{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Volgens het onderdeel doen het aanhoudende verzet en de vermoedelijke vruchteloosheid van een nieuwe aanwijzing op grond van art. 37 lid 4 WRO niet (zonder meer) af aan het voortduren van de inspanningsplicht. Ter onderbouwing van deze klacht verwijst het onderdeel allereerst naar de onderdelen 2-2.3. Daarnaast verwijst het onderdeel naar de onderdelen 2.4.1-2.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.4.1 voert aan dat de bedoelde weerstand reeds lang manifest aanwezig was, zoals het hof in rov. 5.86 heeft vastgesteld, maar dat dit de Provincie niet heeft belet zich tot begin 2001 naar behoren in te spannen om F3b aanbaggerbaar te maken. Uit niets blijkt dat deze weerstand ten tijde van de door de Provincie doorgevoerde beleidswijziging groter of klemmender was geworden, terwijl na staking van de Nimby-procedure in elk geval nog de mogelijkheid van een nieuwe aanwijzing op grond van art. 37 lid 4 WRO voorhanden was. Volgens onderdeel 2.4.2 valt evenmin in te zien waarom, naar het hof in rov. 5.106 heeft overwogen, het geven van zodanige nieuwe aanwijzing \"vermoedelijk vruchteloos\" zou zijn geweest. Mede in aanmerking genomen dat [eiseres] c.s. bij herhaling en gemotiveerd hebben geprotesteerd tegen de met staking van de Nimby-procedure ingezette beleidswijziging, kan, anders dan het hof aan het slot van rov. 5.106 heeft overwogen, aan [eiseres] c.s. niet (zonder meer) worden tegengeworpen dat zij de Provincie nimmer hebben verzocht opnieuw een aanwijzing te geven, aldus onderdeel 2.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.49 Het betoog dat de bedoelde maatschappelijke weerstand al sinds een geruim aantal jaren aanwezig was en dat uit niets blijkt dat deze weerstand begin 2001 groter of klemmender was geworden, faalt omdat ook zonder een dergelijke toename van de bedoelde weerstand het oordeel van het hof dat redelijkerwijs niet van de Provincie kon worden verlangd spontaan een nieuwe aanwijzing te geven, als niet onbegrijpelijk moet worden beoordeeld. Daarbij acht ik het volgende van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat het stevige verzet van de Gemeente en haar bevolking in en na 2001 niet was geluwd. Met zijn overweging dat gezien de eerdere ervaringen van de Provincie een nieuwe aanwijzing vermoedelijk vruchteloos zou zijn geweest, heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk voor ogen gehad dat het in de lijn der verwachting zou hebben gelegen dat de Gemeente en andere belanghebbenden tegen een nieuwe aanwijzing bestuursrechtelijk zouden zijn opgekomen, zich daarbij beroepend op het rapport van K+V, en dat ook niet valt uit te sluiten dat een ingevolge deze aanwijzingsbevoegdheid door de Provincie zelf vastgesteld bestemmingsplan wederom door een gemeentelijk bestemmingsplan zou worden doorkruist. De stelling van [eiseres] c.s. dat zij hebben geprotesteerd tegen het staken van pogingen F3b aanbaggerbaar te maken in samenhang bezien met de - in cassatie onbestreden - vaststelling van het hof dat [eiseres] c.s. de Provincie nimmer hebben verzocht gebruik te maken van haar bevoegdheid tot het geven van een nieuwe aanwijzing, lijkt bovendien de conclusie te rechtvaardigen dat [eiseres] c.s. het instrument van een nieuwe aanwijzing toentertijd evenmin als een reële mogelijkheid hebben beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover onderdeel 2.4 voortbouwt op de onderdelen 2.-2.3 moet dit onderdeel het lot daarvan onderdelen delen. Voor het overige falen de onderdelen 2.4-2.4.3 op grond van hetgeen ik hiervóór heb opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.50 Onderdeel 3 stelt dat het slagen van één of meer van de voorafgaande onderdelen met zich brengt dat ook de in rov. 5.108 vervatte eindconclusie van het hof dat, kort gezegd, de grondslag van een jegens [eiseres] c.s. gepleegde onrechtmatige daad dient te worden verworpen, niet in stand kan blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel bouwt op de voorafgaande onderdelen voort en deelt daarom het lot van die onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gevorderde bevel om voor F3b alternatieve locaties aanbaggerbaar te maken 3.51 Rov. 5.110 betreft de (bij eiswijziging in appel geïntroduceerde) vorderingen tot het geven van een bevel aan de