{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In 2014 is er in Nederland aangifte gedaan door [slachtoffer 10], twee jaar later gevolgd door de aangiftes van [slachoffer 1], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 7]. Nadat de aanhouding van de verdachte publiekelijk bekend was geworden, zijn ook [slachtoffer 9], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8] naar de politie gegaan voor het doen van aangifte. Alle aangeefsters zijn lid geweest van de kerkgemeenschap van de verdachte. Zij kennen elkaar. Sommigen van hen zijn familie van elkaar of met elkaar bevriend. Uit de verhoren van de aangeefsters komt naar voren dat zij gedurende de periode dat het gestelde misbruik plaatsvond met niemand over het gebeurde hebben gesproken. Dit was op aandringen van de verdachte, maar kwam ook voort uit gevoelens van verwarring en schaamte en, in sommige gevallen, de angst om niet geloofd te worden. Op de aangeefster [slachtoffer 4] na hebben alle aangeefsters pas relatief kort voor het doen van de aangifte voor het eerst, vaak in intieme kring, dus met familie en/of partner en/of vriend(in), gesproken over het gestelde misbruik. Dat is vanuit menselijk oogpunt begrijpelijk en voor de hand liggend. Min of meer hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat meerdere aangeefsters hebben verklaard dat zij naar aanleiding van de gedane aangiftes door anderen ook naar de politie zijn gestapt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is op zich niet vreemd dat zij zich hierdoor gesterkt voelden om alsnog zelf aangifte te doen. In elk geval is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken dat sprake is geweest van een situatie waarin door iemand is getracht om met oneigenlijke middelen belastende verklaringen van de aangeefsters tegen de verdachte te verkrijgen en/of dat de aangeefsters met behulp van anderen de gestelde feiten uit het verleden achteraf, onjuist, hebben gereconstrueerd. Evenmin is gebleken dat de aangiftes in deze zaak aspecten van hervonden herinneringen bevatten. Daarvan is sprake wanneer iemand aangeeft dat hij of zij in het verleden een ingrijpende gebeurtenis heeft meegemaakt met een belangrijke persoonlijke betekenis, dat hij of zij dit enkele jaren in het geheel niet heeft kunnen herinneren, maar dat de herinnering daarna geheel of gedeeltelijk toegankelijk is geworden en door hem of haar als authentiek ervaren wordt. Geen van de aangeefsters heeft dienovereenkomstig verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gerecht concludeert dan ook dat het door de verdediging in het algemeen naar voren gebrachte geen reden vormt voor twijfel aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft voorts specifieke opmerkingen gemaakt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen die de aangeefsters [slachoffer 1] en [slachtoffer 5] hebben afgelegd. Volgens de verdediging hebben de beide aangeefsters wisselend, tegenstrijdig en op sommige punten evident in strijd met de waarheid verklaard, zodat die verklaringen niet bruikbaar zijn voor het bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor onder 4.1.5. al is overwogen heeft aangeefster [slachoffer 1] moeite om de gebeurtenissen in de tijd te plaatsen. Ook constateert het gerecht dat haar herinnering over de juiste volgorde van de gebeurtenissen niet volstrekt helder is. Dat is op zich niet vreemd, gelet op de lange periode die de aangifte bestrijkt waarin zij grotendeels minderjarig was, en doet in de visie van het gerecht daarom niet direct af aan de betrouwbaarheid van de aangifte als geheel. In die aangifte komt de aangeefster authentiek en oprecht over en verklaart zij consistent en redelijk gedetailleerd over de gebeurtenissen. Een aantal details uit haar aangifte, zoals de aanleiding voor het doen daarvan en het verblijf in de woning van de verdachte, vindt bovendien steun in verklaringen van getuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de verdediging ziet het gerecht dan ook geen aanleiding om haar verklaring als onbetrouwbaar aan te merken. Dit geldt evenzeer voor de verklaring van de aangeefster [slachtoffer 5]. Zij heeft bij herhaling consistent en gedetailleerd verklaard en haar relaas vindt eveneens op onderdelen steun in het dossier. Het gerecht doelt hierbij op de uitlatingen van de aangeefster [slachtoffer 5] over haar medewerking aan het project van Bos di Hubentut genaamd “Ku ki drechi bo ta maltrata mi” (Wie geeft je het recht om