{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">42 Het Belastingverdrag met het VK is gewijzigd bij Protocol van 12 juli 1983 (Trb. 1983, 128 en Trb. 1991, 13) en bij Protocol van 24 augustus 1989 (Trb. 1989, 128 en Trb. 1991, 14) maar die wijzigingen hadden geen betrekking op de hier relevante bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">43 Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen het vermogen, Trb. 1967, 167. Deze overeenkomst is nadien bij Protocol van 22 maart 1977 (Trb. 1977, 73) gewijzigd, maar niet met betrekking tot de hier relevante bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">44 Kamerstukken II, 1967-1968, 9425, nr. 1, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">45 In onderdeel 1.6 van de aantekening bij art. 13 van het belastingverdrag met het VK wordt opgemerkt: \"Voor het vijfde lid, dat van Britse oorsprong is, zal te rade moeten worden gegaan bij de Nederlandse toelichtende nota of het Britse equivalent daarvan.\" En in onderdeel 6.1 van diezelfde aantekening wordt opgemerkt: \"Art. 13, vijfde lid, verdrag Nederland-Groot-Brittannië 1980 is ruimer van opzet. De bepaling ziet niet alleen op aandelen of winstbewijzen die tot een aanmerkelijk belang behoren maar ziet op elk vermogensbestanddeel van de geëmigreerde natuurlijke persoon. Deze bepaling komt ook voor in enkele andere belastingverdragen van het Verenigd Koninkrijk.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">46 Brief van de gemachtigde van belanghebbende van 14 december 2004 aan het Hof, p. 6 en bijlage 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">47 Ministeriele regeling van 20 december 1996, WDB96/651M, Stcrt. 1996, nr. 249, art. VI, onderdeel B.</p>\n<p class=\"lf-p\">48 Terecht is bekritiseerd dat zoiets fundamenteels als de vraag of en, zo ja, bij welke rechter rechtsbescherming tegen belastingbeschikkingen open staat, door een minister bepaald wordt in plaats van door de formele wetgever. Zie M.W.C. Feteris, De techniek van de conserverende aanslag onder de Wet inkomstenbelasting 2001, WFR 1999/1551, onderdeel 10.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">49 Ministeriele regeling van 24 december 1997, WDB97/596M, Stcrt. 1997, nr. 250, art. I, onderdeel C.</p>\n<p class=\"lf-p\">50 Bijvoorbeeld in cassatie in zijn conclusie van repliek, p. 2: \"Het feit dat de beschikking waarbij uitstel is verleend, formele rechtskracht heeft (...).\"</p>\n<p class=\"lf-p\">51 Zie, voor een recente omvattende uiteenzetting daaromtrent van het HvJ EG, diens arrest van 13 maart 2007, zaak C-432/05 (Unibet), NJ 2007, 376, met noot Mok, punt 37-44.</p>\n<p class=\"lf-p\">52 HR 5 oktober 2007, nr. 43.268, na conclusie Niessen, BNB 2008/40, met noot Marres.</p>\n<p class=\"lf-p\">53 HvJ EG 19 september 2006, zaak C-392/04 en C-422/04 (i-21 Germany GmbH en Arcor AG&amp;Co. KG), NJ 2007, 19, met noot Mok.</p>\n<p class=\"lf-p\">54 HvJ EG 13 januari 2004, zaak C-453/00, (Kühne &amp; Heitz NV/Produktschap voor Pluimvee en Eieren), BNB 2004/150, met noot Wattel.</p>\n<p class=\"lf-p\">55 HvJ EG 14 september 1999, zaak C-310/97 (Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a.), Jur. 1999, blz. I-05363.</p>\n<p class=\"lf-p\">56 HR 5 oktober 2007, nr. 43.268, na conclusie Niessen, BNB 2008/40, met noot Marres.