{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">(...) [verdachte] nam telefonisch contact op met het raamprostitutie in [plaats 4] en hij huurde daar ook de ramen voor [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . [verdachte] betaalde volgens mij ook de huur. (...) De eerste keer is [verdachte] dus samen met [slachtoffer 2] naar [plaats 4] gegaan en hebben ze samen daar de ramen geregeld. (...) [p. 435] (...) [slachtoffer 3] heeft maar een paar dagen gewerkt in [plaats 4] en [slachtoffer 2] naaide [verdachte] op dat [slachtoffer 3] haar werk niet goed deed en seks had met klanten zonder condoom. [verdachte] werd ineens zo boos. (...) [verdachte] was helemaal doorgedraaid en ik zag en hoorde dat hij zich keerde naar [slachtoffer 3] . Ik hoorde dat [slachtoffer 3] begon te schreeuwen en wist zeker dat ze door [verdachte] werd geslagen. Ik heb niet gezien hoe en met welke hand [verdachte] [slachtoffer 3] heeft geslagen maar ze is door [verdachte] geslagen. Volgens mij was ze ook met een ruk over de grond geslagen door [verdachte] . (...) Ik heb later wel blauwe plekken bij [slachtoffer 3] gezien. De blauwe plekken zaten rond haar oog. [p. 436] (...) De volgende dag of de dag daarna is er een ticket voor [slachtoffer 3] geregeld om haar naar Roemenië te sturen. [verdachte] heeft dit via internet geboekt. (...) [slachtoffer 3] is dus met blauwe plekken op haar gezicht en lichaam vertrokken naar Roemenië. Ook heb ik nog meer blauwe plekken op het lichaam van [slachtoffer 3] gezien zoals haar armen en benen. Verder heb ik haar niet naakt gezien en kan ik ook niet vertellen of ze nog meer blauwe plekken op haar lichaam had. (...) [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hadden zelf geen huissleutel. [p. 437] (...) Ik heb [slachtoffer 3] samen met [slachtoffer 2] een dag later of de dag erna, nadat ze klappen had gekregen, naar het vliegveld gebracht op 14 april 2009. (...) A: Ik weet dat [verdachte] beschikte over een revolver, dat is met zo een draaiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 6 september 2013 (bron I, map 4) [p. 446] Ik ben inderdaad in Roemenië vrouwen gaan halen voor [verdachte] . [verdachte] heeft deze meisjes in de prostitutie laten werken in [plaats 4] . Ik heb [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [slachtoffer 3] ] [slachtoffer 3] in Roemenië opgehaald. In ieder geval [slachtoffer 2] wist dat ze in de prostitutie zo gaan werken. Ik heb gezien dat [verdachte] hardhandig is geweest (...) naar [slachtoffer 3] toe. Ik heb [slachtoffer 2] een aantal keren naar [plaats 4] gebracht en weer terug naar [plaats 6] aan [adres 4] . (...) Verklaring [medeverdachte 1] d.d. 1 oktober 2013 (bron I, map 4) [p. 449] [getuige 2] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [getuige 2] ] en [verdachte] hadden afgesproken dat ik de vrouwen uit Roemenië moest halen. Ik moest met [getuige 2] mee van [verdachte] . (...) [verdachte] en ik hebben in Hamburg kennis gemaakt met [getuige 2] . (...) [p. 450] Hij zei dat hij nichtjes had die wel als prostituee zouden kunnen werken in Nederland. [verdachte] en [getuige 2] hebben daar afgesproken om die nichtjes te gaan halen in Roemenië en [verdachte] stelde aan [getuige 2] voor dat hij eerst mee ging naar Son. Onderweg hebben [verdachte] en [getuige 2] plannen gemaakt hoe die meisjes naar Nederland gehaald moesten worden. Op een gegeven moment stelde [verdachte] voor dat die meisjes uit Roemenië zou gaan halen. (...) [p. 454] A: [slachtoffer 3] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [slachtoffer 3] ] leverde niets op en ze moest terug naar Roemenië van [verdachte] . [verdachte] was ook bang dat [slachtoffer 3] naar de politie zou gaan omdat hij haar had mishandeld had. [slachtoffer 2] en ik hebben haar naar de airport in Brussel gebracht. [p. 455] V: Wat heb je aan de mishandelingen gezien bij [slachtoffer 3] ?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Dat was in de woning in [plaats 6] . [verdachte] heeft mij eerst op de grond gegooid (...) en vervolgens werd [slachtoffer 3] geslagen. (...) Dit was omdat [slachtoffer 2] tegen [verdachte] had gezegd dat [slachtoffer 3] haar werk niet goed deed en het had te maken iets met condoom of zonder condoom afwerken van een klant. Ik heb verder niet gezien hoe [slachtoffer 3] door [verdachte] werd mishandeld. Ik hoorde [slachtoffer 3] wel schreeuwen. [slachtoffer 3] was aan het huilen. (...) Verklaring van [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris d.d. 23 april 2015 [p. 1] In 2009 ben ik drie weken in Nederland geweest. (...) Mij is beloofd dat ik in Nederland geld zou gaan verdienen als danseres. Mij wordt gevraagd of ik dan in Roemenië geen baan kon vinden. Ik was 19 jaar. Ik zat toen nog op school Als ik al een baan had gevonden, zou ik bovendien een veel lager salaris in Nederland hebben verdiend. Mij is niet verteld hoeveel geld ik dan als danseres zou verdienen. Mij is wel gezegd dat het genoeg zou zijn om een auto te kopen, goud te kopen en geld naar huis te sturen. (...) Ik ben met de auto naar Nederland gegaan. In de auto zaten [slachtoffer 2] , de chauffeur, zijn naam weet ik niet meer, [getuige 5] , [getuige 7] en ik. Ik heb niets voor de reis betaald. [p. 2] (...) Toen wij aankwamen in Nederland in dat huis was die [verdachte] daar aanwezig (...) Ik had een kamer alleen en [verdachte] , [slachtoffer 2] en de chauffeur sliepen op de grond in de woonkamer. (...) U rechter-commissaris, vertelt mij dat ik voorafgaande aan die zin in mijn aangifte heb verklaard over mishandelingen door [verdachte] die door zouden zijn gegaan tot een uur of 02.00 uur of 03.00 uur en dat ik daarna op de kamer van de chauffeur alleen sliep. Dat klopt. (...) We kwamen ‘s avonds laat aan. De dag daarna ben ik met [slachtoffer 2] boodschappen gaan doen. De dag daarna gingen wij ‘s ochtends om 07.00 uur weg en gingen we naar België. Daar aangekomen bij de vitrines wees [slachtoffer 2] naar de vitrines met de dames erachter en ze vertelde dat zij en ik dat werk zouden gaan doen. Toen werd mij duidelijk dat ik niet in een club zou gaan dansen, maar