{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">'Nu het beroep mede een boete betreft, moet worden beoordeeld of de heffing van het griffierecht in strijd is met het in artikel 6, lid 1, EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Daarbij moet worden vooropgesteld dat niet iedere heffing van griffierecht in strijd is met het evenverrmelde recht op toegang tot de rechter, aangezien bedoelde verdragsbepaling zich slechts verzet tegen heffing van een zodanig bedrag aan griffierecht, dat dit - mede gelet op de voor de belastingplichtige in het geding zijnde belangen - een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter vormt (HR 17 juni 1992, nr. 27 723, BNB 1992/277). Van het in het onderhavige geval in cassatie verschuldigde griffierecht van ƒ 160 kan niet worden gezegd dat het de toegang tot de rechter wezenlijk belemmert.' 5.79 HR 8 maart 2002, nr. 34.992, met concl. A-G- Wattel,(169) besliste dat de verplichting om een bezwaarschrift te motiveren geen schending vormt van het recht op toegang tot de rechter: '-3.2. Het middel strekt voorts ten betoge dat de aan de belastingplichtige aan wie een aanslag met verhoging is opgelegd, op grond van artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) toekomende rechten - in het bijzonder het recht op berechting door een onafhankelijke en onpartijdige rechter en het recht om te zwijgen en het recht om zichzelf niet te incrimineren - meebrengen dat hij zowel de aanslag als de uitspraak op het bezwaarschrift ongemotiveerd aan een rechterlijk college moet kunnen voorleggen. Dienaangaande wordt het volgende overwogen. -3.3. Met het recht op berechting door een onafhankelijke en onpartijdige rechter is niet onverenigbaar dat om redenen van doelmatigheid een verhoging wordt opgelegd door de inspecteur (HR 19 juni 1985, nr. 22 067, BNB 1986/29) en evenmin dat om dezelfde redenen de belastingplichtige zijn bezwaren tegen die verhoging aan de inspecteur moet voorleggen alvorens hij zich kan wenden tot de administratieve rechter in belastingzaken.' 5.80 In een uitspraak van 18 april 2007 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State(170) overwogen dat het recht op toegang tot de rechter niet absoluut is: '2.1.3 (... ) De nationale wetgever mag hierop bepaalde beperkingen aanbrengen, mits die niet zo ver gaan dat het recht op toegang tot de rechter niet meer effectief kan worden uitgeoefend. Voorts moeten beperkingen een legitiem doel dienen en evenredig zijn. (...) Het uit artikel 6:13 van de Awb voortvloeiende vereiste houdt naar het oordeel van de Afdeling dan ook niet een dusdanige beperking in van het recht op toegang tot de rechter, dat dit niet meer effectief zou kunnen worden uitgeoefend.'</p>\n<p class=\"lf-p\">5.81 In het licht van de vereisten van art. 6 EVRM en 14 IVBPR heeft Smit een aantal 'stekeligheden' aangestipt betreffende de fiscale bezwaarfase die de gang naar de rechter kunnen belemmeren.(171) Hij benoemt onder meer ook het volgende geval: 'Indien de inspecteur op goede gronden een Nederlandse vertaling verlangt van een in een vreemde taal opgesteld bezwaarschrift zijn de mogelijke vertalingskosten in een 'criminal' zaak voor rekening van de overheid.(172) Mocht de overheid betaling weigeren, dan kan dit een onaanvaardbare belemmering opleveren voor de gang naar de rechter.' 5.82 Feteris is van mening dat het verlangen van een vertaling op voet van art. 6:5, lid 3, Awb geen belemmering hoeft te betekenen voor de toegang tot de rechter:(173) 'Dit behoeft geen belemmering voor de toegang tot de rechter te zijn wanneer de belanghebbende een redelijke termijn krijgt om een Nederlandse tekst te produceren, en eventuele daaraan verbonden kosten van een tolk of vertaler niet voor zijn rekening komen wanneer hij het Nederlands niet voldoende beheerst(174).' 5.83 Feteris leidt uit het Luedicke arrest af, dat de kosten van een vertaling van een bezwaarschrift in een 'criminal' zaak voor rekening dienen te komen van de Nederlandse staat:(175) '(...) ten aanzien van de kosten van vertaling is art. 6, lid 3, letter e, EVRM van belang. Uit het arrest-Luedicke e.a. van het EHRM kan mijns inziens worden afgeleid dat deze bepaling met zich meebrengt dat kosten van vertaling van een bezwaarschrift tegen een administratieve sanctie die 'criminal' is, niet behoren te drukken op de bestrafte die de Nederlandse taal niet machtig is.' 5.84 In dezelfde zin Pechler en Feteris:(176) 'Op grond van lid 3, letter e, van deze bepaling [art. 6 EVRM, RN] heeft de betrokkene recht op kosteloze bijstand van een tolk als hij de taal van het gerecht niet beheerst. Dit betekent op grond van jurisprudentie van het EHRM dat in ieder geval een deel van de processtukken, zowel van de belastingplichtige als van de rechter en de inspecteur, op kosten van de overheid moet worden vertaald.' 5.85 Pechler en Feteris merken bovendien nog op dat het recht op een vertolking of vertaling niet mag worden beperkt tot gevallen waarin de belanghebbende daarom vraagt:(177) 'De strafkamer van de Hoge Raad hanteert het criterium dat sprake moet zijn van een ernstig vermoeden dat de betrokkene het Nederlands niet begrijpt.(178) Zo'n vermoeden kan bijvoorbeeld naar voren komen uit eerdere contacten tussen het bestuursorgaan en de betrokkene. In dat geval moet de overheid zo nodig ambtshalve voor een tolk of vertaler zorg dragen.(179)'</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Synthese 6.1 Art. 6:5, lid 3, Awb geeft de mogelijkheid een bezwaar- of beroepschrift in een vreemde taal te stellen. Slechts indien een vertaling voor een goede behandeling van het bezwaar of beroep noodzakelijk is, dient de belanghebbende daarvoor zorg te dragen. Grijpt hij de hem daartoe te bieden gelegenheid niet aan, dan kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard (zie 5.15 tot en met 5.22).