{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">dat de [stichting] zich verplicht om [groep] toe te laten die behoeftig zijn om zich in het woonhuis te vestigen en het woonhuis te beheren en te onderhouden en bij verkoop van het woonhuis de opbrengst over te dragen aan de [groep] in het geval geen andere aankoop wordt gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondertekend te Helsingborg op 14 april 2009 door [medeverdachte 11] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 4] , zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;</p>\n<p class=\"lf-p\">3 hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 maart 2012, in de gemeente ‘s-Hertogenbosch, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de verplichting ingevolge artikel 65 van de Algemene bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet werk en bijstand om aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Hertogenbosch op verzoek en/of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van zijn, verdachtes, of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten de hem, verdachte, verstrekte uitkering (bijstand) op grond van de Algemene Bijstandswet en/of Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, op de hem verstrekte rechtmatigheids- en rechtmatigheidonderzoekformulieren Abw en rechtmatigheidonderzoekformulieren WWB en formulieren Langdurigheidstoeslag en/of anderszins onverwijld uit eigen beweging aan (een uitvoeringsorgaan van) voormeld college en/of de gemeente ‘s-Hertogenbosch geen gegevens verstrekt omtrent het (al dan niet tezamen en in vereniging met de [stichting] en/of een of meer anderen) in bezit hebben van onroerend goed (waaronder de woningen [adres 8] en [adres 2] ) en het ontvangen van stortingen op rekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring en waarvan de meeste in dit arrest door middel van voetnoten zijn aangeduid, (ook) opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt, gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank, als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 Het standpunt van de advocaat-generaal Volgens de advocaat-generaal kunnen – conform het vonnis van de rechtbank – de volgende feiten wettig en overtuigend worden bewezen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>feit 1 gewoontewitwassen o onderdeel a (het in ontvangst nemen van geldbedragen van in totaal € 217.797,34 en deze bedragen vervolgens omzetten in giraal geld door contante stortingen op de Rabobank met rekeningnummers [bankrekening 7] en [bankrekening 8] ), o onderdeel b (tweede, vierde en vijfde gedachtestreepje met betrekking tot het pand aan de [adres 3] , [adres 5] en [adres 6] ) en o onderdeel c (tweede, vierde en vijfde de gedachtestreepje met betrekking tot het pand aan de [adres 3] , [adres 5] en [adres 6] ), feit 2 valsheid in geschrift (geschriften d.d. 6 november 2008, 14 mei 2010, 3 oktober 2005, 1 juni 2007, 14 april 2009, 14 april 2009 en 3 oktober 2005) en feit 3 uitkeringsfraude.</div>\n<p class=\"lf-p\">2 Het standpunt van de verdediging Namens meerdere verdachten is op uiteenlopende, hierna verkort weer te geven gronden betoogd dat verdachten dienen te worden vrijgesproken van de verschillende tenlastegelegde feiten. Voor zover de raadslieden dergelijke verweren niet in hun eigen zaak hebben voorgedragen, hebben zij zich aangesloten bij de namens de medeverdachten gevoerde (materiële) verweren zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Het hof beschouwt de gevoerde materiële verweren derhalve als te zijn gedaan in alle zaken en zal deze daarom dan ook in alle zaken bespreken en beoordelen, behoudens voor zover uit het betreffende verweer zelf blijkt dat het uitsluitend betrekking kan hebben op de zaak waarin het is gevoerd. Voor zover onvoldoende blijkt dat de verdediging zich bij de verweren in de zaken van de medeverdachten heeft aangesloten, dragen de overwegingen en beslissingen van het hof een ambtshalve karakter. Het hof merkt voor de goede orde op dat dit kan betekenen dat niet per definitie de door de raadslieden gehanteerde volgorde wordt gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen dienaangaande door de verschillende raadslieden naar voren is gebracht laat zich in zakelijke bewoordingen als volgt samenvatten, waarbij namens alle verdachten is betoogd dat een en ander moet worden bezien tegen de achtergrond van de sociologische, historische en culturele dimensie van het familieleven van de verdachten; de verdachten hebben deze dimensies, die tezamen met het ‘sociale voorzieningenaspect’ de grondslag vormde voor de geldstromen, ‘omgezet’ naar de Nederlandse rechtsstaat, waarbij zij zich te goeder trouw lieten leiden door de autoriteiten in Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1 Bewijsuitsluiting Namens de verdediging is allereerst op de hiervoor, in het kader van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie weergegeven gronden betoogd, dat bewijsuitsluiting dient te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Context sociaal-culturele achtergrond De feiten en omstandigheden in het onderhavige dossier moeten worden bezien tegen bezien tegen de sociaal-culturele achtergrond en historie van de [familienaam 1] en de etnische groep waartoe zij zich rekenen. De [groep] hebben een eigen ‘bijstand systeem’ en spreken alles mondeling af; niets wordt schriftelijk vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Witwassen – specifieke verweren 2.3.1 Stappenplan witwassen De verdachten hebben een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor de herkomst van de gelden. Op grond van vaste jurisprudentie had het Openbaar Ministerie vervolgens nader onderzoek moeten doen naar die verklaringen. Dat heeft zij echter niet gedaan. Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van witwassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.2 Legale herkomst Betoogd is dat de panden zijn aangeschaft met gelden, die door de [groep] zijn ingezameld en die vervolgens door tussenkomst van de [bedrijf 2] en diverse Zweedse [vereniging 2] in de vorm van renteloze leningen aan verdachten ter beschikking zijn gesteld. Aldus is sprake van een legale herkomst van de gelden en kan van witwassen geen sprake zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.3 Gronddelict ( [adres 10] ) is niet tenlastegelegd Nu het witwassen dan wel de heling (periode vóór 1995) met betrekking tot het pand [adres 10] niet ten laste is gelegd, moet worden geconcludeerd dat de verkoopopbrengst van dat pand als legaal kan worden aangemerkt. De aankopen die vervolgens (deels) met die opbrengst zijn gedaan ( [adres 3] , [adres 6] en [adres 5] ) kunnen derhalve niet worden gekwalificeerd als witwassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.4 Geen betrokkenheid, laat staan medeplegen Zo al sprake is van enige (relevante) betrokkenheid bij de feiten, is van een nauwe en bewuste samenwerking volgens de verdediging geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.5 Geen opzet Gesteld wordt dat geen sprake is van opzet, meer in het bijzonder niet ten aanzien van [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 5] , omdat zij vanuit hun positie als kind en/of vrouw geen wetenschap hadden van de herkomst van het geld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.6 Geen verbergen of verhullen Er is geen sprake geweest van een gedraging die is gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. Het enkele storten van geld is immers niet als zodanig aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.7 Geen gebruik Er is geen sprake van gebruik in de zin van artikel 420bis Sr nu volgens de wetsgeschiedenis slechts het gebruik van met crimineel geld gefinancierd onroerend goed voor een (schijn)onderneming als zodanig gebruik kan worden aangemerkt. Voor zover de betreffende verdachte in de woning heeft verbleven, is aangevoerd dat het gebruik van een woning geen witwassen kan opleveren, nu er geen sprake is van profijttrekking maar van een eerste levensbehoefte. Voor zover de betreffende verdachte niet in de woning heeft verbleven, is aangevoerd dat geen sprake is van gebruik in de zin van artikel 420bis Sr, nu de verdachte niet het gebruik van die woning heeft genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.8 Geen gewoontewitwassen Nu geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en de verschillende verdachten niet allemaal bij alle verschillende tenlastegelegde panden een rol hebben gespeeld, kan niet worden bewezen dat sprake is van gewoontewitwassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 Valsheid in geschrift – specifieke verweren 2.4.1 Legale herkomst Betoogd is dat de panden zijn aangeschaft met gelden, die door de [groep] zijn ingezameld en die vervolgens door tussenkomst van de [bedrijf 2] en diverse Zweedse [vereniging 2] in de vorm van renteloze leningen aan verdachten ter beschikking zijn gesteld. Aldus is sprake van een legale herkomst van de gelden. Van valsheid in geschrift is dan geen sprake. In essentie kloppen de overeenkomsten immers wel degelijk. Er was hooguit sprake van een formele en geen materiële valsheid; het enkele antedateren leidt immers niet reeds tot het oordeel dat sprake is van valsheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.2 Geen opzet c.q. oogmerk tot misleiding Bij verdachten was geen oogmerk tot misleiding aanwezig. De familie heeft de schriftelijke bescheiden juist opgemaakt om te voldoen aan de Nederlandse wetgeving. Hiertoe werd zij van verschillende kanten geadviseerd. Van belang is tevens dat voorwaardelijk opzet op dit punt ontoereikend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesteld wordt voorts dat [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 5] vanuit hun positie als kind en/of vrouw geen wetenschap hadden van de valse inhoud van de documenten. Van een oogmerk tot misleiding is derhalve geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is geen sprake van oogmerk tot misleiding, nu de Belastingdienst bekend was met de veronderstelde valsheid van de in de tenlastelegging genoemde geschriften, zodat zij niet misleid kon worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.3 Geen gebruik Namens enkele verdachten is aangegeven dat zij de betreffende documenten niet aan de Belastingdienst hebben verstrekt, zodat er geen sprake is geweest van gebruik in de zin van artikel 225 lid 2 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.4 Geen betrokkenheid, laat staan medeplegen Zo al sprake is van enige (relevante) betrokkenheid bij de feiten, is van een nauwe en bewuste samenwerking volgens de verdediging geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5 Uitkeringsfraude – specifieke verweren 2.5.1 Geen relevante gegevens verzwegen Nu sprake is van geleend geld, zijn geen relevante gegevens verzwegen. De onroerende goederen, noch de gelden zijn eigendom van verdachten; zij behoren toe aan de [groep] . Voorts wordt betoogd dat het zijn van formeel bestuurder van een stichting niet van belang is voor de hoogte van de uitkering. Ook in dat opzicht zijn derhalve geen relevante gegevens verzwegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.2 Gemeente was op de hoogte; geen opzet De gemeente was er bovendien van op de hoogte dat de onroerende goederen niet het eigendom van de respectievelijke verdachten zijn. De gemeente was er tevens van op de hoogte dat [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 4] bestuurder zijn van de [stichting] . Verder wist [medeverdachte 4] niet dat hij de schadevergoeding uit 2004 had moeten opgeven. Van opzet was dan ook geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.3 Geen medeplegen Er is geen bewijs voor medeplegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het oordeel van het hof 3.1 Geen bewijsuitsluiting Het hof verwijst in dit verband allereerst naar hetgeen hij hiervoor, in het kader van de beoordeling van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, heeft overwogen. Meer in het bijzonder geldt daarbij voor het rechtsgevolg bewijsuitsluiting het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsuitsluiting – als sanctie op vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek – is uitsluitend aan de orde indien en voor zover het geconstateerde vormverzuim niet reeds de betrouwbaarheid van de bewijsgaring heeft aangetast. Het is aan de orde indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Het bewijs dient verkregen te zijn als rechtstreeks resultaat van de opsporingshandelingen waarbij het vormverzuim is begaan. Het kan aan de orde zijn ter verzekering van het recht van verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, als rechtstatelijke waarborg en middel om toekomstige vergelijkbare schendingen te voorkomen dan wel in gevallen waarbij uit objectieve gegevens valt af te leiden dat het desbetreffende vormverzuim structureel en bij herhaling voorkomt, de betrokken autoriteiten daarmee bekend zijn maar sedertdien onvoldoende hebben ondernomen om overtredingen van het betreffende voorschrift in de toekomst te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet hierop en in aanmerking nemende hetgeen het hof bij de bespreking in het kader van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de afzonderlijk aangevoerde gronden/aspecten heeft overwogen, waarbij is geconstateerd dat geen sprake is van vormverzuimen dan wel dat kan worden volstaan met de constatering daarvan, ziet het hof evenmin aanleiding voor bewijsuitsluiting als sanctie voor de geconstateerde vormverzuimen. Het hof ziet in dat licht evenmin grond voor heropening van het onderzoek met het oog op nader onderzoek op dit punt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Algemene bewijsoverwegingen 3.2.1 Context sociaal-culturele achtergrond De verdediging heeft aangevoerd dat de in dit dossier waargenomen feiten en omstandigheden dienen te worden bezien tegen de sociaal-culturele achtergrond en historie van de [familienaam 1] en de etnische groep waartoe zij zich rekenen. De verdediging acht het oordeel van de rechtbank – dat het binnen de [familienaam 1] bestaande ‘bijstand-systeem’ vanwege de omvang van de verleende bijstand en de besteding van de middelen het enkel ‘ledigen van noden’ ver te buiten gaat – onbegrijpelijk. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat er wel degelijk bevindingen in het dossier zijn die steun geven voor haar hypothese over de herkomst van de middelen. Zo vindt het bestaan van dit intern ‘bijstand-systeem’ steun in hetgeen de deskundige Jorna in de onderhavige zaak heeft gerapporteerd. Volgens de verdediging dient de verklaring die de deskundige Jorna in hoger beroep heeft afgelegd geheel buiten beschouwing te worden gelaten, omdat hij niet bekend was met de contextuele factoren (zoals besproken door de verdediging) en met de nieuwe getuigenverklaringen. Volgens de verdediging kan zijn verklaring in hoger beroep dan ook niet als een actuele weergave van de feiten gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft de volgende conclusie van deskundige Jorna uit 2015 geciteerd: ‘Van oudsher zijn [groep] gewend om zichzelf te redden. Een (semi) nomadische levenswijze, een mondelinge cultuur en een vijandige omgeving brengt dat met zich mee. Incidenteel is er weliswaar sprake van institutionele hulpverlening, van de kant van overheden, kerken en charitas. Het feit dat [groep] – in vergelijking met andere immigranten – lange tijd niet beschikten over een eigen kerk, krant of hulporganisatie, betekent uiteraard niet dat zij geen eigen religieuze praktijken uitoefenden, met elkaar informatie uitwisselden of elkaar assistentie verleenden. Over het algemeen vertrouwen zigeuners vooral op hun eigen zelfhulpmechanismen, op basis van gewoonterecht. [groep] helpen elkaar door leniging van directe noden in geval van ziekte, huisvesting, maar ook in geval van bruiloften en begrafenissen.’ Het hof overweegt hieromtrent het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de culturele achtergrond van de verdachten een prominente rol gespeeld. Zowel de verdachten zelf als hun raadslieden hebben daar veelvuldig op gewezen. Zo is benadrukt dat de [groep] een eigen ‘bijstand systeem’ kennen en dat het in de [groep] niet gebruikelijk is om afspraken schriftelijk vast te leggen; alles wordt mondeling afgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In eerste aanleg is door drs. Jorna, een onafhankelijk deskundige, op verzoek van de verdediging een rapport opgesteld d.d. 28 januari 2015, met als onderwerp ‘De [familienaam 1] – [familienaam 3] (1980 – heden).</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoger beroep hebben de verdachten hun cultuur verder toegelicht aan de hand van foto’s en filmpjes van [groep] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof wil, met de rechtbank, zonder meer aannemen dat het binnen de [groep] goed gebruik is om elkaars noden te lenigen, zoals bij ziekte, ongeval, overlijden of andere in het persoonlijke leven ingrijpende gebeurtenissen die iemand hulpbehoevend maken. Deze cultuur van onderlinge hulp en steun is niet uniek; deze komt ook voor bij andere (etnische of anderszins in sociaal-cultureel of religieus opzicht afgebakende) groepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van strafrechtelijke onderzoeken komt het regelmatig voor dat de betrokkenen behoren tot een bepaalde groep of subcultuur. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om mensen met een andere nationaliteit, zoals de Marokkaanse, de Turkse, de Albanese, de Russische, de Tsjetsjeense of de Chinese. Ook kan het gaan om groepen van personen met de Nederlandse nationaliteit, die een bepaalde subcultuur kennen, zoals bijvoorbeeld mensen uit de voormalige Nederlandse Antillen, Suriname of de Molukken, of bijvoorbeeld woonwagenbewoners of krakers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om recht te doen aan de feiten en de verdachten is het belangrijk dat de strafrechter zich in de achtergronden van de betreffende groep c.q. subcultuur verdiept. In de onderhavige zaak heeft het hof dat ook gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog van de verdachten komt – kort gezegd – op het volgende neer: ‘wij doen overeenkomstig onze cultuur alles samen; wij houden inzamelingsacties om bijvoorbeeld huizen te kopen. Dat zijn mensen uit andere culturen niet gewend en daarop worden wij afgerekend en veroordeeld.’ 3.2.2 Bijstand-systeem Uit het strafrechtelijk onderzoek komt naar voren dat de leden van de [familienaam 1] die terechtstaan en hun naaste familieleden inderdaad veel zaken in allerlei opzichten met elkaar delen. Zo verklaren zij dat ze over en weer gebruik maken van hun woningen, voertuigen en andere zaken zoals sieraden. Uit hun verklaringen blijkt voorts dat zij alle binnenkomende gelden – waaronder met name uitkeringen en toeslagen – onmiddellijk van hun bankrekening opnemen en in een gezamenlijke ‘pot’ stoppen. Uit die pot worden dan alle kosten voldaan, zoals de uitgaven van de eerste levensbehoeften, de aanschaf van voertuigen en de daarmee samenhangende kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit komt onder andere in de volgende verklaringen naar voren. [medeverdachte 2] (VO1), 4 april 2012, 10:15 uur ‘V: Waaruit bestaan uw inkomsten?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Hoe ik leef bedoelt u?</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Ja en hoe u dat betaald?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Wij leven samen in een huis we zijn 1 familie. Ik krijg een uitkering en andere ook, daar leven we van.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Als iemand eten gaat kopen hoe kom je dan aan dat geld?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Van de uitkeringen V: Zijn er ook familieleden die werken?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Nee ik denk het niet. Wij gaan overal naar toe om boodschappen te doen, Nijmegen, Eindhoven enzo waar het goedkoop is.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Maar wie betaald dat?</p>\n<p class=\"lf-p\">A:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij doen het geld samen. Benzine, eten en dergelijke dat betalen we met de hele familie.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: En als iets duurder is?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat spreken we gewoon af.</p>\n<p class=\"lf-p\">We delen alles.</p>\n<p class=\"lf-p\">A: De uitkering wordt gestort dan gaat iedereen naar de bank en haalt het geld af. Rekeningen van stroom en gas en dergelijke van de [adres 8] [het hof begrijpt: worden] contant betaald, iemand gaat dan naar de bank of postkantoor om die rekeningen te betalen. De rest van het geld wordt samen gelegd en alles wordt gedeeld en samen betaald. Dit geldt voor de hele [familienaam 1] , niet alleen voor de [adres 8] . De hele groep legt dit samen.</p>\n<p class=\"lf-p\">We krijgen uitkeringen als familie zijnde, we leven van de sociale dienst en dat geld delen we. Dat geldt voor de hele familie en niet alleen de inwonenden op de [adres 8] . De hele familie is inclusief mijn broers en zussen, iedereen.’ [medeverdachte 2] (V07), 7 april 2012, 15:00 uur ‘V: En overige kosten zoals ziektekostenverzekering, gas water licht etc?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Deze kosten worden door ons allemaal samen betaald.’ [medeverdachte 6] (V02), 4 april 2012, 14:00 uur ‘A: Ik heb nu geen uitkering meer, vroeger wel. Sinds de dood van mijn vader, zo’n 8 of 10 jaar geleden, krijg ik zelf geen uitkering meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik leef van het geld van de familie. En daarmee bedoel ik de gehele [groep] in Den Bosch en Rosmalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Hoe krijgt u dat geld dan, kunt u dat eens uitleggen?</p>\n<p class=\"lf-p\">A:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als ik bijvoorbeeld een broek nodig heb, ga ik naar mijn familie toe en krijg ik van meerdere personen geld om deze broek te kopen. Dit krijg ik van de mensen die wel een uitkering krijgen. Ik krijg dan van iedereen een beetje geld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zelf krijg geen uitkering en heb geen werk omdat ik voor mijn moeder moet zorgen. Ik kan nog aangeven dat mijn kinderen en de familie die op de [adres 12] wonen allemaal een uitkering ontvangen. De kinderen ontvangen kinderbijslag. [betrokkene 1] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ontvangen een uitkering. Zij betalen een evenredig deel van de vaste kosten van de woning zoals de hypotheek en gas en licht. Dit wordt thuis bij elkaar ingezameld. Wat er dan overblijft van de uitkering, mogen ze zelf houden voor eten en om iets voor zichzelf te kopen. Verder krijg ik ook nog wel eens geld van mijn moeder en van de rest van de familie. [medeverdachte 6] (V04), 4 april 2012, 14:00 uur ‘V: Hoe leven jullie en hoe gaat het met het geld dat binnenkomt?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Wij leven met elkaar en alles gaat in één pot.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Maar wie heeft dan het beheer over al het geld?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Nou als iemand iets nodig heeft dat vraagt ie dat?</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbalisant vraagt aan verdachte aan wie dat dan wordt gevraagd. Verdachte geeft aan dat als iemand aan mij geld vraagt en ik heb dat, dan geef ik dat gewoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Er worden uitkeringen gestort bij de verschillende familieleden. Hoe gaat het dan vervolgens? Worden deze gelden van de bankrekening opgenomen en vervolgens op één plek bewaard?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Nee als bijvoorbeeld vijf mensen in één woning wonen, en er komt een rekening dan legt iedereen geld bij elkaar om de rekening te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Dus klopt het dat de familieleden het beheer hebben over ieder zijn eigen inkomen?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ja dat klopt.’ [medeverdachte 3] (V02), 4 april 2012, 15:15 uur ‘V: Wat zijn uw inkomsten?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Niets, ik heb geen inkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Hoe betaald u die kosten dan?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Via de [familienaam 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Hoe moeten wij dat zien?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik heb net al gezegd, iemand is oud, die moet je helpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Krijgt u zakgeld dan?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Nee, geen zakgeld. Hoe moet je dat noemen. Eten is gratis enzo. Ik ga bij mijn broer eten en zo, dat is gratis.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: En als u kleding wil hebben?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat is geen merkkleding, die koop ik niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Maar wie betaald die?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Daar zorg ik ook voor. Als er acties bij C&amp;A zijn of zoiets. Dan krijg ik zakgeld om kleding te kopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Van wie krijgt u dit zakgeld?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Van de [familienaam 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Noem de namen eens van alle [familienaam 1] van waar u geld van krijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Alle [familienaam 1] , dat zijn er veel.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Dan wordt het geld toch allemaal op één pot gegooid?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ja. Nu begint de zomer. Dan komen er mensen uit het buitenland. Die komen bij ons slapen. Dan wordt er geld gegeven. Dat wordt er gekeken hoe we met de rekeningen zitten. Dan wordt er geld gestort. Dan wordt er in de pot gegooid. Ik ga naar Italie, daar ga ik slapen. Als hij arm is, dan geef ik hem geld.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Rekeningen als gas/water en licht, hoe worden die betaald?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat wordt via rekeningen betaald, cash ofzo. Ze nemen geld van de uitkering van de bank af. Je gaat naar bank toe, je neemt het op, dat noem je cash toch. We bekijken hoeveel rekeningen er zijn en dan wordt er gezamenlijk betaald. Ik heb een gasrekening van zoveel. Die gaat dan naar een ander huis. Die bekijkt dit. Die betalen vervolgens deze rekening. Ik denk dat ze dan via internet wel zorgen dat het betaald wordt. In deze moderne tijd weet ik het niet.’ [medeverdachte 7] (VO1), 4 april 2012, 10:40 uur ‘V: Welke werkzaamheden heb je gedaan?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik heb niks gedaan. Ik leef gewoon bij familie in en hoef daar niet voor te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">V. Welke inkomsten heeft u?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik leef via mijn familie. Ik slaap en eet bij verschillende familie leden. Ik krijg geen geld van mijn familie. Soms krijg ik wel een klein bedrag, zoals tien euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Hoe komt je vader en moeder aan geld om jou te onderhouden?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik weet dat mijn moeder een uitkering heeft. Mijn vader heeft geen uitkering. Ze krijgen geld van familie. Bijvoorbeeld: mijn vader leeft net als ik, op kosten van familieleden die wel geld hebben. Ik krijg geld van verschillende familieleden, net als mijn vader.’ [medeverdachte 7] (V04), 6 april 2012, 10:40 uur ‘V: Waar leeft je familie van?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Wij leven via familie onder elkaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Hoe komt het geld binnen? Je moet toch eten en rekeningen betalen?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Mijn moeder heeft een uitkering. Zij geeft mij soms wat.’ [medeverdachte 5] (V02), 4 april 2012, 13:40 uur ‘V: Wat verdient u aan salaris?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik heb geen inkomen en ik heb ook geen inkomen gehad. Ik kreeg geld van mijn moeder. Mijn moeder heeft een zorgtoeslag en een uitkering. Ik weet niet hoeveel mijn moeder kreeg maar ik denk dat zij vijf honderd euro per maand krijgt aan uitkeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Wie betalen de vaste lasten zoals de huur, de kosten voor elektriciteit en internet enzovoorts?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Die kosten worden voornamelijk door mijn moeder en mijn twee exschoonzussen betaald V: Ontvangen jullie van andere familieleden, zoals je broers, je ooms en anderen, geld om van rond te komen?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Als wij tekort komen ontvangen we geld van hun. In onze gemeenschap is het gebruikelijk om voor elkaar te zorgen. Als wij geld nodig hebben om rond te komen dan vragen we dat aan de andere familieleden en krijgen we dat van hun. Als je kijkt naar de [adres 3] , kunnen we met iedereen die daar woont rondkomen van de uitkeringen die iedereen ontvangt.’ Voertuigen en samenhangende kosten Over het gebruik van de voertuigen en de kosten daarvan werd het volgende verklaard: [medeverdachte 4] (VOl), 4 april 2012, 9:55 uur ‘V: Heb je een auto?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ja.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Wat voor auto heb je?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik heb een roodkleurige Nissan. Ik denk tenminste dat het een Nissan is.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Staat deze auto op jou naam?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ja.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Uit welk jaar is deze?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Weet ik niet precies. Het is een oude auto. Hij is denk ik niet meer dan € 400 waard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De familie heeft deze auto gekocht, zodat ik hem kan gebruiken voor als ik naar de dokter moet. We delen deze auto met de hele familie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij staat op mijn naam, maar de hele familie gebruikt hem.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sleutel staat erop en ieder kan deze gebruiken. Dat is anders dan gebruikelijk in Nederland. De auto is van iedereen.’ [medeverdachte 2] (V07),7 april 2.012., 15:00 uur ‘V: Hoeveel geld besteedt u (gemiddeld per week of maand) aan vervoer (bijv. autokosten)?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: De autokosten zoals verzekering enzo wordt door ons allemaal samen betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Bent u in het bezit van 1 of meerdere auto's?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik heb een klein autootje, een Renault . Die is van de familie, dat hebben we samen betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Bent u in het bezit van nog andere auto's?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: We hebben nog wel wat dure auto's maar dat laat ik aan mijn advocaat over.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Heb je nog andere vaartuigen zoals bijvoorbeeld een boot?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Onderling kunnen we veel dingen van elkaar lenen, verder laat ik dit antwoord aan mijn advocaat over.</p>\n<p class=\"lf-p\">O: In een eerdere verklaring gaf u aan dat bijvoorbeeld een woning op naam van iemand binnen uw familie staat maar dat dit feitelijk van iedereen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Geldt dit ook voor de voertuigen?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Als voorbeeld noem ik bijvoorbeeld de auto van [betrokkene 4] . Zij woont samen met een Zweedse man. Deze Zweedse man heeft geld geleend van zijn broer en er is een auto gekocht. De auto staat op naam van [betrokkene 4] maar eigenlijk is deze auto van [betrokkene 4] en haar Zweedse vriend. Maar andere familieleden kunnen wel gebruik maken van deze auto als dat een keer nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Geldt dit voor alle auto's?