{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">1 TvGR 2002/17. Het arrest is kort besproken door N. Mensing van Charante in Medisch Contact 2002, blz. 178. Ik citeer twee zinnen: \"De rechter zondert kunstmatig een element van het lijden af, namelijk het zingevingslijden, terwijl dat altijd meer of minder substantieel aan de orde is.\" en: \"Deze uitspraak is door de beroepsgroep instemmend begroet omdat het enige druk van de (huis)arts zou afnemen voor wat betreft de vraag naar hulp bij zelfdoding.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Het arrest komt ook ter sprake in: G.A. den Hartogh, Regulering van euthanasie en hulp bij suïcide: hoe succesvol is het Nederlandse model?, TvGR 2002, blz. 232-250.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het arrest en de strafrechtelijke euthanasieproblematiek zijn voorts kort besproken door C.H. Brants en C. Kelk in NJB 2002, blz. 460.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 TvGR 2001/21, m.nt. H.J. Leenen. Het vonnis is besproken door J.H. Hubben in NJB 2000, blz. 2000-2001, en door M.A.J.M. Buijsen in R&amp;R 2001, blz. 3-8.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Naar deze bijlage wordt verwezen in de toelichting op het eerste middel onder 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Art. 294 Sr is gewijzigd bij de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Stb. 2001, 194), in werking m.i.v. 1 april 2002.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Nader hieromtrent: L. Enthoven, Het recht op leven en dood, Deventer, 1988, blz. 47-60.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, II, Haarlem, 1881, blz. 442.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Annotatie, NJ 1987, 607.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Simone de Beauvoir heeft zich in haar roman Tous les hommes sont mortels (1946) verdiept in de uitzichtloosheid van het leven van een overigens gezonde man die niet kon sterven.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Vgl. P.J. van der Maas, J.J.M. van Delden, L. Pijnenborg, Medische Beslissingen Rond Het Levenseinde, Rapport van 1991 van de Commissie Onderzoek Medische Praktijk inzake Euthanasie, 's-Gravenhage, 1991, blz. 162.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 \"Without the assistance of a physician, patients seeking to commit suicide are forced to use other, crueller, riskier or more violent suicide methods.\" J.H. Groenewoud, End-of-life decisions in medicine, empirical studies on practices and attitudes in the Netherlands, diss. EUR, 2002, blz. 155.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 Wet van 12 april 2001, Stb. 194. Zie voor een bespreking: J.R. Blad en P.C. Bogert, Beschikbaar stellen van zelfdodingsmiddelen, D&amp;D 2002, blz. 446-472.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 In dit verband verdient vermelding dat onlangs in het British Journal of Psychiatry werd gerapporteerd omtrent verminderde aantallen zelfmoorden onder bejaarde dames in Noord-Italië die zijn aangesloten bij een telefonische hulpdienst. D. De Leo c.s., Suicide among the elderly; long-term impact of a telephone support and assessment intervention in northern Italy, BJP 2002, blz. 226-229.