat verdachte de belofte heeft aangenomen draagt bij dat niet goed denkbaar is dat verdachte geheel vrijblijvend zijn ambtsgeheim zou schenden zonder daarvoor een tegenprestatie te verlangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft een aantal verweren gevoerd met betrekking tot het WOD-traject en heeft geconcludeerd dat de bevindingen van dat traject niet tot het bewijs kunnen dienen. Allereerst heeft zij aangevoerd dat de algemene overweging uit het Mr. Big-arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:1982), inhoudende dat naast verslaglegging door middel van verbalisering het in de rede ligt dat die communicatie auditief of audiovisueel wordt geregistreerd (rov. 5.2.2.), ook in de onderhavige zaak van toepassing moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Uit het bevel pseudokoop blijkt dat in het WOD-traject geprobeerd zou worden om in contact te komen met verdachte om te bezien of hij gegevens afkomstig uit politieonderzoeken en/of geautomatiseerde politiesystemen, al dan niet tegen een tegenprestatie, zou kunnen en willen leveren. Het bevel stelstelmatig inwinnen beschrijft dat dit bevel bedoeld is om contact te leggen en/of te onderhouden met verdachte teneinde op deze wijze met oog op de opsporing van voormelde misdrijf/misdrijven systematisch en/of gericht informatie in te winnen over verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de hiervoor omschreven werkwijze van informanten A-3869 en A-3870 komt naar voren dat hun inzet met name beoogde om van verdachte geheime politie informatie over de twee gefingeerde personen te ontvangen. Uit de manier waarop de informanten te werk gingen, namelijk als zogenaamde undercovers, blijkt dat er naar het oordeel van het hof geen sprake is van een situatie als in het Mr. Big-arrest. In zijn algemeenheid gaat het bij de opsporingsmethode ‘Mr. Big’ als volgt. Er is, net als bij de onderhavige zaak, wel sprake van de inzet van zogenaamde undercovers, maar deze informanten zijn werkzaam in een door justitie opgezette ‘nep’(-criminele) organisatie. Deze organisatie kent een grote baas, de zogenaamde Mr. Big. De verdachte wordt vervolgens in deze ‘nep’(-criminele) organisatie betrokken. Hij begint met het doen van wat kleine klusjes. Na verloop van tijd doet de organisatie de verdachte een aanbod in de vorm van een grote klus. Indien hij deze klus wil aannemen, dient verdachte schoon schip te maken tegenover Mr. Big. Oftewel, verdachte dient op te biechten wat hij op zijn kerfstok heeft, om zo het vertrouwen van de organisatie te winnen en zodat de organisatie hem kan helpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals blijkt uit deze algemene omschrijving van de Mr. Big-opsporingsmethode, wordt door de informanten niet getracht om van verdachte goederen – in het onderhavige geval ‘gegevens afkomstig uit politieonderzoeken en/of geautomatiseerde politiesystemen’ – af te nemen. Het doel van de Mr. Big-opsporingsmethode is het krijgen van een verklaring omtrent een reeds gepleegd feit. Doordat in het onderhavige geval sprake is van de pseudokoop, is – naar het oordeel van het hof – geen sprake van een situatie waarop de overwegingen van de Hoge Raad uit het Mr. Big-arrest van toepassing zijn. Het hof verwerpt dan ook dit verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft de verdediging als verweer gevoerd dat de processen-verbaal van de informanten en de begeleider formele gebreken vertonen. In de processen-verbaal is vermeld dat ze opgemaakt en gesloten zijn op een nader genoemde datum, steeds in september 2015. Vrijwel alle processen-verbaal zijn echter pas ondertekend op een datum in begin november 2015, in een enkel geval zelfs begin december 2015. Daar komt bij dat in sommige gevallen een proces-verbaal is ondertekend door de beide informanten. Onduidelijk is waarom niet is gekozen voor per informant apart opgemaakte processen-verbaal, aldus de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwerpt dit verweer. Begeleider B-2464 heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de informanten hem op Curaçao elke dag mondeling informeerden over wat er die dag was voorgevallen. De tijdsspanne tussen het einde van een inzet op een dag en de debriefing was maximaal enkele uren. B-2464 legde de bevindingen digitaal vast en gebruikte het digitale bestand dan later voor het opmaken van een proces-verbaal. Als de beide informanten gezamenlijk iets constateerden, dan maakten zij samen een proces-verbaal op; als ze afzonderlijk iets bevonden, dan maakten ze ieder voor zich een proces-verbaal op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informant A-3869 heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij zo snel mogelijk zijn bevindingen vastlegde in notities. Aan de hand daarvan maakte hij dan zo snel mogelijk proces-verbaal op.