{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 103,60 aan materiële schade (reiskosten) en € 10.000,- aan immateriële schade (€ 5.000,- voor de ontuchtige handelingen en € 5.000,- voor het vervaardigen, verspreiden en bezitten van kinderpornografisch materiaal), te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts is de hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte gevorderd De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de verdachte veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.103,60, (€ 103,60 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade), en bepaald dat de verdachte niet gehouden is tot betaling voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van de verdachte in de kosten. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige deel van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijk vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en hoofdelijke veroordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft verzocht de vordering toe te wijzen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiële schade Onder verwijzing naar de hiervoor weergegeven algemene overwegingen over reiskosten (reiskosten b) zal dit deel van de vordering worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immateriële schade Onder verwijzing naar de hiervoor weergegeven algemene overwegingen voor schadevergoeding begroot het hof de immateriële schade die aan de benadeelde partij als rechtstreekse schade door het bewezenverklaarde is toegebracht naar billijkheid op een bedrag van € 4.000,- (ter zake de kinderpornografische afbeeldingen). Dit bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2021, zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde periode. De schade wordt geacht op die dag te zijn geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde zal in het overige deel van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten De verdachte zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdelijke veroordeling Tot vergoeding van de schade tot een bedrag van € 4.000,- en de kosten is naast de verdachte ook de medeverdachte gehouden. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade en de kosten. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade en de kosten betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn/haar betalingsverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte aan het slachtoffer schade is toegebracht tot een bedrag van € 4.000,-. De verdachte en de medeverdachte zijn daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze als hiervoor is vermeld tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (feiten 6, 7 en 8).</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 25.000,- aan immateriële schade (€ 20.000,- voor de op verschillende momenten gepleegde ontuchtige handelingen waaronder begrepen het seksueel binnendringen en € 5.000,- voor het vervaardigen, verspreiden en bezitten van kinderpornografisch materiaal), te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts is de hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de verdachte veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 13.000,- aan immateriële schade (€ 5.000,- voor het vervaardigen van kinderporno en € 8.000,- voor het seksueel binnendringen), te vermeerderen met de wettelijke rente, en bepaald dat de verdachte niet gehouden is tot betaling voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, met veroordeling van de verdachte in de kosten. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige deel van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaststellingsovereenkomst De wettelijk vertegenwoordigers van het minderjarige [slachtoffer 5], optredend namens [slachtoffer 5], en de verdachte hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten als bedoeld in artikel 7:900 BW en verder. Deze overeenkomst is door de wettelijk vertegenwoordigers op 8 maart 2026 en door de verdachte op 10 maart 2026 ondertekend. Deze overeenkomst is op 11 maart 2026 door de gemachtigde van de benadeelde partij aan het hof voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemachtigde van de benadeelde partij heeft het hof ter terechtzitting van 11 maart 2026 verzocht de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen schadevergoeding in dit strafproces toe te wijzen aan de benadeelde partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft het hof verzocht de verdachte en de medeverdachte hoofdelijk te veroordelen tot het in de vaststellingsovereenkomst genoemde bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft in de pleitnotities gesteld dat zij niets heeft toe voegen ten opzichte van hetgeen de gemachtigde van de benadeelde ter zitting heeft toegelicht en voorts verzocht te bepalen dat de verdachte en de medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door het hof toe kennen schadevergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst is uitdrukkelijk bepaald dat de wettelijk vertegenwoordigers voor de schade zoals gevorderd namens de minderjarige als benadeelde partij in het strafproces jegens de wederpartij finale kwijting verleent en dat door de ondertekening van deze overeenkomst de wettelijk vertegenwoordigers verklaren geen vordering benadeelde partij in het strafproces jegens de wederpartij meer te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit brengt met zich mee dat de vordering van de benadeelde partij reeds civielrechtelijk is afgewikkeld, waardoor de strafrechtelijke weg niet langer openstaat, zodat de vordering van de benadeelde partij zal worden afgewezen. Gelet hierop ziet het hof evenmin aanleiding tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. De omstandigheid dat de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen schadevergoeding nog niet is betaald, leidt niet tot een ander oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het vorenstaande zal het hof de kosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] (feiten 9, 10 en 11).