Provincie om voor F3b alternatieve zandwinlocaties ten behoeve van [eiseres] c.s. aanbaggerbaar te maken (primair en subsidiair(60) onder II gevorderd). In genoemde overweging heeft het hof deze vorderingen op grond van het volgende afgewezen: \"5.110 Naar het oordeel van het hof moet deze vordering worden afgewezen, omdat [eiseres] c.s. jegens de provincie geen primaire aanspraak hebben op het aanbaggerbaar maken van alternatieve lokaties. Uit hetgeen hiervoor is overwogen (zie onder 5.85) blijkt dat de zorgvuldigheid die de provincie jegens [eiseres] c.s. in acht moet nemen, inhoudt dat de provincie zich jegens hen zal inspannen om F3b-Maasbommel aanbaggerbaar te maken, tenzij zich daarvoor alternatieven voordoen. [Eiseres] c.s. hebben zich niet beroepen op verklaringen of gedragingen van de provincie waaruit volgt dat [eiseres] c.s. jegens de provincie een primaire aanspraak hebben op de ontwikkeling van alternatieve locaties voor F3b-Maasbommel. [Eiseres] c.s. hebben zich in dit verband enkel beroepen op een redelijke uitleg (om voort te gaan op basis van de uitgangspunten) van het concept-convenant (...). De provincie heeft dit betwist (...). Het hof heeft in 5.83 reeds geoordeeld dat een redelijke uitleg met zicht brengt dat [eiseres] c.s. mogen verwachten dat de provincie zich zal inspannen om F3b-Maasbommel aanbaggerbaar te maken, tenzij zich alternatieven voordoen, welke uitleg niet met zich brengt dat [eiseres] c.s. mogen verwachten dat de provincie zich zal inspannen om alternatieven aanbaggerbaar te maken. De aanwezigheid van alternatieven kan enkel fungeren als verhindering voor [eiseres] c.s. om aanspraak te maken op verdere exploitatie van F3b-Maasbommel.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">3.52 Onderdeel 4 klaagt dat deze overweging onjuist en/of ondeugdelijk is gemotiveerd. Ter uitwerking van deze klacht betoogt onderdeel 4.1 dat indien één of meer van de cassatieklachten tegen de verwerping van de grondslagen rechtshandeling en onrechtmatige daad slagen, het hof met deze overwegingen heeft miskend dat de toewijsbaarheid van deze vordering voortvloeit uit art. 6:103 BW, dat in de mogelijkheid van schadevergoeding in natura voorziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Echter ook indien de bedoelde klachten niet slagen, valt volgens onderdeel 4.2 niet in te zien waarom een redelijke uitleg van de inspanningsplicht van de Provincie (c.q. de afspraak van partijen) geen aanspraak van [eiseres] c.s. met zich zou (kunnen) brengen op het aanbaggerbaar maken van \"TGV-equivalente\" winlocaties. Daarbij is volgens het onderdeel van belang dat (deels veronderstellenderwijs) vaststaat (i) dat het conceptconvenant, en dus de daarop voortbouwende afspraak, juist in het belang van [eiseres] c.s. inhield dat de Provincie alleen van het aanbaggerbaar maken van F3b-Maasbommel zou mogen afzien, indien en voor zover aanbaggerbare en \"TGV-equivalente\" alternatieven voor [eiseres] c.s. beschikbaar zouden komen, (ii) zodanige alternatieven niet door het rapport van K+V zijn aangewezen en evenmin op andere wijze beschikbaar zijn gekomen, en (iii) de Provincie begin 2001 zonder rechtvaardiging en geheel eenzijdig de nakoming van haar inspanningsplicht heeft opgeschort en daarna definitief heeft beëindigd. Dit klemt te meer nu ook niet valt in te zien welk relevant nadeel de Provincie zou lijden indien zij alsnog aanbaggerbare en TGV-equivalente alternatieve locaties aan [eiseres] c.s. zou moeten aanbieden en de Provincie daarmee juist de realisatie van haar taakstelling bevordert, aldus het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.53 Nu uit de bespreking van de voorafgaande onderdelen volgt dat het hof de grondslagen rechtshandeling en onrechtmatige daad heeft kunnen verwerpen, kan onderdeel 4.1 geen doel treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook onderdeel 4.2 is mijns inziens tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft in de rov. 5.62-5.64 in cassatie onbestreden geoordeeld dat partijen het conceptconvenant niet met elkaar zijn overeengekomen. In de rov. 5.65-5.72 heeft het hof, zoals hiervóór besproken, kunnen oordelen dat de door [eiseres] c.s. gestelde afspraak tot \"het voortgaan op basis van (de uitgangspunten van) het conceptconvenant\" tussen partijen geen verbintenissen in