{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Betrokkene beschrijft vervolgens dat hun seksuele spel enorm opwindend en \"bevrijdend\" voor haar was. Ze kon zich \"helemaal high\" voelen. Betrokkene lijkt daarbij niet zozeer geobsedeerd te zijn geweest door de persoon van medeverdachte, maar genoot, nu een complete relatie met hem niet tot de mogelijkheden behoorde, van de seks, de spanning en het genot. Daarnaast houdt zij ergens nog hoop dat de seksuele relatie zou uitmonden in een liefdes-relatie. Ze voelt zich anders dan daarvoor, en haar gedrag verandert mee. Betrokkene wordt korzeliger in de omgang met de mensen om zich heen, wat leidt tot afstand met haar dochter, het zich verder terugtrekken uit sociaal contact, maar betrokkene wordt ook uitbundiger, zelfbewuster. Zij is althans niet haar 'oude' zelf en kan de spanning van de heimelijke relatie en de bevrediging die deze oplevert, niet zo goed meer reguleren. De relatie met medeverdachte overschaduwt andere aspecten van haar leven en betrokkene lijkt, ook naar eigen zeggen, wel \"verslaafd\" te zijn aan hun seksueel getinte spel. Onderzoekend psycholoog en psychiater zien het ontstaan van collusie, of versmelting, waarin betrokkene biedt wat medeverdachte nodig heeft en andersom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar medeverdachte van meet af aan en op diverse manieren (het afzeggen van afspraken, vooral contact hebben op afstand, een nieuwe relatie aangaan) de boodschap geeft dat hij de relatie met betrokkene eigenlijk niet wil, is betrokkene, om de collusie in stand te houden, bereid er steeds een schepje bovenop te doen: zij gaat, al dan niet gevraagd door medeverdachte, kinderpornografisch materiaal op internet opzoeken. Na anderhalf jaar in de relatie wordt de volgende stap gezet: het zoeken naar kinderen via oppassites. Ook hier is het voor onderzoekers niet duidelijk wie het idee bedacht. Betrokkene gaat uiteindelijk, indien bewezen, kinderen filmen en pleegt ontuchtige handeling en verstuurt deze filmpjes (deels) naar medeverdachte, waarmee zij de geschetste collusie in stand wil houden. Betrokkene laat overigens weten dat zij de collusie met medeverdachte wel wilde verbreken, maar dat andere seksdates haar niet brachten wat zij bij medeverdachte vond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesteld zou kunnen worden dat de seksuele en persoonlijke bevrediging die betrokkene heeft ervaren en waar zij haast aan verslaafd lijkt te zijn geraakt, gegarandeerd wordt door het parafiele seksuele gedrag dat betrokkene ontplooit, ook al is haar seksuele voorkeur op zich niet gericht op kinderen, of specifieker: meisjes. Ze maakt keuzes ten aanzien van het geslacht van de kinderen omdat ze zich makkelijker zou kunnen vereenzelvigen met meisjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij meisjes wil ze de seksuele handelingen verrichten, maar niet bij jongetjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de geschetste opbouw naar het delictgedrag van betrokkene, uiteraard indien bewezen, berustend op de persoonlijkheid en vervolgens ook op het 'verslavende' seksuele spel met medeverdachte, zien onderzoekend psycholoog en psychiater overigens ook een ruime mate van vrije wil van betrokkene. De persoonlijkheid van betrokkene heeft wellicht in de loop van haar leven haar zelfontplooiing en welzijn in de weg gestaan, maar haar functioneren niet overschaduwd. Eenmaal in de collusie met medeverdachte verwikkeld, is betrokkene veelal overwogen en planmatig te werk gegaan, met name in het arrangeren van de ontmoetingen met de kinderen en daar ensceneren en filmen van seksuele scenes. Het is daarbij dat betrokkene zich op allerlei momenten had kunnen realiseren dat uitgedachte plannen en activiteiten over de grenzen van anderen of de wet gingen. Op momenten gingen voorgenomen plannen over haar grens en over deze grens ging ze dan niet: zij wilde geen seksueel contact met jongens en besloot uiteindelijk ook haar eigen dochter niet te filmen. Zij besloot, om niet geheel heldere redenen, de filmpjes niet altijd helemaal te delen. Haar eigen bevrediging stond uiteindelijk als bewust motief voorop: \"Ik ging over lijken voor mijn genot.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoekend psycholoog en psychiater adviseren gedragskundig al met al ten om het gehele feitencomplex, uiteraard indien opnieuw bewezen, in licht verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen. (…) Over de risico inschatting hebben onderzoekend psycholoog en psychiater contact gehad met [onderzoeker 1], onderzoeker bij de [naam kliniek], die expert is op dit gebied. De casus is anoniem aan haar voorgelegd. Zij heeft op basis van de verstrekte informatie geadviseerd af te zien van de inzet van de Static-99R en de Stable-2007, die in een vrouwelijke populatie niet gevalideerd zijn. Dat hangt samen met het zeer geringe recidivepercentage bij vrouwen die veroordeeld zijn voor een seksueel gekleurd delict.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt bij vrouwelijke plegers van seksuele delicten is, zo stelt [onderzoeker 1], een geringe kans op herhaling, tenzij er aanwijzingen in de persoon van de verdachte zijn die wijzen op een hoger risico. Dat er een lange periode van delictgedrag geweest is en dat er meerdere slachtoffers zijn, is op zich geen grond voor het vaststellen van een hoog recidiverisico, omdat een eerste aanhouding (en opgelegde sanctie) doorgaans een krachtig middel is om het risico in de toekomst te beperken. (…) Onderzoekend psycholoog en psychiater komen op basis van voornoemde consultatie alleen tot een klinische taxatie van het recidiverisico. Daarin worden meegewogen het blanco strafblad van betrokkene, de overwegend goede gedragscontrole en het redelijke functioneren in de loop van haar leven tot medio 2018 (bij het ontbreken van ernstige stoornissen). Betrokkenes persoonlijkheid, en met name de onbalans daarin of stoornis daarvan, maakt haar in de toekomst mogelijk vatbaar voor het aangaan van een relatie waarin zij streeft naar een collusie die haar eenzaamheid verdrijft en seksuele bevrediging voedt. Haar 'verslaving' zou opnieuw getriggerd kunnen worden. Risicofactoren uit de Stable-2007 die hierop aansluiten zijn (enige mate van) 'sociale afwijzing/eenzaamheid' en 'enige mate van desinteresse in het welzijn van anderen', naast de inzet van (deviante) seks als coping. Onderzoekend psycholoog en psychiater zien evenwel dan niet noodzakelijk ook nieuw seksueel grensoverschrijdend of delictgedrag ontstaan, ten eerste omdat betrokkene alleen in de collusie met medeverdachte tot pedofiele seksuele gedragingen is gekomen, en ten tweede omdat betrokkene de harde consequenties van haar gedrag inmiddels onder ogen heeft moeten zien en, indien het ten laste gelegde opnieuw bewezen wordt, nog een tijd zal moeten zien. Verwacht wordt dat deze consequenties voor betrokkene nog lang een aversief effect zullen hebben ten aanzien van nieuw delictgedrag. Alles bij elkaar wordt daarmee de kans klein dat alle voorwaarden voor herhaling van het delictgedrag zich zullen voordoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij zullen de (leef)tijd, de omstandigheden waarin betrokkene zich na de verwachtte detentie zal bevinden wat betreft wonen en werken, de aan- of afwezigheid van steunend netwerk, en ook de persoon van een eventuele partner belangrijke mediërende factoren zijn die, al dan niet door hun beschermend effect, op termijn mede het risico bepalen. Als betrokkene na een detentie succesvol re-integreert en succesvol een delictvrij leven opbouwt, dan wordt het risico van herhaald seksueel delictgedrag op termijn steeds kleiner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al met al concluderen onderzoekend psycholoog en psychiater daarom dat er geen goede gronden zijn om uit te gaan van meer dan een laag tot hooguit matig recidiverisico. Anders gezegd: een hoog recidiverisico kan niet onderbouwd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de beperkte doorwerking in de aan betrokkene ten laste gelegde feiten van de combinatie van haar persoonlijkheidsstoornis/disfunctionele persoonlijkheidskenmerken en de parafiele stoornissen die sterk samenhangen met de relatie met medeverdachte, alsmede het ontbreken van aanwijzingen voor een meer dan laag tot hooguit matig recidiverisico, zien onderzoekend psycholoog en psychiater onvoldoende onderbouwing om aan betrokkene een tbs-maatregel op te leggen. Gelet op de te verwachten strafmaat is een behandeling in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf geen mogelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van risicofactoren, dan wel beschermende factoren die aan het einde van de vrijheidsstraf nog van invloed zouden kunnen zijn, waar onderzoekend psycholoog en psychiater nu nog een slag om de arm moeten houden, kan in de detentiefasering opnieuw een (klinische) risicotaxatie gedaan worden en een plan