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een proces-verbaal van 12 april 2017 heeft mr. F.A. Claassens, als jurist werkzaam bij de afdeling Afgeschermde Operaties van de landelijke eenheid van de politie, gerelateerd dat iemand die werkt bij het team WOD een opgemaakt proces-verbaal opslaat in een afgeschermde digitale omgeving. Pas op het moment dat het WOD-dossier wordt overgedragen aan het onderzoeksteam van de politie worden de processen-verbaal geprint en ondertekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hierboven geschetste gang van zaken bij het opmaken en ondertekenen van processen-verbaal geeft het hof geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de inhoud van de processen-verbaal van de informanten en hun begeleider. Het hof verwerpt dit verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 27 maart 2017 heeft verdachte een notitie overgelegd, waarin hij in detail de door de informanten geverbaliseerde lezing van de gang van zaken betwist. Dit twistpunt heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep op 20 april 2020 nogmaals naar voren gebracht. Volgens verdachte heeft niet hijzelf, maar de informant steeds gesproken over een ‘investering in de toekomst’. De link met de aankoop van 52 encrypted telefoons is volgens verdachte in de gesprekken met de informant niet gelegd. Verdachte betwist ook dat bij het verstrekken van de politie-informatie na terugkeer uit Curaçao is gesproken over een telefoondeal en zaken doen in diamanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet, evenals de rechtbank, echter geen aanleiding op deze onderdelen te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de processen-verbaal van de informanten. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informant A-3869 heeft op ambtseed geverbaliseerd dat verdachte op drie momenten – te weten op 23, 25 en 28 september 2015 – heeft gezegd dat hij het verstrekken van politie-informatie ziet als een investering in de toekomst. Als de lezing van verdachte wordt gevolgd, dan zou de informant dus tot drie keer toe op dit essentiële onderdeel het gesprek met verdachte op ambtseed onjuist hebben weergegeven. Dat is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk. Bovendien heeft informant A-3869 in zijn verhoor bij de rechter-commissaris onder ede nogmaals bevestigd dat verdachte zelf degene is geweest die de bewuste uitdrukking heeft gebruikt. Over het gesprek op 23 september 2015 verklaart de informant bij de rechter-commissaris: ‘Zoals het in mijn proces-verbaal staat is het correct.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb het woord toekomst niet gebruikt. [verdachte] zei als eerste tegen mij dat hij geen geld aannam, maar het zag als een investering in de toekomst’. Over het gesprek op 28 september 2015 verklaart de informant: ‘Hij heeft wel degelijk gezegd dat het ging om een investering in de toekomst. Hij heeft dit gezegd in relatie tot de telefoondeal en de handel in diamanten. Hij had mij meerdere keren gevraagd om samen met hem een handel te beginnen in diamanten te Oekraïne’. In het proces-verbaal van bevindingen van B-2464 relateert de begeleider ook over het gesprek van 23 september 2015 ‘dat A-3869 en A-3870 [verdachte] hoorden zeggen dat hij er nu geen geld voor wilde, maar het meer zag als een investering in hun toekomst’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerkelijk is nog dat verdachte volgens de door hem zelf gegeven lezing van de gang van zaken op de door de informant gebruikte term ‘investering in de toekomst’ niet afwijzend reageert, maar zowel op 23 als op 28 september 2015 antwoordt met ‘ja zoiets’. Dit terwijl hij het aanbod van betaling van geld wel steeds stellig afwijst. Het hof verwerpt