het leven heeft geroepen. Voorts heeft het hof in de rov. 5.85 en 5.102 in cassatie onbestreden geoordeeld dat de door de Provincie in acht te nemen maatschappelijke zorgvuldigheid inhoudt dat zij jegens [eiseres] c.s. behoort voort te gaan de haar in redelijkheid ten dienste staande bestuursrechtelijke middelen in te zetten om de aanbaggerbaarheid van F3b te realiseren totdat dit in redelijkheid niet meer kon worden gevergd of zich daarvoor alternatieven aandienden en heeft het hof in de rov. 5.103-5.107 kunnen oordelen dat de Provincie deze zorgvuldigheidsnorm niet heeft geschonden. Hieruit volgt dat de in het onderdeel bedoelde stellingen onder (i)-(iii) in dit verband ten dele niet relevant zijn en, voor zover zij wel relevant zijn, in cassatie niet (veronderstellenderwijs) als vaststaand kunnen worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu aldus de onderdelen 4.1 en 4.2 falen, is ook onderdeel 4 ongegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelonderdeel III - grondslag rechtmatige overheidsdaad 3.54 In de rov. 5.111-5.115 heeft het hof de op rechtmatige overheidsdaad/nadeelcompensatie gebaseerde, meer subsidiaire vordering niet-toewijsbaar geoordeeld. Ten aanzien van de in dit verband door [eiseres] c.s. gestelde beleidswijziging, erin bestaande dat zij sinds januari 2001 haar medewerking aan het aanbaggerbaar maken van F3b heeft onthouden, heeft het hof in rov. 5.113 geoordeeld dat geen sprake is van een overheidshandeling of -besluit, omdat de Provincie in januari 2001 redelijkerwijs in de onmogelijkheid verkeerde zandwinning op deze locatie te realiseren. Ten aanzien van het niet-tijdig onthouden van goedkeuring aan het gemeentelijk bestemmingsplan \"Buitengebied, integrale herziening\" heeft het hof in rov. 5.115 tot uitgangspunt genomen dat dit, op grond van de formele rechtskracht van de fictieve goedkeuring van dit plan, rechtmatig tegenover [eiseres] c.s. is. Volgens het hof hebben [eiseres] c.s. de hierdoor veroorzaakte schade echter aan zichzelf te wijten, omdat zij tegen het bestemmingsplan geen zienswijzen bij de gemeenteraad hebben ingebracht en daardoor geen beroep tegen de fictieve goedkeuring hebben kunnen instellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.55 Onderdeel III begint met een inleiding waarin de rov. 5.111-5.115 worden samengevat. De klachten tegen deze overwegingen zijn in de onderdelen 1.1-1.2 geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onthouden van verdere medewerking aan het aanbaggerbaar maken van F3b 3.56 Onderdeel 1.1 keert zich tegen rov. 5.113 en verbindt zijn lot aan dat van de klachten van onderdeel II. Nu ik de klachten van onderdeel II ongegrond acht, meen ik dat ook onderdeel 1.1 dient te falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.57 Onderdeel 1.2 betoogt dat rov. 5.113 op basis van de volgende argumenten onjuist of onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is. (a) Ook de Provincie zelf heeft (volgens het onderdeel terecht) de door haar begin januari 2001 ingezette beleidswijziging als een eigen besluit gekwalificeerd, waaraan niet afdoet dat dit besluit in de visie van de Provincie op het door haar gestelde \"tweesporenbeleid\" berust. (b) De door het hof aangenomen onmogelijkheid voor de Provincie om vanaf januari 2001 de aanbaggerbaarheid van F3b te realiseren was het gevolg van (i) het eigen verzuim van de Provincie om tijdig goedkeuring aan het gemeentelijk bestemmingsplan te onthouden, (ii) het besluit van de Provincie om de Nimby-procedure te staken en van een nieuwe aanwijzing op grond van art. 37 WRO af te zien.. (c) Ook een (door aanhoudende maatschappelijke weerstand) maatschappelijk geboden besluit respectievelijk een (door een eigen beleidswijziging) juridisch geboden besluit staat rechtens niet in de weg, althans behoeft rechtens niet in de weg te staan, aan de toekenning van nadeelcompensatie. (d) De in de inleiding op het middel onder (1e)-(17e) vermelde feiten, die hebben geresulteerd in een voor [eiseres] c.s. volstrekt onvoorzienbare en niet-noodzakelijke breuk met een jarenlang gevoerd consistent beleid, leveren een patroon van overheidshandelingen op, dat uitsluitend op [eiseres] c.s. drukt en buiten hun normale bedrijfs- of maatschappelijk risico ligt, zodat de Provincie, door niettemin aan [eiseres] c.s. elke vorm