{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">gewoon vluchten denk ik. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik weet het echt niet [betrokkene 4] . Ik ben alles aan het weg doen, mijn paarden naar Engeland, mijn vrachtwagen naar Engeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Meen je dat?</p>\n<p class=\"lf-p\">R: Ja.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Ja dat snap ik, je moet gewoon niks overhouden hier.</p>\n<p class=\"lf-p\">R: Ja (…) 33. Het schriftelijk bescheid, te weten een e-mail van de verdachte d.d. 8 februari 2013 gericht aan de Belastingdienst [DOC-099, dossierpagina’s 1461-1462], voor zover inhoudende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik ben ongelooflijk geschrokken van uw brief van 23 januari 2013, waarin u eenzijdig vaststelt dat [hotel 2] u € 446.500,00 verschuldigd is en dat ik die voor 6 maart moet betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo niet ik betaal volgen er aanslagen wettelijke rente en incassokosten en invorderingsmaatregelen. Mijn raadsman heeft mij al herhaald van uw machtsmiddelen op de hoogte gebracht en met welk geweld u die zonder enige titel kunt toepassen met alle onomkeerbare gevolgen van dien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In mijn geval is dat faillissement en werkloosheid van al mijn collega’s en het op straat moeten zetten van ruim honderd Rotterdammers, die nu in het [hotel 2] woonachtig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Want u weet – hetgeen ik al meerdere malen aan u en uw ambtenaren heb kenbaar gemaakt – dat ik de gelden niet kan voldoen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">34.</span>Het schriftelijk bescheid, te weten een brief van [bedrijf 9] d.d. 17 juli 2013 gericht aan [hotel 2] [DOC-105, dossierpagina 1478], voor zover inhoudende:</div>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij wordt u verzocht en zo nodig gesommeerd het volledige bedrag van € 1.420.803,57 binnen 14 dagen na heden te betalen op bovengenoemde bankrekening. Indien u hiermee nalatig zult zijn, zullen nadere rechtsmaatregelen volgen, waaronder mogelijk ontbinding van de Concessieovereenkomst of het aanvragen van uw faillissement. Wij zullen de vordering uit handen geven wanneer deze laatste minnelijke poging om betaling te verkrijgen niet blijkt te lukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij hopen dat u nu voldoende van de ernst van de zaak doordrongen bent.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">35.</span>Het schriftelijk bescheid, te weten een e-mailbericht van de verdachte d.d. 24 juli 2013 gericht aan [betrokkene 5] [DOC-103, dossierpagina 1468], voor zover inhoudende:</div>\n<p class=\"lf-p\">Ik probeer faillissement van twee hotels te voorkomen (…).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">36.</span>Het schriftelijk bescheid, te weten het vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam, team handel, d.d. 6 januari 2014 [DOC-065, dossierpagina’s 1309-1317] voor zover inhoudende:</div>\n<p class=\"lf-p\">In de zaak van: vennootschap onder firma [bedrijf 9] , gevestigd te Rotterdam en de stichting [Stichting 1] , gevestigd te Rotterdam, eiseressen, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [hotel 2] , gevestigd te Vlaardingen, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 7] , gevestigd te Vlaardingen, gedaagden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding d.d. 20 november 2013; de mondelinge behandeling d.d. 16 december 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing De voorzieningenrechter veroordeelt [hotel 2] om aan de [bedrijf 9] te betalen een bedrag van € 700.000,00.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">37.</span>Het schriftelijk bescheid, te weten de door curator [curator 2] in het faillissement van [hotel 2] opgestelde dagvaarding van [bedrijf 2] , [bedrijf 1] en de verdachte [DOC-027, dossierpagina’s 949-951], voor zover inhoudende:</div>\n<p class=\"lf-p\">De management fee voor januari 2014 was ten tijde van de betaling nog niet opeisbaar. [hotel 2] was de management fee – gelet op de betalingen in de voorgaande jaren – pas verschuldigd aan het einde van de maand. Er bestond daarom geen enkele reden om de management fee op 2 januari 2014 te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger van de betaling op 14 januari 2014 wist dat het faillissement van [hotel 2] op dat moment reeds was aangevraagd. [verdachte] is namelijk [middellijk] bestuurder van zowel [bedrijf 1] als [hotel 2] .</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">38.</span>Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 mei 2015, voor zover inhoudende de verklaring van curator [curator 2] [G-002-01, dossierpagina 499]:</div>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de betalingen aan [bedrijf 1] niet hadden plaatsgevonden, was het bedrag in de boedel aangetroffen en had dit verdeeld kunnen worden onder de schuldeisers.