mij te mishandelen) in de vorm van een foto van haar op een billboard van dit project en haar opmerking van destijds tegen haar toenmalige stiefvader in de buurt van dit billboard: “Waarom maken volwassenen misbruik van kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij willen niet. Rijdt naar een strand en doet met kinderen wat ze niet willen”. De verdediging heeft nog betoogd dat de reconstructie van de gestelde verkrachting in de auto die is uitgevoerd onder leiding van de rechter-commissaris, de conclusie oplevert dat de verklaring van de aangeefster [slachtoffer 5] over wat zich destijds heeft afgespeeld in die auto tussen haar en de verdachte feitelijk onmogelijk en dus onwaar is. Dit is onjuist; een dergelijke conclusie kan niet worden getrokken. Zoals ter zitting al is opgemerkt door het gerecht is de reconstructie uitgevoerd terwijl relevante informatie over de situatie van destijds, zoals de stand van de bestuurdersstoel, ontbrak zodat op dit punt is gewerkt met een aanname.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts geldt dat gebruik is gemaakt van een figurant met een van de aangeefster flink afwijkend lichaamsgewicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit maakt dat de resultaten van de reconstructie niet bruikbaar zijn in het kader van de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster [slachtoffer 5].</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, hecht het gerecht geloof aan de verklaringen van de aangeefsters en acht zij die bruikbaar voor het bewijs.  Dwang 4.4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft in de zaak met parketnummer 500.00119/16 ten aanzien van de feiten 5 (verkrachting van de aangeefster [slachtoffer 5]), 7 (aanranding van de eerbaarheid en verkrachting van de aangeefster [slachtoffer 7]) en 8 (verkrachting van de aangeefster [slachtoffer 8]) betoogd dat de verdachte van deze feiten moet worden vrijgesproken omdat de voor het bewijs van deze feiten vereiste dwang ontbreekt. Al zou er sprake zijn geweest van seksueel contact tussen de verdachte en deze aangeefsters, wat de verdediging betwist, dan heeft dit plaatsgevonden tussen meerderjarige partners met wederzijdse instemming, aldus de raadslieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gerecht overweegt wat dit betreft het volgende. De aangeefsters [slachtoffer 5], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] waren allen tussen de 19 en 23 jaar gedurende de ten laste gelegde perioden, dus meerderjarig. Zij hebben alle drie verklaard dat zij zich destijds niet uitdrukkelijk mondeling of fysiek hebben verzet tegen de seksuele contacten met de verdachte. De aangeefster [slachtoffer 7] heeft zelfs verteld dat ze seksueel opgewonden raakte als ze in de nabijheid van de verdachte verkeerde en op enig moment ook verliefd op hem werd. Er is op geen enkel moment door de verdachte geweld gebruikt tegen de aangeefsters of gedreigd met geweld, zodat van dwang in die zin geen sprake is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het gerecht is in alle drie de gevallen echter wel sprake geweest van dwang in de vorm van ‘door andere feitelijkheden dwingen’. Vooropgesteld wordt dat dit zich slechts kan voordoen als de verdachte door die feitelijkheden opzettelijk heeft veroorzaakt dat de aangeefsters de seksuele handelingen tegen hun wil hebben ondergaan. Hiervan kan sprake zijn als de verdachte de aangeefsters in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat zij zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen hebben kunnen verzetten. Dit is het geval geweest ten aanzien van de aangeefsters [slachtoffer 5], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8]. Het gerecht licht dit als volgt toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de ten laste gelegde periode waren zij alle drie lid van de kerkgemeenschap waarvan de verdachte de oprichter en fulltime organisatorisch en geestelijk leidsman was. Uit de verklaringen in het dossier komt het beeld naar voren van een goed georganiseerde en hechte religieuze gemeenschap met een intense geloofsbeleving en met aan het hoofd de verdachte als charismatisch leider. Ter zitting is een opname getoond van een deel van een kerkdienst onder leiding van de verdachte. Het zojuist geschetste beeld klopt met de, op de opname zichtbare, intensiteit waarmee de verdachte de dienst leidt en het publiek zijn woorden ontvangt. Vanuit zijn hoedanigheid als fulltime kerkleider