{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">3.87 De klachten over het tweede bezwaar van de AFM dat Spyker heeft volstaan met slechts een voorlopige waardering richten zich tegen het tweede gedeelte van rov. 3.33. Onderdeel 9.19 voert aan dat, voor zover de Ondernemingskamer in de eerste zin van deze overweging het door de AFM gemaakte verwijt zodanig uitlegt dat de AFM slechts zou hebben betoogd dat Spyker \"mogelijk eerder gebruik had kunnen maken van de diensten van deskundigen\" en dat \"daarmee mogelijk vraagtekens zouden kunnen worden geplaatst bij de snelheid van Spyker bij de waardering van de SA-overeenkomst\" die uitleg zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. De bewoordingen die de AFM bij pleidooi voor de formulering van dat verwijt heeft gehanteerd laten niet de uitleg toe dat de AFM slechts heeft gesteld (i) dat Spyker \"mogelijk\"eerder gebruik had kunnen maken van de diensten van deskundigen en dat daarom \"mogelijk vraagtekens zouden kunnen worden geplaatst\" bij de snelheid van Spyker bij de waardering van de SA-overeenkomst. Die bewoordingen zijn niet anders te lezen dan dat de AFM heeft gesteld (ii) dat Spyker daadwerkelijk eerder gebruik had kunnen maken van die diensten van deskundigen en dat het daarom niet nodig is geweest om voor de jaarrekening 2006 slechts te volstaan met een voorlopige waardering.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.88 M.i. is het niet gelukkig dat de Ondernemingskamer het woord \"mogelijk\" gebruikt bij het weergeven van het standpunt van de AFM. De klacht kan niettemin niet tot cassatie leiden, omdat de Ondernemingskamer vervolgens wel heeft geoordeeld dat een vertraging is opgetreden bij de waardering van de overeenkomst. De Ondernemingskamer spreekt immers over \"de hier opgetreden vertraging\". De Ondernemingskamer sluit zich dus aan bij het standpunt van de AFM.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.89 Onderdeel 9.20 en 9.21 klagen dat, voor zover de Ondernemingskamer de sub (ii) bedoelde stelling wel in de door de AFM gehanteerde bewoordingen heeft gelezen, de beschikking evenmin in stand kan blijven. Is die stelling namelijk juist, dan had de Ondernemingskamer niet tot het oordeel kunnen komen dat met betrekking tot de waardering van de SA-overeenkomst geen sprake is geweest van strijd met de toepasselijke IFRS voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.90 De klacht faalt. De Ondernemingskamer heeft het onder (ii) gestelde gedeeltelijk juist bevonden. De Ondernemingskamer is van oordeel dat Spyker daadwerkelijk eerder gebruik had kunnen maken van de diensten van deskundigen. Zij spreekt immers over de opgetreden vertraging. Kennelijk is de Ondernemingskamer daarbij van oordeel dat het inschakelen van Duff &amp; Phelps sneller had gekund, maar ook weer niet zo snel dat geen voorlopige waardering nodig was.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.91 Onderdeel 9.22 klaagt dat, indien de Ondernemingskamer van oordeel is geweest dat het onder (ii) gestelde niet juist is, het oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Volgens het onderdeel is niet in te zien dat de feiten en omstandigheden over de totstandkoming en de afkoop van de SA-overeenkomst op enige wijze in de weg hebben gestaan aan de mogelijkheid om de waarde van de overeenkomst voor de jaarrekening 2006 definitief te bepalen. Het onderdeel voert aan dat Duff &amp; Phelps maar korte tijd - te weten van eind augustus 2007 tot 10 oktober 2007 - nodig heeft gehad voor de definitieve waardebepaling. Het oordeel van de Ondernemingskamer dat een definitieve waardebepaling niet mogelijk was, is volgens het onderdeel ook moeilijk te rijmen met het feit dat de accountant er naar eigen zeggen vanuit gegaan is dat PwC in haar memo van 29 maart 2007 een (definitieve) waardering van de SA-overeenkomst zou opnemen. Dit feit impliceert dat hij er vanuit is gegaan dat een definitieve waardering voor het opmaken van de jaarrekening wel degelijk mogelijk was, aldus het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.92 De klacht faalt. Uit rov. 3.30 leid ik af dat Spyker verwachtte dat PwC op 29 maart 2007 tot een definitieve waardering van de SA-overeenkomst zou komen. Die verwachting is niet bewaarheid, zoals uit rov. 3.30 blijkt. Uitgaande van de wijze van vaststelling van het Financieel Verslag die in rov. 3.29 is weergegeven, lijkt het aannemelijk dat Spyker van mening was dat op 29 maart 2007 niet meer op de korte termijn waarin de jaarrekening vastgesteld moest worden een deskundige ingeschakeld kon worden die wel de definitieve waarde van de SA-overeenkomst kon bepalen. Voor deze zienswijze legt de Ondernemingskamer in rov. 3.33 begrip aan de dag. Dat vind ik niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.93 Onderdeel 9.23 bevat een klacht voor zover de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat Spyker wel heeft gehandeld in strijd met IFRS.