{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">19 Zie het proces-verbaal van politie nr. 1413/1986, p. 60, 61. Deze versie houdt onder meer in: \"Officieel moet zij (aanvraagster, WHV) blijven tot 18.30 uur. Ik kan mij niet herinneren dat zij ooit zolang is gebleven. Meestal is zij al voor 18.00 uur klaar. (...) Voor zover ik mij kan herinneren is [aanvraagster] ook op vrijdag 22 augustus 1986 rond 18.00 uur bij mij vertrokken.\" De handgeschreven en ondertekende verklaring waarvan in het rapport sprake is trof ik tussen de stukken niet aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">20 Zie hetgeen hierna onder 27 over de verklaring van [betrokkene 9] wordt opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">21 Zie het proces-verbaal van politie 1413/1986, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">22 Zie het proces-verbaal van politie 1413/1986, p. 68, houdende de verklaring van aanvraagster over onder meer wat zij op 22 augustus 1986 zou hebben gedaan. Zie ook de hetzelfde proces-verbaal, p. 60, houdende het verhoor van [betrokkene 5] (daarin aangeduid als [betrokkene 5]), dat inhoudt dat zij is gehoord \"in perceel [a-straat 2] te Leidschendam\".</p>\n<p class=\"lf-p\">23 Zie de plattegrond mij toegezonden bij brief van 10 december 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">24 Vgl. HR 17 maart 2009, LJN BF1321, rov. 8.5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">25 Zie HR 17 februari 2004, NJ 2004, 333, rov. 5.2. en 6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">26 Vgl. HR 19 december 2006, NJ 2007, 423, m.nt. Me, rov. 6.1.2., HR 30 september 2003, LJN AL6140, rov. 6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">27 HR 17 februari 2004, NJ 2004, 333, rov. 7.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">28 Ik wijs terzijde op HR 14 september 1987, NJ 1988, 615, waarin de Hoge Raad overwoog dat de omstandigheid dat iemand in een psychotische toestand verkeert, niet zonder meer meebrengt dat het te zijnen laste bewezen verklaarde hem niet kan worden toegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">29 Voor een goed begrip van dit rapport diene het volgende. Onderzocht zijn monsters die aangeduid zijn met de codes AWA745#1_1 (jasje), AWA745#1_2 (jasje), AWA746#1_1 (rok), AWA747#1_1 (mantelpakje) en AWA748#1_1 (jasje). Het onderzoek houdt in dat de monsters met de codes AWA745#1_1, AWA747#1_1 en AWA748#1_1 afwijken van het DNA van aanvraagster. Ook houdt het onderzoek in dat de monsters met de codes AWA747#1_1 en AWA748#1_1 qua mtDNA volledig met elkaar (maar dus niet met aanvraagster) overeenkomen. Wat deze laatste twee monsters betreft wordt in de aanvulling op de aanvraag van 29 augustus 2006 opgemerkt dat uit de tabel op p. 3 van het rapport kan worden afgeleid dat het hierbij om een (hetzelfde) mannelijk(e) individu gaat, omdat daar onder het kopje \"Amelogenine\" staat vermeld \"XY\". Dat bedoelde aanduiding XY op een mannelijk individu duidt lijkt juist (op http://www.science. uva.nl/onderwijs/object.cfm /objectid=1EF99A85-4045-4969-92122B1E4F18F813 valt te lezen: \"Het amelogenine locus bevindt zich op de geslachtschromosomen, aan de hand van de typering van dit locus kan worden vastgesteld of de donor van het celmateriaal van het mannelijke (X/Y) dan wel van het vrouwelijke (X/X) geslacht is.\").</p>\n<p class=\"lf-p\">30 De kleurenkopieën bevinden zich in het proces-verbaal van politie met nummer 1413/2/1986.</p>\n<p class=\"lf-p\">31 Vgl. de conclusie van A-G Schipper in de zaak met LJN BF1321, onder 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">32 P. 25 van het rapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">33 P. 50 van het rapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">34 p. 24 van het rapport 35 p. 24 van het rapport 36 Zie voor een en ander de aangifte, achter het p-v met nr. 1413/1986.</p>\n<p class=\"lf-p\">37 Dit moet zijn: in een ander gebouw, behorende tot hetzelfde complex; zie de plattegrond mij toegezonden bij brief van 10 december 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">38 Zie p-v 1413/2/1986-39, p. 118.</p>\n<p class=\"lf-p\">39 Zie p. 38 van het rapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">40 Zie p. 45 van het rapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">41 P.v. 1413/1986, p. 11, naar welk proces-verbaal in de verklaring wordt verwezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">42 Desgevraagd is mij via het College van P-G's door [betrokkene 22] van de afdeling Beheer en beleid Wegen en Openbare Verlichting van de gemeente Pijnacker-Nootdorp bericht dat \"na 1-6-1986\" het wegdek op de hoek van de Sportparkweg/Delflandstraat is vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">43 Zie diens verklaringen in het dossier, p-v nr. 1413/1986, p. 65 en 83.