dit verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft in dit verband nog ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep gewezen op tegenstrijdigheden in de verklaringen van de informanten en hun begeleider tijdens hun verhoren bij de rechter-commissaris. Met name gaven zij uiteenlopende antwoorden op de vraag of tijdens het WOD-traject sprake was van een vooraf besproken strategie of dat er meer improviserend werd geopereerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof doet dit echter niet af aan de conclusie dat op essentiële onderdelen de processen-verbaal van de informanten en hun begeleider een betrouwbare weergave van de gang van zaken tijdens het WOD-traject bevatten. Het hof verwerpt dan ook het gevoerde betrouwbaarheidsverweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte heeft de verdediging als verweer gevoerd dat verdachte onder druk is gezet om de politie-informatie te verstrekken en geld aan te nemen. Met name heeft de verdediging gewezen op de inzet van de politie-informanten op 23 september 2015. Die dag zou informant A-3869 in een zeer kort tijdsbestek negen argumenten hebben aangevoerd om verdachte over te halen vertrouwelijke politie-informatie te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt hierover, overeenkomstig de rechtbank, als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 126i Sv is de pseudokoop en pseudodienstverlening wettelijk geregeld. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de opsporingsambtenaar bij de tenuitvoerlegging van het bevel een verdachte niet mag brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht. Dit is overigens tevens opgenomen in het bevel pseudokoop. Het hof dient te beoordelen of aan dit zogeheten Tallon-criterium is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Allereerst stelt het hof hiertoe vast dat onder feit 1 en 2 bewezen is verklaard dat verdachte zich vóór zijn verblijf in Curaçao al geruime tijd op grote schaal schuldig had gemaakt aan schending van het ambtsgeheim en computervredebreuk. Het verstrekken van politiegegevens aan de informant past dus in een al enkele jaren bestaand delictpatroon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is het hof niet gebleken dat de informanten een zo grote druk op verdachte hebben uitgeoefend dat hij hieraan geen weerstand kon bieden. In het gesprek tussen verdachte en informant A-3869 op 23 september 2015 probeert de informant verdachte over te halen politie-informatie te verstrekken. De argumenten die de informant daarvoor aanvoert zijn naar het oordeel van het hof niet van dien aard dat daaruit blijkt dat verdachte onder grote druk werd gezet. Verdachte noemt zelf als voorbeeld van een ‘psychologisch drukmiddel’ dat de informant hem op 23 september 2015 aanbood een bezoek aan de dolfijnen voor verdachte en zijn vrouw te betalen, een bedrag van 400 dollar. Het hof stelt evenwel vast dat verdachte zich vrij voelde dit aanbod te weigeren, evenals het direct daarna gedane aanbod om later nog eens 500 euro te ontvangen voor de verstrekte politie-informatie. Bovendien voelt verdachte zich vrij om te spreken van een investering in de toekomst. Ook bij de verstrekking van de politiegegevens bij terugkeer in Nederland weigert verdachte het aangeboden geld te accepteren. Ook toen was de druk op verdachte blijkbaar niet zo groot dat hij het aanbod van betaling niet kon weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelf heeft hij in eerder genoemde notitie verklaard dat hij zich overrompeld voelde door het aanbod van de betaling van het bezoek aan de dolfijnen. Toen hij uiteindelijk akkoord ging met het verstrekken van de politiegegevens ‘besefte ik dat ik mij zojuist had vastgelegd aan iets wat ik helemaal niet wilde doen. (...) Ik voelde een bepaalde druk voortkomen uit hem, waardoor ik niet meer terug durfde te komen op ons gesprek. (...) Ik kon niet meer terug. Ik heb dit nooit gewild. Door de druk die door A-3869 en A-3870 werd opgelegd (blijven vragen, meerdere keren, alsook de psychologische truc met de dolfijnen) heb ik mij laten verleiden tot het plegen van een strafbaar feit wat ik nooit had willen plegen.’, aldus verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informant A-3869 heeft bij de rechter-commissaris echter