{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Nu er evenmin andere uitleveringsbeletselen zijn, dient voor de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, te weten het lidmaatschap van de criminele organisatie die het oog had op het plegen van aanslagen tegen de Staat en (medeplegen van) moord en/of zware mishandeling met voorbedachte raad de uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">116.</span>Bij het bovenstaande ben ik ervan uitgegaan dat de feiten waarvoor uitlevering is gevraagd gepleegd zijn in een context van interne onlusten en ongeregeldheden, maar dat van een intern gewapend conflict in de zin van art. 3 van de Geneefse Verdagen geen sprake is. Ik meen dat ik voor die stellingname valide argumenten heb aangevoerd. Vooruitlopend op een mogelijk door de verdediging te voeren verweer dat er wél sprake is van een intern gewapend conflict, zal ik thans nog enkele opmerkingen aan die (hypothetische) situatie wijden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">117.</span>In de ogen van de verdediging leidt de omstandigheid dat er een intern gewapend conflict was tussen de PKK en de Turkse Staat tot niet-strafbaarheid van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd. Immers art. 3 van de Geneefse Conventies bevat slechts verboden die strekken tot bescherming van burgers die niet deelnemen aan de vijandelijkheden. In casu gaat het volgens de verdediging om \"aanslagen op militaire doelen, zoals een politiebureau, een commandopost of regeringsfaciliteiten\" en hierbij zijn \"vooral soldaten en politieagenten gedood en verwond geraakt.\" Er zou dan ook sprake zijn van \"legitieme krijgshandelingen\" (p. 25 pleitnotities).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">118.</span>Dit standpunt mist feitelijke grondslag. In tegenstelling tot wat de verdediging bij de rechtbank heeft betoogd, blijkt uit de overgelegde stukken dat de PKK wel degelijk aanvallen heeft uitgevoerd op andere dan militaire doelen. Ik wijs op de aanvullende informatie van de Procureur-Generaal van de rechtbank voor de staatsveiligheid te Diyarbakir van 15 augustus 2002, waarin onder meer genoemd worden de gewapende aanval op het dorp Oymaka, waarbij onder meer twee burgers om het leven zijn gekomen en zeven burgers gewond zijn geraakt (g); de gewapende aanval op het dorp Heybeli, waarbij onder meer negen burgers gedood zijn en zeven burgers gewond (j); het tegenhouden van een voertuig, waarbij vier burgers die zich in het voertuig bevonden om het leven kwamen (k); de acties in het dorp Umurlu, die vier burgers het leven kostten (l); een gewapende aanval op het centrum van de provincie Cizre, die aan zes burgers het leven kostte en waarbij drie burgers gewond raakten (n); het leggen van een mijn op de weg, waardoor zeven burgers omkwamen en één burger gewond raakte (s); en de gewapende aanval op een auto rijdend op een hoofdweg, waarbij drie burgers gedood werden en zes burgers gewond raakten (y). Dit zijn alle aanslagen op civiele doelen.(74) 119. Onder deze omstandigheden is dus geen sprake van zuiver \"legitieme krijgshandelingen\", maar van handelingen in strijd met art. 3 van de Geneefse Conventies, namelijk aanslagen op het leven van personen die niet deelnemen aan de vijandelijkheden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">120.</span>Voor zover de PKK het oog had op het plegen van aanslagen op burgerdoelen kan van een rechtvaardiging op grond van het oorlogsrecht dus in ieder geval geen sprake zijn, nu deze aanslagen gepleegd zijn in strijd met het ius in bello. De aanslagen op civiele doelen zijn dan ook strafbaar naar commuun strafrecht en wel - evenals in de situatie waarin geen intern gewapend conflict wordt aangenomen - onder art. 93 en/of art. 289 en/of 303 Sr (een en ander juncto art. 47 Sr).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">121.</span>Voor de aanvallen op militaire doelen geldt dat deze gerechtvaardigd kunnen zijn tijdens een intern gewapend conflict. Daarbij merk ik nog wel het volgende op: wanneer een organisatie tijdens een intern gewapend conflict veelvuldig burgerdoelen aanvalt, kan mijns inziens de stelling verdedigd worden dat die organisatie daarmee het recht verspeelt om zich te beroepen op de veroorlovende normen van het oorlogsrecht ten aanzien van aanvallen op militaire doelen. Dan wordt het immers waarschijnlijker dat in \"indiscriminate killing\" het ware oogmerk van de organisatie, of van degenen die daar de dienst uitmaken, tot uiting komt. Dat geldt a fortiori - maar niet uitsluitend - indien die organisatie terroristisch is verklaard, zoals in casu het geval is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">122.</span>Primair ben ik dan ook van oordeel dat de PKK zich, ondanks het feit dat sprake zou zijn van een intern gewapend conflict, niet kan beroepen op de veroorlovende normen van het oorlogsrecht, zodat zowel de aanslagen op militaire als op burgerdoelen strafbaar zijn naar Nederlands recht. Subsidiair - voor het geval Uw Raad niet zou menen dat de militaire component in het algehele beeld van bloedvergieten naar de achtergrond verdwijnt - zou de uitlevering ontoelaatbaar moeten worden geacht voor zover de PKK het oog had op aanslagen op militaire doelen. Voor die feiten zou dan op grond van het oorlogsrecht het verweer slagen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">123.