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Volgens de Memorie van Toelichting is hier sprake van een glijdende schaal (zie 5.18). De wetgever heeft het aan de discretie van de rechter overgelaten te beoordelen of in een dergelijk geval de zaak, ook zonder vertaling, in behandeling kan worden genomen. Voorts moet rekening worden gehouden met dwingende verplichtingen op grond van het volkenrecht en/of het communautaire recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 De praktijk laat een uiteenlopend beeld zien (zie 5.25 tot en met 5.39). Van - eenvoudige - geschriften in het Engels, Duits en Frans wordt een vertaling meestal niet noodzakelijk geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4 In boetezaken dienen de waarborgen die het Hof in Straatsburg aan toegang tot een rechter stelt, in acht te worden genomen (zie 4.4 tot en met 4.31). In vergelijking met een 'klassiek strafprocesmodel' moet worden vastgesteld dat in het fiscale boetestelsel het ontvankelijkheidsrisico is verlegd van de staat naar de burger. Mits alle waarborgen die art. 6 EVRM biedt in acht worden genomen, verzet dit artikel zich niet tegen dit bestuursrechtmodel.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.5 Het blijkt dat het Hof de 'vertaal-waarborg' van art. 6, lid 3, letter e, EVRM ruim opvat (zie 4.21 tot en met 4.28). Het recht op een tolk in de bezwaarfase van boetezaken is in Nederland gecodificeerd in art. 67l, lid 3, AWR. Ten aanzien van een recht op vertaling van een bezwaar- of beroepschrift is daarentegen niets gecodificeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6 Op grond van de rechtspraak van het Hof dient het recht op een tolk ruim te worden uitgelegd (zie 4.21 tot en met 4.28 en 5.64 tot en met 5.85 ), waardoor de vertalingskosten van een bezwaar- of beroepschrift in boetezaken mijns inziens voor rekening van de staat moeten komen. Een weigering levert een onaanvaardbare belemmering op voor de toegang naar de rechter en is derhalve in strijd met het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7 Het lijkt mij het meest efficiënt als de inspecteur in boetezaken geen vertaling van bezwaarschriften verlangt van een belastingplichtige die het Nederlands niet beheerst, maar zelf zorg draagt voor een vertaling, als hij daaraan behoefte heeft. Hetzelfde kan worden gezegd voor rechters in de beroepsfase.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8 De vraag rijst of deze conclusie ook kan worden doorgetrokken naar geschillen waarin geen boete in het spel is. Hoewel enige aanwijzingen bestaan dat het EVRM invloed kan hebben op de vorming en uitlegging van het recht buiten zijn directe werkingsbereik, kunnen tot op heden in fiscale niet-boetezaken geen rechten aan het EVRM worden ontleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.9 Naast het Hof in Straatsburg staat ook het HvJ EG garant voor de bescherming van mensenrechten, zoals thans is gecodificeerd in art. 6 EU-verdrag. Het HvJ EG ontleent daarbij inspiratie aan mensenrechtenverdragen (en dus - meer in het bijzonder - aan art. 6 EVRM). Tevens is in de preambule van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie de toepassing van de rechten van de mens plechtig afgekondigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.10 In art. 47 van het Handvest is het recht op een doeltreffende voorziening in rechte vastgelegd, welk recht een ruimere werkingsfeer toekomt dan het recht van art. 6 EVRM (de beperking tot de betwistingen betreffende burgerlijke rechten en verplichtingen of tot strafrechtelijke vervolging geldt niet ten aanzien van het recht van de Unie en de toepassing ervan, zie 4.75). Volgens art. 21 en 22 van het Handvest moet bovendien taalverscheidenheid worden gerespecteerd en moet discriminatie op basis van taal bij het ten uitvoer brengen van het recht van de Unie worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.11 Naar mijn mening is, mede gezien het feit dat het Verdrag van Lissabon nog niet in alle landen is geratificeerd, het Handvest echter te vaag om er (thans) rechten en plichten aan te ontlenen voor de hier aan de orde zijnde vraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.12 Wel kan worden gewezen op hetgeen is bepaald in art. 84, lid 4, van EG-verordening 1408/71 inzake sociale zekerheid (zie 4.86). Een geschrift mag niet worden geweigerd vanwege het feit dat het in de taal van een andere verdragsstaat is gesteld. In sociale-verzekeringzaken kan art. 6:5, lid 3, Awb dus niet onverkort worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.13 Voorts is geconstateerd dat door het EG-verdrag een gedeelde rechtsorde in het leven is geroepen. De tenuitvoerlegging van het gemeenschapsrecht geschiedt voor het grootste gedeelte door nationale rechters. In principe geldt hierbij als uitgangspunt - dus los van eventuele specifieke eisen die worden voorgeschreven in secundaire Europese regelgeving - het beginsel van nationale procedurele autonomie. De Awb moet evenwel voldoen aan enkele eisen die het HvJ EG heeft gesteld om de volle werking van het gemeenschapsrecht te verzekeren (zie 4.83 tot en met 4.98).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14 Hoewel het Unie-recht aldus - behoudens gevallen betreffende socialeverzekeringen - geen dwingende regel geeft op grond waarvan de kosten van de vertaling van een bezwaar- of beroepschrift voor rekening van de staat zouden moeten komen, wordt binnen de Unie wel een ruimte van 'vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid' nagestreefd. Het is niet denkbeeldig dat taalproblemen de effectuering van rechten kunnen frustreren.