{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Althans is volgens subonderdeel 3.4 rov. 2.18 zonder nadere toelichting rechtens onjuist/onbegrijpelijk, omdat door DOC in eerste aanleg al is aangevoerd dat de kwaliteit van de [A]-melk lager was dan de melk van de leden, waardoor [A]-melk in wezen duurder is. Nu de rechtbank niet is toegekomen aan begroting van de schade, maakt deze stelling door de devolutieve werking van het appel deel uit van de rechtsstrijd in appel. De stelling dat een correctie nodig is op de prijs van de [A]-melk in verband met vet- en eiwitgehalte daarvan, is een nadere uitwerking van die stelling, waarvan van DOC niet kon worden gevergd dat zij deze eerder zou hebben ingenomen, nu de omvang van de schade ten gevolge van de bijkoop van duurdere melk van derden pas na het tussenarrest actueel werd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.10 Het hof heeft DOC bij tussenarrest opgedragen een uitgebreid met onderliggende bewijsstukken gestaafd rapport van Ernst &amp; Young in het geding te brengen waarin de schadeberekening van de (werkelijk) geleden schade inzichtelijk wordt gemaakt (rov. 38). Noch in de akte, noch in het rapport wordt een correctie uitgevoerd voor het vet- en eiwitgehalte. Het betoog van DOC dat haar stelling over de correctie voor het vet- en eiwitgehalte een uitwerking vormt van de door haar in de conclusie van antwoord aangevoerde stelling dat de kwaliteit van bijgekochte melk niet altijd vergelijkbaar is met die van de ledenmelk en daarom per saldo duurder is dan ledenmelk, volg ik niet. De (niet altijd) lagere kwaliteit van bijgekochte melk en vooral de financiële gevolgen daarvan worden in het rapport niet gemotiveerd. De stelling in de conclusie van antwoord is ook te algemeen om in verband te worden gebracht met het vet- en eiwitgehalte van die melk. Het had dan op de weg van DOC gelegen om eerder in de procedure, met het indienen van het rapport van Ernst &amp; Young, deze stelling in te nemen en van een motivering te voorzien. Onderdeel 3.4 faalt dus ook. veegklacht 3.4 Onderdeel 4 is een veegklacht; bij slagen van voorgaande onderdelen, kan ook rov. 2.20, 2.22, 2.24 en 3 en het dictum van het eindarrest niet in stand blijven. Omdat ik geen van de vorige onderdelen van het incidenteel beroep terecht vind voorgesteld, leidt dit ook niet tot cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Conclusie Ik concludeer in het principaal en incidenteel cassatieberoep tot verwerping.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Advocaat-Generaal Opgemerkt zij dat de partij [B] (wonende te [woonplaats], lidmaatschapsnr.: [001], zie aanhef inleidende dagvaarding) ontbreekt. Uit de bestreden uitspraken kan niet worden opgemaakt dat deze partij niet ontvangen is in zijn vordering; Kastelein dagvaardt dus kennelijk niet mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eindarrest met de toevoeging “h.o.d.n. D.O.C. Kaas”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontleend aan rov. 11.1-11.11 van het tussenarrest van hof Leeuwarden. Zie ook rov. 11 daarvan in verbinding met rov. 2.1-2.2 van het (eind)vonnis van rechtbank Assen van 3 november 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 januari 2009 luidt art. 13 van de statuten anders (prod. 6 bij de akte overl. prods): “1. Het A-lid van wie het lidmaatschap, anders dan door overlijden van het lid-natuurlijke persoon, is geëindigd, is verplicht op eerste schriftelijke aanmaning van de directie een uittredingsvergoeding aan de coöperatie te betalen. De uittredingsvergoeding bedraagt vier procent van het melkgeld dat het betreffende lid gemiddeld per jaar in de vijf voorafgaande boekjaren, of bij korter lidmaatschap gemiddeld per jaar van de volle duur van het lidmaatschap, van de coöperatie heeft ontvangen. Indien een lid met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste één jaar opzegt, is geen uittredingsvergoeding verschuldigd. 