{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Immers kan met betrekking tot het nog te onderzoeken punt het hof in zijn overwegingen omstandigheden in aanmerking nemen die in de vernietigde uitspraak buiten beschouwing waren gebleven. Het onderscheid tussen nieuwe feiten die nog wel en die niet meer aan de orde kunnen komen, valt niet altijd gemakkelijk te maken. (…) De bepalingen omtrent het oproepen en horen van de partijen behoeven na verwijzing niet onder alle omstandigheden te worden nageleefd. Het is aan het hof overgelaten van geval tot geval te beoordelen op welke wijze het moet handelen, maar het is zeer wel denkbaar dat de Hoge Raad op grond van processuele fouten opnieuw zou casseren wanneer het hof mocht verzuimen aan de partijen voldoende gelegenheid te geven zich te uiten. Er bestaan gevallen waarin het hof de zaak zonder meer kan afdoen, maar dit zijn uitzonderingen. Omgekeerd komt het geregeld voor dat de partijen aan de hand van het arrest van de Hoge Raad de zaak in onderling overleg afdoen, zodat - na intrekking van het oorspronkelijke beroep - er geen uitspraak van het hof meer behoeft te komen. Normaliter zal het evenwel raadzaam zijn dat het hof de partijen uitnodigt haar opmerkingen of beschouwingen naar aanleiding van het arrest schriftelijk te zijner kennis te brengen. In dat geval moeten zij ook de gelegenheid krijgen van elkanders schrifturen kennis te nemen. Wanneer zij dan blijk geven daarop prijs te stellen of het hof het zelf wenselijk acht, kan nog een mondelinge behandeling volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.51 Hamer schreef in TFB:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de Hoge Raad een uitspraak vernietigt en de zaak verwijst, rijst de vraag of in die daaropvolgende verwijzingsprocedure nieuwe feiten gesteld mogen worden. De jurisprudentie en de literatuur zijn niet zodanig dat deze vraag volmondig met ja of neen beantwoord kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de casus van BNB 1977/113 zeer specifiek was, meen ik dat het uitgangspunt in het fiscale recht hetzelfde zou moeten zijn als in het civiele recht, te weten dat de aard en de strekking van de verwijzingsprocedure meebrengen dat aldaar geen nieuwe feiten kunnen worden aangevoerd ter staving of ter weerlegging van de nader te onderzoeken stelling. (…) 5.52 Bartel schreef in BNB 2000/333:</p>\n<p class=\"lf-p\">De omstandigheid dat een belastingprocedure in de eerste plaats een 'feitenstrijd' is, belast de inspecteur met een zorgvuldige omschrijving van de feiten die hij bij de aanslagregeling in aanmerking genomen heeft. Uiteraard is het niet nodig de feiten die de belastingplichtige zelf heeft aangedragen en die hij niet betwist, en detail weer te geven. Indien hij echter feiten betwist of indien hij het feitenbestand aanvult, is het nodig dat hij duidelijk aangeeft om welke feiten het gaat. In de praktijk wordt hier meermalen tegen gezondigd, hetgeen de rechtsstrijd vaak in het moeras doet eindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.53 Met Bergman schreef ik:</p>\n<p class=\"lf-p\">Na verwijzing kan (…) niet worden teruggekomen op beslissingen die in cassatie niet werden bestreden, en niet op beslissingen die de Hoge Raad in het arrest neemt. Behandeld worden door de Hoge Raad opengelaten kwesties; vaak duidt de Hoge Raad deze in zijn arrest zelf aan in de zogenoemde verwijzingsopdracht. In de vervolgprocedure kunnen geen nieuwe juridische of feitelijke stellingen worden ingebracht, maar wel uitwerkingen van eerder ingenomen standpunten. (…) Er zijn niet zoveel gevallen waarin een hof de verwijzingsuitspraak verkeerd interpreteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.54 Lubbers schreef over de verwijzingsprocedure:</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwijzingsprocedure is niet vrij van complicaties. In de eerste plaats is lang niet altijd duidelijk wat de Hoge Raad de feitenrechter wil laten uitzoeken voordat deze een eindbeslissing kan nemen. In de tweede plaats rijst dikwijls de vraag in welke mate partijen nieuwe feiten en nieuwe juridische stellingen mogen aanvoeren tijdens de verwijzingsprocedure. Ten slotte kan discussie ontstaan ten aanzien van de vraag aan welke delen van de eerdere hofuitspraak partijen - na het oordeel van de Hoge Raad - zijn gebonden. Gelukkig kan de Hoge Raad, indien hij beslist de zaak te verwijzen naar een ander gerechtshof, enerzijds aangeven wat er nog door de feitenrechter dient te worden uitgezocht en kan hij anderzijds aanwijzingen geven die relevant zijn voor de door het verwijzingshof te nemen beslissing. (…) Ik constateer dat de Hoge Raad zich de laatste jaren bewust is geworden van de noodzaak duidelijke verwijzingsopdrachten te geven. Dit heeft ertoe geleid dat de Hoge Raad steeds vaker verwijzingsopdrachten in het arrest opneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.55 Langereis en De Roos schreven over de verwijzingsopdracht:</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn verwijzingsopdracht geeft de Hoge Raad aan welke feiten alsnog moeten worden onderzocht. Het is een hof in beginsel niet toegestaan daarbuiten nog feiten te onderzoeken en vast te stellen. Met andere woorden, door het arrest van de Hoge Raad is het geschil bevroren en kunnen noch partijen, noch het verwijzingshof terugkomen op hetgeen reeds is komen vast te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit houdt onder meer in dat niet meer voor nader onderzoek of geschil vatbaar is het gedeelte van de uitspraak van de rechtbank (in geval van sprongcassatie) of het gerechtshof dat niet is aangevallen in cassatie of dat door de Hoge Raad is gehandhaafd. Dat kan zowel betrekking hebben op onderdelen van de uitspraak waartegen geen cassatiemiddel is ingesteld of waartegen een grief tevergeefs is voorgesteld. (…) Ingeval een bepaalde grief nog nader onderzocht moet worden in verwijzing kan een Partij in dat geval nadere - nog niet eerder vermelde - feiten aanvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.56 Pieterse en Pechler schreven onlangs:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is (…) vaste jurisprudentie dat de behandeling na verwijzing geen mogelijkheid biedt tot het aanvoeren van nieuwe geschilpunten. Dat geldt naar onze mening ook als de zaak is verwezen voor een hernieuwd onderzoek in volle omvang. (…) Anders gezegd: de grenzen van de rechtsstrijd zoals die uit het verwijzingsarrest voortvloeien zijn heilig. (…) De belastingkamer van de Hoge Raad acht partijen evenwel bevoegd om in het geding na verwijzing nieuwe feiten aan te voeren indien en voor zover die kunnen dienen ter ondersteuning van door de rechter, naar wie de zaak is verwezen, alsnog te onderzoeken stellingen. (…) Na verwijzing zijn nieuwe stellingen van feitelijke aard als regel niet toelaatbaar. Standpuntwijzigingen van louter rechtskundige aard zijn dat wel. Een voorbeeld hiervan is het arrest BNB 1978/171. (…) Er zijn globaal drie situaties te onderscheiden, waarin partijen na verwijzing nieuwe feitelijke stellingen kunnen aanvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanleiding daartoe kan zijn ontstaan door: a. het verwijzingsarrest zelf; b. nieuwe ontwikkelingen na de vernietigde uitspraak (nieuwe feiten, nieuwe wetgeving en nieuwe rechtspraak); c. nieuwe communautaire rechtspraak/regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat daarbij met name om situaties waarop partijen redelijkerwijs niet hebben kunnen anticiperen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vakliteratuur; civiel 5.57 Winters schreef in zijn dissertatie over de procedure na cassatie en verwijzing in civiele zaken:</p>\n<p class=\"lf-p\">De strenge opvatting van de Hoge Raad dat nieuwe feitelijke stellingen, bewijsaanbiedingen, rechtsmiddelen e.d. in het geding na verwijzing niet meer in aanmerking komen omdat de zaak na verwijzing behandeld moet worden in de stand waarin deze zich bevond toen de vernietigde uitspraak werd gedaan, ondervond in de spaarzame literatuur nogal wat kritiek. Deze kritiek spitste zich toe op de onmogelijkheid voor partijen om nieuwe feiten te stellen e.d., indien de uitspraak van de Hoge Raad tot een nieuwe (hervormde) juridische situatie leidde: partijen zouden in de gelegenheid moeten worden gesteld hun feitelijke stellingen e.d. aan te passen aan de nieuwe situatie. (…) De Hoge Raad lijkt zich de kritiek te hebben aangetrokken. Sinds zijn uitspraak van 27 november 1981, NJ 1982, 503 staat hij partijen toe hun stellingen (en conclusies) aan te passen als de cassatie-uitspraak een nieuwe ontwikkeling in het geding inluidt waarop partijen niet eerder hebben kunnen inspelen. Alsdan staat de omstandigheid dat de zaak zich na vernietiging en verwijzing bevindt in de stand waarin zij zich bevond voordat de vernietigde uitspraak werd gedaan, er dus niet langer aan in de weg dat partijen de zaak na verwijzing nader instrueren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of er sprake is van een nieuwe ontwikkeling in het geding waarop partijen niet eerder hebben kunnen inspelen, zal niet altijd gemakkelijk te beantwoorden zijn. Is het twijfelachtig of er sprake is van een dergelijke ontwikkeling, dan verdient het aanbeveling dat de Hoge Raad door middel van een verwijzingsinstructie duidelijkheid verschaft over de vraag of partijen hun stellingen (e.d.) aan mogen passen. Doet de Hoge Raad dat niet, dan zal de rechter na verwijzing zelf na moeten gaan of partijen hun stellingen e.d. aan mogen passen. Tegen de betreffende beslissing van de rechter na verwijzing zal in cassatie opgekomen kunnen worden, zodat het mogelijkerwijs uiteindelijk toch de Hoge Raad is die bepaalt of er sprake was van een nieuwe ontwikkeling in het geding waarop partijen niet eerder hadden kunnen inspelen en waaraan partijen hun stellingen (e.d.) na verwijzing mochten aanpassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nadere instructie van de zaak door partijen na verwijzing mag niet verder gaan dan nodig is. Partijen mogen hun stellingen e.d. slechts aanpassen aan de door de cassatie-uitspraak ingeluide nieuwe ontwikkeling. Op nieuwe stellingen e.d. die vallen buiten dat kader zal de rechter na verwijzing geen acht mogen slaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.58 In het Asser-deel Cassatie in burgerlijke zaken is vermeld:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">199.</span>Berechting na verwijzing: de grenzen van de rechtsstrijd (…) Reeds vóór de wetswijziging van 1963 werd algemeen aangenomen dat de rechter, naar wie het geding was verwezen, verplicht was de uitspraak van de Hoge Raad in acht te nemen, al was voor dit belangrijke beginsel geen rechtstreekse steun in de toenmalige art. 423 en 424 Rv te vinden. Sedert 1963 bepaalt art. 424 met zoveel woorden dat de verwijzingsrechter de behandeling van de zaak voortzet en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. (…) In theorie kent deze regel, waarvan de rechter zelfs niet met bewilliging van beide partijen mag afwijken, één uitzondering. De rechter naar wie het geding is verwezen, mag op grond van art. 177 EEG-Verdrag, thans art. 234 EG-Verdrag, aan het Hof van Justitie vragen stellen omtrent de uitlegging van communautair recht, waarover de hoogste rechter zich heeft uitgesproken zonder te dier zake een prejudiciële beslissing uit te lokken. Aldus besliste het Hof van Justitie in een procedure, waarin het Finanzgericht Hessen na verwijzing van het geschil door het Bundesfinanzhof het Hof te Luxemburg een - stoutmoedige - vraag van uitleg van communautair recht had gesteld, welke vraag namelijk hierop neerkwam of het te dier zake door het Bundesfinanzhof ingenomen standpunt wel juist was.</div>\n<p class=\"lf-p\">5.59 In het Asser-deel Hoger beroep is vermeld: [254] Onvoltooide instantie. Met betrekking tot het voorschrift dat de verwijzingsrechter de behandeling van de zaak voortzet, heeft de Hoge Raad reeds in 1919 geoordeeld dat hij de zaak op het bestaande beroep verder moet behandelen en afdoen. Vervolgens is de Raad de term ‘onvoltooide appelinstantie’ voor de procedure na verwijzing gaan gebruiken en heeft hij geoordeeld dat, indien de vernietiging een uitspraak van de appelrechter betreft, de appelinstantie onvoltooid is gebleven en dus voortduurt, ook als het geding is verwezen naar een andere appelrechter dan degene wiens uitspraak werd vernietigd. De procedure na cassatie en verwijzing is dus niet een zelfstandige instantie met een eigen procesgang. Het is de voortzetting van de onvoltooide appelinstantie die voorafging aan het cassatiegeding. Dat de zaak na vernietiging en verwijzing nog bij de verwijzingsrechter moet worden aangebracht, brengt daarin geen verandering. (…) [258] Nieuwe ontwikkelingen. Zoals gezegd moet de verwijzingsrechter in beginsel de zaak berechten in de stand waarin zij zich bevond ten tijde van de bestreden uitspraak. Dit heeft tot gevolg dat in beginsel niet de gelegenheid bestaat voor een nieuwe instructie van de zaak, tenzij sprake is van een geschilpunt dat voor cassatie en verwijzing al aan de orde was gesteld en bij de voortzetting van het debat na verwijzing opnieuw, dan wel alsnog van belang wordt. In een dergelijk geval mag een eerder verweer worden gepreciseerd en nader toegelicht alsmede een daarop betrekking hebbende feitelijk onjuist standpunt worden gecorrigeerd en mogen onder omstandigheden ook nieuwe producties worden overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvankelijk rechtvaardigde een nieuwe ontwikkeling geen aanpassing van stellingen in de procedure na verwijzing. Ook al luidde het casserende arrest van de Hoge Raad een nieuwe ontwikkeling in het geding in waarop partijen niet eerder konden inspelen, toch was het tot eind 1981 uitgesloten na verwijzing nieuwe feitelijke of juridische argumenten aan te voeren, of alsnog bewijs