</span>Ten aanzien van de dubbele strafbaarheid van de deelneming aan de PKK (art. 140 Sr en 168 Turks Wetboek van Strafrecht) en de vergelijkbare inbreuk op de rechtsorde verwijs ik naar hetgeen ik in dat verband heb overwogen voor de situatie waarin géén intern gewapend conflict werd aangenomen. Ook in het geval van een intern gewapend conflict is derhalve, al dan niet gedeeltelijk, aan de eis van gekwalificeerde dubbele strafbaarheid voldaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">124.</span>Voor zover door de verdediging voorts nog betoogd zou worden dat de aanslagen die de PKK tijdens het intern gewapend conflict op burgers heeft gepleegd, politieke delicten zijn, merk ik het volgende op. Het betreft hier feiten die weliswaar naar commuun strafrecht gekwalificeerd worden (art. 93/289/ 303/47 Sr), maar die tevens vallen onder de delictsomschrijving van art. 6 Wet internationale misdrijven (Wim). Dit artikel luidt, voor zover hier van belang, als volgt: \"1. Hij die zich in geval van een niet-internationaal gewapend conflict schuldig maakt aan schending van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève, te weten het begaan jegens personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen () van een van de volgende feiten: a. aanslagen op het leven of lichamelijke geweldpleging, in het bijzonder het doden op welke wijze ook, verminking, wrede behandeling of marteling; () wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de zesde categorie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">125.</span>Art. 12 Wim bepaalt dat \"de misdrijven omschreven in deze wet () voor de toepassing van de Uitleveringswet () niet [worden] beschouwd als strafbare feiten van politieke aard\". Kennelijk is de bedoeling van de wetgever geweest om, ongeacht het politieke karakter van de handelingen als genoemd in (onder meer) art. 6 Wim, een beroep op de politieke exceptie voor dergelijke handelingen uit te sluiten. Het gaat hier materieel gezien om hetzelfde feitencomplex, te weten aanslagen op het leven van willekeurige burgers. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt bovendien dat bij de bepaling of sprake is van het politieke karakter van een delict, de omstandigheden waaronder dat delict is gepleegd een rol spelen (vgl. HR 8 mei 1978, NJ 1978, 315). Die omstandigheden zijn in casu dat de feiten gepleegd zijn in oorlogstijd en dat zij een schending opleveren van het ius in bello. Om die reden dient een beroep op de politieke exceptie van art. 3, eerste lid, EUV, derhalve af te stuiten op art. 12 Wim. Nu de aanslagen op burgers geen politiek delict in de zin van art. 3, eerste lid, EUV vormen, is ook de deelneming aan de organisatie die deze aanslagen heeft gepleegd in zoverre geen politiek delict.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">126.</span>Mocht Uw Raad derhalve het (te verwachten) verweer van de verdediging volgen dat de feiten waarvoor uitlevering is gevraagd zijn gepleegd in het kader van een intern gewapend conflict, dan dient die omstandigheid mijns inziens evenmin aan uitlevering in de weg te staan; er is sprake van dubbele strafbaarheid (in ieder geval voor zover het de aanslagen op civiele doelen betreft), een beroep op de politieke exceptie stuit af op analoge toepassing van art. 12 Wim en andere uitleveringsbeletselen zijn er, gelijk de situatie waarin geen sprake is van een intern gewapend conflict, evenmin.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">127.</span>Tot zover enkele overwegingen preluderend op een te verwachten verweer van de verdediging. Maar als gezegd, mijns inziens behoeft Uw Raad hier niet aan toe te komen, nu in casu geen sprake is van een intern gewapend conflict.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">128.</span>Ik concludeer dan ook dat de feiten waarvoor uitlevering is gevraagd zullen worden gekwalificeerd onder art. 140 Sr en art. 93 Sr en/of 289 Sr en/of art. 303 Sr, j° art. 47 Sr, en dat Uw Raad, onder aanhaling van de relevante wets- en verdragsartikelen, de uitlevering toelaatbaar zal verklaren.