</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 826,18 aan materiële schade (€ 249,60 aan reiskosten en € 576,58 aan verletkosten) en € 30.000,- aan immateriële schade (€ 25.000,- voor het op verschillende momenten gepleegde seksueel misbruik en € 5.000,- voor het vervaardigen, verspreiden en bezitten van kinderpornografisch materiaal), te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts is de hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de verdachte veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 13.826,18 (€ 826,18 aan materiële schade en € 13.000,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente, en bepaald dat de verdachte niet gehouden is tot betaling voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, en met hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte in de kosten, begroot op € 1.196,-. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige deel van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaststellingsovereenkomst De wettelijk vertegenwoordigers van het minderjarige [slachtoffer 6], optredend namens [slachtoffer 6], en de verdachte hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten als bedoeld in artikel 7:900 BW en verder. Deze overeenkomst is door de wettelijk vertegenwoordigers op 17 november 2025 en door de verdachte op 15 februari 2026 ondertekend. Deze overeenkomst is op 11 maart 2026 door de gemachtigde van de benadeelde partij aan het hof voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemachtigde van de benadeelde partij heeft het hof ter terechtzitting van 11 maart 2026 verzocht de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen schadevergoeding in dit strafproces toe te wijzen aan de benadeelde partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft het hof verzocht de verdachte en de medeverdachte hoofdelijk te veroordelen tot het in de vaststellingsovereenkomst genoemde bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft in de pleitnotities gesteld dat zij niets heeft toe voegen ten opzichte van hetgeen de gemachtigde van de benadeelde ter zitting heeft toegelicht en voorts verzocht te bepalen dat de verdachte en de medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door het hof toe kennen schadevergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 10 van deze overeenkomst is uitdrukkelijk bepaald dat de wettelijk vertegenwoordigers voor de schade zoals gevorderd namens de minderjarige als benadeelde partij in het strafproces jegens de wederpartij finale kwijting verleent en dat door de ondertekening van deze overeenkomst de wettelijk vertegenwoordigers verklaren geen vordering benadeelde partij in het strafproces jegens de wederpartij meer te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit brengt met zich mee dat de vordering van de benadeelde partij reeds civielrechtelijk is afgewikkeld, waardoor de strafrechtelijke weg niet langer openstaat, zodat de vordering van de benadeelde partij zal worden afgewezen. Gelet hierop ziet het hof evenmin aanleiding tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. De omstandigheid dat de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen schadevergoeding nog niet is betaald, leidt niet tot een ander oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het vorenstaande zal het hof de kosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] (feiten 12 en 13) De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.252,95 aan materiële schade (voor onder meer beddengoed, reis- en verletkosten) en € 30.000,- aan immateriële schade (€ 25.000,- voor het op verschillende momenten gepleegde seksueel misbruik en € 5.000,- voor het vervaardigen, verspreiden en bezitten van kinderpornografisch materiaal), te vermeerderen met de wettelijke rente en de kosten. Voorts is de hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de verdachte veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 14.252,95 (€ 1.252,95 aan materiële schade en € 13.000,- aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente, en bepaald dat de verdachte niet gehouden is tot betaling voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald en met hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte in de kosten, begroot op € 1.196,-. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige deel van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaststellingsovereenkomst De wettelijk vertegenwoordigers van het minderjarige [slachtoffer 7], optredend namens [slachtoffer 7], en de verdachte hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten als bedoeld in artikel 7:900 BW en verder. Deze overeenkomst is door de wettelijk vertegenwoordigers op 31 oktober 2025 en door de verdachte op 15 februari 2026 ondertekend. Deze overeenkomst is op 11 maart 2026 door de gemachtigde van de benadeelde partij aan het hof voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemachtigde van de benadeelde partij heeft het hof ter terechtzitting van 11 maart 2026 verzocht de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen schadevergoeding in dit strafproces toe te wijzen aan de benadeelde partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft het hof verzocht de verdachte en de medeverdachte hoofdelijk te veroordelen tot het in de vaststellingsovereenkomst genoemde bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft in de pleitnotities gesteld dat zij niets heeft toe voegen ten opzichte van hetgeen de gemachtigde van de benadeelde ter zitting heeft toegelicht en voorts verzocht te bepalen dat de verdachte en de medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door het hof toe kennen schadevergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 10 van deze overeenkomst is uitdrukkelijk bepaald dat de wettelijk vertegenwoordigers voor de schade zoals gevorderd namens de minderjarige als benadeelde partij in het strafproces jegens de wederpartij finale kwijting verleent en dat door de ondertekening van deze overeenkomst de wettelijk vertegenwoordigers verklaren geen vordering benadeelde partij in het strafproces jegens de wederpartij meer te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit brengt met zich mee dat de vordering van de benadeelde partij reeds civielrechtelijk is afgewikkeld, waardoor de strafrechtelijke weg niet langer openstaat, zodat de vordering van de benadeelde partij zal worden afgewezen. Gelet hierop ziet het hof evenmin aanleiding tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. De omstandigheid dat de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen schadevergoeding nog niet is betaald, leidt niet tot een ander oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het vorenstaande zal het hof de kosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorderingen van de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 2], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] (hierna ook te noemen: de benadeelde partijen de ouders).</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partijen de ouders hebben in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade per ouder, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts is de hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de benadeelde partijen de ouders telkens niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partijen de ouders hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemachtigden van de benadeelde partijen de ouders hebben gesteld dat de verdachte en de medeverdachte door het onrechtmatig handelen jegens hun dochter ook jegens hen een (zelfstandige) onrechtmatige daad hebben gepleegd, als gevolg waarvan zij ‘op andere wijze’ in hun persoon zijn aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW en rechtstreeks schade hebben geleden die zij in deze strafprocedure op de verdachte en de medeverdachte willen verhalen. Daartoe is gesteld dat de verdachte en de medeverdachte de gezinnen zorgvuldig hebben geselecteerd via oppassites louter met als doel om de kinderen van deze ouders te gaan misbruiken. De medeverdachte presenteerde zich tijdens de kennismakingsgesprekken als een professionele oppas die over een VOG beschikte. De verdachte en de medeverdachte hebben aldus toegang gekregen tot het gezin en de woning. De verdachte en de medeverdachte hebben daarmee opzettelijk misbruik gemaakt van de vertrouwenspositie en de ouders hebben hun kind vervolgens aan de oppas toevertrouwd waardoor het misbruik kon plaatsvinden. Er is sprake van een ernstige normschending bestaande bestaat uit doelbewuste misleiding, het binnendringen van de woning en in het privéleven en het beschamen van het ouderlijk vertrouwen. De moeder van [slachtoffer 5] heeft bovendien geestelijk letsel opgelopen zodat bij de moeder van [slachtoffer 5] ook om die reden sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft primair verzocht de gevorderde schade integraal toe te wijzen en subsidiair tot toewijzing van een door het hof naar billijkheid te begroten bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente en met hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft bepleit de benadeelde partijen de ouders niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen aangezien artikel 51f, lid 1, Sv hiervoor geen ruimte biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt evenals de rechtbank voorop dat ook ten aanzien van de ouders van [slachtoffer 2], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] geldt dat er geen discussie kan zijn over het leed en verdriet dat deze ouders is aangedaan doordat zij moeten leven met het besef dat hun dochtertje seksueel is misbruikt en de onzekerheid welke psychische gevolgen dit in de toekomst voor hun dochtertje zal hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is echter van oordeel dat de ouders in het strafproces niet als benadeelde partijen kunnen worden ontvangen in de vorderingen die zien op vergoeding van de door henzelf geleden schade. Artikel 51f lid 1 Sv biedt in beginsel (behoudens in geval van schokschade en in geval bij de dader het oogmerk heeft bestaan schade aan een derde toe te brengen) niet de ruimte aan ouders om door henzelf geleden schade in het strafproces te vorderen in verband met een tegen hun kind gepleegd misdrijf. Een onrechtmatige daad gepleegd jegens het kind brengt immers, behoudens voormelde uitzonderingen, nog niet mee dat jegens de ouders van kind een zelfstandige onrechtmatige daad is gepleegd, waardoor zij rechtstreeks schade hebben geleden als bedoeld in artikel 51f lid 1 Sv en dat de ouders