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Er zijn ook auto's die we met z'n allen kopen en gebruiken voor speciale gelegenheden zoals feestjes en bruiloften enzo.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: En welke auto's zijn dat?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Hiervoor verwijs ik naar mijn advocaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: En hoe zit het bijvoorbeeld met de auto's waar boodschappen enzo mee gedaan worden?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat zijn goedkopere auto's maar die worden ook door ons alle samen gekocht. Degene op wiens naam de auto staat wil niet zeggen dat deze auto ook van die persoon is. We laten ook gewoon de sleutels erin zitten zodat iedereen er in kan rijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Hoe regelen jullie op wiens naam de auto komt te staan?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat bepalen we samen met de familie .</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Hoe komt die keuze tot stand?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Als de auto bijvoorbeeld op iemand zijn naam staat en ik ga naar het buitenland dan laat ik de auto op mijn naam zetten voor de politie, douane enzo. Gewoon om problemen daar te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Gebeurt dat vaak?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ja als we naar het buitenland gaan V: Maar is dat vaak?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat kan ik niet echt zeggen, dat is met belangrijke gebeurtenissen zoals begrafenissen, trouwfeesten enzo.</p>\n<p class=\"lf-p\">O: Verdachte merkt op dat alle familieleden dit doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Is er onderling sprake van koop en verkoop of is het alleen het veranderen van de tenaamstelling?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Nee alleen het veranderen van de naam.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Maar als de auto op jou naam staat en jouw dochter wil ermee naar het buitenland dan kan dat toch gewoon?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Nee dat kan niet, in het buitenland is de wet zo dat het zo is dat degene op wiens naam de auto staat erbij moet zijn.’ [medeverdachte 3] (VOl), 4 april 2012, 09:40 uur ‘V: Wat voor kosten heeft u?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik heb een paar honderd euro kosten . Verzekering betaal ik. En ik heb een oldtimerbusje. Dat is 50 euro per jaar verzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Dat zijn alle kosten?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ja, ik denk 200 of 300 euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Wat zijn uw inkomsten?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Niets, ik heb geen inkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Hoe betaald u die kosten dan?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Via de [familienaam 1] .’ [verdachte] (V03) 4 april 2012, 11:48 uur ‘V: Hoeveel geld besteedt u aan vervoer?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Geen idee. Het is wel duur geworden. Het is diesel. Ik tank altijd voor twintig euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Per week?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat ligt eraan, dat is verschillend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze auto wordt door de hele familie gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo gaat het met kleren ook. De auto staat wel op mijn naam. Ik heb de auto gekocht. Ik heb deze auto ongeveer 2 jaar geleden gekocht met inruil van mijn vorige auto.’ [medeverdachte 7] (V01), 4 april 2012, 10:40 uur ‘V: Heb je een auto?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Nee. Ik heb een rijbewijs. Ik rij in de auto's van mijn familie. Ik heb 1 auto op mijn naam, maar die auto is geschorst. Ik begin hier niet mee, omdat ik geen inkomsten heb. Ik kan die auto niet betalen.’ [medeverdachte 5] (V02), 4 april 2012, 13:40 uur ‘V: Heeft u een rijbewijs?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ja ik heb een rijbewijs. Ik heb niet zo veel lessen gehad. De hele familie heeft bijgedragen om de kosten voor mijn rijbewijs te halen. Binnen onze gemeenschap is het belangrijk om je rijbewijs te halen dus daarom draagt de hele familie hier aan bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Hoeveel geld besteedt u aan vervoer?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik geef niet zo veel uit aan de auto. Ik heb geen auto en leen wel eens de auto van mijn vader en de auto van mijn moeder. Ik leen de auto van iedereen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sieraden Op 8 december 2010 werd door de Belastingdienst Oost-Brabant een controle in het kader van de Invorderingwet in de woning aan de [adres 3] een groot aantal sieraden inbeslaggenomen. Gezien het feit dat het vermoeden was ontstaan dat de sieraden mogelijk van diefstal afkomstig waren, werden de inbeslaggenomen sieraden door het onderzoeksteam 228D110191, overgenomen van de Belastingdienst Oost-Brabant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de sieraden die aanwezig zijn/waren in de familie en de sieraden die werden aangetroffen en inbeslaggenomen tijdens de controle c.q. doorzoekingen op respectievelijk 8 december 2010 en op 3 april 2012 werd het volgende verklaard: [medeverdachte 2] (V06), 7 april 2012,13:15 uur ‘A: Bij ons in de familie is het de traditie dat als wij een groot feest hebben of een bruiloft dan nemen wij die sieraden over van familie uit bijvoorbeeld Duitsland of Italië of andere landen. De sieraden blijven dan zolang binnen onze familie in Nederland totdat er bijvoorbeeld weer een feest is in een ander land en dan nemen hun die sieraden weer over.’ [medeverdachte 7] (V04), 6 april 2012, 10:40 uur ‘V: Onder jouw is een horloge inbeslaggenomen. Dit was een horloge van het merk Rolex. Wat kun je hierover verklaren?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat was niet mijn horloge. Dit horloge was in het huis. Ik gebruik het horloge alleen bij bijzondere gelegenheden. Dit was niet mijn eigendom, maar is eigendom van de [groep] familie.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Bij jouw fouillering hebben we dit Rolex horloge aangetroffen. Kennelijk kun jij hierover beschikken. Daarom denken wij dat dit jouw eigendom is.</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik begrijp dat jullie dit denken, maar het horloge is niet van mij. Echt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Ook hebben we in jouw fouillering geld aangetroffen, hoeveel was dit?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik weet niet hoeveel. Toen de politie binnen kwam was er paniek. Ik dacht dat er een overval gaande was. Ik heb toen een stap [het hof begrijpt: stapel] geld bij me gepakt, net als het horloge. Ik weet niet hoeveel geld dat was.</p>\n<p class=\"lf-p\">O: In jouw fouillering heeft de politie in totaal euro 9.240,-- aangetroffen. Dit geld is inbeslaggenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Wat kun je hierover verklaren?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat kan, maar dat weet ik niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Van wie is dat geld?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat weet ik niet. Dat geld is van familie.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Jij had dat geld bij je. Hoe kwam je aan dat geld?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat geld lag boven ergens in de kast.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Welke slaapkamer was dat?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik denk dat dat de slaapkamer tegenover de badkamer was. Dat was op het adres [adres 3] .</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Wie maakt gebruik van die slaapkamer?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat is verschillend. Maar ik weet dat mevrouw [naam 1] (fonetisch) daar vaker met de kinderen slaapt. Maar er slapen verschillende personen in die kamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Op de dag van jouw aanhouding, toen jij het geld hebt gepakt. Wie had op die dag daar geslapen?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik denk dat dit [betrokkene 5] was.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Heb jij daar nog andere goederen gepakt?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Het horloge lag daar ook in die kamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Waar lag het horloge?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Er staat in die slaapkamer 1 kast. Ik heb het uit die kast gepakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Hoe wist jij dat dat geld en dat horloge daar op die slaapkamer lagen, in die kast?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik weet dat voor de veiligheid. Ik moet dat weten.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Wat bedoel je met de veiligheid?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: We zijn bang voor een overval.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Wie zou jullie dan moeten overvallen?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Mensen, wij zijn gewoon bang.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Wat bedoel je daarmee? Hebben jullie met iemand ruzie?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Niet dat ik weet. Wij zijn gewoon bang.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Zijn jullie dan eerder overvallen?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Nee, wij maken ons gewoon zorgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Ook is er bij jou een oorbel inbeslaggenomen. Van wie is deze oorbel?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Deze oorbel is niet van mij. Ik had geen oorbel in.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Van wie is deze oorbel dan?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat weet ik niet. Misschien was die oorbel er wel toen ik het horloge pakte. Ik weet het niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Het geld, het horloge en de oorbel is door ons conservatoir in beslag genomen. De rechter beslist over wat er met deze goederen gebeurt. Wie kan zich als eigenaar melden van deze goederen?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat weet ik niet. Dat regel ik niet.’ [medeverdachte 5] (V06), 5 april 2012, 13:15 uur ‘V: Door wie zijn de sierraden gekocht?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat weet ik niet. De sieraden zijn van iedereen. Ik weet niet van wie precies maar niet alleen van mijn familie. Ook van andere mensen uit de [groep] .’ [medeverdachte 5] (VOS), 7 april 2012, 19: 10 uur ‘V: Van wie is dat horloge van Rolex?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Het is niet van mij. Ik vond het mooi zeg maar en ik heb het aangedaan ik vond het leuk zeg maar.’ Uit het politieonderzoek komt tevens naar voren dat in de onderzochte periode – naast het ontvangen van uitkeringen – geen van de leden van de [familienaam 1] een inkomen uit arbeid had, aangezien zij geen van allen werkten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat binnen deze familie van vier broers [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 10] een hecht systeem van gezamenlijke financiën en hulpvaardigheid en een onderling ‘bijstand-systeem’ bestaat, is zonder meer duidelijk. Het hof ontkent het bestaan van een dergelijk ‘bijstand-systeem’ dan ook niet. Echter, deze hulp en bijstand geven geen verklaring voor de contante stortingen van hoge geldbedragen, de (dure) auto’s, de (kostbare) sieraden en de aankoop van (luxueuze) huizen binnen deze familie. Wanneer niemand binnen de familie een (legaal) inkomen heeft uit arbeid of uit een eigen bedrijf of over ander legaal vermogen beschikt en de enige legale inkomsten van die gehele groep bestaan uit de (bijstands)uitkeringen die een deel van de familieleden ontvangt, is het een feit van algemene bekendheid dat met die minimale inkomsten niet dergelijke contante stortingen kunnen worden gedaan of zulke auto’s, sieraden of huizen kunnen worden gekocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag is of deze hulpvaardigheid en bijstand verder gaat dan de betreffende groep. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] hebben desgevraagd verklaard in de afgelopen jaren geen gelden aan anderen te hebben verstrekt of geleend. [medeverdachte 10] heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook vanuit de andere leden van de groep wordt niet naar voren gebracht dat zij ten opzichte van [groep] buiten de groep op enigerlei wijze hebben bijgedragen aan het kopen van woningen, auto’s, sieraden en dergelijke. Uit de door de politie gedetailleerd bekeken financiële administratie van de [familienaam 1] komt ook niet naar voren dat zij bedragen hebben geleend of geschonken aan andere [groep] dan wel dat er andere personen dan de naaste familieleden woonden in de panden die tot de [familienaam 1] behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof baseert zich hierbij op de volgende verklaringen: [medeverdachte 5] (V02), 4 april 2012, 13:40 uur ‘V: Heeft u wel eens geld geleend aan iemand?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Nee.’ [medeverdachte 6] (V02), 4 april 2012, 14:00 uur ‘V: Heeft u wel eens geld uitgeleend aan iemand?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Nee.’ [medeverdachte 3] (V02), 4 april 2012, 15:15 uur ‘V: Maar over welk bedrag praten we de afgelopen tien jaar?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Afgelopen tien jaar?</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Hoeveel geld heeft de afgelopen tien jaar gegeven?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik heb in de kerk gegeven, in Duitsland gegeven. Welk jaar is het nu, 2012? U bedoelt dus vanaf 2000. Niets, de afgelopen tien jaar niets.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: En de tien jaar daarvoor, dus vanaf 1990 tot 2000?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik kan nooit zeggen hoeveel geld. Er kwam iemand op vakantie en dan gaven wij geld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er iemand op vakantie ging en die had bijvoorbeeld geld nodig voor Italië, dan gaf ik. Ik heb toen geen geld in de pot gegooid. Dan praten in totaal over 200, 300 of 500 gulden. In totaal. Ik had toen nog een uitkering. [medeverdachte 7] (V01), 4 april 2012, 10:40 uur ‘V: Heeft u wel eens geld geleend aan iemand?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Nee.’ [verdachte] (V03), 4 april 2012, 11:48 uur ‘V: Heeft u wel eens geld geleend van iemand?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Nee.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Hebt u wel eens geld geleend aan iemand?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Nee, geen grote bedragen.’ 