{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">J.A.G. van der Geld, Fiscale aspecten van financiële instrumenten\", TFO 1993/169, blz. 191: \"Voor de fiscale jaarwinstbepaling wordt in principe elk activum en passivum zelfstandig behandeld. Dit geldt ook voor vorderingen en schulden in vreemde valuta. Dit is slechts anders indien een activum en passivum volledig \"matchen\", dat wil zeggen qua voorwaarden volledig overeenkomen en tezamen dus (bijna) risicoloos zijn voor de onderneming. Een tienjarige vordering in Amerikaanse dollars tegen 10% per jaar mag dus alleen dan tezamen met een dollarschuld als één vermogensbestanddeel worden behandeld indien de dollarschuld dezelfde looptijd en jaarlijkse rente heeft.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">S.F.M. Niekel, \"Toepassing van hedge accounting bij anticiperende hedges in gevaar?\", WFR 2003/6530, blz. 827: \"De heersende leer stelt strenge eisen aan de toepassing van hedge accounting in het kader van de fiscale winstbepaling. Zo dient sprake te zijn van (nagenoeg) 100% correlatie tussen het waardeverloop van het afdekkingsinstrument en het afgedekte vermogensbestanddeel. Bovendien moet de looptijd van het afdekkingsinstrument nauw zijn afgestemd op de looptijd van het afgedekte vermogensbestanddeel.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">In andere zin echter kennelijk: Bruins Slot, a.w., Sanders, a.w., en Verhagen, a.w.</p>\n<p class=\"lf-p\">23 Niekel, a.w., TFO 2005/115.</p>\n<p class=\"lf-p\">24 Zie Snijders, a.w., en Cornelisse en Lubbers, a.w., paragraaf 2.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">25 Lubbers, a.w., blz. 298-299.</p>\n<p class=\"lf-p\">26 Sanders, a.w., paragraaf 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">27 H. Mobach c.s., Cursus Belastingrecht, Wet inkomstenbelasting 2001, onderdeel 3.2.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">28 In min of meer gelijke zin ook: Cornelisse en Lubbers, a.w., blz. 1223.</p>\n<p class=\"lf-p\">29 Van der Geld, a.w., TFO 1994/193.</p>\n<p class=\"lf-p\">30 Van der Geld, a.w., TFO 2003/151.</p>\n<p class=\"lf-p\">31 Zie de vorige voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">32 Snijders, a.w.</p>\n<p class=\"lf-p\">33 In het gangbare afzonderlijke-winststelsel worden de afzonderlijke activa gewaardeerd op kostprijs of lagere beurswaarde, terwijl de passiva bij winst veelal op kostprijs en bij een verlies op marktwaarde mogen worden gewaardeerd. De niet-gerealiseerde winsten worden niet in aanmerking genomen. In het saldo-winststelsel worden behalve de gerealiseerde winsten en verliezen en niet-gerealiseerde verliezen ook de niet-gerealiseerde winsten op direct realiseerbare financiële activa en passiva in aanmerking genomen tot het bedrag van de niet-gerealiseerde verliezen. Voor de (cijfermatige) uitwerking verwijs ik naar Snijders' artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">34 Zie Lubbers, a.w., blz. 303, Niekel, a.w., TFO 2005/115 en het commentaar van Pieterse bij Hof Amsterdam 23 november 2005, nr. 03/02350, NTFR 2006/5.</p>\n<p class=\"lf-p\">35 Zie de vorige voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">36 Met dank aan mijn ambtgenoot Overgaauw.</p>\n<p class=\"lf-p\">37 Onderdeel 7 van zijn annotatie in BNB 2004/214.</p>\n<p class=\"lf-p\">38 De Gunst, a.w., paragraaf 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">39 Noot in het origineel: \"O.a. Sanders (t.a.p.; PJW). Deze noemt in zijn artikel nog een aantal andere mogelijk relevante arresten. Ook de aansluiting die hij zoekt bij IFRS voor de beantwoording van de vraag of een voldoende sterke band bestaat tussen het hedgende instrument en het desbetreffende risico is een interessante en mijns inziens bijzonder werkbare. Ik verwijs de lezer naar zijn artikel. IAS 39, par. 88, noemt die hedgerelaties die voor \"hedge accounting\" kwalificeren\".</p>\n<p class=\"lf-p\">40 Verhagen, t.a.p.</p>\n<p class=\"lf-p\">41 Sanders, a.w., paragraaf 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">42 W. Bruins Slot, De invloed van afgeleid financiële instrumenten op de fiscale jaarwinst, WFR 1995/179.</p>\n<p class=\"lf-p\">43 De gewijzigde wettelijke bepalingen in titel 9 van boek 2 BW per 1 januari 2005 hebben het mogelijk gemaakt om de bepalingen van IAS 39 toe te passen; ondernemingen hebben de mogelijkheid om in hun jaarrekening (enkelvoudig en geconsolideerd) financiële instrumenten te waarderen tegen actuele waarde (art. 2:384 BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">44 Niekel, a.w., TFO 2005/115.</p>\n<p class=\"lf-p\">45 Hoogendoorn c.s., Externe verslaggeving, hfd. 29, Financiële instrumenten - waardering en resultaatbepaling, door P.H.M. Hofsté.