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Gekwalificeerd omdat de bedreigde straf in beide landen een zeker minimum te boven moet gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Dat de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd onder art. 140 Sr vallen heeft de Hoge Raad dus reeds vastgesteld. Voor de rol die de opgeëiste persoon binnen de PKK gespeeld heeft en op grond waarvan zij als deelnemer aan die criminele organisatie kan worden aangemerkt, verwijs ik naar mijn conclusie voor het tussenarrest van 17 juni 2003. Daarin is weergegeven wat de Turkse autoriteiten in dit verband hebben gesteld, namelijk dat de opgeëiste persoon - kort gezegd - leiding heeft gegeven en heeft deelgenomen aan een verboden terroristische organisatie, waarbij dat leiding geven en die deelneming bestaan uit het lid zijn van de presidentiële raad van die organisatie, het deelnemen aan, voorbereiden van en bevelen geven bij gewapende acties door die organisatie, het via de televisie propaganda maken voor die organisatie en het militair trainen van vrouwelijke leden van een aan die organisatie gelieerde organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Deze verzamelterm omvat het Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd (Trb. 1951, 75), het Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen (Trb. 1951, 74), het Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde (Trb. 1951, 72) en het Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee (Trb. 1951, 73).</p>\n<p class=\"lf-p\">4 IT-94-1-AR72, paragraaf 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 In Nederland zijn de verdragen op 3 februari 1955 in werking getreden, in Turkije op 10 augustus 1954.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Nu duidelijk moge zijn dat in casu in ieder geval niet van een internationaal gewapend conflict sprake is, laat ik dit onderwerp hier verder rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Hoewel de term oorlogsrecht wellicht primair doet denken aan internationale conflicten, speelt het dus wel degelijk ook in (bepaalde) interne gewapende conflicten een rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Art. 3 luidt in Nederlandse vertaling als volgt: [1.] In geval van een gewapend conflict op het grondgebied van één der Hoge Verdragsluitende Partijen, hetwelk geen internationaal karakter draagt, is ieder der Partijen bij het conflict gehouden ten minste de volgende bepalingen toe te passen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft nedergelegd, en zij die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak, moeten onder alle omstandigheden menslievend worden behandeld, zonder enig voor hen nadelig onderscheid, gegrond op ras, huidkleur, godsdienst of geloof, geslacht, geboorte of maatschappelijke welstand of enig ander soortgelijk criterium.</div>\n<p class=\"lf-p\">Te dien einde zijn en blijven te allen tijde en overal ten aanzien van bovengenoemde personen verboden: a. aanslag op het leven en lichamelijke geweldpleging, in het bijzonder het doden op welke wijze ook, verminking, wrede behandeling en marteling; b. het nemen van gijzelaars; c. aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling; d. het uitspreken en tenuitvoerleggen van vonnissen zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De gewonden en zieken moeten worden verzameld en verzorgd. [2.] Een onpartijdige humanitaire organisatie, zoals het Internationale Comité van het Rode Kruis, kan haar diensten aan de Partijen bij het conflict aanbieden. [3.] De Partijen bij het conflict zullen er verder naar streven door middel van bijzondere overeenkomsten de andere of een deel der andere bepalingen van dit Verdrag van kracht te doen worden. [4.] De toepassing van bovenstaande bepalingen zal niet van invloed zijn op de juridische status van de Partijen bij het conflict.\"</div>\n<p class=\"lf-p\">9 Zie ook art. 7 Wim, dat als een soort 'restbepaling' schending van wetten en gebruiken van de oorlog anders dan bedoeld in art. 5 en 6 in internationale én interne gewapende conflicten strafbaar stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Zie voor het dunne onderscheid tussen collateral damage en oorlogsmisdrijven bijvoorbeeld het rapport van Amnesty International over de NAVO-bombardementen op ex-Joegoslavië in 1999: \"Collateral damage or unlawful killings\" op www.amnesty.org.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 Art. 38 WMS luidt: \"Niet strafbaar is hij die in tijd van oorlog binnen de grenzen zijner bevoegdheid een naar de regelen van het oorlogsrecht geoorloofd feit begaat, of wiens bestraffing strijdig zou zijn met een verdrag, geldende tussen Nederland en de mogendheid waarmede Nederland in oorlog is, of met enig voorschrift, ingevolge zodanig verdrag vastgesteld.\" In tijd van oorlog omvat het interne gewapende conflict.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 Vergelijkbaar hiermee is dat - vanwege aan het antwoord verbonden rechtspositionele consequenties - de vraag of van een strafvervolging in de zin van art. 6 EVRM kan worden gesproken ook niet aan het nationale recht wordt overgelaten (EHRM in de Engel- en Öztürk-zaken).</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Zie http://www.mfa.gov.tr/grupa/ac/acf/default.pkk. htm.</p>\n<p class=\"lf-p\">14 Zie Zegveld, Accountability of Armed Opposition Groups, in: International Law, 2002, p. 12-13.</p>\n<p class=\"lf-p\">15 Zie Press Release 1797 van 22 maart 1995, op http:// www.icrc.org.</p>\n<p class=\"lf-p\">16 Zie Reidy, The approach of the European Commission and Court of Human Rights to international humanitarian law, International Review of the Red Cross no. 324, p. 513-529.</p>\n<p class=\"lf-p\">17 Recommendation 1377 (1998), op http://assembly.coe. int.