3.2.3 De financiële situatie van de [familienaam 1] Uit het procesdossier komt naar voren dat de leden van de [familienaam 1] , hoewel zij niet over een inkomen uit arbeid of een eigen bedrijf beschikte, ruim de beschikking had over financiële middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het onderzoeksteam van de politie is een kasopstelling gemaakt. Uit deze kasopstelling blijkt dat de verdachten de getraceerde uitgaven en vermogensaangroei niet hebben kunnen betalen uit de uit het onderzoek bekende, althans traceerbare, legale inkomsten. Er moet daarom nog een andere inkomstenbron aanwezig zijn geweest. De hoogste negatieve kas bedraagt € 2.002.168,91 op 3 april 2012. Dat betekent dat er per genoemde datum dus minimaal € 2.002.168,91 aan extra inkomsten moet zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze kasopstelling komt onder andere naar voren dat aanzienlijke bedragen werden uitgegeven, bijvoorbeeld aan voertuigen. Uit het deelrapport voertuigen bleek dat in totaal voor een bedrag van € 231.431,55 aan voertuigen werd aangeschaft. Aan contante bouwkosten werd een bedrag uitgegeven van € 494.995,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een aantal inbeslaggenomen woningen is de waarde van de inboedel geschat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Inventaris van pand: Bedrag [adres 8] € 255.000,00 [adres 2] € 47.000,00 [adres 3] € 125.000,00 [adres 1] € 130.000,00 [adres 12] € 115.000,00 [adres 4] € 105.000,00 3.2.4 Internationale contacten Dat de [familienaam 1] contact heeft met [groep] die in andere delen van Europa dan wel elders in de wereld wonen, is duidelijk. Zowel uit het procesdossier als uit het rapport van de deskundige Jorna is gebleken dat takken van de familie zich bevinden in de Verenigde Staten en in Zweden. Van contacten met familieleden in de Verenigde Staten is overigens in de onderzoeksperiode niet gebleken uit het procesdossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het procesdossier komt verder naar voren dat in 20e eeuw de vader van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 10] , [medeverdachte 6] , het hoofd van de familie was. Uit die periode dateren vijf schenkingsovereenkomsten uit de Verenigde Staten die zijn opgesteld in augustus 1984, waarbij geldbedragen van fl. 40.000,00 zijn geleend aan [betrokkene 6] , toen wonende in Lelystad. In totaal is er dus fl. 200.000,00 geschonken. Het zijn opgestelde schenkingsovereenkomsten, bekrachtigd door een ‘notar’ in de Verenigde Staten. Met betrekking tot deze schenkingen is door de inspecteur van belastingen, mr. S. [belastingman 2] , meegedeeld dat deze buitenlandse schenkingen vrij zijn gesteld van schenkingsbelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat geld kon door de [familienaam 1] worden aangewend voor het kopen van de eerste woning in Nederland. Gelet op het tijdsverloop, kan het hof thans niet meer nagaan óf, en zo ja, hoe dat geld daadwerkelijk naar Nederland is gekomen. Hoewel de schenkers in de Verenigde Staten woonden zijn de schenkingen gedaan in Nederlandse guldens, hetgeen vragen oproept. Evenmin kan het hof nagaan of de betrokken schenkers over legale inkomsten of anderszins legale vermogens beschikten waarmee dergelijke bedragen konden worden geschonken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortom, het hof kan thans niet meer vaststellen óf deze schenkingen zijn verricht, of er daadwerkelijk gelden vanuit de Verenigde Staten naar Nederland zijn gekomen en of deze gelden een legale bron hadden. Het hof gaat er om die reden – in het voordeel van de verdachten – vanuit dat het pand dat hiermee is aangekocht – [adres 13] – met legale middelen is aangekocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beginsel is er niets mis met geld dat wordt geschonken aan een ander voor de aankoop van een woning. Het is tevens denkbaar dat er later vanuit een internationaal ‘bijstand-systeem’ bedragen renteloos zijn geleend aan de [familienaam 1] (hoewel dat dus niet wederzijds is) onder andere om dure huizen te kopen. De vraag is echter of dit ook daadwerkelijk is gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.5 Inzamelingen en overeenkomsten Om daarop antwoord te (kunnen) geven gaat het hof terug naar het begin van het onderzoek [dossier 2] . Aanleiding tot het onderzoek is het volgende geweest:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>In de periode van 22 april 2009 tot en met 29 juni 2009 werden 48 maal contante stortingen verricht, ter grootte van ruim € 360.000,00 op bankrekeningnummer [bankrekening 1] van de [stichting] ;</div>\n<p class=\"lf-p\">Tevens werd informatie ontvangen van twee girale overboekingen op de bankrekening van notariskantoor [notaris 1] te Heesch op 27 april 2009 en 6 mei 2009. Deze bedragen werden overgeboekt en bedroegen in totaal € 81.000,00;</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de gemelde verdachte transacties werd door [medeverdachte 2] tweemaal een contante opname gedaan van bankrekening [bankrekening 2] , respectievelijk op 29 december 2004 en 8 februari 2006. De contante opnamen bedroegen in totaal € 29.900,00;</p>\n<p class=\"lf-p\">De contante stortingen die werden gedaan middels het stortingsapparaat van de Rabobank bedroegen in totaal € 68.375,00;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de laatste Rabobank melding, van 8 juli 2009, werd nog de mededeling gedaan: ‘De heer [medeverdachte 2] stort sinds 22 april 2009 contant op rekening [bankrekening 1] tnv [stichting] . In de periode 17-06 tot en met 26-06 is er totaal € 64.925,00 gestort.’ Er is sprake geweest van stortingen van zeer aanzienlijke bedragen. Uit het onderzoek komt naar voren dat al deze stortingen zijn gedaan door [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] heeft hieromtrent verklaard dat zij [het hof begrijpt: de [groep]] een organisatie in Zweden hebben. [medeverdachte 2] heeft verder verklaard dat er naderhand een officiële organisatie is opgericht in Zweden, een [groep] -organisatie. Deze is opgericht door [medeverdachte 11] in Zweden. Hij is een belangrijk persoon bij de [groep] , maar ook bij de gadjo’s [het hof begrijpt: de benaming voor iemand die geen [groep] is]. Hij werkt bij de gemeente in Helsingborg. De [bedrijf 2] [het hof begrijpt: de organisatie in de Verenigde Staten] is volgens [medeverdachte 2] overgegaan in deze officiële Zweedse organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij heeft voorts verklaard dat de naam een paar keer is gewijzigd. Hij denkt dat het nu ‘ [bedrijf 3] ’ heet. [medeverdachte 2] verklaarde verder dat uit verschillende landen [groep] zigeneuners bij elkaar komen. In Nederland bestaat de [groep] familie genaamd [familienaam 1] , daar maken zij deel van uit, aldus [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] verklaarde dat er dan mensen komen uit onder andere Italië en Duitsland en dat hij namens Nederland komt, want hij vertegenwoordigt de [groep] familie uit Nederland en hij behoort tot die conferentie. [medeverdachte 2] verklaarde dat zij een uitnodiging krijgen voor een conferentie in onder andere Zweden, Duitsland of Nederland om over familiezaken te praten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als wordt gevraagd van wie hij die uitnodiging krijgt, beroept [medeverdachte 2] zich op zijn zwijgrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het huis aan de [adres 2] verklaarde [medeverdachte 2] dat het geld voor de aankoop van dat pand is gestort op de Rabobankrekening van de [stichting] . Hij kan niet zeggen wie dit bedrag heeft gestort. Hij verklaarde verder dat deze aankoop een paar jaar geleden heeft plaatsgevonden, dat hij daarvoor naar Zweden is gegaan en dat het bedrag voor de aankoop meer dan € 300.000,00 betrof. Dit is volgens hem op ‘dezelfde manier’ naar Nederland gekomen, namelijk door een inzameling in Zweden. Als [medeverdachte 2] wordt gevraagd hoe dat geld dan in euro’s hiernaartoe komt, verklaart hij dat je soms het geld in het land krijgt, waar het daarom wordt omgewisseld in euro’s, maar dat hij niet meer weet bij welke banken en door wie dat is omgewisseld. Als hem wordt voorgehouden dat de bedragen op de rekening van [stichting] zijn gestort en hem wordt gevraagd of hij dat heeft gedaan, antwoordt hij dat zich de laatste zes of zeven jaar dingen slecht kan herinneren en dat zijn familie nu soms zaken regelt voor hem en dat zij hem niet willen storen. [medeverdachte 2] denkt dat [medeverdachte 10] hem gaat opvolgen omdat hij veel dingen regelt voor hem. Volgens [medeverdachte 2] regelt [medeverdachte 10] ook zaken voor hem met betrekking tot [stichting] . [medeverdachte 2] heeft met betrekking tot voornoemde stortingen dus verklaard over een inzameling in Zweden. Daarnaast is er ook een overeenkomst aangetroffen die hierop betrekking zou hebben. Bij de doorzoeking van het pand aan de [adres 8] werd een (Zweedstalige) overeenkomst aangetroffen, gedateerd 14 april 2009, tussen [medeverdachte 11] namens de [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ) enerzijds en [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 4] namens de Stichting anderzijds. Volgens de tekst van deze overeenkomst is er geld verzameld door de [groep] , die akkoord is gegaan met het verstrekken van een rentevrije lening ad € 367.000,00 aan de Stichting voor de aankoop van het onroerend goed aan de [adres 2] . Indien de woning wordt verkocht en met de opbrengst geen nieuwe aankoop wordt gedaan, dient de verkoopopbrengst aan de [groep] te worden overgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de (Zweedse) overeenkomsten en verklaringen verklaarde [medeverdachte 11] dat alles op initiatief van de [familienaam 1] op papier is gezet, dat de Zweedse stichting zelf nooit geld heeft uitgeleend, dat hij ook nooit heeft gezien dat geld werd overhandigd, dat hij ook niet weet door wie er geld werd gegeven, dat de [familienaam 1] zelf de inzamelingen organiseerde en verzorgde en dat de inhoud van hetgeen op papier werd gezet volledig door hen [het hof begrijpt: de leden van de [familienaam 1]] werd bepaald. Zij bepaalden ook welke datum er onder de overeenkomst kwam te staan. Met betrekking tot de overeenkomst van 14 april 2009 verklaarde [medeverdachte 11] aanvankelijk dat [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 4] hem op die datum bezochten in Helsingborg met het verzoek de onderhavige afspraak op te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Later verklaarde [medeverdachte 11] , geconfronteerd met de bevindingen uit het onderzoek naar zijn inbeslaggenomen digitale bestanden, dat ‘de besteller’ van het betreffende stuk, iemand van de [familienaam 1] , bepaalde welke datum onder het stuk kwam te staan. Dat geldt voor alle stukken (overeenkomsten/verklaringen) die hij op verzoek van de [familienaam 1] heeft opgesteld. Hem werd verteld (mondeling/schriftelijk) wat hij op moest schrijven, welke personen werden bedoeld, om welke bedragen het ging en welke datum op het betreffende stuk moest komen te staan. De persoon van de [familienaam 1] waarop het stuk betrekking had, kwam persoonlijk naar Helsingborg; dat was dus niet altijd dezelfde persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel was het zo dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 10] [medeverdachte 11] het vaakst hebben bezocht. [medeverdachte 2] vertelde [medeverdachte 11] in de eerste helft van 2011 dat de Belastingdienst verklaringen wilde die bekrachtigden dat de [familienaam 1] geld had gekregen van verschillende [groep] uit Europa. [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 11] voor het laatst begin 2012 in Helsingborg bezocht: mogelijk dat [medeverdachte 10] daarbij ook aanwezig was, aldus [medeverdachte 11] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de verklaringen van [medeverdachte 11] zoals afgelegd tegenover de politie valt geen enkele ondersteuning te vinden voor de juistheid van de bewering van de verdachten dat het geld voor de aankoop van de [adres 2] afkomstig was van een door [bedrijf 1] verstrekte geldlening, noch van een onder leiding/toezicht van deze vereniging georganiseerde inzameling. Zelfs voor de bewering van verdachten dat de gelden afkomstig zijn van inzamelingen die zijn gehouden onder [groep] in het buitenland kan geen enkel aanknopingspunt worden gevonden in de verklaring van [medeverdachte 11] . [medeverdachte 11] geeft alleen aan dat hij heeft opgeschreven wat hem werd opgedragen, maar dat hij zelf niets heeft gezien of waargenomen met betrekking tot inzamelingen of het verstrekken van gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.6 [bedrijf 4] Namens de verdachten zijn bij pleidooi in eerste aanleg en in hoger beroep nog verklaringen ingebracht van [betrokkene 7] en [penningmeester bedrijf 4] , de laatste in hoedanigheid van penningmeester van [bedrijf 4] [hierna: [bedrijf 4] ]. Volgens de verklaring van laatstgenoemde zou [medeverdachte 2] namens de Stichting tijdens een conferentie in Parijs in 2006 een aanvraag hebben ingediend om in Rosmalen een centrum voor [groep] te openen. [bedrijf 4] zou medewerking hebben toegezegd: het geheel zou niet meer dan € 400.000,00 mogen kosten. Daartoe zou geld zijn ingezameld bij verschillende christelijke [groep] . De hoogte van de (als geldlening) ter beschikking gestelde bedragen is onbekend, omdat er geen aantekeningen van zijn bijgehouden. [bedrijf 4] zou de uitvoering van een en ander in handen hebben gelegd van [betrokkene 7] , die in oktober 2008 zou hebben verklaard dat het bedrag bijeen was gebracht, waarna hij en [medeverdachte 2] opdracht kregen om een geschikt pand uit te kiezen waar [groep] families elkaar kunnen ontmoeten, samen kunnen bidden en ook kunnen overnachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteindelijk bleek het pand aan de [adres 2] het meest geschikt voor de oprichting van een […] . [betrokkene 7] bevestigt – in algemene bewoordingen – dat hij aanwezig was bij de bijeenkomst in Parijs in 2006, dat toen gesproken is over de aankoop van een pand, dat er tijdens [bedrijf 4] -bijeenkomsten geld voor dit doel werd ingezameld en dat hij aanwezig was bij de overdracht van het geld. Ook in hoger beroep zijn hieromtrent verklaringen afgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verklaringen tegenover de politie hebben de verdachten echter in het geheel niet gesproken over de [bedrijf 4] . De [bedrijf 4] is, zoals uit openbare bronnen – waaronder Facebook en YouTube – blijkt, een religieuze organisatie die zich richt op het verspreiden van Gods woord. Door de verdachten zijn ook filmpjes getoond die volgens hen van de [bedrijf 4] zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De [bedrijf 4] had een openbaar toegankelijke website ([e-mailadres]), die eerder gedurende het strafproces in hoger beroep is geraadpleegd en waaruit bleek dat het om een officiële organisatie gaat die in Duitsland is gevestigd. Deze website is momenteel niet meer bereikbaar. De organisatie richt zich op Evangelisatie en Bijbelstudie. Over deze organisatie stond op voormelde website vermeld: ‘The Bible Studies Program of Systematic Theology of the School [bedrijf 4] is a program that allows one to study the Bible on a theological level.’ Ook de filmpjes van de [bedrijf 4] die zijn te vinden in openbare bronnen op internet duiden op de verspreiding van Gods woord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de organisatie iets met onroerend goed te maken heeft of daar zelf over beschikt komt hierin niet naar voren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Stichting, waarvan [medeverdachte 2] de bestuurder is, koopt het huis aan de [adres 2] . Daartoe stort [medeverdachte 2] grote bedragen op de betreffende bankrekening. Daarover gehoord door de politie verklaart hij over een organisatie in Zweden. Hij verklaart onder meer: 'V: Op welke bankrekening is dat geld voor de aankoop van de [adres 2] . gestort?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Bij de Rabobank op de rekening van [stichting] V: Door wie?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat moet ik thuis zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Dus u weet niet wie dat bedrag heeft gestort?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Nee dat kan ik niet zo 1, 2, 3 zeggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Weet u nog wanneer deze aankoop heeft plaatsgevonden?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Een paar jaar geleden V: Bent u hier toen ook voor naar Zweden gegaan?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ja V: Wat is toen besproken over de aankoop van de [adres 2] ? (…) V: Weet u nog om welk bedrag de aankoop van deze woning ging?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Om een bedrag van meer dan € 300.000,00 V: En hoe is dat bedrag hier in Nederland gekomen?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Op dezelfde manier V: Nee want net gaf u aan dat het niet middels cash betalingen bij de notaris en aannemer ging maar via de Rabobank. Hoe is dat geld hier gekomen voordat het op de rekening werd gestort?