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.94 De klacht mist feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.95 Onderdeel 9.24 bevat een klacht voor zover de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat het specifieke vereiste inzake informatieverschaffing in IFRS 3.62 niet is vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.96 De klacht mist feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.97 Het derde door de AFM tegen de waardering van de SA-overeenkomst aangevoerde bezwaar houdt in dat opbrengsten uit hoofde van de SA-overeenkomst niet in de winst-en verliesrekening verwerkt hadden mogen worden omdat een voorwaarde daarvoor is dat de kosten van de transactie op betrouwbare wijze worden gewaardeerd. Aan deze voorwaarde is volgens de AFM niet voldaan zolang de reële waarde van de overeenkomst niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Onderdeel 9.26 klaagt dat de Ondernemingskamer voorbij is gegaan aan haar bij pleidooi(29) aangevoerde essentiële stelling dat Spyker gehandeld heeft in strijd met IAS 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.98 De klacht faalt. De Ondernemingskamer heeft in rov. 3.33 overwogen dat IFRS 3.62 toelaat dat een onderneming kan volstaan met het in de jaarrekening opnemen van een voorlopige waarde, indien de waarde van de bedrijfscombinatie alleen voorlopig kan worden bepaald. Kennelijk is de Ondernemingskamer ook van oordeel dat IFRS 3.62 toelaat dat de afkoopsom in de winst- en verliesrekening wordt geboekt waarbij nog aangetekend dient te worden dat de Ondernemingskamer in rov. 3.32 vermeldt dat Spyker inmiddels besloten had om de als voorlopig gepubliceerde cijfers over 2006 te corrigeren door aanpassing van de vergelijkende cijfers 2006 in de financiële verslaggeving over 2007. De Ondernemingskamer heeft in rov. 3.33 geoordeeld dat geen sprake is van strijd met IFRS. Hiermee heeft de Ondernemingskamer de betrokken stellingen van de AFM voldoende gemotiveerd verworpen. Ik meen dat de Ondernemingskamer terecht aan het bij pleitnota gedane beroep op IAS 18 is voorbijgegaan. Over het beroep op deze bepaling is niets te vinden in het verzoekschrift van de AFM. Uit het proces-verbaal van de zitting van 11 oktober 2007 (p. 18) is de problematiek van IAS 18 niet uitgediept. Van de kant van Spyker is toen opgemerkt: \"Ik snap uw punt met IAS 18 niet\". Na deze opmerking stapt de AFM over op een andere kwestie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waardering sponsorverplichtingen jegens Midland RHL 3.99 Middel 10 behelst klachten over de waardering van de sponsorverplichtingen jegens Midland RHL. Onderdeel 10.3 klaagt dat de AFM heeft gesteld en met argumenten onderbouwd dat verantwoording van de opbrengsten van de sponsorverplichtingen als omzet hooguit had kunnen geschieden in 2007 maar niet in 2006(30) en daarom sprake is van strijd met IAS 18. Het onderdeel klaagt dat de Ondernemingskamer voorbij gaat aan deze essentiële stelling en dat de beschikking om die reden onvoldoende gemotiveerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.100 De klacht faalt. De Ondernemingskamer heeft in de pleitnota van de AFM onder nr. 55 kennelijk niet de expliciete klacht gelezen dat het als omzet verantwoorden van opbrengsten van de sponsorverplichtingen in 2006 niet mogelijk was. Deze uitleg van de gedingstukken is feitelijk en niet onbegrijpelijk, mede gelet op de omstandigheid dat de AFM slechts spreekt over twijfel of de opbrengsten wel in het juiste jaar zijn verantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.101 Onderdeel 10.4 klaagt dat indien de Ondernemingskamer van oordeel is geweest dat deze stelling niet in het door de AFM gevoerde betoog te lezen is, dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.102 De klacht faalt. Ik verwijs hiervoor naar 3.100.