binnen een dergelijke geloofsgemeenschap is de verdachte bij uitstek degene aan wie de zorg voor de kerkleden is toevertrouwd en draagt hij verantwoordelijkheid voor hun geestelijke en fysieke welzijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op dit alles kan het niet anders zijn dan dat de verdachte een groot vertrouwen genoot van de kerkleden. Het is een feit van algemene bekendheid dat uit dit soort vertrouwensrelaties in de regel ook emotionele afhankelijkheidsrelaties voortvloeien. Dit blijkt ook uit de verklaringen van de aangeefsters [slachtoffer 5], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8]. Ze waren allemaal net meerderjarig toen ze lid werden van de kerk van de verdachte en minstens 26 jaar jonger dan hij.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aangeefsters bezochten de kerkdiensten en ontmoetten de verdachte ook buiten die diensten om. Ze spraken dan onder andere met hem over hun persoonlijke problemen. De aangeefsters hadden geen of moeizaam contact met hun vader en de verdachte vulde die leegte op. De aangeefster [slachtoffer 7] heeft verklaard dat de verdachte expliciet heeft gezegd dat hij voor haar zou zorgen als een vader en dat zij de verdachte ook als zodanig zag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De andere twee aangeefsters hebben eveneens verklaard dat de verdachte door hen als een vaderfiguur werd gezien. Alle drie vertrouwden ze de verdachte volkomen. Op een gegeven moment nam de verdachte het initiatief om de relatie met deze drie aangeefsters te seksualiseren. Daarmee heeft de verdachte de strafrechtelijke grenzen overschreden. Onder de zojuist geschetste omstandigheden was de kans aanmerkelijk dat zij inmiddels in een zodanige afhankelijkheidsrelatie waren gebracht dat ze zich daardoor, ook als jongvolwassenen, naar redelijke verwachting niet (meer) tegen het seksuele contact met de verdachte konden verzetten en zich dus in een dwangsituatie bevonden. Het ontbreken van instemming is met de dwangsituatie gegeven. De verdachte moet zich destijds hebben gerealiseerd dat die aanmerkelijke kans bestond. Door zijn keuze om het seksuele contact met de drie aangeefsters toch aan te gaan, heeft hij dat risico bewust aanvaard.  Bewijsminimum 4.4.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft voorts bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, omdat voor het bewijs daarvan telkens slechts één bewijsmiddel, de aangifte, en geen ander bewijs voorhanden is. De getuigenverklaringen die de aangiften op onderdelen ondersteunen zijn verklaringen van niet-ooggetuigen waarvan de inhoud telkens afkomstig is uit dezelfde bron, de aangifte, aldus de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de zaak met parketnummer 500.00052/17 aan het bewijsminimum is voldaan, zodat het verweer ten aanzien van dit feit wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaak met parketnummer 500.00119/16 is ten aanzien van het onder feit 7 bewezen verklaarde ook voldaan aan het bewijsminimum. De verklaring van de aangeefster [slachtoffer 7] over de jarenlange seksuele contacten met de verdachte vindt steun in de inhoud van de heimelijk door haar gemaakte audio-opname en de verklaring van de getuige [slachoffer 1] dat de verdachte tegenover hem het bestaan van de seksuele relatie met deze aangeefster heeft bevestigd. Het verweer van de verdediging treft dus in zoverrre geen doel.  Schakelbewijs 4.4.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het gebruik van aan andere bewezen verklaarde, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend schakelbewijs toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van dat andere feit dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van de te bewijzen feiten en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden zijnde bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de aangeefsters blijkt dat de feitelijke gang van zaken die aan feit 7 in de zaak met parketnummer 500.00119/16 en het feit in de zaak met parketnummer 500.00052/17 ten grondslag ligt, een hoge mate van overeenkomst vertoont met de feitelijke gang van zaken die ten grondslag ligt aan de feiten 1, 4, 5, 8 en 9 in de zaak met parketnummer 500.00119/16. Het betreft de volgende specifieke overeenkomsten:</p>\n<p class=\"lf-p\">De feiten betreffen alle zedendelicten begaan tegen vrouwelijke leden van een vestiging van de geloofsgemeenschap met aan het hoofd de verdachte als charismatisch leider.