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">39.</span>Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 november 2015, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 1] [G-002-01, dossierpagina’s 506-511]:</div>\n<p class=\"lf-p\">De betalingen van [hotel 2] aan [bedrijf 1] vonden plaats vanuit de Deutsche Bank. De heer [verdachte] beschikte als enige over de internetbankiercodes en hij verrichte de feitelijke opdracht. De heer [verdachte] had zeggenschap en inzicht over alle betalingen. De huur werd niet betaald omdat de heer [verdachte] vond dat hij geld tegoed had van de verhuurder. Omdat er een conflict was met de verhuurder werd deze niet betaald.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">40.</span>Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 december 2015, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 1] [G-002-02, dossierpagina 522]: (…) De tweede overboeking is een betaling van management fee. Het bedrag is de fee met btw over januari 2014. De betaling en de berekening van de management fee heeft de heer [verdachte] gedaan. Het was niet gebruikelijk dat de management fee van tevoren werd betaald. Er werd betaald als er geld was.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">41.</span>Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 13 december 2015, [V-001-05, dossierpagina 616] voor zover inhoudende:</div>\n<p class=\"lf-p\">De tweede betaling (Het hof begrijpt: van 2 januari 2014 voor het bedrag van € 18.150,00) is de management fee over januari 2014. Ik weet niet meer waarom deze betaling op 2 januari 2014, dus vooraf is overgemaakt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">42.</span>De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2023, voor zover inhoudende:</div>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte verklaart het volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">U, voorzitter, houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik op 14 januari 2014 in Engeland was, maar dat ik ook aanwezig zou zijn geweest bij de behandeling van de faillissementsaanvraag van [hotel 2] op 14 januari 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik was aanwezig tijdens de faillissementszitting op 14 januari 2014 waar de faillissementsaanvraag van [hotel 2] behandeld werd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">43.</span>Het overzichtsproces-verbaal, zaaksdossier Faillissement [hotel 2] , inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] [OPV-2, dossierpagina’s 30-40]: [hotel 2] kocht in 2008 een Renault Master, een kleine vrachtwagen ingericht voor het vervoeren van paarden. De aankoopprijs werd gefinancierd door een leasemaatschappij. In 2013 werd de laatste betaling verricht aan de leasemaatschappij (het hof begrijpt: door [hotel 2] ), waardoor [hotel 2] eigenaar werd van de Renault Master. Op 10 januari 2014, vier dagen na de aanvraag van het faillissement van [hotel 2] , zette [verdachte] de Renault Master op zijn naam. Het eigendom had over kunnen gaan door een betaling van [verdachte] aan [hotel 2] . Die betaling heeft echter nooit plaatsgevonden. Een verrekening in rekening-courant bleef eveneens uit. Op 5 augustus 2014 verkocht [verdachte] de Renault Master aan [bedrijf 12] voor € 19.000,00. Curator [curator 2] had [verdachte] al meerdere keren verzocht om afgifte van de Renault Master. [verdachte] weigerde dit. In een e-mail van 4 augustus 2014 e-mailde [verdachte] zelfs aan zijn broer dat [verdachte] de Renault Master wilde verkopen alvorens in overleg te treden met de curator over een schikking. Later verklaarde de rechtbank Rotterdam voor recht dat de Renault Master eigendom was van [hotel 2] .</div>\n<p class=\"lf-p\">Op 23 december 2013 kocht [verdachte] namens [hotel 2] een Daimler Super V8. Een dag later betaalde [hotel 2] de overeengekomen aankoopprijs van € 14.000. De autodealer zette de Daimler op naam van [hotel 2] . Toen [verdachte] de Daimler op kwam halen, liet hij deze op zijn naam zetten. Het eigendom had over kunnen gaan door een betaling van [verdachte] aan [hotel 2] . Die betaling heeft echter nooit plaatsgevonden. Een verrekening in rekening-courant bleef eveneens uit. In augustus 2014 gaf [verdachte] opdracht aan een autodealer om de Daimler te verkopen. [verdachte] had de curator niet geïnformeerd over de Daimler. [AMB-047, dossierpagina 361] De Daimler stond op 24 december 2013 op naam van [hotel 2] en van 24 december 2013 tot en met 20 augustus 2014 op naam van [verdachte] . Op het moment van raadplegen stond de auto op naam van Rotterdamse [bedrijf 13] Ik heb in de bankmutaties geen betaling aangetroffen van [verdachte] naar [hotel 2] . Ook zag ik geen boeking in de rekening-courant tussen [hotel 2] en [verdachte] of een van de vennootschappen waarvan [verdachte] (indirect) bestuurder was. De curator trof de Daimler niet aan in de boedel.