dat ik als prostituee zou gaan werken. (...) Mij wordt gevraagd hoeveel dagen ik in de prostitutie heb gewerkt. Dat zijn één of twee dagen in België geweest. Volgens mij heb ik twee klanten in België gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsoverwegingen De advocaat-generaal acht de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten bewezen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank op grond van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, met dien verstande dat deze naar haar mening dienen te worden aangevuld met de verklaring van [medeverdachte 1] ten overstaan van de raadsheer-commissaris d.d. 26 mei 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft – op de gronden als nader in de pleitnota verwoord – primair integrale vrijspraak bepleit. Deze gronden houden – zeer kort samengevat – het volgende in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot feit 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bewijs voor feit 1 berust vooral op verklaringen. Er is geen steunbewijs in de vorm van telefoontaps, sms’jes, observaties, OVC-gesprekken, enz. De verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] zijn onvoldoende betrouwbaar, niet logisch en strijdig met andere bewijsmiddelen. Zij heeft een reden om verdachte vals te beschuldigen, omdat sprake was van een afgeketste, niet beantwoorde verliefdheid van haar op hem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet betwist wordt dat [slachtoffer 1] werkzaam is geweest als prostituee, maar niet kan worden bewezen dat de verdachte daarbij enige strafbare betrokkenheid heeft gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft in eerste aanleg verzocht om [getuige 3] als getuige te horen. Dat kon echter niet, omdat hij al was overleden. Zijn verklaringen in het vooronderzoek vormen het enige steunbewijs van de verklaringen van [slachtoffer 1] en zijn verklaringen zijn daarom beslissend. De omstandigheid dat de verdediging hem niet als getuige heeft kunnen ondervragen is niet op enigerlei wijze gecompenseerd. De verklaringen die hij bij de politie heeft afgelegd moeten daarom worden uitgesloten van het bewijs. Bovendien wijken zijn verklaringen op essentiële onderdelen af van die van [slachtoffer 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft ook de getuige [getuige 1] niet kunnen ondervragen, terwijl daarvoor geen compenserende maatregelen zijn getroffen. Ook diens verklaringen mogen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt. De verdachte zelf heeft betoogd dat hetzelfde geldt voor de verklaringen van de getuige [slachtoffer 2] en [getuige 2] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht het hof toch tot een bewezenverklaring komen, dan dient te worden uitgegaan van een kortere pleegperiode en kan niet worden bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1] meermalen heeft mishandeld en dat hij haar zou hebben gezegd of voorgehouden dat het door haar met de prostitutiewerkzaamheden verdiende geld voor haar gespaard/bewaard zou worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot feit 3:</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet kan worden bewezen dat sprake was van uitbuiting. Ook is er geen bewijs van strafbare betrokkenheid van de verdachte. Dat aangeefster [slachtoffer 3] onvrijwillig in de prostitutie is beland is niet aangetoond. Haar verklaringen zijn onvoldoende betrouwbaar en strijdig met andere bewijsmiddelen. Verder was sprake van een taalbarrière, doordat [slachtoffer 3] de verdachte niet kon verstaan en [slachtoffer 2] alles voor haar moest vertalen, zodat [slachtoffer 3] onjuiste aannames kan hebben gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte zelf heeft betoogd dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [slachtoffer 2] en [getuige 2] niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, omdat de verdediging niet de gelegenheid heeft gehad hen te ondervragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiair acht de verdediging de tenlastegelegde periode te lang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt hieromtrent – gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank – als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Naast hetgeen het hof hiervóór onder het kopje ‘Vrijspraak feit 2’ heeft overwogen met betrekking tot het juridisch kader van art. 273f, eerste lid, Sr, (het oogmerk van) uitbuiting en art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 3º, Sr, stelt het hof het volgende voorop. a. Art. 273f, eerste lid, aanhef en sub 1º, Sr Bij de beoordeling of sprake is van mensenhandel zoals bedoeld in artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 1º, Sr wordt gekeken naar drie elementen, te weten 1) een aantal handelingen, 2) een aantal dwangmiddelen en 3) het oogmerk van uitbuiting. Om tot een bewezenverklaring te komen moet er sprake zijn van een of meer handelingen onder uitoefening van dwang met het oogmerk van uitbuiting van de ander. Om het oogmerk van uitbuiting te kunnen vaststellen kan worden gekeken naar de hierboven omschreven omstandigheden (tewerkstelling, beperkingen en economisch voordeel), maar voor de invulling van de delictsomschrijving is niet nodig dat het slachtoffer daadwerkelijk wordt uitgebuit. Tussen handelingen en dwangmiddelen bestaat een causaal verband. De handelingen worden mogelijk gemaakt door het aanwenden van de middelen. b. Art. 273f, eerste lid, aanhef en sub 4º, Sr Artikel 273f eerste lid, aanhef en onder 4º Sr valt uiteen in tweede delen. De tenlastelegging is alleen geënt op het eerste deel, zodat het hof zich tot de bespreking van dit deel zal beperken. Het eerste deel ziet op het met een dwangmiddel iemand dwingen dan wel bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid. Het gaat er om dat iemand in de feitelijke situatie komt te verkeren waarin deze zich beschikbaar stelt tot het verrichten van die arbeid. Het betreft hier het gebruik maken van een uitbuitingssituatie. c. Art. 273f, eerste lid, aanhef en sub 9º, Sr ‘Uitbuiting’ moet ook worden aangemerkt als impliciet bestanddeel van art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 9º, Sr. Van uitbuiting in die zin is niet slechts sprake als het verrichten van seksuele handelingen plaatsvindt onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld, maar ook als de wijze waarop degene die een ander dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van (vrijwillig) verrichte seksuele handelingen meebrengt dat die bevoordeling plaatsvindt onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld (vgl. Hoge Raad 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:191). d. Misleiding en misbruik van een kwetsbare positie Tevens merkt het hof op dat de in de tenlastelegging gebezigde, aan artikel 273f Sr ontleende, termen ‘misleiding’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’, mede feitelijke betekenis toekomt (vgl. Hoge Raad 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3537).