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij elk feit is sprake van een aangeefster die minstens 22 jaar jonger is dan de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij elk feit hanteerde de verdachte vrijwel dezelfde aanpak. Hij bouwde eerst een vertrouwensrelatie op met de aangeefster. De verdachte nam de aangeefster op in zijn persoonlijke levenssfeer door haar uit te nodigen bij hem thuis en/of betrok haar bij zijn kerkelijke werkzaamheden. Hij sprak met veel van de aangeefsters over hun persoonlijke problemen en vervulde voor de meesten een vaderrol. In de loop van de contacten ging hij over tot het maken van seksueel getinte opmerkingen en lichamelijke aanrakingen die na enige tijd, telkens op zijn initiatief, uitmondden in handelingen die in het algemeen als vormen van seksueel contact worden betiteld en die op twee uitzonderingen na mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam. De seksuele contacten vonden plaats in zijn woning, in zijn auto en in twee gevallen ook in een hotel. Hij drukte de aangeefsters op het hart om tegenover iedereen te zwijgen over de seksuele handelingen en voorzag hen zo nodig daarna van de morning after pil.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het gerecht is sprake van zodanig specifieke overeenkomsten en een zodanige overeenkomstige modus operandi tussen het bewezen verklaarde onder feit 7 in de zaak met parketnummer 500.00119/16 en het bewezen verklaarde in de zaak met parketnummer 500.00052/17 (feiten A) enerzijds en de overige feiten (feiten B) anderzijds, dat feiten A, als schakelbewijs, redengevend zijn voor het bewijs van feiten B.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweer van de verdediging dat ten aanzien van feiten B niet is voldaan aan het bewijsminimum slaagt dus evenmin.  Ontuchtig handelen 4.4.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft tenslotte nog betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 4 en 9 in de zaak met parketnummer 500.00119/16, omdat de bewezen verklaarde uitvoeringshandelingen geen ontuchtig handelen als bedoeld in de artikelen 2:201 Sr, 2:202 Sr en 2:209 Sr opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook dit verweer faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het door de verdediging bedoelde feit 4 geldt dat de aangeefster [slachtoffer 4] heeft verklaard dat de bewezen verklaarde omhelzingen door de verdachte waarbij hij haar rug en billen streelde, meestal plaatsvonden tijdens logeermomenten bij de verdachte thuis, als de andere bewoners sliepen. Dit duidt sterk op de heimelijkheid die in de regel gepaard gaat met seksueel gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het bedoelde feit 9 geldt dat de aangeefster [slachtoffer 9] heeft verklaard dat de verdachte haar eerst probeerde te zoenen toen ze met hem alleen was in de keuken en toen dat niet lukte, omdat ze naar achteren stapte en wegliep, hij haar direct daarna een klap op de billen gaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de zojuist beschreven omstandigheden waaronder de bewezen handelingen zijn begaan, is het gerecht van oordeel dat het, bij gebreke van een redelijke verklaring die kan leiden tot een andere uitleg, niet anders kan zijn dan dat de verdachte daarmee een seksuele intentie heeft gehad. Dat betekent dat het gaat om handelingen met een ontuchtig karakter als bedoeld in de strafwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het bewezen verklaarde levert op:  Zaak met parketnummer 500.00052/17 Door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen te dulden, strafbaar gesteld in artikel 2:203 van het Wetboek van Strafrecht.  Zaak met parketnummer 500.00119/16 1b. Met iemand die wel de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van vijftien jaren heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen plegen, die bestaan of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 251 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.c.