{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat zij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Bij belastingheffing zijn immers in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken. Met de heffing van omzetbelasting wordt immers beoogd de Staat der Nederlanden en de Europese Unie geldmiddelen te verschaffen die voor hun instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door haar handelwijze deze gemeenschapsbelangen geschonden. Dergelijk strafbaar gedrag leidt uiteindelijk ertoe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen. Voorts is het voor een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting essentieel dat kan worden uitgegaan van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Het systeem van de omzetbelasting is immers mede gebaseerd op het vertrouwen dat een (rechts)persoon een juiste aangifte doet en dat de Belastingdienst op basis daarvan de verschuldigde omzetbelasting of teruggave daarvan vaststelt. Door aangiften te laten indienen die niet stroken met de werkelijkheid, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ongecontroleerd in voorraad hebben van Kamagra-pillen, zijnde geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning geldt, vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid. Het gebruik van dergelijke geneesmiddelen kan immers medische, zo niet fatale, gevolgen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat zij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Daarbij komt dat uit het verhandelde ter terechtzitting naar voren is gekomen dat de verdachte zich onvoldoende is doordrongen van het kwalijke van haar gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 oktober 2020, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit weliswaar blijkt dat zij eerder, op 25 oktober 2017 door de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, onherroepelijk voor een strafbaar feit is veroordeeld, doch niet voor soortgelijke feiten als de onderhavige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij thans niet meer werkzaam is in de escortbranche, zij inmiddels vaste woonruimte heeft gevonden, zij twee studerende kinderen heeft, zij als personal trainer actief is voor mensen met overgewicht en trainingsmethodes schrijft, zangeres is en zich ten behoeve van promotiedoeleinden bij grote evenementen laat inhuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Een schuldigverklaring zonder oplegging van straf, dan wel in het uiterste geval oplegging van een geringe geldboete of taakstraf, waartoe door de verdediging is verzocht, doet naar ’s hofs oordeel geen recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, zodat het hof daartoe niet zal overgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Daarbij heeft het hof tevens de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van fraude, in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hetgeen overigens door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om ten gunste van de verdachte af te wijken van voormeld uitgangspunt. Met name afgezet tegenover de ernst van de bewezenverklaarde feiten legt hetgeen door of namens de verdachte naar voren is gebracht onvoldoende gewicht in de schaal om tot een andersluidend oordeel te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat de verdachte voor het eerst op 1 juli 2014 door de FIOD als verdachte is gehoord. Nadat zij was gedagvaard voor de rechtbank en de zaak in eerste aanleg was behandeld, heeft de rechtbank op 14 februari 2017 vonnis gewezen. Vervolgens is namens de verdachte op 22 februari 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 26 januari 2021 – einduitspraak. Het tijdsverloop tussen het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en het wijzen van vonnis door de rechtbank bedraagt derhalve ruim 30 maanden. Het tijdsverloop tussen het instellen van hoger beroep en het wijzen van eindarrest bedraagt op basis van het voormelde ruim 47 maanden. Voorts behelst de totale procesduur in eerste aanleg en hoger beroep meer dan 4 jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of haar raadslieden op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel de onderhavige zaak complex en omvangrijk van aard is en er op verzoek van de verdediging een zestal getuigen door de raadsheer-commissaris is gehoord, is het hof van oordeel dat die omstandigheden niet het gehele tijdsverloop kunnen en mogen verklaren. Van andere bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen is niet gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat telkens einduitspraak is gedaan na het verstrijken van twee jaren. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 6 maanden overschreden. In hoger beroep is sprake van een overschrijding van ruim 23 maanden. Het hof zal de totale overschrijding ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf zal matigen met 3 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte, evenals de rechtbank, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die zij in voorarrest heeft doorgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, alsmede de artikelen 1 en 40 van de Geneesmiddelenwet, zoals deze voorschriften luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">BESLISSING Het hof: verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beschermde partiële vrijspraken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde, betrekking hebbende op het (medeplegen van) opzettelijk onjuist en onvolledig doen van aangiften omzetbelasting over de maanden december 2009, juli 2010 en juli 2011; vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht: verklaart de inleidende dagvaarding, voor zover die betrekking heeft op het onder feit 4 primair tenlastegelegde, nietig; verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair, feit 1 subsidiair, feit 3 primair en feit 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij; verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 2 primair en feit 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt haar daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden; bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus gewezen door: mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mr. J. Platschorre en mr. P.J. Hödl, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier, en op 26 januari 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Platschorre voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vide onder andere Kamerstukken II 1988-1989, 21 287, nr. 3 (MvT), p. 6, 8, 13, 14 en 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2920.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Hoge Raad 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2920.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:121 en Hoge Raad 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1372.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0258; Hoge Raad 13 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0644 en Hoge Raad 18 juni 1986, BNB 1986/241.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 6 september 2012, Tóth, C-324/11, ECLI:EU:C:2012:549 en HvJ EU 18 december 2014, Italmoda, C-131/13, C‑163/13 en C‑164/13, ECLI:EU:C:2014:2455.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 6 juli 2006, Kittel en Recolta, C-439/04 en C-440/04, ECLI:EU:C:2006:446, punten 45, 46, 56 en 61 en HvJ EU 6 december 2012, Bonik, ECLI:EU:C:2012:774, punten 38‑40.</p></div>", "next": 0}