</p>\n<p class=\"lf-p\">57 HR 24 januari 2003, zaak C01/321HR (Maple Tree Holding), na conclusie Verkade, NJ 2003, 629, met noot MRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">58 HvJ EG 13 maart 2007, zaak C-524/04 (Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation), NJ 2007, 290, met noot Mok.</p>\n<p class=\"lf-p\">59 HvJ EG 25 juli 1991, zaken C-208/90 en C-209/90 (Theresa Emmott), AB 1992/1, met noot Meij.</p>\n<p class=\"lf-p\">60 Vergelijk Marres, onderdeel 4 van zijn annotatie in BNB 2008/40 bij het eerder genoemde inkoop-BTW-aftrekarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">61 HvJ EG 23 april 2008, C-201/05 (Test Claimants in the CFC and Dividend Group Litigation), r.o. 127-130.</p>\n<p class=\"lf-p\">62 Zie Peter J. Wattel: Use it or lose it; Challenge the charge, file for restitution, sue for damages?, in Hinnekens and Hinnekens (ed.) : A visison of taxes within and outside European borders; Festschrift Prof. dr Frans Vanistendael, Kluwer Law International, p. 940-943, Terra/Wattel, European Tax Law, Fiscale handboeken, Deventer: Kluwer, 2008, p. 96, en onderdeel 5.6 van mijn conclusie voor HR 23 januari 2004, nr. 38 653, BNB 2004/118, met noot Zwemmer.</p>\n<p class=\"lf-p\">63 HvJ EG 8 maart 2001, zaken C-397/98 en C-410/98 (Metallgesellschaft Ltd en Hoechst), Jur. 2001, blz. I-1727.</p>\n<p class=\"lf-p\">64 Overigens legt A.-G. Verkade in onderdeel 4.20 van zijn conclusie voor HR 24 januari 2003, nr. C01/321HR (Maple Tree Holding), NJ 2003, 629, met noot MRM, een ander accent: naar zijn mening zou uit het arrest Metallgesellschaft kunnen worden opgemaakt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds heffingen en anderzijds het mislopen van een fiscaal voordeel, waarbij in het eerste geval meer van een belastingplichtige kan worden gevraagd dan in het tweede geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">65 Zie Peter J. Wattel: Use it or lose it; Challenge the charge, file for restitution, sue for damages?, in Hinnekens and Hinnekens (ed.) : A visison of taxes within and outside European borders; Festschrift Prof. dr Frans Vanistendael, Kluwer Law International, p. 943-945, en Terra/Wattel, European Tax Law, Fiscale handboeken, Deventer: Kluwer, 2008, p. 98-99 66 HR 23 januari 2004, nr. 38.653, na conclusie Wattel, BNB 2004/118, met noot Zwemmer.</p>\n<p class=\"lf-p\">67 Het Hof plaatst zijn overwegingen in het kader van de verplichting tot schadebeperking, dus binnen het kader van de onrechtmatige daadsactie, die naar EG-recht alleen slaagt bij een \"gekwalificeerde schending\" van EG-recht, maar hij heeft het ook neutraal over \"vorderingen tot restitutie.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">68 HvJ EG 13 maart 2007, zaak C-432/05, Unibet, NJ 2007, 376, met noot Mok.</p>\n<p class=\"lf-p\">69 EHRM 11 januari 2007, nr 1948/04, Salah Sheekh v Nederland, AB 2007, 76, met noot Vermeulen.</p>\n<p class=\"lf-p\">70 HR 11 oktober 1996, nr. 16.104, Leenders/Ubbergen, na conclusie Bloembergen, NJ 1997, 165, met noot MS.</p>\n<p class=\"lf-p\">71 Proces-verbaal van de Hofzitting van 23 juni 2004 (p. 2): \"(...) en verklaart de gemachtigde van belanghebbende: - dat hij niet tegen de beschikking om uitstel van betaling kon procederen aangezien belanghebbende daarbij geen belang had\".