{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Gelet op al het bovenstaande is het hof van oordeel dat SEB in haar maatschappelijke rol als levensverzekeringsmaatschappij een zorgplicht had tegenover [geïntimeerden] om hen vóór het sluiten van de PPP: a) te informeren over de bijzondere kenmerken van de in de PPP (die als ‘wrapper’ werd aangeduid) ingebrachte beleggingen en b) hen in niet mis te verstane woorden te waarschuwen voor de daaraan verbonden risico’s. Niet voor niets ging het hier om fondsen, die normaliter niet voor consumenten beschikbaar zijn. Daarbij had SEB er ook voor dienen te waarschuwen dat [geïntimeerden] op deze wijze het risico liepen hun gehele inleg kwijt te raken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt temeer nu vaststaat dat SEB op de inschrijfformulieren kon zien dat de inleg van [geïntimeerden] afkomstig was uit spaargeld (en niet bijvoorbeeld uit eerdere beleggingen).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.79.</p>\n<p class=\"lf-p\">De informatie en waarschuwing die SEB had moeten geven betreft een concreet onderwerp: de specifieke kenmerken en risico’s van de aan de PPP gekoppelde alternatieve beleggingsfondsen (als hier aan de orde). Aldus is aan de door het Hof van Justitie gestelde eisen van duidelijkheid en nauwkeurigheid (zie 6.52.) voldaan. Gelet op het karakter van de PPP als wrapper voor mogelijk risicovolle en in beginsel niet voor particulieren bestemde beleggingen, gaat het hier ook om informatie en een waarschuwing die noodzakelijk zijn voor een goed begrip van de wezenlijke bestanddelen van deze beleggingsverzekering. Voor een verzekeraar als SEB moet een informatie- en waarschuwingsverplichting als hier bedoeld, ook voldoende voorzienbaar zijn geweest. Hiervoor is immers reeds geoordeeld dat SEB wist van het patroon, dat in Nederland consumenten op grote schaal door hun tussenpersoon werden geadviseerd om via de PPP eenzijdig te beleggen in bepaalde zeer risicovolle fondsen die normaliter niet voor particulieren beschikbaar waren. Er is dan ook voldaan aan de onder 6.52. genoemde vereisten die voortvloeien uit het NN/Van Leeuwen arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.80.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan SEB aanvoert, kan niet worden geoordeeld dat zij voldoende heeft gewaarschuwd. Wat SEB aanduidt als waarschuwingen gaat met name over vermelding van: de dingen die SEB niet deed (zoals adviseren), de zaken waarvoor SEB niet aansprakelijk was (zoals prestaties van de fondsen), en de zaken waar [geïntimeerden] zelf verantwoordelijk voor zouden zijn (keuze beleggingen). [geïntimeerden] voeren in verband met de Verklaring van goed begrip terecht aan dat het daarin met name gaat om een opsomming van disclaimers.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.81.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals al eerder vermeld, doet aan het voorgaande niet af dat er geen sprake was van dwaling en/of misleidende informatie van de kant van SEB. Dit sluit als zodanig niet uit dat SEB is tekortgeschoten in haar verder reikende, uit de bijzondere zorgplicht voorvloeiende informatie- en waarschuwingsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.82.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de stelling van SEB dat [A] tekort is geschoten in zijn zorgplicht tegenover [geïntimeerden] , kan niet leiden tot een ander oordeel. Weliswaar had ook [A] als tussenpersoon een verantwoordelijkheid tegenover [geïntimeerden] , maar dat neemt niet de eigen verantwoordelijkheid weg van SEB als verzekeraar die uiteindelijk de PPP met [geïntimeerden] sloot.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.83.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder snijdt ook het betoog van SEB over versnippering van de informatie binnen haar organisatie geen hout. Zoals uit het voorgaande al blijkt, was er bij relevante personen binnen SEB voldoende wetenschap, die had moeten leiden tot een waarschuwing aan [geïntimeerden] Voor zover er toch nog sprake was van enige versnippering omdat bijvoorbeeld de inschrijvingsformulieren op een andere afdeling (en dus niet bij verantwoordelijke personen zoals [persoon D] of [persoon C] ) terechtkwamen, dan moet dit naar het oordeel van het hof in de concrete omstandigheden van dit geval voor risico van SEB komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.84.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het betoog van SEB dat zij geen belang had bij het promoten van bepaalde fondsen kan haar hier niet baten. Wat hier van zij, dit is als zodanig geen vereiste voor aansprakelijkheid en kan daar dus in dit geval niet aan afdoen. (ii) faciliteren 6.85.