verklaard dat het gesprek op 23 september 2015 plaatsvond in een ontspannen sfeer. Er was volgens de informant ‘niet veel nodig’ om verdachte te overtuigen. Ook als verdachte dat zelf niet zo heeft ervaren, dan nog had hij naar het oordeel van het hof alle gelegenheid bij nader inzien terug te komen op de gedane toezegging. Na zijn vakantie op Curaçao vloog hij op 25 september 2015 terug naar Nederland. Op 28 september 2015 nam informant A-3869 per sms weer contact op met verdachte. Als hij zich al op Curaçao overrompeld voelde, dan had hij bij terugkeer in Nederland nog alle tijd om zich te beraden, terug te komen op zijn toezegging en alsnog te weigeren de gevraagde informatie te verstrekken. In plaats daarvan spreekt hij diezelfde dag met de informant af, raadpleegt de gegevens uit Blue View, koopt een USB-stick bij de Mediamarkt, exporteert de gevraagde gegevens op de USB-stick, verstrekt de gegevens aan de informant en herhaalt dat hij dat ziet als een investering in de toekomst. Bovendien stelde verdachte zelf voor om die dinsdag A-3869 te ontmoeten in de omgeving van Eindhoven. Het initiatief lag daarbij dus bij verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert uit het voorgaande dat is voldaan aan het Tallon-criterium. Het verweer wordt dan ook verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie Het hof komt, evenals de rechtbank, op basis van de bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde voor zover het betreft het aannemen van een belofte en een dienst als bedoeld in artikel 363, eerste lid, sub a Sr. Het hof zal verdachte vrijspreken van de beide overige cumulatief ten laste gelegde feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot feit 5: gewoontewitwassen Aan verdachte is onder 5 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van geldbedragen (‘gewoontewitwassen’) doordat hij steeds contante geldbedragen voorhanden heeft gehad waarmee hij telkens stortingen heeft gedaan op zijn eigen bankrekeningen en op de bankrekening van [bedrijf 1] en waarmee hij contante betalingen heeft verricht terwijl hij wist dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging stelt zich op het standpunt dat het hof, conform de rechtbank, verdachte dient vrij te spreken van het derde gedachtestreepjes (de Porsche Cayenne) en het vierde gedachtestreepje (de BMW750). Voorts heeft zij aangevoerd dat verdachte voldoende heeft onderbouwd waar het zogenaamde onverklaarbare vermogen van ruim € 79.397,47 (het verschil tussen de inkomsten en uitgaven) vandaan komt. Verdachte dient dan ook integraal te worden vrijgesproken van dit feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft zich bij de bewezenverklaring beperkt tot de contante stortingen die in Nederland zijn gedaan, in totaal € 70.422,47. De overige bedragen zijn in België gestort, welk land niet in de tenlastelegging is opgenomen. De advocaat-generaal heeft betoogd dat hij, anders dan de rechtbank, voor wat betreft het onverklaarbare vermogen blijft uitgaan van een bedrag van € 79.381,04. De advocaat-generaal is van oordeel dat de verdachte – ten gevolge van de bij raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [vader verdachte] – voor wat betreft de contante betalingen van € 8.000,00 ten behoeve van de aankoop van de Peugeot 107, dient te worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt hieromtrent als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Juridisch kader Het in artikel 420ter lid 1 Sr opgenomen delict ‘gewoontewitwassen’ is de specialis van het generalis witwas-artikel 420bis Sr. In de onderhavige zaak is de vraag of een brondelict ten grondslag ligt aan het bewezenverklaarde witwassen. Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring voor het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp (in casu: het contante geld) afkomstig is uit een concreet aangeduid misdrijf. Wel is voor een bewezenverklaring ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ is kan – indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf – niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs (vgl. HR 18-12-2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, rov. 2.3.1.-2.4.