van aanpak gemaakt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de inhoud van een dergelijk plan nu volledig ongewis is, zien onderzoekend psycholoog en psychiater een GVM als een effectieve maatregel. In dat kader zijn specifieke interventies mogelijk, zowel ten aanzien van behandeling gericht op de relevante risicofactoren, als begeleiding en toezicht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het aanvullend ambulant onderzoek van 12 november 2025 volgt voorts dat het aanvullend onderzoek voor wat betreft de in de rapportage van 8 juli 2024 gedane conclusies niet tot andere inzichten of conclusies heeft geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mate van toerekenbaarheid Ten slotte zijn voornoemde [deskundige 2] en [deskundige 1] ter terechtzitting van het hof van 11 maart 2026 gehoord. Omtrent het advies van de deskundigen om de tenlastegelegde feiten in licht verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen heeft [deskundige 2] ter zitting naar voren gebracht dat de oorzaak daarvan is gelegen in de omstandigheid dat bij de verdachte minder ‘grensafbakeningsissues’ zijn te zien dan bij de medeverdachte. De verdachte kan het over het algemeen goed haar grenzen bewaken, hetgeen zij in de loop van haar leven ook heeft laten zien. Verder is zij beter dan de medeverdachte in staat is om de verantwoordelijkheid te nemen om in de toekomst niet opnieuw over te gaan tot het plegen van dergelijke strafbare feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij heeft daarin meer keuze dan medeverdachte. De licht verminderde mate van toerekening houdt voorts in dat de vastgestelde stoornissen niet [pleegplaats 2] veel invloed hebben gehad op verdachtes gedragskeuzes, waardoor behandeling niet het middel is om eventuele recidive in de toekomst te voorkomen. [deskundige 1] heeft zich aangesloten bij de verklaring van [deskundige 2] en heeft in aanvulling daarop verklaard dat de verdachte heeft aangegeven dat ze wist wat ze deed en dat een uitspraak als “ik ging over lijken voor mijn genot” laat zien dat zij medeverdachte en de dynamiek in hun relatie niet kwijt wilde. Volgens [deskundige 2] kan na detentie middels de geadviseerde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel toezicht worden gehouden op algemene factoren die zouden kunnen leiden tot recidive, zoals het ontbreken van een sociaal netwerk of huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een behandeling bij een psycholoog of psychiater wordt vanuit het oogpunt van recidivebeperking niet nodig geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de rapportages heeft [deskundige 2] voorts verklaard dat er geen risicotaxatie-instrument is voor vrouwelijke zedenplegers. Het risico bij dergelijke zedenplegers is extreem laag en daardoor is het niet mogelijk een dergelijk instrument te gebruiken. De veelheid van de tenlastegelegde feiten in onderhavige zaak levert daarnaast geen evidentie op dat de verdachte in de toekomst zal recidiveren. Volgens [deskundige 1] is ook de mate van contact tussen de verdachte en de medeverdachte in het Pieter Baan Centrum, waarbij zij net een ‘getrouwd stel’ leken, geen aanwijzing voor een grotere kans op recidive. Dat geldt eveneens voor de door de verdachte (in eerste aanleg) gemaakte opmerking dat een kop koffie drinken met medeverdachte mogelijk zou zijn. [deskundige 2] heeft ten slotte verklaard dat de verschillen tussen de in eerste aanleg opgestelde ambulante rapportage van [deskundige 4] en [deskundige 3] en de in hoger beroep opgestelde rapportage Pro Justitia, locatie Pieter Baan Centrum, zijn te verklaren doordat de verdachte en de medeverdachte in hoger beroep samen in het Pieter Baan Centrum zijn geobserveerd en er een andere onderzoeksmethode is gehanteerd. Anders dan bij het ambulante onderzoek, waarbij enkel gesprekken met de verdachte zijn gevoerd en informatie bij andere professionals is vergaard, is zij in het Pieter Baan Centrum de gehele onderzoeksperiode gedurende bijna de hele dag multidisciplinair geobserveerd. De informatie die daaruit naar voren kwam, is vervolgens aan de onderzoekstafel besproken. [deskundige 2] is van mening dat het onderzoek in het Pieter Baan Centrum van meerwaarde is geweest en stelt dat daarbij veel meer informatie is vergaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de verdediging heeft bepleit, verenigt het hof zich – gelet op hetgeen [deskundige 2] daaromtrent ter zitting van 11 maart 2026 heeft verklaard, samengevat dat het onderzoek in het Pieter Baan Centrum van meerwaarde is geweest en daarbij veel meer informatie is vergaard dan bij het ambulante onderzoek – met de hiervoor weergegeven bevindingen en conclusies uit het rapport Pro Justitia, locatie Pieter Baan Centrum, van 8 juli 2024 en het aanvullend ambulant onderzoek d.d. 12 november 2025 en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing. Het hof ziet geen redenen om aan die bevindingen en conclusies te twijfelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt op grond van die rapportages vast dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis en dat de bewezenverklaarde feiten haar in licht verminderde mate zijn toe te rekenen. Verder heeft het hof geconstateerd dat de door de verdachte begane strafbare feiten misdrijven betreffen als vermeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 2, Sr. Anders dan de advocaat-generaal in haar requisitoir heeft aangevoerd, is het hof – gelet op hetgeen de deskundigen omtrent het recidiverisico hebben gerapporteerd en ter zitting hebben verklaard, samengevat dat er geen goede gronden zijn om uit te gaan van meer dan een laag tot hooguit matig recidiverisico en dat ook de veelheid aan tenlastegelegde feiten, het contact met medeverdachte in het Pieter Baan Centrum en de opmerking over een ‘kopje koffie drinken’ geen aanwijzingen zijn voor een hogere kans op recidive – van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen niet eist dat aan de verdachte de maatregel van tbs wordt opgelegd. Hetgeen de advocaat-generaal heeft aangevoerd, is onvoldoende overtuigend om de bevindingen van de deskundigen opzij te zetten. Het hof is aldus van oordeel dat niet aan de wettelijke criteria voor het opleggen van tbs is voldaan, en zal om die reden geen tbs-maatregel aan de verdachte opleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel Het hof is wel van oordeel dat, ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen, oplegging van de maatregel ex artikel 38z Sr – zoals door de deskundigen ter beperking van toekomstig recidiverisico is geadviseerd en door de advocaat-generaal (subsidiair) is gevorderd – passend en geboden is. Nu het hof aan de verdachte een gevangenisstraf zal opleggen wegens misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 4 jaren of meer is gesteld, is voldaan aan de wettelijke vereisten voor oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaardelijke verzoeken De verdediging heeft, indien het hof afwijkt van de conclusies van de [deskundige 3] en [deskundige 4] omtrent de doorwerking van de stoornis(sen) en de mate van toerekening en aansluit bij de conclusies [deskundige 2] en [deskundige 1], verzocht [deskundige 3] en [deskundige 4] hierover te horen om hen op z’n minst te laten reageren op het andersluidende advies. Het hof acht zich echter voldoende voorgelicht, mede gelet op het uitgebreide verhoor van de deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep waarbij de mate van toerekening en het verschil tussen het onderzoek bij het PBC en het onderzoek in eerste aanleg voldoende duidelijk is geworden. Het horen van [deskundige 3] en [deskundige 4] acht het hof dan ook niet noodzakelijk. Het verzoek van de verdediging wordt derhalve afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft de verdediging, indien het hof de eigen waarneming van de camerabeelden wenst te gebruiken om de oplegging van een tbs-maatregel te motiveren, verzocht om zowel de deskundigen uit de eerste aanleg alsook de deskundigen van het PBC hierover te horen. Het hof heeft geen gebruik gemaakt van de eigen waarneming in de overwegingen omtrent het al dan niet opleggen van een tbs-maatregel. Reeds gelet daarop is het niet noodzakelijk dat het hof beslist op dat verzoek van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Contactverbod met de dochter Anders dan de advocaat van de dochter van de verdachte heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding om een contactverbod ex artikel 38v Sr op te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslag De hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven Huawei (omschrijving: PL2100-2021128004-1813727) heeft de verdachte uitdrukkelijk afstand gedaan (dossierpagina 2845). Het hof zal gelet daarop geen beslissing nemen ten aanzien van dat inbeslaggenomen voorwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vorderingen van de benadeelde partijen Algemene overwegingen voor de schadevergoeding ten behoeve van de 7 zeer jonge meisjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte en/of de medeverdachte hebben zich in de periode van 21 september 2019 tot 13 juni 2021 tijdens de vele oppasmomenten (28 in totaal) door de verdachte (veelal in de ouderlijke woning van de respectieve meisjes) schuldig gemaakt aan het plegen van seksuele misdrijven jegens 7 zeer jonge meisjes, bestaande uit het maken van pornografische afbeeldingen van alle meisjes, die de verdachte en de medeverdachte met elkaar hebben gedeeld, het plegen van ontucht met [slachtoffer 2] en het seksueel binnendringen van het lichaam (oraal, vaginaal en anaal met vingers of vibrator) van [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6], en [slachtoffer 7].