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.15 Art. 6:5, lid 3, Awb lijkt hierin een middenweg te zoeken: geschriften in vreemde talen zijn aanvaardbaar tenzij zij een goede procesgang in de weg staan. Dat een bezwaar- of beroepschrift in een vreemde taal is vervat, is dus onvoldoende grond voor niet-ontvankelijkverklaring. Hetgeen in deze conclusie is gereleveerd omtrent het Europese recht, onderstreept dat een dergelijke beslissing geen automatisme mag zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.16 Mijns inziens dient art. 6:5, lid 3, Awb te worden toegepast op de voet van het algemene uitgangspunt van de Awb, dat wil zeggen dat waar mogelijk een opening wordt gegeven voor rechtsbescherming. Gegeven de omstandigheid dat Nederland en zijn economie geheel zijn ingebed in de Europese Unie en met haar geassocieerde landen, en dat mensen van vele nationaliteiten hier werkzaam zijn, ligt het erg voor de hand om daadwerkelijk inhoud te geven aan de grondgedachte van die bepaling, te weten om in zekere mate ook mensen die de Nederlandse taal niet machtig zijn toegang tot de rechtsgang te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.17 Het gebruik van een vreemde taal zal naar het mij voorkomt in algemene zin op twee gronden tot niet-ontvankelijkverklaring moeten leiden. De ene is dat de gebezigde taal hier te lande te weinig bekendheid geniet, en de andere dat de zaak te gecompliceerd is om goed te beoordelen op basis van geschriften in een andere dan de Nederlandse taal.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.18 In belastingzaken zijn bezwaar- en beroepschriften bestemd om te worden gelezen door rechterlijke en fiscale ambtenaren, dat wil zeggen personen met een academische of andere hogere opleiding. Van hen mag redelijkerwijs worden aangenomen dat zij de Engelse taal passief in zekere mate beheersen. Tot voor kort zou hetzelfde gezegd kunnen zijn ten aanzien van Duits en Frans, maar dat is door wijzigingen van de lesprogramma's in het middelbaar onderwijs niet meer voor alle afgestudeerden het geval. Dat neemt niet weg dat mijns inziens ervan uit mag worden gegaan dat de genoemde ambtenaren zich binnen hun organisaties moeten kunnen voorzien van zodanige ondersteuning dat het verstaan van relatief eenvoudige schrifturen in de Duitse of de Franse taal geen onoverkomelijk probleem vormt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.19 Daarnaast zal soms het rechtelijk college dat tot oordelen wordt geroepen, door de samenstelling van de zetel kennis kunnen nemen van schrifturen in bijvoorbeeld Spaans, Indonesisch, Marokkaans of Turks, maar meestal zal dat dan voor de wederpartij van klager niet ook het geval zijn. Dus zullen beroepschriften in die talen niet kunnen worden ontvangen, alhoewel het in die bijzondere gevallen mijns inziens de voorkeur verdient dat de rechter zich op de hoogte stelt van de zienswijze van de wederpartij dienaangaande.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.20 Of een zaak te gecompliceerd is om te behandelen op basis van een in een vreemde taal gestelde klacht, zal door de rechter van geval tot geval moeten worden beoordeeld. Hij zal een afweging moeten maken tussen het belang van het bieden van rechtsbescherming enerzijds en de kans dat een zaak wordt behandeld terwijl de pointe van de klachten niet voor het volle pond wordt begrepen anderzijds.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Beoordeling van het middel Ontvankelijkheid van het beroepschrift in cassatie 7.1 Uit het verweerschrift in cassatie van de staatssecretaris blijkt dat het aan hem toegezonden beroepschrift in cassatie is gedagtekend 18 oktober 2007. In een schrijven van 21 augustus 2007 van uw Raad werd echter al melding gemaakt van het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie refereert de staatssecretaris zich aan het oordeel van uw Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2 Uit de gedingstukken blijkt dat belanghebbendes beroepschrift in cassatie is ingekomen bij de griffie op 11 juni 2007, terwijl het afschrift van de bestreden uitspraak op verzet op 27 april 2007 per post aan partijen is verzonden. De termijn voor het instellen van cassatie verliep dus op 8 juni 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 Niettemin blijkt ook uit de gedingstukken dat het onderwerpelijk beroepschrift op 4 juni 2007 is ontvangen door de Rechtbank en per abuis is doorgezonden naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch waar het op 5 juni is ingekomen. Op 8 juni is het beroepschrift in cassatie alsnog door de Rechtbank doorgestuurd naar de Hoge Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 Uit het bovenstaande en het bepaalde in art. 6:15 Awb volgt dat het beroepschrift in cassatie tijdig is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5 Voorts heeft uw Raad bij brief van 25 september 2007 voor een tweede keer om een vertaling van het Franstalige beroepschrift in cassatie verzocht en een termijn gesteld van 8 weken. Belanghebbende heeft binnen deze termijn, bij brief binnengekomen op 26 oktober 2007, een vertaling overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6 Het beroep in cassatie is derhalve ontvankelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ongegrond verklaring van het verzet 7.7 Uit de gedingstukken blijkt dat de Rechtbank belanghebbende door middel van een standaardbrief heeft medegedeeld dat belanghebbendes beroepschrift niet voldeed \"aan het hieronder aangekruiste\", te weten: \"Het beroepschrift moet gesteld zijn in de Nederlandse taal.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8 Toen aan dit verzoek om vertaling geen gehoor werd gegeven, is hieraan niet-ontvankelijkheid als consequentie verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.9 Belanghebbende is tegen de uitspraak op beroep in verzet opgekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank is in de uitspraak op verzet van oordeel dat het beroep van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard, nu belanghebbende hoewel daartoe wel in de gelegenheid gesteld, geen Nederlandse vertaling heeft overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.10 Daar de Rechtbank in beroep evenwel door belanghebbende louter op grond van het argument dat het beroepschrift in het Frans is gesteld, niet-ontvankelijk te verklaren, art. 6:5 Awb heeft geschonden (zie 6.15 tot en met 6.20), had de Rechtbank in verzet moeten onderzoeken of de zaak op basis van de voorliggende stukken kon worden behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.11 Derhalve is het beroep in cassatie gegrond en moet de bestreden uitspraak worden vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.12 De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De Inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat werd ingediend. Het bezwaar is echter toch door hem beoordeeld, waarbij hij het bezwaar heeft aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. Echter, slechts tegen de uitspraak, houdende niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, kon in beroep worden opgekomen bij de Rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.13 Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat het bezwaar wél op tijd was. Zulks blijkt ook niet uit de stukken van het geding. Hieruit volgt dat de uitspraak van de Inspecteur moet worden bevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie Mijn conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank op verzet, alsmede van de uitspraak van de Rechtbank op beroep, en tot bekrachtiging van de uitspraak van de Inspecteur op bezwaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal 1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Verdrag van Rome, 4 november 1950 (Trb. 1951, 154).</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Rules of Court, editie van 1 juli 2006: http://www.echr.coe.int/NR/rdonlyres/D1EB31A8-4194-436E-987E-65AC8864BE4F/0/RulesOfCourtJuly2006.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 D. Gomien, Short guide to the European Convention on Human Rights, Council of Europe Publishing, Strasbourg 2005, 3rd edition, blz. 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Zie bijvoorbeeld EHRM 12 juli 2001, 44759/98, (Ferrazzini), r.o. 29, Reports of Judgments 2001-VII., V-N 2001/44.5, blz. 4574 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 EHRM 23 oktober 1997, 117/1996/736/933-935 (National &amp; Provincial Building Society e.a./UK), r.o. 97, Reports 1997-VII.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 EHRM 9 december 1995,48/1993/443/522 (Schouten en Meldrum), BNB 1995/113, m. nt. Feteris.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 HR 19 juni 1985, nr. 22 076, met concl. A-G Van Soest, BNB 1986/29 m. nt. Scheltens, NJ 1986/104, m. nt. Alkema. M.W.C. Feteris, Fiscale administratieve sancites en het recht op een behoorlijk proces, Fiscale monografieën 66, Kluwer, Deventer 1993, blz. 262.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Kluwer, Deventer 2007, tweede druk, blz. 444.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Voetnoot 331, Feteris: Dat gebeurde bv. in het arrest HR 20 december 1989, BNB 1990/57. Vgl. ook punt 3 van mijn noot in BNB 2005/338.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 EHRM 2 maart 1987, 9562/81 en 9818/82, (Monnell en Morris), Series A no. 115.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 EHRM 23 juni 1981, 6878/75 en 7238/75 (Le Compte, Van Leuven en De Meyere), Series A no. 43.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 EHRM 10 februari 1983, 7299/75 en 7496/76 (Albert en Le Compte), Series A no. 58.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Vgl. EHRM 23 oktober 1985 (Benthem), para. 38-43 en EHRM 27 november 1991 (Oerlemans), para. 53-57.</p>\n<p class=\"lf-p\">14 M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Kluwer, Deventer 2007, tweede druk, blz. 366.</p>\n<p class=\"lf-p\">15 EHRM 26 oktober 1984, 9186/80 (De Cubber), Series A no. 86.</p>\n<p class=\"lf-p\">16 Zie eveneens P. Van Dijk, F. van Hoof, A. van Rijn, L. Zwaak (eds.), Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, Intersentia Publishers, Antwerpen - Oxford 2006, fourth edition, blz. 568-569.</p>\n<p class=\"lf-p\">17 Artikelen 31-33 van het verdrag van 23 mei 1969 inzake het verdragenrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">18 EHRM 21 februari 1975, 4451/70 (Golder), r.o. 34-36, Series A no. 18, NJ 1975, 462.</p>\n<p class=\"lf-p\">19 K. Rimanque &amp; B. De Smet, Het recht op een behoorlijke rechtsbehandeling, Maklu, Antwerpen - Apeldoorn 2002, blz. 56. Het moge evident zijn dat het recht op toegang tot een rechterlijke instantie niet kan worden geschonden indien het geschil buiten de werkingsfeer van art. 6 EVRM valt, zie ook EHRM 23 september 1998, (Malige), 1998-VII, 2922 en EHRM 28 oktober 1999, (Exoubet) 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">20 BNB 2002/223, m. nt. Feteris.</p>\n<p class=\"lf-p\">21 EHRM 21 februari 1984 (Öztürk), NJ 1988/937 m. nt. E.A.A. onder NJ 1988/938; EHRM 25 augustus 1987 (Lutz), NJ 1988/938 m. nt. E.A.A. en EHRM 24 februari 1994 (Bendenoun), BNB 1994/175 m. nt. P.J. Wattel.</p>\n<p class=\"lf-p\">22 EHRM 9 oktober 1979 (Airey), Publications Series A, Vol 32, NJ 1980, 376.</p>\n<p class=\"lf-p\">23 EHRM 28 mei 1985, 8225/78 (Ashindane), Series A no. 93.</p>\n<p class=\"lf-p\">24 K. Rimanque &amp; B. De Smet, Het recht op een behoorlijke rechtsbehandeling, Maklu, Antwerpen - Apeldoorn 2002, blz. 121: 'De waarborgen opgesomd in artikel 6, lid 3 EVRM vormen de lex specialis van het recht op een eerlijk proces en moeten daarom niet afzonderlijk worden behandeld.' 25 M.W.C. Feteris, Fiscale administratieve sancties en het recht op een behoorlijk proces, Kluwer, Deventer 1993, blz. 147.</p>\n<p class=\"lf-p\">26 Ibid.</p>\n<p class=\"lf-p\">27 EHRM 28 november 1978, 6210/73, 6877/75, 7132/75 (Luedicke, Belkacem en Koç), Series A no. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">28 EHRM 19 december 1989, 9783/82, (Kamasinski) Series A no. 168, NJ 1994/ 26 m. nt. Alkema.</p>\n<p class=\"lf-p\">29 EHRM 24 september 2002, 32771/96 (Cuscani).</p>\n<p class=\"lf-p\">30 EHRM 26 oktober 2000, 30210/96 (Kudla).</p>\n<p class=\"lf-p\">31 R.o. 147-149. Het Hof houdt echter wel vast aan zijn opvatting dat de rechtsgeldigheid van nationale wetgeving niet met behulp van art. 13 voor een nationale instantie behoeft te kunnen worden aangevochten (r.o. 151): '(...) Furthermore, \"Article 13 does not go so far as to guarantee a remedy allowing a Contracting State's laws to be challenged before a national authority on the ground of being contrary to the Convention\" (see the James and Others v. the United Kingdom judgment of 21 February 1986, Series A no. 98, p. 47, § 85).' 