</p>\n<p class=\"lf-p\">18 Zie het persoverzicht van 31 januari 1997, op http: //www.byegm.gov.tr.</p>\n<p class=\"lf-p\">19 J.S. Pictet (red.), The Geneva Conventions of 12 August 1949 Commentary, art. 3, p. 35 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">20 Zie \"The PKK is also responsible for significant internal displacement (1982-2000)\", op http://www.db. idpproject.org; en Human Rights Watch 1996, Vol. 8, No. 9 (d), op http://www.hrw.org/reports/1996/Turkey2.htm.</p>\n<p class=\"lf-p\">21 Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van 2 mei 2002, PB nr. L116 blz. 75, 2002/05/03. Zie voor de onderbouwing van het begrip terroristische organisatie het eerste Gemeenschappelijk Standpunt van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme, 2001/ 931/GBVB. De namen van de op de EU-lijst geplaatste personen en groepen worden regelmatig en ten minste om de zes maanden bezien om er zeker van te zijn dat hun plaatsing op de lijst nog steeds gerechtvaardigd is. Op de meest recente lijst van 15 september 2003 stond de PKK nog steeds vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">22 Zie TK (2001-2002) 27 925, nr. 58, p. 4 en 7; in een algemeen overleg van 23 april 2002 verklaart de minister van Binnenlandse Zaken nog dat Nederland vooralsnog heeft afgezien van plaatsing van de PKK op de Europese lijst en dat de Nederlandse regering een goede afweging wil maken, maar dat Nederland niet als enige lidstaat het opnemen van de PKK op die lijst zal blokkeren. Bij het verschijnen van de eerstvolgende EU-lijst op 2 mei 2003 is de PKK inderdaad op de lijst geplaatst. Kennelijk heeft Nederland (stilzwijgend) zijn instemming met een en ander betuigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">23 IT-94-1-AR72, paragraaf 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">24 Zie Meindersma, Applicability of Humanitarian Law in International and Internal Armed Conflict, Hague Yearbook of International Law 1994, p. 125.</p>\n<p class=\"lf-p\">25 Overigens is ter zitting van de rechtbank niet aangevoerd dat de feiten naar Turks recht niet strafbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">26 De Turkse autoriteiten hebben de garantie afgegeven dat sinds de Wet met nummer 4771 op 9 augustus 2002 in werking is getreden, de doodstraf niet meer van kracht is. Zie de aanvullende informatie van 15 augustus 2002.</p>\n<p class=\"lf-p\">27 Art. 93 Sr luidt: \"De aanslag ondernomen met het oogmerk om het Rijk geheel of gedeeltelijk onder vreemde heerschappij te brengen of om een deel daarvan af te scheiden, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren of een geldboete van de vijfde categorie.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">28 Wellicht kan op dit punt, indien Uw Raad dat wenselijk acht, aanvullende informatie van de Turkse autoriteiten worden gevraagd om op dit punt verheldering te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">29 In dit verband merk ik nog op dat de Turkse autoriteiten weliswaar enkel de wetsartikelen die betrekking hebben op 'Felonies Against the State' hebben overgelegd, maar dat op grond van art. 448 van het Turkse Wetboek van Strafrecht ook het opzettelijk doden van een ander strafbaar is, en bedreigd met een gevangenisstraf van 24 tot 30 jaar of - in geval van een strafverzwarende omstandigheid van art. 450 (waaronder de voorbedachte raad) - met de doodstraf (die echter sinds 2002 niet meer van kracht is, zie noot 16). Art. 456 van het Turkse Wetboek van Strafrecht stelt mishandeling strafbaar, waarop, indien die mishandeling tot gevolg heeft dat het slachtoffer twintig dagen of meer ziek is, zijn dagelijkse bezigheden niet kan uitoefenen of wanneer die mishandeling levensgevaar heeft opgeleverd - vergelijkbaar met de Nederlandse eisen voor zware mishandeling - een gevangenisstraf van twee tot vijf jaar staat, of - in geval van voorbedachte raad (art. 450) - met de helft meer (Das türkische Strafgezetzbuch, deutsche Übersetzung und Einführung von S. Tellenbach, Freiburg, 2001).</p>\n<p class=\"lf-p\">30 Ik merk in dit verband overigens nog op dat de eis van dubbele strafbaarheid in de Europese Overleveringswet (voluit: Implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie) voor een aantal delicten helemaal is komen te vervallen. Vgl. TK (2003-2004) 29 042, nr. 1 en 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">31 Zie voor de inhoud van de Turkse strafbepalingen mijn exercitie in noot 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">32 Ik wijs onder meer op Chr. van den Wijngaert, The Political Offence Exception to Extradition, Deventer, 1980 en T. Stein, Die Auslieferungsausnahme bei politischen Delikten, Springer Verlag, 1983.</p>\n<p class=\"lf-p\">33 A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle, 1986, p. 246 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">34 N. Keijzer, Het Europees verdrag tot bestrijding van terrorisme, oratie VU, (Deventer) 1979, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">35 Vgl. Remmelink, Uitlevering, 4e, p. 98.