</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat (hierna ook te noemen: immateriële schade) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte en de medeverdachte hebben met hun handelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit van de meisjes. Uit de stukken in het dossier en (de beschrijving van) de beelden blijkt dat de meisjes als gevolg hiervan leed hebben ondervonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is algemeen bekend dat seksueel misbruik (ook pas op langere termijn) langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van de slachtoffers. Dit geldt ook indien, zoals in het onderhavige geval, de slachtoffers de ontuchtige handelingen op zeer jeugdige leeftijd hebben moeten ondergaan. Het hof heeft hierbij ook acht geslagen op het door de GGD Amsterdam opgemaakte rapport “De resultaten uit wetenschappelijk onderzoek (2013-2018) van de Amsterdamse Zedenzaak” waarin wordt geconcludeerd dat het misbruik bij deze zeer jonge kinderen op korte en lange termijn minder vaak lijkt te resulteren in klassieke klachten zoals posttraumatische stressreacties en dissociatie, maar des te meer in atypische klachten zoals internaliserende en externaliserende problemen, onveilig gehechtheidsgedrag en seksueel afwijkend gedrag (bijlage 2 bij het schadevergoedingsformulier van [slachtoffer 5]).</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof is derhalve sprake van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW van de 7 meisjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op alle omstandigheden van dit geval, in het bijzonder de aard en de ernst van de seksuele misdrijven, de gevolgen van de seksuele misdrijven (in de toekomst) voor de meisjes en het aan hen toegebrachte leed, alsmede de omstandigheden waaronder de misdrijven jegens de meisjes zijn begaan, begroot het hof de immateriële schade die de meisjes als gevolg van de bewezenverklaarde respectieve seksuele misdrijven hebben geleden naar billijkheid, als volgt: voor het maken, bezitten en verspreiden van de afbeeldingen van seksuele gedragingen met de meisjes € 4.000,-,- per meisje. Het hof begroot deze schade op een lager bedrag dan de rechtbank omdat er geen aanwijzingen zijn dat het beeldmateriaal door de verdachte en/of de medeverdachte met derden is gedeeld; voor de ontucht met [slachtoffer 2] een bedrag van € 2.000,-; voor het (meermalen) seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 5], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] een bedrag van € 12.500,- per meisje en voor [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] op een bedrag van € 10.000,- per meisje. Het hof begroot de immateriële schade van [slachtoffer 5], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] op een hoger bedrag aangezien het hof het seksueel misbruik bij deze meisjes als ernstiger beoordeelt dan het seksueel misbruik dat de verdachte en de medeverdachte hebben gepleegd bij [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4].</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de begroting heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof heeft hierbij ook acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de begroting van schade als hier aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene overwegingen over reis- en verletkosten. (Reis-)kosten gemaakt voor het bevorderen van het herstel van de door de verdachte en/of de medeverdachte toegebrachte schade (bijvoorbeeld voor medische behandelingen, ook voor psychische klachten) zijn toewijsbaar als materiële schade (op grond van artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder a BW) mits in redelijkheid gemaakt en redelijk van hoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reiskosten die zijn gemaakt in verband met bezoeken aan Slachtofferhulp Nederland, de politie, de advocaat en de officier van justitie zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De vordering zal in zoverre worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geven, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten waarin een in het ongelijk gestelde partij kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 238, eerste en tweede lid, en artikel 239 Rv, in onderlinge samenhang bezien, komen alleen voor vergoeding in aanmerking reis-, verlet- en verblijfkosten voor het bijwonen van de zitting van de partij die aanspraak heeft op proceskostenvergoeding indien in persoon mag worden geprocedeerd en in persoon is geprocedeerd. Voor andere reis-, verlet- en verblijfskosten - zoals voor het bezoek aan Slachtofferhulp Nederland, de politie en leden van het Openbaar Ministerie - kent de proceskostenregeling geen vergoeding (vgl. Hoge Raad 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2338, Hoge Raad 28 maart 2023, ECLI:HR:2023:414 en Hoge Raad 21 mei 2024, ECLI:HR:2024:662).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verletkosten in verband bezoeken aan de (kinder-)psycholoog zijn toewijsbaar aan het hand van het netto uurtarief informele zorg (PGB). Het uurtarief in 2021 was € 21,14 bruto per uur. Het hof schat het netto uurtarief in 2021 op € 15,- per uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feiten 2 en 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 103,60 aan materiële schade (reiskosten) en € 10.000,- aan immateriële schade (€ 5.000,- voor de ontuchtige handelingen en € 5.000,- voor het vervaardigen, verspreiden en bezitten van kinderpornografisch materiaal), te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts is de hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de verdachte veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 7.103,60 (€ 103,60 aan materiële schade en € 7.000,- aan immateriële schade), en bepaald dat de verdachte niet gehouden is tot betaling voor zover een bedrag van € 5.103,60 door de medeverdachte is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van de verdachte in de kosten. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige deel van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijk vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en hoofdelijke veroordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft verzocht de vordering toe te wijzen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiële schade Onder verwijzing naar de hiervoor weergegeven algemene overwegingen over reis- en verletkosten (reiskosten b) zal dit deel van de vordering worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immateriële schade Onder verwijzing naar de hiervoor weergegeven algemene overwegingen voor schadevergoeding begroot het hof de immateriële schade die aan de benadeelde partij als rechtstreekse schade door het bewezenverklaarde is toegebracht naar billijkheid op een bedrag van € 6.000,- (€ 4.000,- ter zake de kinderpornografische afbeeldingen en € 2.000,- ter zake ontuchtige handelingen). Dit bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2021, zijnde de laatste dag waarop feit 3 is gepleegd. De schade wordt geacht op die dag te zijn geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde zal in het overige deel van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten De verdachte zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdelijke veroordeling Tot vergoeding van de schade tot een bedrag van € 4.000,- en de kosten is naast de verdachte ook de medeverdachte gehouden. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade en de kosten. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade en de kosten betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn/haar betalingsverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (feiten 9, 10 en 11).</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 25.000,- aan immateriële schade (€ 20.000,- voor de op verschillende momenten gepleegde ontuchtige handelingen waaronder begrepen het seksueel binnendringen en € 5.000,- voor het vervaardigen, verspreiden en bezitten van kinderpornografisch materiaal), te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts is de hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de verdachte veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 13.000,- aan immateriële schade (€ 5.000,- voor het vervaardigen van kinderporno en € 8.000,- voor het seksueel binnendringen), te vermeerderen met de wettelijke rente, en bepaald dat de verdachte niet gehouden is tot betaling voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, met veroordeling van de verdachte in de kosten. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige deel van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft het hof verzocht de verdachte en de medeverdachte hoofdelijk te veroordelen tot het in de vaststellingsovereenkomst (gesloten tussen [slachtoffer 5] en de medeverdachte) genoemde bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft verzocht de vordering toe te wijzen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immateriële schade Onder verwijzing naar de hiervoor weergegeven algemene overwegingen over schadevergoeding begroot het hof de immateriële schade die aan de benadeelde partij als rechtstreekse schade door het bewezenverklaarde is toegebracht naar billijkheid op een bedrag van € 16.500,- (€ 4.000,- ter zake de kinderpornografische afbeeldingen en € 12.500,- ter zake het seksueel binnendringen). Dit bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2020, zijnde de dag waarop feit 10 is gepleegd. De schade wordt geacht op die dag te zijn geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde zal in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten De verdachte zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdelijke veroordeling Tot vergoeding van de schade en de kosten is naast de verdachte ook de medeverdachte gehouden. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade en de kosten. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade en de kosten betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn/haar betalingsverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] (feiten 12, 13 en 14).</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 826,18 aan materiële schade (€ 249,60 aan reiskosten en € 576,58 aan verletkosten) en € 30.000,- aan immateriële schade (€ 25.000,- voor het op verschillende momenten gepleegde seksueel misbruik en € 5.000,- voor het vervaardigen, verspreiden en bezitten van kinderpornografisch materiaal), te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts is de hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de verdachte veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 13.826,18 (€ 826,18 aan materiële schade en € 13.000,- aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente, en bepaald dat de verdachte niet gehouden is tot betaling voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, en met hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte in de kosten, begroot op € 1.196,-. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige deel van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft het hof verzocht de verdachte en de medeverdachte hoofdelijk te veroordelen tot het in de vaststellingsovereenkomst (gesloten tussen [slachtoffer 6] en de medeverdachte) genoemde bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft verzocht de vordering toe te wijzen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiële schade Onder verwijzing naar de hiervoor weergegeven algemene overwegingen over reis- en verletkosten zullen de reiskosten voor bezoeken aan de advocaat (reiskosten b) worden afgewezen; de reiskosten voor bezoeken aan de kinderpsycholoog (reiskosten a) zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 228,80 (880 km x € 0,26); de verletkosten (verletkosten c) voor bezoeken van de ouders van [slachtoffer 6] aan de kinderpsycholoog zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 346,50 (23,1 uur x € 15,- (netto uurtarief informele zorg)), te vermeerderen met de wettelijke rente. De aanvangsdatum voor de wettelijke rente over de toewijsbare materiële schade van € 575,30 zal het hof bepalen op 12 november 2021, zijnde dag waarop de ouders van [slachtoffer 6] met de kinderpsycholoog het intakegesprek hebben gehad. De vordering tot vergoeding van de verletkosten zal voor het overige worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immateriële schade Onder verwijzing naar de hiervoor weergegeven algemene overwegingen voor schadevergoeding begroot het hof de immateriële schade die aan de benadeelde partij als rechtstreekse schade door het bewezenverklaarde is toegebracht naar billijkheid op een bedrag van € 16.500,- (€ 4.000,- ter zake de kinderpornografische afbeeldingen en € 12.500,- ter zake het seksueel binnendringen). Dit bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2021, zijnde de laatste dag waarop de feiten 12 en 13 zijn gepleegd. De schade wordt geacht op die dag te zijn geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde zal in het overige deel van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten De verdachte zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld. Deze kosten zullen vooralsnog op nihil worden gesteld nu de gemachtigde van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep te kennen heeft gegeven dat het oorspronkelijk gevorderde bedrag aan proceskosten niet wordt gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdelijke veroordeling Tot vergoeding van de schade en de kosten is naast de verdachte ook de medeverdachte gehouden. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade en de kosten. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade en de kosten betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn/haar betalingsverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] (feiten 15 en 16).</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.252,95 aan materiële schade en € 30.000,- aan immateriële schade (€ 25.000,- voor het op verschillende momenten gepleegde seksueel misbruik en € 5.000,- voor het vervaardigen, verspreiden en bezitten van kinderpornografisch materiaal), te vermeerderen met de wettelijke rente en de kosten. Voorts is de hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering tot vergoeding van materiële schade valt uiteen in de volgende posten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dekbed Peppa Pig € 34,95 Pyjama Hema € 13,95 Slaapzak Prénatal € 22,94 Hoeslaken Smulders Textiel € 23,90 Reiskosten € 233,69 Verletkosten € 923,52 De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de verdachte veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 14.252,95 (€ 1.252,95 aan materiële schade en € 13.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, en bepaald dat de verdachte niet gehouden is tot betaling voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald en met hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte in de kosten, begroot op € 1.196,-. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige deel van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft het hof verzocht de verdachte en de medeverdachte hoofdelijk te veroordelen tot het in de vaststellingsovereenkomst (gesloten tussen [slachtoffer 7] en de medeverdachte) genoemde bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft verzocht de vordering toe te wijzen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiële schade Onder verwijzing naar de hiervoor weergegeven algemene overwegingen over reis- en verletkosten zullen de reiskosten voor bezoeken aan Slachtofferhulp en de advocaat (reiskosten b) worden afgewezen; de reiskosten voor bezoeken aan ziekenhuis en kinderpsychologen (reiskosten a) zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 221,- (850 km x € 0,26); de verletkosten (verletkosten c) voor bezoeken van de ouders aan de kinderpsychologen zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 555,- (18,5 uur x 2 (beide ouders) x € 15,- (netto uurtarief informele zorg)), te vermeerderen met de wettelijke rente. De aanvangsdatum voor de wettelijke rente over deze toewijsbare materiële schade van € 776,- zal het hof bepalen op 12 juli 2021, zijnde de dag waarop de ouders van [slachtoffer 7] het eerste gesprek hebben gehad met de kinderpsycholoog. Deze schade wordt geacht op die dag te zijn geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevorderde verletkosten worden voor het overige afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevorderde schadevergoeding voor dekbed, pyjama, slaapzak en hoeslaken, zijnde in totaal € 95,74, zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2021, zijnde laatste dag waarop feit 15 is gepleegd. Deze schade wordt geacht op die dag te zijn geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immateriële schade Onder verwijzing naar de hiervoor weergegeven algemene overwegingen voor schadevergoeding begroot het hof de immateriële schade die aan de benadeelde partij als rechtstreekse schade door het bewezenverklaarde is toegebracht naar billijkheid op een bedrag van € 16.500,- (€ 4.000,- ter zake de kinderpornografische afbeeldingen en € 12.500,- ter zake het seksueel binnendringen). Dit bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2021, zijnde laatste dag waarop feit 15 is gepleegd. De schade wordt geacht op die dag te zijn geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde zal in het overige deel van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten De verdachte zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld. Deze kosten zullen vooralsnog op nihil worden gesteld nu de gemachtigde van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep te kennen heeft gegeven dat het oorspronkelijk gevorderde bedrag aan proceskosten niet wordt gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdelijke veroordeling Tot vergoeding van de schade en de kosten is naast de verdachte ook de medeverdachte gehouden. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade en de kosten. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade en de kosten betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn/haar betalingsverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorderingen van de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 2], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] (hierna ook te noemen: de benadeelde partijen de ouders).</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partijen de ouders hebben in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade per ouder, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts is de hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de benadeelde partijen de ouders telkens niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partijen de ouders hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemachtigden van de benadeelde partijen de ouders hebben gesteld dat de verdachte en de medeverdachte door het onrechtmatig handelen jegens hun dochter ook jegens hen een (zelfstandige) onrechtmatige daad hebben gepleegd, als gevolg waarvan zij ‘op andere wijze’ in hun persoon zijn aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW en rechtstreeks schade hebben geleden die zij in deze strafprocedure op de verdachte en de medeverdachte willen verhalen. Daartoe is gesteld dat de verdachte en de medeverdachte de gezinnen zorgvuldig hebben geselecteerd via oppassites louter met als doel om de kinderen van deze ouders te gaan misbruiken. De verdachte presenteerde zich tijdens de kennismakingsgesprekken als een professionele oppas die over een VOG beschikte. De verdachte en de medeverdachte hebben aldus toegang gekregen tot het gezin en de woning. De verdachte en de medeverdachte hebben daarmee opzettelijk misbruik gemaakt van de vertrouwenspositie en de ouders hebben hun kind vervolgens aan de oppas toevertrouwd waardoor het misbruik kon plaatsvinden. Er is sprake van een ernstige normschending bestaande bestaat uit doelbewuste misleiding, het binnendringen van de woning en in het privéleven en het beschamen van het ouderlijk vertrouwen. De moeder van [slachtoffer 5] heeft bovendien geestelijk letsel opgelopen zodat bij de moeder van [slachtoffer 5] ook om die reden sprake is van aantasting in de persoon op ‘andere wijze’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft primair verzocht de gevorderde schade integraal toe te wijzen en subsidiair tot toewijzing van een door het hof naar billijkheid te begroten bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente en met hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft bepleit de benadeelde partijen de ouders niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen aangezien artikel 51f, lid 1, Sv hiervoor geen ruimte biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt evenals de rechtbank voorop dat ook ten aanzien van de ouders van [slachtoffer 2], [slachtoffer 5]en [slachtoffer 6] geldt dat er geen discussie kan zijn over het leed en verdriet dat deze ouders is aangedaan doordat zij moeten leven met het besef dat hun dochtertje seksueel is misbruikt en de onzekerheid welke psychische gevolgen dit in de toekomst voor hun dochtertje zal hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is echter van oordeel dat de ouders in het strafproces niet als benadeelde partijen kunnen worden ontvangen in de vorderingen die zien op vergoeding van de door henzelf geleden schade. Artikel 51f lid 1 Sv biedt in beginsel (behoudens in geval van schokschade en in geval bij de dader het oogmerk heeft bestaan schade aan een derde toe te brengen) niet de ruimte aan ouders om door henzelf geleden schade in het strafproces te vorderen in verband met een tegen hun kind gepleegd misdrijf. Een onrechtmatige daad gepleegd jegens een kind brengt immers, behoudens voormelde uitzonderingen, nog niet mee dat jegens de ouders van het kind een zelfstandige onrechtmatige daad is gepleegd, waardoor zij rechtstreeks schade hebben geleden als bedoeld in artikel 51f lid 1 Sv en dat de ouders zich ter zake van hun vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kunnen voegen in strafproces. Artikel 51f lid 1 Sv biedt in elk geval geen ruimte een dergelijke vordering in het strafproces te vorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen de ouders aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd leidt mogelijk wel in civilibus tot (contractuele) aansprakelijkheid van de verdachte en de medeverdachte. Deze vraag ligt in het strafproces echter niet aan het hof ter beoordeling voor, maar zou eventueel bij de burgerlijke rechter als grondslag voor de vorderingen kunnen worden aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande brengt mee dat de benadeelde partijen de ouders in het onderhavige strafproces niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partijen de ouders zullen als de in het ongelijk gestelde partij telkens worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorderingen van de benadeelde partij de ouders van [slachtoffer 7] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij de moeder van [slachtoffer 7] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 387,07 aan materiële schade (€ 76,63 aan reiskosten en € 313,44 aan eigen risico zorgverzekeraar) en € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en € 498,- aan kosten. Voorts is de hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de verdachte veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 387,07 aan materiële schade, en bepaald dat de verdachte niet gehouden is tot betaling voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte in de kosten, begroot op € 498. De rechtbank heeft de benadeelde partij de moeder van [slachtoffer 7] in de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij de vader van [slachtoffer 7] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en € 498,- aan kosten. Voorts is de hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de benadeelde partij de vader van [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 7] hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemachtigde van de ouders van [slachtoffer 7] heeft gesteld dat door de directe confrontatie met de beelden van het misbruik bij de ouders een zodanige emotionele schok teweeg is gebracht, waaruit geestelijk letsel is voortgevloeid, dat de verdachte en de medeverdachte daardoor jegens de ouders van [slachtoffer 7] een zelfstandige onrechtmatige daad hebben gepleegd die leidt tot schadeplichtigheid jegens de ouders van [slachtoffer 7].</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft primair verzocht de gevorderde schade integraal toe te wijzen en subsidiair een door het hof naar billijkheid vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente en met hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de door de moeder van [slachtoffer 7] gevorderde materiële schade. Voor het overige heeft de verdediging bepleit de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toetsingskader voor schokschade In het arrest van 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:958) heeft de Hoge Raad zijn rechtspraak over vergoeding van schokschade nader uiteengezet en gepreciseerd. De Hoge Raad overwoog als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel zoals hierna onder 3.7 nader omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5 Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld zijn onder meer:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.6 De feitenrechter moet aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7 Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is – zoals hiervoor in 3.4 reeds overwogen - beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De feiten en de omstandigheden Op 12 juni 2021 zijn de ouders van [slachtoffer 7] geconfronteerd met de beelden van een camera die op slaapkamer van hun destijds 2 jaar oude dochter stond. Die avond paste de verdachte op hun dochter, terwijl de ouders een avondje uit waren. Bij eerdere oppasmomenten was de camera nog niet geïnstalleerd. Toen de ouders weer thuis waren, heeft de vader van [slachtoffer 7] de camerabeelden bekeken. Hij zag dat zijn dochter door de oppas (de verdachte) seksueel werd misbruikt en dat de verdachte met een camera aan het opnemen was of aan het videobellen. De vader en de moeder van [slachtoffer 7] hebben vervolgens beiden fragmenten van de beelden van het seksueel misbruik bekeken. Ze hebben naast de seksuele handelingen die de verdachte met hun dochtertje verrichtte, gezien dat de verdachte een riem om de hals van hun dochtertje deed en haar zwarte lingeriekousen aan had gedaan. De ouders hebben niet alle beelden gezien omdat ze het niet aan konden. Uit de beschrijving van diezelfde camerabeelden (dossierpagina’s 1404-1409) blijkt dat het meisje tijdens in de tenlastelegging beschreven seksuele handelingen bij de haren wordt gepakt, dat het meisje op verschillende momenten huilt en kokhalsgeluiden maakte en dat het meisje door de verdachte wordt aangesproken met hoer en vieze kleine slet. En op een moment dat het meisje huilt wordt, door de verdachte gezegd: ‘ik wil geen huilen horen, tong naar buiten, er wordt niet gehuild, tong naar buiten.’ Uit de toelichting bij het schadevergoedingsformulier blijkt dat de ouders van [slachtoffer 7] in juli 2021 professionele hulp hebben gekregen van een GZ-psycholoog om dit misdrijf jegens hun dochter te verwerken (bijlage 1 bij het schadevergoedingsformulier). Het betrof hier 3 sessies. In oktober 2021 heeft de moeder van [slachtoffer 7] zich opnieuw bij de GZ-psycholoog aangemeld vanwege een opleving van, naar het hof begrijpt, de psychische klachten. De klachten lijken volgens de intakerapportage/behandelplan van de GZ-psycholoog van 15 oktober 2021 (bijlage 2 bij het schadevergoedings-formulier) op overspannenheid door de gebeurtenissen rondom haar dochter, de moeder raakt weer sneller getriggerd door beelden op tv en bepaalde handelingen die haar dochter uitvoert (zoals tong uitsteken) en er is sprake van opdringende nare fantasieplaatjes van de gebeurtenis. De moeder van [slachtoffer 7] heeft vervolgens van 14 oktober 2021 tot en met 15 februari 2022 nog 8 behandelingen gehad en EMDR- en schrijftherapie gevolgd, gericht op het uiten van haar woede en verdriet, en de verdere verwerking van de gebeurtenissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert dat de ouders van [slachtoffer 7] door het waarnemen van de beelden en de door de verdachte verrichte seksuele handelingen met de gevolgen van het onrechtmatig handelen van de verdachte en de medeverdachte jegens [slachtoffer 7] zijn geconfronteerd. Zij zijn daarnaast door de verdachte om de tuin geleid doordat zij zich voordeed als een betrouwbare oppas aan wie zij hun dochter konden toevertrouwen, terwijl de verdachte en de medeverdachte de kinderen uitzochten op oppassites louter met als doel de zeer jeugdige kinderen seksueel te misbruiken. Welke gevolgen het seksueel misbruik voor [slachtoffer 7] heeft is nog onbekend, maar zoals hiervoor in de algemene overwegingen voor de schadevergoeding is omschreven, is het een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik van zeer jeugdige kinderen (ook pas op langere termijn) langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van de slachtoffers. Uit de beschrijving van de camerabeelden van het seksueel misbruik van 12 juni 2021 blijkt ook dat aan [slachtoffer 7] door het seksueel misbruik leed is toegebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de moeder van [slachtoffer 7] Vaststaat dat de verdachte en de medeverdachte onrechtmatig jegens [slachtoffer 7] hebben gehandeld. Het hof stelt vast dat de benadeelde partij als moeder van [slachtoffer 7] een hechte – nauwe en affectieve – relatie heeft met het slachtoffer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit vorenomschreven rapportages van de behandelend GZ-psycholoog blijkt dat de moeder van [slachtoffer 7] als gevolg van confrontatie met de beelden van het jegens haar dochter gepleegde seksueel misbruik psychische klachten heeft gekregen waarvoor zij van juli 2021 tot februari 2022 onder behandeling is geweest bij een GZ-psycholoog en onder meer EMDR-therapie heeft gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat uit deze rapportages voldoende blijkt dat bij de benadeelde partij de moeder van [slachtoffer 7] sprake is van geestelijk letsel dat het gevolg is van het bewezenverklaarde strafbare feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, brengen in het licht van de hiervoor vermelde gezichtspunten mee dat de verdachte en de medeverdachte ook onrechtmatig hebben gehandeld jegens de benadeelde partij de moeder van [slachtoffer 7] bij wie de confrontatie met het seksuele misbruik van haar dochtertje en de gevolgen daarvan onmiskenbaar een hevige emotionele schok heeft teweeggebracht die heeft geleid tot geestelijk letsel dat gelet op de aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het gaat om immateriële schade is die vergoeding gebaseerd op het bepaalde in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW (aantasting van de persoon op andere wijze). Het hof is van de oordeel dat de benadeelde partij de moeder van [slachtoffer 7] aldus recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiële schade Onder verwijzing naar de hiervoor weergegeven algemene overwegingen over reis- en verletkosten zullen de reiskosten voor bezoeken aan de psycholoog (reiskosten a) worden toegewezen tot een bedrag van € 73,63 (283,2 km x € 0,26). De kosten van de drie behandelingen bij de GZ-psycholoog in 2022 die door de zorgverzekeraar als eigen risico bij de moeder van [slachtoffer 7] in rekening zijn gebracht zullen worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 313,44. De materiële schade is aldus toewijsbaar tot een bedrag van € 387,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2022, zijnde laatste dag waarop de behandeling bij de GZ-psycholoog heeft plaatsgevonden. De schade wordt geacht op die dag te zijn geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immateriële schade Het hof begroot de immateriële schade voor het geestelijk letsel als gevolg van de confrontatie, gezien genoemde feiten en omstandigheden waaronder die confrontatie heeft plaatsgevonden, naar billijkheid op een bedrag van € 5.000,-. Het hof heeft hierbij ook heeft acht geslagen op hetgeen andere rechters aan schokschade hebben toegekend aan naasten. Dit bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2021, zijnde laatste dag waarop feit 15 is gepleegd. De schade wordt geacht op die dag te zijn geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde zal in het overige deel van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten De verdachte zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld. De door de gemachtigde van de benadeelde partij de moeder van [slachtoffer 7] gevorderde kosten voor het opstellen en het indienen van de vordering en het bijwonen van de zitting in eerste aanleg, worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 498,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdelijke veroordeling Tot vergoeding van de schade en de kosten is naast de verdachte ook de medeverdachte gehouden. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade en de kosten. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade en de kosten betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn/haar betalingsverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de vader van [slachtoffer 7] De vader van [slachtoffer 7] is weliswaar ook met de beelden van het seksuele misbruik geconfronteerd, hetgeen zeker een emotionele schok teweeg zal hebben gebracht, doch onvoldoende is onderbouwd dat bij de vader van [slachtoffer 7] als gevolg daarvan geestelijk letsel is ontstaan. Het enkele feit dat (ook) de vader in juli 2021 professionele hulp heeft gekregen van een GZ-psycholoog om het jegens zijn dochter gepleegde seksueel misbruik te verwerken, is daartoe onvoldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de vordering van de vader van [slachtoffer 7] is gebaseerd op een ernstige normschending bestaande uit doelbewuste misleiding, het binnendringen van de woning en in het privéleven en het beschamen van het ouderlijk vertrouwen, waardoor de vader om die reden zou zijn aangetast in zijn persoon op andere wijze, verwijst het hof naar hetgeen het hiervoor heeft overwogen en beslist ten aanzien van de vorderingen benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 2], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6].