</p>\n<p class=\"lf-p\">e. Instemming betrokkene Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de instemming van betrokkene met het gegeven dat zij wordt uitgebuit en/of gedwongen in de prostitutie werkt niet aan een bewezenverklaring in de weg behoeft te staan indien een van de in art. 273f, eerste lid, Sr genoemde dwangmiddelen is gebruikt (art. 1 lid 2 EU-Kaderbesluit 2002 en art. 3 onderdeel b VN-mensenhandelprotocol 2000; Kamerstukken II 2003/04, 29291, 3, p. 19). Een beperking van keuzevrijheid van het slachtoffer is voldoende om het gedwongen karakter van de prostitutie aan te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifiek met betrekking tot feit 1 Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende. [slachtoffer 1] leert de verdachte in juni 2010 kennen. Zij blijft een aantal weken in zijn appartement in [plaats 1] omdat zij de huur van haar huis niet had betaald en zij wordt verliefd op hem. De verdachte komt elke dag weed of boodschappen brengen. De verdachte woont namelijk met zijn gezin in [plaats 3] . Als hij een paar dagen niet komt, krijgt ze de sleutel, maar de verdachte verwacht dat zij binnen blijft als hij er niet is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele weken na hun ontmoeting komt ter sprake dat [getuige 3] – een kennis van verdachte – een club in [plaats 5] (België) weet waar [slachtoffer 1] kan werken als prostituee. De verdachte en [getuige 3] brengen haar naar deze club waar ze een aantal dagen werkt. Op verzoek van de verdachte wordt ze steeds gebracht en gehaald door [getuige 3] . Het geld dat ze verdient geeft ze telkens de volgende dag aan de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">In overleg met de verdachte besluit [slachtoffer 1] om daar te stoppen, waarna de verdachte met het idee komt om in [plaats 4] te gaan werken. Met de verdachte en [getuige 3] gaat zij vervolgens naar [plaats 4] . Verdachte wilde dat zij daar een appartement huurt zodat ze niet elke dag op en neer van Nederland neer België hoeft. De verdachte vindt via een advertentie in een krantje een appartement op de [adres 2] in [plaats 4] . Als ze daar gaan kijken geeft verdachte haar € 1.100,- contant voor het betalen van de huur en de borg van het appartement en een garage die hij er bij wil om daar zijn auto te kunnen parkeren. [slachtoffer 1] tekent direct het huurcontract. Daarna gaan ze naar het [adres 5] om een (prostitutie)raam voor [slachtoffer 1] te zoeken. [slachtoffer 1] moet bellen naar telefoonnummers van lege ramen en vindt uiteindelijk een geschikt raam dat € 600,- huur per week kost. Wanneer het appartement en het raam geregeld zijn, keren ze terug naar [plaats 1] . Een paar dagen later brengt de verdachte [slachtoffer 1] naar het appartement in [plaats 4] en vervolgens zet hij haar ‘s avonds af bij het raam om te gaan werken. [slachtoffer 1] werkt ongeveer een maand onafgebroken voor de verdachte in [plaats 4] . De verdachte komt elke dag het door [slachtoffer 1] verdiende geld ophalen dat zij van hem op de tafel moet klaar leggen. De verdachte koopt de condooms voor [slachtoffer 1] . De verdachte heeft [slachtoffer 1] gezegd dat hij het geld voor haar zou sparen. [slachtoffer 1] wordt door de verdachte aangespoord om te werken, ook wanneer zij ongesteld is. Als zij ziek is, moet zij eveneens door werken. Tevens controleert de verdachte haar werkzaamheden en verdiensten door veelvuldig telefooncontact. De verdachte sms’t [slachtoffer 1] vaak als hij gaat slapen om te vragen of het druk is en hoeveel zij heeft verdiend. [slachtoffer 1] moet hem van alles op de hoogte houden: ze moet sms’en als ze stopt met werken, als ze in de taxi stapt om naar haar appartement te gaan en als ze thuis is om te gaan slapen. Dat laatste sms’je stuurt ze wat later om de verdachte te laten denken dat ze langer heeft gewerkt dan ze daadwerkelijk heeft gedaan. Dat doet ze omdat ze denkt dat de verdachte anders boos zou worden als hoe zijn merken dat ze naar zijn idee te vroeg met werken gestopt was. Van de verdachte moet ze met de taxi naar huis en daarvan de briefjes bewaren zodat het lijkt alsof ze zelfstandig werkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte neemt [slachtoffer 1] een keer mee naar het bos waar hij haar schopt en slaat en een schop boven haar houdt waardoor [slachtoffer 1] vreest dat hij haar hoofd van haar romp zal scheiden. Ook mishandelt hij haar een keer in het appartement, omdat zij haar stem verheft. Daardoor heeft ze blauwe plekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer [slachtoffer 1] door de verdachte wordt geslagen omdat ze te weinig heeft verdiend loopt ze bij hem weg. Na een paar dagen zoekt ze weer contact met de verdachte, waarna diens vriend [medeverdachte 5] een appartement voor haar regelt aan de [adres 3] . Van daaruit werkt ze ongeveer anderhalve maand in [plaats 2] bij de bootjes. Van den [slachtoffer 1] moet het verdiende geld weer op tafel klaar leggen voor de verdachte. Ze wordt steeds door [medeverdachte 6] van [plaats 3] naar [plaats 2] gebracht, maar moet van de verdachte na een politiecontrole wel met de taxi van het station naar haar werk en ook altijd een treinkaartje halen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat er gelet op de aard en de duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebracht en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller werd behaald, in dit geval sprake was van uitbuiting. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het slachtoffer al haar verdiende geld moest afgeven en dat dat geld niet, zoals door de verdachte was beloofd, voor haar is gespaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof leidt in navolging van de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat [slachtoffer 1] een kwetsbare persoonlijkheid was. [slachtoffer 1] had een problematisch verleden met mannen die haar hadden uitgebuit en zij had de verdachte hierover verteld. Ze had geen contacten met haar ouders en had geen vrienden. De verdachte heeft haar onderdak verschaft in een appartement in [plaats 1] omdat zij geen woning had. [slachtoffer 1] is verliefd op de verdachte geworden en werd daardoor emotioneel afhankelijk van hem. De verdachte moet dit hebben geweten en hij heeft daarop ingespeeld en verkreeg op die wijze een overwicht op [slachtoffer 1] . De verdachte verlaten was voor haar geen reële optie, omdat zij in beginsel nergens anders terecht kon. Ze is twee keer bij hem weggelopen en na korte tijd toch weer naar hem teruggegaan omdat ze door haar verliefdheid geen weerstand kon bieden aan zijn beloftes en zij geen andere plek had om naar toe te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook na meermalen mishandeld en bedreigd te zijn, blijft zij denken dat het goed zal komen. In die zin was [slachtoffer 1] niet in staat om zich te onttrekken aan de situatie waarin zij zich toen bevond. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij geloofde in een gezamenlijke toekomst met de verdachte. Hij zou zijn partner [betrokkene 1] en zoontje voor haar verlaten. De verdachte heeft [slachtoffer 1] zelfs een kindje beloofd omdat zij haar eigen dochter zo miste. Verder beloofde hij haar een auto, dat zij haar rijbewijs mocht halen en dat hij haar geld voor haar zou sparen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er in dit kader sprake is geweest van misleiding van [slachtoffer 1] door de verdachte. Van een affectieve relatie van de zijde van de verdachte is, voor zover uit het dossier naar voren komt, geen sprake geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof is aldus tevens sprake geweest van misbruik van dit uit de feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht en de kwetsbare positie van Van den [slachtoffer 1] omdat de verdachte zich bewust was of moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden waarin zij verkeerde. Het feit dat [slachtoffer 1] de verdachte uit verliefdheid beloofde dat ze hem rijk zou maken met de prostitutiewerkzaamheden en haar verdiensten daaruit aan verdachte afstond past in het beeld dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van [slachtoffer 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte [slachtoffer 1] meermalen heeft mishandeld en bedreigd. Hoewel er volgens de verdediging geen relatie bestaat tussen het toegepaste geweld in het bos en de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] , is het hof met de rechtbank van oordeel dat ook dit door de verdachte uitgeoefende geweld – en de dreiging daarmee – in elk geval jegens [slachtoffer 1] een versterkend effect heeft gehad op de dwang waaraan zij reeds onderhevig was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte dwangmiddelen als bedoeld in de wet heeft gehanteerd om [slachtoffer 1] te bewegen in de prostitutie te werken en hem te bevoordelen met de opbrengst daarvan en voorts de keuzevrijheid van haar in aanzienlijke mate heeft beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet – anders dan de verdediging – geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] – voor zover deze voor het bewijs zijn gebruikt – te twijfelen, omdat deze op essentiële onderdelen worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen, onder andere in de verklaringen van de getuige [getuige 3] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde berust in beslissende mate op de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] . De verdediging is in de gelegenheid geweest de getuige [slachtoffer 1] te ondervragen en heeft van die gelegenheid ook gebruik gemaakt tijdens haar verhoor door de rechter-commissaris op 17 april 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de rechtbank in eerste aanleg ook het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 3] ten overstaan van de rechter-commissaris had toegewezen, kon hieraan geen uitvoering worden gegeven omdat de getuige [getuige 3] inmiddels was overleden. Volgens de verdediging dienen de door de getuige [getuige 3] in het vooronderzoek afgelegde verklaringen daarom te worden uitgesloten van het bewijs. Het hof verwerpt dit verweer. In de eerste plaats bestond er een goede reden voor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid van de getuige [getuige 3] en bijgevolg voor het gebruik van de in het vooronderzoek afgelegde belastende, niet door de verdediging via een ondervraging getoetste, verklaringen van deze getuige, nu deze getuige inmiddels was overleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is, zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, de bewezenverklaring (‘veroordeling’) niet uitsluitend of in beslissende mate gestoeld op de verklaringen van deze getuige. Deze verklaringen ondersteunen slechts de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] , zoals ook de verklaring van de getuige Kestens en het proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van de controle van de ‘bootjes’ dat doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet hierop, kunnen de verklaringen van de getuige [getuige 3] voor het bewijs worden gebruikt zonder dat sprake is van oneerlijk proces.