32 Zie bijvoorbeeld EHRM 15 februari 2001, 37 095/97 (Pialopoulos).</p>\n<p class=\"lf-p\">33Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR, ook wel: Bupo-Verdrag) Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, New York op 19 december 1966, Trb. 1969, 99 (Nederlandse tekst in Trb. 1978, 177). Het verdrag is goedgekeurd bij Rijkswet van 24 november 1978, S 624, en voor Nederland in werking getreden op 11 maart 1979.</p>\n<p class=\"lf-p\">34 Zie: Procedure for complaints by individuals under the human rights treaties, http://www2.ohchr.org/english/bodies/petitions/individual.htm. De V-N heeft zes werktalen: Arabisch, Chinees, Engels, Frans, Russisch en Spaans.</p>\n<p class=\"lf-p\">35 Tweede Kamer, vergaderjaar 1975-1976, 13 932 (R 1037), nr. 3, blz. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">36 M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Kluwer, Deventer 2007, tweede druk, blz. 362.</p>\n<p class=\"lf-p\">37 Tweede Kamer, vergaderjaar 1975-1976, 13 932 (R 1037), nr. 3, blz. 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">38 CRvB 21 juli 2006, 03/3332 ANW m. nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, JB 2006/264 en USZ 2006/282 m. nt. Driessen, RSV 2006/302.</p>\n<p class=\"lf-p\">39 HR 23 juni 1993, nr. 29 055, BNB 1993/272 m. nt. P.J. Wattel.</p>\n<p class=\"lf-p\">40 General Comment No. 13: Equality before the courts and the right to a fair and public hearing by an independent court established by law (Art. 14): 13/04/84. http://www.unhchr.ch/tbs/doc.nsf/(Symbol)/bb722416a295f264c12563ed0049dfbd?Opendocument.</p>\n<p class=\"lf-p\">41 M.W.C. Feteris, Fiscale bestuurlijke boetes en het recht op een behoorlijk proces, Kluwer, Deventer 2002, blz. 147.</p>\n<p class=\"lf-p\">42 HRC 20 oktober 1993, Oló Bahamonde tegen Equatorial Guinea, no. 468/1991, par. 9.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">43 Zaak nr. 129/82 Selected Decisions of the Human Rights Committee under the Optional Protocol, Vol. II, blz. 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">44 Europese Handvest voor Regionale talen of talen van minderheden van 5 november 1992, Trb. 1993, 1 (originele versie) en 199 (Nederlandse vertaling).</p>\n<p class=\"lf-p\">45 http://www.coe.int/T/NL/Com/About_COE/Brochures/NL_At_a_glance.asp, geraadpleegd op 26 maart 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">46 Bij de ingang van iedere zittingszaal in de rechtbank van Leeuwarden (en de kantongerechten in Friesland) staat in het Fries vermeld dat eenieder het recht heeft op de zitting Fries te spreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">47 Dit is wettelijk geregeld in de artikelen 2 en 5 van de Wet gebruik Friese taal in het rechtsverkeer; niet alleen partijen maar ook getuigen mogen zich van de Friese taal bedienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">48 Verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 1958, 17, blz. 385), zoals gewijzigd bij de verschillende toetredingsverdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">49 De 23 officiële talen van de EU zijn: het Bulgaars, het Tsjechisch, het Deens, het Duits, het Ests, het Grieks, het Engels, het Spaans, het Frans, het Iers, het Italiaans, het Lets, het Litouws, het Hongaars, het Maltees, het Nederlands, het Pools, het Portugees, het Roemeens, het Slowaaks, het Sloveens, het Fins, het Zweeds.</p>\n<p class=\"lf-p\">50 HvJ EG 11 december 2007, zaak C-161/06 (Skoma Lux sro tegen Celní reditelství Olomouc), Jur. 2007, blz. I-0000, NJ 2008/138 m. nt. Mok, AB 2008/91 m. nt. Ortlep, RvdW 2008/133.</p>\n<p class=\"lf-p\">51 http://europa.eu/languages/nl/home.</p>\n<p class=\"lf-p\">52 Titel verslag: 'Een heilzame uitdaging, hoe de taalverscheidenheid Europa tot een hechter geheel kan maken', http://ec.europa.eu/education/policies/lang/doc/maalouf/report_nl.pdf. Zie ook: http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/consult/index_en.html voor resultaten van een openbare raadpleging over meertaligheid ( Zo waren de meeste respondenten van een online-opinieonderzoek van oordeel dat de taalverscheidenheid in de EU een belangrijke troef is; de media een intercultureel maatschappelijk model moeten promoten waarbij de nadruk wordt gelegd op tolerantie en niet op confrontatie; de kosten van 23 officiële talen geen verloren geld zijn); de resultaten worden verwerkt in een beleidsdocument van de Commissie (verwacht september 2008).</p>\n<p class=\"lf-p\">53 http://eur-lex.europa.eu.</p>\n<p class=\"lf-p\">54 De vertaaldienst van het Hof, het Gerecht van eerste aanleg en het Gerecht voor ambtenarenzaken vormt een directie, de Directie Vertalingen. Begin 2006 telde de Directie Vertalingen 796 medewerkers, 45 % van het personeel van de instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">55 PbEG 4 juli 1991, L 176/7, met rectificatie in PbEG 29 december 1992, L 383/117, zoals laatstelijk gewijzigd op 18 december 2006 (PbEG 29 december 2006, L 386/44).</p>\n<p class=\"lf-p\">56 In het geval van prejudiciële verwijzingen waarin vragen aan de orde zijn met betrekking tot de 'ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid' (thans Titel IV van het derde deel van het EG-verdrag en Titel VI EU-verdrag).</p>\n<p class=\"lf-p\">57 De vertaallast zal alsdan worden geconcentreerd bij één van de afdelingen van de vertaaldienst, degene die zich bezighoudt met het vertalen in het Frans, de werktaal van het HvJ EG. Zie eveneens P.J.G. Kapteyn, 'Naar een prejudiciële spoedprocedure?', SEW 2007/152.</p>\n<p class=\"lf-p\">58 Kapteyn &amp; VerLoren van Themaat, Het recht van de Europese Unie en van de Europese Gemeenschappen, Kluwer, Deventer 2003, blz. 77-78.</p>\n<p class=\"lf-p\">59 http://europa.eu/languages/nl/chapter/5, geraadpleegd op 19 maart 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">60 HvJ EG 9 september 2003, C-361/01 (Christina Kik tegen Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt), Jur. 2003, blz. I-8283.