{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Verder rekent het hof de verdachte aan dat zij nooit haar (volle) verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar daden en voor de pijn en het verdriet dat zij haar dochters en [benadeelde partij / slachtoffer 3] heeft aangedaan. In plaats van openheid van zaken te geven en welgemeend spijt of berouw te tonen, heeft zij ook ter terechtzitting in hoger beroep volhard in haar verklaring dat haar bijdrage beperkt is gebleven tot het niet durven ingrijpen omdat [medeverdachte] anders pushte en agressief werd. Verder heeft zij haar eigen handelen willen marginaliseren door te verklaren dat zij pas op den duur achter het misbruik is gekomen, daar nooit bij aanwezig is geweest, zij in die periode veel afwezig was door ziekenhuisopnames, zij heeft geprobeerd het misbruik te stoppen, zij haar dochters nooit heeft gedrogeerd, zij niets weet van een KIK-applicatie waarop afspraken werden gemaakt om [benadeelde partij / slachtoffer1] en [benadeelde partij / slachtoffer 2] op parkings seks te laten hebben met [medeverdachte] en met of in aanwezigheid van andere mannen, zij nooit seksueel getinte foto’s van haar dochters heeft gemaakt en zij niets weet van het misbruik van [benadeelde partij / slachtoffer 3] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Al deze beweringen worden weersproken door de bewijsmiddelen, in het bijzonder de Whatsappberichten en KIK messengerberichten. Door deze proceshouding van de verdachte heeft zij naar het oordeel van het hof de enorme gevolgen van haar handelen voor de slachtoffers niet erkend en hen extra leed toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals onder meer uitgebreid naar voren is gekomen in de Pro Justitia-rapporten van 7 en 9 december 2019 en 21 maart 2023 (PBC), in het bijzonder voor zover betrekking hebbend op haar medische situatie. Het hof is echter van oordeel dat deze bijzondere persoonlijke omstandigheden, afgezet tegen de omvang en ernst van de strafbare feiten, niet in strafmatigende zin dienen mee te wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hoewel de rechtbank ook tot dit oordeel was gekomen, is het hof van oordeel dat in de hoogte van de door de rechtbank opgelegde straf (10 jaar) de aard en ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt. Het hof is van oordeel dat die straf te ver verwijderd ligt van het wettelijke strafmaximum in deze zaak en dat de bijzondere ernst van de feiten het benutten van meer strafruimte rechtvaardigt. Het hof komt dan ook tot een fors hogere straf dan de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, in beginsel passend en geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is neergelegd dat eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht heeft op een behandeling en afdoening binnen redelijke termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met het bewezenverklaarde voorlopig gehecht was, te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de complexiteit van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat de verdachte op 17 juni 2019 in verzekering is gesteld en dat op die dag voor haar duidelijk is geworden dat zij als verdachte werd aangemerkt in deze strafzaak, terwijl de rechtbank op 19 juli 2021 vonnis heeft gewezen. Aldus is pas 25 maanden na de inverzekeringstelling van de verdachte vonnis gewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft vervolgens op 2 augustus 2021 hoger beroep ingesteld en het hof doet op 31 januari 2024 uitspraak. De termijn in hoger beroep beslaat derhalve bijna 30 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel in deze zaak (mede op verzoek van de verdediging) zeker in hoger beroep behoorlijk wat nader onderzoek is verricht (zoals onderzoek naar de detentiegeschiktheid, PBC-opname van verdachte en het horen van een getuige), hetgeen tot vertraging heeft geleid en een geringe oprekking van de redelijke duur van de zaak rechtvaardigt, is het hof van oordeel dat die omstandigheid niet het gehele tijdsverloop kan en mag verklaren. Van andere bijzondere omstandigheden die een dergelijk lange termijn in eerste aanleg en in hoger beroep rechtvaardigen, is het hof niet gebleken. Het hof is derhalve van oordeel dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de gevangenisstraf zal matigen met 6 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren en 6 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In navolging van de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging, zal het hof geen tbs-maatregel met dwangverpleging aan de verdachte opleggen. In het Pro Justitia-rapport (PBC) van 21 maart 2023 is door de psychiater en psycholoog geconcludeerd dat de interactie met anderen, de