{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">4.3 Het onderdeel faalt. Ik lees in rov. 3.17-3.19 niet meer dan dat de Ondernemingskamer constateert dat er een spanning is tussen de bevoegdheid van de aandeelhouder om zijn aandelen aan een bepaalde bieder te verkopen en die van het bestuur om bepaalde activa die aan de vennootschap toekomen van de hand te doen. De bevoegdheid van het bestuur om activa te verkopen kan er in extremis toe leiden dat een aandeelhouder met zijn aandeel niet veel meer dan een lege doos in de verkoop kan doen. Ik voeg hieraan toe dat het mijns inziens onder andere het doel van art. 2:107a BW is om door het geven van een goedkeuringsrecht aan de aandeelhoudersvergadering in bepaalde, nogal bijzondere omstandigheden, zoals het in feite beschikken over de vennootschap, deze spanning te verminderen. Met uitoefening van het goedkeuringsrecht kan de aandeelhoudersvergadering het lege doos-scenario verhinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4 Onderdeel 2 - dat zeven subonderdelen bevat - keert zich tegen rov. 3.20: \"3.20 Naar het oordeel van de Ondernemingskamer kan deze vraag [of ABN AMRO LaSalle mocht verkopen zonder raadpleging van de ava, LT] niet anders worden beantwoord dan dat met het - strategische - besluit van (het bestuur en de raad van commissarissen van) ABN AMRO Holding om het stand alone scenario te verlaten en een fusie aan te gaan met, dan wel anderszins een bod op de aandelen van ABN AMRO Holding uit te lokken van een derde partij, het domein van de aangelegenheden die - in het kader van de wet en regels van corporate governance - aan hen, bestuur en raad van commissarissen, zijn voorbehouden, is verlaten en dat de besluitvorming omtrent een dergelijk (al of niet door het bestuur en de raad van commissarissen van ABN AMRO Holding ondersteund) openbaar bod toekomt aan de aandeelhouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immers, met het zogenaamd \"in de etalage zetten\" althans \"gezet worden\" van ABN AMRO hebben het bestuur en de raad van commissarissen van ABN AMRO Holding zich ertoe verplicht de voor dat proces van verkoop, ten behoeve van de aandeelhouders, zo gunstig mogelijke omstandigheden te creëren en tevens zich ervan te weerhouden dat proces op enigerlei wijze te beïnvloeden, althans op een zodanige wijze dat de besluitvorming daaromtrent - zowel die ter zake van een op de aandelen in ABN AMRO Holding uit te brengen bod als die ter zake van een, al of niet in verband daarmee (mogelijk) prijsgeven van de vennootschappelijke identiteit - aan de macht van de aandeelhouders wordt onttrokken. In zoverre kan de transactie betreffende LaSalle naar het oordeel van de Ondernemingkamer dan ook niet los worden gezien van een (mogelijke) transactie betreffende (de aandelen in) ABN AMRO Holding.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5 Het onderdeel 2.1 (par. 4.1 van het cassatieverzoek) bevat de klacht dat bovenstaande overweging onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Onderdeel 2.2 (par. 4.2 van het cassatieverzoek) voert aan dat de Ondernemingskamer heeft miskend dat naar Nederlands vennootschapsrecht en regels van corporate governance het bestuur en de raad van commissarissen zich bij de vervulling van hun taak dienen te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. De Ondernemingskamer heeft blijkens rov. 3.20 miskend dat - ook en juist in het geval het bestuur besluit het \"stand alone\" scenario te verlaten - het bestuur een integrale verantwoordelijkheid heeft voor de afweging van de belangen van alle \"stakeholders\" in de rechtspersoon (waaronder begrepen ook de belangen van werknemers). Deze onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 Ik meen dat de stelling van de onderdelen juist is dat ook nadat het bestuur heeft besloten het \"stand alone\"-scenario te verlaten, dit zich uiteindelijk bij zijn handelen dient te laten leiden door het vennootschappelijke belang. Het bestuur heeft steeds de verantwoordelijkheid de belangen van alle \"stakeholders\" in de rechtspersoon af te wegen. Aan het middel kan worden toegegeven dat de Ondernemingskamer het voorgaande niet expliciet tot uitdrukking brengt in de bestreden overweging. Ik kan echter in de bestreden rov. ook niet met zoveel woorden lezen dat de Ondernemingskamer van een ander standpunt uitgaat dan het in Nederland gebruikelijke. De Ondernemingskamer heeft in die rechtsoverweging mijns inziens vooral benadrukt dat, nadat het \"stand alone\"-scenario is verlaten, het bestuur en de raad van commissarissen bijzondere aandacht dienen te besteden aan de belangen van de aandeelhouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe dienen zij te bevorderen dat een proces van verkoop van (de aandelen in) de vennootschap behoorlijk verloopt en ervoor zorg te dragen dat de besluitvorming over een op de aandelen van ABN AMRO uit te brengen bod of over het prijsgeven van de vennootschappelijke identiteit uiteindelijk aan de aandeelhouders toekomt. Dat laatste lijkt mij een juiste gedachte. Dit is immers ook het uitgangspunt van de door uw Raad ontwikkelde RNA-norm. Deze norm bevat immers onder meer de eis dat een bij overnamedreiging getroffen beschermingsconstructie een tijdelijk karakter heeft. Daarmee komt de eindbeslissing over een openbaar bod op aandelen bij de aandeelhouders te liggen. De klachten falen derhalve.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7 Onderdeel 2.3 (par. 4.3. van het cassatieverzoek) voert aan dat de Ondernemingkamer buiten de rechtsstrijd is getreden door in rov. 3.20 te overwegen dat ABN AMRO Holding zich zelf in de etalage heeft gezet door een fusiepartner te zoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8 Het middelonderdeel faalt. ABN AMRO Holding heeft in haar verweerschrift voor de Ondernemingskamer (nr. 22 en 23) aangeduid dat het zogenaamde Merger Protocol onder andere inhoudt dat ABN AMRO Holding niet actief een bod van een derde zal uitlokken. Uit dat verweerschrift blijkt ook dat de situatie van een mogelijk \"competing offer\" in dat Protocol is onderkend. Het gaat hier om een \"unsolicited bona fide\" offer van een derde dat naar de mening van het bestuur van ABN AMRO Holding -na het inwinnen van financieel en juridisch advies- beter wordt bevonden dan het bod van Barclays. Op deze door ABN AMRO Holding in het Merger Protocol zelf onderkende situatie van een \"competing bid\" borduurt de Ondernemingskamer voort in rov. 3.