{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">61 Zie Klaassen-Eggens, a.w., blz. 114-115.</p>\n<p class=\"lf-p\">62 Klaassen-Eggens, a.w., blz. 122.</p>\n<p class=\"lf-p\">63 'Deze zwakste vorm van verknochtheid kan niet op art. 101 worden gebaseerd, daar deze aandelen niet behoren tot de beroeps- en bedrijfsgoederen van de echtgenoot, ook al is deze bestuurder van de betrokken BV.' Vgl. Klaassen-Eggens, a.w., blz. 123.</p>\n<p class=\"lf-p\">64 J.E.A.M. van Dijck, Het genieten van inkomsten, vierde druk, blz. 67, FED, Deventer 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">65 Vgl. J.E.A.M. van Dijck, Het genieten van inkomsten, vierde druk, blz. 67 e.v., FED, Deventer 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">66 Vgl. Fiscale aspecten van samenlevingsvormen. Rapport van de Commissie ter bestudering van de fiscale aspecten van samenlevingsvormen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap no. 162, blz. 37 e.v., Kluwer, Deventer 1984.</p>\n<p class=\"lf-p\">67 Vgl. Fiscale aspecten van samenlevingsvormen. Rapport van de Commissie ter bestudering van de fiscale aspecten van samenlevingsvormen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap no. 162, met name blz. 41, Kluwer, Deventer 1984.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op blz. 41 schrijft de Commissie: 'Bij individuele belastingheffing kunnen echter wel problemen ontstaan bij de toerekening van winst in de gevallen waarin de ene echtgenoot meewerkt in de onderneming van de andere echtgenoot.' 68 Vgl. Fiscale aspecten van samenlevingsvormen. Rapport van de Commissie ter bestudering van de fiscale aspecten van samenlevingsvormen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap no. 162, met name blz. 36-38, Kluwer, Deventer 1984.</p>\n<p class=\"lf-p\">69 Vgl. Fiscale aspecten van samenlevingsvormen. Rapport van de Commissie ter bestudering van de fiscale aspecten van samenlevingsvormen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap no. 162, blz. 38 e.v., Kluwer, Deventer 1984.</p>\n<p class=\"lf-p\">70 Vgl. daarover I.J.F.A. van Vijfeijken, Capita selecta, Inkomsten uit vermogen, 4de druk, blz. 104 e.v., Kluwer, Deventer 1998. Vgl. ook I.J.F.A. van Vijfeijken, Fiscale aspecten van vruchtgebruik, in: Vruchtgebruik, met name blz. 143-144, Koninklijke Vermande, Lelystad 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">71 Zie I.J.F.A. van Vijfeijken, Inkomsten uit aandelen, 2de druk, Fiscale brochures, blz. 17 en blz. 106, FED, Deventer 1994. Vgl. eveneens J.E.A.M. van Dijck, Het genieten van inkomsten, vierde druk, blz. 67-68, met name blz. 70 ('Ontvangst door derde in opdracht van rechthebbende'), FED, Deventer 1998. Binnen dit concept past het - bijvoorbeeld ook - dat de certificaathouder de opbrengsten van aandelen geniet op het mo-ment dat deze ter beschikking van het administratiekantoor komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">72 G.L.C. de Vries, Tweeverdieners en 35-procenters, WFR 1985/5669, blz. 149 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">73 Vgl. G.L.C. de Vries, Tweeverdieners en 35-procenters, WFR 1985/5669, blz. 149 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">74 Mijn noot: onverkorte toepassing van de 50-50 verhouding lijkt hem echter om - onder meer - de volgende reden niet juist: '(...) binnen het kader van het huwelijksvermogensrecht kan men kiezen voor andere grondslagen op grond waarvan men de inkomsten en verminderingen kan toerekenen. Men denke in dit kader aan de regels met betrekking tot het bestuur over goederen.' Aldus G.L.C. de Vries, Tweeverdieners en 35-procenters, WFR 1985/5669, blz. 149 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">75 Vgl. S.M. Roemers en