emotiehuishouding en probleemoplossende vaardigheden bij verdachte wijzen op een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis waarbij narcistische en borderlinekenmerken het meest in het oog springen. Deze persoonlijkheidsstoornis was, gezien het chronische karakter, ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Op basis van het voorgaande stelt het hof dus vast dat ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten, zijnde misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, sprake was van persoonlijkheidsstoornis bij verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die zin is aan twee van de drie voorwaarden van artikel 37a Sr voldaan. Echter, de verdachte is inmiddels 47 jaar oud, haar ex-partner [medeverdachte] met wie zij alle strafbare feiten heeft gepleegd is overleden, zij heeft geen nieuwe relatie, een zeer broze gezondheid en tot slot zijn allebei haar dochters (en [benadeelde partij / slachtoffer 3] ) inmiddels meerderjarig. Het risico dat zich wederom een situatie zal voordoen waarin zij zich opnieuw aan seksueel misbruik kan/zal schuldig maken, acht het hof gelet op dit alles gering. Daar komt bij dat het hof, zoals hiervoor besproken, aan de verdachte een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt. Het hof is derhalve van oordeel dat thans niet (meer) is voldaan aan de voorwaarde dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij / slachtoffer1] De benadeelde partij [benadeelde partij / slachtoffer1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 130.148,75, bestaande uit € 30.148,75 aan materiële schade en € 100.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 100.148,65, bestaande uit € 148,65 aan materiële schade en € 100.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiële schade De benadeelde partij heeft een bedrag van € 30.000,00 gevorderd aan gemiste inkomsten uit de op geld waardeerbare seks (in de vordering genoemd ‘seksdiensten in parenclubs’ en ‘seksdiensten op de parking: ongerechtvaardigde verrijking’). Bij gebreke van een nadere onderbouwing kan het hof deze gevorderde schadevergoeding niet beoordelen. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen of en zo ja in hoeverre de verdachte zelf geld heeft verdiend aan de seksdiensten van [benadeelde partij / slachtoffer1] . Het hof merkt in dat verband op dat [benadeelde partij / slachtoffer1] meermalen heeft verklaard dat er naar haar idee nooit geld is betaald door andere mannen op parkings of parenclubs om seks met haar te hebben (pag. 401, 417, 433-434). De enkele omstandigheid dat [medeverdachte] enkele dure bezittingen had en er contant geld in zijn woning is aangetroffen, acht het hof daartoe onvoldoende. Het hof is van oordeel dat het een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren indien het hof de zaak aan dient te houden om deze gevorderde schadepost nader te kunnen onderzoeken. Dit gedeelte van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard en bepaald zal worden dat de benadeelde partij de vordering voor dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de gevorderde reiskosten voor het bijwonen van de zitting in eerste aanleg overweegt het hof dat dit geen rechtstreekse materiële schade ten gevolge van de bewezenverklaarde strafbare feiten betreft die voor vergoeding in aanmerking komt. Deze kosten komen evenmin als proceskosten voor vergoeding in aanmerking, nu de benadeelde partij ter terechtzitting is bijgestaan door een advocaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immateriële schade Uit het verhandelde ter zitting en de onderbouwing bij het voegingsformulier is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij / slachtoffer1] als gevolg van het door verdachte en haar mededader bewezenverklaarde handelen onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4, 5 primair en 10 primair rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting van de vordering is uitgebreid opgeschreven wat de gevolgen van het seksueel misbruik voor [benadeelde partij / slachtoffer1] zijn (geweest).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien stelt het hof vast dat het een feit van algemene bekendheid is dat zedendelicten als de onderhavige een ernstige inbreuk op de integriteit en persoonlijke levenssfeer van slachtoffers opleveren en dat slachtoffers nog geruime tijd met de psychische gevolgen daarvan te kampen kunnen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is opgetreden valt onder het bereik artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot deze immateriële schade, op grond van het onderzoek in de onderhavige strafrechtelijke procedure, naar billijkheid op het gevorderde bedrag van € 100.000,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">Totale schade, wettelijke rente en proceskosten In totaal wijst het hof derhalve een bedrag van € 100.000,00 aan immateriële schadevergoeding toe. Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2019 (laatste dag van de onder 1 bewezenverklaarde periode), tot aan de dag der algehele voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schadevergoedingsmaatregel Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij / slachtoffer 2] De benadeelde partij [benadeelde partij / slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 112.480,78, bestaande uit € 12.480,78 aan materiële schade en € 100.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 75.148,65, bestaande uit € 148,65 aan materiële schade en € 75.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Namens de benadeelde partij is ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat de vordering wordt verlaagd met € 332,13, nu de gevorderde verbouwingskosten niet worden gehandhaafd. Zoals reeds bij ‘Omvang van het hoger beroep’ is opgemerkt is dit deel van de vordering is derhalve niet meer aan het oordeel van het hof onderworpen. Voor het overige heeft de benadeelde partij de vordering gehandhaafd. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij / slachtoffer 2] strekkende tot schadevergoeding bestaat wat betreft de materiële schade betreft thans uit € 12.148,65.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiële schade De benadeelde partij heeft een bedrag van € 12.000,00 gevorderd aan gemiste inkomsten uit de op geld waardeerbare seks (in de vordering genoemd ‘seksdiensten op de parking: ongerechtvaardigde verrijking’). Bij gebreke van een nadere onderbouwing kan het hof deze gevorderde schadevergoeding niet beoordelen. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen of en zo ja in hoeverre de verdachte zelf geld heeft verdiend aan de seksdiensten van [benadeelde partij / slachtoffer 2] . Het hof merkt in dat verband op dat [benadeelde partij / slachtoffer1] meermalen heeft verklaard dat er naar haar idee nooit geld is betaald door andere mannen op parkings om seks met haar te hebben (pag. 401, 417, 433-434). De enkele omstandigheid dat [medeverdachte] enkele dure bezittingen had en er contant geld in zijn woning is aangetroffen, acht het hof daartoe onvoldoende. Het hof is van oordeel dat het een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren indien het hof de zaak aan dient te houden om deze gevorderde schadepost nader te kunnen onderzoeken. Dit gedeelte van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard en bepaald zal worden dat de benadeelde partij de vordering voor dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de gevorderde reiskosten voor het bijwonen van de zitting in eerste aanleg overweegt het hof dat dit geen rechtstreekse materiële schade ten gevolge van de bewezenverklaarde strafbare feiten betreft die voor vergoeding in aanmerking komt. Deze kosten komen evenmin als proceskosten voor vergoeding in aanmerking, nu de benadeelde partij ter terechtzitting is bijgestaan door een advocaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immateriële schade Uit het verhandelde ter zitting en de onderbouwing bij het voegingsformulier is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 4, 6 primair, 7 primair en 8 primair bewezenverklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting van de vordering is uitgebreid opgeschreven wat de gevolgen van het bewezenverklaarde voor [benadeelde partij / slachtoffer 2] zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien stelt het hof vast dat het een feit van algemene bekendheid is dat zedendelicten als de onderhavige een ernstige inbreuk op de integriteit en persoonlijke levenssfeer van slachtoffers opleveren en dat slachtoffers nog geruime tijd met de psychische gevolgen daarvan te kampen kunnen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is opgetreden valt onder het bereik artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot deze immateriële schade, op grond van het onderzoek in de onderhavige strafrechtelijke procedure, naar billijkheid op € 75.000,00. Voor het overige wordt de gevorderde immateriële schade afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Totale schade, wettelijke rente en proceskosten In totaal wijst het hof derhalve een bedrag van € 75.000,00 aan immateriële schadevergoeding toe. Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2019 (laatste dag van de onder 6 bewezenverklaarde periode), tot aan de dag der algehele voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schadevergoedingsmaatregel Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij / slachtoffer 3] De benadeelde partij [benadeelde partij / slachtoffer 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 20.226,53, bestaande uit € 226,53 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.226,53, bestaande uit € 226,53 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiële schade Met betrekking tot de gevorderde schoolkosten overweegt het hof het volgende. Het causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit onder 9 en het stoppen met school is - mede gelet op het tijdsverloop daartussen - thans onvoldoende onderbouwd. De gemaakte schoolkosten dateren uit augustus en september 2016 en de benadeelde partij is in 2018 gestopt met school. Nader onderzoek naar deze schadepost zou betekenen dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden. Het hof is van oordeel dat het een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren indien het hof de zaak aan dient te houden om deze gevorderde schadepost nader te kunnen onderzoeken. Dit gedeelte van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard en bepaald zal worden dat de benadeelde partij de vordering voor dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de gevorderde reiskosten voor het bijwonen van de zitting in eerste aanleg overweegt het hof dat dit geen rechtstreekse materiële schade ten gevolge van de bewezenverklaarde strafbare feiten betreft die voor vergoeding in aanmerking komt. Deze kosten komen evenmin als proceskosten voor vergoeding in aanmerking, nu de benadeelde partij ter terechtzitting is bijgestaan door een advocaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immateriële schade Uit het verhandelde ter zitting en de onderbouwing bij het voegingsformulier is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 9 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij, althans haar gemachtigde, heeft in haar toelichting uitgebreid opgeschreven wat de gevolgen van het bewezenverklaarde voor [benadeelde partij / slachtoffer 3] zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien stelt het hof vast dat het een feit van algemene bekendheid is dat zedendelicten als de onderhavige een ernstige inbreuk op de integriteit en persoonlijke levenssfeer van slachtoffers opleveren en dat slachtoffers nog geruime tijd met de psychische gevolgen daarvan te kampen kunnen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is opgetreden valt onder het bereik artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot deze immateriële schade, op grond van het onderzoek in de onderhavige strafrechtelijke procedure, naar billijkheid op € 10.000,00. Voor het overige wordt de gevorderde immateriële schade afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Totale schade, wettelijke rente en proceskosten In totaal wijst het hof derhalve een bedrag van € 10.000,00 aan schadevergoeding toe, bestaande uit immateriële schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2013 (laatste dag van de bewezenverklaarde periode), tot aan de dag der algehele voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schadevergoedingsmaatregel Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gijzeling schadevergoedingsmaatregelen ten aanzien van [benadeelde partij / slachtoffer1] , [benadeelde partij / slachtoffer 2] en [benadeelde partij / slachtoffer 3] Het hof zal de duur van de gijzeling bepalen aan de hand van de daarvoor geldende maatstaf. Rekening houdend met het maximum van 360 dagen zullen de dagen gijzeling naar evenredigheid worden verdeeld over de benadeelde partijen, zoals hierna te melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslag Van de op de beslaglijst vermelde seksattributen (twee dildo’s, 541449 en 541451, en een vibrator, 541450) kan niet met zekerheid worden vastgesteld aan wie zij toebehoren. Uit het onderzoek ter terechtzitting is echter wel gebleken dat bij de strafbare feiten - kort gezegd zeer omvangrijk seksueel misbruik en vervaardigen/verspreiden/in bezit hebben van kinderporno - in zijn algemeenheid veelvuldig gebruik is gemaakt van dildo's en vibrators die door [benadeelde partij / slachtoffer1] en/of [benadeelde partij / slachtoffer 2] werden gebruikt bij het uitvoeren van seksuele handelingen. Gelet op de (seksuele) aard van de zaak en de omvang en frequentie van de strafbare feiten, waarbij dus gebruik werd gemaakt van seksattributen, acht het hof genoegzaam gebleken dat de op de beslaglijst vermelde seksattributen bij de uitvoering van de delicten daadwerkelijk zijn gebruikt. Derhalve zijn een aantal strafbare feiten (zoals verkrachting, ontucht, dan wel vervaardigen van kinderporno) met behulp van deze voorwerpen begaan en daarmee vatbaar voor verbeurdverklaring. Het hof heeft daarbij gelet op verdachtes draagkracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de