2. De directie is bevoegd ontheffing te verlenen van de verplichting tot betaling van het gehele of van een deel van de uittredingsvergoeding.” Daarbij is de uittreedvergoeding een forfaitair bedrag geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 1b (vervolgens prod. 4) bij akte overl. prods. van de melkveehouders van 18 november 2009. Dit is een zeer beperkte regeling, waarin slechts enkele uitgangspunten worden vermeld, waaronder het volgende: “De schadevergoeding zal worden gebaseerd op: minder dekking vaste kosten, vermindering toevoeging aan de algemene reserve (winstderving), kosten bijkoop kaas c.q. melk, schade marktposities en overige relevante kosten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie prod. 1g-1h bij akte overl. prods. van de melkveehouders van 18 november 2009 (vlgs. tekst akte prod. 1h en 1i). Het kortgedingvonnis van [eisers C] ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:GHLEE:2012:BY0522, RN 2013, 8, JONDR 2013, 131.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:GHARL:2013:6935.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cassatiedagvaarding is op 10 december 2013 uitgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarin staat in feite de hele schadebegrotingsexcercitie van het hof na het nadere Ernst &amp; Young rapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een overzicht van dit artikel: Parl. Gesch. Boek 2, 1962, p. 500, 501, 503 en 505; Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II, 1997, nr. 410; Raaijmakers, Over toe- en uittreding van leden ingeval van fusie en omzetting van (coöperatieve) verenigingen, in: Van Vennootschappelijk belang, Opstellen aangeboden aan Prof. Mr. J.M.M. Maeijer ter gelegenheid van zijn 25-jarig ambtsjubileum als hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, 1988, i.h.b. p. 212; Galle, Vrijheid en gebondenheid van de coöperatie en haar leden, TVVS 1990-7, p. 165 e.v. (i.h.b. § 1 en 10); Asser/Rensen 2-III* 2012, nr. 241-242 en Van der Sangen, Rechtskarakter en financiering van de coöperatie, een onderzoek naar de civielrechtelijke kenmerken van de coöperatie in het licht van de vraag of daaruit beperkingen voortvloeien voor de financiering van haar ondernemingsactiviteiten, 1999, p. 178. Zie ook Van der Sangen, Rechtspersonen (losbl.), art. 2:60 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. rov. 17 tussenarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 12 lid 1 luidde: “Met behoud der vrijheid van uittreding uit de vereeniging, kunnen daaraan voorwaarden, in overeenstemming met haar doel en strekking worden verbonden. Eene voorwaarde, welke verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zooverre voor niet geschreven gehouden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 28 mei 1925, Stb. 1925, 204.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 2, 1962, p. 499.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 2, 1962, p. 501.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 2, 1962, p. 499, p. 511 (Prof. Drion verklaart voor zover van belang: “Prof. Meijers heeft niet voor niets in zijn toelichting volstaan met: Dit artikel is identiek met artikel 12 van de Wet op de Coöperatieve Verenigingen. Hij heeft dit verder niet toegelicht, maar hij heeft zeker geen materiële wijziging willen aanbrengen.”) en p. 512.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesch. Boek 2, 1962, p. 512.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 2, 1962, p. 514; amendement van de heren Berkhouwer en Van Rijckevorsel, ter vervanging van dat, gedrukt onder nr. 19, II (Kamerstukken II 1957/58, 3769, nr. 35).</p>\n<p class=\"lf-p\">Minister Samkalden gebruikte daarvoor onder meer deze woorden: “Ik wil de Kamer duidelijk demonstreren, dat de Regering in haar tekst niets anders beoogt dan artikel 12, lid 1, van de Wet op de Coöperatieve Verenigingen hier over te nemen. Dit is alleen in het systeem van het ontwerp anders en beter geformuleerd, hetgeen bij de vorige behandeling reeds duidelijk uit te doeken is gedaan. (…) Onder die omstandigheden geloof ik, dat èn aan de beweegredenen van de geachte afgevaardigden èn aan de beweegredenen van de Regering het best recht wordt gedaan, wanneer dit amendement, dat, zoals ik reeds heb gezegd, in deze nieuwe vorm niet is bestreden, door de regering wordt overgenomen.” Zie Parl. Gesch. Boek 2 BW, p. 514-515.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1923-1924, 326, nr. 3, p. 8-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Molengraaff, Star Busmann, Zevenbergen, Leidraad bij de beoefening van het Nederlandse Handelsrecht, Deel 1, 1953, p. 326.