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9 Onderdeel 2.4 (par. 4.4 van het cassatieverzoek) voert aan dat gegrond bevinding van een van de vorige onderdelen ook de rov. 3.21-3.28 en rov. 3.18 niet in stand kunnen blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.10 Deze klacht is ongegrond, omdat de vorige onderdelen mijns inziens niet dienen te slagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.11 Onderdeel 2.5 (par. 4.5. van het cassatieverzoek) voert aan dat de bestreden overwegingen in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk dan wel rechtens onjuist zijn. Uit de gedingstukken blijkt dat: (i) Barclays (en niet ABN AMRO Holding) de verkoop van LaSalle tot voorwaarde voor de gestanddoening van haar bod heeft gesteld (rov. 2.18, 3.12 slot); (ii) de door de Ondernemingskamer aannemelijk geachte reden voor bedoelde voorwaarde in het Merger Protocol was dat het bod van Bank of America \"(aanzienlijk) veel meer\" was dan de waarde die Barclays in het kader van het door haar voorgenomen bod aan LaSalle had toegekend; en (iii) bovendien die door Barclays gestelde voorwaarde niet meer inhoudt dan dat zonder de verkoop van LaSalle Barclays niet gehouden was haar bod gestand te doen en niet dat de aandeelhouders gedwongen zouden zijn als gevolg van die verkoop en die koppeling te kiezen voor het bod van Barclays.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel betoogt dat gezien het voorgaande onbegrijpelijk is dat de Ondernemingskamer: (a) meent dat ABN AMRO Holding de verkoop van LaSalle (als voorwaarde) heeft gekoppeld aan het bod van Barclays (rov. 3.21), en (b) mogelijk in verband daarmee in rov. 3.23 spreekt van een in de besprekingen over de fusie en overname van ABN AMRO Holding uiteindelijk als scharnierpunt blijkende transactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.12 Het middelonderdeel faalt. Nu Barclays een verkoop tevoren van LaSalle tot een voorwaarde voor de gestanddoening van zijn ruilbod heeft gemaakt (verweerschrift ABN AMRO voor de Ondernemingskamer onder 21), is het niet onbegrijpelijk dat de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat de verkoop van LaSalle een scharnierpunt is in de fusietransactie die ABN AMRO Holding met Barclays tot stand wil brengen. Ik vind het evenmin onbegrijpelijk dat de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat ABN AMRO Holding de verkoop van LaSalle aan het bod van Barclays heeft gekoppeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.13 De onderdelen 2.6 en 2.7 (par. 4.6 en 4.7 van het cassatieverzoek) keren zich tegen de overwegingen: (i) dat door het sluiten door ABN AMRO Bank van de koopovereenkomst betreffende LaSalle onder de daarin opgenomen voorwaarden en door het koppelen van die verkoop (als voorwaarde) aan het bod van Barclays, ABN AMRO Holding haar aandeelhouders voor een fait accompli heeft geplaatst dat onlosmakelijk met het proces van verkoop van haar eigen aandelen is verbonden en (rov. 3.21); en (ii) dat het geen betoog behoeft dat de in de koopovereenkomst voorziene 'go shop' bepaling geen adequaat alternatief kan vormen voor de hier aan de orde zijnde aandeelhoudersrechten, mede omdat de uitleg en toepassing ervan exclusief is voorbehouden aan ABN AMRO Bank (rov. 3.24).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.14 De onderdelen falen. Ik acht het niet onbegrijpelijk dat de Ondernemingkamer in de omstandigheden van het geval heeft geconcludeerd dat de aandeelhouders voor een fait accompli zijn geplaatst. De verkoop van LaSalle was voor de aandeelhouders van ABN AMRO Holding een verrassende ontwikkeling die voor hun positie van belang is. Evenmin acht ik onbegrijpelijk dat de Ondernemingskamer oordeelt dat de in de verkoopovereenkomst opgenomen \"go shop\" bepaling geen adequaat alternatief vormt. De Ondernemingskamer geeft aan waarom zij dat zo ziet. Zij legt uit dat de uitleg en toepassing van de \"go shop\" bepaling exclusief aan ABN AMRO bank is voorbehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.15 Onderdeel 3 (par. 5 van het cassatieverzoek) stelt in de onderdelen 3.1 en 3.5 de vraag aan de orde of in de omstandigheden van het onderhavige geval waarin het bestuur aan de algemene vergadering van aandeelhouders de besluitvorming inzake de verkoop van LaSalle niet ter goedkeuring heeft voorgelegd, het bestuur van ABN AMRO Holding in zoverre zijn taak heeft miskend (rov. 3.22). Het gaat hier in wezen om de vraag of in de omstandigheden van het onderhavige geval de aandeelhoudersvergadering een goedkeuringsrecht toekomt. Deze vraag wordt ook aan de orde gesteld in de onderdelen 4 en 5 van het cassatiemiddel. Ik behandel de onderdelen 3.1 en 3.5 daarom tegelijk met de onderdelen 4 en 5 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.16 Onderdeel 3.2 (par. 5.2. van het cassatieverzoek) klaagt erover dat de Ondernemingskamer in rov. 3.22 heeft miskend dat de taakvervulling van het bestuur moet worden beoordeeld naar hetgeen het bestuur voorzag of kon voorzien op het moment dat het die taak vervulde.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.17 Het onderdeel faalt. De Ondernemingskamer heeft de vraag of een goede taakvervulling door het bestuur van ABN AMRO Holding meebracht dat dit orgaan het Consortium als serieuze gegadigde diende te beschouwen, beantwoord naar het moment van 17 april 2007. Ik kan niet inzien wat daaraan verkeerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.18 Onderdeel 3.3 (par. 5.3 van het cassatieverzoek) klaagt erover dat de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat het Consortium beschouwd moest worden als een serieus te nemen gegadigde met meer dan vage plannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.19 Het onderdeel faalt. De Ondernemingskamer heeft voldoende duidelijk uiteengezet waarom het Consortium als een serieuze gegadigde beschouwd moest worden. Het heeft onder andere gewezen op de omstandigheid dat het Consortium in de brief van 12 april aan ABN AMRO had kenbaar gemaakt dat er intern vergevorderde plannen waren voor een bod. Het is daarbij irrelevant of het Consortium al dan niet ex art. 9d Bte bepaalde informatie heeft verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.20 Onderdeel 3.4 (par. 5.4. van het cassatieverzoek) is gebaseerd op de gedachte dat de Ondernemingskamer een anticiperende toepassing heeft willen geven aan art. 2:359b BW. Het onderdeel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Ik kan in rov. 3.22 geen aanwijzing voor een dergelijke anticiperende toepassing vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.21 Onderdeel 4 (par. 6 van het cassatieverzoek) bestaat uit vijf subonderdelen en keert zich tegen hetgeen de Ondernemingskamer