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">44.</span>Het schriftelijk bescheid, te weten een brief van curator [curator 2] gericht aan de verdachte d.d. 11 februari 2014 [DOC-024, dossierpagina’s 883-886], voor zover inhoudende:</div>\n<p class=\"lf-p\">In vervolg op onze bespreking d.d. 29 januari 2014 bericht ik u als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de jaarstukken van [hotel 2] blijkt dat de een Renault Master met kenteken [kenteken 2] werd geleased. De financiering is in 2013 door [hotel 2] afgelost. Hiermee is het eigendom overgegaan naar [hotel 2] .</p>\n<p class=\"lf-p\">In ons gesprek hebt u zich op het standpunt gesteld dat de auto uw privé-eigendom is. Ik verzoek u dit nader te onderbouwen, of alsnog over te gaan tot afgifte van de auto. Voor zover nodig sommeer ik u hiertoe nogmaals.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">45.</span>Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 december 2015, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 5] [G-007-01, dossierpagina 551]:</div>\n<p class=\"lf-p\">Ik ben werkzaam als salesmedewerker bij de Rotterdamse [bedrijf 13] . Ik heb een Daimler met het kenteken [kenteken 1] verkocht aan [hotel 2] [verdachte] heeft de auto uitgezocht en de onderhandelingen met mij gevoerd. Het contract was opgemaakt op [hotel 2] . De consignatie-overeenkomst betreffende deze auto [DOC-191] zal op [hotel 2] staan omdat deze gegevens in het systeem staan en [verdachte] niet heeft aangegeven dat dit gewijzigd moet worden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">46.</span>De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 juli 2018, voor zover inhoudende: [hotel 2] was eigenaar van het vrachtwagentje, een Renault Master. Dit voertuig stond ook op naam van [hotel 2] . Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 september 2014 is voor recht verklaard dat de Renault Master eigendom is van [hotel 2] en in de faillissementsboedel valt. Het is steeds mijn intentie geweest om het vrachtwagentje privé te kopen. Op enige moment heb ik wel de tenaamstelling van de Renault Master gewijzigd. maar ik heb nooit een betaling aan [hotel 2] gedaan om het vrachtwagentje over te kopen. Uiteindelijk heb ik de Renault Master verkocht en heb ik het geld zelf gehouden. Dat geef ik toe.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Daimler Super V8 heb ik op naam van [hotel 2] gekocht en dit voertuig is aanvankelijk op naam van [hotel 2] gesteld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">47.</span>Het overzichtsproces-verbaal, zaaksdossier Faillissement [hotel 2] , inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] [OPV-2, dossierpagina’s 30-40]:</div>\n<p class=\"lf-p\">2.5: het onttrekken van kunst aan de boedel van [hotel 2] [gebaseerd op AMB-029] Veel hotelkamers van [hotel 2] waren voorzien van schilderijen. [hotel 2] was eigenaar van deze schilderijen. Kort voor het faillissement huurde [verdachte] een externe opslagbox bij [bedrijf 14] in Rotterdam. Samen met medewerkers van [hotel 2] haalde [verdachte] minimaal 187 schilderijen van de muren van het hotel en sloeg deze op in de gehuurde opslagbox. Bij een bezoek aan [hotel 2] viel de curator op dat er geen schilderijen meer aan de muren hingen. De curator hoorde vervolgens van een medewerker dat de schilderijen naar een externe opslaglocatie waren gebracht. Omdat [verdachte] weigerde om de schilderijen vrijwillig of te geven, vroeg de curator toestemming aan de voorzieningenrechter om de schilderijen in beslag te nemen. Na de toestemming van de voorzieningenrechter nam een gerechtsdeurwaarder 187 schilderijen in beslag in de door [verdachte] gehuurde opslagbox. De door [verdachte] onttrokken schilderijen werden vervolgens teruggebracht naar het hotel.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">48.</span>Het proces-verbaal van onderzoek naar schilderijen [hotel 2] d.d. 7 december 2015, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] [AMB-029, dossierpagina’s 168-173]:</div>\n<p class=\"lf-p\">Op 6 januari 2014 is een verzoekschrift met de aanvraag van het faillissement van [hotel 2] binnengekomen bij de rechtbank te Rotterdam. [hotel 2] is vervolgens gefailleerd op 17 januari 2014. Verdachte [verdachte] was feitelijk bestuurder van [hotel 2] . Met ingang van 9 januari 2014 heeft verdachte [verdachte] een unit van 12 m2 gehuurd bij [bedrijf 14] . Op 15 januari 2014 wordt vanaf het e­mailadres van verdachte [verdachte] een bericht gestuurd naar het e-mailadres van een medewerker van [hotel 2] , waarin vermeld