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens is het verwijt van faciliteren aan de orde. In lijn met de overwegingen van de rechtbank op dit punt, is hiervan naar het oordeel van het hof sprake indien SEB, wetend op welke eenzijdige risicovolle wijze de PPP in Nederland in de markt werd gezet en op grote schaal bij particuliere cliënten werd gevuld met zeer risicovolle beleggingen, desondanks heeft geaccepteerd en mogelijk gemaakt dat [geïntimeerden] hun PPP op die manier hebben gevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.86.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan SEB lijkt te betogen is niet vereist dat er sprake was van subjectieve wetenschap van SEB over missstanden, fraude en dergelijke bij de alternatieve beleggingsinstellingen waarin [geïntimeerden] via hun PPP gingen beleggen. Het gaat er om of SEB als professionele verzekeraar wist dat zij met haar PPP mogelijk maakte dat particulieren zoals [geïntimeerden] op meergenoemde eenzijdige wijze risico’s gingen nemen met belegging in fondsen die niet voor particulieren bedoeld waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.87.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof is er sprake geweest van het hierboven bedoelde faciliteren door SEB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals uit de in 6.67. geciteerde mailwisselingen blijkt, heeft SEB voornamelijk op verzoek van [persoon B] de alternatieve beleggingsfondsen die niet bedoeld waren voor particuliere beleggers via de PPP opengesteld voor gebruik door particuliere Nederlandse cliënten. Zij heeft naar eigen zeggen slechts eenmalig per fonds getoetst of deze toelaatbaar waren onder de Irish Famework Regulations 1994 (IFR). Uit niets blijkt dat SEB ten aanzien van haar tussenpersonen of cliënten andere voorzorgsmaatregelen in acht nam, dan het laten ondertekenen van een Verklaring van goed begrip. Integendeel, SEB juichte al in 2009 de handelwijze van [persoon B] met de ‘wrapper’ toe en wenste hem een op die manier door zijn cliënten belegd vermogen toe van miljoenen euro’s. Tegen die achtergrond kan de handelwijze van SEB worden gekwalificeerd als het door [geïntimeerden] gestelde faciliteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.88.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals eerder al overwogen kan het betoog van SEB: (i) dat zij niet doorhad dat er sprake was van een feitelijk plan van [persoon B] waarin SEB de spil werd en (ii) dat [persoon B] al voordat hij introducer werd, samenwerkingsovereenkomsten sloot met tussenpersonen, haar niet baten. Wat er van dit alles zij, vaststaat dat SEB: wetenschap had van de eenzijdige risicovolle wijze waarop de PPP in Nederland op grote schaal gevuld werd, [A] als tussenpersoon contracteerde, die door [persoon B] was aangebracht, en accepteerde dat [geïntimeerden] via [A] de PPP op die risicovolle wijze sloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook indien SEB niet wist hoe dit precies in elkaar stak in de verhouding tussen introducer en/of tussenpersonen, komt dit voor haar risico en kan dit niet afdoen aan het oordeel dat zij dit alles heeft gefaciliteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.89.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van al het bovenstaande komt het hof dan ook tot het oordeel dat SEB niet heeft voldaan aan haar informatie- en waarschuwingsplicht en desondanks heeft gefaciliteerd dat [geïntimeerden] op eenzijdige wijze hebben belegd in zeer risicovolle alternatieve beleggingsinstellingen. Dit betekent dat SEB onrechtmatig tegenover [geïntimeerden] heeft gehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaringen voor recht op dit punt zoals gegeven in het derde vonnis onder 4.1. b) en c) zullen worden gehandhaafd, op de wijze zoals verderop in het dictum van deze uitspraak verwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan komen vervolgens de onderwerpen toerekenbaarheid, causaal verband, relativiteit, schade en eigen schuld aan de orde. toerekenbaarheid (artikel 6 :162 lid 3 BW) 6.90.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof leest het betoog van SEB over toerekening van de schade van [geïntimeerden] (met name grief 3C) zo, dat dit betrekking heeft op artikel 6:98 BW. De beoordeling hiervan komt onder 6.113. tot en met 6.115. aan de orde. Voor zover SEB in zijn algemeenheid heeft bedoeld dat genoemd onrechtmatig handelen haar niet kan worden toegerekend zoals bedoeld in artikel 6:162 lid 3 BW, heeft zij dit onvoldoende concreet gesteld, laat staan onderbouwd. Voor zover SEB met haar in verband met artikel 6:98 BW aangevoerde argumenten ook bedoeld heeft een beroep te doen op artikel 6:162 lid 3 BW, gelden daarvoor dezelfde overwegingen van het hof zoals vermeld in 6.114. Dit beroep faalt dan dus ook. conditio sine qua non verband 6.91.