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de periode van [geboortedatum] 2009 tot 15 november 2011: door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een minderjarige van onbesproken gedrag, wiens minderjarigheid hij kent of redelijkerwijs moet vermoeden, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen met hem te plegen of zoodanige handelingen van hem te dulden, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 256 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen; in de periode van 15 november 2011 tot en met 16 mei 2012: door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen te dulden, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld in artikel 2:203 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.d. In de periode van [geboorte datum] 2006 tot 15 november 2011: ontucht plegen met een aan zijne zorg of waakzaamheid toevertrouwden minderjarige, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 257 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen; in de periode van 15 november 2011 tot en met 16 mei 2012: ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld in artikel 2:208 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gerecht oordeelt dat de onder 1.b en 1.c. bewezen verklaarde feiten in eendaadse samenloop zijn begaan met het onder 1.d. bewezen verklaarde feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.a. Opzettelijk met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld in artikel 2:202 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.b. Ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld in artikel 2:208 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gerecht oordeelt dat de onder 4.a. en 4.b. bewezen verklaarde feiten in eendaadse samenloop zijn begaan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Verkrachting, strafbaar gesteld in artikel 2:197 van het Wetboek van Strafrecht.</div>\n<p class=\"lf-p\">7.a. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld in artikel 2:201 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.b. Verkrachting, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld in artikel 2:197 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.a. Verkrachting, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld in artikel 2:197 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, strafbaar gesteld in artikel 2:201 van het Wetboek van Strafrecht.</div>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde (vul de feitaanduidingen in)opheffen of uitsluiten. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar. (vul de feitaanduidingen in) 6Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte opheffen of uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Strafmotivering Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Ook is gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de daarop gestelde wettelijke strafmaxima en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van drie tienermeisjes en vier jongvolwassen vrouwen die allemaal lid waren van de geloofsgemeenschap die jaren geleden door de verdachte is opgericht en waarbinnen hij tot zijn aanhouding fulltime fungeerde als organisatorisch en geestelijk leider. Het misbruik varieerde van een enkele ongeoorloofde lichamelijke aanraking tot een volledige seksuele relatie met penetratie van vagina, anus of mond, gedurende meerdere jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft aldus inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van deze jonge meisjes en jonge vrouwen. Hij heeft er blijk van gegeven hoofdzakelijk gericht te zijn op zijn eigen lustbeleving en weinig tot geen oog te hebben voor de schade die de seksuele contacten aanrichtten bij de slachtoffers. Dit is extra schrijnend voor wat betreft de slachtoffers [slachoffer 1] en [slachtoffer 8]. In het geval van slachtoffer [slachoffer 1] begon het misbruik toen zij nog geen vijftien jaar oud was en heeft het voortgeduurd tot ver in haar volwassenheid. De verdachte heeft haar seksuele handelingen doen plegen en ondergaan waar zij gezien haar leeftijd nog niet aan toe was. Hierdoor heeft hij een negatieve invloed gehad op het natuurlijke seksuele ontwikkelingsproces waar elk kind doorheen gaat. In het geval van het slachtoffer [slachtoffer 8] begon het misbruik toen zij 19 jaar oud was.