R.F.C. Spek, Toerekening vermogensinkomsten bij duurzaam gescheiden leven. Van scheiding, via echtscheiding tot boedelverdeling, WFR 2000, blz. 1424 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">76 Op grond van artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn echtgenoten - partners - in bepaalde gevallen thans wel geheel vrij in de manier waarop zij inkomensbestanddelen fiscaal toerekenen. Echter, indien de beide echtgenoten - partners - duurzaam gescheiden leven en/of niet beide echtgenoten binnenlands be-lastingplichtig zijn, dan geldt deze vrije toerekening niet. Vgl. S.M. Roemers en R.F.C. Spek, a.w., blz. 1424 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">77 Zie S.M. Roemers en R.F.C. Spek, a.w., blz. 1424 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">78 S.M. Roemers en R.F.C. Spek, a.w., blz. 1424 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">79 Vgl. Fiscale aspecten van samenlevingsvormen. Rapport van de Commissie ter bestudering van de fiscale aspecten van samenlevingsvormen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap no. 162, met name blz. 40, Kluwer, Deventer 1984.</p>\n<p class=\"lf-p\">80 Vgl. Fiscale aspecten van samenlevingsvormen. Rapport van de Commissie ter bestudering van de fiscale aspecten van samenlevingsvormen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap no. 162, met name blz. 40, Kluwer, Deventer 1984: 'Inkomen valt immers eerst in de gemeenschap nadat het de sluis van de belastingheffing is gepasseerd. Inkomen dat in de gemeenschap valt, is in deze visie netto-inkomen na belastingheffing. De belastingschuld wordt toegerekend aan de echtgenoot van wiens zijde het desbetreffende inkomensbestanddeel in de gemeenschap is gevallen.' Vgl. in overeenkomstige zin Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting t/m 2000), onderdeel 3.0.2.e, Gouda Quint, Deventer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in deze zin ook R.E.C.M. Niessen, Inkomsten van echtgenoten, WFR 1987, blz. 650 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">81 J.E.A.M. van Dijck, Wie geniet het inkomen, in: Smeetsbundel, blz. 183-184, Kluwer, Deventer 1967.</p>\n<p class=\"lf-p\">82 I.J.F.A. van Vijfeijken, Inkomsten uit aandelen, 2e druk, Fiscale brochures, blz. 17, FED, Deventer 1994. In gelijke zin: Francisca E. Sprey, Inkomsten uit aandelen, Fiscale brochures FED, blz. 14, FED, Deventer 1986.</p>\n<p class=\"lf-p\">83 In gelijke zin: J.E.A.M. van Dijck, Wie geniet het inkomen, in: Smeetsbundel, blz. 184, Kluwer, Deventer 1967. Vgl in dezelfde zin ook Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting t/m 2000), onderdeel 3.0.2.e, Gouda Quint, Deventer.</p>\n<p class=\"lf-p\">84 'Opbrengst van vermogen geniet degene die, krachtens zakelijk recht of persoonlijk recht van vruchtgenot, inkomsten trekt uit goederen of uit roerend kapitaal.' Vgl. ook I.J.F.A. van Vijfeijken, Capita selecta, Inkomsten uit vermogen, 4de druk, blz. 104-105, Kluwer, Deventer 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">85 'Dat de inkomsten uit onroerend goed en effecten worden toegewezen aan de man, omdat hij bestuurder van de gemeenschap is, begrijp ik niet. Terecht wees belanghebbende er m.i. op, dat het enkele bestuur of beheer toch niet medebrengt, dat men het inkomen geniet.' Aldus H.J. Hellema in zijn noot onder het arrest HR 17 februari 1965, nr. 15 261, BNB 1965/112*.</p>\n<p class=\"lf-p\">86 T. Blokland, Inkomstenbelasting, huwelijk en overlijden, blz. 24, Gouda Quint BV, Arnhem 1989.</p>\n<p class=\"lf-p\">87 Vgl. I.J.F.A. van Vijfeijken, Capita selecta, Inkomsten uit vermogen, vierde druk, blz. 105, Kluwer, Deventer 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">88 Vgl. R.E.C.M. Niessen, FED IB '64: Art. 42a : 73v.