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien SEB: haar hierboven behandelde informatie- en waarschuwingsplicht heeft geschonden, en heeft gefaciliteerd dat [geïntimeerden] op eenzijdige wijze hebben belegd in de zeer risicovolle alternatieve belegginginstellingen, dient vervolgens te worden beoordeeld of er sprake is van het gestelde conditio sine qua non verband tussen deze onrechtmatige handelwijze en de door [geïntimeerden] gestelde schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.92. [geïntimeerden] stellen hierover, kort samengevat, als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststaat dat [geïntimeerden] een iets hoger rendement wilden dan op een reguliere spaarrekening. Verder staat vast dat [geïntimeerden] een pensioendoelstelling hadden (en dat SEB dat wist of daarmee rekening kon houden). [geïntimeerden] wilden hun vermogen in standhouden, maar waren bereid om in ruil voor een iets hoger rendement een iets groter risico te aanvaarden. Daarbij past een defensief risicoprofiel, zoals vastgesteld door [A] . Daarmee is het causale verband gegeven, omdat aangenomen moet worden dat als [geïntimeerden] als defensieve beleggers door SEB waren gewaarschuwd voor de werkelijke aard van de PPP in combinatie met de gekozen fondsen, zij daarin nooit zouden hebben belegd. [geïntimeerden] wijzen er verder op dat zij zowel ter zitting bij de rechtbank als bij het hof zelf naar voren hebben gebracht dat als SEB hen duidelijk had gewaarschuwd in plaats van de eenzijdige risicovolle belegging te faciliteren zoals zij heeft gedaan, [geïntimeerden] iets anders gedaan zouden hebben dan het afsluiten van de PPP.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.93.</p>\n<p class=\"lf-p\">SEB betwist het door [geïntimeerden] gestelde conditio sine qua non verband en maakt daarbij een onderscheid tussen de inleg van [geïntimeerden] en de gestelde gederfde winst. Kort samengevat voert SEB het volgende aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens SEB zouden [geïntimeerden] ook zonder de hierboven genoemde normschendingen alsnog de PPP hebben gesloten en gevuld zoals zij hebben gedaan. Het is SEB niet duidelijk wat de extra waarschuwing had moeten inhouden, omdat zij geen direct contact had met haar verzekeringnemers. Zij wist niet voorafgaand aan het sluiten van de PPP welke beleggingen de verzekeringnemers voornemens waren te selecteren. Verder brengt SEB naar voren dat zij niet de aanbieder van de fondsen was, geen beleggingsadvies gaf of mocht geven en ook geen beleggingsdiensten verleende. Het beter informeren van [persoon G] , [persoon B] , [persoon E] en [A] had hun inzicht over de geselecteerde fondsen niet doen toenemen. Deze personen sloegen ook geen acht op het materiaal van SEB en hadden daarnaast een eigen verantwoordelijkheid om hun klanten te informeren en adviseren. Ook [geïntimeerden] hebben blijkens hun eigen verklaringen geen acht geslagen op informatiemateriaal van SEB en hebben in elk geval hun keuze daar niet van laten afhangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiair betoogt SEB dat er op zijn minst onzekerheid bestaat over het conditio sine qua non verband tussen de gestelde normschendingen en de schade van [geïntimeerden] In dat verband verzoekt SEB het hof subsidiair het leerstuk van de kansschade toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van deze gevorderde schadepost gederfde winst gaat SEB naast het voorgaande, verder in op wat [geïntimeerden] naar voren hebben gebracht over wat zij zouden hebben gedaan als zij niet voor de PPP hadden gekozen. Ook in dit verband verzoekt SEB het hof het leerstuk van de kansschade toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.94.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt het volgende voorop.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stelplicht en bewijslast van het causaal verband in de zin van het conditio sine qua non vereiste rust op [geïntimeerden] Voor het aannemen van dit conditio sine qua non verband tussen de normschending en de schade is geen 100% zekerheid vereist, maar is een redelijke mate van waarschijnlijkheid voldoende. Daarbij zijn de aard en strekking van de geschonden norm, de aard van de normschending en de aard van de schade relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.95.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier om het schenden van een bijzondere zorgplicht van SEB als verzekeraar. Zij had [geïntimeerden] als particuliere verzekeringnemers voorafgaand aan het sluiten van de PPP duidelijk en in niet mis te verstane bewoordingen dienen te waarschuwen voor de risico’s van de alternatieve beleggingsinstellingen waarmee zij hun PPP gingen vullen, in plaats van de eenzijdige belegging door [geïntimeerden] in deze risicovolle fondsen te faciliteren op de wijze zoals zij dat heeft gedaan. De geschonden norm strekt derhalve juist tegen het door [geïntimeerden] aangaan van onnodige risico’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststaat dat: de fondsen waarin [geïntimeerden] (evenals vele andere Nederlandse verzekeringnemers van SEB) gingen beleggen, normaliter niet voor particulieren beschikbaar waren onder meer vanwege de aan die fondsen verbonden risico’s, de