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de vier jaren die volgden en waarin het misbruik voortduurde, is zij vijf keer zwanger geraakt van de verdachte en heeft zij telkens een abortus moeten ondergaan. Abortus is een zeer ingrijpende gebeurtenis. Dat het slachtoffer dit vijf keer mee heeft moeten maken, zal zonder meer een grote psychische weerslag op haar hebben gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Net als bijna alle andere slachtoffers hebben ook de zojuist bedoelde twee slachtoffers lang gezwegen over het misbruik, onder andere omdat de verdachte daarop aandrong, met als gevolg dat het misbruik niet stopte en zij pas jaren nadien met de verwerking konden starten. Het gerecht constateert dat de verdachte het grote vertrouwen dat de slachtoffers in hem stelden als hun kerkleider en geestelijk vader niet waard is gebleken. Hij heeft het overwicht dat hij op de slachtoffers had door zijn leeftijd en zijn bijzondere positie binnen de geloofsgemeenschap, op een volstrekt verkeerde manier ingezet. Dat wordt hem extra zwaar aangerekend door het gerecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in bredere kring heeft het handelen van de verdachte een schok teweeg gebracht. De gepleegde feiten hebben maatschappelijke onrust veroorzaakt. Als kerkleider vervulde de verdachte een voorbeeldfunctie binnen de samenleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij heeft het vertrouwen dat de maatschappij moet kunnen stellen in personen die verantwoordelijk zijn voor de zielzorg van, soms kwetsbare, personen, diep geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de hiervoor beschreven aard en ernst van de bewezen feiten, is helder dat in ieder geval een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, als passende straf in aanmerking komt. Bij de bepaling van de duur daarvan heeft het gerecht verder nog het volgende in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het voordeel van de verdachte spreekt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte is door een psycholoog en psychiater onderzocht en deze deskundigen achten hem volledig toerekeningsvatbaar. Het gerecht houdt de verdachte dan ook volledig verantwoordelijk voor de bewezen feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft zich zowel tijdens het voorbereidend onderzoek als het onderzoek ter terechtzitting hoofdzakelijk beroepen op zijn zwijgrecht. Het blijft dus onbekend wat de oorzaak of het motief van zijn handelen is geweest, zodat het gerecht daar noch in positieve noch in negatieve zin rekening mee kan houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zwijgen betekent ook dat de verdachte op geen enkel moment enig gevoel van zelfinzicht of spijt over wat hij heeft gedaan, heeft laten zien. Dat is een strafverzwarend aspect.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gerecht houdt voorts rekening met het feit dat op 15 november 2011 een nieuw Wetboek van Strafrecht van Curaçao in werking is getreden. Daarbij is het strafmaximum voor de feiten 1b (gemeenschap met persoon tussen 12 en 15 jaar), 1c (uitlokking van minderjarige tot ontucht) en 1d (ontucht met misbruik van gezag), verlaagd. De betreffende feiten zijn (deels) begaan vóór deze verandering van wetgeving, zodat het gerecht het geldende recht, als gunstiger voor de verdachte, heeft toegepast bij de strafoplegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gerecht heeft verder geconstateerd dat geen sprake is van een schending van de redelijke termijn van berechting, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Die termijn vangt aan op het moment dat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weliswaar dateert de aangifte in de zaak met parketnummer 500.00052/17 van begin 2014, maar de vroegst mogelijke datum die, gelet op voormeld criterium, kan gelden als aanvangstijdstip van de redelijke termijn is 17 mei 2016, de datum waarop de verdachte voor het eerst door de politie werd verhoord over deze zaak. Tussen dit moment en de datum van de uitspraak van vandaag is een periode van minder dan twee jaar verstreken. Aldus is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn en dus evenmin van strafvermindering om die reden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gerecht zal aan de verdachte wel een aanzienlijk lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Dat oordeel is gegrond op: 1) de omstandigheid dat het gerecht, anders dan de officier van justitie, een aantal feiten niet bewezen acht, 2) het verlaagde strafmaximum dat geldt voor een aantal bewezen feiten en</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3)</span>de constatering dat de gevorderde straf in vergelijking met de gevangenisstraffen die in de regel in meer complexe zedenzaken worden opgelegd, buitensporig hoog is.