zich ter zake van hun vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kunnen voegen in strafproces. Artikel 51f lid 1 Sv biedt in elk geval geen ruimte een dergelijke vordering in het strafproces te vorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen de ouders aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd leidt mogelijk wel in civilibus tot (contractuele) aansprakelijkheid van de verdachte en de medeverdachte. Deze vraag ligt in het strafproces echter niet aan het hof ter beoordeling voor, maar zou eventueel bij de burgerlijke rechter als grondslag voor de vorderingen kunnen worden aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande brengt mee dat de benadeelde partijen de ouders in het onderhavige strafproces niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partijen de ouders zullen als de in het ongelijk gestelde partij telkens worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorderingen van de benadeelde partij de ouders van [slachtoffer 7].</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij de moeder van [slachtoffer 7] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 387,07 aan materiële schade (€ 76,63 aan reiskosten en € 313,44 aan eigen risico zorgverzekeraar) en € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en € 498,- aan kosten. Voorts is de hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de verdachte veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 387,07 aan materiële schade, en bepaald dat de verdachte niet gehouden is tot betaling voor zover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte in de kosten, begroot op € 498,-. De rechtbank heeft de benadeelde partij de moeder van [slachtoffer 7] in de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij de vader van [slachtoffer 7] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en € 498,- aan kosten. Voorts is de hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de benadeelde partij de vader van [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 7] hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemachtigde van de ouders van [slachtoffer 7] heeft gesteld dat door de directe confrontatie met de beelden van het misbruik bij de ouders een zodanige emotionele schok teweeg is gebracht, waaruit geestelijk letsel is voortgevloeid, dat de verdachte en de medeverdachte daardoor jegens de ouders van [slachtoffer 7] een zelfstandige onrechtmatige daad hebben gepleegd die leidt tot schadeplichtigheid jegens de ouders van [slachtoffer 7].</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft primair verzocht de gevorderde schade integraal toe te wijzen en subsidiair een door het hof naar billijkheid vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente en met hoofdelijke veroordeling van de verdachte en de medeverdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de door de moeder van [slachtoffer 7] gevorderde materiële schade. Voor het overige heeft de verdediging bepleit de benadeelden partijen de ouders van [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toetsingskader voor schokschade In het arrest van 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:958) heeft de Hoge Raad zijn rechtspraak over vergoeding van schokschade nader uiteengezet en gepreciseerd. De Hoge Raad overwoog als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel, zoals hierna onder 3.7. nader omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld zijn onder meer:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.6 De feitenrechter moet aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is – zoals hiervoor in 3.4. reeds overwogen - beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De feiten en de omstandigheden Op 12 juni 2021 zijn de ouders van [slachtoffer 7] geconfronteerd met de beelden van een camera die op de slaapkamer van hun destijds 2 jaar oude dochter stond. Die avond paste de medeverdachte op hun dochter, terwijl de ouders een avondje uit waren. Bij eerdere oppasmomenten was de camera nog niet geïnstalleerd. Toen de ouders weer thuis waren, heeft de vader van [slachtoffer 7] de camerabeelden bekeken. Hij zag dat zijn dochter door de oppas (de medeverdachte) seksueel werd misbruikt en dat de medeverdachte met een camera aan het opnemen was of aan het videobellen. De vader en de moeder van [slachtoffer 7] hebben vervolgens beiden fragmenten van de beelden van het seksueel misbruik bekeken. Ze hebben naast de seksuele handelingen die de medeverdachte met hun dochtertje verrichtte, gezien dat de medeverdachte een riem om de hals van hun dochtertje deed en haar zwarte lingeriekousen aan had gedaan. De ouders hebben niet alle beelden gezien omdat ze het niet aan konden. Uit de beschrijving van diezelfde camerabeelden (dossierpagina 1404-1409) blijkt dat het meisje tijdens in de tenlastelegging beschreven seksuele handelingen bij de haren wordt gepakt, dat het meisje op verschillende momenten huilt en kokhalsgeluiden maakte en dat het meisje door de medeverdachte wordt aangesproken met hoer en vieze kleine slet. En op een moment dat het meisje huilt wordt, door de medeverdachte gezegd: ‘ik wil geen huilen horen, tong naar buiten, er wordt niet gehuild, tong naar buiten.’ Uit de toelichting bij het schadevergoedingsformulier blijkt dat de ouders van [slachtoffer 7] in juli 2021 professionele hulp hebben gekregen van een GZ-psycholoog om dit misdrijf jegens hun dochter te verwerken (bijlage 1 bij het schadevergoedingsformulier). Het betrof hier 3 sessies. In oktober 2021 heeft de moeder van [slachtoffer 7] zich opnieuw bij de GZ-psycholoog aangemeld vanwege een opleving van, naar het hof begrijpt, de psychische klachten. De klachten lijken volgens de intakerapportage/ behandelplan van de GZ-psycholoog van 15 oktober 2021 (bijlage 2 bij het schadevergoedings-formulier) op overspannenheid door de gebeurtenissen rondom haar dochter, de moeder raakt weer sneller getriggerd door beelden op tv en bepaalde handelingen die haar dochter uitvoert (zoals tong uitsteken) en er is sprake van opdringende nare fantasieplaatjes van de gebeurtenis. De moeder van [slachtoffer 7] heeft vervolgens van 14 oktober 2021 tot en met 15 februari 2022 nog 8 behandelingen gehad en EMDR- en schrijftherapie gevolgd, gericht op het uiten van haar woede en verdriet, en de verdere verwerking van de gebeurtenissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert dat de ouders van [slachtoffer 7] door het waarnemen van de beelden en de door de medeverdachte verrichte seksuele handelingen met de gevolgen van het onrechtmatig handelen van de verdachte en de medeverdachte jegens [slachtoffer 7] zijn geconfronteerd. Zij zijn daarnaast door de medeverdachte om de tuin geleid doordat zij zich voordeed als een betrouwbare oppas aan wie zij hun dochter konden toevertrouwen, terwijl de verdachte en de medeverdachte de kinderen uitzochten op oppassites louter met als doel de zeer jeugdige kinderen seksueel te misbruiken. Welke gevolgen het seksueel misbruik voor [slachtoffer 7] heeft is nog onbekend, maar zoals hiervoor in de algemene overwegingen voor de schadevergoeding is omschreven, is het een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik van zeer jeugdige kinderen (ook pas op langere termijn) langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van de slachtoffers. Uit de beschrijving van de camerabeelden van het seksueel misbruik van 12 juni 2021 blijkt ook dat aan [slachtoffer 7] door het seksueel misbruik leed is toegebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de moeder van [slachtoffer 7] Vaststaat dat de verdachte en de medeverdachte onrechtmatig jegens [slachtoffer 7] hebben gehandeld. Het hof stelt vast dat de benadeelde partij als moeder van [slachtoffer 7] een hechte – nauwe en affectieve – relatie heeft met het slachtoffer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit vorenomschreven rapportages van de behandelend GZ-psycholoog blijkt dat de moeder van [slachtoffer 7] als gevolg van de confrontatie met de beelden van het jegens haar dochter gepleegde seksueel misbruik psychische klachten heeft gekregen waarvoor zij van juli 2021 tot februari 2022 onder behandeling is geweest bij een GZ-psycholoog en onder meer EMDR-therapie heeft gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat uit deze rapportages voldoende blijkt dat bij de benadeelde partij de moeder van [slachtoffer 7] sprake is van geestelijk letsel dat het gevolg van is het bewezenverklaarde strafbare feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, brengen in het licht van de hiervoor vermelde gezichtspunten mee dat de verdachte en de medeverdachte ook onrechtmatig hebben gehandeld jegens de benadeelde partij de moeder van [slachtoffer 7] bij wie de confrontatie met het seksuele misbruik van haar dochtertje en de gevolgen daarvan onmiskenbaar een hevige emotionele schok heeft teweeggebracht die heeft geleid tot geestelijk letsel dat gelet op de aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het gaat om immateriële schade is die vergoeding gebaseerd op het bepaalde in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW (aantasting van de persoon op andere wijze), zodat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiële schade Onder verwijzing naar de hiervoor weergegeven algemene overwegingen over reiskosten zullen de reiskosten voor bezoeken aan de psycholoog (reiskosten a) worden toegewezen tot een bedrag van € 73,63 (283,2 km x € 0,26). De kosten van de drie behandelingen bij de GZ-psycholoog in 2022 die door de zorgverzekeraar als eigen risico bij de moeder van [slachtoffer 7] in rekening zijn gebracht zullen worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 313,44. De materiële schade is aldus toewijsbaar tot een bedrag van € 387,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2022, zijnde laatste dag waarop de behandeling bij de GZ-psycholoog heeft plaatsgevonden. De schade wordt geacht op die dag te zijn geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immateriële schade Het hof begroot de immateriële schade voor het geestelijk letsel als gevolg van de confrontatie, gezien genoemde feiten en omstandigheden waaronder die confrontatie heeft plaatsgevonden, naar billijkheid op een bedrag van € 5.000,-. Het hof heeft hierbij ook heeft acht geslagen op hetgeen andere rechters aan schokschade hebben toegekend aan naasten. Dit bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2021, zijnde laatste dag waarop feit 12 is gepleegd. De schade wordt geacht op die dag te zijn geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde zal in het overige deel van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten De verdachte zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld. De door de gemachtigde van de benadeelde partij de moeder van [slachtoffer 7] gevorderde kosten voor het opstellen en het indienen van de vordering en het bijwonen van de zitting in eerste aanleg, zullen worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 498,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdelijke veroordeling Tot vergoeding van de schade en de kosten is naast de verdachte ook de medeverdachte gehouden. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade en de kosten. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade en de kosten betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn/haar betalingsverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte aan het slachtoffer schade is toegebracht tot een bedrag van € 5.387,07. De verdachte en de medeverdachte zijn daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze als hiervoor is vermeld tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de vader van [slachtoffer 7] De vader van [slachtoffer 7] is weliswaar ook met de beelden van het seksuele misbruik geconfronteerd, hetgeen zeker een emotionele schok teweeg zal hebben gebracht, doch onvoldoende is onderbouwd dat bij de vader van [slachtoffer 7] als gevolg daarvan geestelijk letsel is ontstaan. Het enkele feit dat (ook) de vader in juli 2021 professionele hulp heeft gekregen van een GZ-psycholoog om het jegens zijn dochter gepleegde seksueel misbruik te verwerken, is daartoe onvoldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de vordering van de vader van [slachtoffer 7] is gebaseerd op een ernstige normschending bestaande uit doelbewuste misleiding, het binnendringen van de woning en in het privéleven en het beschamen van het ouderlijk vertrouwen, waardoor de vader om die reden zou zijn aangetast in zijn persoon ‘op andere wijze’, verwijst het hof naar hetgeen het hiervoor heeft overwogen en beslist ten aanzien van de vorderingen benadeelde partijen de ouders van de meisjes [slachtoffer 2], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij de vader van [slachtoffer 7] zal derhalve in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij de vader van [slachtoffer 7] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald. [slachtoffer 1] (feit 1), [slachtoffer 3] (feit 3) en [slachtoffer 4] (feiten 4 en 5) Door en namens [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zijn geen vorderingen benadeelde partij ingediend. De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep geoordeeld dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het/de strafbare feit(en) aan de slachtoffers is toegebracht en, op vordering van de officier van justitie, ten behoeve van deze slachtoffers de schadevergoedingsmaatregel opgelegd: voor [slachtoffer 1] € 5.000,-, voor [slachtoffer 3] € 5.000,- en voor [slachtoffer 4] € 13.000,-. De rechtbank heeft voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding aansluiting gezocht bij de toegewezen bedragen aan de benadeelde partijen [slachtoffer 2], [slachtoffer 6], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7], en voorts bepaald dat de verdachte met de medeverdachte hoofdelijk voor deze schade aansprakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaststellingsovereenkomst [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] De wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], optredend namens [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], en de verdachte hebben vaststellingsovereenkomsten gesloten als bedoeld in artikel 7:900 BW en verder. Deze overeenkomsten zijn door de wettelijk vertegenwoordigers op 8 maart 2026 en door de verdachte op 10 maart 2026 ondertekend. Deze overeenkomsten zijn op 11 maart 2026 door de advocaat van de wettelijk vertegenwoordigers aan het hof voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemachtigde van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft het hof ter terechtzitting van 11 maart 2026 verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor vergoeding van de schade zoals overeengekomen in de respectieve vaststellingsovereenkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft het hof verzocht ten behoeve van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor vergoeding van de schade zoals overeengekomen in de respectieve vaststellingsovereenkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft in de pleitnotities verzocht te bepalen dat de verdachte en de medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door het hof toe kennen schadevergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5 van de respectieve overeenkomsten is uitdrukkelijk bepaald dat de wettelijk vertegenwoordigers voor de schade van de minderjarige [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] jegens de wederpartij finale kwijting verleent en dat door de ondertekening van de respectieve overeenkomsten de wettelijk vertegenwoordigers verklaren dat de door de rechtbank aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel in het hoger beroep niet opnieuw behoeft te worden opgelegd, nu partijen de schade van de minderjarigen in een minnelijk overleg hebben geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4].