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Art. 5:1 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">14 Tijdens de parlementaire voorbereiding van de WTL werd onder meer opgemerkt: \"De balans moet nu gevonden worden tussen het aanvaarden dat een burger in de huidige maatschappij een eigen verantwoordelijkheid voor zijn leven mag hebben en de verantwoordelijkheid die de overheid moet bieden tegen aantasting van de bescherming van dit leven.\" Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II, 1999-2000, 26691, nr. 6, blz. 16-17.</p>\n<p class=\"lf-p\">15 Vgl. HR 21 juni 1994, NJ 1994, 656 inzake Chabot (r.o. 4.3) m.nt. Sch.</p>\n<p class=\"lf-p\">16 Vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer, 2000, blz. 286-288.</p>\n<p class=\"lf-p\">17 HR 21 juni 1994, NJ 1994, 656 (r.o. 4.3 en 4.4) m.nt. Sch.</p>\n<p class=\"lf-p\">18 HR 21 oktober 1986, NJ 1987, 607 (r.o. 10.5) m.nt. GEM; HR 27 november 1984, NJ 1985, 106 (r.o. 8.1) m.nt. ThWvV.</p>\n<p class=\"lf-p\">19 Vgl. HR 21 juni 1994, NJ 1994, 656 (r.o. 4.4).</p>\n<p class=\"lf-p\">20 HR 21 oktober 1986, NJ 1987, 607 (r.o. 9) m.nt. GEM. De annotator stelt zich de vraag of de Hoge Raad door zijn verwijzing naar in de medische ethiek geldende normen niet met de ene hand aan de medici teruggeeft wat hij met de andere aan hen had ontnomen, te weten het \"recht\" om naar gelang van de omstandigheden die zich uiteraard naar believen laten variëren op voorwaarde van de instemming van de patiënt het medisch oordeel en de medische ethiek te volgen. (In dezelfde zin Schalken, annotatie NJ 1994, 656.) Ik beantwoord die vraag ontkennend.</p>\n<p class=\"lf-p\">21 Zie daaromtrent: Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, Standpunt Hoofdbestuur 1995 inzake euthanasie, Utrecht, 1995, blz. 14-16.</p>\n<p class=\"lf-p\">22 Zie daaromtrent: KNMG, Standpunt Hoofdbestuur inzake euthanasie (1995) blz. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">23 De bijdrage is afgedrukt in: H. Drion, Het zelfgewilde einde van oude mensen (met reacties van Ch.J. Enschedé, H. Kuitert en anderen), Amsterdam, 1992.</p>\n<p class=\"lf-p\">24 Kamerstukken II, 1999-2000, 26691, nr. 6, blz. 30. Zie ook Kamerstukken I, 2000-2001, 26691, nr. 137b (Memorie van Antwoord EK), blz. 45.</p>\n<p class=\"lf-p\">25 TK 22 november 2000, blz. 26-2120.</p>\n<p class=\"lf-p\">26 G. van der Wal en P.J. van der Maas, Euthanasie en andere medische beslissingen rond het levenseinde, 's-Gravenhage, 1996, blz. 57.</p>\n<p class=\"lf-p\">27 Zie onder meer het rechtvergelijkend overzicht dat in 1999 werd gepubliceerd door de Franse Senaat: http:/www.senat.fr/lc/lc49/lc49.html.</p>\n<p class=\"lf-p\">28 De Rights of the Terminally Ill Act (1995) van de deelstaat Northern Territory, welke voorzag in hulp bij zelfmoord in geval van 'pain, suffering and/or distress to an extent unacceptable to the patient' is ingetrokken bij de federale Euthanasia Laws Act (1997). J. Keown, Euthanasia, Ethics and Public Policy, Cambridge, 2002, blz. 153-166.</p>\n<p class=\"lf-p\">29 Death with Dignity Act (1994, in werking getreden in 1997). Het door de United States Attorney General Ashcroft ingenomen standpunt dat die wet onverenigbaar is met de federale Controlled Substances Act werd niet gedeeld door het federale District Court te Oregon (uitspraak van 17 april 2002).