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 17 november 1876 (Stb. 227) tot regeling der Coöperatieve Vereenigingen, bepaalde in art. 7 aanhef en onder 8°: “De acte van oprigting bevat op straffe van nietigheid: (…) 8°. de voorwaarden van in- en uittreding der leden; (…)”. Vgl. voor een overzicht: De Wet van 17 november 1876 (Staatsblad no. 227) tot regeling der Coöperatieve Vereenigingen, toegelicht door Mr. M. Polak, 1904.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Rensen 2-III* nr. 242 meent naar aanleiding hiervan (met P-G Tak en annotator Meijers) dat beslissingsdelegatie over voorwaardentoepasselijkheid aan de algemene vergadering niet is toegestaan, zonder dat in de statuten kenbaar is aan welke criteria de algemene vergadering dan toetst. Ook hij ziet dat in de uitspraak wordt geleerd dat de goede trouw het willekeurige karakter van zo’n statutaire bepaling relativeert. Dit verdient geen navolging (meer).</p>\n<p class=\"lf-p\">Cursivering ook in originele tekst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor lagere rechtspraak Gezelle Meerburg e.a., De Wet op de Coöperatieve Vereenigingen, met commentaar, 1928, art. 12 (p. 66) en Molengraaff, Star Busmann, Zevenbergen, Leidraad bij de beoefening van het Nederlandse Handelsrecht, Deel 1, 1953, p. 326 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:RBARN:2009:BK3002, JOR 2009, 282, m.nt. Rensen.</p>\n<p class=\"lf-p\">JOR 2007, 231, m.nt. Rensen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:GHSHE:2006:AY3884, NJ 2008, 214.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rensen meent dat dit onder voorwaarden wel kan, Asser/Rensen 2-III*, 2012, nr. 241.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dijk/Van der Ploeg, bewerkt door Overes, Van der Ploeg en Van Veen, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, 2013, par. 6.8.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de schakelbepaling van art. 2:53a lid 1 BW worden de wetsartikelen over de vereniging ook voor de coöperatie ingeschakeld, met uitzondering van (de voor onze zaak irrelevante) art. 2:26 lid 3 en 44 lid 2 BW, voor zover daarvan in de coöperatietitel niet wordt afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Rensen 2-III*, 2012, nrs. 241-242. Zie ook zijn noot onder Rb. Arnhem 15 juli 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BK3002, JOR 2009, 282.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van der Sangen, Rechtskarakter en financiering van de coöperatie, a.w., p. 179.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van der Sangen, Rechtspersonen (losbl.), art. 2:60 BW, aant. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Rensen, Extra-verplichtingen van leden en aandeelhouders, diss. RUN 2005, par. 4.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 2, 1962, p. 244.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 2, 1962, p. 246.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 2, 1962, p. 253-254.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 2, 1962, p. 264 en p. 268.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 2, 1962, p. 264. Zie ook Overes, Rechtspersonen (losbl.), art. 2:27 BW, aant. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontleend aan Overes, Rechtspersonen (losbl.), art. 2:27 BW, aant. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rensen, T&amp;C BW, art. 2:34a BW, aant. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overes, Rechtspersonen (losbl.), art. 2:27 BW, aant. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overes, Rechtspersonen (losbl.), art. 2:34a BW, aant. 2 en Rensen, Extra-verplichtingen van leden en aandeelhouders, diss. RUN 2005, par. 4.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover o.a. Asser/Rensen 2-III* 2012, nr. 246.