</p>\n<p class=\"lf-p\">89 Vgl. S.M. Roemers en R.F.C. Spek, Toerekening vermogensinkomsten bij duurzaam gescheiden leven. Van scheiding, via echtscheiding tot boedelverdeling, WFR 2000, blz. 1424 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">90 Vgl. ook Fiscale encyclopedie De Vakstudie Wet IB 1964, artikel 24, aantekening 28 ('een zeer bijzonder geval').</p>\n<p class=\"lf-p\">91 Mededeling van 14 oktober 1988, MvF nr. DB '88/358, Infobulletin 89/440. 'De vraag wie de inkomsten geniet in een situatie van duurzaam gescheiden levende gehuwden is niet altijd eenvoudig te beantwoorden. In het arrest van 17 februari 1965 (BNB 1965/112) noemt de HR de beschikkingsbevoegdheid als belangrijke factor. (...).' 92 A.R. Leemreis, in: Fiscale aspecten van samenlevingsvormen. Rapport van de Commissie ter bestudering van de fiscale aspecten van samenlevingsvormen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap no. 162, met name blz. 79-80, Kluwer, Deventer 1984.</p>\n<p class=\"lf-p\">93 In andere zin: J.P. Scheltens, Omslag van belasting over echtgenoten en mede-aansprakelijkheid, eerste druk, FED's fiscale brochures, blz. 25-26, FED, Amsterdam 1966. De 'inkomsten [uit tot de gemeenschap behorende vermogensbestanddelen] zullen (...) bij helfte aan ieder der echtgenoten moeten worden toegerekend, ongeacht van welke zijde die vermogensbestanddelen in de gemeenschap zijn gevloeid.' 94 Vgl. J. Rensema in zijn aantekening in FED 1987/116.</p>\n<p class=\"lf-p\">95 Mijn cursivering.</p>\n<p class=\"lf-p\">96 Eveneens mijn cursivering.</p>\n<p class=\"lf-p\">97 Mijn noot: Vgl. daarover eveneens J. Rensema, Algemene aspecten van inkomsten uit vermogen, derde druk, FED's Fiscale brochures, blz. 84 e.v., zie met name blz. 84 en blz. 87, FED, Deventer 1991.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders: Francisca E. Sprey, Inkomsten uit aandelen, FED's Fiscale brochures, blz. 13, FED, Deventer 1986: 'De opvatting dat voor het genieten van inkomsten meer naar de feitelijke situatie dan naar de civielrechtelijke verhouding gekeken dient te worden, lijkt mij voor de inkomsten uit vermogen niet op te gaan.' 98 Zie I.F.J.A. van Vijfeijken, Duurzaam gescheiden leven en het huurwaardeforfait, in: Van Dijck-bundel, blz. 408 (en noot 4 op dezelfde blz.), FED, Deventer 1988.</p>\n<p class=\"lf-p\">99Zie R.E.C.M. Niessen, Inkomsten van echtgenoten, WFR 1987, blz. 650 e.v. Zo ook T. Blokland, Inkomstenbelasting, huwelijk en overlijden, blz. 23-24, Gouda Quint BV, Arnhem 1989.</p>\n<p class=\"lf-p\">100 Mijn noot: Zie ook de vierde druk van het boek van J.E.A.M. van Dijck, Het genieten van inkomsten, blz. 33 en blz. 42-43, FED, Deventer 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">101 Mijn noot: zie ook de vierde druk van het boek van J.E.A.M. van Dijck, Het genieten van inkomsten, blz. 33, FED, Deventer 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">102 Mijn noot: in de literatuur vindt men voor het kasstelsel een aantal verwoordingen. Zo treft men bijvoorbeeld aan:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>'het tijdstip waarop belanghebbende er de beschikkingsmacht over krijgt' (vgl. Van Soest Belastingen, 18e druk, blz. 229, Gouda Quint, Arnhem 1995);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>'het jaar waarin de belastingplichtige de beschikking over de inkomsten heeft gekregen' (vgl. H.J. Hofstra en L.G.M. Stevens, Fiscale Hand- en Studieboeken, Inkomstenbelasting, vijfde druk, blz. 597, Kluwer, Deventer 1998).</div>\n<p class=\"lf-p\">103 Vgl. T. Blokland, Inkomstenbelasting, huwelijk en overlijden, blz. 24, Gouda Quint BV, Arnhem 1989.</p>\n<p class=\"lf-p\">104 Anders: de inspecteur in zijn pleitnota.