van tegemoetkoming te onthouden, jegens hen onrechtmatig handelt, althans dit handelen jegens hen onrechtmatig kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.58 Naar ik hiervóór heb toegelicht, heeft het hof in de rov. 5.102-5.108 kunnen overwegen dat vanaf januari 2001 voor de Provincie geen bestuursrechtelijke instrumenten voor het aanbaggerbaar maken van F3b voorhanden waren, en in de rov. 5.85 en 5.109-5.110 dat een verplichting van de Provincie tot het aanbaggerbaar maken van alternatieve locaties slechts kan worden aangenomen waar dit strekt tot vervanging van een redelijkerwijs bestaande mogelijkheid tot het aanbaggerbaar maken van F3b. In het licht hiervan meen ik dat de enkele omstandigheid dat de Provincie - in het kader van het door haar gestelde tweesporenbeleid - heeft gesproken van een \"besluit om F3b niet verder tot ontwikkeling te brengen\", niet met zich brengt dat het oordeel van het hof dat van (door eigen keuzen van de Provincie ingegeven) besluiten of overheidshandelen geen sprake is, als onjuist of onbegrijpelijk moet worden bestempeld. De door het onderdeel onder a genoemde omstandigheid wordt dan ook tevergeefs aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar het onderdeel insisteert op een of meer besluiten van de Provincie als grondslag voor de aanspraken van [eiseres] c.s. op nadeelcompensatie, moet overigens worden bedacht dat de belangrijkste, door [eiseres] c.s. aan de Provincie verweten besluiten jegens [eiseres] c.s. formele rechtskracht hebben, hetgeen bij de burgerlijke rechter geldend te maken aanspraken op nadeelcompensatie die met die besluiten verband houden, uitsluit(61). Voorts moet worden opgemerkt dat, waar de door de Provincie ondervonden problemen van planologische aard waren en de aanspraken van [eiseres] c.s. op nadeelcompensatie in wezen berusten op de wijze waarop de Provincie de mogelijkheden die de WRO haar bood, wel of niet heeft benut om die problemen op te lossen, art. 49 WRO volgens de jurisprudentie van de AbRvS een uitputtende regeling geeft voor vergoeding van schade, veroorzaakt door op de WRO gebaseerd bestuursoptreden(62), hetgeen voor de burgerlijke rechter geen rol laat(63). In zoverre missen [eiseres] c.s. belang bij de klachten van het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen het onderdeel onder b aanvoert met betrekking tot de wijze waarop de Provincie haar bevoegdheden ingevolge de WRO wel of niet heeft aangewend als achterliggende oorzaak van de door het hof bedoelde onmogelijkheid vanaf januari 2001 aanbaggerbaarheid van F3b te realiseren, berust (grotendeels) op een herhaling van argumenten die reeds in onderdeel II naar voren zijn gebracht en hiervoor reeds zijn besproken. Overigens geldt ook hier dat het door het onderdeel bedoelde, achterliggende bestuursoptreden tot bij de burgerlijke rechter te vervolgen aanspraken op nadeelcompensatie geen aanleiding kan geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het onder c gestelde, dat - anders dan het hof - een door de Provincie genomen \"besluit\" als uitgangspunt kiest, geldt hetzelfde als hetgeen hiervoor naar aanleiding van het gestelde onder a werd opgemerkt. Daaraan doet niet af dat, zoals het onderdeel met juistheid betoogt, het feit dat een bepaald besluit maatschappelijk of juridisch is geboden, op zichzelf niet aan nadeelcompensatie in de weg staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het gestelde onder d kan naar mijn mening niet tot cassatie leiden. Nog daargelaten dat het door het onderdeel bedoelde \"patroon van overheidshandelingen\" het al dan niet nemen van besluiten op het terrein van de WRO (en de formele rechtskracht van de belangrijkste van die besluiten) omvatte (hetgeen bij de burgerlijke rechter geldend te maken aanspraken op nadeelcompensatie uitsluit), meen ik dat, anders dan het onderdeel hier als uitgangspunt kiest, in cassatie niet zonder meer kan worden aangenomen dat de bedoelde gang van zaken voor [eiseres] c.s. niet voorzienbaar was, buiten hun normale bedrijfsrisico of maatschappelijke risico zou zijn gelegen en uitsluitend op hen zou drukken. In rov. 5.113 ligt mijns inziens veeleer besloten ligt dat de gewraakte ontwikkelingen (ook) voor [eiseres] c.s. als normaal bedrijfsrisico of maatschappelijk risico hadden te gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niet