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat het onderzoek in deze strafzaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat de voorwerpen waarop de witwasgedragingen van verdachte betrekking zouden hebben van enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof dient daarom vast te stellen of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof leidt, samen met de rechtbank, leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Contante stortingen Verdachte heeft in de tenlastegelegde periode contante stortingen verricht op bankrekeningen van hemzelf in Nederland en in België en op de bankrekening van [bedrijf 1] B.V., een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan verdachte enig aandeelhouder en bestuurder was. Omdat in de tenlastelegging niet is opgenomen dat de verweten handelingen ook in België zijn verricht, zal het hof, evenals de rechtbank, zich beperken tot de geldbedragen die zijn gestort op de Nederlandse bankrekening van verdachte met nummer NL32INGB0749990252 (in totaal € 59.692,47) en de geldbedragen die zijn gestort op de bankrekening van [bedrijf 1] met nummer NL15INGB0006858620 (in totaal € 10.600,00) en een money transfer van € 150,00 op 20 juni 2014. In totaal gaat het om een contant geldbedrag van € 70.442,47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte heeft verklaard dat het contante geld waarmee hij de diverse stortingen heeft verricht afkomstig was uit de navolgende bronnen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een contant geldbedrag van in totaal € 60.000,00 dat hem is geleend door zijn voormalige echtgenote [vriendin verdachte] . Verdachte heeft op 1 januari 2014 en 1 januari 2015 overeenkomsten gesloten met [vriendin verdachte] , waarin is vastgelegd dat zij respectievelijk € 35.000,00 en € 25.000,00 leent aan verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een contante investering van € 60.000,00 van de heer [investeerder] . In een (uit de Oekraïne afkomstige) notariële akte d.d. 21 april 2017 is vastgelegd dat de heer [investeerder] verklaart dat hij een bedrag in contanten ter hoogte van € 60.000,00 aan verdachte heeft gegeven als investering in de oprichting van een bedrijf van verdachte, genaamd ‘ [bedrijf 7] ’.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3)</span>Een contant geldbedrag van € 8.000,00 dat verdachte op 3 juni 2015 van zijn ouders heeft ontvangen voor de verkoop van zijn Peugeot 107 aan zijn ouders.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie heeft nader onderzoek verricht naar deze door verdachte gegeven mogelijke bronnen. Het hof zal ze hierna achtereenvolgens bespreken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De leenovereenkomsten van 1 januari 2014 en 1 januari 2015 met [vriendin verdachte] Bij de doorzoeking van de woning van verdachte aan de [adres 2] op 29 september 2015 zijn twee geldleningsovereenkomsten aangetroffen. Het gaat hierbij om:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Een overeenkomst voor een geldlening voor onbepaalde duur tussen verdachte en [vriendin verdachte] van 1 januari 2014, waarbij [vriendin verdachte] aan verdachte een bedrag leent van € 35.000,00. De geldlening is volgens de overeenkomst afgesloten op basis van een rente van 6% op jaarbasis. Op de lening hoeft niet te worden afgelost.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Een overeenkomst voor een geldlening voor onbepaalde duur tussen verdachte en [vriendin verdachte] van 1 januari 2015, waarbij [vriendin verdachte] aan verdachte een bedrag leent van € 25.000,00. De geldlening is volgens de overeenkomst afgesloten onder betaling van een rente van 6% op jaarbasis. Op de lening hoeft niet te worden afgelost.</div>\n<p class=\"lf-p\">Gebleken is dat verdachte op de data van ondertekening van de twee overeenkomsten, te weten 1 januari 2014 en 1 januari 2015, niet in de Oekraïne aanwezig was. De verdachte heeft in hoger beroep verklaard te persisteren bij zijn verklaring in eerste aanleg. Ter terechtzitting in eerste aanleg op 15 januari 2018 heeft verdachte verklaard dat de overeenkomst van 1 januari 2014 is ondertekend in januari 2014 en dat de overeenkomst van 1 januari 2015 is ondertekend in december 2014. De reden dat beide overeenkomsten desondanks zijn gedateerd op de datum van 1 januari zou ermee te maken hebben dat dit eenvoudiger was voor het berekenen van de jaarrente, aldus