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het verweer van de verdediging dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [slachtoffer 2] en [getuige 2] om dezelfde reden moeten worden uitgesloten van het bewijs gaat het hof voorbij, nu het hof deze verklaringen, die niet ontlastend zijn voor de verdachte, niet voor het bewijs heeft gebruikt en de verdachte derhalve geen belang heeft bij de bespreking van dit verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alles overziend acht het hof met de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de periode van 1 juli 2010 tot 1 november 2010 schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. Voor inkorting van deze periode ziet het hof geen aanleiding, nu de verweten gedragingen blijkens de gebruikte bewijsmiddelen binnen die periode hebben plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verweren van de verdediging worden bijgevolg in al hun onderdelen verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifiek met betrekking tot feit 3 Uit de bewijsmiddelen blijkt het navolgende. Eind maart 2009 is medeverdachte [medeverdachte 1] in opdracht van de verdachte samen met ene [getuige 2] naar Roemenië gereden met het plan meisjes naar Nederland te halen om hen hier in de prostitutie te laten werken. Medeverdachte [medeverdachte 1] leerde in Roemenië [slachtoffer 2] kennen. [slachtoffer 2] sprak Roemeens en Turks en fungeerde daarom al snel als tolk voor medeverdachte [medeverdachte 1] bij het zoeken van geschikte personen om mee naar Nederland te gaan. [slachtoffer 3] werd daarbij ook benaderd. Zij was echter in de veronderstelling dat zij in Nederland in de horeca zou gaan werken. [slachtoffer 2] had haar in het bijzijn van [medeverdachte 1] verteld dat zij een club in Nederland had en had [slachtoffer 3] gevraagd om daar te komen dansen. Vervolgens is [slachtoffer 3] met de verdachte [medeverdachte 1] , [getuige 6] , [getuige 5] en [slachtoffer 2] naar Nederland vertrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens zijn verblijf in Roemenië onderhield medeverdachte [medeverdachte 1] steeds contact met de verdachte in Nederland om hem op de hoogte te houden van de stand van zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht met de rechtbank bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] [slachtoffer 3] uit Roemenië hebben meegenomen met het oogmerk haar ertoe te brengen hier als prostituee te werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat er gelet op in het bijzonder de aard van de tewerkstelling en de beperkingen die zij voor de betrokkene meebracht, in dit geval sprake is van het oogmerk van uitbuiting. De beperkte duur van de tewerkstelling en de omstandigheid dat het door de tewerksteller beoogde economische voordeel uiteindelijk niet is behaald, doen daaraan niet af. Het hof merkt hierbij op dat het slachtoffer het enige geld dat zij verdiend had heeft moeten afgeven aan de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 3] ten tijde van het tenlastegelegde een jonge Roemeense vrouw van 19 jaar was. Zij had geen werk in Roemenië en wilde in Nederland geld voor haar familie verdienen. Zij had weinig tot geen opleiding genoten en kwam uit een armoedige situatie in Roemenië. De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] moeten zich van deze slechte financiële positie bewust zijn geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat de levensstandaard voor veel mensen in Roemenië laag is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Nederland aangekomen zijn [slachtoffer 3] en de anderen door medeverdachte [medeverdachte 1] en de verdachte ondergebracht in een appartement in [adres 4] te [plaats 6] . Dat appartement was tevoren al in opdracht van de verdachte gehuurd door medeverdachte [medeverdachte 1] . Aan de Roemeense vrouwen werd dezelfde avond door verdachte via [slachtoffer 2] duidelijk gemaakt dat zij in de prostitutie moesten werken. De verdachte gedroeg zich daarbij agressief en intimiderend en hij liet zien dat hij een pistool had. [slachtoffer 3] sprak geen Nederlands, had geen eigen verblijfplaats noch werk, kende niemand in Nederland en had geen financiële middelen. [slachtoffer 3] was derhalve voor haar onderdak, voedsel en het genereren van inkomsten volledig afhankelijk van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de tweede dag na haar aankomst is [slachtoffer 3] samen met [slachtoffer 2] naar [plaats 4] gebracht waar zij achter een raam moest werken en twee klanten heeft gehad. ‘s Avonds werd zij door de verdachte en [medeverdachte 1] weer opgehaald. [slachtoffer 3] had hierin geen keuze omdat zij geen geld had voor een terugreis, zij niet weg kon en haar werd gezegd dat zij moest werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op deze omstandigheden is het hof in navolging van de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer 3] zich in een kwetsbare positie bevond en dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] door hun handelen ook misbruik hebben gemaakt van deze kwetsbare positie van [slachtoffer 3] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft [slachtoffer 3] ook fors mishandeld. Hij heeft haar na haar eerste werkdag in de auto vanuit [plaats 4] geslagen en haar keel dichtgeknepen. In het appartement in [plaats 6] heeft hij haar hard op de grond geduwd en in haar gezicht geslagen. [slachtoffer 3] had het verdiende geld in eerste instantie niet uit eigen beweging aan de verdachte afgegeven en kreeg toen klappen. De verdachte heeft [slachtoffer 3] tegen haar hoofd geschopt en een kussen op haar gezicht gedrukt waardoor ze dacht dat hij haar ging vermoorden. De volgende dag heeft de verdachte [slachtoffer 3] verplicht om hem en medeverdachte [medeverdachte 1] oraal te bevredigen. Tot een andere dag werken in de prostitutie is het echter niet gekomen omdat zij zo ernstig was mishandeld dat zij niet toonbaar was voor de klanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet – anders dan de verdediging – geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 3] – voor zover deze voor het bewijs zijn gebruikt – te twijfelen, omdat deze op essentiële onderdelen worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen, onder andere in de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] . Gelet op de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, kan