tijdig onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan van de Gemeente 3.59 Onderdeel 2 klaagt dat rov. 5.115 op een onjuiste rechtsopvatting berust, althans ondeugdelijk is gemotiveerd. Deze klacht wordt in de onderdelen 2.1 en 2.2 als volgt uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.60 Onderdeel 2.1 betoogt dat, voor zover het hof in rov. 5.115 heeft geoordeeld dat het gegeven dat [eiseres] c.s. geen zienswijzen hebben ingediend reeds aan het vestigen van aansprakelijkheid op grond van rechtmatige overheidsdaad in de weg staat, het hof ten onrechte geen acht heeft geslagen op het feit dat de Provincie aan [eiseres] c.s. heeft toegezegd dat zij tijdig haar goedkeuring aan het bestemmingsplan zou onthouden. In dat licht valt niet (zonder meer) in te zien waarom de schade van [eiseres] c.s. geheel voor hun risico zou moeten komen, te minder nu hun hier bedoelde verzuim niet tot hun eigen maatschappelijk of bedrijfsrisico kan worden gerekend, aldus het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het hof in rov. 5.115 heeft geoordeeld dat de Provincie weliswaar op grond van rechtmatige overheidsdaad in beginsel aansprakelijk is jegens [eiseres] c.s. voor de door hen als gevolg daarvan geleden schade, maar dat haar schadevergoedingsverbintenis ingevolge art. 6:101 BW tot nihil moet worden verminderd, heeft het hof volgens onderdeel 2.2 ten onrechte niet de causaliteits- en billijkheidsmaatstaven van deze bepaling toegepast. In elk geval, zo betoogt het onderdeel, heeft het hof dan onvoldoende inzicht gegeven in de gedachtegang op grond waarvan het met toepassing van deze maatstaven tot nihilstelling is gekomen, zeker nu de directe en primaire oorzaak van de door het goedkeuringsbesluit ontstane schade bestaat uit het niet-nakomen van de toezegging van de Provincie dat zij tijdig goedkeuring zou onthouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.61 Naar mijn mening kunnen de beide onderdelen reeds hierom niet tot cassatie leiden, omdat zowel de formele rechtskracht van het niet-tijdig onthouden van goedkeuring als de uitputtende regeling van art. 49 WRO in de weg staan aan bij de burgerlijke rechter geldend te maken aanspraken op nadeelcompensatie ter zake van de goedkeuring van het bestemmingsplan van rechtswege(64). Overigens meen ik dat, zoals het hof kennelijk heeft geoordeeld, het feit dat de door de Provincie gewekte verwachting c.q. gedane toezegging dat zij tijdig haar goedkeuring aan het bestemmingsplan van de Gemeente zou onthouden, niet afdoet aan het verzuim van [eiseres] c.s. dat zij geen zienswijzen hebben ingediend, waarbij mede van betekenis is dat - ook volgens [eiseres] c.s. - deze verwachting is gewekt c.q. toezegging is gedaan nadat de termijn voor het indienen van zienswijzen reeds was verstreken. Overigens valt niet in te zien, waarom, zoals onderdeel 2.1, in fine, verdedigt, een eigen verzuim van [eiseres] c.s. niet tot hun eigen maatschappelijke of bedrijfsrisico zou behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelonderdeel IV - veegklacht 3.62 Onderdeel IV keert zich, onder verwijzing naar alle voorgaande klachten, tegen de rov. 5.118-5.119, de rov. 6.1-6.3 en de beslissing onder 7. Al het voorgaande brengt met zich dat dit onderdeel eveneens faalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Conclusie De conclusie strekt tot verwerping.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Advocaat-Generaal 1 Met de door partijen gehanteerde term \"aanbaggerbaar\" wordt bedoeld: het bestuursrechtelijk mogelijk maken dat (c.q. het wegnemen van bestuursrechtelijke beletselen opdat) op een bepaalde locatie zand kan worden gewonnen; vgl. p. 9 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Zie de rov. 1.1-1.42 van het vonnis van de rechtbank Arnhem van 4 juni 2003, alsmede de rov. 4 en 5.5 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In de cassatiedagvaarding, inleiding onder (1e), wordt weliswaar gesteld dat [eiseres] c.s. zijn gericht op en afhankelijk zijn van zandwinning in Gelderland en Noord-Brabant, maar de onderhavige - door de rechtbank in rov. 1.1 van het vonnis van 4 juni 2003 vastgestelde - omstandigheid is in appel niet bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Genoemde Industriezandwinningsplannen gelden als