{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Deze bepaling luidt: “Het bestuursorgaan kan de beschikking tot uitstel van betaling onderscheidenlijk tot verlening van een voorschot intrekken of wijzigen: a. indien de voorschriften niet worden nageleefd; b. indien de wederpartij onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking zou hebben geleid, of c. voor zover veranderde omstandigheden zich verzetten tegen voortduring van het uitstel onderscheidenlijk tegen de verlening van het voorschot.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR BNB 1994/280 in onderdeel 4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 6.33(3) Wet IB 2001 in onderdeel 5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR BNB 1970/78 in onderdeel 5.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR BNB 1979/311 in onderdeel 5.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR BNB 1979/311 in onderdeel 5.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 6.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 7.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 7.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR BNB 1993/266 in onderdeel 5.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR BNB 2004/59 in onderdeel 5.27 en HR BNB 2009/152 (onderdeel 5.28).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de onderdelen 6.4 t/m 6.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de onderdelen 6.7 en 6.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR BNB 1979/311 in onderdeel 5.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 7.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is in overeenstemming met de strekking van art. 6.33 Wet IB 2001, waarin wordt gesproken over ‘indien en zolang’ (zie onderdeel 4.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie tevens het arrest HR BNB 2015/131, alsmede onderdeel 8.2 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 10.4 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 7.1 in onderdeel 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 3.1 in onderdeel 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 9.9 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 9.9 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de onderdelen 5.5 en 5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof overwoog dienaangaande: “7.1. (…) dat de feitelijke activiteiten van belanghebbende zich hoofdzakelijk richten op het in stand houden van een particuliere collectie oldtimers, het ter beschikking stellen van de door belanghebbende gehuurde ruimte voor festiviteiten en bijeenkomsten waarbij de collectie dient ter omlijsting alsmede het bevestigen en vergroten van de naamsbekendheid van het aan haar oprichter/voorzitter gelieerde transportbedrijf, tevens hoofdsponsor van de stichting.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 juni 2012, nr. 11/02888, ECLI:NL:HR:2012:BW8984, V-N 2012/46.18 met aantekening redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Den Bosch 9 juni 2011, nr. 10/00501, ECLI:NL:GHSHE:2011:BT6821, NTFR 2011/2775 met commentaar Van Arnhem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien is sprake van ongelijke gevallen, daar de belastingplichtige in het genoemde arrest (kennelijk) als sponsor fungeert, terwijl belanghebbende in de litigieuze zaak de gesponsorde partij is. Het arrest betreft zodoende een andere situatie. Daarnaast is het, gezien belanghebbendes in cassatie gemaakte opmerking dat met sponsorovereenkomst slechts relatief geringe werkzaamheden zijn gemoeid vanuit belanghebbende, niet aannemelijk dat het niet in aanmerking van deze werkzaamheden tot een ander oordeel zou leiden.</p></div>", "next": 0}