{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">139 Zie over deze zaken in samenvattende zin J.N. Bouwman e.a., a.w., blz. 270. In de zaken met nrs. 39 719, 39 720 en 39 721 lijkt mij ook eerder sprake te zijn van het verschuiven van winst dan van een tijdelijke verplaatsing van de feitelijke leiding en daarmee de zetel van de vennootschap naar Nederland. Omdat de centrale leiding van het concern in Nederland niet is onderworpen aan instructiebevoegdheid van het statutaire Antilliaanse bestuur kan naar mijn mening ook geen vaste inrichting in Nederland worden aangenomen op grond van 'a place of management' (zie het slot van onderdeel 5.9. hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">140 Zie het rapport van de IFA: Limits on the use of low-tax regimes by multinational businesses: current measures and emerging trends, Cahiers de droit fiscal international by the IFA, 55th Congress of the IFA, San Francisco 2001, Volume LXXXVIb, blz. 26, waaruit blijkt dat 18 van de 30 in het onderzoek betrokken landen CFC rules in hun wetgeving hebben opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">141 Zie IFA-report(s), a.w., blz. 697 e.v. Zie ook blz. 37 en 700 waar het verband tussen de identificatie van de vestigingsplaats van een vennootschap ('effective management') en de toepassing van CFC rules blijkt. Zie eveneens de in onderdeel 5.1. hiervoor geciteerde verwondering van Brood. Zie over artikel 28b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 ook J. Verburg, Vennootschapsbelasting, tweede geheel herziene druk, blz. 352, Kluwer, Deventer 2000.</p>\n<p class=\"lf-p\">142 Zie daarover bijvoorbeeld de Notitie 'Uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationaal fiscaal (verdragen)recht', paragraaf 4.3.1.3. en 4.3.1.5.2., V-N 1998/22.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">143 Indien de participerende, in Nederland gevestigde, vennootschap een belang van 25% of meer heeft in deze - buitenlandse - vennootschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">144 Zie over 'passive income' ook IFA-report(s), a.w., blz. 51 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">145 IFA-report(s), a.w., blz. 698 en 699. Door ook belangen in buitenlandse niet-actieve concernfinancierings-maatschappijen onder artikel 28b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 te brengen beoogt de bepaling eveneens het aanhouden van dit soort maatschappijen in het buitenland te ontmoedigen. Zie J.N. Bouwman e.a., a.w., blz. 932.</p>\n<p class=\"lf-p\">146 E.A. Brood, The fiscal residence of companies: (bespreking IFA-congres 7-9-1987), MBB 1988/46.</p>\n<p class=\"lf-p\">147 Vgl. L.A. de Blieck e.a., Algemene wet inzake rijksbelastingen, vijfde herziene druk, blz. 80, Fed, Deventer 1999. Zie voor een afgewogen beschouwing over dit onderwerp R.J. Koopman, Bewijslast in belastingzaken, FM nr. 78, Kluwer, Deventer 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">148 M.R. Reuvers, Wijzigingen in de Koninkrijkswet, FED 1986/836, blz. 2613 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">149 Zie daarover in kort bestek H.Ph. Ruys e.a., De fiscale procedure, tweede, herziene druk, blz. 38, Licent fiscale en juridische uitgevers, Rijswijk 2003.</p>\n<p class=\"lf-p\">150 Exemplarisch voor deze vrijheid is het recente HR 14 november 2003, BNB 2004/47c* en het even recente HR 14 november 2003, BNB 2004/48c*.