streekplanuitwerkingen van het in 1987 door de Provincie vastgestelde Streekplan Midden-Gelderland; zie p. 1 van het als prod. 2 in de inleidende dagvaarding genoemde IZP 2e fase. De in de inleidende dagvaarding genoemde producties zijn overigens bij akte overgelegd; zie het vonnis van de rechtbank Arnhem van 4 juni 2003 onder het kopje \"Het verloop van de procedure\". Omwille van de eenvoud zal ik de in de dagvaarding genoemde (en genummerde) producties niettemin als producties bij de inleidende dagvaarding aanduiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Prod. 2 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Prod. 4 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Prod. 3 bij de inleidende dagvaarding. Uit de Intentieverklaring blijkt overigens, dat deze (in zoverre in afwijking van hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld) namens de provincie Noord-Brabant op 14 maart 1994 en namens de provincie Limburg op 19 april 1994 is ondertekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Prod. 5 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Prod. 3 bij de conclusie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Op grond van art. 39 lid 2 en 3 WRO, zoals dat gold in de periode 1 maart 1986-31 december 1993.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 Prod. 10 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 Prod. 4 bij conclusie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Zie p. 3, derde alinea, van prod. 5 bij de conclusie van antwoord, alsmede conclusie van repliek, onder 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">14 Prod. 11 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">15 Prod. 9 bij de conclusie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">16 Prod. 10 bij de conclusie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">17 De aan de onderhavige indeplaatstredingsprocedure ten grondslag liggende aanwijzing van 3 mei 1993 is bij KB van 18 juli 1995 onherroepelijk geworden. Blijkens de uitspraak van de Voorzitter van de AbRvS van 11 februari 1999, p. 3-4 (prod. 18 bij de inleidende dagvaarding) en de uitspraak van de AbRvS van 18 juli 2001, p. 3-4 (prod. 22B bij de conclusie van antwoord), wordt de onderhavige indeplaatstredingsprocedure beheerst door de WRO zoals die na 19 januari 1994 is komen te luiden. Volgens de vóór 19 januari 1994 geldende regeling diende een termijn voor uitvoering in de aanwijzing te worden opgenomen, terwijl die termijn vanaf de genoemde datum uit art. 38 lid 2 voortvloeit. Bij het ontbreken van een overgangsregeling moet het toepasselijke art. 38 in die zin worden uitgelegd dat de in de aanwijzing aan de gemeenteraad gegeven termijn dient te worden geëerbiedigd. Deze termijn is in de onderhavige aanwijzing op een jaar na het onherroepelijk worden van de aanwijzing gesteld. Na ommekomst van deze termijn waren gedeputeerde staten gedurende een jaar bevoegd zelf het bestemmingsplan vast te stellen, aldus de Voorzitter en de AbRvS.</p>\n<p class=\"lf-p\">18 Prod. 6 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">19 Oorspronkelijk hebben [eiseres 1] en MVI ieder voor zich een ontgrondingsvergunning aangevraagd. Hangende deze vergunningsprocedure is, naar aanleiding van de Intentieverklaring, tussen beide aanvragers een samenwerkingsverband tot stand gekomen. In verband hiermee hebben [eiseres 1] en MVI de Provincie verzocht de ontgrondingsvergunning op naam van hun gezamenlijke rechtspersoon Gelderzand F B.V. te stellen, waarbij zij hebben aangegeven dat de naam van deze rechtspersoon binnen enkele maanden in Watergoed B.V. (eiseres tot cassatie sub 8) zal worden gewijzigd; zie p. 9, tweede alinea van de vergunning. Kennelijk om die reden luidt de tenaamstelling van de vergunning \"Gelderzand F B.V. c.q. Watergoed B.V.