</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij de vader van [slachtoffer 7] zal derhalve in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij de vader van [slachtoffer 7] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij de dochter (feit 17) De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 21.785,00 aan materiële schade (€ 385,- ter zake van eigen risico en € 21.400,- ter zake van studievertraging 2020/2021) en € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de verdachte veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.385,00, bestaande uit € 3.000,00 aan immateriële schade en € 385,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige deel van de vordering tot vergoeding van de materiële en de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Namens de benadeelde partij is in hoger beroep de eis verminderd met de kosten van studievertraging en de vordering gehandhaafd voor wat betreft de vordering ter zake van het eigen risico en de immateriële schadevergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot integrale toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft verzocht de vordering toe te wijzen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft zich op 1 juni 2020 schuldig gemaakt aan het drogeren van de dochter door het toedienen van een schadelijke stof, Clonazolam, met als doel de dochter te misbruiken voor de seksuele fantasieën van de verdachte en de medeverdachte. Op 15 maart 2022 heeft de dochter via de politie kennisgenomen van de inhoud van de WhatsApp-gesprekken die tussen de verdachte en de medeverdachte over haar zijn gevoerd en waarin de vergaande seksuele fantasieën werden besproken. Ook zijn op de inbeslaggenomen telefoon en laptop van de verdachte heimelijk door de verdachte opgemaakte videobestanden aangetroffen van de dochter, waarop onder meer te zien is dat de dochter onder de douche staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de toelichting bij het schadevergoedingsformulier blijkt dat de dochter nadat de verdachte werd aangehouden op de verdenking van het plegen seksueel misbruik van zeer jonge kinderen reeds in september 2021 een intake heeft gehad bij de GGZ. Nadat de dochter ervan kennis kreeg dat ook zij is gebruikt in de fantasieën van de verdachte en de medeverdachte heeft dit het leven van de dochter op de kop gezet. De dochter is vervolgens vanaf 14 juli 2022 onder behandeling geweest bij SGGZ (Specialistische Geestelijke Gezondheidszorg) (bijlage 5 bij het schadevergoedingsformulier). Door SGGZ is bij de dochter een ongespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis vastgesteld, waarvoor zij intensieve therapie heeft gekregen, bestaande onder meer uit groepstraining en een individuele therapie. Blijkens de door de gemachtigde van de dochter ter terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting heeft dochter voor haar klachten ook EMDR- en schematherapie gevolgd en is haar behandeling in 2025 stopgezet. De dochter voelt zich door het onrechtmatig handelen van de verdachte door haar moeder in de steek gelaten en is hierdoor bovendien haar familie kwijtgeraakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de benadeelde partij de dochter als gevolg van het onrechtmatig handelen van de verdachte geestelijk letsel heeft opgelopen en aldus is aangetast in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en sub b, BW, zodat zij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding evenals een vergoeding van de materiële schade die het rechtstreeks gevolg is van het onrechtmatig handelen van de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiële schade Het hof is van oordeel dat de vordering betreffende het eigen risico van 2022 inzake psychologische zorg (bijlage 1 bij schadevergoedingsformulier) kan worden toegewezen tot het gevorderde en niet betwiste bedrag van € 385,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2022, zijnde de laatste dag waarop zorgkosten zijn gedeclareerd. De schade wordt geacht op die dag te zijn geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immateriële schade Gelet op alle omstandigheden van dit geval, in het bijzonder de aard en de ernst van het onrechtmatig handelen van de verdachte, de gevolgen hiervan voor de dochter en het aan de dochter toegebrachte leed, zoals hiervoor omschreven, alsmede de omstandigheden waaronder de verdachte het misdrijf jegens de dochter heeft begaan, begroot het hof de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 7.500,-. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de pleegdatum van het bewezenverklaarde feit, zijnde 1 juni 2020, de schade wordt geacht op die datum te zijn geleden. Bij de begroting heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend en hierbij ook acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de begroting van schade als hier aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten De verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten, op de wijze als in dictum van dit arrest is vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene overwegingen schadevergoedingsmaatregel en gijzeling Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ten behoeve van de slachtoffers (tevens benadeelde partijen), zijnde [slachtoffer 2], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7], de moeder van [slachtoffer 7] en de dochter alsmede ten behoeve van de hierna afzonderlijk te bespreken [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat gijzeling zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft. Het hof heeft acht geslagen op de artikelen 36f, vijfde lid, en 60a van het Wetboek van Strafrecht. Daaruit volgt dat de totale duur van de gijzeling maximaal een jaar betreft. Om doelmatigheidsredenen zal het hof uitgaan van de fictie dat een jaar gelijk is aan 360 dagen. Het hof zal dit maximale aantal dagen gijzeling evenredig verdelen over de maatregelen van de toegewezen vorderingen als het totale aantal dagen gijzeling dat zonder toepassing van dit maximum boven 360 dagen zou uitstijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om redenen van efficiency heeft het hof de toewijsbare schadevergoeding bij de verdachte onderverdeeld in 4 categorieën, te weten: categorie 1: € 4.000,- tot € 5.000,- categorie 2: € 5.000,- tot € 10.000,- categorie 3: € 10.000,- tot € 15.000,- categorie 4: € 15.000,- en hoger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de eerste categorie zullen 25 dagen gijzeling per slachtoffer worden opgelegd, bij de tweede categorie per slachtoffer 35 dagen gijzeling, bij de derde categorie 40 dagen gijzeling per slachtoffer en bij de vierde categorie 50 dagen gijzeling per slachtoffer. De schadevergoedingsmaatregel en het aantal dagen gijzeling zullen nader worden genoemd in het dictum. [slachtoffer 1] (feit 1),[slachtoffer 3] (feiten 4, 5 en 6) en [slachtoffer 4] (feiten 7 en 8) Door en namens [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zijn geen vorderingen benadeelde partij ingediend. De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep geoordeeld dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het/de strafbare feit(en) aan de slachtoffers is toegebracht en, op vordering van de officier van justitie, ten behoeve van deze slachtoffers de schadevergoedingsmaatregel opgelegd: voor [slachtoffer 1] € 5.000,-, voor [slachtoffer 3] € 13.000,- en voor [slachtoffer 4] € 13.000,-. De rechtbank heeft voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding aansluiting gezocht bij de toegewezen bedragen aan de benadeelde partijen [slachtoffer 2], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7].</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar de hiervoor weergegeven algemene overwegingen voor schadevergoeding zal aan de verdachte de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een bedrag van € 4.000,- ten behoeve van [slachtoffer 1] (ter zake de kinderpornografische afbeeldingen);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een bedrag van € 14.000,- ten behoeve van [slachtoffer 3] (€ 4.000,- ter zake de kinderpornografische afbeeldingen en € 10.000,- ter zake het seksueel binnendringen);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een bedrag van € 14.000,- ten behoeve van [slachtoffer 4] (€ 4.000,- ter zake de kinderpornografische afbeeldingen en € 10.000,- ter zake het seksueel binnendringen).</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hebben geleden en zal ten behoeve van deze slachtoffers de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot hierna te noemen bedragen. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte en de medeverdachte ten aanzien van [slachtoffer 3] is beperkt tot een bedrag van € 4.