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat moet ik thuis nakijken. Het is op dezelfde manier gekomen door een inzameling in Zweden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De [bedrijf 4] wordt door [medeverdachte 2] niet genoemd in zijn verhoor door de politie. Het komt het hof zeer onwaarschijnlijk voor dat iemand ‘vergeet’ van wie hij € 367.000,00 voor de aankoop van een huis heeft gekregen. Ook [medeverdachte 11] rept in zijn verklaringen tegenover de politie met geen woord over de [bedrijf 4] . Hij verklaarde, zoals reeds weergegeven, kort gezegd, dat de leden van de [familienaam 1] bij hem kwamen en dat hij opschreef wat hem werd verteld op te schrijven, zowel voor wat betreft het vermelde bedrag als de datum, en dat hij geen geld heeft gezien of ingezameld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot deze organisatie heeft [medeverdachte 11] verklaard dat de naam [bedrijf 3] ergens omstreeks 2004/2005 werd veranderd in [bedrijf 1] . Uit het procesdossier komt naar voren dat [bedrijf 1] staat geregistreerd sinds 28 mei 2004. Vanaf 31 januari 2008 staat het geregistreerd als niet actief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat de stelling van de verdachten erop neerkomt dat er leningen worden verstrekt door een organisatie die – gezien de verklaring van de voorzitter en gezien de bankrekeningen – niet over geld beschikt, waarvan de voorzitter heeft verklaard dat de organisatie geen geld leent en van welke leningen contracten worden opgesteld op een moment (14 april 2009) dat de organisatie al niet meer actief is. [medeverdachte 11] noemt de [bedrijf 4] jaren later in zijn verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris op 3 december 2014, waarin hij, sprekend over de rol van [bedrijf 1] als notaris en over het verlenen van legitimiteit, op een vraag van de verdediging of er – met [bedrijf 1] – vergelijkbare organisaties in Europa zijn, verklaart dat zeven tot acht jaar geleden het kerkgenootschap [bedrijf 4] is opgericht dat ook op die manier functioneert, als een soort overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nog weer veel later heeft de getuige [penningmeester bedrijf 4] een verklaring afgelegd bij de raadsheer-commissaris. Hij verklaart over de betrokkenheid van de [bedrijf 4] het volgende: ‘U houdt mij voor dat ik in mijn verklaring [het hof begrijpt: de eerdere verklaring die schriftelijk is ingediend] spreek over [betrokkene 7] . Wij hebben hem gekozen als penningmeester voor project Rosmalen in Holland. Hij was er verantwoordelijk voor dat hij financieel alles zou doen, dat was zijn taak. Er waren meerdere kandidaten voor maar het comité kiest dan iemand van dat land. Als het project is goedgekeurd komt het comité samen en dan wordt er gekozen uit drie of vier kandidaten wie dat gaat doen. U vraagt mij of ik weet hoe de heer [medeverdachte 12] het geld heeft ingezameld. Niet alles maar ik weet dat de heer [medeverdachte 12] vaak daarheen gereden is. Ik ben de eerste penningmeester en hij moet mij regelmatig, elke 3 of 4 maanden laten weten hoeveel geld hij heeft ingezameld.’ In deze getuigenverklaring wordt naar voren gebracht dat [betrokkene 7] als penningmeester voor dit project is aangewezen. Deze verklaring vindt geen steun in het procesdossier en sluit in het geheel niet aan bij de verklaringen van [medeverdachte 11] tegenover de politie, die immers heeft verklaard nooit geld te hebben gezien. [medeverdachte 11] heeft uitdrukkelijk verklaard dat hij nooit geld heeft ingezameld en bovendien heeft hij niets gezegd over het feit dat [betrokkene 7] penningmeester zou zijn voor de [bedrijf 4] en in het kader daarvan geld heeft ingezameld voor de [familienaam 1] in Nederland. [betrokkene 7] is ook zelf, onder andere wegens valsheid in geschrift, aangemerkt als verdachte in Zweden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de stelling juist zou zijn, dat [betrokkene 7] penningmeester was voor de [bedrijf 4] en in het kader daarvan voor de [familienaam 1] geld had ingezameld, had het toch niet meer dan voor de hand gelegen om hierover tegenover de politie te verklaren. Als deze inzameling inderdaad had plaatsgevonden, kan het naar het oordeel van het hof toch niet anders zijn dan dat hij als voorzitter van de Zweedse [groep] vereniging hiervan op de hoogte was of later bij het opmaken van de contracten hiervan op de hoogte werd gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij komt dat de [bedrijf 4] een officiële organisatie is, die (in ieder geval) gevestigd is in Duitsland. Schenkingen of leningen van deze organisatie zouden direct vanuit die organisatie kunnen plaatsvinden wanneer die organisatie zich daar daadwerkelijk mee zou bezighouden. Het is volkomen onbegrijpelijk waarom voor het doen van schenkingen of leningen door de in Duitsland gevestigde [bedrijf 4] een Zweedse organisatie zou moeten worden ingeschakeld als een soort van tussenpersoon en waarom hieromtrent valse overeenkomsten met deze Zweedse organisatie zouden moeten worden opgemaakt. Overeenkomsten waaruit zou voortvloeien dat een Zweedse organisatie aanspraak kan maken op aanzienlijke geleende geldsommen, terwijl die organisatie in de stelling van de verdachten dus niet de organisatie is waarvan het geld afkomstig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.7 Tussenconclusie Zoals hiervoor is overwogen, kan het – in theorie – zo zijn dat geld wordt ingezameld voor een ander lid van de [groep] voor het kopen van een woning. Dat dat in deze zaak ook gebeurd zou zijn, door Zweedse [groep] , de [bedrijf 1] dan wel de [bedrijf 4] , is echter op geen enkele manier gebleken. De ter onderbouwing daarvan opgemaakte overeenkomsten zijn vals en de verklaringen daaromtrent zijn tegenstrijdig. Wanneer er daadwerkelijk sprake was geweest van het inzamelen van geld door de [bedrijf 4] of een andere organisatie, had dat gewoon kunnen worden opgeschreven en waren valse overeenkomsten via [medeverdachte 11] niet nodig geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien merkt het hof op dat de verdachten alleen maar stellen dat er inzamelingen hebben plaatsgevonden, zonder dat zij dat ook maar enigszins hebben geconcretiseerd. Zo hebben zij niet duidelijk gemaakt waar zou zijn ingezameld, wanneer en door wie. Volgens de verdachten is de [groep] erg hecht, maar toch weten zij geen concrete personen te noemen die aan de inzameling zouden hebben bijgedragen. Zij hebben daarnaast ook niets verklaard over de wijze van vervoer of over de omwisseling van valuta. Verwacht mag immers worden dat als de inzamelingen inderdaad in Zweden zouden hebben plaatsgevonden, het ingezamelde geld uit Zweedse kronen zou bestaan, die dus zouden moeten worden omgewisseld in Nederlandse euro’s, nu een en ander contant zou zijn gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reden waarom al deze informatie niet is verschaft kan naar het oordeel van het hof enkel gelegen zijn in het feit dat deze inzamelingen niet hebben plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.8 Filmpjes en foto’s Door verschillende leden van de [familienaam 1] zijn ter terechtzitting filmpjes en foto’s getoond en aan het hof toegemaild waarop te zien zou zijn hoe inzamelingen in zijn werk gaan, in het bijzonder van de [bedrijf 4] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat deze filmpjes en foto’s geen betrekking hebben op de inzamelingen waar de verdachten zich in deze zaak op beroepen. Het zijn blijkbaar slechts voorbeelden van hoe het er in het algemeen tijdens een inzameling aan toe gaat. Naar het oordeel van het hof maken dergelijke algemene foto’s en filmpjes, die op internet zijn te vinden, maar waarvan niet duidelijk is wanneer ze zijn gemaakt en waarvoor geld wordt ingezameld en die bovendien geen betrekking hebben op de verdachten, hetgeen het hof hiervóór heeft overwogen met betrekking tot de inzamelingen waarop de verdachten zich beroepen niet anders. Het hof gaat dan ook aan die filmpjes en foto’s voorbij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof neemt op basis van de getoonde beelden aan dat er tijdens bijeenkomsten van de [bedrijf 4] geld wordt ingezameld, maar niet duidelijk is waarvoor/met welk doel wordt ingezameld. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij kerkelijke inzamelingen vaak geld wordt opgehaald voor bijvoorbeeld de aankoop van bijbels of anderszins doelen die in verband staan met (verspreiding van) het geloof. Dat er tijdens bijeenkomsten van de [bedrijf 4] geld wordt ingezameld voor de aankoop van onroerend goed is uit deze filmpjes en foto’s niet op te maken, noch daargelaten dat het zou gaan om de aankoop van onroerend goed voor de onderhavige verdachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door een aantal raadslieden zijn tussen de inhoudelijke behandeling van de zaak en de sluiting van het onderzoek ook nog foto’s en filmpjes verstrekt waarop volgens hen wel leden van de [familienaam 1] zijn te zien, bijvoorbeeld tijdens officiële gebeurtenissen van de [groep] dan wel bij familiale/religieuze bijeenkomsten, zoals een doop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof merkt op dat door de verschillende verdachten zeer veel moeite is gedaan om aan te tonen hoe hecht de familie is, hoe vaak men bij elkaar komt en op welke wijze hun cultuur tot uitdrukking komt tijdens gezamenlijke bijeenkomsten en inzamelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof twijfelt er niet aan dat er onderling contacten zijn en dat men elkaar helpt. Het is ook in het geheel niet uitgesloten dat ter gelegenheid van een doop, een communie, een trouwerij of een overlijden geld voor dat doel bijeen wordt gebracht. Deze foto’s en filmpjes dragen naar het oordeel van hof echter in het geheel niet bij aan de stelling van de verdachten dat er voor de financiering van een of meer van hun panden gebruik is gemaakt van een inzameling. Het hof gaat dan ook aan die foto’s en filmpjes voorbij.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.9 Noodzaak of behoeftigheid Door een van de raadslieden is aangehaald dat hij uit eigen wetenschap weet dat bij het overlijden van [naam 2] , een vroegere zigeunerkoning, geld werd opgehaald/ingezameld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hierboven reeds is besproken, twijfelt het hof er niet aan dat om de noden van mede- [groep] te ledigen geld wordt opgehaald en dat dit bijvoorbeeld gebeurt bij een huwelijk of bij een overlijden, bijvoorbeeld ten behoeve van een grafmonument. Echter, het feit dat dit in zijn algemeenheid gebeurt zegt niets over de herkomst van de onverklaarbare bedragen die in dit dossier voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is door de verdediging de verklaring van de heer [getuige 21] uit Oekraïne bij de raadsheer-commissaris van 24 januari 2019 aangehaald. Uit die verklaring is door de verdediging de volgende passage geciteerd: ‘Wij hebben in Charkov in Oekraïne een stichting ten behoeve van de [groep] . (...) Wij, als maatschappelijke organisatie, houden ons bezig met het steunen van mensen op sociaal of financieel gebied, zoals vele [groep] -organisaties. Wij hebben zelf geen mogelijkheden om financiële hulp te bieden, maar we hebben wel een netwerk dat we daarvoor kunnen inschakelen. Dat komt voort uit onze tradities, om elkaar te helpen. [bedrijf 4] was bezig met het inzamelen van geld om de Nederlandse maatschappelijke [groep] -organisatie te kunnen ondersteunen. (...) U vraagt mij of het klopt dat er geld moest worden ingezameld om de maatschappelijke organisatie in Nederland, vertegenwoordigd door [medeverdachte 2] , te ondersteunen. Ja. dat klopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij wat ik bedoel als ik spreek over de traditie die het inzamelen van geld omhelst. Elke maatschappelijke organisatie heeft zijn statuten met daarin de doelstellingen genoemd. Een van onze doelstellingen is het helpen van andere [groep] , of wij die mensen nu kennen of niet. Als iemand dat niet doet, als iemand zich passief opstelt in zo'n situatie, dan zegt dat iets over hem in de slechte zin. Wij zien het als onze plicht om mensen te helpen die het nodig hebben.’ Uit deze verklaring komt naar voren dat de organisatie waar de heer [getuige 21] deel van uitmaakt, zelf niet heeft ingezameld voor de [familienaam 1] . Aan de eventuele betrokkenheid van de [bedrijf 4] heeft het hof hierboven al overwegingen gewijd. Bovendien wijst het hof nog op de zin in die verklaring: ‘Wij zien het als onze plicht om mensen te helpen die het nodig hebben.’ Ook in het rapport van de deskundige Jorna wordt gesproken over bijstand voor mensen die behoeftig zijn: [groep] helpen elkaar door leniging van directe noden in het geval van ziekte en huisvesting, maar ook in het geval van bruiloften en begrafenissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof wijst erop dat uit het procesdossier naar voren komt dat toen de [familienaam 1] naar Nederland kwam en zich aanvankelijk in Lelystad vestigde, zij van overheidswege van huurwoningen is voorzien en dat een deel van de familie een (bijstands)uitkering kreeg. In de daaropvolgende periode zijn er door de familie diverse onroerende goederen aangekocht. Van behoeftig zijn of acute nood bij de [familienaam 1] lijkt naar het oordeel van het hof totaal geen sprake te zijn geweest. Op het moment van de aankoop van de [adres 2] beschikte de familie reeds over een groot aantal (luxueuze) panden. Uit de door de politie gemaakte kasopstelling en uit het onderzoek met betrekking tot de bankrekeningen blijkt tevens dat er bij de [familienaam 1] geen gebrek was aan financiële middelen, zoals hiervoor al is gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de stukken bevindt zich ook een verklaring dat er een renteloze lening van 80.000,00 Zweedse kronen is verstrekt voor de aankoop van een Mercedes voor [medeverdachte 10] (die er in totaal over vier beschikt). Daaruit blijkt heel duidelijk dat dit niets met noodzaak of het ledigen van behoeftigheid te maken heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.10 [organisatie] / [organisatie] Naast de [bedrijf 4] wordt in de stukken gesproken over de [organisatie] of [organisatie] in het kader van de bestaande cultuur bij de [groep] en het verkrijgen van gelden. Zo verklaart [medeverdachte 6] bij de raadsheer-commissaris het volgende: ‘De [organisatie] en mijn vader hadden besloten dat ze een pand in Nederland wilden aanschaffen. U vraagt mij of [medeverdachte 8] ook mocht meebeslissen. [medeverdachte 8] heeft beslist dat het huis op haar naam kwam. U vraagt mij waar dat geld vandaan kwam. Dat geld kwam uit Zweden van de [groep] . (…) In 1995 zijn er veel mensen van de [familienaam 4] stam bij ons gekomen. Er zijn ook mensen uit Nederland, België, Duitsland en Italië gekomen. Het overige geld is in Zweden ingezameld. Ik weet niet hoe het daar is gegaan.’ In het rapport van de deskundige Jorna wordt over de [organisatie] onder andere het volgende naar voren gebracht: ‘Of [medeverdachte 6] nu een koning onder [familienaam 4] was of niet – in Nederland dan wel voor de familie elders – een Rom-baro was hij zeker. Een baro is de eerste onder de ouderen in de familia en de vitsa: hij overziet het alledaagse leven en alle interacties tussen de leden, zowel in economisch opzicht als verwantschappelijk, en weet meerdere rollen tegelijk te hanteren. (...) De baro is in principe de schakel tussen kumpanhia en de buitenwereld (maatschappelijk werk, politie, burgemeester etc.). Van een meer spirituele orde is de puro. Als oude en zeer gerespecteerde onder de hoofden van grote families en clans, interpreteert de puro de zigeunerwetgeving ( [organisatie] ) en past die toe in overleg met anderen, in een panel van [organisatie] (rechtsprekers). In tegenstelling tot de kumania – een losse association – is de [organisatie] meer controlerend en gezaghebbend (Lemon, a, 1988).