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">20 LJN AA4210, BR 2000, 228, JM 1999, 166, m.nt. De Vries, prod. 7 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">21 Prod. 13 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">22 Prod. 14 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">23 Prod. 16 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">24 LJN AL5905, BR 1999, 396, m.nt. H.J. de Vries, JM 1999, 61, m.nt. De Vries, Lambers, prod. 18 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">25 De Gemeente heeft het bestemmingsplan vanaf 8 december 1997 voor een periode van vijf weken ter inzage gelegd, hoewel art. 26 (oud) WRO bepaalt dat het bestemmingsplan voor de duur van vier weken ter inzage wordt gelegd. De Gemeente heeft voor een langere termijn gekozen omdat zij wilde voorkomen dat, ten gevolge van de sluiting van het gemeentehuis tijdens de feestdagen, het bestemmingsplan niet gedurende de volle vier weken (feitelijk) ter inzage had gelegen. Ingevolge art. 28 lid 2 en 3 (oud) WRO beslissen gedeputeerde staten omtrent goedkeuring binnen zes maanden na afloop van de termijn van terinzagelegging en wordt het bestemmingsplan geacht te zijn goedgekeurd indien gedeputeerde staten hun besluit niet binnen deze termijn aan de gemeenteraad hebben bekend gemaakt (NB: anders dan de tot 1 januari 1998 geldende versie laat art. 28 WRO in zijn sedertdien geldende versie zich niet langer uitdrukkelijk over fictieve goedkeuring voor een geval als het onderhavige uit; zie in dat verband echter het eveneens op 1 januari 1998 in werking getreden art. 10:31 Awb, dat in zijn vierde lid fictieve goedkeuring als hoofdregel handhaaft).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten hebben aangenomen dat de termijn van art. 28 lid 2 (oud) WRO pas is gaan lopen nadat de termijn van terinzagelegging feitelijk was geëindigd, terwijl volgens de Voorzitter van de AbRvS de termijn van art. 28 lid 2 (oud) WRO zonder meer aanvangt nadat de door art. 26 (oud) WRO voorgeschreven termijn voor terinzagelegging, derhalve vier weken, is verstreken. Zie p. 8 van de uitspraak van de Voorzitter en de conclusie van antwoord onder 123.</p>\n<p class=\"lf-p\">26 LJN AL2847, BR 2000, 660, m.nt.H.J. de Vries, JM 2000, 52, m.nt. De Vries, Lambers, prod. 23 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">27 Prod. 34 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">28 LJN AS5222, BR 2001, 965, m.nt. H.J. de Vries en LJN AS5221, BR 2001, 967, m.nt. H.J. de Vries, prod. 24 en 25 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">29 Prod. 35 bij de inleidende dagvaarding (p. 3-4).</p>\n<p class=\"lf-p\">30 Prod. 37 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">31 Nimby staat voor \"not in my backyard\". Met die term wordt de regeling aangeduid, zoals vervat in afdeling 2 (\"Coördinatie van besluitvorming over projecten van bovengemeentelijk belang\") van hoofdstuk VA (\"Projectcoördinatie\") WRO.</p>\n<p class=\"lf-p\">32 Productie 14A bij de conclusie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">33 Prod. 16 bij de conclusie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">34 Zie hierover: conclusie van antwoord onder 53-65.</p>\n<p class=\"lf-p\">35 Prod. 42 bij de conclusie van dupliek.</p>\n<p class=\"lf-p\">36 Prod. 58 bij de conclusie van repliek.</p>\n<p class=\"lf-p\">37 LJN AP5095.</p>\n<p class=\"lf-p\">38 LJN AS3848, BR 2001, 964, prod. 22A bij de conclusie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">39 LJN AN6945, AB 2002, 184, m.nt. J. Robbe, BR 2001, 970, m.nt. H.J. de Vries, prod. 22B bij de conclusie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">40 Prod. 23 bij de conclusie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">41 LJN AE5457, AB 2002, 405, m.nt. dG, BR 2003, 121, m.nt. A.A.J. de Gier, JM 2002, 118, m.nt. De Vries, prod. 82 bij akte overlegging producties, genomen bij het pleidooi van 11 december 2002.</p>\n<p class=\"lf-p\">42 LJN: AI0282, prod. 90 bij de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">43 De slotsom van de conclusie van antwoord spreekt abusievelijk van een vordering in een vrijwaringsincident. Bij akte tot rectificatie van 17 januari 2002 heeft de Provincie deze vergissing gecorrigeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">44 LJN AH8822 en NJ 2003, 530.</p>\n<p class=\"lf-p\">45 LJN AW3547 en NJ 2006, 462.</p>\n<p class=\"lf-p\">46 De cassatiedagvaarding is op 25 juli 2006 betekend, terwijl het bestreden arrest van 25 april 2006 dateert.