inleg van [geïntimeerden] afkomstig was van spaargeld, en dat [geïntimeerden] binnen een afzienbare periode van minder dan tien jaren de pensioengerechtigde leeftijd zouden bereiken (en de gelden dan mogelijk voor pensioendoelstellingen wilden/moesten gaan aanwenden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder staat als onvoldoende betwist door SEB vast dat [A] voor [geïntimeerden] een defensief beleggingsprofiel had vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze feiten waren ook kenbaar voor SEB. Anders dan SEB stelt, hadden zij er voor kunnen en moeten zorgen dat de hierboven bedoelde waarschuwing [geïntimeerden] direct of indirect zou bereiken. SEB had immers in eigen hand hoe zij haar product en haar afzetkanalen daarvoor vorm gaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen die achtergrond en gelet op de verklaringen van [geïntimeerden] zowel ter zitting bij de rechtbank als bij het hof, is het hof van oordeel dat het betoog van [geïntimeerden] slaagt en dat het primaire en subsidiaire verweer van SEB (6.93.) als onvoldoende onderbouwd faalt. Er is met een voldoende mate van waarschijnlijkheid komen vast te staan dat indien SEB had voldaan aan haar informatie- en waarschuwingsplicht in plaats van de risicovolle beleggingen te faciliteren zoals zij heeft gedaan, [geïntimeerden] niet hadden gekozen voor de PPP met de risicovolle alternatieve beleggingsinstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.96.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu vaststaat dat SEB toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld en er sprake is van conditio sine qua non verband, is SEB aansprakelijk voor de door [geïntimeerden] geleden schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat kader zal het hof eerst ingaan op het debat van partijen over het door het hof terugverwijzen naar de rechtbank of aan zich houden van de zaak. hof houdt de zaak aan zich 6.97.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde vonnis is gedeeltelijk een eindvonnis (dictum onder 4.1. tot en met 4.6.). Voor het overige (verwijzing naar de rol in verband met de voorgenomen benoeming van een deskundige in verband met vaststelling van de schade, en het aanhouden van iedere verdere beslissing, 4.7. en 4.8.) een tussenvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.98. [geïntimeerden] hebben zowel in hun memorie van antwoord als ter zitting het hof verzocht de zaak aan zich te houden. Zij stellen dat het verzoek van SEB in de memorie van grieven om de schade van [geïntimeerden] te schatten op grond van artikel 6:97 BW, een voorstel is van SEB aan het hof om de zaak aan zich te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.99.</p>\n<p class=\"lf-p\">SEB heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat zij wenst dat de zaak na beoordeling van de grieven wordt terugverwezen naar de rechtbank, om zo het debat over de schade (en met name het gemiste rendement van [geïntimeerden] ) in twee instanties te kunnen voeren. Volgens SEB heeft zij in haar memorie van grieven slechts gereageerd op bepaalde door de rechtbank geslagen piketpaaltjes die zij moest meenemen in haar hoger beroep, en heeft zij niet bedoeld het debat over de schade alleen in hoger beroep af te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.100. Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenals bij een hoger beroep van een volledig eindvonnis, dient het hof het eindvonnis-gedeelte in deze zaak geheel aan zich te houden (en bij geheel of gedeeltelijke vernietiging zoals hier het geval is, opnieuw recht te doen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het tussenvonnis-gedeelte geldt het volgende. Zoals hierna verder aan de orde zal komen, zal het hof ten aanzien van het tussenvonnis-gedeelte komen tot een vernietiging. Onder toepassing van artikel 356 Rv en vanwege de goede procesorde en een voortvarende behandeling in het belang van beide partijen, ziet het hof aanleiding de zaak aan zich te houden en niet terug te verwijzen naar de rechtbank. Zoals hieronder zal blijken bij behandeling van de schade, zal het hof namelijk overgaan tot verwijzing naar de schadestaatprocedure. Dat betekent dat het debat over de aan [geïntimeerden] te vergoeden schade alsnog zal worden behandeld door de rechtbank, met de mogelijkheid van behandeling in tweede instantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit alles, tenzij partijen alsnog na deze uitspraak tot overeenstemming komen over een minnelijke regeling. schade 6.101. Ten aanzien van de schade die [geïntimeerden] hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van SEB overweegt het hof allereerst als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan SEB stelt, beschermt de door haar geschonden norm wel tegen de door [geïntimeerden] geleden schade ten gevolge van fraude en misstanden bij de alternatieve beleggingsfondsen in hun PPP. Zoals al meermaals