</p>\n<p class=\"lf-p\">De ‘ [organisatie] ’ komen alleen in uitzonderlijke, geëscaleerde situaties bijeen, wanneer informele individuele arbitrage of ‘divao’ niet meer werkt (Leeson, 2012, p. 138). De [organisatie] is het geheel van rechten en plichten in de [groep] cultuur, waarin ‘pajiv’ (eer en respect) tot de meest elementaire normen en waarden behoort. Iemand kan een geldboete krijgen, maar ook ‘mirimé’ (onrein) verklaard worden, wat kan leiden tot tijdelijke of zelfs permanente verbanning. Het type conflicten waarover ‘ [organisatie] ’ rechtspreken varieert: onderlinge diefstal of fraude of tussen man en vrouw. Maar ook in gevallen van hogere morele orde van groter economisch belang oordelen zij, wanneer schulden niet worden terugbetaald of bij de schending van een overeenkomst tussen ‘kumpanhias’: over het opereren in een bepaald territorium, oneerlijke concurrentie en markt vervuiling (zie Marushiakova, E, en Popov, V, 2012).’ Dat er sprake is geweest van enig conflict tussen de [familienaam 1] en enige andere familie, als gevolg waarvan een beslissing door de [organisatie] nodig was en is gegeven en waarbij geld is ontvangen is gesteld noch gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag rijst of de [organisatie] als rechtsprekend orgaan iets te maken heeft met inzamelingen. Uit het rapport van de deskundige Jorna blijkt het volgende: ‘Op de vraag van de Nederlandse raadsman in 2014 of het optreden van de zigeunerrechtbank gebruikelijk is binnen de [groep] cultuur, antwoordde een Zweedse tolk Romanes bevestigend ( [tolk 1/getuige] , 25 november 2014, p s). Aanvullend merkte [tolk 1/getuige] op dat de [organisatie] echter niet direct de plek is om over leningen en inzamelingen te spreken: ‘dat is meer een zaak voor familieberaad’. Over het algemeen nemen rechtsprekers misdrijven in behandeling, aldus de Zweedse [familienaam 4] , wanneer er ‘iemand vandoor gaat met een minderjarig meisje’ bijvoorbeeld.’ Kortom, dat de [organisatie] of [organisatie] in verband staat met het verkregen vermogen van de leden van de [familienaam 1] komt uit het dossier niet naar voren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.11 Onverklaarbaar vermogen De ‘inzamelingen’ waarover de leden van de [familienaam 1] verklaren hebben – naast de lening ten behoeve van de aankoop van een Mercedes voor [medeverdachte 10] – betrekking op de aankoop en/of verbouwing van onroerend goed. Ten tijde van de sluiting van een proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 november 2012 was de [familienaam 1] direct of indirect eigenaar van 13 panden. De WOZ-waarde van deze panden werd destijds al geschat op € 7.000.000,00 [opmerking hof: en ligt – gelet op de huidige huizenmarkt – vermoedelijk nog vele malen hoger]. Daarnaast is uit de hiervóór reeds besproken kasopstelling gebleken dat de uitgaven van de [familienaam 1] ruim € 2.000.000,00 meer dan hun legale inkomsten in de onderzochte periode. Er waren uitgaven gedaan voor de aanschaf en onderhoud van voertuigen voor een bedrag van € 277.890,70. Ook zijn uitgaven gedaan voor sieraden en andere luxe goederen. Deze hoge uitgaven door de familie, waarvan slechts een deel over een uitkering beschikte, kunnen simpelweg niet zijn gedaan met de legale inkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de verdachten is het geld voor het onroerend goed (en een Mercedes) via inzamelingen bijeengebracht, inzamelingen waarvan het hof zojuist heeft overwegingen dat niet aannemelijk is geworden dat die hebben plaatsgevonden. De verdachten hebben evenwel geen verklaring gegeven hoe zij aan het geld zijn gekomen voor de andere exorbitante uitgaven die zij in de onderzoeksperiode hebben gedaan, zoals voor de aanschaf van sieraden. Er is derhalve sprake van onverklaarbaar vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.12 Concluderende overwegingen Wat in het rapport van de deskundige Jorna uitgebreid naar voren komt is dat door de [groep] anders wordt aangekeken tegen eigendom. Hij beschrijft in paragraaf 4.2 van zijn rapport dat de [familienaam 4] eigendom opvatten als een gemeenschappelijk goed dat vervuld is van ‘pejiv’ (respect, eer) en dat gekanaliseerd wordt via verwant- en leiderschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt dat hier in beginsel uiteraard niets mis mee is. Solidariteit binnen de groep waarbij goederen – zoals woningen, auto’s of sieraden – als gemeenschappelijk goed worden beschouwd, ook al staan die goederen op naam van één van die personen, is echter niet het aspect waar het in deze strafzaak om gaat. Waar het in deze zaak om gaat is de herkomst van het geld waarmee deze gemeenschappelijke eigendommen zijn gefinancierd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is gedurende het strafproces met betrekking tot de cultuur veel naar voren gebracht door de verdachten en hun raadslieden. Het geld kwam van de [organisatie] , van de [bedrijf 4] , van [groep] uit Zweden of van [groep] uit de hele wereld. Er is aangevoerd dat het de cultuur is en dat het de godsdienst is en dat het feit dat hiernaar onderzoek wordt gedaan discriminatie is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is aangevoerd dat de huizen van de [groep] wereldwijd, van de [bedrijf 4] of van de [bedrijf 1] zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof merkt hierbij op, dat hoewel sprake is van (klassiek en conservatoir) beslag op onder andere onroerend goed, zich in de afgelopen jaren geen belanghebbende heeft gemeld om enig recht te doen gelden met betrekking tot die inbeslaggenomen goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen is aangevoerd door de verdachten is met veel stemverheffing en veel overtuigingskracht gebracht. En dat niet alleen, nadat alle onderzoeken door de politie waren verricht, lijkt er een spoor van bewijsstukken en verklaringen te zijn gekomen die niet te verenigen zijn met het opgemaakte procesdossier en de daarin neergelegde verklaringen. Daarbij rijst de vraag waarom de getuigen, bijvoorbeeld [medeverdachte 11] , zouden hebben gelogen tegenover de politie. Hij zou daarmee immers ook zichzelf benadelen. Bovendien komen zijn verklaringen overeen met hetgeen op zijn computer is aangetroffen, zoals hierna zal blijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof kan zich daarom niet aan de indruk onttrekken dat onder het mom van cultuur de verdachten het hof op een dwaalspoor hebben willen brengen. In het hele rapport van Jorna, deskundige op het gebied van de [groep] , uit 2015 komt het begrip [bedrijf 4] – waarvan in hoger beroep is betoogd dat de gelden daar vandaan zijn gekomen – niet voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast het feit dat de cultuur naar voren is gebracht, is ook aangevoerd dat de [familienaam 1] niet goed thuis is in de Nederlandse samenleving en zij als speelbal in de Nederlandse maatschappij is overgeleverd aan ingewikkelde bureaucratische systemen en ondoorzichtige regelingen. Aangevoerd is dat zij bij voorbaat met 3 - 0 achter staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de hand van het voorliggende procesdossier is het hof niet tot deze bevindingen gekomen. Het hof is juist onder de indruk van de wijze waarop de familie haar zaken heeft georganiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de woning aan de [adres 7] , de woning van [medeverdachte 10] , werd een Excelsheet aangetroffen waarop alle inkomsten en toeslagen van de hele familie waren opgenomen (ook van de mensen die niet in het pand aan de [adres 7] woonden). Daar is ook de boekhouding aangetroffen en veel stukken zijn netjes bewaard, overzichtelijk in mapjes op naam. De conceptovereenkomsten zijn naar een tolk gebracht en vervolgens aan [medeverdachte 11] in Zweden aangeleverd. De financiën zijn zo georganiseerd dat gelden worden witgewassen op een wijze dat daarover zo min mogelijk belasting hoeft te worden betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een Stichting opgericht waarin gelden zijn ondergebracht. De gelden worden op papier niet geschonken, maar renteloos geleend, zodat daarover geen schenkbelasting en geen vermogensbelasting hoeft te worden betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is – gelet op de hierboven geschetste omstandigheden – van oordeel dat er een groter brein achter deze hele gang van zaken zit. De wijze waarop een en ander is georganiseerd maakt in het geheel niet de indruk van enkele in de Nederlandse samenleving verdwaalden, die van niets wisten en nu in de val van de overheid zijn getrapt die het blijkbaar op hen had voorzien. Integendeel, er is sprake van een goed georganiseerde groep die zeer bovengemiddelde financiën tot de beschikking heeft, die op grote voet leeft en die er desalniettemin ook nog in slaagt om door de gemeente (bijstands)uitkeringen toegekend te krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 Beoordelingskaders 3.3.1 Beoordelingskader medeplegen Het hof stelt als toetsingskader het volgende voorop. Op grond van bestendige jurisprudentie moet voor medeplegen sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en derhalve eerder zien op het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Voor de vraag of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan in dat geval onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beslissingskader zoals dat in het hier voorgaande is weergegeven kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn. Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen. Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. in dezen: HR 02 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411).</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict, is het kernverwijt bij medeplichtigheid ‘het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf’.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.2 Beoordelingskader witwassen Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring voor het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een concreet aangeduid misdrijf. In de rechtspraak gelden dan ook twee hoofdlijnen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een verdenking van een concreet misdrijf waarbij ten gevolge van de opsporing daarvan ook de vermoedelijke buit in beeld komt. In dat geval is sprake van het zogeheten ‘eenvoudig witwassen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorwerp is onder bijzondere omstandigheden aangetroffen waardoor er een vermoeden van witwassen ontstaat en heeft derhalve geen bekend grond- of brondelict.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderhavige zaak is dan ook de vraag of een grond- of brondelict ten grondslag ligt aan het bewezenverklaarde witwassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een bewezenverklaring ter zake van dit wetsartikel is wel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ is kan – indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf – niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Voor het bewijs van een vermoeden van witwassen kan onder meer gebruik worden gemaakt van feiten van algemene bekendheid en zogenaamde witwastypologieën. Dit zijn min of meer objectieve kenmerken die, naar de ervaring heeft geleerd, duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven. De Financial Intelligence Unit (FIU) Nederland heeft deze feiten van algemene bekendheid, typologieën en andere indicatoren met betrekking tot witwassen in kaart gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, rov. 2.3.1.-2.4.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd van het uit enig misdrijf afkomstig zijn van het geld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat de hierna te noemen feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Kort samengevat betreft dit:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het door tien verdachten, behorende tot één en dezelfde familie, en een Stichting, bestuurd door drie leden van die familie, aanschaffen van een groot aantal panden – vanaf 1984 zeventien stuks – terwijl niemand van de familie een betaalde baan heeft;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de door een aantal van de familieleden genoten uitkering welke niet in verhouding staat tot het benodigde vermogen voor de aankoop van die panden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het grote aantal panden dat (grotendeels) contant is betaald;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat sprake is van geen dan wel een relatief beperkte hypothecaire lening en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat de contante betalingen telkens onder de grens van € 10.000,00 liggen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof betrekt daarbij ook dat blijkens het rapport kasopstelling er een verschil van (afgerond) € 2.002.168,00 is geconstateerd tussen de contante uitgaven en de legale contante inkomsten van de familie over de periode van 1 januari 2005 tot 3 april 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen mag van de verdachten worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geven voor de herkomst van het geld. De verdachten hebben in casu – kort gezegd – verklaard dat het geld afkomstig is van renteloze leningen van Zweedse [groep] -organisaties en de [bedrijf 2] , waartoe inzamelingsacties zijn gehouden. In dat kader is een aantal kwitanties en verklaringen/overeenkomsten voorhanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de verklaringen van de verdachten concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn, heeft het Openbaar Ministerie nader onderzoek verricht naar de genoemde leningen, nu die herkomst een alternatieve bronfinanciering zouden kunnen opleveren. Zo is een groot aantal getuigen gehoord in Nederland en Zweden en is nader onderzoek verricht naar de overeenkomsten. Dat dit onderzoek mede is verricht op verzoek van de verdediging is daarbij niet relevant. Het verweer van de verdediging, inhoudende dat het Openbaar Ministerie geen dan wel onvoldoende nader onderzoek heeft verricht, wordt mitsdien verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.3 Beoordelingskader valsheid in geschrift Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring voor het in artikel 225 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht opgenomen strafbare feit, sprake moet zijn van 1) een geschrift 2) met de functie van bewijsbestemming en 3) welk geschrift valselijk moet zijn opgemaakt of na het opmaken moet zijn vervalst. Bij het ‘valselijk opmaken’ gaat het om een geschrift dat in het geheel vals is opgemaakt. Bij het ‘vervalsen’ gaat het – kort gezegd – om het aanbrengen van wijzigingen, toevoegingen of verwijderingen op of aan een bestaand geschrift. Ook het nalaten om iets te doen – bijvoorbeeld het niet invullen van een formulier – kan valsheid in geschrift opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts moet dit geschrift zijn opgemaakt met 4) het oogmerk om als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. Het in artikel 225 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oogmerk ziet slechts op het gebruik van het valse of vervalste geschrift en niet op de valsheid zelf (vgl. HR 23 april 1996, DD 96280 en HR 12 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1033, NJ 1998/694). Het oogmerk ziet daarmee op de misleiding en niet op de bevoordeling of benadeling. Dit oogmerk behelst doelbewustheid met betrekking tot het gebruiken of het doen gebruiken van het valse c.q. vervalste geschrift als echt en onvervalst. Met andere woorden: had de verdachte de bedoeling het desbetreffende geschrift te (doen) gebruiken? Deze doelbewustheid behelst minst genomen zekerheids- of noodzakelijkheidsbewustzijn. Voorwaardelijk opzet is niet toereikend (vgl. HR 15 juni 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC4197 en HR 25 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC8151).