</p>\n<p class=\"lf-p\">47 In de memorie van grieven merken [eiseres] c.s. onder 3.3.5 wel op: \"Het convenant is een bevestiging van de afspraken uit 1993/1994\". Dit is m.i. echter een te vage stelling om als grondslag voor de onderhavige klacht te dienen, nog daargelaten dat het onderdeel niet naar deze passage verwijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">48 Ook het in stelling (ii) beklemtoonde \"inleveren\" van F3b door [eiseres] c.s. moet mijns inziens in de context van bij hen inmiddels gewekte verwachtingen worden gelezen. Ten tijde van de bedoelde motie was overigens nog geen ontgrondingsvergunning aan [eiseres] c.s. verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">49 De pleitnota in appel van [eiseres] c.s. onder 8.11 zou wellicht anders kunnen worden gelezen, maar de daarin genoemde \"gebondenheid\" van de Provincie wordt niet nader omschreven, terwijl het m.i. meer voor de hand ligt dat daarmee wordt gedoeld op gebondenheid van de Provincie aan bij [eiseres] c.s. gewekte verwachtingen. Onder 8.13, waarnaar het onderdeel niet verwijst, wordt overigens van \"gebondenheid aan het convenant\" gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">50 Zie voor de vindplaatsen van dit betoog de in de voetnoten 46 en 47 van het middel genoemde passages, in het bijzonder de pleitnota van [eiseres] c.s. in hoger beroep onder 14.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">51 Prod. 92 bij de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">52 Prod. 112 bij door [eiseres] c.s. ten pleidooie verzochte akte.</p>\n<p class=\"lf-p\">53 Zie de memorie van antwoord in het voorwaardelijke incidentele appel onder 26 en prod. 102 bij die memorie.</p>\n<p class=\"lf-p\">54 Op p. 19, eerste alinea, van de cassatiedagvaarding wordt kennelijk abusievelijk van 29 mei 1996 gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">55 Die toelichting is ook niet te lezen in de memorie van antwoord in het voorwaardelijke incidentele appel onder 33-34.</p>\n<p class=\"lf-p\">56 Vgl. de hiervóór (onder 3.3) reeds ter sprake gekomen stellingen van [eiseres] c.s. over het overleg dat zij met prof. Slagter over het conceptconvenant hebben gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">57 Vgl. rov. 5.78 en 5.88 waarin het hof wel van \"gewekte verwachtingen en toezeggingen\" heeft gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">58 In de memorie van grieven onder 3.7.3 en in hun pleitnota in appel onder 9.9 hebben [eiseres] c.s. benadrukt dat bij de beoordeling van de grondslag onrechtmatige daad \"het geheel van handelingen van de Provincie\" dient te worden betrokken. Zie voorts p. 44, tweede volzin, van de memorie van grieven: \"De appellanten stellen zich op het standpunt dat de Provincie, in het licht van alle afspraken en gewekte verwachtingen, onrechtmatig heeft gehandeld door de blunder te begaan om het door haar genomen besluit te laat toe te zenden.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">59 De Provincie wijst er in haar schriftelijke toelichting onder 6.2.3 overigens terecht op de vaststelling van het hof in rov. 5.95, volgens welke de uitspraak van de AbRvS van 27 maart 2000 tegen alle thans eiseressen tot cassatie rechtskracht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">60 Blijkens rov. 5.109, eerste volzin, gaat het hof kennelijk per abuis ervan uit dat deze vordering alleen tot het subsidiair gevorderde behoort. Zie in dat verband ook rov. 5.73, waarin het hof, zonder enig voorbehoud ten aanzien van het gevorderde bevel, reeds heeft overwogen dat de primaire vordering moet worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">61 HR 6 december 2002, NJ 2003, 616, m.nt. MS.</p>\n<p class=\"lf-p\">62 AbRvS 17 juli 2002, AB 2002, 395, m.nt. ARN, BR 2003, 331, m.nt. J.W. van Zundert. Vgl. echter de noot van B.P.M. van Ravels onder AbRvS 28 juni 2006, AB 2007, 20, waarin onder 7 (onder verwijzing naar verdere literatuur) wordt opgemerkt dat de formulering dat art. 49 WRO een uitputtende regeling geeft voor de vergoeding van schade, \"veroorzaakt door op de WRO gebaseerd bestuursoptreden\", inmiddels verlaten lijkt te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">63 Vgl. HR 9 november 2007, RvdW 2007, 970, waarin een onder meer op art. 6 EVRM gebaseerd cassatieberoep, dat erop was gericht in een situatie waarin de AbRvS bepaalde schade noch op grond van art. 49 WRO, noch op grond van het égalité-beginsel vergoedbaar achtte, toegang tot de burgerlijke rechter te forceren, op toepassing van art. 81 RO strandde.</p>\n<p class=\"lf-p\">64 Zie hiervóór onder 3.58.</p></div>", "next": 0}