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inherent aan aanvaarding van betaling van schadevergoeding als uittreedvoorwaarde is dat de omvang van die schade nog zal moeten worden begroot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geformuleerd aan het einde van rov. 2.5: “De vraag die nu voorligt is of DOC met het overgelegde rapport van Ernst &amp; Young d.d. 21 december 2012 heeft aangetoond dat haar schade het totaalbedrag van € 1.522.000,- overschrijdt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Kennelijke verschrijving ook in uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanhalingsteken ontbreekt in de uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het rapport wordt daarbij ook verwezen naar Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving 220.308, luidende: “De toerekening van vaste indirecte productiekosten aan de kostprijs is gebaseerd op de normale capaciteit van de productiefaciliteiten. De normale capaciteit is de gemiddelde productie die onder normale omstandigheden naar verwachting zal worden gerealiseerd over een aantal perioden of seizoenen, rekening houdend met het verlies van capaciteit als gevolg van planmatig onderhoud. Het werkelijke productieniveau mag worden gebruikt als het de normale capaciteit benadert. De toerekening van de vaste indirecte productiekosten aan elke productie-eenheid wordt niet verhoogd indien de productie lager uitvalt of de fabriek enige tijd stilligt. Niet-toegerekende overheadkosten worden verwerkt in de winst-en-verliesrekening in de periode waarin ze ontstaan. In perioden waarin de productie abnormaal hoog is, wordt de toerekening van de vaste productiekosten aan elke productie-eenheid verlaagd, zodat voorraden niet boven de kostprijs worden gewaardeerd. De variabele productiekosten worden toegerekend aan elke productie-eenheid op basis van het werkelijke gebruik van de productiefaciliteiten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 2.6. vgl. akte uitl. prods van 25 juni 2013 (onder 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 4 bij de akte van de melkveehouders van 18 november 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prod. 5 bij de akte van de melkveehouders van 18 november 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jaarverslag 2007, p. 23; jaarverslag 2008, p. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jaarverslag 2007, p. 26; jaarverslag 2008, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook cva 29: “Voor DOC geldt - anders dan eisers betogen - geen schadebeperkingsplicht. Deze plicht vindt immers haar grondslag in de eigen schuldregeling van artikel 6:101 BW en kan meebrengen dat de schade die ten onrechte door de benadeelde niet is beperkt, voor zijn eigen rekening moet blijven. Artikel 6:101 BW is echter slechts van toepassing op de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding, dat wil zeggen: verplichtingen tot schadevergoeding die voortvloeien uit de wet of het ongeschreven. Daarvan is hier geen sprake. Eén en ander past voorts noch bij het systeem noch bij de ratio van artikel 13 van de Statuten.” en het proces-verbaal van de comparitie van 5 juli 2010 (p. 5), waarin de advocaat van DOC heeft betoogd: “In dit geval is immers geen sprake van een schadevergoeding op basis van de wet, maar vindt de schadevergoeding plaats in de statuten. Onder die omstandigheden bestaat geen plicht tot schadebeperking. Ook in dit verband wordt gewezen op de conclusie van antwoord.” Zie ook Parl Gesch Boek 6, 1981, p. 331; Asser/Hartkamp &amp; Sieburgh 6-II 2013, nr. 4; Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (Hartlief), 2012, nr. 198 en Mon. BW B34 (Lindenbergh), 2008, nr. 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Spiers voetnoot 11 op deze plaats luidt als volgt: “Vgl. HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2012:BY1533, NJ 2013/503 P.B. Hugenholtz rov. 5.2.2; losbladige Schadevergoeding (Lindenbergh), art. 6:95, aant. 8 en art. 6:97, aant. 19-20; A-G Verkade voor HR 16 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8940, NJ 2006/585 J.H. Spoor onder 6.39, alsook mijn toenmalige ambtgenoot Bakels voor HR 14 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5519, NJ 2000/489 DFWV onder 2.25-2.26.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 12 uit de conclusie luidt zo: “HR 16 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9717, NJ 2006/378 MMM.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 13 verwijst op deze plaats naar; “HR 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3148, RvdW 2009/633.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9414, NJ 2004, 460, m.nt. JBMV onder NJ 2004/461, rov. 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7808, NJ 2013, 81, m.nt. Hartlief.