</p>\n<p class=\"lf-p\">105 Daarmee is de vraag wie de aanmerkelijk-belangwinst geniet niet beantwoord (zie ook de onderdelen 2.49 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">106 Fiscale aspecten van samenlevingsvormen. Rapport van de Commissie ter bestudering van de fiscale aspecten van samenlevingsvormen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap no. 162, blz. 40, Kluwer, Deventer 1984.</p>\n<p class=\"lf-p\">107 Vgl. ook Ch.J. Langereis, Discussiebijdrage 2, in: J.F.M. Giele, De problematiek van de tweeverdieners, blz. 42, FED, Deventer 1986.</p>\n<p class=\"lf-p\">108 Vgl. daarover ook J.F.M. Giele, De problematiek van de tweeverdieners, blz. 26-27 en blz. 52 ('Inkomsten op naam'), FED, Deventer 1986. 'Manipulaties die we niet willen, moeten door zorgvuldig gekozen formuleringen verhinderd worden. (...). Raadpleging van de jurisprudentie over inkomen uit vermogen confronteert ons met een grote reeks manipulatiegrappen en op die grappen reageert de wetgever dan weer. (...).' Vgl. J.F.M. Giele, a.w., blz. 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">109 Vgl. over de historische 'sporen' van de aanmerkelijk-belangregeling: J.W.J. de Kort, Inkomstenbelasting-aspecten van door particulieren behaalde vermogenswinsten, in: Aan Blokland, blz. 199 e.v., met name blz. 207, Sdu Uitgevers, Den Haag 2002.</p>\n<p class=\"lf-p\">110 Zie J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijkbelangregeling, zesde druk, blz. 190, FED, Deventer 1995.</p>\n<p class=\"lf-p\">111 Vgl. ook T. Blokland, Over aanmerkelijk belang bij huwelijk en overlijden, WPNR 1998/6314, blz. 317 e.v., over de fiscale consequenties van boedelmenging met ingang van 1997. Zie ook T. Blokland, Over huwelijk en aanmerkelijk belang, in: triBuut aan Europa, blz. 53 e.v., Sdu Fiscale &amp; Financiële Uitgevers, Amersfoort 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">112 Vgl. Fiscale encyclopedie De Vakstudie Wet IB 1964, artikel 39, aantekening 361 en de aldaar geciteerde passages uit de MvT, blz. 44 lk.</p>\n<p class=\"lf-p\">113 Of althans sprake is van een gemeenschap van goederen waar de aanmerkelijkbelangaandelen toe kunnen behoren. In deze zin T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, derde, geheel herziene druk, FM nr. 19, blz. 215, Kluwer, Deventer 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">114 Zie T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, derde, geheel herziene druk, FM nr. 19, blz. 217, Kluwer, Deventer 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">115 Vgl. daarover uitvoeriger Fiscale encyclopedie De Vakstudie Wet IB 1964, artikel 39, aantekening 376: 'De wetgever is bijzonder onduidelijk gebleven in de toelichting op de wettelijke aanduidingen 'opkomen krachtens huwelijksvermogensrecht' (...) en 'overgang krachtens huwelijksvermogensrecht' (...).' 116 'Terecht wordt in de literatuur gesteld, dat vrijwillige afrekening van een aanmerkelijk belang slechts zal worden gevraagd, indien hieruit een verlies resulteert. Nochtans heeft een grotere groep belang bij een verzoek als bedoeld in lid 10 van artikel 39 Inkomstenbelasting.' Vgl. D. Brüll, Even afrekenen, heren!, in: Wat byllich unn recht is, blz. 41-42, FED, Amsterdam 1966.</p>\n<p class=\"lf-p\">117 L.J.M. Nouwen, Over het aanmerkelijk belang, eerste druk, FED's Fiscale brochures, blz. 44, Amsterdam 1965.</p>\n<p class=\"lf-p\">118 Zie T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, derde, geheel herziene druk, FM nr. 19, blz. 217, Kluwer, Deventer 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gelijke zin J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijkbelangregeling, zesde druk, blz. 194, FED, Deventer 1995.