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 Algemene bewijsoverweging ten aanzien van de rol van [medeverdachte 10] Betoogd is dat [medeverdachte 10] niet meer heeft gedaan dan zijn familieleden ter wille te zijn, omdat hij goed Nederlands spreekt en schrijft. Hij deed wel eens iets als men dat vroeg, maar dat maakt hem niet tot medepleger van witwassen en ook niet van valsheid in geschrift, aldus de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de rol van [medeverdachte 10] overweegt het hof het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.1 Taken [medeverdachte 10] binnen de familie De [familienaam 1] , waar alle verdachten deel van uitmaken, leeft in een groep. Het geld dat bij de familie binnenkomt, wordt in een gezamenlijke pot gedaan, waaruit de kosten worden betaald. De familie heeft ook de beschikking over een aantal huizen, voertuigen en sieraden waarvan door eenieder van die familie gebruik werd gemaakt. Het hof verwijst hieromtrent verder naar hetgeen hiervóór is overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de cultuur van de [familienaam 1] is naar voren gebracht dat vrouwen en jongeren binnen de groep weinig hebben in te brengen; de ouderen regelen de zaken. De ‘ouderen’ in de [familienaam 1] , die als verdachten worden aangemerkt zijn: [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 10] . De deskundige Jorna spreekt in zijn rapport over de vader van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] : ‘Of [medeverdachte 6] nu een koning onder de [familienaam 4] was of niet – in Nederland dan wel voor familie elders – een [groep] -baro was hij zeker. Een baro is de eerste onder de ouderen in de familia en de vitsa.’ Op basis van de hierna te bespreken verklaringen gaat het hof ervan uit dat [medeverdachte 2] na de dood van diens vader als leider van de groep kan worden aangemerkt. Hij is (volgens meerdere verklaringen) immers de opvolger van de ‘zigeunerkoning’ [medeverdachte 6] . Daaruit volgt naar het oordeel van het hof dat [medeverdachte 2] de nieuwe leider van de [familienaam 1] is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof gaat er – op basis van het voorhanden zijnde dossier – voorts vanuit dat [medeverdachte 10] kan worden beschouwd als de rechterhand c.q. ‘troonopvolger’ van [medeverdachte 2] . Belangrijke aankopen en betalingen regelden de [familienaam 1] – in het bijzonder de ‘ouderen’ – samen, zo blijkt uit verklaringen. In het bijzonder worden daarbij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 10] genoemd. Het hof wijst in dat verband op de navolgende verklaringen. [medeverdachte 6] heeft bij de politie verklaard dat hij al meerdere keren heeft verklaard dat alles [het hof begrijpt: alle stukken zoals overeenkomsten omtrent de leningen] bij de Belastingdienst is, dat alle brieven bij de heer [belastingman 1] liggen en dat de heer [belastingman 2] uit Lelystad, inspecteur van de Belastingdienst, alles van de [familienaam 1] weet. De heer [belastingman 2] heeft de heer [belastingman 1] ook voor de [familienaam 1] gebeld teneinde alles uit te leggen. De heer [belastingman 2] werkt thans als fiscalist in Lelystad. [medeverdachte 6] heeft voorts verklaard dat ze ongeveer drie weken geleden [opmerking griffier: drie weken voor 8 april 2012] bij de heer [belastingman 2] waren om alles te bespreken en dat ze met vier belastinginspecteurs zouden gaan praten. Als [medeverdachte 6] wordt gevraagd wie hij me ‘ze’ bedoeld, geeft hij aan: ‘ [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 10] en ik. We zouden met de Belastingdienst om de tafel gaan zitten. De belastinginspecteurs zijn: [belastingman 1] , [belastingman 3] , [belastingman 4] , en nog iemand. Alles wat zij ons vragen, krijgen ze. Als ze om brieven vragen, dan geven wij die.’ Als de verbalisant [medeverdachte 6] vraagt wie ervoor zorgt dat alle stukken worden verzameld voor de familie, verklaart [medeverdachte 6] : ‘Dat is [medeverdachte 10] , hij kan goed schrijven, hij spreekt goed Nederlands.’ [medeverdachte 5] heeft op 4 april 2012 bij de politie verklaard dat bij hen opa [het hof begrijpt: [medeverdachte 6]] de baas is en dat de oudste respect krijgt. De oudste krijgt respect van de hele familie en wat diegene zegt is zo. Zijn opa heeft altijd het respect gehad binnen de familie. Als [medeverdachte 5] met hem praatte, dan praatte hij rustiger terug en keek hij hem niet direct aan. Hij ging nooit tegen zijn opa in. Als iemand geen respect toonde richting zijn opa, dan was die persoon geen familie meer. Sinds zijn opa is overleden heeft de oudste zoon van zijn opa, [medeverdachte 2] , de plek van opa ingenomen en krijgt hij het respect van de familie. [medeverdachte 5] verklaart verder nog dat zijn vader de broer van [medeverdachte 2] is en dat zijn vader drie broers heeft [het hof begrijpt: [medeverdachte 2] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 6]].</p>\n<p class=\"lf-p\">[medeverdachte 5] heeft in een tweede verhoor op 4 april 2012 verklaard dat hij niet goed weet hoe de vergoeding heet die hij krijgt voor zijn moeder. Hij geeft aan dat hij dat niet regelt, maar dat zijn oom [medeverdachte 10] dat heeft geregeld. Voorts verklaart hij dat zijn vader [het hof begrijpt: [medeverdachte 3]] en zijn ooms [medeverdachte 2] en [medeverdachte 10] alles weten; zij zijn het hoofd van de familie. Als [medeverdachte 5] wordt gevraagd hoe de verhoudingen tussen de drie broers als hoofd van de familie zijn, verklaart [medeverdachte 5] dat zijn oudste oom [het hof begrijpt: [medeverdachte 2]] de belangrijkste rol heeft en dat de andere broers [het hof begrijpt: [medeverdachte 3] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 6]] naar hem – [medeverdachte 2] – luisteren. [medeverdachte 5] voegt daaraan toe dat binnen hun cultuur de oudste het meeste rechten en respect heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn oom [medeverdachte 10] heeft de vergoeding geregeld voor [medeverdachte 5] . Er werd een formulier naar hun huis gestuurd, zijn broer [medeverdachte 7] gaf hem dit formulier ter tekening en [medeverdachte 5] heeft dat formulier toen getekend. Hij verklaart verder dat hij de jongste zoon is, dat hij respect moet hebben richting zijn (oudere) broers en dat zij meer te zeggen hebben omdat zij ouder zijn. Hij heeft voorts verklaard dat het bij hen gebruikelijk is dat de oudere personen het respect van de jongere personen krijgen, dat hij als jongste kind zorgt voor zijn moeder, dat het ook gebruikelijk is binnen hun gemeenschap dat hij de zorg draagt, dat zijn moeder arbeidsongeschikt is, dat zij derhalve alleen nog kan koken maar meer niet en dat zij niet meer kan werken. [medeverdachte 3] heeft op 5 april 2012 bij de politie verklaard dat de boekhouder van de familie, de heer [boekhouder 1] , gestorven is en dat [medeverdachte 10] nu hun boekhouder is. [medeverdachte 3] verklaart verder dat [medeverdachte 10] [het hof begrijpt: formeel] geen boekhouder is, maar dat hij al een jaar [opmerking hof: dus sinds 2011] brieven met de Belastingdienst schrijft, enzovoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 2] nu alles overgenomen van zijn vader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als [medeverdachte 3] wordt gevraagd met wie hij wel eens naar Zweden is geweest, verklaart hij dat hij altijd met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 10] gaat. Als zij wat nodig hebben, gaan zij naar Zweden. Dat kan elk jaar zijn of elke vijf jaar. [medeverdachte 3] heeft voorts verklaard dat hij in de afgelopen vijf jaar twee of drie keer in Zweden is geweest. Hij is toen al die keren met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 10] gegaan. Hij heeft in Zweden gesproken over huizen en over illegale zigeuners in Europa. Zij hebben het laatste jaar ook over dingen als belasting gepraat. Hij heeft altijd gesproken [medeverdachte 11] en [tolk 1/getuige] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Als [medeverdachte 3] wordt gevraagd waarom de notaris een brief opstelt, verklaart [medeverdachte 3] dat zij altijd een overeenkomst maakten met de [bedrijf 2] . Dat is vanwege de moderne tijd, dan hebben ze een brief en via de stichting in Zweden en de notaris kunnen zij het een en ander bewijzen. Vroeger was het alleen mondeling maar in de moderne tijd moeten zij dit op papier zetten. Als [medeverdachte 3] wordt gevraagd of hij de brief kende, verklaart hij dat het verhaal normaal is bij hem en dat het kan zijn dat [medeverdachte 10] voor de brief heeft gezorgd. [medeverdachte 3] heeft verder verklaard – nadat hem wordt gevraagd welke stukken hij allemaal aan de notaris heeft overlegd in verband met voornoemde brief – dat hij denkt dat de notaris dit in 2009 al wist omdat zij al een aantal keren huizen bij de notaris hadden gekocht via deze manier en dat [medeverdachte 10] dit beter weet omdat hij de boekhouder is. [medeverdachte 10] kan die vragen beter beantwoorden dan hijzelf. Zoals hij net al aangaf, is [medeverdachte 10] hun boekhouder. De Belastingdienst was blij met [medeverdachte 10] , heel blij, aldus [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] heeft in een tweede verhoor op 5 april 2012 verklaard dat [medeverdachte 10] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 5] en [familienaam 3] ook op het adres [adres 7] verblijven. Hij verklaart dan verder dat het adres van [medeverdachte 10] is, het staat op zijn naam maar het is altijd van de [groep] . [medeverdachte 3] heeft ook verklaard dat hij denkt dat [medeverdachte 10] daar een jaar woont, dat [medeverdachte 10] geen inkomsten heeft, dat hij niet weet of [medeverdachte 10] ooit inkomsten heeft gehad en dat de [familienaam 1] tezamen zijn rekeningen betaald; zij helpen elkaar. [medeverdachte 3] heeft tijdens zijn verhoor op 7 april 2012 verklaard dat hij weet dat hij alleen met [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] naar Zweden is geweest, dat hij in 2011 ziek is geworden en toen een hartoperatie moest ondergaan, dat hij toen op controle moest gaan, hij tegen april weer een operatie moest ondergaan en dat hij straks in zijn hoofd weer geopereerd moet worden. [medeverdachte 3] heeft voorts verklaard dat hij veel van zijn herinneringen kwijt is, dat [medeverdachte 10] de laatste jaren veel met de Belasting doet en dat [medeverdachte 10] meer weet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 8 april 2012 heeft [medeverdachte 3] verklaard dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 6] en hijzelf de beslissingen binnen de [familienaam 1] in Nederland nemen. Hij heeft voorts verklaard dat [betrokkene 8] zijn overleden zus is, dat zij het huis aan de [adres 11] op haar naam heeft gekocht door de [bedrijf 2] . Toen zij overleed moest bij de stichting in Zweden [het hof begrijpt: stichting [bedrijf 3]] gezegd worden op welke naam het huis moest worden overgenomen. [medeverdachte 3] heeft verder verklaard dat dat zo ging tot [medeverdachte 10] , dat de politie het aan [medeverdachte 10] moest vragen omdat hij de papieren heeft geregeld. Als [medeverdachte 3] wordt gevraagd hoeveel geld de stichting heeft uitgegeven voor het onderhoud van het pand aan de [adres 11] , verklaart hij dat hij de datum kwijt is maar dat hij weet dat er is uitgebreid en dat er een garage is gebouwd. Hij heeft verklaard dat hij de laatste jaren voor drie huizen zorgt, dat [medeverdachte 10] daarvoor zorgt en dat hij er niet uitkomt met de stapel papieren die de politie hem laat zien; hij komt daar nooit uit en daarvoor moet de politie naar [medeverdachte 10] gaan. [medeverdachte 3] heeft voorts verklaard dat als hij vrijkomt een boekhouder moet gaan zoeken, dat dat volgens de Belastingdienst niet hoefde omdat zij [medeverdachte 10] hadden, maar dat zij nu een boekhouder moeten hebben net als de Gadjo [niet-zigeuners]. Het verzamelde geld komt volgens [medeverdachte 3] van de [groep] , waar het geld verder vandaan komt moet de politie aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 10] vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 7 april 2012 heeft [medeverdachte 4] verklaard dat hij 100% achter de stichting staat, dat zijn vader [het hof begrijpt: [medeverdachte 2]] en [medeverdachte 10] de mannen zijn die het weten en hoe het gaat en dat als – bijvoorbeeld – de Belastingdienst belt, dat zij dan met zijn vader en [medeverdachte 10] belt en niet met hem. [medeverdachte 2] heeft tijdens het verhoor op 5 april 2012 verklaard dat de hele [familienaam 1] leeft van de uitkeringen die zij krijgen, dat is hun inkomen. [medeverdachte 2] heeft familieleden thuis die naar school zijn geweest en dus kunnen rekenen. [medeverdachte 10] is volgens [medeverdachte 2] de boekhouder van de familie, om het zo maar te noemen, [medeverdachte 10] geeft aan wat er op welk adres betaald dient te worden; [medeverdachte 10] weet waar het over gaat. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij niet weet hoe [medeverdachte 10] dit doet, hijzelf heeft er geen verstand. Voorts verklaarde [medeverdachte 2] dat de [familienaam 1] tezamen de rekeningen betaald en dat de inzameling van fl. 500.000,00 op officiële wijze, via de notaris is gegaan. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat daaromtrent papieren zijn, dat hij eerlijk is en dat hij contact heeft met de overheid, de gemeente en ministeries.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als [medeverdachte 2] een in het Nederlands vertaalde overeenkomst wordt voorgelegd en wordt gevraagd wat daar staat, verklaart [medeverdachte 2] dat alleen [medeverdachte 10] deze papieren kan lezen en dat [medeverdachte 10] dan tegen hem zegt wat er staat in de [groep] taal, omdat [medeverdachte 10] hun boekhouder is. De verbalisant vraagt [medeverdachte 2] of hij moet voorlezen wat er staat zodat hij het zich weer kan herinneren. [medeverdachte 2] verklaart daarop dat alleen een [groep] tolk hem kan verduidelijken wat er staat. Als de verbalisant opmerkt dat zij al twee dagen Nederlands met elkaar praten en dat, als de verbalisant het een en ander toelicht, [medeverdachte 2] wellicht kan begrijpen wat er staat, verklaart [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 10] hun boekhouder is en dat hij het begrijpt. [medeverdachte 2] wordt gevraagd of hij degene was die de geldbedragen op de rekening van [stichting] stortte. [medeverdachte 2] heeft daarop verklaard dat hij zich de laatste zes of zeven jaar slecht kan herinneren, dat de familie nu zaken voor hem regelen en dat hij denkt dat [medeverdachte 10] hem gaat opvolgen omdat [medeverdachte 10] veel voor hem regelt. [medeverdachte 10] regelt ook de zaken met betrekking tot de stichting. De betrokkenheid van [medeverdachte 10] bij [stichting] bestaat uit het helpen met voorlezen van documenten van de Stichting, omdat [medeverdachte 2] niet kan lezen. Als [medeverdachte 2] wordt gevraagd of hij erfenissen ontvangt, verklaart hij dat hij die vraag aan [medeverdachte 10] wil overlaten omdat hij weet hoe het bij hun zit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat deze rol door de verschillende familieleden bij de raadsheer-commissaris worden afgezwakt doet naar het oordeel van het hof niet aan deze verklaringen af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het procesdossier komt naar voren dat [medeverdachte 10] inderdaad frequent contact heeft met de Belastingdienst, de gemeente en de notarissen om familiezaken te bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wordt bij een doorzoeking op de [adres 7] , waar [medeverdachte 10] eigenaar van is, een Exceloverzicht aangetroffen waarop alle uitkeringen van de leden van de [familienaam 1] vermeld staan, ook van de leden die niet op dit adres wonen. Tevens wordt er in de woning boekhouding aangetroffen, ook van personen die niet op dat adres wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.2 Financiële situatie van [medeverdachte 10] Uit de belastinggegevens blijkt dat [medeverdachte 10] in de periode 2005 tot en met 2010 geen arbeidsinkomen had. Ook ontving hij geen uitkering. Aldus had [medeverdachte 10] zelf geen (legale) bron van inkomsten. [medeverdachte 10] deelt wel mee in de rijkdom van de [familienaam 1] . Hij heeft de eigendom verkregen over het pand aan de [adres 7] , welk pand – gelet de foto’s die zich in het dossier bevinden – kan worden aangemerkt als een zeer riante villa, inclusief oprijlaan. [medeverdachte 10] woont in een woning die volgens het dossier een ‘koninklijke’ uitstraling heeft. [medeverdachte 10] heeft daarnaast de volgende bedragen op zijn bankrekeningen gekregen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>€ 54.061,50 in totaal gestort op een rekening aangehouden bij RABOBANK;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>€ 34.828,28 in totaal gestort op een rekening aangehouden bij ICS (VISA).