</p>\n<p class=\"lf-p\">30 EHRM 29 april 2002, inzake Pretty v. The United Kingdom, Appl. no. 2346/02, besproken door A.E. den Hartog in D&amp;D 2002, blz. 789-795.</p>\n<p class=\"lf-p\">31 Ook Finland en Zweden.</p>\n<p class=\"lf-p\">32 M. Adams, Euthanasia, the Process of Legal Change in Belgium (in: A. Klijn, M. Otlowski &amp; M. Trappenburg, ed., Regulating Physician-Negotiated Death, 's-Gravenhage 2001) blz. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">33 Advies van de Raad van State 2-244/21 m.b.t. wetsvoorstel betreffende de euthanasie, 2 juli 2001, blz. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">34 Belgisch Staatsblad van 22 juni 2002.</p>\n<p class=\"lf-p\">35 BGHSt 2, blz. 150 e.v. (12 februari 1952); BGHSt 24, blz. 342 e.v. (16 mei 1972); BGHSt 32, blz. 367 e.v. (4 juli 1984). Zie ook BGHSt 32, blz. 262 e.v. (14 februari 1984) en BGH 7 juli 1987, NJW 1988, blz. 1532.</p>\n<p class=\"lf-p\">36 Ji-Yun Jun, Die mittelbare Täterschaft bei der Suizidbeteiligung nach deutschem und koreanischem Strafrecht, diss. Göttingen 1992, blz. 67-68.</p>\n<p class=\"lf-p\">37 Zie ook Eser in Schönke/Schröder, 26. Auflage, 2001, Vorbemerkungen zu §§ 211 ff, aant. 33-48, i.h.b. 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">38 Hans-Joseph Scholten, Zwischen Dogmatismus und Pragmatismus - rechtsvergleichende Anmerkungen zur Euthanasiedebatte aus deutscher und niederländischer Sicht - (afscheidsrede KUN), Nijmegen, 2000.</p>\n<p class=\"lf-p\">39 H. Angevin in Jurisclasseur Pénal (1996), aant. 15 op art. 223-13 t/m 223-15.</p>\n<p class=\"lf-p\">40 G. Levassseur, Revue de science criminelle et de droit pénal comparé, 1993, blz. 325-326.</p>\n<p class=\"lf-p\">41 Rapport in 1999 gepubliceerd door de Franse Senaat. Zie nader: G. Stratenwerth, Schweizerisches Strafrecht, Besonderer Teil I (5e druk, Bern, 1995) blz. 40; S. Trechsel, Schweizerisches Strafgesetzbuch, Zürich, 1989, blz. 116.</p>\n<p class=\"lf-p\">42 F. Riklin, Die strafrechtliche Regelung der Sterbehilfe, zum Stand der Reformdiskussion in der Schweiz (in A. Holderegger c.s., Das medizinisch assistierte Sterben, Freiburg/Wenen 1999, blz. 328 e.v.) blz. 330-331.</p>\n<p class=\"lf-p\">43 Dat voor deze regeling niet alleen Zwitsers maar ook buitenlanders belangstelling tonen werd gemeld in Trouw, 9 september 2002.</p>\n<p class=\"lf-p\">44 Zie de toelichting op het tweede middel onder 13 en die op het derde middel onder 41 en 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">45 Zie de toelichting op het tweede middel onder 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">46 Uit de stukken blijkt niet dat de verdediging heeft medegedeeld welke zaken zij op het oog had, NK.</p>\n<p class=\"lf-p\">47 HR 6 januari 1998, NJ 1998, 424, (r.o. 6.5); HR 13 januari 1998, NJ 1998, 407 (r.o. 6.1.) Van gelijke strekking: HR 30 mei 1989, NJ 1989, 883 (r.o. 6.3.) m.nt. 'tH.</p>\n<p class=\"lf-p\">48 Vgl. HR 30 mei 1989, NJ 1989, 883, m.nt. 'tH (Leerplichtwet), r.o. 6.3. Zie ook HR 3 februari 1987, NJ 1987, 731.</p>\n<p class=\"lf-p\">49 Pleitnotities d.d. 24 april 2001, blz. 11, § 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">50 Pleitnotities d.d. 24 april 2001, blz. 12, § 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">51 SCEN: project Steun en Consultatie bij Euthanasie in Nederland, waarin de KNMG en de LHV participeren. SCEN-consulenten beoordelen als tweede, onafhankelijke, arts of een euthanasieverzoek waarachtig, vrijwillig en duurzaam is gedaan en of er sprake is van uitzichtloos ondraaglijk lijden. Zie nader: www.knmg.