</p>\n<p class=\"lf-p\">36 Het principe aut dedere aut iudicare lijkt in zoverre dan ook een dode letter te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">37 Nederland heeft op dit EUV-artikel een voorbehoud gemaakt inhoudende dat de Nederlandse regering zich de bevoegdheid voorbehoudt uitlevering op grond van art. 3 EUV toch te weigeren indien het gaat om schendingen van de wetten en gebruiken van de oorlog, voor zover die zich hebben voorgedaan tijdens een niet-internationaal conflict. Nu Turkije geen partij is bij dit Aanvullende Protocol is deze bepaling in casu evenwel niet van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">38 Art. 1 ETV is in principe - voorbehouden daargelaten - van dwingende aard; art. 2 is van discretionaire aard.</p>\n<p class=\"lf-p\">39 Na 11 september 2001 zouden vliegtuigen als strijdmiddel aan deze opsomming zijn toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">40 Nederland heeft op art. 1 een voorbehoud gemaakt, waarover later meer. Art. 2 biedt daarnaast de mogelijkheid ook andere dan de in art. 1 genoemde delicten niet als een politiek delict te beschouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">41 Te vinden op www.conventions.coe.int/treaty.</p>\n<p class=\"lf-p\">42 TK (1981/82) 15 971 (R1133), nr. 10 (MvA), p. 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">43 Nederland heeft overigens ook bij dit artikel een voorbehoud gemaakt, inhoudende dat deze beperking slechts van toepassing is op feiten als bedoeld in art. 1 en 2 ETV. Het voorbehoud dat Nederland bij het ETV heeft gemaakt, heeft evenwel op grond van art. 5, vierde lid, EU-uitleveringsovereenkomst voor de landen die laatstgenoemd verdrag hebben geratificeerd geen werking meer. Turkije is (uiteraard) geen partij bij de EU-uitleveringsovereenkomst, reden waarom ik hier thans niet nader op in zal gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">44 Zie hierover N. Keijzer, The political offence exception in extradition law, in: P.J. van Krieken (red.), Refugee Law in context: The Exclusion Clause, Den Haag, 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">45 Zie voor een overzicht Remmelink, o.c., p. 99 ev.</p>\n<p class=\"lf-p\">46 Over de betekenis van \"nooit\", zie hierna punt 82.</p>\n<p class=\"lf-p\">47 Ik wijs in dit verband nog wel op de attentaatclausule van art. 11, tweede lid, Uw, op grond waarvan voor een aanslag op een staatshoofd juist toch wel kan worden uitgeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">48 Op deze constructie is overigens veel kritiek gewest. Zie hierover Swart, o.c., p. 267. Volgens de Minister van Justitie zou het destijds van kracht zijn van het ETV mogelijk geheel of gedeeltelijk tot een andere uitkomst hebben geleid in de zaak Folkerts. TK (1981-1982) 15971 (R1133), nr. 10 (MvA), p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">49 Vgl. T. Stein, o.c., p. 268.</p>\n<p class=\"lf-p\">50 Vgl. L.G. Feder, In Re Doherty; distinguishing terrorist activities from politically motivated acts under the political offense exception to extradition, in: Temple International and Comparative Law Journal, 1985, vol. 1, issue 1, p. 99-132.</p>\n<p class=\"lf-p\">51 Aanvankelijk was het voorbehoud beperkt tot strafbare feiten \"begaan in het kader van algemene interne onlusten\", maar deze toevoeging is bij de behandeling van het wetsontwerp tot goedkeuring van het ETV gesneuveld, omdat diverse Kamerleden het begrip 'algemene interne onlusten\" te vaag en onhanteerbaar vonden. Zie TK (1982-1983) 15 971 (R1133), nr. 13 (Eindverslag), p. 7 en nr. 16 (Amendement).</p>\n<p class=\"lf-p\">52 Het ETV is immers, net als het EUV, een Raad van Europa-verdrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">53 Vgl. EK (1984-1985) 15971 (R1133), nr. 20a (MvA), p. 9, waaruit volgt dat de rechter voor de vraag of er aanleiding is toepassing te geven aan het voorbehoud van art. 13 ETV dient te toetsen aan de 'Zwitserse criteria'. Nu deze criteria in de jurisprudentie van de Hoge Raad zijn geïncorporeerd is toetsing aan de criteria van de Hoge Raad mijns inziens voldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">54 Blijkens meergenoemd Ambtsbericht Turkije is de gendarmerie weliswaar (organisatorisch) onderdeel van de strijdkrachten maar ontvangt zij voor haar openbare veiligheids- en ordetaak haar orders van het ministerie van Binnenlandse Zaken (p. 16). Het gaat dus eerder om de aanval op een politiepost, dan om een aanval op een militaire eenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">55 Zie Ambtsbericht, p. 8. Opvolger KADEK staat geen onafhankelijke Koerdische staat meer voor, maar respecteert bestaande landsgrenzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">56 Per 1 september 2003 is immers een officiële wederopneming van de wapens afgekondigd door de KADEK. Zie Ambtsbericht, p. 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">57 Zie onder meer T. Stein, o.c., voor een goed overzicht van de Engelse, Ierse, Amerikaanse, Canadese, Franse, Zwitserse en Duitse rechtspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">58 BGer. 30 april 1952, BGE 78 I, 39, door Stein beschreven op p. 276-277 van zijn eerder aangehaalde boek.