</p>\n<p class=\"lf-p\">61 Zie voorts r.o. 92-95 en N.N. Shuibhne, Case C-361/01, CML Rev 41 (2004), blz. 1093-1111.</p>\n<p class=\"lf-p\">62 PbEG 14 december 2007, C 303/1. Deze tekst herneemt het op 7 december 2000 geproclameerde Handvest en zal deze vervangen vanaf de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon.</p>\n<p class=\"lf-p\">63 Gezien de problemen die zich in sommige lidstaten bij de ratificatie hebben voorgedaan, is er tijdens de Europese Raad van 21 en 22 juni 2007 besloten een IGC bijeen te roepen, die belast wordt met de afwerking en de goedkeuring, niet meer van een Grondwet, maar van een \"hervormingsverdrag\" dat de bestaande verdragen wijzigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">64 Pb EG 17 december 2007, C 306.</p>\n<p class=\"lf-p\">65 http://europa.eu/scadplus/leg/nl/lvb/l33501.htm, geraadpleegd op 19 maart 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">66 A-G Mischo (zaak 20/00): \"It is worthwhile referring to [the Charter] given that it constitutes the expression, at the highest level, of a democratically established political consensus on what must today be considered as the catalogue of fundamental rights guaranteed by the Community legal order.\" A-G's Tizzano, Léger and Mischo have stated that \"the Charter has undeniably placed the rights which form its subject-matter at the highest level of values common to the Member States\".</p>\n<p class=\"lf-p\">67 PB 2000, C 364, blz. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">68 HvJ EG 27 juni 2006, zaak C-540/03 (Parlement/Raad), Jur. 2006, blz. I-5769.</p>\n<p class=\"lf-p\">69 HvJ EG 12 november 1969, zaak 29/69 (Stauder), Jur. 1969, blz. 419 en HvJ EG 17 december 1970, zaak 11/70 (Internationale Handelsgesellschaft), Jur. 1970, blz. 1134.</p>\n<p class=\"lf-p\">70 HvJ EG 14 mei 1974, zaak 4/73 (Nold II), Jur. 1974, blz. 508.</p>\n<p class=\"lf-p\">71 Voor het eerst in HvJ EG 26 maart 1987, gev. zaken 46/87 en 227/88 (Hoechst), Jur. 1987, blz. 1549.</p>\n<p class=\"lf-p\">72 Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend te Lissabon, 13 december 2007, Pb EU 2007/C-306/01.</p>\n<p class=\"lf-p\">73 HvJ EG 30 september 1987, zaak 12/86 (Demirel), Jur. 1987, blz. 3754.</p>\n<p class=\"lf-p\">74 HvJ EG 11 juli 2002, C-60/00 (Carpenter), Jur. 2002, blz. I-6279.</p>\n<p class=\"lf-p\">75 PbEG 14 december 2007, C 303/1.</p>\n<p class=\"lf-p\">76 (2007/C 303/02). Deze toelichtingen werden oorspronkelijk opgesteld onder de verantwoordelijkheid van het praesidium van de Conventie die het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft opgesteld. Zij zijn bijgewerkt onder de verantwoordelijkheid van het praesidium van de Europese Conventie, in het licht van de wijzigingen die door laatstgenoemde Conventie in het Handvest zijn aangebracht (met name in artikel 51 en 52) en van verdere ontwikkelingen in het recht van de Unie. Hoewel zij op zich geen juridische waarde hebben, vormen zij een waardevol hulpmiddel voor de interpretatie, bedoeld om de bepalingen van het Handvest te verduidelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">77 Onder meer R. Lawson, 'Confusion and conflict? Diverging Interpretations of the European Convention on Human Rights in Strasbourg and Luxembourg', in: R. Lawson en H. de Blois (red.), The Dynamics of the Protection on Human Rights in Europe, Essays in honour of Henry G. Schermers, Nijhoff, Dordrecht 1994, vol. III, blz. 219-252.</p>\n<p class=\"lf-p\">78 Kaptyen &amp; VerLoren van Themaat, Het recht van de Europese Unie en van de Europese Gemeenschappen, Kluwer, Deventer 2003, blz. 1186-1187.</p>\n<p class=\"lf-p\">79 HvJ EG 16 december 1976, zaak 33/76 (Rewe), Jur. 1976, blz. 1989.</p>\n<p class=\"lf-p\">80 Vo. 2913/92, PB 1992, L 302/1.</p>\n<p class=\"lf-p\">81 Richtlijn 89/665 (algemene rechtsbeschermingsrichtlijn), PB 1989, L 395/33 (zoals gewijzigd bij richtlijn 92/50, PB 1992, L 209/1) en richtlijn 92/13 (rechtsbeschermingsrichtlijn nutssectoren), PB 1992, L 76/14.</p>\n<p class=\"lf-p\">82 J.H. Jans, R. de Lange, S. Prechal &amp; R.J.G.M. Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht, Ars Aequi Libri, Nijmegen 1999, blz. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">83 PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2-50, zoals laatstelijk gewijzigd bij PB L 392 van 30.12.2006, blz. 1-6. Vo. 1408/71 is inmiddels vervangen door Vo. 883/2004 van 29 april 2004, welke in werking is getreden op 27 juni 2004 doch nog geen toepassing vindt (zie art. 76, lid 7 m.b.t. verzoekschriften in een officiële taal van een andere lidstaat).</p>\n<p class=\"lf-p\">84 J.H. Jans, R. de Lange, S. Prechal &amp; R.J.G.M. Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht, Ars Aequi Libri, Nijmegen 1999, blz. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">85 J. Bridge, 'Procedural Aspects of the Enforcement of European Community Law through the Legal Systems of the Member States', EL Rev. (1984), blz. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">86 K. Lenaerts, 'The rule of law and the coherence of the judicial system of the European Union', CML Rev. 44 (2007), blz. 1645.</p>\n<p class=\"lf-p\">87 Commissie Evaluatie Awb III, Toepassing en effecten van de Algemene wet bestuursrecht 2002-2006 (WODC), Boom Juridische Uitgevers, Den Haag 2007, blz. 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">88HvJ EG 25 juli 1991, C-208/90 (Emmott), Jur. 1991, blz. I-4269.</p>\n<p class=\"lf-p\">89 HvJ EG 25 juli 1991, C-208/90 (Emmott), Jur. 1991, blz. I-4269; HvJ EG 15 september 1998, C-231/96 (Edis), Jur. 1998, blz. I-4951 en HvJ EG 1 december 1998, C-326/96 (Levez), Jur. 1998, blz. I-7835.</p>\n<p class=\"lf-p\">90 J.H. Jans, R. de Lange, S. Prechal &amp; R.J.G.M. Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht, Ars Aequi Libri, Nijmegen 1999, blz. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">91 HvJ EG 15 mei 1985, 222/84 (Johnston), Jur. 1986, blz. 1651. Zie voorts zaak C-213/89 (Factortame), Jur. 1990, blz. I-2433.