Medion laptop (541454) die op het adres van de verdachte is aangetroffen en redelijkerwijs aan haar toebehoorde, is onder meer de KIK applicatie aangetroffen, welke applicatie werd gebruikt om seksafspraken voor onder andere [benadeelde partij / slachtoffer1] en [benadeelde partij / slachtoffer 2] te maken. Op de laptop zijn diverse berichten op KIK messenger aangetroffen die kennelijk betrekking hadden op (het maken van) seksafspraken met [benadeelde partij / slachtoffer1] en/of [benadeelde partij / slachtoffer 2] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de in de woning van de verdachte inbeslaggenomen iPhone 7 (541473) en de iPhone 5 (541534), de USB (541543), de SSD kaart (545434), de HDD (545909) is kinderporno aangetroffen. Op de iPhone 5 en SSD kaart (zijnde de harde schijf in bovengenoemde Medion laptop) zijn verder talloze chatberichten of KIK messengerberichten tussen de verdachte en [medeverdachte] aangetroffen, onder meer over het drogeren van [benadeelde partij / slachtoffer 2] en [benadeelde partij / slachtoffer1] en het beschikbaar stellen van [benadeelde partij / slachtoffer1] en [benadeelde partij / slachtoffer 2] voor seksuele diensten. De iPhone 5 en SSD kaart zijn, met andere woorden, voorwerpen met betrekking tot welke of met behulp waarvan de 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 of 8 bewezenverklaarde feiten zijn begaan en/of voorbereid. Met betrekking tot de andere hiervoor genoemde voorwerpen die bij gelegenheid van het onderzoek naar de tenlastegelegde feiten zijn aangetroffen en waarop kinderporno is aangetroffen (niet geheel duidelijk of dit (uitsluitend) kinderpornografische afbeeldingen van [benadeelde partij / slachtoffer1] en/of [benadeelde partij / slachtoffer 2] betreft), overweegt het hof dat die kunnen dienen tot of gebruikt zijn voor het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang. Het hof zal daarom de onttrekking aan het verkeer van deze voorwerpen bevelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het proces-verbaal beschrijving kinderpornografische afbeeldingen is op dossierpagina 1376 gerelateerd dat er op de inbeslaggenomen iPad (541472) en Samsung G920F (541539), de USB Integral 4GB (541542), de HDD (546037) en de HDD (546038) geen strafbaar materiaal is aangetroffen. Op pagina 1105 is gerelateerd dat op de gegevensdrager ‘DVD [benadeelde partij / slachtoffer 2] &amp; [benadeelde partij / slachtoffer1] opschrift’ (541562) evenmin strafbaar materiaal is aangetroffen. De inbeslaggenomen iPhone 5 (541530) en Samsung Young 2 (541527) zijn ook onderzocht en in het proces-verbaal van bevindingen op pagina’s 1400-1401 is gerelateerd dat uit de gegevens op deze telefoons geen informatie is gevonden die aanleiding geeft voor verder onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder blijkt uit het dossier niet dat op het fototoestel (541455), de mappen met dvd’s (541456 en 541458, 541461), de zwarte HP-computer (541471), de dvd’s met opschrift (541474, 541475, 541477, 541480), de zilverkleurige Samsung (541482), de notebook (541484), de losse cd’s (541522), de Huawei telefoon (541524), de Nokia C1 (541536), de iPhone S (541540), de CD’s met opschrift (541547), de Acer laptop (541554), de iPhone (541558), de spindel met cd’s (541565) enig strafbaar materiaal is aangetroffen. Derhalve is het hof van oordeel dat er geen strafvorderlijk belang meer is bij handhaving van het beslag op de voornoemde voorwerpen. Het hof zal de teruggave van deze goederen gelasten aan de verdachte, zijnde de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 47, 55, 57, 240b, 242, 244, 245, 248, 250 en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">BESLISSING Het hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4, 5 primair, 6 primair, 7 primair, 8 primair, 9 primair en 10 primair tenlastegelegde heeft begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4, 5 primair, 6 primair, 7 primair, 8 primair, 9 primair en 10 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren en 6 (zes) maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: * 541449; 1 STK huishoudelijke artikelen; kleur: roze, Dildo; * 541450; 1 STK huishoudelijke artikelen; kleur: groen, Vibrator; * 541451; 1 STK huishoudelijke artikelen; kleur: wit, Dildo;</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: * 541454; 1 STK computer, Medion, in roze tas; * 541473; 1 STK telefoonautomaat; Apple, code 4876; * 541534; 1 STK telefoonautomaat; kleur: zwart, Apple, met foto achterzijde [verdachte] en [medeverdachte] ; * 541543; 1 STK computertoebehoren; kleur: zwart, USB; * 545434; 1 STK computertoebehoren, SSDSata128GB; * 545909; 1 STK computertoebehoren, 250GB;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: * 541455; 1 STK fototoestel; kleur: roze, Casio, 9.1 megapixels; * 541456; 1 STK map; kleur blauw, met dvd’s met opschrift WII-games; * 541458; 1 STK map; kleur zwart, met dvd’s met opschrift WII-games; * 541461; 1 STK map; kleur: zwart, met dvd’s met filmtitels; * 541471; 1 STK computer; kleur: zwart, HP, serienummer [serienummer] ; * 541472; 1 STK computer; Apple, iPad met 2 foto’s van [benadeelde partij / slachtoffer 2] op achterkant; * 541474; 1 STK computertoebehoren; dvd in groen hoesje met opschrift ‘voor [medeverdachte] ’; * 541475; 1 STK computertoebehoren; dvd in blauw hoesje met opschrift ‘voor [naam 1] ’; * 541477; 1 STK computertoebehoren; dvd in blauw hoesje met opschrift ‘voor [naam 1] ’; * 541480; 1 STK computertoebehoren; dvd, plastic hoesje, opschrift ‘new super Mario’; * 541482; 1 STK telefoonautomaat; kleur: zilver, Samsung, imei [imei] ; * 541484; 1 STK computer; kleur: zwart, kids notebook; * 541522; 1 STK computertoebehoren; 5 losse cd’s in plastic hoesje; * 541524; 1 STK telefoonautomaat; kleur: wit, Huawei, met pareltjes op achterkant; * 541527; 1 STK telefoonautomaat; kleur: wit, Samsung * 541530; 1 STK telefoonautomaat kleur: Zwart, Apple iPhone; * 541536; 1 STK telefoonautomaat; kleur: zilver, Nokia; * 541539; 1 STK telefoonautomaat: kleur: zwart, Samsung; * 541540; 1 STK telefoonautomaat; kleur: roze, Apple, in goudkleurige hoes; * 541542; 1 STK computertoebehoren; kleur: blauw, Integral, 4gb; * 541547; 3 STK computertoebehoren, 3 cd’s met opschrift foto allerlei; * 541554; 1 STK computer, kleur: grijs, ACER 7551, laptop; * 541558; 1 STK telefoonautomaat; kleur: roze, Apple iPhone, in roze hoes; * 541562; 1 STK computertoebehoren, dvd met opschrift [benadeelde partij / slachtoffer 2] &amp; [benadeelde partij / slachtoffer1] ; * 541565; 1 STK computertoebehoren, spindel met div. cd’s; * 546037; 1 STK computertoebehoren, SEAGATE Barracuda, 150GB; * 546038; 1 STK computertoebehoren, SEAGATE Barracuda, 160 GB;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij / slachtoffer1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij / slachtoffer1] ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4, 5 primair en 10 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 100.000,00 (honderdduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de post gemiste inkomsten (ad € 30.000,00) niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij dit gedeelte van haar vordering slechts bij de civiele rechte kan aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij / slachtoffer1] , ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4, 5 primair en 10 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100.000,00 (honderdduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 200 (tweehonderd) dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 juni 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij / slachtoffer 2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij / slachtoffer 2] ter zake van het onder 4, 6 primair, 7 primair en 8 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 75.000,00 (vijfenzeventigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) aan immateriële schade af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de post gemiste inkomsten (ad € 12.000,00) niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij dit gedeelte van haar vordering slechts bij de civiele rechte kan aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij / slachtoffer 2] , ter zake van het onder 4, 6 primair, 7 primair en 8 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 75.000,00 (vijfenzeventigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 145 (honderdvijfenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 juni 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij / slachtoffer 3] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij / slachtoffer 3] ter zake van het onder 9 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van immateriële schade voor het overige af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de post schoolkosten (ad € 199,37) niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij dit gedeelte van haar vordering slechts bij de civiele rechte kan aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij / slachtoffer 3] , ter zake van het onder 9 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 13 januari 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus gewezen door: mr. G.J. Schiffers, voorzitter, mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen en mr. S.V. Pelsser, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Dijk, griffier, en op 31 januari 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</p></div>", "next": 0}