het niet anders dan dat [slachtoffer 3] in haar verklaringen met [verdachte] telkens de verdachte heeft bedoeld. Het feit dat [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij dacht dat de verdachte een tatoeage op zijn linkerarm had en een oorbel droeg, hetgeen overigens niet is gebleken, doet hieraan niet af naar het oordeel van het hof. Het is zeer wel voorstelbaar dat [slachtoffer 3] zich in deze details heeft vergist, gelet op de situatie waarin zij zich bevond. Zij heeft verdachte van een foto herkend als de [verdachte] die zij bedoelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter onderbouwing van haar stelling dat aangeefster [slachtoffer 3] onbetrouwbaar is, heeft de verdediging onder andere erop gewezen dat haar zus heeft verklaard dat [slachtoffer 3] , toen ze in Nederland was aangekomen, steeds met een onbekend nummer belde. Dat aangeefster [slachtoffer 3] dat deed, is echter volkomen verklaarbaar, omdat uit de voor het bewijs gebruikte aangifte van [slachtoffer 3] van 6 maart 2013 (pag. 71) blijkt dat de verdachte haar eigen telefoon had afgepakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof gaat voorts voorbij aan de suggestie van de verdediging dat [slachtoffer 3] als gevolg van de taalbarrière onjuiste aannames zou kunnen hebben gedaan met betrekking tot de rol van de verdachte, omdat haar verklaringen, zoals gezegd, op essentiële onderdelen worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft ook betoogd dat de onvrijwilligheid van [slachtoffer 3] onvoldoende is aangetoond. Nog daargelaten dat eventuele instemming van betrokkene met het werk van prostitutie niet aan een bewezenverklaring in de weg staat indien een van de in art. 273f, eerste lid, Sr genoemde dwangmiddelen is gebruikt, blijkt uit de voor het bewijs gebruikte aangifte van [slachtoffer 3] van 6 maart 2013 (pag. 67 en 68) dat toen het haar duidelijk werd dat zij als prostituee moest gaan werken, het voor haar voelde dat ze niet weg kon uit die stad, dat ze geen geld had om zelf naar huis te gaan, dat ze niemand kende, dat ze niemand om hulp kon vragen en dat het daarom voor haar voelde dat ze geen keuze had.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bewijs van het onder 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde berust in beslissende mate op de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 3] . De verdediging is in de gelegenheid geweest de getuige [slachtoffer 3] te ondervragen en heeft van die gelegenheid ook gebruik gemaakt tijdens haar verhoor door de rechter-commissaris op 23 april 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het verweer van de verdediging dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [slachtoffer 2] en [getuige 2] moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat de verdediging niet de gelegenheid heeft gehad hen te ondervragen gaat het hof voorbij, nu het hof deze verklaringen, die niet ontlastend zijn voor de verdachte, niet voor het bewijs heeft gebruikt en de verdachte derhalve geen belang heeft bij de bespreking van dit verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht het hof met de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van haar kwetsbare positie [slachtoffer 3] heeft geworven vanuit Roemenië, haar heeft vervoerd, overgebracht en gehuisvest met het oogmerk die [slachtoffer 3] uit te buiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht bovendien met de rechtbank bewezen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] haar gedwongen hebben door dreiging met geweld, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van haar kwetsbare positie om zich beschikbaar te stellen voor de prostitutie en dat verdachte haar heeft gedwongen om hem te bevoordelen uit de opbrengst daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de bewijsmiddelen acht het hof met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde de samenwerking tussen de verdachten zodanig nauw en bewust, waarbij ieders intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht was, dat gesproken kan worden van medeplegen (het tezamen en in vereniging plegen) van deze feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortom, het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode 1 maart 2009 tot en met 14 april 2009 heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel in vereniging gepleegd. Voor inkorting van deze periode ziet het hof geen aanleiding, nu de verweten gedragingen blijkens de gebruikte bewijsmiddelen binnen die periode hebben plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verweren van de verdediging worden derhalve in al hun onderdelen verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: mensenhandel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: mensenhandel, terwijl het in artikel 273f, eerste lid onder 1° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op te leggen sanctie De verdediging heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd. Volgens de verdediging is sprake van een excessieve overschrijding van de redelijke termijn en is er geen redelijk strafdoel nog gediend bij een gevangenisstraf. De verdediging heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat de verdachte na de onderhavige feiten niet opnieuw met justitie in aanraking is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt hieromtrent het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van twee slachtoffers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste slachtoffer betreft een Nederlandse vrouw. Gedurende geruime tijd heeft hij zich haar verdiensten uit de prostitutie toegeëigend. Het slachtoffer stond dit toe omdat zij verliefd op hem was, een liefdesrelatie met de verdachte had, geen contact met familie of vrienden had en hem geloofde dat hij voor haar bij zijn gezin zou weggaan. Tegelijkertijd was ze bang voor de verdachte omdat hij geweld tegen haar gebruikte of daartoe dreigde. De verdachte gaf het slachtoffer alleen geld om boodschappen te doen en voorzag haar in haar huisvesting en van softdrugs. De verdachte heeft het slachtoffer met zijn auto