</p>\n<p class=\"lf-p\">92 HvJ EG 13 maart 2007, C-431/05 (Unibet), Jur. 2007, blz. I-2271.</p>\n<p class=\"lf-p\">93 J.H. Jans, R. de Lange, S. Prechal &amp; R.J.G.M. Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht, Ars Aequi Libri, Nijmegen 1999, blz. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">94 K. Lenaerts, 'The rule of law and the coherence of the judicial system of the European Union', CML Rev. 44 (2007), blz. 1659.</p>\n<p class=\"lf-p\">95 De EU is ingevolge art. 6 EU-verdrag gegrondvest op de 'rule of law' (rechtstaat).</p>\n<p class=\"lf-p\">96 Wet van 4 mei 1995, Stb. 1995, 302 (Wet tot opneming van regels betreffende het gebruik van de taal in het bestuurlijk verkeer).</p>\n<p class=\"lf-p\">97 KB van 4 juni 1839, Stb. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">98 Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 23 543, nr. 5, blz. 5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">99 Aantekening 3.1 bij art. 2:6 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">100 Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 23 543, nr. 3, blz. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">101 Handboek Algemene Wet Bestuursrecht, commentaar bij art. 2:6, aantekening 1 (bewerkt door M.J.S. Korteweg-Wiers).</p>\n<p class=\"lf-p\">102 Tweede Kamer, vergaderjaar 1988 -1989, 21 211, nr. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">103 J.W. Ilsink, 'Bezwaar en beroep', MBB 1994/54.</p>\n<p class=\"lf-p\">104 J.A. Smit, Bezwaar in belastingzaken, Kluwer, Deventer 2007, blz. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">105 noot 1, Smit: Zie H.J. Hofstra, Inleiding tot het Nederlands belastingrecht, Kluwer, Deventer 1992, blz. 331.</p>\n<p class=\"lf-p\">106 Stb. 1959, 301.</p>\n<p class=\"lf-p\">107 Voorlopig verslag, 1955-1956 - 4080, no. 4, blz. 3, linkerkolom, 5e al.</p>\n<p class=\"lf-p\">108 Voorlopig verslag, 1955-1956 - 4080, no. 4, blz. 5, artikel 23, 2e al.</p>\n<p class=\"lf-p\">109 Memorie van Antwoord, no. 5, blz. 4, linkerkolom, 3e al.</p>\n<p class=\"lf-p\">110 Memorie van Antwoord, no. 5, blz. 10, artikel 23, 2e-3e al.</p>\n<p class=\"lf-p\">111 Tweede Kamer, vergaderjaar 1987-1988, 18 623, nr. 315, V-N 1988, blz. 364-365.</p>\n<p class=\"lf-p\">112 Wet van 29 december 1993, Stb. 1994, 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">113 Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 91-92. Deze passage ziet op art. 4:5, tweede lid, Awb inzake de aanvraag van een beschikking. De onderhavige regeling is evenwel analoog aan die van art. 4:5, tweede lid, Awb, zie MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 122.</p>\n<p class=\"lf-p\">114 Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 91-92.</p>\n<p class=\"lf-p\">115 Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 91-92 en blz. 122.</p>\n<p class=\"lf-p\">116 Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 91-92.</p>\n<p class=\"lf-p\">117 Commissie Evaluatie Awb III, Toepassing en effecten van de Algemene wet bestuursrecht 2002-2006 (WODC), Boom Juridische Uitgevers, Den Haag 2007, blz. 49-62.</p>\n<p class=\"lf-p\">118 HR 17 april 1996, nr. 29 896, met concl. A-G Van den Berge, BNB 1996/219, FED 1996/451 m. nt. G.J. van Leijenhorst, V-N 1996, blz. 1813 m. nt. R.M.P.G. Niessen-Cobben.</p>\n<p class=\"lf-p\">119 Vergelijk P. van Buuren, NJB 1995, blz. 216.</p>\n<p class=\"lf-p\">120 Vgl. HR 28 maart 1979, BNB 1979/128, vermeld in 3.6. Gelet op HR 23 januari 1980, BNB 1980/60, laat zich verdedigen dat een uitspraak waarin voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar stukken in een vreemde taal, niet voldoet aan de in art. 17, lid 1 Wet ARB gestelde motiveringseis.</p>\n<p class=\"lf-p\">121 Het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit van 22 december 1993, Stb. 1993, 763) evenmin; anders kennelijk de minister van Justitie bij de behandeling van het onder 5 te bespreken wetsontwerp, Handelingen II, 15 maart 1995, blz. 58-3575, m.k.</p>\n<p class=\"lf-p\">122 Zie onder meer ook HR 13 januari 1926, B. 3759 en HR 29 maart 1950, B. 8804.</p>\n<p class=\"lf-p\">123 HR 4 november 1970, nr. 16 369, BNB 1970/253, zie eveneens HR 13 juni 1984, nr. 22 550, BNB 1984/238, V-N 1984, blz. 1391 (beide inzake een in het Duits gesteld beroepschrift).</p>\n<p class=\"lf-p\">124 Hof Leeuwarden 10 juli 1990, 1465/89, V-N 1993/766.</p>\n<p class=\"lf-p\">125 HR 6 april 1977, nr. 18 173, BNB 1977/120, V-N 1977, blz. 646.</p>\n<p class=\"lf-p\">126 HR 17 april 1996, nr. 29 896, met concl. A-G Van den Berge, BNB 1996/219, FED 1996/451 m. nt. G.J. van Leijenhorst, V-N 1996, blz. 1813 m. nt. R.M.P.G. Niessen-Cobben.</p>\n<p class=\"lf-p\">127 BNB 1995/153, FED 1995/269.</p>\n<p class=\"lf-p\">128 HR 16 december 1999, nr. 33 825, BNB 1999/70, V-N 1999/14.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">129 HR 6 juli 2007, nr. 486 en nr. 504, HR 5 oktober 2007, nr. 454 (niet gepubliceerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">130 Raad van State 26 november 2004, 200408308, LJN: AS7922.</p>\n<p class=\"lf-p\">131 Hof Arnhem 23 september 2005, nr. 04/01344, NTFR 2005/1492.</p>\n<p class=\"lf-p\">132 Raad van State 22 november 2005, 200507533/1, NJB 2005/44, nr. 650, blz. 2324.</p>\n<p class=\"lf-p\">133 Rechtbank Maastricht 7 februari 2006, nr. AWB 04/2029, LJN: AV1142, NA 2006/56.</p>\n<p class=\"lf-p\">134 'De wetgever wilde dit niet regelen', aldus Feteris, Fiscale administratieve sancties en het recht op een behoorlijk proces, Kluwer, Deventer 1993, blz 67, voetnoot 297.</p>\n<p class=\"lf-p\">135 J. van Soest, 'Vernieuwing in de wetgeving op de belastingrechtspraak?', WFR 1978/5354, blz. 265.</p>\n<p class=\"lf-p\">136 H.J. Hofstra, Inleiding tot het Nederlands belastingrecht, vijfde druk, Kluwer, Deventer 1980, blz. 368, voetnoot 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">137 J. van Soest, 'Vernieuwing in de wetgeving op de belastingrechtspraak?', WFR 1978/5354, blz. 265.