overwogen, gaat het hier om zeer risicovolle beleggingen die niet voor niets in beginsel niet beschikbaar zijn voor particuliere beleggers. Bij de bewuste fondsen is sprake van risico’s op het gebied van waardeerbaarheid, een beperkte liquiditeit en verlies van de investering (zie 6.57.). Dit betekent dat het risico op fraude en misstanden op zijn minst substantieel groter dan normaal is bij deze fondsen. Dit blijkt ook uit de brief van de AFM van 27 juli 2012 (zie ook 6.2.23.). Dit alles onderstreept de verplichting van SEB om hierover informatie te geven en hiervoor voldoende duidelijk te waarschuwen, en belegging in deze fondsen niet te faciliteren op de wijze zoals zij dat heeft gedaan. Het beroep van SEB op artikel 6:163 BW kan dan ook niet slagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.102. [geïntimeerden] stellen ten aanzien van de schade het volgende. Zij verzoeken het hof bij de schadebegroting, conform bestendige rechtspraak in beleggingszaken zoals deze, uit te gaan van een benchmarkrendement op basis van het toepasselijke defensieve risicoprofiel van een referentieportefeuille. Zij noemen daarbij een referentieportefeuille met een defensief risicoprofiel bestaande uit 30% zakelijke waarden (zoals aandelen) en 70% vastrentende waarden (zoals obligaties van uitgevende instellingen van goede naam en faam). Daarbij verwijzen zij naar de conclusie na enquete (nr 3.70.) en de bij dagvaarding overgelegde producties 51 en 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.103. SEB voert in hoger beroep onder meer het volgende aan over de schade. Volgens SEB was de kans groot dat [geïntimeerden] in de hypothetische situatie vergelijkbare beleggingen hadden gedaan en hun inleg hadden verloren. Ook wijst zij erop dat [geïntimeerden] zelf hebben aangegeven dat als zij niet in de PPP hadden belegd zij (i) hun hypotheek zouden hebben afgelost, (ii) zouden hebben gespaard, of (iii) niet wisten wat zij hadden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">SEB betwist verder dat [geïntimeerden] in de hypothetische situatie waarin de normschending wordt weggedacht, zouden hebben gekozen voor het door [geïntimeerden] genoemde referentieportfolio.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij verzoekt het hof primair om de schade van [geïntimeerden] ex artikel 6:97 BW te schatten. Als basis voor deze schatting ziet zij de gebruikte schattingen uit de financiële bijsluiter van de PPP. Hierin zijn de gevolgen van een gunstig en ongunstig scenario (respectievelijk +4% en -3,3% rendement per jaar) afgezet tegen de kosten van de PPP en een gemiddeld percentage aan fondskosten. De uitkomst van deze berekening (rendement minus kosten) in een gemiddeld scenario zou volgens SEB kunnen worden gebruikt om de schade van [geïntimeerden] te schatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiair bestrijdt SEB een aantal uitgangspunten van de rechtbank voor de vaststelling van de referentieportefeuille. Dit doet zij voor zover het hof zou aannemen dat [geïntimeerden] in de genoemde hypothetische situatie wel een andere belegging zouden zijn aangegaan, en dat in dat kader een deskundige wordt benoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.104. Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld (derde vonnis onder 3.68.), dienen [geïntimeerden] door middel van een schadevergoeding zoveel mogelijk in de toestand te worden gebracht waarin zij zouden hebben verkeerd indien de normschending niet zou hebben plaatsgevonden. Dit brengt mee dat de omvang van de schade dient te worden bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die vermoedelijk zou zijn geweest indien de schadeveroorzakende feiten niet zouden hebben plaatsgevonden (de hypothetische situatie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op onder meer de overwegingen van het hof over het conditio sine qua non verband, dient als uitgangspunt dat in de hypothetische situatie [geïntimeerden] niet zouden hebben gekozen voor de PPP met de alternatieve beleggingsinstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.105. Dit betekent in elk geval dat [geïntimeerden] terecht aanvoeren dat als grondslag voor schatting van de schade niet kan worden aangesloten bij de door SEB primair aangevoerde schattingen uit de financiële bijsluiter van de PPP.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.106. De vraag ligt echter voor welke wijze van begroting van de schade wel gehanteerd dient te worden. Naar het oordeel van het hof zal de wijze waarop de schade dient te worden begroot anders zijn dan neergelegd in het derde vonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.107. Daartoe is allereerst het volgende van belang. Aangezien het hof anders dan de rechtbank het beroep op dwaling afwijst, is er geen sprake van vernietiging van de PPP’s van [geïntimeerden] Er is dus evenmin sprake van een uit vernietiging voortvloeiende verplichting van SEB om de door [geïntimeerden] betaalde inleg geheel aan hen terug te betalen. Vastgesteld dient te worden of op basis van het vastgestelde onrechtmatig handelen van SEB de inleg van [geïntimeerden] geheel of gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent verder ook dat indien een percentage aan eigen schuld van [geïntimeerden] wordt bepaald, dit betrekking kan hebben op alle door [geïntimeerden] van SEB gevorderde schadeposten (dus anders dan bij de rechtbank ook op de inleg).