</p>\n<p class=\"lf-p\">59 Federale Hof van Lausanne, Ktir v. Ministère Public Fédéral, 17 mei 1961, 34 Int. Law Rep., p. 143-147. Zie voor een beschrijving van deze zaak Stein, o.c., p. 277 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">60 Ik wijs onder meer op de recente wetswijzigingen, waaronder de afschaffing van de strafbaarstelling van het maken van propaganda voor een terroristische organisatie (p. 22 van het Ambtsbericht).</p>\n<p class=\"lf-p\">61 Cour d'Appèl Paris, 17 oktober 1979, no. 1343-79, onder meer beschreven door W.M. Hannay, International terrorism and the political offense exception to extradition, in: Columbia Journal of Transnational Law, vol. 18 (1980), p. 406 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">62 Hanay, o.c., p. 410.</p>\n<p class=\"lf-p\">63 Cour d'Appèl Paris, 16 November 1977, 93 Journal des Tribunaux 47, 47-53 (1978), geciteerd in: Stein, o.c., p. 242 en Hanay, o.c., p. 407.</p>\n<p class=\"lf-p\">64 Art. 6, eerste lid, IRG luidt als volgt: \"Die Auslieferung ist nicht zulässig wegen einer politischen Tat oder wegen einer mit einer solchen zusammenhängenden Tat. Sie ist zulässig, wenn der Verfolgte wegen vollendeten oder versuchten Völkermordes, Mordes oder Totschlags oder wegen der Beteiligung hieran verfolgt wird oder verurteilt worden ist.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">65 641 F. 2d 504 (7th Cir. 1981). Zie voor een beschrijving onder meer Hanay, o.c., p. 402.</p>\n<p class=\"lf-p\">66 Zie het Gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 2 mei 2002, PB nr. L116, blz. 75, 2002/05/03, waarover later meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">67 Vgl. NRC-Handelsblad, 16 februari 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">68 Vgl. N. Keijzer, The political offence exception in extradition law, in: P.J. van Krieken (red.), Refugee Law in context: The Exclusion Clause, Den Haag, 1999, p. 163.</p>\n<p class=\"lf-p\">69 Een zoektocht in de database van het EHRM levert een aanzienlijke lijst op van Turkse zaken waarin sprake was van een schending van art. 6, eerste lid, EVRM. Het merendeel van deze zaken betreft de staatsveiligheidsrechtbanken die niet als een \"impartial tribunal\" kunnen worden beschouwd. Onder meer EHRM 29 januari 2004 (Kalyoncugil) en EHRM 22 januari 2004 (Halil Dogan). Inmiddels is dit dus veranderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">70 Dit wordt bevestigd door het Algemeen ambtsbericht Turkije van november 2003, p. 18: \"Voorheen was één van de rechters bij de Staatveiligheidsrechtbank altijd een militair. Dit werd op 18 juni 1999 afgeschaft, zodat deze rechtbank nu alleen nog maar uit civiele rechters bestaat. Vgl. ook EHRM 12 maart 2003 (Öcalan tegen Turkije), Appl. Nr. 46221/99, § 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">71 Bron: Algemeen ambtsbericht Turkije van november 2003, p. 72. Voorheen gold dit recht pas na vier dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">72 Een dergelijk verweer is overigens ter zitting van de rechtbank niet gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">73 Zie ook art. 10, eerste lid, Uw.</p>\n<p class=\"lf-p\">74 Mogelijk zijn deze aanslagen gepleegd als vergelding voor het feit dat deze dorpen en/of burgers zich onwillig toonden om bij de strijd betrokken te raken. Vgl. het eerdergenoemde Algemeen ambtsbericht Turkije van november 2003, p. 8 en 95.</p>\n<p class=\"lf-p\">17 juni 2003 Strafkamer nr. 02853/02 U AG/SM Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Amsterdam van 10 december 2002, nummer RK 02/1812, op een verzoek van de Republiek Turkije tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1961, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen te Zwolle.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar verklaard ter strafvervolging van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft het cassatieberoep tegengesproken.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd en dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen voor een nader te bepalen zitting van de Hoge Raad teneinde omtrent het verzoek tot haar uitlevering te worden gehoord.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Beoordeling van het middel 3.1. Het middel richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat zij zich niet in staat acht te oordelen over de vraag of is voldaan aan de vereiste dubbele strafbaarheid.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.2. Ten aanzien van de vereiste dubbele strafbaarheid heeft de Rechtbank het volgende overwogen: \"In het uitleveringsverzoek van de Turkse autoriteiten van 14 januari 2002 valt te lezen dat de uitlevering van de gezochte persoon wordt verzocht voor lidmaatschap van de terroristische organisatie PKK en dat de daden die haar worden verweten vallen onder artikel 168 van de \"Turkish Criminal Code\" (TCC).