heeft overwogen in rov. 3.23: \"Bij een en ander overweegt de Ondernemingskamer nog dat, gelet op de bijzonderheden van het onderhavige geval, er niet aan voorbij kan worden gegaan dat, als zij al niet rechtstreeks onder de werkingssfeer van artikel 2:107a BW is te brengen, minst genomen zich te dezen een aangelegenheid voordoet die zozeer raakt aan de gevallen die in deze bepaling, hetzij generiek, hetzij specifiek, zijn voorzien dat zij daarmee welhaast op één lijn is te stellen en dat het bestuur en de raad van commissarissen van ABN AMRO Holding zich dan ook genoopt hadden moeten zien de besluitvorming inzake de verkoop van LaSalle voor te leggen aan de algemene vergadering van aandeelhouders. De Ondernemingskamer wijst daarbij op de volgende, in onderlinge samenhang te beschouwen omstandigheden: (i) ABN AMRO Holding bevestigde op 17 april 2007 in gesprek te zijn met Barclays over een vorm van combinatie van beider activiteiten, (ii) daarvóór - op 13 april 2007 - heeft ABN AMRO Holding bekend gemaakt een brief van het Consortium, houdende een uitnodiging tot het voeren van verkennende gesprekken, zorgvuldig te zullen behandelen, (iii) LaSalle vormt een aanzienlijk gedeelte van de waarde van ABN AMRO (waarbij de Ondernemingskamer geen betekenis toekent aan de omstandigheid dat de verkoopprijs van LaSalle slechts een gering gedeelte is van het balanstotaal van ABN AMRO, aangezien het daarbij gaat om niet vergelijkbare grootheden), (iv) actoren als TCI, VEB en het Consortium hadden in het desbetreffende tijdsbestek hun wensen en voornemens rond een eventuele fusie of overname van ABN AMRO Holding en daarmee samenhangend een verkoop van LaSalle kenbaar gemaakt en (v) Barclays maakte de verkoop van LaSalle (aan Bank of America) tot een voorwaarde voor de gestanddoening van het door haar voorgenomen bod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een en ander maakt dat de verkoop van LaSalle in een zodanig gewricht was geraakt (zo niet gebracht) dat het het bestuur van ABN AMRO Holding en haar raad van commissarissen niet meer vrij stond deze, in de geldende omstandigheden majeure en, naar voor mogelijk moest worden gehouden, in de besprekingen over fusie en overname van ABN AMRO Holding uiteindelijk als scharnierpunt blijkende, transactie buiten consultatie en goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders te voltrekken.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">4.22 Het onderdeel voert aan dat deze overweging getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Het onderdeel klaagt erover dat de Ondernemingskamer de betekenis en strekking van art. 2:107a BW heeft miskend, nu (i) het dient te gaan om een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap van de onderneming en (ii) de aanhef van art. 2:107a eerste lid een generieke bepaling bevat, terwijl de drie (a-c) gevallen in het eerste lid zijn opgenomen om de rechtszekerheid te vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.23 Ik stel vast dat de Ondernemingskamer in rov. 3.23 niet heeft beslist dat de verkoop van LaSalle de goedkeuring behoefde van de aandeelhoudersvergadering op grond van het bepaalde in art. 2:107a lid 1 onder c. Ook heeft de Ondernemingskamer niet uitgesproken dat de voorgenomen verkoop van LaSalle een besluit oplevert omtrent een belangrijke verandering van identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming. De Ondernemingskamer kiest in de bestreden rov. mijns inziens voor een analogische toepassing van art. 2:107a BW. Hierop wijst de overweging waarin de Ondernemingskamer aangeeft dat de verkoop van LaSalle raakt aan de gevallen die door deze wetsbepaling worden bestreken. Bovendien rept de Ondernemingskamer in rov. 3.24 van de aan art. 2:107a BW ten grondslag liggende gedachte (waarbij de Ondernemingskamer m.i. overigens niet duidelijk maakt wat deze gedachte is). Bij de verdere behandeling van het middelonderdeel ga ik ervan uit dat de statuten van ABN AMRO Holding een bepaling bevatten die gelijkluidend is aan het bepaalde in art. 2:107a BW (zie de opmerkingen hierover op p. 39 van het verweerschrift van het Consortium).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.24 Art. 2:107a BW heeft -zo meen ik- een nogal bijzondere opzet. Bij de (analogische) toepasssing van dit artikel dient aan deze bijzondere opzet recht te worden gedaan. Het artikel noemt een drietal groepen besluiten waarvoor het bestuur goedkeuring dient te vragen aan de aandeelhoudersvergadering. Als een bepaald besluit niet onder één van deze groepen valt, fungeert de formule \"besluiten omtrent een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap\" als vangnet. Met dit vangnet heeft de wetgever in vergelijking met de oorspronkelijke opzet van art. 2:107a BW een verruiming van de reikwijdte ervan beoogd (zie de hierboven geciteerde tweede nota van wijziging) en gepoogd een redelijke, niet te sterk op het cijfer en de letter van de gevallen a, b en c gerichte wetstoepassing te bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij is het bijzondere dat art. 2:107a BW lid 1 onder c BW kwantitatieve kriteria hanteert, terwijl de vangnet-formule een - overigens strenge - kwalitatieve maatstaf benut. Mijns inziens past het niet om de vangnet-formule van art. 2:107a BW die bedoeld was om een al te benauwde uitleg van art. 2:107a BW te verhinderen op zijn beurt ruim toe te passen. Er wordt dan een tweede vangnet gecreëerd dat gevallen moet opvangen die buiten het in art. 2:107a BW al opgenomen vangnet vallen. Ik meen dat de vraag of art. 2:107a BW in een bepaald geval van (analogische) toepassing is, beoordeeld dient te worden aan de hand van de in dat artikel geformuleerde criteria, zoals belangrijke veranderingen van identiteit en karakter van de vennootschap, en bewoordingen ervan, zoals balanstotaal en waarde van de deelneming (welke waarde in de parlementaire stukken is toegelicht als waarde op de balans).