is dat de medewerker een vrachtwagentje moet huren en schilderijen naar een veilige opslag moet vervoeren [DOC-144]. Op 29 januari 2014 heeft een gerechtsdeurwaarder in opdracht van de curator van [hotel 2] conservatoir beslag gelegd op deze 187 kunstwerken in een door verdachte [verdachte] gehuurde unit bij [bedrijf 14] . De huur van de unit is beëindigd op 12 februari 2014. De kunstwerken zijn verkocht voor een bedrag van€ 29.375,00 49. Het schriftelijk bescheid, te weten een brief van curator [curator 2] gericht aan de verdachte d.d. 11 februari 2014 [DOC-024, dossierpagina’s 883-886], voor zover inhoudende:</p>\n<p class=\"lf-p\">In vervolg op onze bespreking d.d. 29 januari 2014 bericht ik u als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat u weigerde mee te werken om de schilderijen af te geven ben ik – zoals ik u aankondigde – overgegaan tot het leggen van conservatoir beslag.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">50.</span>Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 mei 2015, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 4] [G-001-01, dossierpagina’s 497-501]:</div>\n<p class=\"lf-p\">Ik ben advocaat en curator bij [bedrijf 8] In het dossier van [hotel 2] ben ik betrokken bij alle praktische en juridische zaken in het dossier. Ik ondersteun de curator bij alle werkzaamheden in het faillissement.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestuurder van [hotel 2] was [bedrijf 2] De bestuurder van deze B.V. was de heer [verdachte] . Alles ging via [verdachte] . De aanloop naar het faillissement is best een lang verhaal. Het [hotel 2] is veroordeeld om aan de verhuurder een bepaald bedrag te betalen voorafgaand aan het vast te stellen bedrag, dit is echter niet gebeurd. De verhuurder heeft vervolgens op 6 januari 2014 het faillissement aangevraagd. De heer [verdachte] was in ieder geval op 14 januari 2014 op de hoogte van de faillissementsaanvraag want op dat moment was hij op zitting in de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de kunst kan ik verklaren dat het een huurkoop constructie was. De huurtermijnen zijn betaald door [hotel 2] . Dit blijkt uit de jaarrekening. Ook de contracten staan op naam van [hotel 2] , dit contract is bijgesloten bij de aan u overhandigde dagvaarding. Op datum faillissement was de laatste huurtermijn reeds betaald waardoor [hotel 2] eigenaar was van de kunstobjecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aankomst in het hotel merkten wij op dat er schilderijen misten. Een werknemer heeft vervolgens aan ons verklaard dat hij op verzoek van de heer [verdachte] de schilderijen uit het Hotel heeft verwijderd en opgeslagen in een loods in Rotterdam. We hebben de heer [verdachte] hiermee geconfronteerd en hem in de gelegenheid gesteld om de schilderijen vrijwillig terug te geven, dit weigerde hij. Na tussenkomst van politie en deurwaarder, heeft de heer [verdachte] de schilderijen teruggegeven aan de boedel, hij bleef echter wel beweren dat deze schilderijen aan hem privé toebehoorden. Het ging uiteindelijk om 187 schilderijen. Voor wat betreft de kunst heeft hij in het begin stadium van het faillissement geweigerd om juiste inlichtingen te verstrekken ten aanzien van het eigendom en de locatie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">51.</span>De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 juli 2018, voor zover inhoudende:</div>\n<p class=\"lf-p\">In de kamers van [hotel 2] hingen diverse schilderijen. Na afloop van de leaseovereenkomst zijn die schilderijen eigendom van [hotel 2] geworden. Toen de aanvraag van het faillissement kwam heb ik de schilderijen geprobeerd veilig te stellen om te voorkomen dat die schilderijen in het bezit van de concessiegever van [hotel 2] terecht zouden komen. Vervolgens heb ik de schilderijen van de muur laten halen en opgeslagen in een opslagfaciliteit van [bedrijf 14] in Rotterdam. Ik weet niet hoe de curator erachter is gekomen dat de schilderijen bij [bedrijf 14] waren ondergebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">U leest mij de tekst voor uit een e-mail van 15 januari 2014, verzonden door mij aan [betrokkene 5] [DOC-144] inhoudende: \"Beste [betrokkene 5] . Ik begrijp het volkomen! Ik knok nog door: moet straks nog een bericht aan de rechtbank sturen. Neem alvast alle schilderijen mee voor jezelf mocht het fout gaan: zijn nog twee karren vol: wat ze waard zijn weet ik niet! Huur morgen een vrachtwagentje en vervoer ze naar een veilige opslag: ook dat schilderij in mijn kantoor. Als het ergste gebeurt, dan gaan we verder zoeken\". Ik heb deze email geschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oorspronkelijk tenlastegelegde bedrag van € 485.672,02 minus het in de beschermde vrijspraak vallende bedrag van € 206.360,00.</p></div>", "next": 0}