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Nederlandse Ministerie van Justitie heeft bij brief van 6 februari 2002 aan de Turkse autoriteiten laten weten dat de strafbare feiten, zoals die in het uitleveringsverzoek worden omschreven, naar Nederlands recht (als zodanig) niet kunnen worden gekwalificeerd als strafbare feiten en heeft verzocht om aanvullende informatie over het aandeel van de gezochte persoon in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de PKK of waaruit van feitelijke ondersteuning van dat oogmerk blijkt. De Turkse autoriteiten hebben op 4 maart 2002 aanvullende informatie gestuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter zitting van 25 juni 2002 heeft de rechtbank aanleiding gezien de Turkse autoriteiten om aanvullende informatie te verzoeken. De Turkse autoriteiten hebben op 15 augustus 2002 aanvullende informatie gezonden aan de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze informatie was voor de rechtbank aanleiding om wederom op bepaalde punten nadere informatie te verzoeken aan de Turkse autoriteiten. Voor de zitting van 26 november 2002 is door de rechtbank opnieuw aanvullende informatie ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is alles overziend van oordeel dat de Turkse autoriteiten onvoldoende en onvoldoende voor één uitleg vatbare antwoorden hebben gegeven op vragen die betrekking hebben op de dubbele strafbaarheid van de door de gezochte persoon gepleegde handelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gevolg daarvan is het de rechtbank niet mogelijk gebleken de dubbele strafbaarheid vast te stellen.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3. Blijkens het op 21 november 2001 door de Criminal Petty Sessions Court of Batman afgegeven aanhoudingsbevel is de uitlevering verzocht ter vervolging van de opgeëiste persoon wegens \"being member of the illegal terrorist organisation PKK\".</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4. Ter ondersteuning van het uitleveringsverzoek, en in antwoord op door en namens de Minister van Justitie en de Rechtbank overeenkomstig het bepaalde in art. 13 EUV verzochte aanvullende informatie, zijn de volgende stukken overgelegd: (a) Een \"Letter of request for extradition\" van de \"Office of Attorney General of the State Security Court of Diyarbakir\", van 14 januari 2002 waarin onder meer de volgende feiten zijn uiteengezet: \"The accused person [de opgeëiste persoon], bearing the pseudonym [...] has taken part to the terrorist organisation in year 1986 at Germany. She has exercised activities at Europe within the affiliate women organisation named YAJK (Yekitiya Azaden Jinen Kürdistan - Union of the Free Women of Kürdistan), bounded to the terrorist organisation PKK, and after her participation to the organisation, has received armed and ideological formation in the camps of the organisation.</p>\n<p class=\"lf-p\">She has begin to exercise activities as member of the so named presidential council after the 7th extraordinary congress of the terrorist organisation PKK, carried out in January, 2000.</p>\n<p class=\"lf-p\">It has been determined also that she has participated by telephone to the programme \"Festival Special\", broadcast on 1st of September, 2000 by the television MEDYA TV, and been presented as a member of the council of PJA (Partije Jinen Azad - Party of the Free Women).\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts vermeldt voornoemde brief de telefonische medewerking aan een zestal andere televisieprogramma's van voornoemde MEDYA TV waarin de opgeëiste persoon zich veelal eveneens presenteerde als \"high level responsible of the PKK\". (b) Een brief van 4 maart 2002 van het Turkse Ministerie van Justitie: \"According to information received from the Public Prosecutor's Office of Diyarbakir State Security Court, the said accused has assumed the responsibility of training female terrorist in the PKK organization and within this context has provided them with military and political training. Furthermore, she has participated in planning and implementation of armed terrorist activities, between 1993-1995 in the rural areas of Sirnak province. Due to the terrorist activities committed by the members of the PKK in Sirnak province and its surrounding areas in those years, 93 soldiers, 5 police officers, 17 temporary village guards of the Turkish Security Forces were killed, 123 soldiers, 41 police officers and village guards were injured. In addition, 29 citizens were killed and 15 wounded during these terrorist attacks.