aan te bieden. Daaraan lag ten grondslag de 'logische' regel dat partijen door vernietiging en terugwijzing in de toestand werden gebracht waarin zij verkeerden voordat het hof arrest wees. De door de Hoge Raad gedane uitspraak werd dus weggedacht. Maar met deze ‘logica’ is geen redelijk belang gediend. Dit klemt temeer omdat de appelrechter tot taak heeft het geschil te beoordelen naar de stand van zaken ten tijde van zijn uitspraak. Zowel Frans als Duits recht kent dan ook een andere regel. Eind 1981 wijzigde de Hoge Raad in het licht van dit alles zijn koers door te beslissen dat, als hij omgaat, partijen na cassatie en verwijzing de vrijheid hebben hun stellingen en conclusies aan te passen aan die wijziging. Hetzelfde geldt in het geval van nieuwe wetgeving. Wel brengen de eisen van een goede procesorde - in het bijzonder het beginsel van hoor en wederhoor - mee dat aan de wederpartij genoegzaam de gelegenheid wordt geboden haar verweer aan te vullen en, voor zover nodig, ook overigens haar standpunt te herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien partijen daarom vragen, mogen zij de zaak opnieuw bepleiten om hun visie te geven op de verdere behandeling en beslissing daarvan. Een beroep op nieuwe of gewijzigde omstandigheden mag vanzelfsprekend slechts worden gedaan binnen de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing. De verwijzingsrechter moet zulke omstandigheden mede in zijn oordeel betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor werd opgemerkt (…) moet de verwijzingsrechter die na vernietiging de zaak in volle omvang heeft te beoordelen, in alimentatiezaken en in andere zaken die naar de actuele toestand moeten worden beoordeeld, recht doen op basis van alle op dat moment bestaande relevante omstandigheden, zodat partijen hun stellingen mogen aanpassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.60 Dempsey schreef:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieberoep wordt gezegd slechts ‘partiële werking’ te hebben. Dit hangt samen met het bepaalde in art. 419 Rv, op grond waarvan de Hoge Raad zich bij zijn onderzoek van de bestreden uitspraak moet beperken tot de cassatiemiddelen. Buiten die middelen om mag de Hoge Raad niet casseren. Hoewel de Hoge Raad in zijn dictum de bestreden uitspraak vernietigt, is de bestreden uitspraak daarmee niet volledig van tafel geveegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwijzingsrechter moet (…) bepalen wat de grenzen van het geding – de rechtsstrijd – na verwijzing zijn. Daarbij geldt als regel dat de verwijzingsrechter gebonden is aan alle niet- of tevergeefs in cassatie bestreden beslissingen. De ratio van deze regel is in essentie dezelfde als die van de leer van de bindende eindbeslissing: het uit het oogpunt van een goede procesorde beperken van het debat, oftewel lites finiri oportet. Bovendien, zo is de gedachte, als men het met een bepaalde (eind)beslissing in de procedure vóór cassatie niet eens was, dan had men dit in de cassatieprocedure aan de orde moeten stellen. De rechtvaardiging voor de regel dat de verwijzingsrechter gebonden is aan in cassatie niet-bestreden beslissingen, kan dan ook tevens worden gevonden in de partijautonomie: evenals de appèlrechter is ook de verwijzingsrechter gebonden aan door partijen niet bestreden eerdere rechterlijke beslissingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is het inmiddels vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat partijen in de procedure na verwijzing nieuwe producties mogen overleggen, mits deze betrekking hebben op al vóór de verwijzing ingenomen stellingen (en daarmee vallen binnen het kader van de rechtsstrijd na verwijzing).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondanks de door de Hoge Raad aangebrachte versoepeling is de regel uit 1934 zeker niet geheel achterhaald. Zo mag de verwijzingsrechter nog altijd geen acht slaan op een nieuw verweer dat voor het eerst (bij pleidooi) na verwijzing wordt aangevoerd en die een partij tijdens de procedure vóór cassatie al had kunnen aanvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.61 Winters schreef in zijn commentaar bij artikel 424 Rv:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Nieuwe feiten, bewijsaanbiedingen en dergelijke na verwijzing a. Van oudsher: strenge leer Meestal is de rechterlijke fout die tot vernietiging leidde, begaan in de uitspraak die is gewezen nadat partijen de zaak geheel hadden geïnstrueerd (dat wil zeggen de conclusies hadden genomen waarop zij recht hadden en recht op de stukken hadden gevraagd of de zaak hadden bepleit). Voor dit geval heeft lang de regel gegolden dat de rechter na verwijzing de zaak moest behandelen in de stand waarin deze zich bevond toen de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak werd gewezen. Dit bracht mee dat het in het geding na verwijzing voor partijen in beginsel niet mogelijk was nieuwe feiten te stellen, nieuwe feitelijke verweren aan te voeren of nieuwe feitelijke gronden voor de eis of het verzoek aan te voeren, de eis of het verzoek zelf te veranderen of te vermeerderen (HR 1 oktober 2010, RvdW 2010/1127), nieuw bewijs aan te bieden of nieuwe bewijsstukken over te leggen zonder voorafgaande bewijsopdracht en voor het eerst een beroep te doen op rechtsregels die de rechter niet ambtshalve mag toepassen, maar waarop partijen in rechte een beroep moeten doen (zoals verjaring of gezag van gewijsde) of nieuwe grieven aan te voeren (als de procedure na verwijzing de appèlinstantie voortzet). De strenge leer geldt (in beginsel) niet in alimentatiegeschillen (…). b. Versoepeling Hoewel de Hoge Raad geen afstand heeft gedaan van deze strenge leer (HR 26 november 1997, NJ 1998/285 (gemeente Leeuwarden/Koopmans c.s.); HR 15 november 2002, NJ 2003/33, r.o. 3.2.2; HR 29 juni 2007, NJ 2007/354 (De Rooy/Ekkersrijt) en HR 25 maart 2011, RvdW 2011/419; (Ploum/Smeets), r.o. 3.3.4), laat hij partijen tegenwoordig vaker toe de zaak na verwijzing nader te instrueren. De rechter na verwijzing mag acht slaan op na verwijzing zonder voorafgaande bewijsopdracht overgelegde producties, als deze producties betrekking hebben op al voor de cassatieinstantie ingenomen stellingen (HR 27 februari 2009, RvdW 2009/382). Die producties mogen de eerdere stellingen (die na cassatie en verwijzing nog aan de orde zijn) preciseren en nader onderbouwen en zelfs een kennelijk op een vergissing terug te voeren onjuiste feitelijke stellingname corrigeren (HR 25 maart 2011, RvdW 2011/419; (Ploum/Smeets), r.o. 3.3.4). De rechter na verwijzing mocht eveneens acht slaan op bescheiden ter staving van een vordering tot schadevergoeding, zoals deze na verwijzing zonder protest van de wederpartij was gewijzigd. Daarmee was het belang van de proceseconomie gediend, omdat deze bescheiden in de schadestaatprocedure hadden kunnen worden overgelegd als de eis niet zou zijn gewijzigd en de oorspronkelijke vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat zou zijn toegewezen (HR 1 november 1996, NJ 1997/134 (Blaauwbroek/Van Loon)). Voorts heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat als partijen uitsluitend hebben gestreden over de aansprakelijkheidsvraag en het beroep in cassatie ook uitsluitend op die vraag betrekking had, geen rechtsregel zich verzet tegen een vermeerdering van eis voor zover deze eisvermeerdering uitsluitend betrekking heeft op de omvang van de vordering tot schadevergoeding (HR 2 oktober 1998, NJ 1999/683 (Koninklijke Schelde Groep/erven Cijsouw)).</div>\n<p class=\"lf-p\">(…) 6Aanwending in het kader van het landbouwbedrijf 6.1 Hierna volgt een overzicht van wetgeving, jurisprudentie en literatuur met betrekking tot de Landbouwvrijstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wetgeving en geschiedenis 6.2 Artikel 8 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) luidde tot 27 juni 2000, voor zover hier relevant, als volgt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Tot de winst behoren niet: (…) b. voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden - daaronder begrepen de ondergrond van gebouwen -, behoudens voor zover de waardeverandering in de uitoefening van het bedrijf is ontstaan of verband houdt met de omstandigheid dat de grond voortaan of waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend; (…) 3. Onder landbouwbedrijf wordt verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van produkten van akkerbouw, van weidebouw of van tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen, bloembollen en paddestoelen - dan wel op het in het kader van veehouderij fokken, mesten of houden van dieren. Met landbouwbedrijf worden gelijkgesteld binnenvisserij en visteelt.</div>\n<p class=\"lf-p\">6.3 Per 27 juni 2000 is de landbouwvrijstelling beperkt tot waardeveranderingen bij voortgezette agrarische bestemming.Artikel 8, lid 1, onderdeel b, van de Wet IB 1964 luidde vanaf 27 juni 2000 als volgt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Tot de winst behoren niet: (…) b. voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden - daaronder begrepen de ondergrond van gebouwen - voorzover de waardeverandering van de grond is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf, en niet is ontstaan in de uitoefening van het bedrijf.</div>\n<p class=\"lf-p\">6.4 Deze formulering stemt overeen met die van artikel 3.12 van de Wet IB 2001. Deze bepaling luidt - sinds 2001 ongewijzigd - als volgt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Tot de winst behoren niet voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden – daaronder begrepen de ondergrond van gebouwen – voorzover de waardeverandering van de grond is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf, en niet is ontstaan in de uitoefening van het bedrijf.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder landbouwbedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten van akkerbouw, van weidebouw of van tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen, bloembollen en paddestoelen – of op het in het kader van veehouderij fokken, mesten of houden van dieren. Met landbouwbedrijf worden gelijkgesteld binnenvisserij en visteelt.</div>\n<p class=\"lf-p\">6.5 Voormelde beperking van de landbouwvrijstelling is in de Memorie van Toelichting als volgt toegelicht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 april 1986 is de landbouwvrijstelling bij Wet van 27 maart 1986, Stb. 135, beperkt tot de waardeveranderingen van de grond in de agrarische sfeer. Dit werd bereikt door waardeveranderingen van landbouwgrond die verband houden met de omstandigheid dat de grond voortaan of waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf zal worden aangewend, niet langer onder de vrijstelling te laten vallen. Onder «binnenkort» wordt in dit verband verstaan, korter dan zes jaren. Met betrekking tot de te belasten bestemmingswijzigingswinst kan worden gedacht aan situaties waarin landbouwgrond wordt verkocht ten behoeve van de aanleg van industrieterreinen en voor woningbouw en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achteraf moet worden geconstateerd dat met de huidige vormgeving van de regeling de doelstelling van de aanscherping onvoldoende tot zijn recht komt. Zo blijkt dat de praktijk in het zicht van een bestemmingswijziging op de regeling inspeelt door bij de verkoop van de grond aan bijvoorbeeld een projectontwikkelaar af te spreken dat de grond eerst nog ten minste zes jaar binnen de agrarische sfeer wordt aangewend. Op deze manier wordt belastingheffing over de bestemmingswijzigingswinst illusoir. Met de voorgestelde wijziging wordt beoogd aan de fiscale gevolgen van deze praktijk een einde te maken. Hiertoe is bepaald dat de vrijstelling slechts geldt voorzover de voordelen zijn toe te rekenen aan veranderingen van de waarde van de grond bij aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf. Deze waarde, die ook wel wordt aangeduid als de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (WEVAB), is een bekend begrip in de praktijk. Hieronder wordt verstaan de waarde die de grond in het economische verkeer heeft bij voortgezette aanwending van de grond – en de eventueel daarop gevestigde opstallen – in het kader van een landbouwbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6 De wijziging van de landbouwvrijstelling per 27 juni 2000 heeft, afgezien van een taalkundige aanpassing, niet tot wijziging van de definitie van landbouwbedrijf geleid. Deze definitie is, nadat een eerder wetsvoorstel was ingetrokken, per 1 april 1986 ingevoerd bij de Wet van 27 maart 1986. Daarbij is in de Memorie van Toelichting opgemerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitie van landbouwbedrijf, zoals die zal gaan gelden, is opgebouwd uit de volgende elementen. In de eerste plaats gaat het om bedrijven welke zich richten op het winnen van tot het plantenrijk behorende produkten. In de wettekst is dit tot uitdrukking gebracht door de woorden «het voortbrengen van produkten van akkerbouw, van weidebouw of van tuinbouw». Deze begrippen moeten ruim worden opgevat. Dat breng met zich mede, dat bij voorbeeld, evenals thans, ook rietvelden en grienden onder de landbouwvrijstelling zullen vallen. Wat het begrip tuinbouw betreft is in de wettekst met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht, dat fruitteelt, bloementeelt, bloembollencultuur en het kweken van bomen en paddestoelen vormen van tuinbouw zijn. (…) Voorts gaat het bij de voorgestelde begripsbepaling om bedrijven die zijn gericht op het fokken, mesten of houden van dieren. Een belangrijke categorie hierbij wordt gevormd door de bedrijven die melkvee houden. Daarbij gaat het niet alleen om bedrijven die voornamelijk eigen voer gebruiken, maar ook om de zogenaamde intensieve veehouderij, de bedrijven die in feite zijn aangewezen op ingekocht voer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de categorieën van dieren kan worden gedacht aan koeien, varkens, schapen, paarden, kalveren, kuikens, kippen, kalkoenen, eenden en nertsen. Het is niet nodig dat de dieren ook eigendom zijn van de belastingplichtige; van het in het kader van veehouderij fokken, mesten of houden van dieren is ook sprake, indien een belastingplichtige voor rekening en risico van een derde dieren fokt, mest of houdt. Daarbij kan worden gedacht aan bij voorbeeld het verzorgen van contractvarkens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip veehouderij moet in de agrarische betekenis worden opgevat. Dit houdt mede in, dat onder het in het kader van veehouderij fokken, mesten of houden van dieren ook wordt verstaan het exploiteren van een station voor kunstmatige inseminatie ten behoeve van de agrarische sector. De begripsomschrijving van het landbouwbedrijf heeft evenwel geen betrekking op dierentuinen, dierenasielen, circussen en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de voorgestelde wettekst is tevens bepaald dat binnenvisserij en visteelt met landbouwbedrijf worden gelijkgesteld. Daarmee wordt bereikt dat op dit punt de reikwijdte van de voorgestelde omschrijving van het begrip landbouwbedrijf overeenkomt met de omschrijving van dit begrip in het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, welke laatste begripsomschrijving door de Hoge Raad voor de toepassing van artikel 8, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is gecontinueerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7 In de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer is hieraan nog toegevoegd:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de C.D.A.