</p>\n<p class=\"lf-p\">119 Die vraag is van eminent belang, want: 'Negatief geformuleerd kan men zeggen dat iemand, die geen aandeelhouder is, geen winst uit a.b. kan genieten.' Aldus J.E.A.M. van Dijck, Wie geniet het inkomen?, in: Smeetsbundel, blz. 186, Kluwer, Deventer 1967.</p>\n<p class=\"lf-p\">120 Vgl. daarover J. van Soest, Vervreemding als belastbaar feit; in het bijzonder in de inkomstenbelasting, in: preadviezen ter behandeling in de algemene vergadering van de Broederschap der Candidaat-Notarissen, met name blz. 43-44 (en noot 114), 's-Gravenhage 1971. Zie ook E.M.H. Pieters, Huwelijksgoederenstelsel en testamentaire regeling voor a.b. pakket, in: Fiscale miniaturen, blz. 203-204, FED, Deventer 1978.</p>\n<p class=\"lf-p\">121 'Uit de motivering van de beslissing ten aanzien van de man valt af te leiden, dat de HR bij vervreemding staande huwelijk van een door de vrouw aangebracht aanmerkelijk belang evenzeer het volle verschil tussen de overdrachtsprijs en de kosten van haar verkrijging voor het huwelijk belastbaar geacht zou hebben.' Aldus J. van Soest in zijn noot onder HR 20 juni 1963, nr. 15 057, BNB 1963/313*.</p>\n<p class=\"lf-p\">122 Vgl. J. van Soest in zijn noot onder HR 20 juni 1963, nr. 15 057, BNB 1963/313*.</p>\n<p class=\"lf-p\">123 Zie daarover ook Fiscale encyclopedie De Vakstudie Wet IB 1964, artikel 39, aantekening 361.</p>\n<p class=\"lf-p\">124 'Ook de subsidiaire stelling van belanghebbende - erop neerkomende dat niet zij, doch haar echtgenoot eigenaar is van de ƒ 10 000 nominaal prioriteitsaandelen - wordt door de Hoge Raad verworpen. Immers, gelijk reeds uit het, tijdens het Besluit IB 1941 gewezen, arrest HR 26 juni 1963, BNB 1963/313, met noot van J. van Soest volgt, brengt de algehele gemeenschap van goederen tussen de echtelieden mede dat 's mans aandelen gezamenlijk eigendom van man en vrouw worden en dat het aan de aandelen verbonden aanmerkelijk belang zowel de man als de vrouw aangaat. Aldus bezien bevat het thans gewezen arrest dan ook weinig nieuws.' Aldus N.H. de Vries in zijn noot onder HR 25 november 1992, nr. 28 322, BNB 1993/103c*.</p>\n<p class=\"lf-p\">125 Zie blz. 1 van het verweerschrift in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">126 D. Juch schrijft in zijn noot onder HR 7 mei 1997, nr. 31 161, BNB 1997/278c*: 'Met het arrest kan ik mij verenigen. Uitgaande van de heersende leer dat man en vrouw in de huwelijksgoederengemeenschap mede-eigenaar van de aandelen zijn, betekent zulks dat de resultaten van de BV hen gezamenlijk aangaan.' Zie ook E.B. Pechler in zijn aantekening in FED 1997/729: 'Ook over het argument van de staatssecretaris dat het aandeelhouderschap van de vrouw geen reële praktische betekenis heeft, wordt de staf gebroken. Dit leid ik af uit r.o. 3.3 van het arrest, in het bijzonder uit de zinsnede: 'nu zij tot (het tijdstip van de scheiding van de onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap) uit hoofde van die gemeenschap gerechtigd is tot de helft van de aandelen'. In dit verband verwijs ik naar de overtuigende beschouwing van de advocaat-generaal in punt 4 van zijn conclusie. Civielrechtelijk is de vrouw een 'volwaardige' aandeelhouder, met een vorderings- en een lidmaatschapsrecht. Fiscaalrechtelijk is zij dat dan ook.' 127 L.J.M. Nouwen, Over het aanmerkelijk belang, eerste druk, FED's Fiscale brochures, blz. 19, Amsterdam 1965.</p>\n<p class=\"lf-p\">128 Mijn noot: zie onderdeel 2.52.</p>\n<p class=\"lf-p\">129 Zie ook L.J.M. Nouwen, a.w., blz. 7 e.v. ('De basis-filosofie'). Op blz. 9 schrijft hij: 'De grondgedachten van deze filosofie samenvattend komen wij tot het volgende résumé.