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">52 Zie omtrent het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging HR 5 december 1989, NJ 1990, 719 m.nt. Sch, en voorts G.J.M. Corstens in Handboek strafzaken § 31.15.8 en W.E.C.A. Valkenburg in T&amp;C Strafvordering, vierde druk, aant. 6 e) op art. 167 Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">53 Zie i.h.b. r.o. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">54 Pleitnotities d.d. 24 april 2001, blz. 12, § 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">55 Ingevolge de Wet van 19 april 1999, Stb. 194 (in werking sedert 1 juni 1999).</p>\n<p class=\"lf-p\">56 Vgl. J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer, 2000, blz. 198-199.</p>\n<p class=\"lf-p\">57 Pleitnotities 8 november 2001, blz. 4-5.</p>\n<p class=\"lf-p\">58 Pleitnotities 8 november 2001, blz. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">59 Pleitnotities 8 november 2001, blz. 6-7.</p>\n<p class=\"lf-p\">60 Het rapport van T is gehecht aan de zich bij de stukken bevindende brief van de verdediging aan de griffier van het Hof van 6 november 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">61 EHRM 6 mei 1985 inzake Bönisch tegen Oostenrijk (A-92), NJ 1989, 385, m.nt. P.v.Dijk (r.o. 33); EHRM 11 januari 2001 inzake F.S. tegen Italië, 40248/98. In de laatstgenoemde beslissing, waar het ging om vervolging inzake sexueel misbruik, was als deskundige à charge iemand opgetreden die het desbetreffende meisje in therapie had gehad; het EHRM achtte de klacht manifestement mal fondée.</p>\n<p class=\"lf-p\">62 EHRM 28 augustus 1991 inzake Brandstetter tegen Oostenrijk (A-211), r.o. 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">63 Pleitnotities 8 november 2001, blz. 7-14.</p>\n<p class=\"lf-p\">64 Vgl. HR 27 juni 2000, NJ 2000, 580. De conclusie van Advocaat-Generaal Wortel behelst een analyse van de bedoelde jurisprudentiële uitzonderingen. Zie voorts J.M. Reijntjes in Handboek strafzaken, § 34.3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">65 HR 28 februari 1989, NJ 1989, 748 (poppenspel); HR 30 maart 1999, NJ 1999, 451 m.nt. 'tH (psychologisch onderzoek).</p>\n<p class=\"lf-p\">66 Blijkens de rechtspraak van Uw Raad geldt een zodanige motiveringsplicht tevens bij verwerping van verweren waarbij, ten betoge dat wat zich feitelijk heeft voorgedaan niet strafbaar is, de betekenis van een in de tenlastelegging voorkomende wettelijke term aan de orde wordt gesteld, de zogenoemde dakdekkerverweren, of ook wel: pseudo-kwalificatieverweren. Vgl. HR 13 november 2001, NJ 2002, 221; HR 30 mei 2000, NJ 2000, 522; HR 19 januari 1999, NJ 1999, 293; HR 16 februari 1982, NJ 1982, 411.</p>\n<p class=\"lf-p\">67 Ik markeer de alinea's van de Beoordeling met de letters A, B etc., in overeenstemming met het gestelde in de toelichting op het middel onder 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">68 HR 21 juni 1994, NJ 1994, 656, m.nt. Sch.</p>\n<p class=\"lf-p\">69 Vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer, 2000, blz. 287.