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de bestreden overweging van de Ondernemingskamer kan ik een dergelijke aanpak niet lezen. De Ondernemingskamer heeft in de rov. 3.23 en 3.24 een te globaal oordeel gegeven over de vraag of art. 2: 107a BW in het onderhavige geval (analogisch) van toepassing is. Het gevolg hiervan is dat het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 3.24 naar mijn inzicht onvoldoende helder is gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.25 Ik hecht te meer aan het correct en nauwgezet toepassen van de systematiek van art. 2: 107a BW en het recht doen aan de bewoordingen ervan, omdat een verplichting om voor een besluit goedkeuring aan de aandeelhoudersvergadering in de organisatie van de (beurs)vennootschap een aangelegenheid van groot gewicht is. Daarbij komt dat uit de hierboven geciteerde wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever groot belang aan de door hem in art. 2:107a BW neergelegde criteria heeft gehecht en veel aandacht heeft besteed aan het vinden van goede bewoordingen voor de in dat artikel geregelde problematiek. Ik wijs er daarbij op dat uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat de wetgever een soepele, ruime uitleg van art. 2:107a BW voorstaat in geval op de aandelen van de vennootschap een openbaar bod uitgebracht gaat worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zo'n soepele uitleg bestaat mijns inziens te minder reden, nu het vraagstuk van het goedkeuringsrecht van de aandeelhoudersvergadering gedurende een biedingsprocedure mijns inziens wordt afgedekt door art. 9 jo 12, lid 1 van de 13de Dertiende Richtlijn en van het aan deze Richtlijnbepalingen uitvoering gevende art. 2:359b BW. Uit dat inmiddels door het parlement vastgestelde, maar nog niet in werking getreden wetsartikel blijkt dat de Nederlandse wetgever niet een verplicht goedkeuringsrecht van de aandeelhoudersvergadering wil voorschrijven voor een maatregel van het bestuur dat het met succes afhandelen een uitgebracht bod bemoeilijkt. Onderdeel 4 dient mijns inziens derhalve te slagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige onderdelen van middelonderdeel 4 behoeven na het voorgaande geen behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26 Onderdeel 5 (par. 7 van het cassatieverzoek) valt uiteen in zes subonderdelen, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Het onderdeel keert zich tegen rov. 3.24: \"3.24 De Ondernemingskamer is van oordeel dat onder de hiervoor beschreven omstandigheden in strijd zou worden gekomen met de op de voet van artikel 2:8 BW in acht te nemen maatstaven van redelijkheid en billijkheid en met minst genomen de aan artikel 2:107a BW ten grondslag liggende gedachte, in de sfeer van welk artikel - naar VEB c.s. in zoverre terecht hebben betoogd - de gewraakte transactie zich mede afspeelt, indien de algemene vergadering van aandeelhouders van ABN AMRO Holding tegen haar wil, althans zonder dat zij zich daarover heeft kunnen uitspreken en - in de gegeven omstandigheden - zelfs ook buiten het kader van de voorgenomen fusie met Barclays, zou worden gedwongen genoegen te nemen met de verkoop van LaSalle in het kader van de voorgenomen fusie van Barclays, zonder die vergadering in staat te stellen van mogelijke andere biedingen van gegadigden voor de gehele onderneming van ABN AMRO Holding en haar dochtervennootschappen kennis te nemen en op haar merites te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband acht de Ondernemingskamer het onaanvaardbaar dat een onderdeel van de onderneming van ABN AMRO zou worden afgesplitst en verkocht zonder die vergadering op behoorlijke wijze in staat te stellen die afsplitsing en verkoop af te zetten tegen mogelijke andere (juridische vormen van) biedingen van gegadigden op (de aandelen van) de gehele onderneming van ABN AMRO en alle biedingen op haar merites te beoordelen. Het behoeft geen betoog dat de in de Koopovereenkomst voorziene \"go shop\" bepaling geen adequaat alternatief kan vormen voor de hier aan de orde zijnde aandeelhoudersrechten, mede omdat de uitleg en toepassing er van exclusief is voorbehouden aan ABN AMRO Bank. Nu de (obligatoire) overeenkomst al is gesloten en enkel nog levering van de aandelen (in ABN AMRO North America Holding Company) moet plaatsvinden, zullen de gevolgen van enige (verdere) uitvoering van de Koopovereenkomst, naar moet worden aangenomen, immers onomkeerbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zulks acht de Ondernemingskamer in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar. Overigens valt uit hetgeen ter vergadering van 26 april 2007 is verhandeld af te leiden dat ook de aandeelhouders van ABN AMRO Holding een dergelijk gevolg niet wensen te accepteren.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">4.27 Subonderdeel 5.1 (par. 7.1 van het cassatieverzoek) voert aan dat de Ondernemingskamer heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat in strijd zou worden gekomen met (i) de op voet van art. 2:8 BW in acht te nemen maatstaven van redelijkheid en billijkheid en (ii) minst genomen de aan art. 2:107a BW ten grondslag liggende gedachte, indien de algemene vergadering van aandeelhouders tegen haar wil, althans zonder dat zij zich daarover heeft kunnen uitspreken en - in de gegeven omstandigheden - zelfs ook buiten het kader van de voorgenomen fusie met Barclays zou worden gedwongen genoegen te nemen met de verkoop van LaSalle in het kader van de voorgenomen fusie van Barclays, zonder die vergadering in staat te stellen van mogelijke andere biedingen van gegadigden voor de gehele onderneming van ABN AMRO Holding en haar dochtervennootschappen kennis te nemen en op haar merites te beoordelen. Onderdeel 5.2 werkt deze klacht uit ten aanzien van hetgeen de Ondernemingskamer heeft overwogen over art. 2:8 BW. Het onderdeel voert aan dat voor zover de Ondernemingskamer haar oordeel heeft gebaseerd op de ingevolge art. 2:8 BW in acht te nemen maatstaven van redelijkheid en billijkheid, het oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting nu een goedkeuringsrecht van de algemene vergadering van aan aandeelhouders (van een beursvennootschap) een wettelijke of statutaire basis is vereist. De overige onderdelen van middel 5 borduren op dit thema voort.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.28 Ik onderscheid in rov. 3.24 twee rechtsoordelen: (i) In de eerste plaats bevat deze rechtsoverweging het oordeel van de Ondernemingskamer dat ABN AMRO Holding in strijd met art. 2:8 lid 1 BW heeft gehandeld. (ii) In de tweede plaats bevat rov. 3.24 - in samenhang gelezen met hetgeen de Ondernemingskamer in het dictum (onderdeel 4 van de bestreden beschikking) heeft beslist - het oordeel dat de verkoop van LaSalle de voorafgaande goedkeuring behoeft van de algemene vergadering van aandeelhouders. Uit hetgeen de Ondernemingskamer heeft overwogen en beslist, leid ik af dat de algemene vergadering van aandeelhouders in dit geval een goedkeuringsrecht toekomt nu een andersluidende opvatting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.29 De klacht dat de Ondernemingskamer blijkens het rechtsoordeel genoemd onder (ii) blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting acht ik terecht voorgesteld. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan mijns inziens toepassing van de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8, lid 1 ertoe leiden dat een bepaald orgaan bevoegd wordt om een bepaalde beslissing te nemen die hem op grond van wet en statuten niet toekomt. Ik verwijs naar hetgeen ik hierover in de inleiding op het cassatiemiddel heb opgemerkt. Om buiten de wet of statuten om een bevoegdheid aan een orgaan van de vennootschap te kunnen aannemen dient zich een situatie voor te doen waarin het naar de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid evident is dat de betrokken bevoegdheid aan het orgaan dient toe te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er dient -anders gezegd- gezegd geen redelijke twijfel te bestaan dat er een dergelijke niet in de wet of statuten geregelde bevoegdheid bestaat. Ik meen dat er in Nederland over het in dit rechtsgeding aan de orde zijnde goedkeuringsrecht voor de aandeelhoudersvergadering zo'n duidelijke en niet voor betwisting vatbare rechtsovertuiging niet bestaat. Ik verwijs naar de wetsgeschiedenis over art. 2:107a BW waarin na een langdurige discussie over een bepaalde wetstekst inzake het goedkeuringsrecht van de aandeelhoudersvergadering overeenstemming is bereikt en naar de totstandkomingsgeschiedenis van art. 2:359a BW waarin de wetgever het nu juist aan de vennootschap zelf wil overlaten om voor een verwante kwestie in de statuten al dan niet een goedkeuringsrecht in te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten onrechte heeft de Ondernemingskamer het in haar bestreden beschikking nagelaten te onderzoeken of in Nederland op dit punt een dergelijke rechtsovertuiging bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.30 Het voorgaande betekent dat onderdeel 5 mijns inziens terecht is voorgesteld. Hetzelfde geldt voor de onderdelen 3.1 en 3.5. Deze onderdelen zijn gegrond, omdat een behoorlijke taakvervulling door het bestuur van ABN AMRO Holding op de door de Ondernemingskamer aangegeven gronden niet vereist dat dit bestuur goedkeuring voor de LaSalle-transactie gevraagd had moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.31 Onderdeel 6 (par. 8 van het cassatieverzoek) keert zich tegen rov. 3.25: \"3.25 De Ondernemingskamer acht dan ook het treffen van onmiddellijke voorzieningen met het oog op de toestand van ABN AMRO Holding en ABN AMRO Bank in zoverre geboden, te meer nu geenszins kan worden uitgesloten dat een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van ABN AMRO zal (kunnen) worden bevolen en de Ondernemingskamer een of meer onderzoeker(s) zal (kunnen) benoemen. (...) 4.32 Het onderdeel voert aan dat de Ondernemingskamer met deze overweging niet heeft mogen volstaan, nu het treffen van onmiddellijke voorzieningen niet alleen geboden moet zijn met het oog op de toestand van de rechtspersoon (of in het belang van het onderzoek), maar ook dat naar (minst genomen voorlopig) oordeel van de Ondernemingskamer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen (vgl. art. 2:350 lid 1 BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.33 Ik ben het met het middel eens dat een evenwichtig en redelijk verloop van de enquêteprocedure doorgaans vereist dat, als de Ondernemingskamer voor betrokken partijen een nogal ingrijpende voorziening oplegt, de Ondernemingskamer vóór het opleggen van de onmiddellijke voorziening een voorlopig oordeel dient te geven over de aanwezigheid van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Ook kan aan de onderdelen worden toegegeven dat de formulering die de Ondernemingskamer hier bezigt geen schoonheidsprijs verdient. De overweging bevat veel slagen om de arm (\"het kan geenszins worden uitgesloten dat er een onderzoek zal kunnen worden bevolen\"; er wordt niet uitdrukkelijk vastgesteld dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen). Dit is temeer bezwaarlijk vanwege de voor de betrokkenen ingrijpende gevolgen van de door de Ondernemingskamer getroffen voorziening. Ik meen dat het onderdeel niettemin tevergeefs is voorgesteld, nu uit de beschikking voldoende naar voren komt dat er naar het oordeel van de Ondernemingskamer gegronde redenen waren om aan een juist beleid te twijfelen. Daarvan is -zo zou ik zeggen- de beschikking van de Ondernemingskamer zelfs doortrokken. De vraag of de toestand van de vennootschap de getroffen voorzieningen vereiste of de getroffen voorzieningen in het licht van de omstandigheden van het geval voldoen aan de eis van proportionaliteit dient daarvan te worden onderscheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34 Onderdeel 7.1 (par. 9.1 van het cassatieverzoek) voert aan dat de Ondernemingskamer, door in rov. 3.25 te overwegen dat, gelet op de wijze waarop de verkoop van LaSalle is vorm gegeven de rechten van aandeelhouders - om te zijner tijd in vrijheid te beslissen aan welk bod zij de voorkeur geven - slechts kunnen worden hersteld door de uitvoering van de overeenkomst op te schorten, heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel haar beslissing onvoldoende gemotiveerd. Onderdeel 7.2 werkt deze klacht uit en voert aan dat de Ondernemingskamer heeft miskend dat een onmiddellijke voorziening in beginsel alleen tijdelijk inbreuk mag maken op geldende rechtsverhoudingen en besluiten binnen de vennootschap en niet (ook) op extern werkende rechtsverhoudingen en/of besluiten. Schending van art. 2:8 BW kan via art. 2:15 BW leiden tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de vennootschap, maar laat de onvoorwaardelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur of een bestuurder (art. 2:130 lid 3 BW) onverlet, mede gezien het bepaalde in art. 2:16 lid 2 BW en in art. 2:107a lid 2 BW. Voorts valt niet in te zien waarom de regel van art. 26 lid 5 WOR \"Een voorziening van de Ondernemingskamer kan door derden verworven rechten niet aantasten\", in het enquêterecht niet zou gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.35 Bij de beoordeling van deze onderdelen dient voorop gesteld te worden dat de onmiddellijke voorziening die inhoudt dat de overeenkomst met LaSalle niet uitgevoerd mag worden voordat deze overeenkomst is goedgekeurd door de algemene vergadering van aandeelhouders, een tijdelijk verbod betreft tot uitvoering van de overeenkomst, maar de rechtsgeldigheid van de overeenkomst zelf onverlet laat. De door de Ondernemingskamer getroffen tast dus geen rechten van derden aan. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur om de betrokken overeenkomst af te sluiten blijft onaangetast. Voorts kan niet als regel worden aanvaard dat een voorziening die de Ondernemingskamer treft nimmer ertoe mag leiden dat de vennootschap wanprestatie pleegt onder een overeenkomst met derden. De eis dat een getroffen voorziening proportioneel dient te zijn, omvat mede een beoordeling van de gevolgen die een getroffen voorziening heeft voor derden, in het licht van hetgeen met de voorziening is beoogd. De eis van proportionaliteit, zoals deze door Uw Raad in de Skygate beschikking is ontwikkeld(60), maakt wettelijke voorzieningen, zoals art. 2:16, lid 2 BW en art. 26, lid 5 van de Wet op de ondernemingsraden, overbodig. In de Skygate-beschikking overwoog Uw Raad: \"3.6. Met haar hiervóór in 3.5 weergegeven overwegingen die moeten worden gelezen in het licht van de overige door haar vastgestelde omstandigheden, heeft de Ondernemingskamer tot uitdrukking gebracht dat zij onder ogen heeft gezien dat het bij de beoordeling van de aan haar voorgelegde verzoeken op de voet van het tweede lid van art. 2:349a BW, gaat om de vraag of, in dit geval, in verband met de toestand van de rechtspersoon een onmiddellijke voorziening is vereist en dat het treffen van een zodanige voorziening slechts geldt voor de duur van het geding.(...) Daarbij dient in aanmerking genomen te worden dat de Ondernemingskamer de vrijheid heeft zodanige voorlopige voorzieningen te treffen als zij in verband met de toestand van de rechtspersoon noodzakelijk acht, ook indien daarbij tijdelijk inbreuk wordt gemaakt op de geldende rechtsverhoudingen binnen de vennootschap, en dat aan het treffen van voorlopige voorzieningen niet zonder meer in de weg behoeft te staan dat deze kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen, mits de voorziening naar haar aard een voorlopige is en bij het treffen van een zodanige voorziening voldoende rekening is gehouden met, en een billijke afweging heeft plaatsgevonden van, de belangen van de betrokken partijen.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop falen de onderdelen 7.1. en 7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.36 Onderdeel 7.3 voegt aan de voorafgaande onderdelen van middel 7 nog toe dat, voor zover zou moeten worden aangenomen dat de Ondernemingskamer wel voorzieningen mag treffen met externe werking, de Ondernemingskamer de belangen van Bank of America had moeten wegen. Nu de bestreden beschikking daarvan geen blijk geeft, is deze onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>37 De Ondernemingskamer heeft mijns inziens aan het belang van de derde partij voldoende aandacht besteed door er in rov. 3.27 op te wijzen dat Bank of America op grond van de koopovereenkomst recht heeft op een te ontvangen schadevergoeding, indien de LaSalle-transactie geen doorgang vindt onder meer als gevolg van de voorziening van de Ondernemingskamer.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.38 Onderdeel 8 (par. 10 van het cassatieverzoek) voert aan dat de door de Ondernemingskamer getroffen voorziening kan leiden tot onomkeerbare gevolgen (zoals substantiële schadeclaims), hetgeen alleen is geoorloofd indien in voldoende mate rekening gehouden is met de belangen van betrokken partijen. De thans getroffen voorziening is in zoverre niet een voorlopige dat de getroffen voorziening het onmogelijk maakt om met derden over een beter bod op LaSalle te praten terwijl de 'go shop' termijn, waarbinnen ABN AMRO Bank mag onderhandelen over alternatieve biedingen op LaSalle, niet wordt verlengd en onbenut zal verstrijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39 Het middel wordt tevergeefs voorgesteld. Ik kan niet inzien dat de door de Ondernemingskamer getroffen voorziening het onmogelijk maakt om van de \"go shop\" bepaling gebruik te maken. Het Consortium heeft op 5 mei 2007 onder de \"go shop\" bepaling een bod van $24,5 miljard op LaSalle gedaan (zie hierover noot 13 bij het cassatieverzoek van ABN AMRO Holding). Daarbij komt nog dat de getroffen voorziening naar haar aard voorlopig is en de Ondernemingskamer een billijke afweging van belangen heeft gemaakt. Ik verwijs naar de rov. 3.26 en 3.27 van de bestreden beschikking. Ook klaagt het middel erover dat de Ondernemingskamer in rov. 3.25 geen gewag maakt van een goedkeuringsrecht, maar slechts spreekt over een verplichting tot consultatie, terwijl in het dictum de verdere uitvoering van de koopovereenkomst met LaSalle afhankelijk wordt gesteld van een goedkeuring van de aandeelhoudersvergadering van ABN AMRO Holding. De klacht faalt. Uit rov. 3.23 in samenhang gelezen met het dictum, blijkt duidelijk dat de Ondernemingskamer het oog heeft op een goedkeuringsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.40 Onderdeel 9 (par. 11 van het cassatieverzoek) voert aan dat de Ondernemingskamer heeft verzuimd een afschrift van het verzoekschrift aan de toezichthoudende instelling als bedoeld in art. 2:348 BW, in dit geval De Nederlandsche Bank N.V., te zenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.41 Het onderdeel faalt bij gebrek aan belang, omdat, voor zover in het onderhavige geval sprake is geweest van een verzuim, zulks niet tot vernietiging van de bestreden beschikking kan leiden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel 5.1 Het voorwaardelijk incidenteel ingestelde middel valt uiteen in negen onderdelen.</div>\n<p class=\"lf-p\">5.2 De onderdelen 1 en 2 (par. 1en 2 van het verweerschrift van VEB c.s ) voeren aan dat, voor zover moet worden aangenomen dat de Ondernemingskamer heeft vastgesteld dat het besluit tot de verkoop van LaSalle niet een besluit is (of kan zijn) omtrent een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming in de zin van art. 2:107a lid 1 BW en ook de strekking van art. 2:107a lid 1 BW zulks niet mee kan brengen (onderdeel 4), dat oordeel rechtens onjuist is, dan wel onvoldoende is gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Onderdeel 3 (par. 12 van het verweerschrift van de VEB) adstrueert dit door er op te wijzen dat: (i) op de grote omvang van de LaSalle-transactie; (ii) de belangrijke omzet- en winstbijdrage van LaSalle aan ABN AMRO; (iii) het feit dat ABN AMRO met de verkoop van LaSalle de - in waarde - tweede (retail)activiteit van de bank vervreemdt; (iv) de geringe frequentie van transacties met een omvang als de onderhavige; LaSalle is de grootste verkooptransactie van ABN AMRO ooit; (v) het feit dat de afstoting van de sinds dertig jaar tot ABN AMRO behorende Amerikaanse divisie een materiële koerswijziging betekent in de publiekelijk uitgedragen strategie; (vi) het feit dat ABN AMRO vóór 23 april 2007 nimmer kenbaar heeft gemaakt