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>Een ab is aanwezig indien de belastingplichtige hetzij alleen, hetzij in groepsverband, een zodanige sterke aandeelhouderspositie inneemt dat hij de dividend-politiek in ernstige mate kan beïnvloeden. (...).' Anders: J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, eerste druk, FED's fiscale brochures, blz. 13, Kluwer, Deventer 1970. 'Uit het voorgaande volgt dat het accent van de wetsuitleg zich dient te concentreren op het belang bij de vennootschap en niet op de macht. Dit betekent een beschouwingswijze, die funda-menteel afwijkt van het standpunt van Nouwen, de bewerker van de eerste druk van de brochure over het aanmerkelijk belang. Nouwen stelde immers de macht van de aandeelhouder centraal voor de uitleg van de a.b.-bepalingen.' 130 Vgl. daartoe J. van Soest, Vervreemding als belastbaar feit; in het bijzonder in de inkomstenbelasting, in: preadviezen ter behandeling in de algemene vergadering van de Broederschap der Candidaat-Notarissen, blz. 44, 's-Gravenhage 1971.</div>\n<p class=\"lf-p\">131 'De beide voorbehouden (...) - 'in de regel' en 'meestal' - doen echter tevens zijn, dat de strekking van de wet ook in deze opvatting niet volledig tot haar recht komt.' Aldus J. van Soest, a.w., blz 44, 's-Gravenhage 1971.</p>\n<p class=\"lf-p\">132 J. van Soest, a.w., blz. 44, 's-Gravenhage 1971.</p>\n<p class=\"lf-p\">133 J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijkbelangregeling, zesde druk, blz. 76-77, FED, Deventer 1995.</p>\n<p class=\"lf-p\">134 L.J.M. Nouwen, a.w., blz. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">135 T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, derde, geheel herziene druk, FM nr. 19, blz. 215, Kluwer, Deventer 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">136 Vgl. T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, derde, geheel herziene druk, FM nr. 19, blz. 218, Kluwer, Deventer 1999. Vgl. ook T. Blokland, Inkomstenbelasting, huwelijk en overlijden, blz. 38, Gouda Quint BV, Arnhem 1989.</p>\n<p class=\"lf-p\">137 Vgl. J. Verburg in onderdeel 9 van zijn conclusie bij HR 25 november 1992, nr. 28 322, BNB 1993/03*, FED 1993/104. 'Zulks houdt in dat staande de huwelijksgemeenschap de aandelen voor de onverdeelde helft aan ieder van beide echtgenoten toebehoren. Het is dus mogelijk voor de onverdeelde helft van het aandelen-pakket aanmerkelijk-belanghouder te zijn.' Zie onderdeel 5.1 van de conclusie van J.W. van den Berge bij HR 7 mei 1997, nr. 31 161, BNB 1997/278c*. 'Beide echtgenoten zijn derhalve voor de toepassing van art. 39 Wet IB 1964 'aandeelhouder'.</p>\n<p class=\"lf-p\">138 Anders: J.H. Linders, Recente Fiscale Rechtspraak, WPNR 5317 (1975), blz. 658-659. Hij merkt - naar aanleiding van de uitspraak van Hof 's-Gravenhage, MK II, 20 juni 1974, BNB 1975/64 - op: 'O.i. zou ook in het geval de echtelieden in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren de desbetreffende commis-sarissenbeloning geheel aftrekbaar zijn geweest, nu bedoelde commissaris door het feit zelf nog geen houder van een aanmerkelijk belang is geworden. Het gaat er o.i. om, dat slechts hij of zij houder van een aanmer-kelijk belang is van wiens zijde dit in de gemeenschap is gevallen.' 139 Vgl. T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, derde, geheel herziene druk, FM nr. 19, blz. 215, Kluwer, Deventer 1999. '[i]n geval van een algehele gemeenschap van goederen zijn de echtelieden kennelijk beiden aanmerkelijkbelanghouder (...).' 