</p>\n<p class=\"lf-p\">70 HR 21 juni 1994, NJ 1994, 656 (r.o. 6.3.3) m.nt. Sch.</p>\n<p class=\"lf-p\">71 Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, Standpunt Hoofdbestuur 1995 inzake euthanasie, Utrecht, 1995, blz. 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">72 Kamerstukken II, 1999-2000, 26691, nr. 6, blz. 59-60. Zie ook nr. 6, blz. 69, Kamerstukken II, 1998-1999, 26691, nr. 3, blz. 9-10, Handelingen TK 26-2118, en Kamerstukken I, 2000-2001, 26691, nr. 137b (Memorie van Antwoord EK), blz. 34-35.</p>\n<p class=\"lf-p\">73 Pleitaantekeningen, blz. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">74 HR 21 juni 1994, NJ 1994, 656 (r.o. 5.2) m.nt. Sch.</p>\n<p class=\"lf-p\">75 HR 21 juni 1994, NJ 1994, 656 (r.o. 6.3.3) m.nt. Sch.</p>\n<p class=\"lf-p\">76 Vgl. de Memorie van Toelichting inzake de Wet BIG, Kamerstukken II, 1985-1986, 19522, nr. 3, blz. 85 (hierna geciteerd bij de bespreking van de achtste klacht).</p>\n<p class=\"lf-p\">77 In 1936 heeft de Centrale Raad van Beroep als definitie van ziekte als bedoeld in de Ziektewet aanvaard: \"dat onder ziekte niet een statisch begrip is te verstaan, doch een proces, dat is dus een zich in de tijd uitstrekkende gebeurtenis of en complex van gebeurtenissen, welke bestaan in wijzigingen in de functies van het organisme, hetzij in kwalificatieven, hetzij - gewoonlijk - in kwantitatieven zin, veroorzaakt door de verstoring van het evenwicht in het lichaam, hetwelk ernaar schijnt te streven dit evenwicht te herstellen of zich op een nieuw evenwicht in te stellen; dat het begrip \"ziekte\" dus onderstelt een actieve reactie van het organisme, in het leven geroepen door een ziektemakende oorzaak; en voorts dat het hebben van platvoeten als ziekte moet worden aangemerkt zoodra deze afwijking bij iemand tot functiestoornissen aanleiding geeft, die, al of niet met pijn gepaard gaande, het ten uitvoer brengen van de voor hem noodzakelijke verrichtingen belemmeren of verhinderen\". C.R.v.B. 14 mei 1936, AB 1936/443. Nader omtrent ziekte i.v.m. sociale verzekeringen: I.P. Asscher-Vonk e.a., De zieke werknemer, Deventer, 1999, i.h.b. blz. 71.</p>\n<p class=\"lf-p\">78 Vgl. Van Dale: elk van de bijzondere vormen waarin het ziek-zijn zich voordoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">79 Pleitnotities, § 3-5 op blz. 15 en § 12 op blz. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">80 Wet van 11 november 1992, Stb. 1993, 655.</p>\n<p class=\"lf-p\">81 Een overeenkomstige definitie is vervat in art. 7:1653 BW (ingevoegd bij de Wet van 17 november 1994, Stb. 837).</p>\n<p class=\"lf-p\">82 Kamerstukken II, 1985-1986, 19522, nr. 3, blz. 85.</p>\n<p class=\"lf-p\">83 Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, Standpunt Hoofdbestuur 1995 inzake euthanasie, Utrecht, 1995, blz. 29 (cursivering toegevoegd, NK).</p>\n<p class=\"lf-p\">84 HR 27 november 1984, NJ 1985, 106 (r.o. 8.4.3.) m.nt. ThWvV; HR 21 oktober 1986, NJ 1987, 607 (r.o. 10.5) m.nt. GEM; HR 21 juni 1994, NJ 1994, 656 (r.o. 4.4) m.nt. Sch.</p>\n<p class=\"lf-p\">85 Nader omtrent de vraag in hoeverre ondraaglijk lijden een 'subjectief' criterium is: G.A. den Hartogh, Regulering van euthanasie en hulp bij suïcide: hoe succesvol is het Nederlandse model?, TvGR 2002, blz. 232-250 (i.h.b. blz. 244-247).