-fractie vragen voorts waarom in de wettekst de term landbouwbedrijf wordt gebruikt, terwijl in de jurisprudentie dit begrip zodanig is verbijzonderd, dat voor de toepassing van de huidige landbouwvrijstelling beslissend is de wijze van grondgebruik. Zij wijzen hierbij op het artikel van mr. P.H.F. Remie in het Weekblad voor Fiscaal Recht (…). Naar aanleiding hiervan merk ik het volgende op. De in de wettekst gebruikte terminologie op dit punt is ontleend aan het amendement-Van der Linden. Met de nieuwe omschrijving van het begrip landbouwbedrijf wordt bereikt dat - anders dan voorheen, waar blijkens de jurisprudentie inderdaad onder andere de wijze van grondgebruik bepalend was voor het van toepassing zijn van de landbouwvrijstelling - ook met nieuwe innovatieve ontwikkelingen kan worden rekening gehouden. De term landbouwbedrijf is overigens niet nieuw in de fiscale wetgeving; in het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 werd deze term reeds gehanteerd. In de memorie van toelichting (blz. 6 e.v.) is een en ander nader uiteengezet en worden ook voorbeelden gegeven van innovatieve ontwikkelingen. Ook bij de eerdergenoemde behandeling van het amendement-Van der Linden in de Tweede Kamer is uitgebreid aan de orde geweest, dat het huidige regime van de landbouwvrijstelling belemmerend werkt voor innovatieve ontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8 In de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer is vermeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze leden vragen zich voorts af waarom in de memorie van toelichting geen uitputtende opsomming is gegeven van de categorieën dieren die onder het regime van de landbouwvrijstelling kunnen vallen; tevens willen deze leden weten of het fokken van reeën en wilde zwijnen voor de consumptie onder de landbouwvrijstelling valt. Ten antwoord op deze vragen wil ik opmerken dat bewust in de memorie van toelichting slechts een voorbeeldsgewijze en geen uitputtende opsomming is gegeven van dieren die in het kader van de veehouderij kunnen worden gefokt, gemest of gehouden. Met een voorbeeldsgewijze opsomming ontstaat namelijk, anders dan bij een uitputtende opsomming, de in de praktijk benodigde ruimte om te kunnen aansluiten bij ontwikkelingen op het terrein van het bedrijfsmatig fokken van dieren. Zo was bij voorbeeld in Nederland het fokken van groot wild enkel voor de consumptie een aantal jaren geleden nog ondenkbaar. Thans ligt dat anders. Landbouwgrond welke wordt gebruikt voor het fokken van die dieren voor de consumptie zal dan ook onder de landbouwvrijstelling vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.9 Bij de bespreking van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer is door toenmalig Staatssecretaris Koning opgemerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Mijnheer de Voorzitter! Dit wetsontwerp kent een lange voorgeschiedenis, waarbij deze Kamer een grote rol heeft gespeeld. In een vorig wetsontwerp was een amendement-Van der Linden opgenomen, dat hier op grote bezwaren stuitte. Op grond daarvan is het op verzoek van deze Kamer om nader advies naar de Raad van State gezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het huidige wetsvoorstel bevat een uitbreiding van de landbouwvrijstelling, waarbij het erom gaat dat agrariërs die door toepassing van nieuwe, moderne methoden buiten de vrijstelling zijn komen te vallen, er weer wel voor in aanmerking kunnen komen. Hierbij kan met name worden gedacht aan de intensieve veehouderij en het gebruik van kweektabletten in de tuinbouw. (…) Wat de beperking van de landbouwvrijstelling betreft, gaat het erom, voortaan de waardestijging te belasten die voortvloeit uit het feit dat de grond een aanwending krijgt buiten de agrarische sector. Met goedvinden van deze Kamer gaat deze wijziging in op 1 april. (…) 6.10 Tot 1986 moest voor een definitie van het begrip 'landbouwbedrijf' worden teruggegrepen op artikel 18 van het Besluit op de inkomstenbelasting 1941 (hierna: het Besluit IB 1941), waarin was vermeld: 'Landbouwbedrijf' in de zin van dit besluit is elk bedrijf, dat gericht is op het met behulp van natuurkrachten winnen van planten en plantendelen, dan wel op het fokken of telen of houden van dieren, indien daarbij hoofdzakelijk voortbrengselen van het eigen landbouwbedrijf worden verbruikt, zoals:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>akkerbouw, tuinbouw, fruitteelt, bloembollenteelt en boomkwekerij;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>veehouderij, vetweiderij en pluimveehouderij (...).</div>\n<p class=\"lf-p\">6.11 Een belangrijke voorwaarde hierbij was het zogenaamde 'eigenvoer vereiste', de voorwaarde dat het landbouwbedrijf voornamelijk zelf moesten kunnen voorzien in de behoefte aan veevoer voor de dieren op het bedrijf. Dit eigenvoer vereiste is bij de herziening van de landbouwvrijstelling van 1986 komen te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie en commentaar 6.12 HR 23 november 1955, nr. 12 448, BNB 1956/38: dat volgens art. 18, lid 1, landbouwbedrijf in den zin van het Besluit [IB 1941, A-G] is elk bedrijf, dat gericht is op het met behulp van natuurkrachten winnen van planten of plantendelen, dan wel op het fokken, telen of houden van dieren, indien daarbij hoofdzakelijk voortbrengselen van het eigen landbouwbedrijf worden verbruikt terwijl volgens het tweede lid als onderdeel van het landbouwbedrijf onder meer wordt beschouwd het gebruik van de eigen woning, indien dit met de uitoefening van een landbouwbedrijf rechtstreeks verband houdt; dat in het bijzonder uit deze toevoeging blijkt, dat de besluitgever onder \"landbouwbedrijf\" niet heeft verstaan het bedrijf als organisatie, als onderneming met inbegrip van al hetgeen daartoe als vermogen kan behoren, doch uitsluitend het oog heeft gehad op de feitelijke beoefening van den landbouw met al hetgeen met die beoefening rechtstreeks verband houdt; dat hieruit volgt, dat, (…), enerzijds niet al hetgeen behoort tot een onderneming, welke de beoefening van het landbouwbedrijf als voornaamste doel heeft en mitsdien als landbouwonderneming kan worden beschouwd, behoeft te vallen onder de uitoefening van het landbouwbedrijf in den zin van art. 18, en anderzijds ook tot een onderneming, welke het landbouwbedrijf niet tot hoofddoel heeft en mitsdien niet het karakter van een landbouwonderneming draagt, werkzaamheden kunnen behoren, welke wel als uitoefening van het landbouwbedrijf in bovenstaanden zin kunnen worden beschouwd;</p>\n<p class=\"lf-p\">6.13 HR 1 juni 1960, nr. 14 243, BNB 1960/196: dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld, dat belanghebbendes bedrijfsuitoefening gericht is op het stallen van vee van derden en de graswinning op het litigieuze weiland dienstbaar was aan die stalling; dat het Hof uitgaande van deze feitelijke vaststelling terecht heeft overwogen, dat dit weiland niet dienstbaar was aan een landbouwbedrijf, zodat belanghebbende geen aanspraak kan maken op toepassing van artikel 6, lid 2, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941;</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14 HR 15 juni 1960, nr. 14 302, BNB 1960/203: dat de eerste grief van belanghebbende kennelijk berust op de mening dat, zo hij het in 1956 verkochte onroerende goed in overeenstemming met de redelijkheid had gerekend tot het bedrijfsvermogen van zijn landbouwonderneming, dit onroerende goed dan ook behoorde tot zijn landbouwbedrijf in den zin van artikel 6, lid 2, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941; dat echter tot dit laatste vereist was dat het verkochte onroerende goed door belanghebbende werd gebruikt voor de feitelijke beoefening van den landbouw met al hetgeen met die beoefening rechtstreeks verband houdt, en het Hof derhalve terecht heeft onderzocht, of aan dit vereiste was voldaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">6.15 HR 11 januari 1961, nr. 14 475, BNB 1961/68: dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld, dat het weiland door belanghebbende in den daartoe geschikten tijd van het jaar werd gebruikt voor het tijdelijk onderbrengen van voor zijn slagerij bestemd vee in geval dit niet onmiddellijk werd geslacht; dat het Hof, uitgaande van deze feitelijke vaststelling, terecht heeft overwogen, dat dit weiland niet dienstbaar was aan een landbouwbedrijf, zodat belanghebbende geen aanspraak kan maken op toepassing van artikel 6, lid 2, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941;</p>\n<p class=\"lf-p\">6.16 HR 19 februari 1964, nr. 15 088, BNB 1964/83: dat, naar het Hof heeft vastgesteld, de gronden, waarop het geding betrekking heeft, , sedert 1953 tot den verkoop in Maart 1955 niet meer voor de feitelijke beoefening van den landbouw in den zin van artikel 18 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 hebben gediend, doch tot het bedrijfsvermogen (…) bleven behoren; dat, dit vaststaande, het Hof terecht heeft geoordeeld, dat artikel 6, lid 2, van het Besluit [de landbouwvrijstelling, A-G] ten aanzien van de waardeverandering van de hiervoor bedoelde gronden, (…) niet van toepassing is;</p>\n<p class=\"lf-p\">6.17 Gerechtshof te Leeuwarden 25 januari 1965: dat hij na 1956 de landerijen zelf is blijven bewerken en bemesten en dat hij dit bedrijfsmatig deed; dat deze handelingen waren gericht op het telen van gras, hetgeen een vorm is van het met behulp van natuurkrachten winnen van planten(delen); dat deze bedrijfvigheid van belanghebbende ingevolge het bepaalde in artikel 18, lid 1, aanhef van het Besluit is aan te merken als een landbouwbedrijf, aan de uitoefening waarvan de landerijen dienstbaar waren; dat hierbij niet van betekenis is het tussen partijen bestaande geschilpunt over de vraag in hoeverre dat aldus gewonnen gras door belanghebbende werd gebezigd als voer voor het van tijd tot tijd door hem gekochte jongvee, dat hij op de landerijen liet weiden, en voor het door hem gehouden pluimvee, en in hoeverre dat geteelde gras door hem werd verkocht aan derden, die hij tegen betaling vee in de landerijen liet weiden;</p>\n<p class=\"lf-p\">6.18 Gerechtshof te Amsterdam 4 december 1967, nr. 304/1967, BNB 1968/128: dat het Hof aannemelijk acht, dat belangh. een bedrijf had, deels betreffende de feitelijke beoefening van de landbouw, namelijk ten aanzien van de exploitatie van het land ter beweiding, en deels niet een zodanige beoefening betreffende, namelijk ten aanzien van het houden van kippen, onder welke omstandigheden de ontvangsten uit het beweiden en de gerealiseerde waardestijging van het ter beweiding gebruikte land geacht moeten worden te zijn verkregen in de uitoefening van een landbouwbedrijf in de zin van art. 6, lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">De redactie van BNB voegde onder deze uitspraak de volgende voetnoot toe: *1. Bij brief van 11 januari 1968, no. B8/52, heeft de Staatssecretaris aan de directeur medegedeeld dat hij heeft afgezien van het instellen van beroep in cassatie tegen de onderhavige uitspraak, onder toevoeging van het volgende: Zoals uit de arresten van de HR van 23 november 1955, rolno. 12 448 ( BNB 1956/38) en van 23 november, rolno. 12 488 (BNB 1956/39) blijkt, kunnen tot een onderneming, die het landbouwbedrijf niet tot hoofddoel heeft en mitsdien niet het karakter van een landbouwonderneming draagt, zeer wel werkzaamheden behoren, die wel als uitoefening van het landbouwbedrijf kunnen worden beschouwd. 's Hofs beslissing, dat belangh. een bedrijf uitoefende, dient dan ook - zoals overigens ook duidelijk uit de uitspraak blijkt - zo te worden opgevat, dat belangh. een onderneming uitoefende en dat een deel van de in die onderneming verrichte werkzaamheden betrekking had op de uitoefening van een landbouwbedrijf in de zin van art. 18 IB '41. 's Hofs beslissing, dat de onderhavige grond ook na 1958 dienstbaar was aan de uitoefening van een landbouwbedrijf in de zin van art. 18 van het Besluit, acht ik - gelet op de door belangh. in het kader van de beweiding van de grond met vee van derden verrichte werkzaamheden - juist.