vervoerd of laten vervoeren naar haar prostitutieplek en hij heeft haar werkzaamheden, werktijden en haar verdiensten voortdurend gecontroleerd. Dat zij reeds eerder werkzaam is geweest in de prostitutie en eerder slachtoffer is geweest van mensenhandel, doet naar het oordeel van het hof, gelijk de rechtbank, aan het kwalijke van zijn handelen in het geheel niet af. De verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van deze kwetsbare vrouw door ervoor te zorgen dat zij veel werkte, waardoor de verdiensten hoog waren, en vervolgens die verdiensten weer van haar af te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het andere slachtoffer is een vrouw uit Roemenië die daar in zeer armoedige omstandigheden leefde. De verdachte heeft het slachtoffer uit Roemenië naar Nederland gehaald met als doel haar in de prostitutie werkzaam te laten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van in elk geval één van deze slachtoffers heeft het hof met de rechtbank vastgesteld dat het slachtoffer is misleid ten aanzien van de aard van het werk dat van haar werd verwacht. Zij dacht te gaan werken als danseres, maar bij aankomst in Nederland bleek dat verdachte haar wilde laten werken in de prostitutie. Toen zij op haar eerste werkdag in de prostitutie bij een klant bepaalde seksuele handelingen niet wilde verrichten, heeft verdachte het slachtoffer laten ophalen en haar gedwongen die handelingen bij hem en de medeverdachte te verrichten. Daarbij is een ernstige inbreuk gemaakt op haar fysieke integriteit. Voorts heeft hij onder meer haar verdiensten van die dag afgenomen en heeft hij haar dreigend een pistool laten zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof vindt het evenals de rechtbank schrijnend dat de verdachte deze vrouw, die vanwege erbarmelijke leefomstandigheden een baan aanvaardt in het buitenland en daarvoor huis en haard verlaat, tegen haar zin in de prostitutiewereld brengt, waartegen deze vrouw geen verweer heeft omdat ze de taal niet spreekt, hier geen contacten heeft en niet de weg kent (ook niet naar hulpverlenende instanties).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel het gedwongen prostitutiewerk van dit Roemeense slachtoffer ‘slechts’ één dag heeft geduurd, is het hof van oordeel dat de verschillende vormen van mensenhandel waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt zodanig ernstig zijn, dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is, niet alleen om het aan de slachtoffers aangedane leed te vergelden, maar ook ter afschrikking. Bij de bepaling van de strafmaat heeft het hof onder meer rekening gehouden met de duur van de mensenhandel, het door de verdachte toegepaste geweld, het misbruik dat de verdachte heeft gemaakt van de kwetsbaarheid van de slachtoffers, het feit dat de verdachte puur uit financieel gewin vrouwen de prostitutie in heeft gebracht en de recidive van de verdachte. De verdachte is, blijkens het hem betreffende uittreksel van de justitiële informatiedienst d.d. 3 mei 2022, immers meermalen onherroepelijk veroordeeld, onder meer voor geweldsdelicten en – in 2006 – voor mensenhandel. Die eerdere veroordeling wegens mensenhandel heeft de verdachte er blijkbaar niet van weerhouden om opnieuw dergelijke feiten te plegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte er in het geheel geen blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers inziet, laat staan dat hij enige vorm van berouw of medeleven met de slachtoffers heeft getoond. Het hof rekent de verdachte dit alles zwaar aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van de verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 3 september 2013, de dag waarop de verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft op 19 januari 2016 vonnis gewezen. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen – nu de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht – 16 maanden na de aanvang van de redelijke termijn. Deze overschrijding bedraagt ongeveer 12 maanden en twee weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen dit vonnis heeft de verdachte op 19 januari 2016 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 15 augustus 2022. Ook in hoger beroep is de behandeling dus niet afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding bedraagt ongeveer 63 maanden en één week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel het gaat om een omvangrijke zaak en er op verzoek van de verdediging zowel in eerste aanleg als in hoger beroep rechtshulpverzoeken zijn uitgezet in het buitenland voor het horen van getuigen en er ook in beide instanties getuigen zijn gehoord, zijn er naar het oordeel van het hof onvoldoende bijzondere omstandigheden aanwezig die deze zeer forse overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep volledig rechtvaardigen. Het hof ziet in deze overschrijding dan ook aanleiding om een lagere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijding. Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, op zijn plaats zou zijn. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting zal het hof echter volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 60.192,83, bestaande uit een bedrag van € 50.192,83 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 10.000,- ter zake van immateriële schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 25.620,40, bestaande uit een bedrag van € 23.620,40 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 2.000,- ter zake van immateriële schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft, ingeval van integrale vrijspraak, geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiair heeft de verdediging het aantal door de benadeelde partij gewerkte dagen betwist (volgens haar waren het er 39), de gemiddelde inkomsten per dag (volgens haar bedroegen die € 250,- per dag) en het causale verband tussen de posten 2 en 3 en de bewezenverklaarde feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zou de vaststelling van een vergoeding ter zake van immateriële schade in de visie van de verdediging een onevenredige belasting van het strafproces