{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">3.8.6. Het op andere wijze dan door het plaatsen van watermeters vaststellen van onttrokken of geïnfiltreerde hoeveelheden water is blijkens artikel 2, lid 5, van de Ubm, ook mogelijk als het plaatsen van watermeters om technische redenen in redelijkheid niet kan worden gevergd. Hier lijkt mij onder te vallen de situatie dat water, na actief handelen door de belanghebbende, uit zichzelf in de bodem zijgt.(42) Externe factoren zoals neerslag en verdamping kunnen er voor zorgen dat niet al het water dat door de belanghebbende wordt aangevoerd ook in de bodem zijgt.(43) Ik kan mij voorstellen dat in bepaalde gevallen het meten van het geïnfiltreerde water met behulp van watermeters technisch niet mogelijk is, danwel niet kan worden gevergd. In zo'n geval kan de belanghebbende de inspecteur op grond van artikel 2, lid 5, van de Ubm verzoeken toe te staan dat de hoeveelheden op andere wijze worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvH 31 oktober 2008 1 Het wetsvoorstel waarin de grondwaterbelasting was opgenomen had ook als titel 'Wet op de verbruiksbelastingen op milieugrondslag' (cursivering van mijn hand). Bij amendement is de titel van de wet gewijzigd in Wet belastingen op milieugrondslag. Zie Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 3, blz. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Artikel 3, lid 1, onderdeel a, van de Wbm definieert grondwater als 'zoet grondwater', onderdeel b definieert zoet grondwater als 'grondwater dat minder dan 300 milligram chloride per liter bevat' en onderdeel d omschrijft onttrekken van grondwater als 'het onttrekken van grondwater aan de bodem door middel van een inrichting'.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Kamerstukken II 1992/1993, nr. 22 849, nr. 6, blz. 58 en 59.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 3, blz. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Opmerking verdient dat de definitie van infiltratie in de Wbm en in de Grondwaterwet gelijkluidend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 3, blz. 19 en 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 De zaak met rolnummer 44084 waarvoor ik deze notitie mede schrijf, heeft betrekking op de uitspraak door het verwijzingshof naar aanleiding van dit arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 De Hoge Raad week hiermee af van de conclusie voor het arrest van mijn ambtsvoorganger Th. Groeneveld die een ruimere uitlegging van het begrip 'infiltreren van water' voorstond (punt 3.1.3 van de conclusie).</p>\n<p class=\"lf-p\">10 MvH: Artikel 3, lid 1, onderdeel e, van de Wbm.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 De Hoge Raad vermeldt in dit verband Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 3, blz. 19-20 en Kamerstukken II 1990/91, 21661 nr. 6, blz. 2 (betreffende een aanpassing van de Grondwaterwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">12 In de zaak die leidde tot de uitspraak van Hof 's-Gravenhage van 24 januari 2001, nr. 97/1158, V-N 2001/42.21, was naar het oordeel van dat Hof sprake van kunstmatige infiltratie. De belanghebbende in die zaak pompte rond een zogenoemd waterspaarbekken grondwater op, welk grondwater bestond uit het uit het spaarbekken afkomstig oppervlaktewater dat via een - als zuiverend werkende - bodempassage met een doorlooptijd van circa 30 dagen weer onttrokken werd.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 3, blz. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">14 Artikelsgewijze toelichting op artikel 6 van de Wbm. Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 3, blz. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">15 Welke bepaling als volgt luidt: '3. Het in artikel 14, eerste lid, omschreven verbod, geldt niet voor het infiltreren van water dat geschiedt ter voldoening aan een voorschrift, verbonden aan een vergunning tot het onttrekken van grondwater.' 16 Kamerstukken II 2003/04, 29 711, nr. 3, blz. 