voornemens te zijn de Amerikaanse activiteiten te verkopen; (vii) de snelheid waarmee de transactie tot stand is gekomen; (viii) de bijzonderheid dat de transactie met LaSalle onlosmakelijk deel uitmaakt van de voorwaarden van de door Barclays beoogde overname; (ix) het feit dat de omvang van de LaSalle-transactie gelijk is aan ongeveer een kwart van het bod van Barclays op ABN AMRO; en (x) het feit met de transactie is beoogd een concurrerend bod op ABN AMRO tegen te werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 De onderdelen falen bij gebreke aan feitelijke grondslag. De Ondernemingskamer heeft slechts aangegeven dat haar oordeel - dat de verkoop van LaSalle zonder de voorafgaande goedkeuring van de aandeelhouders in strijd is met de door het bestuur in acht te nemen redelijkheid en billijkheid - in lijn is met (de strekking van) art. 2:107a BW. Zulks blijkt met name uit hetgeen de Ondernemingskamer heeft overwogen in rov. 3.23 eerste zin: \"als zij al niet rechtstreeks onder de werkingssfeer van artikel 2:107a BW is te brengen\"; en rov. 3.24 eerste zin: \"in strijd (...) met minst genomen de aan artikel 2:107a BW ten grondslag liggende gedachte, in de sfeer van welk artikel\". Een expliciet oordeel over de vraag of de verkoop van LaSalle de goedkeuring behoefde van de algemene vergadering van aandeelhouders op grond van het bepaalde in art. 2:107a lid 1 aanhef BW lees ik niet in de bestreden beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Onderdeel 5 voert aan dat, voor zover moet worden aangenomen dat de Ondernemingskamer de strekking van art. 2:107a lid 1 aanhef BW niet heeft miskend, het oordeel van de Ondernemingskamer onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Niet valt in te zien waarom de omstandigheden genoemd in onderdeel 3 niet moeten, althans kunnen, leiden tot de conclusie dat met de verkoop van LaSalle sprake is van een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming in de zin van art. 2:107a lid 1 aanhef BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 Onderdeel 6 voert aan dat het voorgaande in ieder geval geldt indien men de in onderdeel 3 genoemde omstandigheden beziet in samenhang met de omstandigheden genoemd in rechtsoverweging 3.23. (i) tot en met (v) en de overige in rov. 3.19 tot en met rov. 3.24 genoemde omstandigheden die zien op het verband tussen de verkoop van LaSalle en de potentiële biedingen op ABN AMRO.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 De onderdelen gaan eraan voorbij dat de Ondernemingskamer vanwege het globale, niet op de systematiek en tekst van art. 2:107a BW gerichte uitspraak niet heeft geoordeeld dat de verkoop van LaSalle een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming in de zin van art. 2:107a lid 1 aanhef BW is of zou kunnen zijn. Ook dit middelonderdeel mist daardoor feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 Onderdeel 7 - bevat een inleiding - en keert zich tegen rov. 3.15: \"3.15. Op grond van het vorenoverwogene acht de Ondernemingskamer niet zijn komen vaststaan dat met betrekking tot de verkoop van LaSalle sprake was van een door ABN AMRO Holding en ABN AMRO Bank, Barclays en Bank of America gecoördineerde manoeuvre gericht op het frustreren van de overname-intenties van het Consortium. Veeleer is aan te nemen dat, zoals ABN AMRO Holding en ABN AMRO Bank hebben gesteld, sprake was van een ''mooie opportunity'', een buitenkans, die door haarzelf vervolgens in een rechtstreeks verband is gebracht met het overnamebod van Barclays.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 De onderdelen 8 en 9 voeren - samengevat weergeven - aan dat het oordeel van de Ondernemingskamer dat sprake is geweest van \"een mooie opportunity\" niet uitsluit dat de transactie tevens is bedoeld als een beschermingsmaatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 Op zichzelf is hetgeen de onderdelen aanvoeren juist. De klacht dient mijns inziens niettemin niet te slagen. Het oordeel van de Ondernemingskamer dat \"niet is komen vast te staan\" dat sprake is geweest van een beschermingsconstructie laat onverlet de mogelijkheid dat bij voortzetting van de behandeling van het verzoek om een enquête te gelasten wel aannemelijk wordt gemaakt dat met de verkoop van LaSalle weliswaar een buitenkans is gerealiseerd, maar tevens is beoogd een mogelijk concurrerend bod van het consortium te bemoeilijken. In dat geval heeft de transactie (in ieder geval deels) trekken van een beschermingsconstructie. Als komt vast te staan dat de verkoop van LaSalle niet alleen een \"mooie opportunity\" is geweest, maar ook een constructie waarmee ABN AMRO het met Barclays gesloten fusieakkoord beoogde te beschermen, dan zal de handelwijze van ABN-AMRO in zoverre aan de RNA-norm moeten worden getoetst.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Conclusie Deze strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van de Ondernemingskamer in het principale cassatieverzoek en tot verwerping van het incidentele cassatieverzoek.</div>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 De feiten zijn ontleend aan rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.26 van de bestreden beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gepubliceerd in JOR 2007, 143 m.nt. Nieuwe Weme. Zie ook M.J. van Ginneken, Ondernemingsrecht 2007, p. 326-331 en M.J. van Vliet, Ondernemingskamer: verkoop LaSalle \"In de sfeer van artikel 2:107a BW\". Is dat voldoende?, NJB 2007, p. 1512-1520.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij beschikking van 4 mei 2007, 451/2007 OK, heeft de Ondernemingskamer een verzoek tot verduidelijking van de beschikking van 3 mei 2007 van ABN AMRO Holding N.V. en ABN AMRO Bank N.V. afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het verzoekschrift is op 15 mei 2007 ontvangen ter griffie van de Hoge Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Zie de noot van Nieuwe Weme na de beschikking in JOR 2007, 143.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Noot onder Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007, 42 (Centaurus c.s./Stork) 7 Van Schilfgaarde/Winter, Van de N.V. en de B.V., 2006, p. 11 e.v., Asser/Maeijer 2-III, 2000, p. 384, Van der Heijden/Van der Grinten, Handboek, 1992, p. 406.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Kamerstukken II, 2006-2007, 31 058, nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Harvard Law Review, vol. 119, april 2006(6), met bijdragen van o.a. Stephen M. Bainbridge, Leo E. Strine Jr. en Lucian A. Bebchuk, is gewijd aan de discussie over de vraag of aandeelhouders meer invloed zouden moet krijgen op het bestuursbeleid. Zie over dit vraagstuk voor het Nederlandse recht recent De Jongh, Gij zult splitsen! Instructies van aandeelhouders in beursvennootschappen, Ondernemingsrecht 2007(2), p. 34-43.