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.108. Verder is er tussen partijen debat over de vraag wat [geïntimeerden] zouden hebben gedaan indien de schadeveroorzakende feiten niet hadden plaatsgevonden. De rechtbank heeft geoordeeld dat er vanuit kan worden gegaan dat [geïntimeerden] in die hypothetische situatie bij SEB of een andere aanbieder van levensverzekeringen op beleggingsbasis tot een ander, meer defensief, beleggingspakket zouden hebben besloten. Echter, ook ter zitting in hoger beroep hebben [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 1] - [geïntimeerde sub 2] zich aldus uitgelaten dat daaruit kan worden opgemaakt dat zij hun spaargeld mogelijk hadden gestoken in een product dat meer gelijkenis vertoont met sparen, dan het beleggen in een beleggingsverzekering of een referentieportefeuille. Alleen al op dit punt is naar het oordeel van het hof de discussie tussen partijen dan ook onvoldoende uitgekristalliseerd. Daar komt nog bij dat onvoldoende duidelijk is of beide echtparen in de hypothetische situatie dezelfde keuze zouden hebben gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.109. Ook over de uitgangspunten en omstandigheden die meewegen bij het bepalen van de toestand waarin [geïntimeerden] zouden hebben verkeerd indien de normschending niet zou hebben plaatsgevonden, is het debat nog niet voldoende gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als onvoldoende betwist of niet tussen partijen in geschil staat wel vast: de leeftijd van [geïntimeerden] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomsten, dat [geïntimeerden] geen relevante kennis over en ervaring met beleggen hadden en geen affiniteit met financiële producten, dat [geïntimeerden] op zoek waren naar een beter rendement op hun spaargeld dan zij zouden krijgen op een reguliere spaarrekening, dat [geïntimeerden] iets meer te besteden wilden hebben tijdens hun pensioen, dat [geïntimeerden] zich lieten bijstaan door tussenpersoon [A] en zijn adviezen om te komen tot genoemd beter rendement opvolgden, dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] een bedrag van € 70.000,00 wensten te beleggen: o eind juni 2010 € 50.000,00 en o medio april 2012 € 20.000,00 (beschikbaar om te beleggen € 21.200,00); o en dat zij tussentijds, op II augustus 2016, € 10.593,33 hebben opgenomen;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat [geïntimeerde sub 3] en [persoon A] een bedrag van € 120.000,00 wensten te beleggen: o medio januari 2011 € 55.000,00 (beschikbaar om te beleggen € 58.300,00) en o eind januari 2011 € 65.000,00 (beschikbaar om te beleggen € 68.900,00);</div>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het gevoerde debat is niet voldoende vast te stellen welke alternatieve mogelijkheden [A] in de hypothetische situatie aan hen voorgelegd zou hebben en welke keuze [geïntimeerde sub 1] / [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] / [persoon A] met een redelijke mate van waarschijnlijkheid zouden hebben gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.110. Gelet op het voorgaande zijn er naar het oordeel van het hof in dit stadium onvoldoende aanknopingspunten om een deskundige te raadplegen met de vraag wat in de hypothetische situatie een passende levensverzekering op beleggingsbasis (of een passende andere aanwending van de spaargelden) voor [geïntimeerden] was geweest. Het hof zal het tussenvonnis-gedeelte van het derde vonnis dan ook vernietigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.111. Nu [geïntimeerden] hun hele inleg hebben verloren en geen enkel rendement hebben behaald met de PPP, is de mogelijkheid van schade van [geïntimeerden] voldoende aannemelijk. Dit is in samenhang met al het bovenstaande toereikend voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. De grondslag voor de aansprakelijkheid van SEB staat immers vast, [geïntimeerden] hebben de mogelijkheid van schade aannemelijk gemaakt en het hof acht zich niet in staat het beloop van de schade in zijn arrest te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van al het bovenstaande zal het hof SEB veroordelen tot vergoeding van de door [geïntimeerden] als gevolg van het onrechtmatig handelen van SEB geleden en nog te lijden schade, en de zaak verwijzen naar de schadestaatprocedure ter bepaling van de omvang van die schade en de (eventuele) eigen schuld van [geïntimeerden] 6.112. Uit proceseconomische redenen zal het hof in