140 Zie E.J.W. Heithuis, Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen, FM nr. 89, blz. 104-105, Kluwer, Deventer 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">141 Zie E.J.W. Heithuis, 49 vragen en antwoorden over het aanmerkelijk belang, Fiscaal Actueel, blz. 55-56, Kluwer, Deventer 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">142 Aldus T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, derde, geheel herziene druk, FM nr. 19, blz. 215-216, Kluwer, Deventer 1999. Zie eveneens J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijkbelangregeling, zesde druk, blz. 76, FED, Deventer 1995. 'Dit betekent dat de aandelen voor de onverdeelde helft aan ieder van de echtgenoten moet worden toegerekend.' 143 Vgl. daarover ook E.M.H. Pieters, Huwelijksgoederenstelsel en testamentaire regeling voor a.b. pakket, in: Fiscale miniaturen, blz. 203, FED, Deventer 1978.</p>\n<p class=\"lf-p\">144 J.E.A.M. van Dijck, Wie geniet het inkomen?, in: Smeetsbundel, blz. 187, Kluwer, Deventer 1967.</p>\n<p class=\"lf-p\">145 Vgl. in deze zin ook het Hof in r.o. 5.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">146 Vgl. J.E.A.M. van Dijck, Het genieten van inkomsten, vierde druk, blz. 17-18, FED, Deventer 1998 ('Het genieten van een inkomst is geen abstracte maar een reële gebeurtenis of toestand.'). Zie voor problemen die rondom artikel 41 kunnen ontstaan: J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijkbelangregeling, zesde druk, blz. 110 e.v., FED, Deventer 1995.</p>\n<p class=\"lf-p\">147 J.H. Christiaanse, Aanmerkelijk belang, FM nr. 19, blz. 75, Kluwer, Deventer-Antwerpen 1961. Vgl. daarover ook - uitvoeriger - J.H. Christiaanse, Huwelijk en aanmerkelijk belang, WFR 1961/4552, blz. 345 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">148 Dit artikel bepaalt dat de gehuwde vrouw zelf niet belastingplichtig is en dat de met het verwerven van inkomen in verband staande aangelegenheden van de gehuwde vrouw, alsmede haar onverrekende verliezen en haar persoonlijke verplichtingen geacht worden de man te betreffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">149 'Men moet hier civielrechtelijk redeneren.' Aldus J.H. Christiaanse, a.w., blz. 76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in deze zin ook J. Hollander in zijn noot onder HR 5 november 1958, nr. 13 673, BNB 1958/345*: 'De overweging van de HR, dat art. 2 lid 1 IB niet wegneemt, dat de aandelen en het aanmerkelijk belang, dat zij vertegenwoordigden, zowel de man als de vrouw aangingen, herinnert er weer eens aan, dat de onderliggende civielrechtelijke verhouding ook in een geval als het onderhavige voor de belastingheffing van doorslaggevende betekenis blijft en dat de fictie van art. 2 lid 1 IB slechts een beperkte strekking heeft.' 150 Het voorbeeld is ontleend aan: T. Blokland e.a., De praktijk van het vruchtgebruik, blz. 12, Sdu Uitgevers, Den Haag 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">151 Vgl. ook de noot van E. Tekenbroek: 'De HR schuift dus art. 1129 BW ter zijde, want in de zin van het BW vindt bij boedelscheiding geen vervreemding plaats.' Zie over - de reikwijdte van - dit 'scheidingsarrest' ook J.H. Christiaanse, Huwelijk en aanmerkelijk belang, WFR 1961/4552, blz. 345 e.v. Zie ook J.H. Christiaanse, a.w., blz. 87 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">152 T. Blokland e.a., De praktijk van het vruchtgebruik, blz. 12-14, Sdu Uitgevers, Den Haag 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">153 Vgl. in deze zin T. Blokland e.a., De praktijk van het vruchtgebruik, blz. 14, Sdu Uitgevers, Den Haag 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">154 Vgl. T. Blokland e.a., De praktijk van het vruchtgebruik, blz. 12-13, Sdu Uitgevers, Den Haag 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">155 Zie T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, derde, geheel herziene druk, FM nr. 19, blz. 209-212, met name blz. 212, Kluwer, Deventer 1999. Zie ook A.N. Labohm en R.M. Kavelaars-Niekoop, Familierecht en de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling, WFR 1997/6255, blz. 1075 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">156 J.E.A.M. van Dijck, Aanverwanten en echtgenoten, WFR 1961/4566, blz. 632. Vgl. ook J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijkbelangregeling, zesde druk, blz. 194, FED, Deventer 1995.