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.103 Onderdeel 10.8 klaagt dat, voor zover rov. 3.40 zo zou moeten worden gelezen dat de Ondernemingskamer van oordeel is dat de inhoudelijke kritiek die de AFM heeft aangevoerd tegen de waarde die Spyker in de jaarrekening 2006 aan de sponsoropbrengsten heeft toegekend(31) juist is, maar desondanks niet gezegd kan worden dat Spyker in de hier bedoelde problematiek aan beleggers onvoldoende inzicht heeft gegeven teneinde hen in staat te stellen tot een verantwoord oordeel te komen overeenkomstig de eisen die IFRS stelt omdat Spyker niet heeft gehandeld in strijd met IFRS, getuigt de Ondernemingskamer van een onjuiste rechtsopvatting over IFRS 3.24, althans heeft zij haar oordeel onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.104 De klacht faalt. De Ondernemingskamer oordeelt in rov. 3.40 dat voor de hoogte van de sponsoropbrengsten en de vraag of deze zijn gewaardeerd op basis van hun reële waarde enerzijds van belang is dat Spyker duidelijk in het Financieel Verslag 2006 naar voren heeft gebracht dat ook (cursivering van mij: LT) de sponsoropbrengsten gebaseerd zijn op management's best estimate of the fair values\" en dat anderzijds de definitieve kostprijsallocatie kan resulteren in aanpassingen van het resultaat over 2006. Met het woordje \"ook\" wordt m.i. terugverwezen naar de voorlopige waardering van de SA-overeenkomst op grond van IFRS 3.62. Kennelijk is de Ondernemingskamer van oordeel dat IFRS 3.24 niet van toepassing is, aangezien de sponsorverplichtingen slechts voorlopig gewaardeerd konden worden op grond van IFRS 3.62. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.105 Onderdeel 10.9 klaagt nog dat indien de Ondernemingskamer geoordeeld heeft dat geen sprake is van strijd met IFRS 3.24 omdat is volstaan met een voorlopige waardering en een definitieve kostprijsallocatie kan resulteren in aanpassingen van het resultaat over 2006, dit oordeel - nog afgezien van de vraag of Spyker wel had kunnen volstaan met een voorlopige waardering - van een onjuiste rechtsopvatting over IFRS 3.24 getuigt. Dit oordeel miskent dat IFRS 3.24 ook in acht moet worden genomen bij een voorlopige waardering en waardering ook in dat geval tegen reële waarde dient plaats te vinden, hetgeen indien de kritiek van de AFM juist is, niet is geschied.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.106 De klacht faalt. Aangezien de waarde slechts voorlopig kan worden bepaald, is IFRS 3.24 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.107 Onderdeel 10.10 klaagt dat voor zover rov. 3.40 zo zou moeten worden gelezen dat de Ondernemingskamer van oordeel is geweest dat de door de AFM aangevoerde kritiek juist is en Spyker gehandeld heeft in strijd met IFRS 3.24 maar de Ondernemingskamer de vrijheid had om het verzoek van de AFM af te wijzen, dit oordeel evenmin in stand kan blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.108 De klacht mist feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.109 Onderdeel 10.14 klaagt dat voor zover de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat het specifieke vereiste inzake informatieverschaffing in IFRS 3.24 niet is vervuld, maar dat desondanks geen sprake zou zijn van handelen in strijd met de toepasselijke IFRS-regels omdat dit handelen slechts informatie zou betreffen van gering (niet materieel) belang in de zin van IAS 1.31, de Ondernemingskamer blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de eisen die IFRS stelt en materialiteit als bedoeld in IFRS, althans zij haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.110 Ook deze klacht mist feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.111 Onderdeel 10.16 klaagt dat voor zover de Ondernemingskamer van oordeel is geweest dat de door de AFM geleverde kritiek op de hoogte van de sponsoropbrengsten inhoudelijk niet juist zou zijn, dat oordeel, mede in het licht van de terzake door de AFM ingenomen stellingen onbegrijpelijk is omdat enige motivering voor dat oordeel in de beschikking niet te lezen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.112 De klacht faalt. De Ondernemingskamer heeft haar oordeel in rov. 3.40 voldoende gemotiveerd. Ik verwijs hiervoor naar 3.104.