</p>\n<p class=\"lf-p\">72 In cassatie weerspreekt belanghebbende bij verweer (p. 3) de stelling van de Staatssecretaris in diens beroepschrift in cassatie (p. 6) dat de belemmering is weggenomen doordat de inspecteur de belanghebbende heeft medegedeeld dat het verleende pandrecht als opgeheven kan worden beschouwd. De belanghebbende stelt dat die mededeling niet volstaat omdat afstand van pandrecht bij overeenkomst geschiedt en een notariële akte voor de levering van aandelen vrij van pandrecht niet is verleden. Deze kwestie is ook in feitelijke instantie aan de orde geweest (p.-v. van de zitting van 23 juni 2004, p. 1) en is ook in de procedure voor het HvJ EG voor het voetlicht gebracht (brief van 18 februari 2005 van belanghebbende aan het HvJ EG, p. 5-6 en p. 18-19, alsmede onderdeel 126 van de conclusie van Kokott).</p>\n<p class=\"lf-p\">De civielrechtelijke literatuur is verdeeld over de vraag of afstand van een pandrecht op aandelen op naam wordt beheerst door art. 3:258, lid 2, BW (C.M. Grundmann-van der Krol, WPNR, 1994, p. 404-406), in welk geval een notariële akte niet nodig is (maar wel een overeenkomst) of niet door die bepaling wordt beheerst (Groene Serie, deel Rechtspersonen, commentaar bij art. 2:198 BW, bewerkt door J.N. Schutte-Veenstra, aantekening 2 (bij t/m 1 mei 2006), en M. van Olffen, Ontstaan en eindigen van een pandrecht op aandelen op naam, WPNR, 1993, p. 692-694), in welk geval wel een notariële akte vereist is (vgl. art. 3:98 jo 2:196 BW). Hoe dan ook: als gevolg van zijn schriftelijke toezegging kan de fiscus rechtens de zekerheid, zelfs als zij formeel nog zou bestaan, niet meer inroepen en kan zij dus ook niet tegengeworpen worden aan potentiële kopers van de aandelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">73 Zie HvJ EG 19 september 2006, zaak C-392/04 en C-422/04 (i-21 Germany GmbH en Arcor AG&amp;Co. KG), NJ 2007, 19, met noot Mok, r.o. 62-71.</p>\n<p class=\"lf-p\">74 HR 29 november 1989, nr. 25.158, na conclusie Verburg, BNB 1990/118, met noot Scheltens.</p>\n<p class=\"lf-p\">75 HR 16 december 2005, nr. 41.587 en 41.588, BNB 2006/73 en 74, met noot Zwemmer.</p>\n<p class=\"lf-p\">76 Pleitnota van 12 april 2007, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">77 Zie de r.o. 65-66 het arrest van het HvJ EG in onze zaak N v. Inspecteur, en de onderdelen 133-134 van de conclusie van de A.-G. Kokott.</p>\n<p class=\"lf-p\">78 Vergelijk HvJ EG 13 maart 2007, zaak C-524/04 (Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation), V-N 2007/15.9, r.o. 115: \"Zonder evenwel uit te sluiten dat de staat naar nationaal recht onder minder beperkende voorwaarden aansprakelijk kan zijn, heeft het Hof geoordeeld dat een lidstaat de schade moet vergoeden die particulieren lijden wegens aan hem toe te rekenen schendingen van het gemeenschapsrecht, wanneer aan drie voorwaarden is voldaan [etc; PJW].\"</p>\n<p class=\"lf-p\">79 De schade waarvoor de vergoeding wordt toegekend zal een gevolg moeten zijn van het onjuiste besluit van de inspecteur, aldus M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Fiscale handboeken, Deventer: Kluwer, 2007, p. 493. Zie uitgebreider over de rol van causaliteit bij toepassing van art. 8:73 Awb bijvoorbeeld B.J. Schueler, Schadevergoeding en de Awb, Deventer: Kluwer, 2005, p. 11-18 en 170-179.