verdachte. Verdachte heeft eveneens verklaard dat het slechts gaat om overeenkomsten tussen hen onderling, dat zij destijds het een en ander op papier hadden gezet omdat ze toen nog niet gehuwd waren en dat het nooit de intentie is geweest om dit alles strikt formeel vast te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof constateert dat de overeenkomsten in ieder geval op andere data zijn ondertekend dan op de data die in de overeenkomsten zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts constateert het hof dat ter terechtzitting in eerste aanleg op 15 januari 2018 desgevraagd is gebleken dat bij of ten tijde van de echtscheiding in de Oekraïne tussen verdachte en [vriendin verdachte] geen schriftelijke afspraken zijn gemaakt over het al dan niet terugbetalen van de gelden die verdachte volgens de geldleningsovereenkomsten van [vriendin verdachte] zou hebben ontvangen en die hij als gevolg daarvan aan [vriendin verdachte] nog verschuldigd zou zijn. Gelet op het feit dat de geldleningen zelf wel schriftelijk zijn vastgelegd komt dat het hof onlogisch en vreemd voor. Verdachte heeft immers zelf verklaard dat zij de leningen schriftelijk hadden vastgelegd omdat ze toen nog niet gehuwd waren. Een logische stap zou zijn om, nu zij niet meer gehuwd zijn, ook de eventuele terugbetalingsverplichting in een dergelijke overeenkomst vast te leggen. Dat verdachte en [vriendin verdachte] nog met elkaar ‘on speaking terms’ zouden zijn en dat zij het geld nu niet zou terugvragen omdat zij weet dat verdachte dat geld niet heeft doet daar niet aan af; dat zijn onzekere omstandigheden die in de (nabije) toekomst zomaar kunnen veranderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de opgevraagde overzichten van de bankrekeningen van zowel verdachte als van [vriendin verdachte] zijn geen mutaties gevonden die in relatie kunnen staan met deze overeenkomsten of met de in de overeenkomsten genoemde geldbedragen van € 35.000,00 respectievelijk € 25.000,00, zodat daaruit niet kan blijken dat [vriendin verdachte] het geldbedrag van € 60.000,00 daadwerkelijk aan verdachte beschikbaar heeft gesteld. Uit onderzoek naar het inkomen van [vriendin verdachte] in zowel de Oekraïne als in Nederland is naar het oordeel van het hof vast komen te staan dat het zeer onwaarschijnlijk is dat [vriendin verdachte] zelfs maar heeft beschikt over een geldbedrag van in totaal € 60.000,00. Gebleken is immers dat over de periode van 2011 tot en met 2015 geen inkomsten [vriendin verdachte] in de Oekraïne bekend zijn, met uitzondering van een bedrag in 2014 van € 33,00. [vriendin verdachte] had in Nederland geen eigen inkomen, zij was financieel volledig afhankelijk van verdachte. Verdachte heeft op 27 maart 2017 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij nooit had gevraagd naar de financiële omstandigheden van [vriendin verdachte] , maar dat hij uit de leefomstandigheden van [vriendin verdachte] in Oekraïne had afgeleid dat zij vermogend was omdat zij een groot appartement had en omdat haar vader een bedrijf had met meerdere werknemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op vragen over de werksituatie van [vriendin verdachte] tijdens hun relatie wenste verdachte geen antwoord te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de verklaring van de vader van [vriendin verdachte] van 14 november 2016 blijkt dat [vriendin verdachte] geen eigen appartement had, maar bij haar ouders woonde en dat zij in ieder geval sinds de bruiloft met verdachte op 14 februari 2015 niet (meer) heeft gewerkt. Dat haar ouders vermogend waren blijkt evenmin; de vader van [vriendin verdachte] heeft op 14 november 2016 verklaard dat zij niet naar Nederland konden reizen omdat ze dat niet konden betalen. [vriendin verdachte] heeft verder in september 2015 op Curaçao tegenover A-3870 verklaard dat zij financieel volledig afhankelijk was van verdachte, dat zij gestudeerd had in Kiev en ook in Nederland wilde gaan studeren, dat het bedrijf van haar vader failliet was gegaan, haar vader nu geen baan meer had en dat het geld in de Oekraïne door de oorlog een stuk minder waard was geworden. [vriendin verdachte] heeft in hoger beroep, bij de raadsheer-commissaris op 3 oktober 2019, geen verklaring willen afleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het komt het hof hoogst onwaarschijnlijk voor dat verdachte zoals hij zegt, geen zicht had op de financiële omstandigheden van zijn voormalige echtgenote, dat hij niet op de hoogte was van haar (al dan niet bestaande) arbeidsverleden en dat hij niet op de hoogte was van het faillissement van het bedrijf van zijn schoonvader. Ter terechtzitting van 15 januari 2018 wenste verdachte nog steeds geen vragen te beantwoorden over het eventuele arbeidsverleden van [vriendin verdachte] of over haar financiële omstandigheden in de periode van hun relatie. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, zoals gezegd, gepersisteerd bij zijn verklaring in eerste aanleg. Verdachte heeft derhalve geen nieuwe inzichten willen geven omtrent hetgeen door de rechtbank in het vonnis is overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat nergens uit is gebleken dat [vriendin verdachte] ten tijde van het aangaan van de geldleningsovereenkomsten over grote financiële reserves beschikte. Evenmin is gebleken dat haar ouders zodanig vermogend waren dat zij geldbedragen van een totale omvang van € 60.000,00 aan hun dochter beschikbaar hadden kunnen stellen teneinde deze geldbedragen zonder terugbetalingsverplichtingen aan haar toekomstige echtgenoot te lenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht op grond van het vorenstaande, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, de verklaring van verdachte dat [vriendin verdachte] het in de geldleningsovereenkomsten opgenomen geldbedrag van in totaal € 60.000,00 beschikbaar heeft gehad en ook daadwerkelijk contant aan verdachte beschikbaar heeft gesteld ongeloofwaardig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van de verdediging – inhoudende dat het openbaar ministerie iets wat zij eerst volstrekt ongeloofwaardig vindt, nu wel geloofwaardig acht en dat dit ook kan gelden voor wat betreft de leenovereenkomsten met [vriendin verdachte] – doet aan het bovenstaande niet af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert dat de geldleningsovereenkomsten tussen verdachte en [vriendin verdachte] fictieve overeenkomsten zijn waaraan geen gevolg is gegeven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De investering van € 60.000 van [investeerder] Verdachte heeft voor het eerst op 27 maart 2017 tijdens zijn verklaring bij de rechter-commissaris gesteld dat hij van een derde een bedrag van € 60.000,00 in contanten zou hebben ontvangen als investering in het door verdachte op te richten bedrijf in encrypted telefoons. Verdachte weigerde toen om de naam van deze derde te noemen. Kort nadien heeft de raadsman van verdachte een in de Oekraïense taal opgestelde verklaring van overgelegd, die daarna is vertaald en aan het dossier is toegevoegd. Het gaat om een notariële akte die in Oekraïne is opgemaakt waarin een verklaring van de heer [investeerder] is opgenomen over de investering die hij in juni 2013 heeft gedaan in het nieuw op te richten bedrijf van verdachte. Ter terechtzitting van 15 januari 2018 heeft verdachte een schriftelijk stuk overgelegd dat hij heeft voorgelezen, waarin hij (onder meer) nader verklaart over de bewuste notariële akte en over de investering van [investeerder] . Ter terechtzitting in hoger beroep op 20 april 2020 heeft verdachte aangegeven te persisteren bij de verklaring.</div>\n<p class=\"lf-p\">Vast is komen te staan dat de akte is opgemaakt op 21 april 2017, terwijl het geld al in 2013 zou zijn geïnvesteerd. Het hof acht het, samen met de rechtbank, opmerkelijk dat een in de ogen van het hof forse contante investering van € 60.000,00 in een nieuw op te richten bedrijf van een bevriende relatie niet schriftelijk wordt vastgelegd, op welke manier dan ook. De rechter-commissaris heeft verdachte al in maart 2017 gevraagd naar eventuele betalingsbewijzen. Naar zeggen van de raadsman van verdachte zou daar nog onderzoek naar worden gedaan. Desgevraagd is ter terechtzitting van 15 januari 2018 gebleken dat dit onderzoek niets heeft opgeleverd. Hieruit kan dus niet blijken dat er door [investeerder] contant geld aan verdachte beschikbaar is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voornoemde notariële akte is geen geboortedatum opgenomen van [investeerder] en er is</p></div>", "next": 239585}