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Paramount Communications Inc. v. QVC Network, 637 A.2d 34 (Del.Supr.1994).</p>\n<p class=\"lf-p\">11 Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007, 42 (Centaurus c.s. / Stork).</p>\n<p class=\"lf-p\">12 HR 8 april 2005, NJ 2006, 443 m. nt. G. van Solinge, JOR 2005, 119 (Laurus), rov. 3.8 (slot).</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Zie over deze norm recent ook: HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen).</p>\n<p class=\"lf-p\">14 Unocal Corp. v. Mesa Petroleum Co., 493 A.2d 946 (Del. Supr.1985). Ondermeer kenbaar uit Eisenberg, Corporations and Other Business Organizations, cases and materials, Foundation Press, New York, 2005, p. 1124.</p>\n<p class=\"lf-p\">15 Omnicare, Inc v. NCS Healthcare, Inc., A.2d. 914 (Del.Supr.2003), zie Eisenberg, a.w., p. 1206.</p>\n<p class=\"lf-p\">16 Ik schrijf met opzet \"enigszins redelijk\". In dit geval geldt namelijk niet de zogenaamde \"entire fairness test\". Deze test toetst bestuursgedrag volledig op zijn redelijkheid en is van toepassing ingeval bestuurders zich niet op de business judgment rule kunnen beroepen, bijvoorbeeld omdat is aangetoond dat zij niet \"with care\" hebben gehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">17 Unitrin Inc. v. American Gen. Corp., 651 A.2d 1361 (Del.Supr.1995).</p>\n<p class=\"lf-p\">18 Revlon, Inc. v. MacAndrews &amp; Forbes Holdings, Inc., 506 A.2d 173 (Del.Supr.1985), zie Eisenberg, a.w., p. 1163.</p>\n<p class=\"lf-p\">19 Barkan v. Amsted Industries, Inc. 567 A.2d, 1279 (Del.Supr.1989), Eisenberg, a.w., p. 1174.</p>\n<p class=\"lf-p\">20 Paramount Communications Inc. v. QVC Network, 637 A.2d 34, (Del.Supr.1994), Eisenberg, a.w., p. 1176.</p>\n<p class=\"lf-p\">21 Netsmart Technologies, Inc. Shareholders Litigation, C.A. No. 2536-VCS (Del.Ch.2007).</p>\n<p class=\"lf-p\">22 HR 13 april 2003, NJ 2003, 286.</p>\n<p class=\"lf-p\">23 Hamilton, The law of corporations, fifth edition, p. 242.</p>\n<p class=\"lf-p\">24 U. Hüffer, Aktiengesetz, 7. Auflage, p. 902.</p>\n<p class=\"lf-p\">25 BGHZ 81,122.</p>\n<p class=\"lf-p\">26 Fleischer NJW 2004, 2335.</p>\n<p class=\"lf-p\">27 Raiser/Veil, Recht der Kapitalgesellschaften, vierte Auflage, p. 223-225.</p>\n<p class=\"lf-p\">28 K. Schmidt, Gesellschaftsrecht, 4. Auflage (2002), p. 927-928.</p>\n<p class=\"lf-p\">29 K. Schmidt, Gesellschaftsrecht, 4. Auflage (2002), p. 929.</p>\n<p class=\"lf-p\">30 Raiser/Veil, a.w., p. 75.</p>\n<p class=\"lf-p\">31 Kamerstukken II, 2001-2002, 28 179, nr. 5, p. 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">32 De \"hands down\" regel is te vinden in art. 9, lid 2 en 3 van de Richtlijn. Art. 12 bepaalt dat een lidstaat zich het recht mag voorbehouden om vennootschappen er niet toe te verplichten de \"hands down\"-regel toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">33 Wetsvoorstel Uitvoering van richtlijn nr. 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod, 30 419. Het wetsvoorstel is inmiddels door de Eerste Kamer aangenomen. De desbetreffende Wet dateert van 24 mei 2007, Stb. 2007, 202 en zal waarschijnlijk per 1 augustus 2007 in werking treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">34 Kamerstukken I, 2006-2007, 30 419, A, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">35 Kamerstukken II, 2005-2006, 30 419, nr. 3, p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">36 HR 18 april 2003, NJ 2003, 286, m.nt. Ma.</p>\n<p class=\"lf-p\">37 Stb. 2004, 405 Wijzigingswet Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing van de structuurregeling) Kamerstukken 28179 38 Kamerstukken II, 2001 -2002, 28 179, nrs. 1-2, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">39 Kamerstukken II, 2002-2003, 28 179, nr. 31, p.1, het amendement Blok, bevatte een voorstel tot toevoeging van deze woorden aan lid 1 onderdeel c, zie Kamerstukken II, 2002-2003, 28179, nr. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">40 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 179, nr., 3, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">41 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 179, nr., 3, p. 18 en 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">42 Kamerstukken II, 2001-2002, 28 179, nr. 3, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">43 Kamerstukken II, 2001-2002, 28 179, nr. 3, p. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">44 Kamerstukken II, 2001-2002, 28 179, nr. 5, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">45 Kamerstukken II, 2001-2002, 28 179, nr. 5, p. 19 en 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">46 Kamerstukken II, 2001-2002, 28 179, nr. 5, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">47 Kamerstukken II, 2001-2002, 28 179, nr. 5, p. 19 en 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">48 Kamerstukken II, 2002-2003, 28 179, nr. 31, p. 4 en 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">49 Kamerstukken I, 2003-2004, 28 179, B, p. 9 en 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">50 Kamerstukken I, 2003-2004, 28 179, B, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">51 Kamerstukken II, 2001-2002, 28 179, nr. 3, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">52 Kamerstukken II, 2001-2002, 28 179, nr. 3, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">53 Kamerstukken II, 2002-2003, 28 179, nr. 31, p. 4 en 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">54 Kamerstukken II, 2002-2003, 28 179, nr. 31, p. 4 en 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">55 Kamerstukken II, 2001-2002, 28 179, nr. 5, p. 18 .</p>\n<p class=\"lf-p\">56 Asser/Maeijer, 2-III, 2000, nr. 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">57 Zie HR 8 april 1938, NJ 1938, 1076, HR 16 juni 1944, NJ 1944/1945, 443 en HR 21 januari 1955, NJ 1959, 43.</p>\n<p class=\"lf-p\">58 Van der Heijden/Van der Grinten, Handboek, nr. 217.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">59 Zie hierover Van der Grinten, De Regels van het Spel, De Naamlooze Vennootschap, 1961 (10), p. 173-177 en H.J.M.N. Honée, De sterfconstructie en de positie van aandeelhouders van de holdingvennootschap, De Naamlooze Vennootschap 1984, p. 16-19.</p>\n<p class=\"lf-p\">60 HR 19 oktober 2001, NJ 2002, 92 m.nt. Ma. (Skygate), rov. 3.6.</p></div>", "next": 0}