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het gerecht zal daarnaast nog een bijkomende straf opleggen. De verdachte heeft verklaard dat hij zich voor zijn aanhouding fulltime bezig hield met zijn taken als leidsman van de door hem opgerichte geloofsgemeenschap. Dit betreft een georganiseerde en stabiele religieuze gemeenschap met vestigingen in Curaçao en Nederland. Uit het reclasseringsrapport dat over de verdachte is uitgebracht komt naar voren dat de verdachte voor zijn kerkelijke werkzaamheden een vaste maandelijkse vergoeding ontving. Onder deze omstandigheden concludeert het gerecht dat de hoedanigheid van de verdachte als voorganger dan wel pastor van de betreffende geloofsgemeenschap te kwalificeren is als een beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervoor is de ernst van de gepleegde feiten al uiteen gezet. Die ernst in samenhang met het totale gebrek aan inzicht van de verdachte in het laakbare van zijn handelen, rechtvaardigen de bijkomende straf van ontzetting uit het recht om het beroep van leidsman van de door hem opgerichte geloofsgemeenschap of een soortgelijke kerkelijke functie met het karakter van beroep, uit te oefenen. Dit oordeel sluit bovendien aan bij de inhoud van het psychologische rapport waarin staat dat het afgeraden wordt om de verdachte te laten terugkeren in een gezagsfunctie. Nu de door het openbaar ministerie gevorderde duur van de ontzetting hoger is dan de duur die, gezien de hoogte van de door het gerecht bepaalde hoofdstraf, op grond van de wet maximaal kan worden bepaald, zal het gerecht volstaan met het opleggen van de gevorderde ontzetting voor de duur als hierna te melden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [slachtoffer 9] vordert een bedrag van NAf 6.000,- aan immateriële schade die zij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 500.00119/16 onder 9 ten laste gelegde feit zouden hebben geleden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij door dit feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de verdediging, heeft de benadeelde partij de hoogte van het gevorderde schadebedrag echter onvoldoende onderbouwd. Anders dan in de aangehaalde Nederlandse uitspraak, waarin een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding is toegewezen, zal de verdachte ten aanzien van de benadeelde partij niet worden veroordeeld voor verkrachting, maar voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid door het geven van een klap op de billen. Dit maakt dat de betreffende uitspraak niet kan dienen als ondersteuning van de vordering van de benadeelde partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gerecht schat de geleden schade op het min of meer symbolische bedrag van NAf 150,- Het gerecht zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte zal worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gerecht ziet voorts aanleiding om ter zake van de vordering de schadevergoedingsmaatregel van artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen en maatregel zijn, behalve op de al aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:62, 1:64, 1:66, 1:133, en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Beslissing Het gerecht: verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4.1. omschreven heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4.2. omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat zoals in rubriek 5. vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren; bepaalt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht; ontzet de verdachte uit het recht om het beroep van leidsman van de door hem opgerichte geloofsgemeenschap (thans genaamd: [stichting]) of een soortgelijke kerkelijke functie met het karakter van beroep, uit te oefenen voor de duur van 14 (veertien) jaren; wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 9] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 150,- (zegge: honderdvijftig gulden) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij; wijst af het meer gevorderde; legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 9] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 150,- (zegge: honderdvijftig gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan het Land en dat betalingen aan het Land in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M.B. van den Enden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 5 juli 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 Hoge Raad 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094 en Hoge Raad 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2440).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27-08-2013, ECLI:NL:PHR:2013:415 HR 11 januari 2000, NJ 2000,194</p></div>", "next": 0}