</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaststellingsovereenkomst [slachtoffer 1] De wettelijk vertegenwoordiger van het minderjarige [slachtoffer 1], optredend namens [slachtoffer 1], en de verdachte hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten als bedoeld in artikel 7:900 BW en verder. Deze overeenkomst is door de wettelijk vertegenwoordiger op 9 maart 2026 en door de verdachte op 10 maart 2026 ondertekend. Deze overeenkomst is op 11 maart 2026 door de advocaat van de wettelijk vertegenwoordiger aan het hof voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemachtigde van [slachtoffer 1] heeft het hof ter terechtzitting van 11 maart 2026 verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor vergoeding van de schade zoals overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft het hof verzocht ten behoeve van [slachtoffer 1] de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor vergoeding van de schade zoals overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft in de pleitnotities verzocht te bepalen dat de verdachte en de medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door het hof toe kennen schadevergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5 van de overeenkomst is uitdrukkelijk bepaald dat de wettelijk vertegenwoordiger voor de schade van het minderjarige [slachtoffer 1] jegens de wederpartij finale kwijting verleent en dat door de ondertekening van de overeenkomst de wettelijk vertegenwoordiger verklaart dat de door de rechtbank aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel in het hoger beroep niet opnieuw behoeft te worden opgelegd, nu partijen de schade van de minderjarige in een minnelijk overleg hebben geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 1].</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36e, 36f, 37a, 37b, 47, 55, 57, 240b, 244, 247, 248 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13 en 14 tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13 en 14 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren; beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd; beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Samsung Sm A202F/Ds 16. Externe harde schijf Lacie 17. Externe harde schijf Samsung; gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Samsung SM-A520F werktelefoon 10. 7 cd/dvd’s 11. Spindel met DVD’s/cd 12. Digitale camera Fuji 13. DVD in zwart doosje 14. USB-stick 15. Laptop Asus R54DS 18. Cd's/dvd’s in zwarte map 19. Zwart tasje met 2 verstelbare riemen 21. Tom-Tom 23. VHS. 676836;</div>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2) wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is; wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 103,60 (honderddrie euro en zestig cent) aan materiële schade af; verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de verdachte en de mededader hoofdelijk in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.000,00 (vierduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening; bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt; bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 13 juni 2021;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (feiten 6, 7 en 8) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] tot schadevergoeding af; compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] (feiten 9, 10 en 11) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] tot schadevergoeding af; compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] (feiten 12 en 13) wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] tot schadevergoeding af; compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 2] verklaart de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding; veroordeelt de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 2] in de kosten, tot op heden aan de zijde van de verdachte begroot op nihil;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 5] verklaart de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding; veroordeelt de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 5] in de kosten, tot op heden aan de zijde van de verdachte begroot op nihil;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 6] verklaart de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding; veroordeelt de benadeelde partijen de ouders van [slachtoffer 6] in de kosten, tot op heden aan de zijde van de verdachte begroot op nihil;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij moeder [slachtoffer 7] wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij de moeder van [slachtoffer 7] ter zake van het onder 12 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.387,07 (vijfduizend driehonderdzevenentachtig euro en zeven cent) bestaande uit € 387,07 (driehonderdzevenentachtig euro en zeven cent) aan materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de verdachte en de mededader hoofdelijk in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 498,00 (vierhonderdachtennegentig euro); legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd moeder van [slachtoffer 7], ter zake van het onder 12 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.387,07 (vijfduizend driehonderdzevenentachtig euro en zeven cent) bestaande uit € 387,07 (driehonderdzevenentachtig euro en zeven cent) aan materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening; bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 51 (eenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt; bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 februari 2022 en van de immateriële schade op 12 juni 2021;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij vader van [slachtoffer 7] verklaart de benadeelde partij de vader van [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, tot op heden aan de zijde van de verdachte begroot op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus gewezen door: mr. J. Platschorre, voorzitter, mr. S. Riemens en mr. K.J. van Dijk, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier, en op 21 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</p></div>", "next": 0}