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.19 HR 7 maart 1979, nr. 19 130, BNB 1980/229: dat immers, ook indien een perceel niet geheel doch nagenoeg geheel dienstbaar is aan de uitoefening van een landbouwbedrijf, meergenoemde vrijstelling van toepassing kan zijn; dat het Hof derhalve de mate van het gebruik van perceel 3260 voor slachtvee niet buiten beschouwing mocht laten en met name niet kon volstaan met de vaststelling dat in elk van de jaren 1964 tot en met 1970 de 5.16.01 ha. weiland - waarvan, naar uit de bestreden uitspraak blijkt, perceel 3260 een gedeelte was - mede is aangewend voor het daarop weiden van slachtvee door belanghebbende op de dagen liggende tussen de aan- en verkoop door hem van dit vee in het kader van zijn grossierderij in vee en vlees;</p>\n<p class=\"lf-p\">6.20 HR 15 juni 1988, nr. 24 715, BNB 1989/316:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de exploitatie gedurende het tijdvak van 1 januari 1975 tot 21 december 1979 (…) heeft het Hof geoordeeld - samengevat weergegeven - dat (…) voor wat betreft de hantering van de eigenvoereis moet worden onderscheiden tussen activiteiten van tweeërlei aard, te weten enerzijds het houden van melkkoeien in de ligboxenstal, welke activiteit niet aan die eis voldoet en dus ook niet is aan te merken als landbouwbedrijf in de zin van artikel 8, letter b, en anderzijds de exploitatie van de cultuurgrond - waartoe mede behoort het houden van het jongvee bestemd voor de instandhouding van het bestand aan melkkoeien - welke activiteit daarentegen wel aan de eigen-voereis beantwoordt en derhalve als landbouwbedrijf in evenbedoelde zin heeft te gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus oordelende heeft het Hof geen blijk gegeven de inhoud van het begrip \"landbouwbedrijf\" als hiervoor bedoeld te hebben miskend. Nu dat oordeel is verweven met waarderingen van feitelijke aard, kan het voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst; (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verburg schreef in zijn conclusie voor BNB 1989/316:</p>\n<p class=\"lf-p\">De splitsingsjurisprudentie (…) ontneemt de eigen-voereis haar scherpe kanten doordat zij de mogelijkheid opent, binnen de onderneming een samenhangend geheel van activiteiten te onderscheiden dat aan de kwalificaties van een \"landbouwbedrijf\" voldoet; voor althans dat deel van de onderneming kan de landbouwvrijstelling een rol spelen. Vermeden wordt aldus dat de eigen-voereis, toegepast op de onderneming in haar totaliteit, zou leiden tot volledige uitsluiting van de landbouwvrijstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redactie van Vakstudie-Nieuws tekende aan in VN 1988/1789:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De onderhavige intensieve melkveehouderij valt volgens de in cassatie onaantastbaar gebleken vaststelling van het hof uiteen in twee afzonderlijke bedrijven: een cultuurgrondbedrijf (landbouwvrijstelling in beginsel toepasselijk) en een melkkoeienbedrijf (geen landbouwvrijstelling). Hoe gewrongen deze weergave van de feitelijke situatie in een normaal veehoudersbedrijf ook kan worden ervaren, zij zal moeten worden gerespecteerd; ook voor bijvoorbeeld het toekennen van de franchise in geval van staking. (…) Tuinte annoteerde in FED 1989/265:</div>\n<p class=\"lf-p\">Het arrest samenvattend valt het volgende te concluderen: het begrip landbouwbedrijf is ook voor de periode tot 1 april 1986 (opnieuw) duidelijk inhoud gegeven, of zo men wil: onder het stof vandaan gehaald en opgepoetst; binnen een (agrarische) onderneming kunnen twee of meer bedrijven met op zichzelf staande activiteiten - worden uitgeoefend. Of deze vaststelling ook leidt tot de consequentie van meervoudige toepassing van de stakingsvrijstelling, zoals Redactie Vakstudie-Nieuws (…) suggereert, zal afhangen van de vraag of evenbedoelde bedrijven tevens als evenzoveel gedreven ondernemingen kunnen worden aangemerkt. De betreffende jurisprudentie is tot dusver afhoudend. het begrip uitoefening van een (landbouw)bedrijf heeft een engere betekenis dan het (ruimere) begrip uitoefening van de onderneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.21 HR 8 juli 1996, nr. 30 962, LJN AA1977, BNB 1996/311:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3. (…) Grond die werd aangewend in de uitoefening van een landbouwbedrijf, doch voortaan zal worden gebezigd voor niet-bedrijfsmatige doeleinden, is, ook indien dit gebruik inhoudt dat nog planten worden geteelt of dieren worden gehouden, voor de toepassing van vorenbedoelde bepaling aan te merken als grond die buiten het kader van een landbouwbedrijf zal worden aangewend.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.22 HR 7 mei 1997, nr. 32 097, LJN AA3227, BNB 1997/236:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de middelen dient het volgende te worden vooropgesteld. Indien onder de werking van artikel 8, lid 1, letter b, van de Wet, zoals deze bepaling sinds 1 april 1986 luidt, op de bij een landbouwbedrijf behorende grond, hetzij op het bestaande agrarische bouwperceel, hetzij op daarbuiten gelegen grond, een tweede bedrijfswoning wordt gebouwd, wordt het perceel waarop deze bouw plaatsvindt, onttrokken aan het gebruik ten behoeve van de landbouw in eigenlijke zin. Dit houdt voor de toepassing van genoemde wetsbepaling in dat dit perceel voortaan niet meer in het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf zal worden aangewend. Daaraan doet niet af, dat tussen het perceel met de daarop te bouwen woning en het landbouwbedrijf nog een zodanig verband kan bestaan, dat het de ondernemer vrijstaat deze zaak tot het ondernemingsvermogen te rekenen; voor een zodanige keuze geldt immers niet de strenge eis dat het perceel geheel of nagenoeg geheel voor de feitelijke beoefening van de landbouw wordt aangewend. (…) Bij deze uitspraak annoteerde ik in BNB 1997/236:</p>\n<p class=\"lf-p\">Begrijp ik de Hoge Raad goed, dan leert hij in dit arrest het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grond is landbouwgrond wanneer hij wordt gebruikt ten behoeve van de landbouw in eigenlijke zin. Onder dat gebruik valt niet het gebruik van de grond als ondergrond voor een woning. Het onderhavige criterium valt niet samen met de vraag of de grond deel uitmaakt van de landbouwonderneming in fiscaalrechtelijke zin. De woning en de daarbij behorende grond kunnen in voldoende nauw verband staan met de onderneming om deze daartoe te blijven rekenen, ondanks dat van landbouwgrond in de zojuist bedoelde strikte zin van het woord geen sprake meer is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jansen tekende aan in FED 1997/391:</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het arrest geeft ook meer duidelijkheid over het begrip bestemmingswijziging. Daarvan is ook sprake als op de bij een landbouwbedrijf behorende, of daarbuiten gelegen grond, een tweede bedrijfswoning wordt gebouwd waardoor deze grond aan het gebruik van de landbouw in eigenlijke zin wordt onttrokken. Daaraan doet niet af, dat tussen het perceel met de daarop te bouwen woning en het landbouwbedrijf nog een zodanig verband kan bestaan, dat het de ondernemer vrijstaat deze zaak tot het ondernemingsvermogen te rekenen. De vermogensetikettering van de grond is dus niet relevant. De grond moet geheel of nagenoeg geheel dienstbaar zijn aan het landbouwbedrijf. Ik interpreteer de zienswijze van de Hoge Raad aldus dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het landbouwbedrijf en de landbouwonderneming. Waarbij onder een landbouwonderneming moet worden verstaan een onderneming in de zin van art. 6 Wet IB 1964 en onder een landbouwbedrijf het bedrijf gericht op de feitelijke uitoefening van de landbouw. Deze zienswijze past in de tot nu toe gewezen jurisprudentie over de landbouwvrijstelling (zie De Vakstudie Inkomstenbelasting art. 8, aant. 42). Ook de arresten van 8 juli 1996, BNB 1996/310 t/m 1996/312 passen in deze zienswijze. In die arresten besliste de Hoge Raad dat de onttrekking van de ondergrond van de woning geen bestemmingswijziging is. Woningen worden niet in de feitelijke uitoefening van de landbouw gebruikt en dus is er geen bestemmingswijziging. (…) 6.23 HR 26 augustus 1998, nr. 32 598, LJN AA2531, BNB 1999/47:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft geoordeeld dat het fokken, africhten, trainen, houden en exploiteren van paarden ten behoeve van de springsport niet is aan te merken als het in het kader van veehouderij fokken, mesten of houden van dieren in de zin van artikel 8, lid 2, van de Wet. Het heeft hierbij in aanmerking genomen dat op pagina 7 van de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de wet van 27 maart 1986, Stb. 135, waarbij evengenoemde bepaling in de Wet is opgenomen, is vermeld dat het in deze bepaling voorkomende begrip veehouderij in de agrarische betekenis moet worden opgevat en dat op pagina 3 van de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer bij dit wetsontwerp het standpunt is ingenomen dat het fokken van honden door kennelhouders niet voldoet aan de voorwaarde van de landbouwvrijstelling dat het fokken plaatsvindt in het kader van de veehouderij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de door belanghebbende gestelde omstandigheden, met name ook die dat de BV verplicht is jaarlijks aan het Landbouwschap opgaaf te doen van haar bedrijfsomvang (de zgn. mei-telling) en op basis daarvan aan het Landbouwschap een jaarlijkse heffing is verschuldigd, aan vorenstaand oordeel niet afdoen en dat derhalve het weiland ten tijde van de onderhavige verkoop was aan te merken als grond welke binnenkort buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend, een en ander in de zin van artikel 8, lid 1, onderdeel b, van de Wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel, dat zich tegen de in 3.2 vermelde oordelen richt, faalt, aangezien deze oordelen juist zijn, zoals uiteengezet in punt 7 van de conclusie van het Openbaar Ministerie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Soest betoogde in bedoeld punt 7 van zijn conclusie:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Beoordeling van het middel 7.1.</div>\n<p class=\"lf-p\">Naar de letter van de met ingang van 1 april 1986 geldende tekst van art. 8, lid 1, letter b, Wet IB 1964 is niet vrijgesteld de waardeverandering die verband houdt met de omstandigheid dat de grond voortaan buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft de aanwending die E BV aan het perceel weiland geeft, aan dit criterium getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien ik het Hof daarin volg, dunkt mij dat inderdaad de onderneming van E BV in haar geheel niet als een landbouwbedrijf aangemerkt kan worden, aangezien haar activiteiten bestaan uit het deelnemen aan concoursen en het opleiden van jockey's.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van het perceel weiland is uiteraard wel dienstbaar aan deze activiteiten, maar dat gebruik blijft beperkt tot het weiden van de paarden van E BV en het winnen van hooi voor die paarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan nu niet deze aanwending van het perceel weiland aangemerkt worden als vormend een agrarisch onderdeel - het in het kader van de veehouderij houden van dieren - van de onderneming van E BV?</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat daarbij om het begrip 'veehouderij', waaromtrent aan de rechts- en wetsgeschiedenis en aan de jurisprudentie wel aanwijzingen, zij het vooral voorbeeldsgewijs, zijn te ontlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanwijzing is te ontlenen aan het arrest van 1 juni 1960, in die zin dat het ter beschikking stellen van een weiland voor het weiden van vee van een ander er niet onder valt. In andere zin evenwel de uitspraak van Hof Amsterdam van 1967.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanwijzing is te ontlenen aan het arrest van 1961, in die zin dat het tijdelijk weiden van voor de slagerij bestemd vee er niet onder valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanwijzing is te ontlenen aan de wetsgeschiedenis van 1986, in die zin dat het houden van dieren voor menselijke consumptie wel, maar dierentuinen, dierenasielen, circussen en hondenkennels niet eronder vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze aanwijzingen tezamen genomen, dunkt mij dat de functie die de dieren ten tijde van het weiden of voederen hebben, beslissend is. Ligt deze functie, zoals in dit geval, op het terrein van de sport, dan valt men daarmee buiten de veehouderij in agrarische zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik meen daarom dat het Hof in zoverre op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jansen tekende aan in FED 1998/805:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 (…) Het landbouwbedrijf wordt, voor zover voor de onderhavige procedure van belang, in (thans) art. 8, lid 3, Wet IB 1964 omschreven als een bedrijf dat gericht is op het in het kader van veehouderij fokken, mesten of houden van dieren. Uit de parlementaire geschiedenis leidt het hof af dat het begrip veehouderij in de agrarische betekenis moet worden opgevat en dat het fokken van paarden ten behoeve van de hippische sport daar niet onder valt. De Hoge Raad deelt deze zienswijze en omdat hij verwijst naar punt 7 van de conclusie van het Openbaar Ministerie kan worden aangenomen dat de functie van de dieren beslissend is. Daarbij kan worden gedacht aan het fokken ten behoeve van het verbruik van (delen of producten van) het dier door de consument. Maneges voldoen niet aan dit criterium. Met de uitkomst van de onderhavige procedure kan men vrede hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Uit het arrest kan verder worden geconcludeerd dat als voldaan is aan het criterium waarschijnlijk binnenkort, voor de toepassing van de landbouwvrijstelling de feitelijke aanwending van de landbouwgrond relevant is. Daarbij gelden twee criteria. De huurder moet de grond gebruiken binnen het kader van een onderneming (eerste criterium) en de grond moet in een landbouwbedrijf (tweede criterium) worden aangewend. Aan het eerste criterium is in het onderhavige geval voldaan omdat een BV geacht wordt altijd een onderneming te drijven (art. 2, lid 5, Wet Vpb. 1969). Aan het tweede criterium wordt echter niet voldaan zodat de landbouwvrijstelling niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Daarmee past dit arrest naar mijn mening in eerder gewezen jurisprudentie op dit gebied. Zo kan worden gewezen op HR 29 januari 1997, BNB 1997/104. In dat geval staakt belanghebbende zijn onderneming en gaat verder als ‘hobbyboer’. (…) 6.24 HR 23 december 1998, LJN AA2276, BNB 1999/77:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende exploiteert een manege. In dat kader verhuurt hij rijpaarden, geeft hij paardrijlessen en heeft hij paarden in pension. Voorts leidt hij paarden op ten behoeve van de verhuur en de rijlessen; minder geschikte paarden worden verkocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot zijn ondernemingsvermogen behoort een boerderij met manege, erf en ondergrond alsmede naastgelegen weiland groot 3.93.60 ha. Tevens bezat belanghebbende 5.12.80 ha. weiland (hierna: het weiland), gelegen op enkele kilometers afstand van het manegecomplex.