</p>\n<p class=\"lf-p\">46 S. Böhmer c.s., Handboek jaarrekening 2006, Ernst &amp; Young Accountants, blz. 771.</p>\n<p class=\"lf-p\">47 Snijders, a.w., gaat er daarom vanuit dat geen oorzakelijk of functioneel verband wordt gesteld. In gelijke zin P.H.J. Essers, in onderdeel 2 van zijn annotatie bij HR 17 september 2004, nr. 38 091, na conclusie Groeneveld, BNB 2005/2, die meent dat de ruilgedachtetoets kennelijk strikter is dan de hedgingtoets omdat bij laatstgenoemde toets geen oorzakelijk of functioneel verband lijkt te worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">48 Zie voorts L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting 2001, Deventer 2001, blz. 277.</p>\n<p class=\"lf-p\">49 Vgl. Kroon c.s., blz. 84.</p>\n<p class=\"lf-p\">50 Verhagen, a.w., blz. 79-80.</p>\n<p class=\"lf-p\">51 Verhagen, a.w., blz. 83.</p>\n<p class=\"lf-p\">52 Is de vordering niet volwaardig, dan doet dat op zichzelf niet af aan de winstrealisatie, maar kan bij de waardering van de vordering een voorziening worden getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">53 Vgl. HR 8 mei 1957, nr. 12 931, BNB 1957/208, met noot Smeets, en HR 17 juni 1959, nr. 13 902, BNB 1959/304, met noot Smeets.</p>\n<p class=\"lf-p\">54 Deze Richtlijnen zijn opgesteld door de Raad voor de jaarverslaggeving (RJ), een orgaan van de Stichting voor de Jaarverslaggeving, een samenwerkingsverband tussen de Vereniging VNO-NCW, Koninklijke Vereniging MKB-Nederland, de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV), het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV), de Vereniging van Beleggingsanalisten (VBA), de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten (NOvAA) en het Koninklijk Nederlands Instituut voor Registeraccountants (NIVRA). De richtlijnen worden gepubliceerd in de jaarlijks verschijnende bundel Richtlijnen voor de jaarverslaggeving, aangevuld met eventuele tussentijdse publicaties. Zie www.rjnet.nl. De Richtlijnen bevatten stellige uitspraken en aanbevelingen. Noch de stellige uitspraken noch de aanbevelingen hebben de status van wet. De Richtlijnen dienen hun gezag te ontlenen aan het Stramien (de conceptuele basis, ontleend aan het IASB Conceptual Framework), de wijze van totstandkoming (het \"due process\") en aan de bij de totstandkoming betrokken partijen. De RJ verwacht dat van stellige uitspraken slechts wordt afgeweken indien daarvoor goede gronden bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">55 Ik zal er van uitgaan dat de aandelen waarop de optiecontracten worden gesloten geen deelnemingen zijn in de zin van art. 13 Wet VPB 1969, noch aandelen van de onderneming in zichzelf. Zie ook punt 5 van het commentaar van Bouwman in NTFR 2006/233 bij de Hofuitspraak waartegen cassatie is ingesteld in de zaak met nr. 42970. Ik ga er voorts van uit dat de uitoefenprijs van de opties is gelegen boven de historische kostprijs van de aandelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">56 Zie Verhagen, a.w., blz. 157.</p>\n<p class=\"lf-p\">57 Zie ook Bouwman in NTFR 2006/233, onderdeel 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">58 De Gunst, a.w., paragraaf 3. Zie ook H.K. Nijkamp, FED 2003/619.</p>\n<p class=\"lf-p\">59 Noot PJW: Kroon c.s., a.w., blz. 110 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">60 Noot PJW; Bruins Slot, a.w., paragraaf 2.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">61 Kroon c.s., a.w., blz. 113.</p>\n<p class=\"lf-p\">62 Noot in het origineel: 74; zie o.a. HR 8 september 1993, nr. 28 871, BNB 1994/92, HR 26 februari 1997, nr. 31 928, BNB 1997/145 en HR 26 februari 1997, nr. 31 803, BNB 1997/218].</p>\n<p class=\"lf-p\">63 Verhagen, a.w., blz. 170 e.v. en blz. 190 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">64 BFH 18 december 2002, IR 17/02, BStBl 2004, 126.</p>\n<p class=\"lf-p\">65 Van der Geld, a.w., TFO 1993/169, paragraaf 3.5.2 66 J.W. Zwemmer, Fiscale aspecten van optierechten en verblijvensbedingen, 1999, Deventer, blz. 29-32.</p>\n<p class=\"lf-p\">67 J.C.M. van Sonderen, Fiscale aspecten van opties, Fiscale Monografieën nr. 64, 1993, Deventer.</p>\n<p class=\"lf-p\">68 P.M. Verhagen, Financiële derivaten in de fiscale winst (diss. UvA), Lelystad, 1997.</p>\n<p class=\"lf-p\">69 Delta is een maat voor de synthetische positie in de onderliggende waarde. De maximale synthetische positie voor een aandelenoptie is 100, delta is in dat geval gelijk aan 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">70 Nr. 00/2556, V-N 2002/9.2.8 (cassatieberoep ingetrokken).</p>\n<p class=\"lf-p\">71 Nr. CPP2004/1901M, VN 2004/59.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">72 De Gunst, a.w., paragraaf 2.2.</p></div>", "next": 0}