\" (c) Aanvullende informatie van de Procureur-Generaal van de Rechtbank voor de Staatsveiligheid te Diyarbakir van 15 augustus 2002, waarvan de Nederlandse vertaling onder meer de volgende feiten vermeldt: \"Verdachte heeft zich sinds 1984 op het grondgebied van de Republiek Turkije beziggehouden met gewapende activiteiten, zoals granaten, handgranaten, raketten, mijnen, automatische revolvers en geweren. Ten gevolge van deze activiteiten zijn in ons land dertigduizend mensen om het leven gekomen. (...) Verdachte heeft als verantwoordelijke op hoog niveau van de terroristische organisatie PKK deelgenomen aan publicatieprogramma's van de televisiezender MED TV, d.d. 1 september 2000, 26 januari 2001, 18 april 2001, 20 april 2001, 1 juni 2001, 7 juni 2001 en 14 september 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door deze gesprekken had zij de bevoegdheid binnen de terroristische organisatie PKK bevelen uit te vaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de getuigenverklaringen van de leden van de illegale terroristische partij PKK (...) is bovendien vast komen te staan dat verdachte [de opgeëiste persoon] zich (...) bevond in het buitengebied Sirnak van de terroristische organisatie PKK en aldaar de terroristische activiteiten organiseerde en ten uitvoer bracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit onderzoek van de reeds beschikbare documenten, verricht door de Procureur-Generaal van de Rechtbank voor de Staatsveiligheid te Diyarbakir, met betrekking tot de belangrijke wapenactiviteiten in de jaren 1993-1994-1995, binnen de grenzen van het gebied Sirnak en Batman, aangeduid met de naam Botan, van de leden van de illegale terroristische organisatie PKK, waartoe verdachte mogelijk ook behoorde blijkt dat: a- ten gevolge van een gewapende aanval op een militaire eenheid, d.d. 13.06.1993, in het dorp Görümlü, in de provincie Sirnak, district Silopi, 6 militairen om het leven kwamen en 13 militairen gewond raakten (...).\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts bevat deze aanvullende informatie gegevens over een 23-tal andere gewapende aanvallen in Turkije gedurende voornoemde periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de strafbaarheid vermeldt deze aanvullende informatie nog het volgende: \"Alle activiteiten die verdachte ten laste worden gelegd, zijn in strijd met artikel 168 van het Turkse Wetboek van Strafrecht. (...) Deze misdrijven zijn: het oprichten van gewapende verenigingen en organisaties, teneinde genoemde misdrijven te plegen; het deelnemen aan deze activiteiten en zodoende bevelen en commando's geven en dergelijke werkzaamheden verrichten.\" (d) Een schrijven van de Rechtbank voor de Staatsveiligheid te Diyarbakir van 14 augustus 2002, bevat naast een uiteenzetting van feiten die grotendeels overeenkomen met de feiten zoals die onder (b) en (c) zijn uiteengezet, de volgende feiten: \"Gebleken [is] dat Verdachte [de opgeëiste persoon] in 1968 (de Hoge Raad leest: 1986) vanuit Duitsland heeft deelgenomen aan activiteiten van de terroristische organisatie PKK, alsmede aan die van een vrouwenorganisatie, een afsplitsing van 'Yekitiya Azaden Jinen Koerdistan'; deze vrouwenorganisatie streeft naar zelfstandigheid. (...) Gebleken is dat, toen verdachte in 1986 in Duitsland was, zij contacten onderhield met een illegale terroristische PKK-organisatie, genaamd 'Partije jine Azat', en dat zij een basis vormde voor een illegale Organisatie onder de paraplu van de vrouwenunie Koerdistan, die in het buitenland is vertegenwoordigd, en dat zij, teneinde personeel te werven, activiteiten organiseerde en een direct netwerk vormde met de PKK. (...) Sinds 1986 heeft zij in Duitsland en verschillende Europese landen vrouwenorganisaties opgericht en zij voerde propaganda-activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 168/1 van het Turkse Wetboek van Strafrecht wordt veroordeling gevorderd vanwege het actief zijn als lid [van] de raad van bestuur tijdens het congres van de organisatie in januari 2000, en het deelnemen aan allerlei programma's van MEDIA TV als publicatie-orgaan van de organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte [de opgeëiste persoon] heeft geopereerd in Turkije en daarbuiten, waarbij haar doel was een zelfstandige staat Koerdistan te stichten. Teneinde dit doel te bereiken werden er zowel in het land als daarbuiten activiteiten ontplooid, zoals het doden van mensen, personeel werven voor de organisatie, bommen laten ontploffen ..., enz.\" (e) Een schrijven van het Turkse Ministerie van Justitie van 15 oktober 2002 bevat uiteenzettingen van feiten welke grotendeels overeenkomen met de feiten omschreven onder (b) en (c).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5. Voor zover het oordeel van de Rechtbank berust op de opvatting dat de onder (a) tot en met (e) uiteengezette feiten naar Nederlands recht niet strafbaar zijn, geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting nu deze feiten opleveren: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, strafbaar gesteld in art. 140 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6. Voorzover het middel hierover klaagt is het terecht voorgesteld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Slotsom Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Beslissing De Hoge Raad:</div>\n<p class=\"lf-p\">Vernietigt de bestreden uitspraak;</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 4 september 2003 te 10.00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot haar uitlevering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 17 juni 2003.</p></div>", "next": 0}