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 12 juni 1990 heeft belanghebbende in het kader van een ruilverkaveling het weiland, dat door hem werd gebruikt voor het houden en weiden van schapen en voor de productie van hooi ten behoeve van de manege, verkocht en daarbij een boekwinst van f 193 272 behaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stelling van belanghebbende, inhoudende dat dit bedrag op grond van de in artikel 8, lid 1, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1990, hierna: de Wet) neergelegde landbouwvrijstelling niet tot zijn winst dient te worden gerekend, is door het Hof verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft geoordeeld dat de exploitatie van het weiland in dienst stond van het manegebedrijf en aan die exploitatie zelfstandige betekenis moet worden ontzegd. Dit oordeel kan als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, in cassatie niet met vrucht worden bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft het Hof geoordeeld dat het door belanghebbende geëxploiteerde manegebedrijf niet kan worden aangemerkt als een landbouwbedrijf. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het bepaalde in artikel 8, lid 2, van de Wet en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In mijn aantekening in BNB 1999/77 schreef ik:</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van al het voorgaande is het duidelijk dat een manege niet kwalificeert als landbouwbedrijf. Het houden van dieren heeft hierbij immers niet een functie in een agrarisch maar in een recreatief bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunende activiteit Desondanks zou de winst op het verkochte weiland voor de vrijstelling in aanmerking komen, indien althans de exploitatie daarvan als landbouwbedrijf zou worden aangemerkt. De Hoge Raad oordeelt dat de vrijstelling niet toepasbaar is op grond van 's hofs feitelijke bevinding dat die exploitatie in dienst stond van het manegebedrijf en dat aan haar zelfstandige betekenis moet worden ontzegd. De Hoge Raad acht het dus, anders dan het hof, niet nodig aan zijn oordeel mede ten grondslag te leggen dat de exploitatie van het weiland wegens haar geringe omvang niet als onderneming kon worden aangemerkt. De vraag rijst of een groter agrarisch ondersteuningsbedrijf wel als landbouwbedrijf zou hebben gekwalificeerd. Het komt mij voor dat ingeval zo'n nevenbedrijf in potentie als zelfstandige eenheid zou kunnen opereren, niet zal worden geoordeeld dat daaraan zelfstandige betekenis moet worden ontzegd. Daarom zal in zo'n geval naar ik aanneem, wél sprake kunnen zijn van een afzonderlijk te onderkennen landbouwbedrijf. Die conclusie lijkt mij ook wel te moeten voortvloeien uit de gelijkheidseis: voor materiële gelijke bedrijven zou de fiscale positie niet verschillend mogen zijn naar gelang deze produceren voor de markt dan wel voor een ander bedrijf binnen dezelfde economische eenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redactie van Vakstudie-Nieuws tekende aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende ging in cassatie voor twee ankers liggen: de exploitatie van het weiland (de Hoge Raad neemt terecht de door het hof gebruikte term grondstuk niet over) betreft een afzonderlijk van de exploitatie van de manege te beschouwen activiteit en - subsidiair - het weiland behoort niet tot het ondernemingsvermogen. Beide cassatiemiddelen stuiten af op de feitelijke vaststellingen van het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het valt op dat de Hoge Raad bij de behandeling van het subsidiaire cassatiemiddel - zij het slechts tussen gedachtestreepjes - opmerkt dat belanghebbende de vaststelling van het hof dat het weiland mede voor de productie van hooi ten behoeve van de manege werd gebruikt, in cassatie niet bestrijdt. Wij merken op dat ook al zou de belanghebbende dit wel hebben gedaan, het middel evenzeer zou zijn verworpen daar het oordeel van het hof als van feitelijke aard moet worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.25 HR 29 april 2005, nr. 39 781, LJN AT4895, BNB 2005/209:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft geoordeeld dat F een landbouwbedrijf is (…). Het heeft daarbij onder meer het volgende in aanmerking genomen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>F valt onder de afdeling paardenhouderij van het productschap voor Vee en Vlees en is derhalve onderworpen aan de voor deze sector uitgevaardigde regels; zo dient men te beschikken over een milieuvergunning 'Agrarische sector' en is men 'Minas'-aangifteplichtig; - de bestemming van het perceel is agrarisch;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het arrest HR 26 augustus 1998, nr 32 598, BNB 1999/47, dat betrekking heeft op een exploitant van een springstal die jonge paarden opfokt, africht, traint, houdt en exploiteert in het kader van de springsport, ziet op een andere situatie, nu in de onderhavige zaak vrijwel niets met de dieren wordt gedaan naast het verschaffen van voer, water en onderdak; - het gebruik van een paard na de opfokperiode - in casu veelal in de hobby- en sportsfeer - is niet doorslaggevend voor de vraag of sprake is van een landbouwbedrijf; op het moment dat het paard op ongeveer driejarige leeftijd het 'productieproces' verlaat, kan pas worden beoordeeld of het dier binnen of buiten de agrarische sector wordt ingezet;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>paardenopfokbedrijven vallen binnen de landbouwregeling in de omzetbelasting en er is geen aanleiding het begrip landbouwbedrijf voor de inkomstenbelasting anders te duiden dan voor de omzetbelasting;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in uiterlijke verschijningsvorm en naar maatschappelijke opvattingen is sprake van een landbouwbedrijf.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het middel richt zich tegen dit oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het hiervóór weergegeven oordeel van het Hof ligt besloten het oordeel dat het bedrijf (…) in overwegende mate is gericht op het opfokken van paarden. Aldus verstaan geeft 's Hofs oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Het daartegen gerichte middel faalt mitsdien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elbert tekende aan in NTFR 2005/561:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge art. 8, lid 3 Wet IB 1964 wordt onder landbouwbedrijf (mede) verstaan een bedrijf dat is gericht op het in het kader van een veehouderij fokken, mesten of houden van dieren. Het geschil draait hier met name om de definitie van het houden van dieren, in het bijzonder van paarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat paarden dieren zijn die in het kader van de veehouderij kunnen worden gehouden, is al onderkend in de MvT, Bijlagen Tweede Kamer, 1984–1985, 18 915, nr. 3, pag. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De staatssecretaris is blijkens zijn beroepschrift van mening dat er alleen sprake kan zijn van het houden van dieren in het kader van de veehouderij, als de dieren grotendeels gehouden worden voor menselijke of dierlijke consumptie. Hij baseert zich hierbij onder meer op de MvA, Eerste Kamer, 1985-1986, 18 915, nr. 82b, pag. 3, waarin gesteld wordt dat landbouwgrond welke wordt gebruikt voor het fokken van dieren voor de consumptie dan ook onder de landbouwvrijstelling zal vallen. Verder baseert hij zich op HR 26 augustus 1998 (nr. 32.598, BNB 1999/47). In dit arrest bevestigde de Hoge Raad het oordeel van Hof Den Bosch dat het fokken, africhten, trainen, houden en exploiteren van paarden ten behoeve van de springsport niet is aan te merken als het in het kader van een veehouderij fokken, mesten of houden van dieren in de zin van art. 8, lid 2, van de Wet (in 1996: art. 8, lid 3 Wet IB 1964). De Hoge Raad verwees daarbij naar de Conclusie van Plv. P-G Van Soest. (…) In punt 7.10 merkte de Plv. P–G op: ‘deze aanwijzingen tezamen genomen, dunkt mij dat de functie die de dieren ten tijde van het weiden of voederen hebben, beslissend is‘.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Den Bosch overwoog onder meer dat het gebruik van een paard ná de opfokperiode niet doorslaggevend is voor de vraag of sprake is van een landbouwbedrijf (NTFR 2003/1227). Verder overwoog het hof dat BNB 1999/47 een andere situatie betrof en dat er geen aanleiding is het begrip landbouwbedrijf voor de omzetbelasting anders te duiden dan voor de inkomstenbelasting. Het oordeel van het hof is nu door de Hoge Raad bevestigd. Wat kan hieruit worden afgeleid?</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een landbouwbedrijf c.q. van een bedrijf dat is gericht op het in het kader van een veehouderij fokken, mesten of houden van dieren is het irrelevant wat er in een eventuele volgende bedrijfskolom met de dieren gebeurt. Verder lijkt het erop dat van het houden van dieren in het kader van een veehouderij ook sprake kan zijn als de dieren niet (grotendeels) voor menselijke of dierlijke consumptie worden gehouden. Voor de omzetbelasting bevestigde de Hoge Raad het oordeel van Hof Arnhem dat volgens de maatschappelijke opvattingen paarden(op)fokbedrijven beschouwd worden als landbouwbedrijven (Hoge Raad 17 oktober 2003, nr. 38.890, NTFR 2003/1790). Voor de vraag of sprake is van het houden van dieren in het kader van een veehouderij zijn de maatschappelijke opvattingen dus van doorslaggevend belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vakliteratuur 6.26 Remie schreef in WFR 1984/1069:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip landbouwbedrijf zelf is dus (…) beperkt tot de feitelijke beoefening van de landbouw, zodat men geneigd zou zijn daaruit de conclusie te trekken dat het hier alleen gaat om de feitelijke landbouwactiviteiten. In die visie zou derhalve elk weiland als landbouwbedrijf in de zin der wet kunnen worden aangemerkt. Dat blijkt echter niet juist te zijn, omdat ook herhaaldelijk (Onder andere Hoge Raad 1 juni 1960, BNB 1960/196; Hoge Raad 11 januari 1961, BNB 1961/68) is beslist, dat de grond dienstbaar dient te zijn aan de uitoefening van de landbouw, waarmee het bedrijf als organisatie bedoeld wordt. Wat met het begrip bedrijf als organisatie wordt bedoeld blijkt duidelijk uit de toelichting bij het advies van de SER tot instelling van het Landbouwschap waarin men dienaangaande vermeldde: 'ondernemingen, waarin de in de landbouw gebruikelijke werkzaamheden slechts een onderdeel vormen van de uitoefening van een ander bedrijf, als het weiden van vee in de veehandel, of slechts incidenteel plaatsvinden, als het kopen en oogsten van te velde staande gewassen in de handel in aardappelen, vlas, suikerbieten, uien en soortgelijke gewassen behoren dan ook niet tot de ondernemingen waarop het Landbouwschap zich richt.' Het Landbouwschap licht deze passage als volgt toe: 'Bij de beoordeling van deze passage dient men in het oog te houden dat de SER hierbij de onderneming in technisch-organisatorische zin op het oog heeft. Men kan hieruit dus niet de conclusie trekken, dat bij een groentehandelaar, die ook een tuinbouwbedrijf heeft, deze laatste bedrijvigheid niet op de uitoefening van tuinbouw is gericht doch op de handel. Het zal hier immers wel gaan om een onderneming in juridische, doch twee ondernemingen in technisch-organisatorische zin.' Uit het voorgaande kan naar ik meen de conclusie getrokken worden, dat het voor de kwalificatie landbouwbedrijf niet van belang is of de totale ondernemersactiviteiten als landbouwonderneming aangemerkt kunnen worden, doch wel dat het een bedrijf in organisatorische zin dient te zijn gericht op landbouw (dienstbaar), met daarnaast de eis van feitelijke landbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande kan schematisch worden uitgebeeld als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit dit schema komt de dubbele eis, namelijk het zijn van landbouwbedrijf als organisatie en het uitoefenen van feitelijke landbouwactiviteiten duidelijk naar voren. Alleen het grasland ten behoeve van de rundveehouderij kan hier de landbouwvrijstelling deelachtig worden, dit voldoet aan de dubbele eis. Het grasland ten behoeve van de veehandel is wel een feitelijke landbouwactiviteit doch is niet dienstbaar aan de landbouw. Daarentegen wordt het braakliggend terrein niet feitelijk voor de landbouw gebruikt en moet daarom de vrijstelling ontberen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is nu opvallend te moeten constateren, dat de Hoge Raad het beslissende criterium voor toepassing van de vrijstelling namelijk dat de exploitatie van de grond voor het bedrijf van essentiële betekenis is (zie BNB 1977/255…) alleen toegepast op de feitelijke landbouwactiviteiten en dit nummer als eis heeft gesteld aan het bedrijf als organisatie. Dit blijkt o.a. ook uit Hof Amsterdam 16 januari 1975, BNB 1975/241. (…) De vraag is dan in hoeverre de Hoge Raad splitsing van de onderneming zal willen toestaan, hetgeen van belang kan zijn bij de hiervoor (…) genoemde problematiek voor de rundveehouderij. Indien de Hoge Raad de daar verdedigde opvatting zou afwijzen, bestaat nog de mogelijkheid te betogen dat het daar bedoelde bedrijf dient te worden beschouwd als twee bedrijven in organisatorische zin, te weten enerzijds de cultuurgrond, anderzijds de veestallen. De cultuurgrond geïsoleerd bezien zou dan volledig voldoen aan de voorwaarden voor de vrijstelling, namelijk een bedrijf in organisatorische zin dienstbaar aan de uitoefening van landbouw (grasland of mais) terwijl daarnaast de feitelijke landbouwactiviteiten niet ter discussie staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar mijn mening kan de splitsing als hier bedoeld niet afgewezen worden, waarvoor de volgende argumenten naar voren kunnen worden gebracht:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Hof Leeuwarden 25 januari 1965, nummer 339/64 (Fed 16 september 1965, Inkomstenbelasting: Artikel 6(2) 1950/53.)) paste de vrijstelling toe op het telen van gras, onafhankelijk van de vraag of dit gras werd gebruikt voor het eigen (pluim)vee of voor vee van derden dat op de landerijen werd geweid. Bij afwijzing van splitsing ligt het voor de hand dat de vraag of het wordt gebruikt voor het pluimvee van groot belang was geweest.