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9874, RvdW 2007, 490; HR 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3758, JOR 2002, 133; HR 31 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1212, NJ 1994, 436, m.nt. Ma; HR 17 september 1993, ECLI:NL:HR:2003:ZC1061, NJ 1994, 213. Zie ook Waaijer, Statuten en statutenwijziging, diss. KUN 1993, p. 13-14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Asser/Rensen 2-III* 2012, nr. 332.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijpma, Uitleg van statuten, een objectieve Haviltex?, TOP 2014-3, p. 20-24 (i.h.b. p. 21, linker kolom).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II 1997, nr. 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M.M. Maeijer, Deelrechtsorde, redelijkheid en billijkheid, en vennootschappelijk belang, in: A-T-D, Opstellen aangeboden aan Prof.mr. P. van Schilfgaarde, 2000, p. 284-285.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rensen, Extra-verplichtingen van leden en aandeelhouders, diss. RUN 2005, p. 53 en 55. Zie in dezelfde zin ook Asser/Rensen 2-III* 2012, nr. 332 voor wat betreft stichtingen. Zie al eerder Waaijer, Statuten en statutenwijziging, diss. KUN 1993, p. 11-12. Zij brengen ook de nuance aan dat het in bepaalde gevallen denkbaar is dat voor een meer subjectieve uitleg moet worden gekozen, bijvoorbeeld wanneer de uitleg van statutaire bepalingen over de verhouding tussen de oprichters van een rechtspersoon aan de orde is of wanneer een BV slechts twee aandeelhouders heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijpma, Uitleg van statuten, een objectieve Haviltex?, TOP 2014-3, p. 20-24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682, RvdW 2014, 495, JOR 2014/151, m.nt. Schuijling, JIN 2014/133, m.nt. Krieckaert, AA20140927, m.nt. Van Boom (Coface/Intergamma), onder verwijzing naar HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005, 493, m.nt. Du Perron (DSM/Fox).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. rov. 2.8 van het eindarrest, de akte na tussenarrest van 8 januari 2013 onder 6 (“De beslissing om melk van derden aan te kopen (tegen een hogere prijs dan DOC aan de opzeggende leden had behoeven te betalen en dan zij aan de achtergebleven leden betaalde) was eind 2007 en begin 2008 verantwoord. Toen was immers niet te voorzien hoezeer de marktsituatie zich in de loop van 2008 zou wijzigen. De extra kosten die aan de inkoop van melk van derden voor DOC verbonden zijn geweest, hebben dan ook te gelden als schade die voor DOC uit de opzeggingen door geïntimeerden is voortgevloeid. Voor de verdere uitwerking van deze schade verwijst DOC naar de bijgevoegde rapportage van Ernst &amp; Young.”) en de antwoordakte van 28 mei 2013 onder 9 (“Dit alles betekent dat DOC na de hier aan de orde zijnde opzeggingen, anders dan geïntimeerden het nu doen voorkomen, wel degelijk voor de opgave kwam te staan om melk bij te kopen teneinde haar begroting voor 2008 te kunnen halen.”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschrijving ook in arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6699, NJ 2014, 175, m.nt. H.J. Snijders en HR 28 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2321, NJ 1997, 452. Zie ook o.a. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2012, nr. 84 en nr. 160 en Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2011, nr. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2011, nr. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de akte uitlating producties onder 6 (p. 3): “Onder handhaving van en onder verwijzing naar de inhoud van de ter rolzitting van 16 april 2013 genomen akte (…) kan DOC daar bij antwoordakte (nota bene: ook nog de laatste akte waarvan het geïntimeerden niet is toegestaan daar inhoudelijk op te reageren) niet op terug komen. Feitelijk stelt DOC dat de vermeende schade niet wordt gevormd door de meerkosten bijkoop doch door het feit dat de bijgekochte melk een ander product is dan het product dat de leden hebben geleverd (melk van een geheel andere samenstelling). Een dergelijke wijziging van de grondslag van de vordering in dit stadium van de procedure - waar geïntimeerden zich met klem tegen verzetten - is in strijd met een goede procesorde. Hieraan dient dan ook voorbijgegaan te worden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2012, nr. 160.</p></div>", "next": 0}