</p>\n<p class=\"lf-p\">44 Zie over deze methode onder meer Henssge, Knight, Krompecher, Madea en Nokes, The estimation of the time since death in the early postmortem period, 2e druk Arnold 2002, Londen, p. 43 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">45 Zie de foto's 13 e.v. bij het rapport van verbalisant [betrokkene 3] van de Technische Opsporings- en Herkenningsdienst van 3 september 1986.</p>\n<p class=\"lf-p\">46 Zie de plattegrond van de woning, gevoegd bij genoemd technisch rapport, alsmede de bij dat rapport gevoegde foto's 26 en 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">47 Zie p-v nr. 1413/1986, p. 25 en 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">48 Waar de weergave door Van de Goot niet exact overeenkomt met de originele vragen heb ik deze daarmee in overeenstemming gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">49 Hiermee is kennelijk bedoeld het verslag van het interview van Van de Goot door de CEAS.</p>\n<p class=\"lf-p\">50 Raadpleging van Hensgge's nomogram laat zien dat hier mijns inziens (WHV) kennelijk sprake is van een afleesfout en dat hier 11,5 moet staan. Zie ook de hier optredende onregelmatigheid in Pmt's, die geen verklaring vindt in bedoeld nomogram. Voor de uitkomst van deze conclusie maakt dit overigens niet uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">51 Als noot 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">52 Zie noot 50 en noot 51.</p>\n<p class=\"lf-p\">53 Zie noot 50 en noot 51. Uitgaande van de in die noten voorgestelde correctie ligt het tijdstip van overlijden op zijn laatst 8,5 uur vóór 23.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">54 Naar de foto's en de tekeningen in het dossier laten zien bevond de balkondeur zich in de slaapkamer, niet in de woonkamer waar het slachtoffer is aangetroffen. Of de deur tussen slaapkamer en woonkamer open is gelaten valt niet uit het dossier op te maken. Volgens de huismeester [betrokkene 23] zat er een hordeur voor de balkondeur (proces-verbaal 1413/1986, p. 29. Daarom ga ik hier uit van stilstaande lucht. In geval van bewegende lucht ligt het geschat tijdstip van overlijden op zijn laatst ca. 6,5 uur vóór 23.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">55 Zie noot 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">56 Http://www.forgen.nl/articles.php?cat_id=5.</p>\n<p class=\"lf-p\">57 Zie Henssge e.a., a.w., p. 78, 79, 262, alsmede de Richtlijn Postmortaal interval van de Nederlandse Vereniging van Forensisch Geneeskundigen onder 6 B . Hensgge beschrijft de ontwikkeling van de nomogram-methode in Death time estimation in case work. I. The rectal temperature time of death nomogram, Forensic Science International, 38 (1988), p. 209-236. De methode wordt geëvalueerd in C. Hensgge e.a., Experiences with a compound method for estimating the time since death, International Journal of Legal Medicine 2000, 113, p. 303-319.</p>\n<p class=\"lf-p\">58 Sectierapport d.d. 23 september 1986, p. 2 onder 1. De stukken bevatten niet een vermelding van het gewicht van het slachtoffer.</p>\n<p class=\"lf-p\">59 Zie bijvoorbeeld www.statbel.fgov.be/downloads/length2005.xls, http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&amp;DM=SLNL&amp;PA=03799&amp;D1=242, http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/5C7B608D-845E-48EA-8DD5-B269E67CCE33/0/2007k4b15p92art.pdf254,267-270&amp;D2=0-2,4-7&amp;D3=0&amp;D4=0,4-7&amp;HD=080509-0835&amp;HDR=G2,T&amp;STB=G1,G3.</p>\n<p class=\"lf-p\">60 Aan mij verstrekt rapport van het KNMI van 6 oktober 2008. Bij het proces-verbaal van 1 december 2008 is een overzicht gevoegd van het temperatuurverloop in De Bilt; daar werd op 22 augustus 1986 een iets hogere maximumtemperatuur bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">61 Proces-verbaal 1413/1986, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">62 Naar de foto's en de tekeningen in het dossier laten zien bevond de balkondeur zich in de slaapkamer, niet in de woonkamer waar het slachtoffer is aangetroffen. Of de deur tussen slaapkamer en woonkamer open is gelaten valt niet uit het dossier op te maken. Volgens de huismeester [betrokkene 23] zat er een hordeur voor de balkondeur (proces-verbaal 1413/1986, p. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">63 O.a. Henssge e.a., a.w., p. 261.