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36e, 36f, 38z, 47, 55, 57, 60a, 240b, 244, 247, 248, 249, 301 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren; beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht; beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 gsm zwart, Samsung (1813726) 1 computer, merk Asus (1813729) 1 usb stick (memorycard) wit/blauw merk Philips (676764) 1 usb stick (memorykaart) wit/groen merk Philips (676765) 1 gsm Samsung, wit in hoesje (676767) 1 gsm Samsung wit in gouden hoesje (676770);</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feiten 2 en 3) wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.000,00 (zesduizend euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk tot een bedrag van € 4.000,- (vierduizend euro) aansprakelijk is; wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 103,60 (honderddrie euro en zestig cent) aan materiële schade af; verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de verdachte en de mededader hoofdelijk in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.000,00 (zesduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening; bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt; bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 13 juni 2021;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (feiten 9, 10 en 11). wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 9, 10 en 11 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 16.500,- (zestienduizendvijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is; verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de verdachte en de mededader hoofdelijk in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5], ter zake van het onder 9, 10 en 11 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 16.500,00 (zestienduizendvijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening; bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt; bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 oktober 2020;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] (feiten 12, 13 en 14); wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 6] ter zake van het onder 12, 13 en 14 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.075,30 (zeventienduizend vijfenzeventig euro en dertig cent) bestaande uit € 575,30 (vijfhonderdvijfenzeventig euro en dertig cent) ter zake van materiële schade en € 16.500,- (zestienduizendvijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is; wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 250,88 (tweehonderdvijftig euro en achtentachtig cent) aan materiële schade af; verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de verdachte en de mededader hoofdelijk in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 6], ter zake van het onder 12, 13 en 14 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 575,30 (vijfhonderdvijfenzeventig euro en dertig cent) als vergoeding voor materiële schade en een bedrag van € 16.500,00 (zestienduizendvijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening; bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt; bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 november 2021 en voor immateriële schade op 8 januari 2021;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] (feiten 15 en 16) wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 7] ter zake van het onder 15 en 16 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.371,74 (zeventienduizend driehonderdeenenzeventig euro en vierenzeventig cent) bestaande uit € 871,74 (achthonderdeenenzeventig euro en vierenzeventig euro cent) ter zake van materiële schade en € 16.500,- (zestienduizendvijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is; wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 381,21 (driehonderdeenentachtig euro en eenentwintig cent) aan materiële schade af; verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de verdachte en de mededader hoofdelijk in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 7], ter zake van het onder 15 en 16 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 871,74 (achthonderdeenenzeventig euro en vierenzeventig euro cent) als vergoeding voor materiële schade en een bedrag van € 16.500,- (zestienduizendvijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening; bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de medeverdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt; bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade van € 776,- op 12 juli 2021 en voor de materiële schade van € 95,74 op 12 juni 2021 en voor de immateriële schade op 12 juni 2021;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorderingen van de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 2] verklaart de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding; veroordeelt de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 2] in de kosten, tot op heden aan de zijde van de verdachte begroot op nihil;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorderingen van de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 5] verklaart de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding; veroordeelt de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 5] in de kosten, tot op heden aan de zijde van de verdachte begroot op nihil;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorderingen van de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 6] verklaart de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding; veroordeelt de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 6] in de kosten, tot op heden aan de zijde van de verdachte begroot op nihil;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij de moeder van [slachtoffer 7] wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij de moeder van [slachtoffer 7] ter zake van het onder 15 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.387,07 (vijfduizend driehonderdzevenentachtig euro en zeven cent) bestaande uit € 387,07 (driehonderdzevenentachtig euro en zeven euro cent) ter zake van materiële schade en € 5.000,- (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is; verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de verdachte en de mededader hoofdelijk in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 498,- (vierhonderdachtennegentig euro); legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd de moeder van [slachtoffer 7], ter zake van het onder 15 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 387,07 (driehonderdzevenentachtig euro en zeven euro cent) als vergoeding voor materiële schade en een bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening; bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de medeverdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt; bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 februari 2022 en voor de immateriële schade op 12 juni 2021;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij de vader van [slachtoffer 7] verklaart de benadeelde partij de vader van [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, tot op heden aan de zijde van de verdachte begroot op nihil;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij de dochter (feit 17) wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij de dochter ter zake van het onder 17 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.885,00 (zevenduizend achthonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,- (driehonderdvijfentachtig euro) ter zake van materiële schade en € 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening; verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de verdachte in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd de dochter, ter zake van het onder 17 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 385,- (driehonderdvijfentachtig euro) als vergoeding voor materiële schade en een bedrag van € 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening; bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt; bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 juli 2022 en voor de immateriële schade op 1 juni 2020; [slachtoffer 1] (feit 1) legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.000,- (vierduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is; bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan deze betalingsverplichting heeft voldaan, de betalingsverplichting vervalt; [slachtoffer 3] (feiten 4, 5 en 6) legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 4, 5 en 6 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 14.000,- (veertienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk tot een bedrag van € 4.000,- (vierduizend euro) aansprakelijk is;</p>\n<p class=\"lf-p\">bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan deze betalingsverplichting heeft voldaan, de betalingsverplichting vervalt; [slachtoffer 4] (feiten 7 en 8) legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4], ter zake van het onder 7 en 8 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 14.000,- (veertienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is; bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan deze betalingsverplichting heeft voldaan, de betalingsverplichting vervalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus gewezen door: mr. J. Platschorre, voorzitter, mr. S. Riemens en mr. K.J. van Dijk, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier, en op 21 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</p></div>", "next": 0}