dit arrest wel oordelen over het beroep van SEB op artikel 6:98 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toerekening van de schade, als bedoeld in artikel 6:98 BW 6.113. Volgens SEB staat de door [geïntimeerden] gevorderde schade in een te ver verwijderd verband met de normschending door SEB en kan deze niet aan haar kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiertoe voert zij de volgende punten aan: ( a) [A] was primair verantwoordelijk voor informatieverstrekking en advisering aan [geïntimeerden] , ( b) SEB had goede intenties met de PPP, ( c) fraude en misstanden bij beleggingen zijn niet toe te rekenen aan SEB, ( d) schade bij MVP fonds niet toerekenbaar aan SEB, ( e) [geïntimeerden] hebben voordeel genoten van beleggingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens [geïntimeerden] kan de schade wel aan SEB worden toegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.114. Het hof oordeelt hierover als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad (a) In lijn met het betoog van [geïntimeerden] heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld, dat de eventuele verantwoordelijkheid van [A] voor informatieverstrekking en advisering niet afdoen aan de eigen verantwoordelijkheid en bijzondere zorgplicht van SEB tegenover haar verzekeringnemers. Het betoog van SEB op dit punt slaagt dan ook niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad (b) Het gaat er hier om of de schade van [geïntimeerden] al dan niet in een te ver verwijderd verband staat met de normschending door SEB. Zoals [geïntimeerden] terecht naar voren brengen, bepalen intenties van SEB in beginsel niet de mate waarin de schade verwijderd is van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust. Bij de beoordeling van het beroep op bedrog is geoordeeld dat SEB niet de opzet had om klanten zoals [geïntimeerden] te bewegen tot het beleggen in risicovolle fondsen. In zoverre had SEB geen kwade intenties. Dat neemt echter niet weg dat zij kennelijk onvoldoende prioriteit heeft gegeven aan het waarborgen van de belangen van [geïntimeerden] , zoals [geïntimeerden] ook aanvoeren. Wat daar van zij, het feit dat SEB niet met opzet heeft aangestuurd op de risicovolle beleggingen maakt niet dat de schade van [geïntimeerden] in een te ver verwijderd verband staat met schadeveroorzakende gebeurtenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om gelijke redenen leidt ook de stelling dat SEB er geen belang bij had dat [geïntimeerden] belegden in de specifieke gekozen fondsen, wat daar ook van zij, niet tot een succesvol beroep op artikel 6:98 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad (c) en (d) Onder verwijzing naar 6.101. over het beroep van SEB op relativiteit, oordeelt het hof dat de geschonden norm ook beschermt tegen fraude en misstanden bij de alternatieve beleggingen. Dat betekent dat het feit dat zich bij bepaalde fondsen daadwerkelijk fraude en misstanden hebben voorgedaan, niet maakt dat de daarmee verband houdende schade in een te ver verwijderd verband staat met de normschending. Nog minder valt in te zien waarom dit het geval is voor de schade die is geleden in verband met het door SEB genoemde fonds MVP, nu SEB haar stelling op dit punt in het geheel niet onderbouwt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad (e) Dat [geïntimeerden] ook voordeel hebben genoten van beleggingen, hebben zij in hoger beroep in elk geval ten aanzien van het bedrag van de eisvermindering (zie 6.7.) erkend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het overige kan een eventueel verdergaand beroep op genoten voordeel in de schadestaatprocedure aan de orde komen. Zoals SEB zelf overigens ook vermeldt gaat het daarbij overigens om een beroep op artikel 6:100 BW (voordeelsverrrekening), en dus niet om een beroep op artikel 6:98 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.115. Resumerend, betekent het bovenstaande dat het beroep van SEB op artikel 6:98 BW niet slaagt en dat een eventueel aanvullend beroep op voordeelsverrekening in de schadestaatprocedure aan de orde dient te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom en proceskosten 6.116. Op grond van al het bovenstaande luidt de slotsom als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.117. De eisvermeerdering van [geïntimeerden] wordt toegestaan. De incidentele grief van [geïntimeerden] slaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.118. In het principaal hoger beroep komt het hof deels tot dezelfde en deels tot een andere beslissing dan de rechtbank in het eindvonnis-gedeelte van het derde vonnis. De door de rechtbank uitgesproken verklaringen voor recht over zowel misleidende, onjuiste dan wel onvolledige informatie, als over vernietiging van de PPP’s op grond van dwaling, worden vernietigd. Dat geldt ook voor de veroordeling van SEB tot terugbetaling van de inleg-bedragen van [geïntimeerden] In dat verband worden