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">17 In zaak 44084 gaat het over een zeventiental vergunningen voor evenzovele inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">18 Wet van 21 juli 1954, Stb. 1954, 383. In artikel 58, lid 1, van de Grondwaterwet is bepaald dat de Grondwaterwet Waterleidingbedrijven wordt ingetrokken (bij de inwerkingtreding van de Grondwaterwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">19 Volledigheidshalve zij hier opgemerkt dat de Grondwaterwet Waterleidingbedrijven op haar beurt bepaalde (artikel 29) dat de vergunningen, verleend aan (houders van) inrichtingen op grond van de Hinderwet of de aan die wet voorafgaande Koninklijke besluiten, hun geldigheid behielden.</p>\n<p class=\"lf-p\">20 Kamerstukken II 1975/76, 13 705, nr. 3, blz. 38.</p>\n<p class=\"lf-p\">21 Zie artikel 11 van de Grondwaterwet op grond waarvan hij die grondwater onttrekt verplicht is opgave te verstrekken van de in een kalenderjaar onttrokken hoeveelheden grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">22 De wetswijziging was aangebracht in het kader van deregulering (Kamerstukken II 1987/88, 20 435, nr. 3, blz. 11).</p>\n<p class=\"lf-p\">23 Aangezien de wetswijziging inwerking trad op 1 januari 1989 hadden de onttrekkers en infiltranten slechts twee maanden de tijd om zich te melden (als zij dat tenminste op dat moment nog niet reeds op grond van de daarvóór geldende bepaling hadden gedaan). Het oorspronkelijke artikel 54 van de Grondwaterwet was op 1 maart 1984 inwerking getreden, zodat de vijfjaarstermijn ook op 1 maart 1989 zou zijn afgelopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">24 Kamerstukken II 1975/76, 13 705, nr. 3, blz. 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">25 En artikel 12, lid 4 van de Grondwaterwet Waterleidingbedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">26 Dat met de 'voorwaarden' de voorschriften van artikel 14 van de Grondwaterwet zijn bedoeld valt af te leiden uit de artikelsgewijze toelichting bij artikel 6 (Kamerstukken II 22 849, nr. 3, blz. 21).</p>\n<p class=\"lf-p\">27 Hof 's-Gravenhage was overigens wel van oordeel dat een infiltratievergunning was verleend (zie 3.4.8 van deze notitie).</p>\n<p class=\"lf-p\">28 Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 3, blz. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">29 Thans artikel 89, lid 5, van de Wbm.</p>\n<p class=\"lf-p\">30 Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 10, blz. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">31 In de oorspronkelijke tekst van artikel 6, lid 2, van de Wbm ontbrak de (huidige) laatste zinsnede 'en voor zover het infiltreren van water geschiedt in rechtstreeks verband met een belaste onttrekking van grondwater.' 32 Kamerstukken II 1994/95, 23 935, nr. 3, blz. 5 33 Met ingang van 1 januari 2008 is de nummering van de Wbm opnieuw vastgesteld. De tarieven zijn thans opgenomen in artikel 8, de vermindering in artikel 9 en de vrijstellingen zijn opgenomen in artikel 10 van de Wbm.</p>\n<p class=\"lf-p\">34 Kamerstukken II 1999/00, 26 829, nr. 3, blz. 49 en 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">35 Kamerstukken II 1994/95, 23 935, nr. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">36 Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 9, blz. 33 in verband met de vrijstelling voor warmte- en koudeopslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">37 Kamerstukken II 1994/95, 23 935, nr. 9, blz. 1-2.</p>\n<p class=\"lf-p\">38 Kamerstukken II 1994/95, 23 935, nr. 5, blz. 6-8.</p>\n<p class=\"lf-p\">39 Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 9, blz. 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">40 Kamerstukken II 1993/94, 22 849, nr. 27, blz. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">41 Stb. 1994, 948.</p>\n<p class=\"lf-p\">42 In welk geval tevens sprake is van infiltratie in de zin van artikel 6, lid 2, van de Wbm; zie paragraaf 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">43 In rapporten van ingenieursbureaus die in de zaken waarop deze notitie mede ziet zijn overgelegd worden neerslag en verdamping als voorbeeld genoemd. In zijn arrest van 22 april 2005. nr. 38305, BNB 2005/201 m.nt. Snoijink, punt 3.4.2, overweegt de Hoge Raad met betrekking tot de wateraanvoerplannen dat \"het aldus aangevoerde water voor een gedeelte in de bodem zal infiltreren\".</p></div>", "next": 0}