</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij de doorzoeking bij het huis aan de [adres 7] worden vier auto’s aangetroffen die allemaal op naam van [medeverdachte 10] staan: een Mercedes Benz 170, een Mercedes Benz, type C220 CDI Sedan, een Mercedes Benz, type 500 SE U9 en een Mercedes Benz, type 500 SL UG.</p>\n<p class=\"lf-p\">De [adres 7] is bovendien ingericht en onderhouden zonder dat [medeverdachte 10] inkomen had in de onderzoeksperiode. Door [medeverdachte 10] zijn de afschriften van zijn Rabobankrekeningnummer [bankrekening 14] , over de periode van 5 januari 2005 tot en met 20 december 2010, aan de Belastingdienst verstrekt. Uit onderzoek naar dit bankrekeningnummer bleek dat er geen uitgaven ten behoeve van de aankoop, verkoop of verbouwing van onroerend goed zijn gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.3 Vrijspraak witwassen panden door [medeverdachte 10] Met betrekking tot het moment van aankopen van de panden ( [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] , [adres 6] en [adres 1] ) en de verdenking van het witwassen van gelden die hiermee gemoeid zijn wordt door de betrokken familieleden slechts in algemene termen over [medeverdachte 10] gesproken, voor zover er al over hem wordt gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de hand van de algemene context en de verklaringen van familieleden dat [medeverdachte 10] de zaken regelde, komt het hof niet tot het wettig en overtuigend bewijs dat [medeverdachte 10] bij het aanschaffen van de onderscheiden panden een zodanige rol heeft gespeeld dat zijn handelen als het medeplegen van witwassen moet worden aangemerkt. Met betrekking tot deze onderdelen van de tenlastelegging zal hij dan ook worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.4 Valsheid in geschrift Met betrekking tot de valsheid in geschrift is het hof van oordeel dat [medeverdachte 10] met betrekking tot de in de tenlastelegging opgesomde overeenkomsten (voor zover in hoger beroep nog aan de orde) een zodanige rol heeft gepleegd dat zijn handelen als medeplegen moet worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de Belastingdienst is op 12 december 2010 binnengegaan in verschillende woningen van de [familienaam 1] familie. Tijdens deze bezoeken zijn ambtshalve aanslagen opgelegd aan verschillende leden van de [familienaam 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen deze aanslagen zijn bezwaarschiften ingediend. Naar aanleiding van deze bezwaarschriften heeft er een overleg plaatsgevonden tussen de Belastingdienst, de boekhouder [boekhouder 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 10] . Op 17 september 2014 is de heer [belastingman 5] van de Belastingdienst gehoord. Aan dit verhoor is een verslag van de bijeenkomst gehecht die plaatsgevonden heeft op 7 februari 2011. Deze bijeenkomst vond plaats in het ziekenhuis vanwege de gezondheidssituatie van de boekhouder [boekhouder 1] . Van de zijde van de Belastingdienst waren daarbij aanwezig [belastingman 6] en [belastingman 5] . Hetgeen tijdens deze bijeenkomst werd besproken is vastgelegd. Die documenten zijn door de Belastingdienst, naar aanleiding van de ingediende bezwaarschriften, opgevraagd. De Belastingdienst verzocht om verstrekking van de leenovereenkomsten ten aanzien van [medeverdachte 10] en tevens ten aanzien van de andere familieleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het procesdossier komt naar voren dat er vervolgens leenovereenkomsten zijn opgesteld en geantedateerd, die aansluiten bij het verslag van de Belastingdienst. Het hof verwijst hierbij naar hetgeen is overwogen met betrekking tot de valsheid in geschrift bij ieder tenlastegelegd pand. Bij het opmaken van de overeenkomsten is vervolgens de tolk [tolk 2/getuige] ingeschakeld. De heer [tolk 2/getuige] heeft in zijn verhoor op 6 augustus 2012 onder andere verklaard dat het vertaalbureau waar hij werkzaam is in twee fases werkzaamheden heeft verricht voor de [familienaam 1] , te weten: van november 2006 tot en met december 2008 en daarna van januari 2011 tot en met februari 2012. Hij heeft voorts verklaard dat hij hoofdzakelijk contact heeft gehad met [medeverdachte 10] . [medeverdachte 10] vroeg ook altijd naar hem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is volgens de heer [tolk 2/getuige] mogelijk geweest dat – bij zijn afwezigheid – een voormalig collega van hem [medeverdachte 10] te woord stond. In het begin kwam [medeverdachte 10] met zijn vader [het hof begrijpt: [medeverdachte 6]] naar het kantoor. Na het overlijden van zijn vader kwam [medeverdachte 10] vaak met een ander familielid naar het kantoor. Voorts verklaard de heer [tolk 2/getuige] dat [medeverdachte 10] de laatste keren werd vergezeld door de neef van [medeverdachte 10] , wiens naam mogelijk begint met de letter ‘D’. De heer [tolk 2/getuige] heeft over zijn werkzaamheden voor de [familienaam 1] verklaard dat hij in het algemeen vertaalwerk deed, van Zweeds naar Nederland of van Nederlands naar Zweeds, twee keer hebben zij op verzoek vertaalwerk verricht van Zweeds naar Engels en twee keer van Nederlands naar Engels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vertalingen van Zweeds naar Engels heeft de heer [tolk 2/getuige] twee keer vertaalbureaus in Engeland ingeschakeld. Hij heeft voorts omtrent de werkwijze verklaard dat als een klant bij hun kantoor komt met een vertaalverzoek dat zij – indien zij dit zelf niet kunnen vertalen – een vertaler gaan zoeken. In dat laatste geval worden de stukken naar de vertaler verstuurd welke vervolgens aan de slag gaat. Als de vertaler klaar is ontvangen zij de vertaalde stukken en stellen zij deze ter beschikking van de klant. De heer [tolk 2/getuige] heeft voorts verklaard dat in geval van de [familienaam 1] , zij een vertaler hebben gezocht die Zweeds naar Nederlands en Nederlands naar Zweeds kon vertalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat was onder andere mevrouw [tolk 3] . De heer [tolk 2/getuige] heeft het vertaalbureau F.A.X. Translations het vertaalwerk Zweeds laten verzorgen. Als de stukken gereed waren belde de heer [tolk 2/getuige] [medeverdachte 10] met de mededeling dat de vertalingen gereed waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verbalisanten tonen vervolgens een overzicht van concept teksten (H03-1-18S.42 tot en met H03-1-18S.51) waarin er door derden nog handmatig wijzigingen zijn aangebracht in de concepten. De heer [tolk 2/getuige] heeft daaromtrent verklaard dat hij de getoonde stukken herkend omdat deze afkomstig zijn van hun taalbureau, dat deze sstukken door de [familienaam 1] in het Nederlands zijn aangeleverd en vervolgens naar de vertaler zijn doorgestuurd. Daarop heeft de vertaalster, vermoedelijk mevrouw [vertaalster] genaamd, bij onduidelijkheid inzake woonplaats- woonadres een opmerking gemaakt. Deze opmerking is vervolgens aan [medeverdachte 10] verstrekt. Nadien zijn deze conceptteksten vertaald in het Zweeds. Op verzoek van [medeverdachte 10] is de betreffende Nederlandse tekst op dezelfde bladzijde als de Zweedse vertaling opgenomen. De heer [tolk 2/getuige] heeft verder verklaard dat [medeverdachte 10] bij diverse documenten had verzocht om deze beëdigd te laten vertalen. Ook staat op de facturen vermeld welke vertaling heeft plaatsgevonden, wanneer wij de opdracht ontvangen hebben en wanneer de opdracht klaar was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze verklaring kan worden afgeleid dat [medeverdachte 10] degene is die naar het vertaalbureau gaat en de stukken aanlevert, waaronder de conceptovereenkomsten. Wanneer er onduidelijkheden zijn wordt er met [medeverdachte 10] contact opgenomen. Voorts is op verzoek van [medeverdachte 10] de Nederlandse tekst op dezelfde pagina opgenomen als de Zweedse vertaling en het is ook [medeverdachte 10] op wiens naam de rekeningen worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de tolk is er ook contact met [medeverdachte 11] . Hij is voorzitter van de Zweedse stichting en medeondertekenaar van de tenlastegelegde leningsovereenkomsten. Met betrekking tot zijn activiteiten en contacten met de Nederlandse [familienaam 1] verklaart hij onder andere dat hij het meest contact heeft met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 10] , dat dit contact meestal telefonisch is en dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 10] hem soms bezoeken in Zweden. Soms hebben zij contact per e-mail. [medeverdachte 11] heeft voorts verklaard dat de leningen in eerste plaats zijn verstrekt zodat de [groep] in Nederland een woning zouden kunnen aanschaffen en dat het misschien wat ongelukkig is dat [bedrijf 1] hieromtrent een verklaring heeft opgemaakt omdat het de indruk kan wekken dat die stichting de leningen heeft verstrekt, terwijl dat niet het geval is. [medeverdachte 11] heeft verder verklaard dat [bedrijf 1] geen geld heeft uitgeleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft [medeverdachte 11] verklaard dat bij de meeste gelegenheden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 10] bij hem op kantoor zijn geweest en daarbij de actuele verklaringen hebben gekregen. Hij kan de verbalisanten niet vertellen hoeveel verklaringen van leningen hij in totaal heeft opgemaakt, maar het zou zeker om ongeveer acht tot 10 stuks gaan. De intiatiefnemer van het opstellen van verklaringen van leningen was in het begin [medeverdachte 2] maar daarna kwam [medeverdachte 10] met de verzoeken om de verklaringen op te maken en op te laten stellen door hem, [medeverdachte 11] , en [bedrijf 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit een verklaring van [medeverdachte 2] komt naar voren dat hij [medeverdachte 10] nodig heeft bij deze bijeenkomsten. Wanneer aan [medeverdachte 2] een Zweedse overeenkomst wordt voorgelegd met betrekking tot de [adres 10] verklaart [medeverdachte 2] dat hij geen Nederlands kan lezen maar dat het wel is gegaan zoals op het papier staat vermeld. Dat papier is in Zweden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het bovenstaande leidt het hof af dat [medeverdachte 10] op de hoogte was van het feit dat de Belastingdienst om leenovereenkomsten had gevraagd met betrekking tot diverse panden en familieleden. Vervolgens worden er conceptovereenkomsten overhandigd aan de tolk [tolk 2/getuige] . Het contact tussen de [familienaam 1] ende tolk verlopen via [medeverdachte 10] . Bij onduidelijkheden wendt men zich ook tot hem. Vervolgens worden deze leenovereenkomsten mede ondertekend door [medeverdachte 11] , terwijl [medeverdachte 12] uitdrukkelijk heeft verklaard dat de Zweedse vereniging nooit geld heeft geleend. De verklaringen zijn derhalve vals. Het hof verwijst verder naar hetgeen is overwogen met betrekking tot de valsheid in geschrift bij ieder tenlastegelegd pand. Ook de contacten met [medeverdachte 11] verlopen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 10] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het geheel van deze handelingen leidt het hof af dat [medeverdachte 10] bewust heeft samengewerkt met de familieleden ten behoeve van wie de overeenkomst werd opgesteld en dat [medeverdachte 10] daaraan een substantiële bijdrage heeft geleverd. Ook was hij op de hoogte van de valsheid van de geschriften. Hij heeft daarmee het oogmerk gehad op de misleiding. Het hof overweegt daarbij dat uit het samenstel van feiten: [medeverdachte 10] was de boekhouder, hij regelde de financiën, hij had contact met notarissen, Belastingdienst en gemeente, kan worden afgeleid dat hij zelfs een zeer prominente rol heeft gespeeld bij de opmaak van deze valse overeenkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5 De afzonderlijke panden en overeenkomsten Het hof zal thans overgaan tot een bespreking van de afzonderlijke panden, aan de hand van voormeld stappenplan voor witwassen. Daarbij zal tevens worden ingegaan op de op het betreffende pand betrekking hebbende overeenkomsten en verklaringen, voor zover deze als vals dan wel als valselijk opgemaakt zijn tenlastegelegd. Het hof zal per pand c.q. overeenkomst of verklaring cursief aangeven op welke verdachten het betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.1 [adres 7] (tenlastegelegd aan alle verdachten uitgezonderd de Stichting) Door de verdediging wordt gesteld dat dit pand is gefinancierd door middel van de verkoop van het pand aan de [adres 11] aan Rijkswaterstaat in 2008, waarbij de verkoopopbrengst in de vorm van een renteloze lening aan [medeverdachte 10] ter beschikking is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het pand aan de [adres 11] 8 zou op zijn beurt in 1984 zijn gefinancierd door middel van een inzameling onder de [groep] , waarna het ingezamelde bedrag ad fl. 321.000,00 door de [bedrijf 2] als renteloze lening aan koper [betrokkene 8] ter beschikking is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bronfinanciering van de [adres 7] is derhalve gelegen in de inzameling ten behoeve van de [adres 11] 8. Daarmee hebben de verdachten een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat het pand aan de [adres 11] 8 op 13 november 1984 door [betrokkene 8] is gekocht voor een bedrag van fl. 300.000,00. Op 27 november 1995 respectievelijk 29 januari 2007 zijn aan [medeverdachte 10] bouwvergunningen verleend voor de bouw van een garage respectievelijk aanbouw bij dit pand. Rijkswaterstaat heeft het pand vanwege de omlegging van de Zuid Willemsvaart op 3 oktober 2008 gekocht van de erven van [betrokkene 8] voor een bedrag van € 1.689.600,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het pand aan de [adres 7] is op 27 april 2010 door [medeverdachte 10] gekocht voor een bedrag van € 640.000,00 en op 16 juni 2010 aan hem geleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat in het nadere onderzoek door het Openbaar Ministerie onvoldoende is ingegaan op de gestelde bronfinanciering, te weten de aankoop van de [adres 11] 8 in 1984. Gelet hierop is het hof niet in staat om met voldoende mate van zekerheid uit te sluiten dat de gelden een legale herkomst hebben en aan te nemen dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden geldt. Het enkele feit dat mogelijk sprake is van een (overigens niet tenlastegelegde) valselijk opgemaakte depotakte d.d. 21 oktober 2010, notariële schuldbekentenis d.d. 24 oktober 2008 en leenovereenkomst d.d. 28 oktober 2010 leidt niet reeds tot het oordeel dat voldaan is aan voornoemd criterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie: vrijspraak Het voorgaande brengt met zich dat verdachten van dit onderdeel van de tenlastelegging dienen te worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.2 [adres 6] 3.5.2.1 Met betrekking tot feit 1: witwassen (tenlastegelegd aan alle verdachten uitgezonderd de Stichting) Door de verdediging wordt gesteld dat de aankoop van het pand mede is gefinancierd door middel van een bedrag van € 125.000,00, afkomstig van de schadevergoeding ad € 200.000,00 die [benadeelde] in 2005 heeft betaald inzake het pand aan de [adres 10] , waarbij eerstgenoemd bedrag in de vorm van een renteloze lening aan [medeverdachte 3] ter beschikking is gesteld. Het pand [adres 10] zou in 1995 zijn gefinancierd door middel van een inzameling onder de [groep] , waarna de ingezamelde bedragen ad fl. 550.000,00 (voor de aankoop) en fl. 35.000,00 (voor de verbouwing) in de vorm van renteloze leningen aan [medeverdachte 8] ter beschikking zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bronfinanciering voor de [adres 6] is derhalve gelegen in de [adres 10] . Daarmee hebben de verdachten een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven.</p></div>", "next": 239697}