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.113 Onderdeel 10.18 klaagt nog dat het oordeel van de Ondernemingskamer dat de kritiek inhoudelijk onjuist is des te meer motivering behoeft gezien het rapport van Duff &amp; Phelps waaruit blijkt dat die kritiek wel degelijk juist was.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.114 De klacht faalt. Het rapport van Duff &amp; Phelps ziet op de definitieve waardering, terwijl door Spyker slechts een voorlopige waardering is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige bezwaren 3.115 Middel 11 behandelt de overige bezwaren van de AFM. Onderdeel 11.3 tot en met 11.5 klagen over het oordeel in rov. 3.43 over de latente belastingvorderingen. Onderdeel 11.3 klaagt dat het oordeel van de Ondernemingskamer onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat de Ondernemingskamer onvoldoende duidelijk heeft gemaakt of zij beoogd heeft het materialiteitsbegrip toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.116 De klacht faalt. Duidelijk is dat de Ondernemingskamer het materialiteitsbegrip heeft toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.117 Onderdeel 11.4 klaagt dat indien en voorzover de Ondernemingskamer heeft bedoeld het materialiteitsbegrip toe te passen, zij een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Een afwijking van een specifiek vereiste inzake informatieverschaffing in de zin van IAS 1.31 is immers ofwel materieel (niet van gering belang) ofwel niet materieel (van gering belang). Het gaat er niet om of een dergelijke afwijking \"zodanig materieel is dat de jaarrekening dient te worden herzien.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">3.118 De klacht faalt. Indien de Ondernemingskamer aangeeft dat een bepaald vereiste \"niet zodanig materieel is dat de jaarrekening dient te worden herzien\" blijkt daaruit dat die afwijking niet van materieel belang is. Ik zie niet in waarom de door de Ondernemingskamer gehanteerde terminologie zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.119 Onderdeel 11.5 bevat een klacht indien en voor zover de Ondernemingskamer bedoeld heeft dat de betrokken informatie van materieel belang is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.120 De klacht mist feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.121Onderdeel 11.6 tot en met 11.8 hebben betrekking op de realiseerbare waarde van ontwikkelingskosten in rov. 3.47. Onderdeel 11.7 klaagt over het oordeel dat de post geactiveerde ontwikkelingskosten ad 1,4 % (en niet het door de AFM genoemde percentage van 14,4 %) van het balanstotaal per 31 december 2006 niet materieel geacht kan worden en ook hierom niet in het Financieel Verslag 2006 behoeft te worden toegelicht. Dit oordeel getuigt volgens het onderdeel van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de Ondernemingskamer miskend heeft dat een post die niet voldoende materieel is om afzonderlijk in de balans te worden opgenomen, niettemin wel voldoende materieel kan zijn om afzonderlijk in de toelichting te worden vermeld (IAS 1.30). Uit het enkele feit dat de post geactiveerde ontwikkelingskosten niet materieel kan worden geacht, mag dus niet worden afgeleid dat die post niet in de jaarrekening behoeft te worden toegelicht. Indien de Ondernemingskamer dit niet heeft miskend, is haar oordeel onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.122 De klacht faalt. IAS 1.30 luidt onder meer: \"(..) als een post op zichzelf niet materieel is, wordt deze samengevoegd met andere posten in die overzichten of in de toelichting. Een post die niet voldoende materieel is om afzonderlijk in die overzichten te worden opgenomen, kan niettemin voldoende materieel zijn om afzonderlijk in de toelichting te worden vermeld.