</p>\n<p class=\"lf-p\">151 Met inachtneming van HR 25 oktober 2002, BNB 2003/14. Zie over deze uitspraak G.J.M.E. de Bont, hoor en wederhoor en de (officieuze) tussenuitspraak bij bewijsvermoedens, WFR 2003/6531, blz. 880 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">152 Zie voor een voorbeeld van onvoldoende ontzenuwde vermoedens punt 2. van de heldere aantekening van D. Juch onder HR 23 september 1992, FED 1993/655.</p>\n<p class=\"lf-p\">153 Zie H.Ph. Ruys e.a., a.w., blz. 39: '[z]o kan de bewijslast in een procedure als het ware pingpongen tussen de betrokkene en de inspecteur.' 154 E.A. Brood, Compendium van het Nederlands internationaal belastingrecht, m.m.v. J.Th. Krebbers, blz. 53, Kluwer, Deventer 1992. Zo ook J. Verburg, Vennootschapsbelasting, tweede, geheel herziene druk, blz. 49, Kluwer, Deventer 2000.</p>\n<p class=\"lf-p\">155 Zie recentelijk Hof 's-Gravenhage, MK I, 20 januari 2004, nr. 02/0031, NTFR 2004/274. In deze uitspraak wordt in r.o. 6.2. specifiek aandacht besteed aan de bewijslast.</p>\n<p class=\"lf-p\">156 Zie advocaat-generaal J. Verburg in punt 6. van zijn conclusie voor HR 27 april 1988, BNB 1988/181. Zie ook E.B. Pechler, Belastingprocesrecht, FM nr. 107, blz. 150, Kluwer, Deventer 2003, die schrijft: 'Als de partij op wie de bewijslast rust - de partij die het bewijsrisico draagt - ten minste een begin van bewijs voor haar stelling heeft geleverd, kan de wederpartij in de regel niet passief blijven wachten.' 157 P. Meyjes, bewerkt door J. van Soest, J.W. van den Berge, J.H. van Gelderen, Fiscaal procesrecht, vierde druk, blz. 110, Kluwer, Deventer 1997.</p>\n<p class=\"lf-p\">158 Zie in deze zin onderdeel 6. van de conclusie van advocaat-generaal J. Verburg voor HR 27 april 1988, BNB 1988/181.</p>\n<p class=\"lf-p\">159 J. Verburg, a.w., blz. 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">160 Zie hierover onderdeel F., punten 5. en 6., van de conclusie van advocaat-generaal J. van Soest voor HR 21 augustus 1985, BNB 1985/302.</p>\n<p class=\"lf-p\">161 De bijdrage van J.G. Verseput, De verdeling van de bewijslast in de belastingwetgeving en daarbuiten, in: Fiscale aspecten van ondernemingen ('Meelesbundel'), blz. 155 e.v., Kluwer, Deventer 1985, gaat eveneens over voorstellen in deze richting.</p>\n<p class=\"lf-p\">162 Zie Kamerstukken II 1984/85, 17 050 en 17 522, nr. 34, blz. 27. Zie daarover eveneens onderdeel 4. van de conclusie van advocaat-generaal Verburg voor HR 27 april 1988, BNB 1988/181.</p>\n<p class=\"lf-p\">163 Zie daartoe WFR 1985/5691, blz. 943-945, voor een bespreking van de nota omkering bewijslast bij fiscale aangelegenheden in internationale verhoudingen, waarin de Staatssecretaris bedoelde uitlatingen doet. Zie ook advocaat-generaal J. Verburg in punt 4. van zijn conclusie voor HR 27 april 1988, BNB 1988/181.</p>\n<p class=\"lf-p\">164 HR 23 september 1992, BNB 1993/193c*. Zie daarover ook HR 28 februari 1996, BNB 1996/192c* (inzake de woonplaats van intercontinentale verkeersvliegers).</p>\n<p class=\"lf-p\">165 J.N. Bouwman e.a., a.w., blz. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">166 J.A. Smit, Bezwaar in belastingzaken, tweede, geheel herziene druk, FM nr. 59, blz. 109, Kluwer, Deventer 2002.</p>\n<p class=\"lf-p\">167 Met ingang van 1 januari 1994. Zie voor de werking van het oude - minder mogelijkheden biedende - artikel 29, tweede lid, AWR, H.J. Hofstra in zijn noot onder HR 21 augustus 1985, BNB 1985/302*.</p>\n<p class=\"lf-p\">168 Zie J. den Boer, R.J. Koopman en P.J. Wattel, Fiscaal commentaar, Algemeen belastingrecht, blz. 294, Kluwer, Deventer 1999. Zie ook R.J. Koopman, a.w., blz. 148-149.</p></div>", "next": 0}