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Brull (Prof. dr. D. Brull, noot bij Hof 's-Gravenhage 26 februari 1968, FED Inkomstenbelasting 1964: Artikel 70 : 16, BNB 1968/252BNB 1968/252.)) wees reeds eerder op het ongerechtvaardigde verschil tussen de boer die zijn gewas verkoopt en de boer die hetzelfde gewas aan zijn vee opvoert. Dat boeren elkanders vee gaan voeren zou daarvan een ongewenst gevolg kunnen zijn en mag uiteraard niet worden aanvaard.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij resolutie (Resolutie van 29 januari 1968, nummer B7/17772, V-N 1968, bladzijde 104.)) heeft de staatssecretaris toegezegd bereid te zijn in voorkomende gevallen, waar mogelijk een splitsing aan te brengen in een deel dat wel en een deel dat niet als landbouwbedrijf valt aan te merken. (…) 6.27 Tuinte schreef: (Ren)paardenfokkerij De redactie van Vakstudie Nieuws (1985, blz. 1341/2) is van mening dat het arrest BNB 1956/38* voldoende voer biedt voor de opvatting (van de vraagsteller), dat een entrainementhouder voor paarden - onder de oude wetgeving - kan gelden als landbouwer voor de teelt van eigen voer voor de renpaarden die hij traint en verzorgt. Kuijpers vraagt zich (daarentegen?) in Weekblad 1986/5737 op blz. 976/7 af of het bedrijfsmatig fokken van renpaarden onder het begrip landbouwbedrijf kan worden gebracht. Gelet op de wetsgeschiedenis (Eerste Kamer, MvA, blz. 3) heeft het er - volgens de auteur - alle schijn van dat het moet gaan om het fokken ten behoeve van het verbruik van (delen of produkten van) het dier door de consument. Aldus beoordeeld valt het fokken van renpaarden niet onder de activiteiten die relevant zijn voor de landbouwvrijstelling, aldus Kuijpers.</div>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband is het opmerkelijk dat de Memorie van Toelichting in de voorbeeldsgewijze opsomming - waarmee in de praktijk de benodigde ruimte ontstaat om te kunnen aansluiten bij ontwikkelingen op het terrein van het bedrijfsmatig fokken van dieren (Eerste Kamer, MvA, blz. 3) - de paarden vernoemt zonder enige nadere aanduiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afdeling Paardenhouderij van het Landbouwschap constateert in het jaarverslag 1985 (blz. 72) dat er volgens de Iandbouwmeitelling 59 600 paarden en pony’s werden gehouden binnen het kader van een landbouwbedrijf, dat verplicht is aan de telling deel te nemen, doch dat er naar schatting circa 175 000 dieren worden gehouden. Het verslag vervolgt daarna: ‘Er zijn vele mogelijkheden om actief met paarden en pony’s bezig te zijn. Daarbij kan onder andere gedacht worden aan fokkerij, handel, verschillende sportdisciplines en aan puur recreatief gebruik van het dier. In hoeverre de verschillende activiteiten als landbouwactiviteit kunnen worden aangemerkt is discutabel. Het Landbouwschap stelt zich op het standpunt dat het houden van paarden en pony’s ten behoeve van de fokkerij alsmede de afzet van de produkten moeten worden gezien als een landbouwactiviteit.’ In het jaarverslag 1990 wordt gemeld dat in dat jaar meer dan 35 000 merries voor de fokkerij zijn ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.28 Marcus schreef over de term landbouwbedrijf:</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenals reeds onder het Besluit IB 1941 het geval was, spreekt de wetgever ook thans nog nadrukkelijk over landbouwbedrijf en niet over landbouwonderneming. Dit is niet een kwestie van willekeurig woordgebruik. Dit betekent namelijk dat een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen een landbouwonderneming en een landbouwbedrijf. (…) Het begrip landbouwbedrijf is dus beperkt tot de feitelijke beoefening van de landbouw met al hetgeen met die beoefening rechtstreeks verband houdt. Het gevolg van deze uitleg van het begrip landbouwbedrijf is dat in voorkomende gevallen een splitsing moet worden aangebracht tussen een deel van de totale onderneming dat wel en een deel van de totale onderneming dat niet in het kader van de feitelijke beoefening van de landbouw wordt aangewend. Leidraad bij een eventuele splitsing van een onderneming in een landbouwbedrijf en een niet-landbouwbedrijf is dat het landbouwbedrijf in de agrarische betekenis van het woord moet worden opgevat. Dit betekent dat het moet gaan om een bedrijf dat is gericht op het winnen van tot het plantenrijk behorende producten dan wel het fokken, mesten of houden van eigen of andermans dieren, voor in beginsel de consumptie. (…) Het is niet nodig dat de dieren ook eigendom zijn van de veehouder. Ook indien een veehouder voor rekening en risico van een derde dieren fokt, mest of houdt (bijvoorbeeld het houden van varkens op basis van een voergeldovereenkomst), is er sprake van het in het kader van de veehouderij fokken, mesten of houden van dieren. (…) 6.29 Schenk en Seegers schreven over het begrip landbouwbedrijf:</p>\n<p class=\"lf-p\">Of sprake is van een landbouwbedrijf wordt bepaald door de wijze van exploitatie. Het is dus niet zo dat alle tot een onderneming(svermogen) behorende landbouwgrond onder de vrijstelling valt. Bepalend is slechts de wijze waarop die grond wordt geëxploiteerd. Deze exploitatie dient in de agrarische sfeer plaats te vinden. Het is hierbij niet van belang of de agrarische exploitatie plaatsvindt als hoofdactiviteit dan wel als (tijdelijke) nevenactiviteit. Bepalend is slechts de vraag of sprake is van een landbouwbedrijf in technische zin, met andere woorden of de landbouw wordt beoefend voor rekening en risico van de betreffende belastingplichtige. Vanzelfsprekend kwalificeert de eigenlijke landbouwonderneming als landbouwbedrijf, maar ook onzelfstandige activiteiten binnen een totaal andere onderneming kunnen als landbouwbedrijf voor de landbouwvrijstelling kwalificeren. Een landbouwbedrijf kan dus een nevenactiviteit zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de rechtspraak is de landbouwvrijstelling dan ook toegepast op landbouwgronden die behoorden tot het ondernemingsvermogen van een aannemer, een projectontwikkelaar, steenbakker of de exploitant van een haven of luchthaven. Deze ondernemers hadden die gronden - al dan niet tijdelijk - in eigendom en dienden dan ook (toepassing van de vrijstelling is imperatief) indien zij deze grond (lieten) gebruiken voor agrarische activiteiten de landbouwvrijstelling toe te passen. (…) Andersom kan ook binnen een landbouwbedrijf een activiteit plaatsvinden (bijvoorbeeld kinderopvang, caravanstalling of de bekende zorgboerderij) die niet als een vorm van agrarische exploitatie kan worden aangemerkt. Hiervoor gebruikte grond kan dan ook niet delen in de vrijstelling, terwijl ook bij gemengd gebruik van grond (gedeeld grondgebruik ten behoeve van wel en niet agrarische exploitatie) de vrijstelling verspeeld kan worden door het vereiste dat de grond voor de landbouwvrijstelling hoofdzakelijk (dus voor 90% of meer) agrarisch gebruikt dient te worden. Wat tussen belanghebbende en Belastingdienst dan nog in geschil kan zijn is of een concrete (neven)activiteit als landbouwonderneming aangemerkt kan worden. Zo valt de handel in landbouwproducten die niet in het eigen bedrijf zijn voortgebracht niet onder het begrip landbouwbedrijf. De verkoop van eigen productie vormt uiteraard wel (het sluitstuk van) het landbouwbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.30 Over het gebruik van paarden schreven Schenk en Seegers:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een op het platteland sterk in opkomst zijnde activiteit is het houden van paarden. Het is de vraag in hoeverre een onderneming waar paarden rondlopen als een landbouwbedrijf aangemerkt kan worden. In de Landbouwnormen (2005 &amp; 2006) is aangeven dat paarden in beginsel tot het privévermogen van een ondernemer behoren. Brokken en de kosten van de veearts zijn daarmee privékosten. Het is aan belastingplichtige het tegendeel aannemelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar ook als paarden tot het ondernemingsvermogen behoren, staat daarmee nog niet vast dat de landbouwvrijstelling van toepassing is. Het is constante rechtspraak dat enkel dan sprake is een landbouwbedrijf in de zin van art. 3.12 lid 2 Wet IB 2001 als de productie van die onderneming gericht is of kan zijn op menselijke of dierlijke consumptie. Bedrijven die gericht zijn op het voortbrengen van paardenvlees of -melk zijn dan ook zonder meer aan te merken als landbouwbedrijven. Consumptie is echter meer dan enkel eten en drinken. Het is een begrip dat in dit kader ruim uitgelegd dient te worden. Zo is ook de productie van dierlijk sperma een activiteit die kwalificeert voor het predicaat landbouwbedrijf. Of de productie ten behoeve van het vervaardigen van medicijnen (denk aan paardenbloed en (al dan niet gemodificeerde) melk) als consumptie kwalificeert is niet geheel duidelijk, al is dat naar onze mening wel het geval. Ook medicijnen plegen immers geconsumeerd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vereiste van consumptie betekent dat bij een op het houden van paarden gericht bedrijf niet zonder meer gesteld kan worden dat sprake is van een landbouwbedrijf. (…) 7Beschouwing 7.1 De Hoge Raad verwijst het geding indien het cassatieberoep leidt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en de beslissing van de hoofdzaak afhangt van feiten waaromtrent nog geen uitspraak is gedaan, althans die bij de vroegere behandeling niet zijn komen vast te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2 De opdracht van het gerechtshof (of de rechtbank) na verwijzing is van oudsher beperkt tot \"voortzetting van het onderzoek binnen de grenzen door het arrest van cassatie getrokken\". De beperkte omvang van het geding na verwijzing (hierna: het verwijzingsgeding) pleegt de Hoge Raad in het dictum tot uitdrukking te brengen met de formule dat wordt verwezen \"ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest\" (vgl. het dictum van het verwijzingsarrest).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 De beperkte omvang van het verwijzingsgeding vloeit voort uit de omstandigheid dat dit geding is aan te merken als de voortzetting van de onvoltooide (appel)instantie die voorafging aan het cassatiegeding. Het is derhalve geen zelfstandig (hoger) beroep, zodat het innemen van nieuwe feitelijke stellingen niet zonder meer toelaatbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 Het onderscheid tussen nieuwe feiten welke na verwijzing nog wel en welke niet meer aan de orde kunnen komen, valt hierdoor niet altijd gemakkelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5 Uitgangspunt is dat \"het beroep in cassatie niet dient om voor partijen de gelegenheid tot een nieuwe instructie van het geding te scheppen.\" Van oudsher was de Hoge Raad streng in de leer en oordeelde hij steevast dat na verwijzing \"voor het aanbieden van te voren niet aangeboden bewijs geen plaats is\".</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6 Volgens deze strenge leer waren nieuwe feitelijke stellingen na verwijzing slechts toelaatbaar indien het aanbod daartoe reeds vóór de cassatiefase was gedaan en het toen aangeboden bewijs ten onrechte niet of onjuist in de beraadslaging is betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7 Deze leer werd als te streng ervaren en vond in de spaarzame literatuur \"veel bestrijding en weinig verdediging\".Hoewel de Hoge Raad deze leer niet heeft verlaten, lijkt hij zich de kritiek wel te hebben aangetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8 In een aantal gevallen heeft de Hoge Raad namelijk de deur opengezet tot het na verwijzing innemen van nieuwe feitelijke stellingen, met name wanneer het gaat om ontwikkelingen waarop partijen redelijkerwijs niet hebben kunnen anticiperen. Konden zij dat wel, dan blijft de deur stijf dicht. Het hiervoor in 7.5 bedoelde uitgangspunt geldt onverkort.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.9 Het innemen van nieuwe feitelijke stellingen na verwijzing is niet toegelaten, indien het eerder innemen van die stelling \"bepaald voor de hand lag\" (HR NJ 1982/65; zie 5.30, 5.31, 5.35, 5.45). Wel is het toegestaan een eerdere stelling te preciseren of nader te onderbouwen, of een onjuiste feitelijke stellingname te corrigeren (HR NJ 2013/5, zie 5.46).