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">De Ondernemingskamer heeft deze bepaling in rov. 3.47 niet miskend noch is haar oordeel onvoldoende gemotiveerd. Zij heeft kennelijk geoordeeld dat de afwijking niet voldoende materieel is om afzonderlijk in de toelichting te worden vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.123 Onderdeel 11.8 klaagt over het oordeel van de Ondernemingskamer dat IFRS niet verplicht tot het opnemen van een toelichting, maar het verstrekken daarvan slechts aanbeveelt. Dat oordeel getuigt volgens het onderdeel van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is onvoldoende gemotiveerd. De Ondernemingskamer heeft volgens het onderdeel miskend dat het enkele feit dat IAS 36.132 (waarop de Ondernemingskamer kennelijk doelt) het verstrekken van een dergelijke toelichting slechts aanbeveelt (de entiteit slechts 'aanmoedigt' om de veronderstellingen te vermelden die gedurende de verslagperiode werden gehanteerd voor de bepaling van de realiseerbare waarde van activa), niet zonder meer betekent dat IFRS niet verplicht tot het opnemen van een dergelijke toelichting. Indien, zoals in het onderhavige geval, die toelichting relevant is om een goed inzicht te verkrijgen in de betrokken post op de balans, dient die toelichting volgens het onderdeel op grond van IAS 1.103(c) wel te worden opgenomen. De Ondernemingskamer had in ieder geval moeten motiveren waarom een dergelijke toelichting niet hoeft te worden opgenomen en zij had dat oordeel niet mogen baseren op het enkele feit dat IAS 36.132 het verstrekken van een toelichting slechts aanbeveelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.124 De klacht mist belang daar de Ondernemingskamer in een overweging ten overvloede heeft aangegeven dat de post niet materieel geacht kan worden. Ook al zou IFRS Spyker verplichten tot een dergelijke toelichting dan nog zou het ontbreken van een dergelijke toelichting geen aanleiding zijn om een bevel te geven tot herinrichting, aangezien de post niet zodanig materieel te achten is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.125 Onderdeel 11.9 klaagt over het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 3.53 dat het ontbreken van een toelichting op het geconsolideerde kasstroomoverzicht en de aard, het bedrag en de reden van de presentatiewijziging daarvan niet materieel te noemen is. Dit oordeel is volgens het onderdeel onvoldoende gemotiveerd, aangezien de Ondernemingskamer niet duidelijk maakt waarom het ontbreken van die toelichting niet materieel te noemen zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.126 De klacht faalt. Uit de context van rov. 3.53 is voldoende duidelijk waarom de Ondernemingskamer deze kwestie niet voldoende materieel acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.127 Onderdeel 11.10 tot en met 11.14 hebben betrekking op het oordeel van het hof omtrent de sale-and leaseback-transacties in rov. 3.54 en 3.55. Onderdeel 11.10 klaagt over het oordeel in rov. 3.55 dat het achterwege blijven van de vermelding van de (daadwerkelijk) toegepaste grondslagen voor de sale- and leasebacktransacties niet van zodanig belang is dat Spyker op dit punt de jaarrekening 2006 behoeft te herzien en over het hieraan ten grondslag leggen van het idee dat IAS 17 geen alternatieve verwerkingswijzen kent. Deze oordelen getuigen volgens het onderdeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Onderdeel 11.11 werkt deze klacht uit door te stellen dat de Ondernemingskamer miskend heeft dat de enkele omstandigheid dat de IFRS, in dit geval IFRS 17, in een bepaald geval geen alternatieve verwerkingswijze kennen en dus slechts verwerking op één grondslag toestaan, niet meebrengt dat vermelding van de daadwerkelijk toegepaste grondslagen niet relevant zou zijn voor het inzicht in de jaarrekening, laat staan meebrengt dat het achterwege blijven van die vermelding niet van zodanig belang is dat de effectenuitgevende instelling op dit punt de jaarrekening behoeft te herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gedachtegang van de Ondernemingskamer veronderstelt volgens het onderdeel dat het niet vermelden van een grondslag steeds geoorloofd zou zijn, althans niet van zodanig belang is dat de jaarrekening moet worden herzien, in gevallen waarin IFRS slechts verwerking op één grondslag toestaan. Die veronderstelling miskent dat voor de gebruikers van de jaarrekening uit de jaarrekening zélf inzichtelijk moet zijn welke grondslag is toegepast zonder dat zij daarvoor eerst de IFRS-voorschriften moeten raadplegen en daaruit moeten afleiden dat slechts verwerking op één grondslag is toegestaan. Die veronderstelling gaat bovendien aan de mogelijkheid voorbij dat de effectenuitgevende instelling de enige door IFRS toegestane waarderingsgrondslag in werkelijkheid niet heeft toegepast, maar een andere grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">IAS 1.110 bepaalt weliswaar dat de vermelding van bepaalde grondslagen voor financiële verslaggeving met name nuttig is voor de gebruikers als die grondslagen gekozen zijn uit de alternatieven die volgens de standaarden en interpretaties zijn toegestaan, maar daaruit kan niet, zoals de Ondernemingskamer doet, a contrario worden afgeleid dat vermelding van een grondslag steeds achterwege kan blijven, althans niet van zodanig belang is dat de effectenuitgevende instelling op dit punt de jaarrekening behoeft te herzien, indien de IFRS slechts één grondslag toestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.128 De klacht faalt. Uit IAS 1.110 blijkt dat vermelding van een grondslag niet zonder meer vereist is als de IAS die vermelding niet uitdrukkelijk voorschrijft. Kennelijk heeft de Ondernemingskamer deze uitleg van IAS 1.110 gehanteerd bij haar oordeel in rov. 3.55 en daarbij ook nog in aanmerking genomen dat het in het onderhavige geval slechts één grondslag in aanmerking komt. Ik vind dit niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.129 Onderdeel 11.12 klaagt dat het oordeel bovendien onvoldoende is gemotiveerd, omdat de Ondernemingskamer onvoldoende duidelijk heeft gemaakt of zij bedoeld heeft het materialiteitsbegrip toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.130 De klacht faalt. M.i. is voldoende duidelijk dat de Ondernemingskamer uiteindelijk het materialiteitsbegrip heeft toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.131 Onderdeel 11.13 klaagt dat indien en voorzover de Ondernemingskamer beoogd heeft het materialiteitsbegrip toe te passen, zij bij de toepassing van dat begrip een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Het gaat er niet om of een afwijking \"zodanig materieel is dat de jaarrekening dient te worden herzien\". Een afwijking is immers ofwel materieel ofwel niet materieel. De Ondernemingskamer heeft bovendien volgens het onderdeel miskend dat de enkele omstandigheid dat de weggelaten informatie niet relevant zou zijn voor 'het inzicht in de jaarrekening' niet meebrengt dat die informatie van gering belang is in de zin van IAS 1.31. De relevantie voor het inzicht in de jaarrekening is niet de juiste bij de toepassing van het materialiteitsbegrip te hanteren maatstaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.132 De eerste klacht faalt. Met het oordeel \"niet voldoende materieel\" bedoelt de Ondernemingskamer kennelijk dat het ontbreken van de toegepaste grondslag immaterieel is. Voor de klacht verwijs ik naar ......van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.133 De klacht onder 4.13 is gebaseerd op de gedachte dat de Ondernemingskamer in rov. 3.55 de niet-vermelding van de grondslag van materieel belang heeft geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.134 De klacht mist feitelijke grondslag, omdat de Ondernemingskamer de niet-vermelding immaterieel heeft geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.135 Onderdeel 11.19 klaagt dat de Ondernemingskamer ten onrechte in rov. 3.56 dat betrekking heeft op de toelichting inzake de operational leases niet heeft beslist op het door de AFM naar voren gebrachte bezwaar dat Spyker in noot 19 bij de jaarrekening 2006 heeft nagelaten de verplichtingen inzake de operational leases overeenkomstig de vereisten van IAS 17.35 toe te lichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.136 De klacht faalt. Wat er zij van een verwarring tussen operational en financial leases, de Ondernemingskamer heeft uiteindelijk geoordeeld dat de schending van IAS 17.35 niet materieel is. Hiertegen is in cassatie niet opgekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.137 Uit II.3.4 en III.6.3 van de Code Tabaksblat volgt dat alle transacties waarbij tegenstrijdige belangen van bestuurders en commissarissen spelen in het verslag worden vermeld waarbij ook wordt aangeduid wat het tegenstrijdig belang is en wat wordt verklaard dat de desbetreffende bepalingen zijn nageleefd. Onderdeel 11.29 maakt er bezwaar tegen dat in het jaarverslag niet aangegeven is dat de bepalingen II.3.4 en III.6.3 zijn nageleefd 3.138 Het middel faalt. Spyker heeft een dergelijke verklaring wel afgelegd. Verklaard is immers: “The cpmpany complies with all the principles and the best practise