zowel [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] als [geïntimeerde sub 3] voorts veroordeeld tot terugbetaling van alles dat SEB ter uitvoering van het derde vonnis aan hen heeft betaald (zie ook 6.40.), vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast wordt ook het tussenvonnis-gedeelte van het derde vonnis, over de uitlating van beide partijen in verband met de aangekondigde benoeming van een deskundige, vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zoverre slagen de grieven van SEB in het principale hoger beroep. Voor het overige kunnen deze niet tot vernietiging leiden en/of behoeven zijn geen nadere behandeling meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.119. Voor alle duidelijkheid zal het hof het derde vonnis geheel vernietigen en het gehele dictum opnieuw formuleren. Het eerste en het tweede vonnis worden bekrachtigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.120. Aangezien de rechtbank in het derde vonnis nog geen oordeel had gegeven over de proceskosten, zal het hof dat in dit arrest doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, zal SEB worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze zullen aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld worden op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Griffierecht € 1.565,-- Kosten deurwaarder € 105,61 Salaris advocaat € 3.588,-- (6 punten x tarief II van € 598,--) Getuigentaxe € 30,-- -------------------------------------------------------------------------------------------------------- + Totaal € 5.288,61 6.121. In het principaal hoger beroep worden bepaalde verklaringen voor recht en de aansprakelijkheid van SEB voor de schade van [geïntimeerden] uit hoofde van de onrechtmatige daad van SEB gehandhaafd. Maar ook [geïntimeerden] worden voor een niet onbelangrijk deel zoals de dwaling in het ongelijk gesteld, en zij dienen in dit verband (vooralsnog) bedragen terug te betalen aan SEB. Het hof ziet dan ook aanleiding de proceskosten in principaal hoger beroep te compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.122. Ten aanzien van de proceskosten in incidenteel hoger beroep geldt het volgende. [geïntimeerden] hebben het incidenteel hoger beroep in feite alleen ingesteld om een vergeten post alsnog te vorderen (zie ook memorie van antwoord nr 8.2). Aan de andere kant is het bezwaar van SEB tegen de eisvermeerdering afgewezen. Gelet hierop ziet het hof aanleiding om ook de proceskosten van het incidenteel hoger beroep te compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7De uitspraak Het hof: in het incidenteel hoger beroep: laat de eisvermeerdering toe, zodat de vordering van [geïntimeerden] inhoudt dat zij met als ingangsdatum 1 april 2018 ook wettelijke rente vorderen over alle door hen van SEB gevorderde bedragen (naast de door hen over de proceskosten gevorderde wettelijke rente); compenseert de proceskosten van het incidenteel hoger beroep in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten betaalt; in het principaal hoger beroep bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 13 mei 2020; bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 28 april 2021; vernietigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 1 februari 2023, en in zoverre opnieuw rechtdoende: verklaart voor recht dat SEB onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerden] , omdat SEB: a. a) ernstig tekortgeschoten is in de op haar rustende informatie- en waarschuwingsplichten voor de verstrekking van de PPP; en</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>heeft gefaciliteerd dat [geïntimeerden] op eenzijdige wijze via de PPP hebben belegd in zeer risicovolle alternatieve beleggingsinstellingen; verklaart voor recht dat SEB aansprakelijk is voor de dientengevolge door [geïntimeerden] geleden en nog te lijden schade; veroordeelt SEB tot betaling aan [geïntimeerden] van de door hen ten gevolge van genoemd onrechtmatig handelen van SEB geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] tot terugbetaling van alles dat SEB ter uitvoering van het derde vonnis aan hen heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van betaling; veroordeelt [persoon M] tot terugbetaling van alles dat SEB ter uitvoering van het derde vonnis aan hem heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van betaling; veroordeelt SEB in de proceskosten van de eerste aanleg van € 5.288,61, te betalen binnen veertien dagen na vandaag; als SEB niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet SEB € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening; compenseert de proceskosten van het principaal hoger beroep in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten betaalt; verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, N.W.M. van den Heuvel en J.G.J. Rinkes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 maart 2026. griffier rolraadsheer</p></div>", "next": 0}