</p>\n<p class=\"lf-p\">157 Vgl. ook J.E.A.M. van Dijck, Wie geniet het inkomen?, in: Smeetsbundel, blz. 188, Kluwer, Deventer 1967.</p>\n<p class=\"lf-p\">158 Zie J.E.A.M. van Dijck, Het staken van een onderneming in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, prae-advies, blz. 17, 1965.</p>\n<p class=\"lf-p\">159 J.E.A.M. van Dijck, Wie geniet het inkomen?, in: Smeetsbundel, blz. 188, Kluwer, Deventer 1967.</p>\n<p class=\"lf-p\">160 Vgl. J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijkbelangregeling, zesde druk, blz. 194, FED, Deventer 1995.</p>\n<p class=\"lf-p\">161 Zie ook J.E.A.M. van Dijck, Aanverwanten en echtgenoten, WFR 1961/4566, blz. 632.</p>\n<p class=\"lf-p\">162 T. Blokland, Inkomstenbelasting, huwelijk en overlijden, blz. 38, Gouda Quint BV, Arnhem 1989.</p>\n<p class=\"lf-p\">163 Vgl. T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, derde, geheel herziene druk, FM nr. 19, blz. 218 (noot 41), Kluwer, Deventer 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">164 Aldus: T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, derde, geheel herziene druk, FM nr. 19, blz. 215-216, Kluwer, Deventer 1999. Zie eveneens J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijkbelangregeling, zesde druk, blz. 76, FED, Deventer 1995. 'Dit betekent dat de aandelen voor de onverdeelde helft aan ieder van de echtgenoten moet worden toegerekend.' 165 Vgl. Asser-Vranken, Algemeen deel, een vervolg, nr. 3, blz. 2, Kluwer, Deventer 2005.</p>\n<p class=\"lf-p\">166 Met ingang van 1997 ligt dat een slag genuanceerder als gevolg van aanpassingen in het regime van de winst uit aanmerkelijk belang (met name door de introductie van het systeem van conserverende aanslagen). Vgl. daarover T. Blokland, Over huwelijk en aanmerkelijk belang, in: triBuut aan Europa, blz. 53 e.v., Sdu Fiscale &amp; Financiële Uitgevers, Amersfoort 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">167 Vgl. r.o. 5.1.5 en r.o. 5.1.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">168 Mijn noot: zie daarover de onderdelen 2.13 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">169 Dat sluit niet uit dat de niet-bestuursbevoegde echtgenoot - in een zeer uitzonderlijke situatie - de aandelen verkoopt, omdat beide echtgenoten sinds 1992 in staat zijn om deze obligatoire overeenkomst tot levering van de aandelen te sluiten (de daaruit voortvloeiende verplichtingen kunnen in beginsel echter niet tot uitvoering worden gebracht). Indien dat laatste geschiedt met instemming van de bestuursbevoegde echtgenoot (zie ook onderdeel 2.29 voor de(ze) machtigingsfiguur), dan zal de vervreemdingswinst aan laatstgenoemde moeten worden toegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">170 Of zoals J.H. Christiaanse, Huwelijk en aanmerkelijk belang, WFR 1961/4552, het - met betrekking tot het Besluit IB 1941 (zie de onderdelen 2.52 en 2.53) - treffend uitdrukt: 'Vervreemdingen tijdens (...) het huwelijk, hetzij door de man, hetzij door de vrouw, van tijdens het huwelijk verkregen aandelen leveren dus t.a.v. de verkrijgingsprijs geen moeilijkheden op: de kosten van verkrijging van de gemeenschap zijn beslissend zowel voor de man als voor de vrouw.' 171 Vgl. daartoe blz. 4 van het 'Nader stuk als bedoeld in artikel 8:58 Algemene wet bestuursrecht', dat belanghebbende aan het Hof heeft doen toekomen.</p></div>", "next": 0}