opleveren, omdat het hof dan zou moeten beoordelen voor welk deel van de immateriële schade de verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden, nu de benadeelde partij reeds eerder gedwongen in de prostitutie heeft gewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt hieromtrent – grotendeels in navolging van de rechtbank – het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van feit 1 rechtstreeks schade heeft geleden tot een na te melden bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van de omvang van de materiële schade gaat het hof uit van een andere berekening van de inkomsten uit prostitutie dan zoals die volgt uit bijlage I bij de ‘Rapportage wederrechtelijk verkregen voordeel’ (zoals door de benadeelde partij onder post 1 wordt gevorderd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof gaat er vanuit dat de verdachte verantwoordelijk is voor de door de benadeelde partij geleden schade in de bewezenverklaarde periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht, gelet op hetgeen de benadeelde partij in haar voor het bewijs gebruikte verklaringen heeft verklaard, aannemelijk dat zij in deze periode gedurende:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>2 dagen in [plaats 5] ;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een maand (onafgebroken) in [plaats 4] (31 dagen) en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>anderhalve maand, gemiddeld 6 dagen per week in [plaats 2] (6 x 6 = 36 dagen) in de prostitutie heeft gewerkt en de opbrengsten aan de verdachte heeft afgedragen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dat zijn in totaal 69 dagen. Het hof gaat dus voorbij aan het door de verdediging genoemde aantal van 39 dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof neemt, eveneens gelet op de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de benadeelde partij, als uitgangspunt een (minimale) dagopbrengst van € 500,- en schat het inkomen uit prostitutie dat de benadeelde partij aan de verdachte heeft afgedragen op (ten minste) € 34.500,-. Ook hier volgt het hof het door de verdediging genoemde bedrag van € 250,- per dag dus niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het dossier blijkt dat de verdachte in deze periode van de opbrengsten uit prostitutie verschillende zaken heeft betaald voor de benadeelde partij, waaronder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Taxikosten, door het hof geschat op € 500,- CJIB boetes € 1.800,- Huur raam (€ 86,- p/d x 67) € 5.762,- Huur appartement [plaats 4] € 1.100,- Huur appartement [plaats 3] € 900,- Condooms € 450,- Boodschappen en softdrugs (geschat) € 500,- + Totaal € 11.012,- Het hof stelt het totaal van de gemaakte kosten derhalve op een bedrag van € 11.012,- en waardeert de schade uit post 1, inkomsten uit prostitutie, derhalve op een bedrag van: € 34.500,- € 11.012,- -/- € 23.488,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast acht het hof de – niet betwiste – onder post 4 gevorderde schade van € 132,40 ter zake van de eigen bijdrage voor de door Impegno geboden zorg als rechtstreekse schade van het onder 1 bewezenverklaarde feit voor toewijzing vatbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de rechtbank, stelt het hof de hoogte van de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 5.000,-. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op de aard, de ernst en de duur van het strafbare feit, waarvan de benadeelde partij het slachtoffer is. Het hof acht het alleszins aannemelijk dat het voor de benadeelde partij een zeer traumatische episode uit haar leven is geweest, waarvan zij nog lang last zal hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor de immateriële schade voor zover deze het bedrag van € 5.000,- te boven gaat en voor de materiële schade met betrekking tot post 1 voor zover deze een bedrag van € 23.488,- te boven gaat. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit is toegebracht, onder meer wegens het ontbreken van voldoende bewijsstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor de gevorderde vergoeding van materiële schade onder post 2 (behandeling GGZ) en 3 (aanvullende verzekering i.v.m. fysiotherapie), nu de psychische schade en fysieke gevolgen die het slachtoffer stelt te hebben geleden in elk geval mede zijn oorsprong lijken te hebben in het feit dat het slachtoffer eerder meermalen slachtoffer van mensenhandel is geweest en haar overige levensgeschiedenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van deze onderdelen van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. Het hof is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortom, het hof acht toewijsbaar als rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade: materiële schade ter zake van post 1: € 23.488,- ter zake van post 4: € 132,40 immateriële schade ter zake van post 5: € 5.000,- + Totaal € 28.620,40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 28.620,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal tevens bepalen dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57 en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">BESLISSING Het hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 28.620,40 (achtentwintigduizend zeshonderdtwintig euro en veertig cent) bestaande uit € 23.620,40 (drieëntwintigduizend zeshonderdtwintig euro en veertig cent) aan materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 28.620,40 (achtentwintigduizend zeshonderdtwintig euro en veertig cent), bestaande uit € 23.620,40 (drieëntwintigduizend zeshonderdtwintig euro en veertig cent) aan materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 178 (honderdachtenzeventig) dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 juli 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus gewezen door: mr. C.P.J. Scheele, voorzitter, mr. A.M.G. Smit en mr. M.M. Koevoets, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. I. Kroes, griffier, en op 15 augustus 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Scheele is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</p></div>", "next": 0}