</p>\n<p class=\"lf-p\">64 Nierbekkenontsteking gaat niet steeds gepaard met koorts, met name niet wanneer - zoals bij het slachtoffer; zie het sectierapport van 23 september 1986, p. 4 nr. 39 - sprake is van chronische nierbekkenontsteking: www.merckmanual. nl onder nierbekkenontsteking. Zie ook het onder nr. 77 vermelde antwoord op vraag 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">65 Zie het onder nr. 77 vermelde antwoord op vraag 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">66 Zij het dat in geval van hoge koorts Hensgge's nomogram niet toepasbaar is; zie de handleiding, als bijlage gevoegd bij het CEAS-rapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">67 C. Das, U.J.L. Reijnders en F.R.W. van de Goot achten de tijdsintervallen zo groot dat van niet meer dan vuistregels kan worden gesproken: Forensische wetenschap. Studies over forensische kennis en organisatie, onder redactie van A.P.A. Broeders en E.R. Muller, Deventer: Kluwer 2008, p. 167.</p>\n<p class=\"lf-p\">68 Proces-verbaal 1413/1986, p. 24, 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">69 Proces-verbaal 1413/1986, p. 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">70 Op 10 november 1986 verklaarde de coördinator van het recherchebijstandsteam [verbalisant 1] tegenover de rechter-commissaris, dat in de krant heeft gestaan dat kennissen van het slachtoffer op de dag van het overlijden geprobeerd hebben telefonisch contact met haar op te nemen en dat zij aanvankelijk geen gehoor kregen en kort daarna de ingesprektoon. Dit gegeven was het Hof dus wel bekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">71 Zie p-v nr. 1413/1986, p. 104-108.</p>\n<p class=\"lf-p\">72 P. 59.</p>\n<p class=\"lf-p\">73 Het Nederlandsche strafproces, 1925, II, p. 497.</p>\n<p class=\"lf-p\">74 Zo ook A.J.A. van Dorst in Handboek strafzaken, 47.3.2b.</p>\n<p class=\"lf-p\">75 J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, dis. Groningen 1989, p. 277: \"Bij dit soort nova (die tot vrijspraak strekken; WHV) komt het vereiste, dat de nieuwe omstandigheid \"op zichzelve of in verband met de vroeger geleverde bewijzen niet bestaanbaar schijnt\", het duidelijkst naar voren. Uit dit vereiste blijkt dat de gehele motivering van de bestreden beslissing (in dit kader dus de bewijsmotivering) in de beschouwingen moet worden betrokken.\" Zie ook HR 17 maart 2009, LJN BF1321, rov. 8.4.15.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">76 Verklaring II d.d. 4 september 1986, mede gelezen in verband met de schriftkundige verklaring III d.d. 9 september 1986 en de schriftkundige verklaring IV d.d. 15 september 1986.</p>\n<p class=\"lf-p\">77 Zie voor de vervolgingsverjaringstermijnen voor doodslag en valsheid in geschrift de artt. 287 en 225 io. 70 Sr. Dat primair moord ten laste was gelegd, waarvan aanvraagster is vrijgesproken, doet niet ter zake. Die vrijspraak is gelet op art. 457, eerste lid, io. 476, derde lid, Sv onaantastbaar. Vgl. Handboek Strafzaken, par. 47.10.4, Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 6 op art. 476 (suppl. 161, juni 2007) en De Ranitz, Herziening van arresten en vonnissen, p. 180 en 181. Overigens is een eventuele moord naar mijn inzicht - anders dan in het CEAS-rapport op p. 101 wordt gesteld - niet verjaard. Art. III van de wet waarbij het tweede lid van art. 70 Sr is ingevoerd (opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten, Stb. 2005, 595) bepaalt dat ten aanzien van de feiten die op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt (1 januari 2006) zijn verjaard, de wettelijke bepalingen inzake de verjaring van toepassing blijven zoals zij luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Moord, waarvoor op grond van art. 70 (oud) Sr io. art. 289 Sr een verjaringstermijn van achttien jaar gold, was op 1 januari 2006 echter nog niet verjaard. Het arrest van de Hoge Raad van 26 april 1988 was immers nog een daad van vervolging. Aangezien de nieuwe wet wel geldt voor misdrijven die op 1 januari 2006 nog niet waren verjaard betekent dat dat een eventuele moord niet meer zal verjaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">78 Resp. Handboek Strafzaken, par. 47.10.3.b en Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 6.2 op art. 474 (suppl. 161, juni 2007).</p>\n<p class=\"lf-p\">79 Ik wijs slechts terzijde op HR 30 mei 2006, NJ 2006, 366, m.nt. Mevis, omdat in die zaak de verjaringstermijn niet doorliep gelet op de strekking van art. 73 Sr. Dat artikel speelt in de onderhavige zaak geen rol.</p></div>", "next": 0}