</p>\n<p class=\"lf-p\">86 Vgl. A.J.M. Machielse in Handboek strafzaken, § 36.6.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">87 Vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, blz. 305.</p>\n<p class=\"lf-p\">88 Zie voor meer voorbeelden A.J.M. Machielse in Handboek strafzaken, § 36.7.2.3.2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">89 HR 21 juni 1994, NJ 1994, 656 (r.o. 4.4) m.nt. Sch; HR 21 oktober 1986, NJ 1987, 607 (r.o. 10.5) m.nt. GEM.</p>\n<p class=\"lf-p\">90 Vgl. HR 13 december 1960, NJ 1961, 416, m.nt. W.P.</p>\n<p class=\"lf-p\">91 Te denken valt ook aan de officier van justitie, maar die zal in het algemeen zijn standpunt vermoedelijk willen reserveren voor toetsing achteraf. Vgl. Kamerstukken II, 1999-2000, 26691, nr. 6, blz. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">92 27 mei 1998, Stcrt. 1998, nr. 101 (in werking getreden op 1 november 1998).</p>\n<p class=\"lf-p\">93 Verslag wetgevingsoverleg, Kamerstukken II, 2000-2001, 26691, nr. 22, blz. 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">94 Vgl. HR 9 oktober 1990, NJ 1991, 131.</p>\n<p class=\"lf-p\">95 HR 21 juni 1994, NJ 1994, 656 (r.o. 5.2) m.nt. Sch.</p>\n<p class=\"lf-p\">96 HR 21 juni 1994, NJ 1994, 656 (r.o. 6.3.1 jo. 6.3.3) m.nt. Sch.</p>\n<p class=\"lf-p\">97 Vgl. HR 26 juni 1962, NJ 1963, 12, m.nt. W.P.</p>\n<p class=\"lf-p\">98 Vgl. HR 7 januari 1992, NJ 1992, 323, m.nt. Kn.</p>\n<p class=\"lf-p\">99 Kamerstukken II, 1998-1999, 26691, nr. 3, blz. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">100 Kamerstukken II, 1999-2000, 26691, nr. 6, blz. 4 en 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">101 HR 21 juni 194, NJ 1994, 656 (r.o. 4.4) m.nt. Sch, en (i.v.m. art. 293 Sr) HR 21 oktober 1986, NJ 1986, 607 (r.o. 10.5) m.nt. GEM.</p>\n<p class=\"lf-p\">102 Kamerstukken II, 2000-2001, 26691, nr. 22, blz. 59.</p>\n<p class=\"lf-p\">103 Kamerstukken II, 26691, nr. 6, blz. 60.</p>\n<p class=\"lf-p\">104 Brief van 15 november 2000, Kamerstukken II, 2000-2001, 26691, nr. 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">105 Kamerstukken I, 2000-2001, 26691, nr. 137b, blz. 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">106 Kamerstukken II, 1999-2000, 26691, nr. 5, blz. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">107 Kamerstukken II, 1999-2000, 26691, nr. 6, blz. 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">108 TK 22 november 2000, blz. 26-2137.</p>\n<p class=\"lf-p\">109 Vgl. Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1998-1999, 26691, nr. 3, blz. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">110 Kamerstukken II, 1999-2000, 26691, nr. 6, blz. 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">111 Zie Kamerstukken II, 1999-2000, 26691, nr. 5, blz. 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">112 Kamerstukken II, 1999-2000, 26691, nr. 6, blz. 59, 60.</p>\n<p class=\"lf-p\">113 Kamerstukken II, 2000-2001, 26691, nr. 26, blz. 1. (Zie ook de eerder genoemde opmerkingen van overeenkomstige strekking in Kamerstukken II, 1999-2000, 26691, nr. 6, blz. 30, en TK 22 november 2000, blz. 26-2120.) 114 TK 22 november 2000, blz. 26-2121.</p>\n<p class=\"lf-p\">115 Kamerstukken II, 1999-2000, 26691, nr. 6, blz. 59.</p>\n<p class=\"lf-p\">116 Kamerstukken II, 1999-2000, 26691, nr. 6, blz. 69-72.</p></div>", "next": 0}