</p>\n<p class=\"lf-p\">80 HR 24 januari 2003, nr. C01/321HR (Maple Tree Holding), na conclusie Verkade, NJ 2003, 629, met noot MRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">81 HR 9 september 2005, nr. C04/131HR (Kuijpers/Valkenswaard), na conclusie Spier, NJ 2006, 93, met noot Mok.</p>\n<p class=\"lf-p\">82 HR 13 juli 2007, nr. C05/232HR (Gasunie), na conclusie Keus, NJ 2007, 504, met noot Mok.</p>\n<p class=\"lf-p\">83 Zie ook onderdeel 4.5 van de conclusie van Verkade voor HR 24 januari 2003, nr. C01/321HR (Maple Tree Holding), NJ 2003, 629, met noot MRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">84 HR 21 april 2006, nr. C04/300HR (Abacus/Staat), na conclusie Wattel, NJ 2006, 271.</p>\n<p class=\"lf-p\">85 Zoals HR 16 mei 1986, nr. 12.546 (Heesch/Van den Akker), na conclusie Franx, NJ 1986, 723, met noot MS, HR 11 november 1988, nr. 13.323 (Ekro/Staat), na conclusie Mok, NJ 1990, 563, en HR 11 oktober 1996, nr. 16.104 (Leenders/Ubbergen), na conclusie Bloembergen, NJ 1997, 165, met noot MS. Zie voor een recent overzicht P.A. Fruytier, Een herformulering van de formele rechtskracht: het civielrechtelijke besluitgezag en gezag van gewijsde en de uitzonderingen daarop, NTBR 2008/4, p. 161-169.</p>\n<p class=\"lf-p\">86 De brief is als bijlage IV bij de Conclusie van dupliek van 14 maart 2003 voor het Hof gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">87 Het proces-verbaal van de zitting van 12 april 2007, p. 2, vermeldt dat de gemachtigde heeft verklaard \"dat belanghebbende alleen tot het betalen van diens gemachtigde verplicht is indien het proces tot succes leidt. Mocht belanghebbende in het ongelijk worden geteld en een kostenveroordeling uitblijven, dan is belanghebbende niets verschuldigd.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">88 HR (eerste kamer) 17 december 2004, nr. C03/114HR, na conclusie Wattel, BNB 2005/239, met noot Feteris, en HR (derde kamer) 7 oktober 2005, nr. 35.729, BNB 2005/374.</p>\n<p class=\"lf-p\">89 Dat het Hof een proceskostenvergoeding heeft toegekend, impliceert dat het Hof meent dat sprake is van 'kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand'.</p>\n<p class=\"lf-p\">90 Zo stelt belanghebbende in cassatie eerst dat hij \"van mening [is] dat de omstandigheid dat hij tot op heden een bedrag van € 108.820 heeft moeten uitgeven (...)\" (curs. PJW) (cassatieberoepschrift, p. 4). Dit wordt door de Staatssecretaris weersproken, die bovendien stelt dat de realiteit van de declaraties ter discussie staat (verweerschrift, p. 2-3). In de conclusie van repliek bestrijdt de gemachtigde van belanghebbende dat er geen sprake zou zijn van reële declaraties, waarna hij stelt dat \"met belanghebbende (indertijd de afspraak [is] gemaakt dat hij slechts bij een gewonnen procedure een declaratie zou ontvangen.\" In dupliek herhaalt de Staatssecretaris nogmaals hetgeen hij in het verweerschrift naar voren heeft gebracht, en voegt daaraan toe dat belanghebbende wellicht ook bedoelt dat hij slechts het bedrag verschuldigd is dat overeenkomt met het bedrag dat de inspecteur zou moeten vergoeden en dat \"hier slechts sprake [is] van een 'woordspel' waarbij het draait om de uitleg van het begrip 'gewonnen'.\"</p></div>", "next": 0}