</p>\n<p class=\"lf-p\">138 J.P. Scheltens, De Algemene wet inzake rijksbelastingen, losbl. Editie, Gouda Quint, Arnhem, blz. 611.</p>\n<p class=\"lf-p\">139 Aldus ook H.J. Hofstra, Inleiding tot het Nederlands belastingrecht, 4e druk, 1977, blz. 340.</p>\n<p class=\"lf-p\">140 M.W.C. Feteris, Fiscale administratieve sancties en het recht op een behoorlijk proces, Kluwer, Deventer 1993, blz. 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">141 Voetnoot 299, Feteris: Voor rechtsgeldigheid pleiten: De Blieck e.a., blz. 285; Ch. P.A. Geppaart, FED Literatuur: 91; Hofstra/Van Raad, blz. 336; J.P. Scheltens, De Algemene wet inzake rijksbelastingen, losbl. Editie, Gouda Quint, Arnhem, blz. 611, J. Van Soest WFR 1978/5354, blz. 265. Zie ook Ch.J. Langereis, Fiscale rechtsbescherming, Kluwer, Deventer 1986, blz. 215 en Meyjes/Van Soest/Van den Berge, blz. 115, noot 370. J.A. Smit, dissertatie Leiden 1992, blz. 46, gaat er daarentegen van uit dat het bezwaarschrift in het Nederlands moet zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">142 Ibid.</p>\n<p class=\"lf-p\">143 Ch.J. Langereis, Fiscale rechtsbescherming, Kluwer, Deventer 1986, blz. 216.</p>\n<p class=\"lf-p\">144 J.H. Nieuwenhuis, 'Lost in translation', NJB 2007/1901.</p>\n<p class=\"lf-p\">145 Ch.J. Langereis, Fiscale rechtsbescherming, Kluwer, Deventer 1986, blz. 217.</p>\n<p class=\"lf-p\">146 Ibid. blz. 217.</p>\n<p class=\"lf-p\">147 Voetnoot 24, Langereis: De Jong e.a., De Beroepswet, blz. 307.</p>\n<p class=\"lf-p\">148 M.W.C. Feteris, Fiscale administratieve sancties en het recht op een behoorlijk proces, Kluwer, Deventer 1993, blz. 68.</p>\n<p class=\"lf-p\">149 Voetnoot 301, Feteris: Zie bijvoorbeeld art. 84, lid 4 van EG-verordening 1408/71 inzake sociale zekerheid. Vgl. ook art. 88 Beroepswet, dat de mogelijkheid opent dat de sociale-zekerheidsrechter klaagschriften in behandeling neemt die gesteld zijn in een buitenlandse taal die door de Kroon is toegelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">150 Ch.J. Langereis, Fiscale rechtsbescherming, Kluwer, Deventer 1986, blz. 216.</p>\n<p class=\"lf-p\">151 J.B.H. Röben, 'De bezwaarprocedure', WFR 1991/5967, blz. 892.</p>\n<p class=\"lf-p\">152 M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, onderwijseditie, tweede druk, Kluwer, Deventer 2007, blz. 394.</p>\n<p class=\"lf-p\">153 Ibid., voetnoot 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">154 R.M.P.G. Niessen-Cobben, Behoorlijk fiscaal procesrecht, Gouda Quint, Arnhem 1995, blz. 117.</p>\n<p class=\"lf-p\">155 Voetnoot 622, Niessen-Cobben: Kleijn, G.P., Handboek, band **, Art. gewijs comm. art. 6:5, pag. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">156 Bestuursprocesrecht losbl. B1.5.1.1.d (juli 1993).</p>\n<p class=\"lf-p\">157 HR 17 april 1996, nr. 29 896, met concl. A-G Van den Berge, BNB 1996/219, FED 1996/451 m. nt. G.J. van Leijenhorst, V-N 1996, blz. 1813 m. nt. R.M.P.G. Niessen-Cobben.</p>\n<p class=\"lf-p\">158 P.J.J. van Buuren en T.C. Borman, Algemene wet bestuursrecht (Tekst &amp; Commentaar), vijfde druk, Kluwer, Deventer 2007, blz. 118.</p>\n<p class=\"lf-p\">159 Zie eveneens P.J.J. van Buuren &amp; T.C. Borman (red.), Algemene wet bestuursrecht (Tekst &amp; Commentaar), vijfde druk, Kluwer, Deventer 2007, blz. 281.</p>\n<p class=\"lf-p\">160 Aantekening 4 bij art. 6:6 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">161 Nederlandse Documentatie Fiscaal Recht, Deel Formeel Belastingrecht, Fiscaal procesrecht, art. 6:6 Awb, commentaar punt 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">162 J.W. Ilsink, 'Bewaar en beroep', MBB 1994/54.</p>\n<p class=\"lf-p\">163 Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21 221, nr. 5, blz. 84.</p>\n<p class=\"lf-p\">164 E.B. Pechler, Belastingprocesrecht, Fiscale monografieën 107, Kluwer, Deventer 2003, blz. 179.</p>\n<p class=\"lf-p\">165 Tweede evaluatie Wet bestuurlijke boeten, Brief Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2003 DGB 2003/6633M, V-N 2004/2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">166 HR 12 september 1997, nr. 16.309, NJ 1998/687, RvdW 1997/168, SES 1997/122.</p>\n<p class=\"lf-p\">167 M.W.C. Feteris, 'Belastingen en mensenrechten', MBB 2006/111; HR 20 december 1989, nr. 26 194, BNB 1990/57.</p>\n<p class=\"lf-p\">168 HR 10 januari 2001, nr. 35.782, BNB 2001/270 m. nt. Feteris, V-N 2001/16.8 m. nt. Red.</p>\n<p class=\"lf-p\">169 BNB 2002/223 m. nt. Feteris, V-N 2002/14.7 m. nt. Red, AB 2002/353 m. nt. OJ, JB 2002/112 m. nt. R.M.P.G.N.-C.AWH.</p>\n<p class=\"lf-p\">170 RvS 18 april 2007, nr. 200606227/1, AB 2007/173 m. nt. R.J.G.M. Widdershoven, JB 2007/104, JM 2007/95 m. nt. De Graaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">171 J.A. Smit, Bezwaar in belastingzaken, derde druk, Kluwer, Deventer 2007, blz. 46-48.</p>\n<p class=\"lf-p\">172 EHRM 28 november 1978, NJ 1980, 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">173 M.W.C. Feteris, Fiscale administratieve sancties en het recht op een behoorlijk proces, Kluwer, Deventer 1993, blz 366.</p>\n<p class=\"lf-p\">174 Voetnoot 236, Feteris: Anders: J.F.M. Giele in: Leids fiscaal jaarboek 1986, Gouda Quint, Arnhem 1986, blz. 33, die van oordeel is dat een vreemdeling op grond van art. 6 EVRM in zijn eigen taal in beroep moet kunnen komen (en naar ik veronderstel dus ook een bezwaarschrift in zijn eigen taal moet kunnen indienen).</p>\n<p class=\"lf-p\">175 M.W.C. Feteris, Fiscale administratieve sancties en het recht op een behoorlijk proces, Kluwer, Deventer 1993, blz. 366.</p>\n<p class=\"lf-p\">176 E.B. Pechler &amp; M.W.C. Feteris, Evaluatie van het herziene fiscale procesrecht, Kluwer, Deventer 2005, blz. 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">177 Ibid.</p>\n<p class=\"lf-p\">178 Voetnoot 24, Pechler &amp; Feteris: HR 1 december 1981, NJ 1982, 155.</p>\n<p class=\"lf-p\">179 Voetnoot 25, Pechler &amp; Feteris: Zie ook HR 18 oktober 1994 (strafkamer), FED 1996/164 over een bestuurlijke verkeersboete op grond van de Wet Mulder. (...).</p></div>", "next": 0}