of the Code, either by applying its provisions or by explaining how it derogates from the Code” (zie p. 59 van het Financieel Verslag 2006). In dat deel van het Verslag is ook te vinden welke bepalingen Spyker niet heeft gevolgd. Daarbij heeft Spyker op p. 109/110 van het Verslag een overzicht gegeven van de tegenstrijdige belangtransacties die in 2006 hebben plaatsgehad. Hierbij ontvalt de basis aan alle klachten die zijn geuit in de onderdelen 11.20-11.32 van het middel 3.139 Omdat de Ondernemingskamer m.i. terecht heeft geoordeeld dat er onvoldoende grond is om het verzoek van de AFM tot herinrichting van de onderhavige jaarrekening van Spyker te honoreren, heeft AFM geen belang bij een oordeel van Uw Raad over de vernietiging, de hernieuwde vaststelling en publicatie van de jaarrekening, die aan de orde worden gesteld in de onderdelen 12.1 en 12.2 van het cassatiemiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.140 In de onderdelen 12.3-12.8 wordt er op uiteenlopende gronden geklaagd dat de AFM in de proceskosten is veroordeeld. Deze onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden. Het is aan de discretie van de feitenrechter overgelaten om te oordelen over de vraag wie de proceskosten dient te dragen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Conclusie Deze strekt tot verwerping De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Bestreden beschikking onder 2.</div>\n<p class=\"lf-p\">2 Op grond van art. 426 lid 1 Rv bedraagt de cassatietermijn bij beschikkingen op rekest drie maanden. Het cassatieverzoekschrift is ingediend op 28 maart 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Pb EG 11 september 2002.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 TK 2005-2006, 30 336, nr. 3, p. 9 &amp;10.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 TK 2005-2006, 30 336, nr. 3, p. 3 en 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Zie brief Spyker aan AFM d.d. 16 juli 2007, bijlage p. 17 ( productie 4 bij verzoekschrift ex art. 2:447 BW) 7 Zie brief Spyker aan AFM d.d. 16 juli 2007, bijlage p. 21 (productie 4 bij verzoekschrift ex art. 2:447 BW) 8 Annotatie bij bestreden beschikking onder 9, JOR 2008, 38.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 A.N. Krol, Ondernemingsrecht 2008, nr. 69, p. 245.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 TK 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 157-158.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 TK 2005-2006, 30 336, nr. 3, p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 TK 2005-2006 30 336, nr. 3, p. 8 en 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 TK 2005-2006, 30 336, nr. 3, p. 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">14 Zie toelichting op art. 2:448 BW, TK 2005-2006, 30 336, nr. 3, p. 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">15 TK 2005-2006, 30.336, nr. 3, p. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">16 TK 2005-2006, 30 336, nr. 8, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">17 HR 10 februari 2006, NJ 2006, 241 rov. 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">18 De oude bepaling spreekt over 'de eis' in plaats van 'het verzoek'.</p>\n<p class=\"lf-p\">19 TK 2005-2006, 30 336, nr. 3, p. 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">20 TK 1979-1980, 16 326, nr. 3, p. 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">21 TK 1967-1968, 9595, nr. 3, p. 21 22 HR 26 maart 1980, NJ 1980, 630 rov. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">23 Asser Maeijer 2-III, nr. 445.</p>\n<p class=\"lf-p\">24 Zie over IAS 12.34 en 12.35 hierna subonderdeel 8.II.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">25 Het onderdeel verwijst naar de pleitnota van de AFM onder 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">26 Verweerschrift Spyker nr. 5.21 en 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">27 Verweerschrift accountant nr. 4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">28 Productie 9 bij verweerschrift Spyker.</p>\n<p class=\"lf-p\">29 Pleitnota AFM, nr. 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">30 Pleitnota AFM nr. 55 en conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">31 Verzoekschrift in eerste aanleg onder C.3.6 en C.3.7 en pleitnota AFM nrs. 54-58.</p></div>", "next": 0}