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.10 Indien het verwijzingsarrest een nieuwe ontwikkeling heeft ingeluid, kan een nieuwe feitelijke stellingname toelaatbaar zijn. De aanleiding tot het innemen van de nieuwe feitelijke stelling moet door (of na) het verwijzingsarrest zijn ontstaan (zie 5.40, 5.47). Happé spreekt in dit kader van een noodzakelijk causaal verband met het verwijzingsarrest (zie 5.40).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.11 Omstandigheden waarin een nieuwe ontwikkeling wordt ingeluid kunnen zijn:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(1)</span>de Hoge Raad is omgegaan (HR NJ 1990/628, zie onderdeel 5.36),</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(2)</span>nieuwe wetgeving is van toepassing geworden (HR NJ 1980/489; zie 5.29),</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(3)</span>er is nieuwe rechtspraak van het EHRM of het Hof van Justitie EG/EU (HR NJ 1990/628; zie 5.36, 5.44).</div>\n<p class=\"lf-p\">7.12 De laatste omstandigheid kan zich zelfs voordoen nadat het verwijzingsarrest is gewezen (vgl. HR NJ 1974/497, zie 5.25). In een aantal andere gevallen kan ook rekening worden gehouden met na de vernietigde uitspraak gewijzigde feitelijke verhoudingen (HR NJ 2013/5, zie 5.46). Met name is dit het geval in een beperkt aantal civielrechtelijke procedures, zoals alimentatiezaken, BOPZ-zaken en zaken betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag na echtscheiding. In deze zaken dient te worden beslist naar gelang van de meest actuele situatie (ex nunc) en zijn nieuwe feiten in beginsel altijd toelaatbaar (A-G NJ 2012/423, 5.48).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.13 In alle gevallen zijn partijen gebonden aan de omvang van de rechtsstrijd, zoals die uit het verwijzingsarrest blijkt. Als buitengrens geldt immers dat het partijen niet is toegestaan hun \"standpunt te verschuiven tot buiten de grenzen van de rechtsstrijd, zoals die uit het verwijzingsarrest voortvloeien\" (HR BNB 2005/25, zie 5.43).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.14 Het is aan de verwijzingsrechter om vast te stellen wat na cassatie de omvang van de rechtsstrijd (nog) is en welke feitelijke stellingen toelaatbaar (kunnen) zijn. De Hoge Raad helpt de verwijzingsrechter hierbij door in het verwijzingsarrest een verwijzingsopdracht te formuleren. Als sprake is van een in 7.11 bedoelde omstandigheid, zal de Hoge Raad dat in zijn arrest aangeven (vgl. A-G BNB 2011/300, zie 5.47).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.15 Als de verwijzingsrechter er niet uitkomt of zijn verwijzingsopdracht verkeerd interpreteert, kunnen partijen opnieuw beroep in cassatie instellen en zal de Hoge Raad de verwijzingsopdracht duiden. Het laatste woord is derhalve aan de Hoge Raad, ook na verwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.16 De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest het onderhavige geding verwezen voor \"beoordeling van de vraag of het perceel vanaf 1 januari 2003 geheel of nagenoeg geheel werd aangewend in het kader van het landbouwbedrijf.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">7.17 Met zijn in het principale beroep in cassatie voorgestelde middel klaagt de Staatssecretaris er over dat het Hof de grenzen van de verwijzingsopdracht heeft overschreden door na verwijzing nieuwe feitelijke stellingen toe te laten. Het middel is, blijkens zijn toelichting (zie onderdeel 4.2), met name gericht tegen het toelaten van nader bewijs ten aanzien van de bestemming van het op het perceel geproduceerde ruwvoer (vgl. onderdeel 3.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.18 Bij zijn beoordeling van het geschil heeft het Hof - overeenkomstig r.o. 4.1 van het verwijzingsarrest - vooropgesteld dat de stoeterij van belanghebbende kan worden aangemerkt als een landbouwbedrijf in de zin van de landbouwvrijstelling en daarbij - gezien HR BNB 1999/47 en HR BNB 2005/209 terecht - overwogen dat het niet uitmaakt \"of sportpaarden worden (op)gefokt dan wel andere paarden\" (r.o. 6.2.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.19 Het Hof heeft ten aanzien van de overige activiteiten die op het perceel plaatsvonden ten behoeve van de sportpaarden, zoals de beweiding en de ruwvoerwinning, geoordeeld dat deze niet zijn aan te merken als te zijn verricht in het kader van het landbouwbedrijf. Met zijn in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middel heeft belanghebbende dit oordeel slechts met betrekking tot de ruwvoerwinning bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.20 Het Hof heeft geoordeeld dat het perceel van 1 januari 2003 tot en met 31 mei 2006 geheel of nagenoeg geheel werd aangewend in het kader van het landbouwbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.21 Het Hof heeft dit oordeel mede gegrond op het na verwijzing door belanghebbende in het geding gebrachte overzicht van de bestemming van het door belanghebbende op het perceel geproduceerde ruwvoer (grasgewas).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.22 De Staatssecretaris wijst er in de toelichting bij zijn cassatiemiddel terecht op dat in het verwijzingsarrest (r.o. 3.5) reeds een vaststelling van de bestemming van het ruwvoer is vermeld, van welke bestemming het Hof diende uit te gaan. Het Hof heeft het hiervoor bedoelde overzicht van de bestemming van het ruwvoer derhalve ten onrechte toegelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.23 Hieraan doet niet af dat, zoals belanghebbende stelt en wat daar overigens van zij, de in het verwijzingsarrest vermelde bestemming in het geding niet rechtsgeldig zou zijn komen vast te staan daar volgens hem het feit eerst in cassatie als uitgangspunt is genomen en niet door de Rechtbank of het Hof Amsterdam is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.24 Het middel van de Staatssecretaris kan echter slechts tot cassatie leiden, indien voor de vraag of de productie van het grasgewas valt aan te merken als een landbouwactiviteit, de bestemming van het ruwvoer relevant is. Als de bestemming van het ruwvoer niet relevant is, doet de in 7.22 vermelde bevinding immers niet af aan 's Hofs oordeel dat het perceel in de onderhavige periode geheel of nagenoeg geheel werd aangewend in het kader van het landbouwbedrijf (zie 3.7 en 7.20).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.25 Uit het arrest HR BNB 1956/38 volgt dat voor een landbouwonderneming de landbouwvrijstelling van toepassing is voor zover deze is gericht op \"de feitelijke beoefening van den landbouw met al hetgeen met die beoefening rechtstreeks verband houdt\". Maar ook dat de landbouwvrijstelling toepasbaar kan zijn voor een onderneming die het landbouwbedrijf niet tot hoofddoel heeft, maar waartoe werkzaamheden behoren die als uitoefening van het landbouwbedrijf in voornoemde zin kunnen worden beschouwd. Aan deze werkzaamheden moet dan wel enige zelfstandige betekenis toekomen (vgl. HR BNB 1999/77).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.26 Gras als ruwvoer is onmiskenbaar een product \"van akkerbouw, van weidebouw of van tuinbouw\". Het telen van gras dient dus te worden aangemerkt als een feitelijke beoefening van de landbouw in vorenbedoelde zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.27 Niet in geschil is dat de beweiding van de sportpaarden niet valt aan te merken als een landbouwactiviteit (vgl. de onderdelen 4.3 en 7.19). De omstandigheid dat het door belanghebbende geproduceerde grasgewas mede voor deze paarden is bestemd, leidt er echter niet toe dat de productie van het gras in zoverre niet zou zijn aan te merken als feitelijke beoefening van de landbouw in vorenbedoelde zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.28 Dit betekent dat de productie van het grasgewas is aan te merken als de feitelijke beoefening van de landbouw, ongeacht de bestemming ervan, zodat de in 7.22 bedoelde onregelmatigheid niet afdoet aan 's Hofs in 7.24 bedoelde oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.29 Dit betekent dat het middel van de Staatssecretaris niet tot cassatie kan leiden. Het principale beroep in cassatie dient ongegrond te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.30 Het door belanghebbende in zijn incidentele beroep in cassatie voorgestelde middel is gericht tegen 's Hofs oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of het perceel geheel of nagenoeg geheel wordt aangewend in het kader van het landbouwbedrijf, de bestemming van het op het perceel geteelde ruwvoer mede van belang is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.31 Gelet op het vorenstaande (vgl. 7.24 en 7.28) kan ook dit middel niet tot cassatie leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Conclusie De conclusie strekt ertoe dat beide beroepen in cassatie ongegrond dienen te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Inspecteur van de Belastingdienst/[P].</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Haarlem 5 maart 2008, nr. AWB 07/683, niet gepubliceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 22 april 2010, nr. P08/00418, LJN BM2411, NTFR 2010/1548 m. nt. De Jonge.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 10 juni 2011, nr. 10/02270, LJN BQ7594, BNB 2011/220, NTFR 2011/1465 m. nt. Roerdink.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof ’s-Gravenhage 16 oktober 2012, nr. BK-12/00093, LJN BZ1079.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het onderhavige jaar geregeld in artikel 8, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB 1964). Vgl. huidig artikel 3.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onderdeel 2.1, hiervoor. In 's Hofs weergave van r.o. 3.5 is weggelaten: \"Voorts werden van het perceel per jaar één à twee sneden ruwvoer geoogst. Tien percent van dit ruwvoer werd verkocht aan derden. Van de resterende 90 percent werd 44,7 percent gevoerd aan de fokpaarden en 55,3 percent aan de sport- en pensionpaarden.\" In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het Hof (blz. 2) is vermeld: \"de Inspecteur: (…) De percentages ter zake van de bestemming van het ruwvoer die hij [de Inspecteur, A-G] hanteert zijn gebaseerd op berekeningen van zijn voorganger. De berekening en de motivering ervan zijn vermeld in de pleitnota in eerste aanleg. De Hoge Raad heeft deze percentages in rechtsoverweging 3.5 van zijn arrest als vaststaand aangenomen. Daarvan moet dus worden uitgegaan.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Blz. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift in cassatie, blz. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meegeciteerde voetnoten zijn, voorzover overgenomen, origineel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel het procesrecht op onderdelen verschilt, zijn de cassatiegronden dezelfde (zie artikel 79 van de Wet RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 29 oktober 1998, Stb. 621; laatstelijk gewijzigd bij wet van 15 december 2004, Stb. 672.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996/97, 25 175 (herziening van het fiscale procesrecht), nr. 3, blz. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 19 december 1914, Stb. 564. Zie: B. Schendstok, Wet van 19 december 1914 (S.564), houdende instelling van Raden van beroep voor de directe belastingen, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1932 (vgl. Pieterse en Pechler, 2013, blz. 262, zie hierna).</p>\n<p class=\"lf-p\">De hier geciteerde bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing bij beroepen in cassatie tegen beschikkingen op rekest (artikel 429, lid 2, Rv).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 20 juni 1963, Stb. 272.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1950/51, 2079 (Wijziging van de regelen met betrekking tot het geding in cassatie), nr. 3, blz. 5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1950/51, 2079, nr. 3, blz. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Additionele vindplaatsen heb ik vermeld, voor zover daarin een aantekening is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">BNB 1953/335 m.nt. Hofstra.</p>\n<p class=\"lf-p\">BNB 1954/300 m.nt. Hellema (onder BNB 1954/302).</p>\n<p class=\"lf-p\">BNB 1954/302 m.nt. Hellema.</p>\n<p class=\"lf-p\">BNB 1960/17 m.nt. Hellema.</p>\n<p class=\"lf-p\">NJ 1964/372 na conclusie Langemeijer, m.nt. H.B.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.K. Martens, aantekening bij NJ 1964/372, in: 2000 weken rechtspraak: arresten van de Hoge Raad der Nederlanden gewezen in zaken, bepleit door mr. C.R.C. Wijckerheld Bisdom, advocaat: vanuit het perspectief van het jaar 1977 geannoteerd door oorspronkelijke annotatoren, aanhoorders, tegenpleiters, compagnons en medewerkers, collega's en vrienden en hem aangeboden ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag op 31 januari 1978, Zwolle: Tjeenk Willink, blz. 81-85.</p>\n<p class=\"lf-p\">BNB 1970/59 m.nt. Hollander.</p>\n<p class=\"lf-p\">EUR-Lex 61973CJ0166.</p>\n<p class=\"lf-p\">BNB 1978/171, na conclusie Van Soest, m.nt. Hofstra.</p>\n<p class=\"lf-p\">NJ 1982/65 m.nt. E.A.A.L.</p>\n<p class=\"lf-p\">NJ 1983/327, BR 1982/922 m.nt. Pels Rijcken.</p>\n<p class=\"lf-p\">BNB 1987/129, na conclusie Moltmaker, m.nt. Scheltens, FED 1987/1 m.nt. Zwemmer, VN 1987/235 m.nt. Red.</p>\n<p class=\"lf-p\">BNB 1990/244, FED 1990/643 m.nt. Aardema, VN 1990/2199 m.nt. Red.</p>\n<p class=\"lf-p\">NJ 1990/628 m.nt. E.A.A.L.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gelijke zin: HR 28 oktober 2011, nr. 10/04492, LJN BU1988, BNB 2011/298, NTFR 2011/2503 m.nt. Den Ouden, FED 2011/96 m.nt. Pechler.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 april 1999, nr. 31427, LJN AA2745, na conclusie Van den Berge, BNB 1999/312 m.nt. Happé, VN 1999/22.4 m.nt. Red.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 9 van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba bepaalt slechts dat de verwijzing steeds geschiedt naar het Gemeenschappelijk Hof, dat zoveel mogelijk is samengesteld uit rechters die nog niet over de zaak hebben geoordeeld. In de literatuur heeft M.R.B. Gorsira ervoor gepleit een wettelijke regeling voor de procedure na cassatie op te nemen (TAR 2000, blz. 314). In het huidige wetsontwerp voor nieuw Antilliaans procesrecht ontbreekt een dergelijke regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 8 februari 1991, NJ 1991, 325. Deze uitspraak is besproken door M.M.M. Tillema en R.P.J.L. Tjittes, TAR 1993, blz. 95.</p>\n<p class=\"lf-p\">BNB 2005/25 m.nt. Van Leijenhorst, V-N 2004/57.32 m.nt. Red., NTFR 2004/1621 m.nt. Thomas.</p>\n<p class=\"lf-p\">NJ 2007/161 m.nt. Mok, AB 2007/116 m.nt. Ortlep. Zie tevens HvJ EG 20 oktober 2005, nr. C-511/03 (Ten Kate Holding), na conclusie Stix-Hackl, Jur. 2005, I-08979, EUR-Lex 62003CJ0511, NJ 2007/160 m.nt. M.R.M., AB 2005/425 m.nt. R.W.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEG 15 juni 1964, 6/64, Jur. 1964, p. 1203, SEW 1964, p. 489, m.nt. I. Samkalden. Dit arrest is oud maar niet verouderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koen Lenaerts/Dirk Arts, Europees Procesrecht, 2003, nr. 215, p. 168, onder vermelding van hierop betrekking hebbende uitspraken van het HvJ zelf; P.J.G. Kapteyn in: Kapteyn/VerLoren van Themaat, Het recht van de Europese Unie en van de Europese Gemeenschappen, 2003, p. 397: \"De bevoegdheid van het Hof op grondslag van artikel 234 EG [...] staat niet toe, dat het Hof een onderzoek naar de feiten instelt.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">NJ 2013/5 m.nt. Hijma, JM 2011/78 m.nt. Bos, MENR 2011/169 m.nt. Warendorf.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 november 2011, nr. 10/03793, LJN BQ0540, na conclusie IJzerman, BNB 2011/300, NTFR 2011/2630 m.nt. Lubbers, FED 2012/82 m.nt. Poelmann.</p>\n<p class=\"lf-p\">NJ 2012/423 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2012/142 m.nt. Winters.</p>\n<p class=\"lf-p\">NJ 2013/5, zie hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">NJ 2013/5, zie hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze lijn voortbouwend heeft de Hoge Raad in HR 12 mei 2006, NJ 2006/293 geoordeeld dat de partij die wijziging van alimentatie verzoekt, na cassatie en verwijzing in beginsel bevoegd is haar verzoek of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 23 mei 2008, NJ 2008/298 (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent, nr. 257, nt. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor, A-G.</p>\n<p class=\"lf-p\">BNB 2012/192 m.nt. Pechler, NTFR 2012/1436 m.nt. Hamer en FED 2012/55 m.nt. Van der Wal. Vgl. HR 5 oktober 2012, nr. 10/05484, na conclusie Van Hilten, LJN BW6501, BNB 2012/305, waarin de belanghebbende vergeefs stelde dat het door het hof aangelegde toetsingskader, bezien in het licht van het verwijzingsarrest onjuist is (vgl. de conclusie van Van Hilten, onderdeel 4.1.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">P. Meyjes, J. van Soest, J.W. van den Berge en J.H. van Gelderen, Fiscaal Procesrecht: administratief procesrecht in belastingzaken bij de gerechtshoven en de Hoge Raad, Kluwer: 1997, vierde druk, blz. 254-256.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.J. Hamer, Nieuwe feiten in de verwijzingsprocedure, TFB 1999, nr. 3, blz. 5 en 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aantekening bij HR 25 juli 2000, nr. 34990, LJN AA6597, BNB 2000/333.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.E.C.M. Niessen en C.M. Bergman, Cassatie in belastingzaken, Kluwer: 2006, vierde druk, blz. 108-109.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.O. Lubbers, Belastingarresten lezen en analyseren: Een onderzoek naar de wijze waarop belastingarresten kunnen worden geanalyseerd en de Hoge Raad aan de rechtsontwikkeling werkt, Sdu: 2007, tweede druk, blz. 244-245.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ch.J. Langereis en I. de Roos, Procesrecht in belastingzaken, Kluwer: 2010, eerste druk, blz. 296-297.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.J.A. Pieterse en E.B. Pechler, De grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing, in: Th. Groeneveld en L.J.A. Pieterse (red.), Met oog voor detail: Liber amicorum aangeboden aan mr. J.W. van den Berge, ter gelegenheid van zijn afscheid als vice-president van de Hoge Raad der Nederlanden, Sdu, 2013, blz. 270-272.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Winters, De procedure na cassatie en verwijzing in civiele zaken, dissertatie Erasmus Universiteit Rotterdam, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1992, blz. 193, 198 en 199.</p>\n<p class=\"lf-p\">D.J. Veegens, E. Korthals Altes en H.A. Groen, Asser Procesrecht (Cassatie in burgerlijke zaken), Kluwer: 2005, vierde druk , blz. 406-407.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 maart 1967, NJ 1967, 198 (NJP).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEG 16 januari 1974, NJ 1974, 497.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.B. Bakels, A. Hammerstein en E.M. Wesseling-van Gent, Asser Procesrecht (deel 4 Hoge beroep), Kluwer: 2012, tweede druk, blz. 225 en 228-229.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20juni1919. NJ 1919. p. 805.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn arresten van 10 augustus 1983, NJ 1984, 182 en van 21 oktober 1994. NJ 1995/398: zie voorts HR 13 oktober 2006, NJ 2006/562 waarin het overgangsrecht van het per 1 januari 2002 vernieuwde procesrecht aan de orde was. Zie ook Hof Arnhem 12 november 1930, NJ 1931, p. 485.</p>\n<p class=\"lf-p\">Winters, diss. 1992, p. 29 en 225-226 en ‘Verwijzing na cassatie in civiele zaken’, Adv.bl. 2000, p. 690.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2010, NJ 2010/297: het hof mag geen acht slaan op verweren die niet al voor cassatie en verwijzing waren aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 maart 2012, NJ 2012/423, JOR 2012/142.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 maart 2011, RvdW 2011/419. (…) [Inmiddels tevens opgenomen in NJ 2013/5; A-G] MARTENS, ‘2000 Weken rechtspraak’ (Wijckerheld Bisdom-bundel), 1978, p. 81-85.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 november 1981, NJ 1982/503; HR 27 april 1990, NJ 1990/528; HR 7 februari 1992, NJ 1992/810; HR 4 februari 2000, NJ 2005/337; HR 22 december 2006, NJ 2007/161; HR 5 januari 2007, NJ 2007/320. Zie ook WINTERS, diss. 1992, p. 193 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 april 1991, NJ 1992/407.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 februari 1991, NJ 1991/325.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 oktober 1999, NJ 1999/799 (r.o. 3.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">N.T. Dempsey, De procedure na cassatie en verwijzing, TCR 2012, nr. 1, blz. 1, 2, 5 en 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 1 november 1996, NJ 1997, 134 (Blaauwbroek/Van Loon), r.o. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 april 1934, NJ 1934/198, A-G.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2010, LJN BL7041, r.o. 3.3.2 en HR 29 juni 2007, LJN BA3030, r.o. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tekst &amp; Commentaar (Burgerlijke Rechtsvordering), Procedure na verwijzing door de Hoge Raad, artikel 424 (Behandeling na verwijzing), onderdeel 5, Kluwer: 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">NJ 2013/5, zie hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 14 december 2000 tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. in verband met de tweede tranche van het ondernemerspakket 2001 (Wet ondernemerspakket 2001), Stb. 2000, 567, blz. 1, 24 en 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer 1999/2000, 27 209 (Wet ondernemerspakket 2001), nr. 3, blz. 18 en 25-26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste Kamer 1984/85, 17 520, nr. 46 (brief). Zie over dit wetsvoorstel nader, onderdeel 5 van, de conclusie van Verburg voor BNB 1989/316.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 27 maart 1986 tot wijziging van de landbouwvrijstelling voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting (wetsvoorstel 18 915), Stb. 1986, 135, blz. 1 en 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer 1984/85, 18 915, nr. 3, blz. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer 1984/85, 18 915, nr. 5, blz. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie WFR 1984/1069, A-G.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G: Tweede Kamer 1981/82, 17 520, nr. 8. Zie nader onderdeel 5 van de conclusie van Verburg voor BNB 1989/316.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste Kamer 1985/86, 18 915, nr. 82b, blz. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen I 1985/86, 22e vergadering (25 maart 1986), blz. 883.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. E. Marcus, De landbouwvrijstelling in de 21e eeuw, Fiscale actualiteiten 48, fed, Deventer: Kluwer, blz. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. E. marcus, a.w., blz. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 november 1955, nr. 12 448, BNB 1956/38 m.nt. Smeets. In gelijke zin: HR 23 november 1955, nr. 12 488, BNB 1956/39 m.nt. Smeets.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 juni 1960, nr. 14 243, BNB 1960/196 m.nt. Smeets.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Leeuwarden 25 januari 1965, Fed (losbl.) 1965, IB (1941): art. 6 (2) [1950]: 53, m.nt. Stil.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 juli 1996, nr. 30 962, LJN AA1977, BNB 1996/311 m.nt. Niessen, VN 1996/2804 m.nt. Red.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 mei 1997, nr. 32 097, LJN AA3227, BNB 1997/236 m.nt. Niessen, FED 1997/391 m.nt. J.J.M. Jansen, VN 1997/1989 m.nt. Red.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 augustus 1998, nr. 32 598, LJN AA2531, BNB 1999/47 m.nt. Aardema, FED 1998/805 m.nt. J.J.M. Jansen, VN 1998/46.17 m.nt. Red.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 december 1998, LJN AA2276, BNB 1999/77 m.nt. Niessen, VN 1999/4.14 m.nt. Red.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 april 2005, nr. 39 781, LJN AT4895, BNB 2005/209, NTFR 2005/561 m.nt. Elbert.</p>\n<p class=\"lf-p\">BNB 2004/25, A-G.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.H.F. Remie, De landbouwvrijstelling op herhaling, WFR 1984/1069.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.H.J. Tuinte, De landbouwvrijstelling, fed fiscale brochures IB, 5e druk 1993, Deventer: Fed, blz. 41-42.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. marcus, a.w., blz. 22-23.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.F.J.J. Schenk en P.L.F. Seegers, De landbouwvrijstelling, fed fiscale brochures IB, 7e druk 2012, Deventer: Kluwer, blz. 42-43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. artikel 421 Rv en artikel 29e, lid 2, AWR; zie onderdeel 5.2 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR B. 3986 (1927); zie onderdeel 5.6 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Bakels, Hammerstein en Wesseling-van Gent (2012); zie onderdeel 5.59.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een overzicht over de voortzetting van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing de conclusies van Wesseling-van Gent voor HR 24 december 2010, NJ 2011/16 (onderdeel 2.3 e.v.) en Keus voor HR 4 december 2009, LJN BK0855 (ook onderdeel 2.3 e.v.) - vgl. de conclusie van Timmerman voor HR 30 maart 2012, NJ 2012/423 (onderdeel 4.2 e.v.). Zie voor een overzicht vanuit het belastingrecht, de conclusies van Van den Berge voor HR 24 april 1999, BNB 1999/312 en IJzerman voor HR 11 november 2011, BNB 2011/300.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. P. Meyjes, J. van Soest, J.W. van den Berge en J.H. van Gelderen (1997), blz. 254; zie onderdeel 5.50.</p>\n<p class=\"lf-p\">NJ 1934/1233, zie onderdeel 5.8 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus P.A.S. in NJ 1980/489, zie de onderdelen 5.21, 5.29 en 5.57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Winters (1992 en 2012); zie onderdeel 5.57 en 5.61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder feitelijke stellingen versta ik hierna tevens het aanbieden en inbrengen van (getuigen)bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onderdeel 5.47 en 5.56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik aarzel of HR NJ 1997/134 (zie 5.37) een uitzondering geeft op deze regel, aangezien de Hoge Raad het in dit arrest kennelijk niet bezwaarlijk vond dat een schadevordering, zonder verzet van de wederpartij, na verwijzing was gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. 5.54; zie tevens 5.44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een recent voorbeeld HR 9 augustus 2013, nr. 12/03439, ECLI:NL:HR:2013:194.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 6.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 6.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.o. 6.2.3; zie onderdeel 3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 6.12; vgl. BNB 1956/39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onderdeel 6.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onderdeel 6.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. artikel 8, lid 3, Wet IB 1964 en artikel 3.12, lid 2, Wet IB 2001; zie de onderdelen 6.2 en 6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Gerechtshof te Leeuwarden 25 januari 1965; zie onderdeel 6.17.</p></div>", "next": 0}