{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het belangrijkste onderdeel van de heffing bij wege van aangifte is (…) de betaling van de belasting. Doorgaans is het niet nodig dat de betaling gelijk met de aangifte wordt gedaan. Heeft betaling plaatsgevonden, maar is verzuimd een aangifte in te dienen, dan is de betaling toch rechtsgeldig. De inspecteur kan dan niet tot naheffing van de belasting overgaan. (…) (…) Hoe te betalen?</p>\n<p class=\"lf-p\">In de belastingwet is niet vastgelegd op welke wijze de belasting moet worden betaald. In titel 4.4 van de Awb is – sinds de inwerkingtreding van de vierde tranche van de Awb per 1 juli 2009 – een regeling opgenomen voor bestuursrechtelijke schulden. Volgens artikel 4:85 lid 1 Awb is titel 4.4 van de Awb van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit een wettelijk voorschrift dat een verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan regelt of op geldschulden die voortvloeien uit een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep. Artikel 4:89 Awb geeft als hoofdregel dat, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, betaling dient plaats te vinden door bijschrijving op een daartoe door de schuldeiser bestemde bankrekening, oftewel giraal. Artikel 4:90 bepaalt dat indien girale betaling naar het oordeel van het bestuursorgaan bezwaarlijk is, de betaling in een andere vorm kan geschieden. Langs die weg kan worden geregeld dat betaling op andere wijze kan plaatsvinden dan giraal. (…) Volgens artikel 4:90 lid 2 Awb dient betaling in euro te geschieden, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Het tijdstip van betaling is op grond van artikel 4:89 lid 3 Awb het moment waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd. Het risico van de betaling ligt dus bij de betaler.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.54 Van Leijenhorst en Lanser hebben geschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldoening Zodra daadwerkelijk wordt geparkeerd, is de betaaldparkerenbelasting verschuldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De parkeerder is er zelf verantwoordelijke voor dat hij de betaaldparkerenbelasting volgens de geldende regels voldoet. Voor de voldoening van de betaaldparkerenbelasting moet de parkeerder een redelijke termijn worden gegund. Doorgaans doet hij dat door het aanschaffen van een parkeerkaartje bij een parkeerautomaat, maar er zijn ook andere wijzen van voldoening mogelijk (bijv. gsm-parkeren (…)).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Gemeentewet geeft de gemeentelijke wetgever (de gemeenteraad) voor de betaaldparkerenbelasting in theorie de keuze uit twee heffingstechnieken: voldoening op aangifte en heffing op andere wijze. Omdat de profijtelijke opslag voor de kosten van naheffing slechts mogelijk is bij de voldoening op aangifte, kiezen de gemeenten in de praktijk steeds voor de voldoening op aangifte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voldoening op aangifte van betaaldparkerenbelasting wijkt wel ingrijpend af van de voldoening op aangifte van andere belastingen. Zo ontbreekt de aangifte – die toch essentieel is voor de normale voldoening op aangifte – volledig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voldoening op aangifte wordt uitsluitend aangemerkt: a. het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften. (…) Het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat is (…) een doe-het-zelfbeschikking. (…) Als de parkeerder niet bij de aanvang van het parkeren de parkeerapparatuur op de voorgeschreven wijze in werking heeft gesteld, heeft hij – in AWR-termen – de betaaldparkerenbelasting niet op aangifte voldaan. In dat geval kan de heffingsambtenaar de te weinig geheven belasting naheffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als komt vast te staan dat de betaaldparkerenbelasting bij aanvang van het parkeren is voldaan, kan de heffingsambtenaar geen naheffingsaanslag opleggen. Het voor de gemeente zo profijtelijke in rekening brengen van de kosten van naheffing is dan uiteraard evenmin mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.55 Monsma heeft in het NDFR-commentaar op artikel 234 Gemeentewet geschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens de jurisprudentie laten parkeerders in bezwaar en beroep soms achteraf alsnog een geldig parkeerkaartje zien, terwijl ze dit kaartje volgens de parkeercontroleur bij het parkeren in strijd met de nadere voorschriften van B&amp;W niet zichtbaar achter de voorruit hebben geplaatst. Dan is de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Bij de beantwoording van deze vraag zijn de feitelijke omstandigheden van het geval van belang. Ook is van belang of men de voorschriften als onderdeel van het belastbare feit beschouwt of niet. Tot slot is het aan de rechter om de bewijsmiddelen te waarderen en tot een oordeel te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de juridische status van deze nadere voorschriften heeft de jurisprudentie zich ontwikkeld. Eén opvatting was, dat als niet voldaan was aan het voorschrift om het kaartje achter de voorruit te plaatsen, de naheffingsaanslag terecht was opgelegd (zie bijvoorbeeld Hof Leeuwarden 15 maart 1995, nr. 725/94, Belastingblad 1995, p. 583). Een andere opvatting was, dat als de parkeerbelasting feitelijk betaald was, de naheffingsaanslag niet in stand kon blijven, ook al was er niet aan de nadere voorschriften voldaan (zie bijvoorbeeld Hof Den Bosch 8 mei 1995, nr. 3266/93, Belastingblad 1996, p. 237, en Hof Den Haag 19 april 1995, nr. 94/1519, Belastingblad 1995, p. 775). In 1997 deed de Hoge Raad uitspraak op dit punt (HR 8 januari 1997, nr. 31.657, BNB 1997/68, Belastingblad 1997, p. 277). Hierin oordeelde hij in navolging van de advocaat-generaal dat de naheffing van parkeerbelasting geschiedt overeenkomstig de bepalingen van art. 20 AWR. In dit artikel is bepaald, dat naheffing kan geschieden als de belasting niet of niet geheel is betaald. Het voldoen aan de voorschriften met betrekking tot het doen van aangifte staat blijkens eerdere jurisprudentie en de wetsgeschiedenis los van het betalen van de belasting. Als wel is betaald, maar niet voldaan aan de voorschriften, mag conform art. 20 AWR niet worden nageheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze jurisprudentie leverde de gemeente de nodige bewijsproblemen op. Een poging om dit met een wetswijziging te verhelpen strandde in de Tweede Kamer na een negatief advies van de Raad van State (zie de annotaties van M.P. van der Burg in Belastingblad 1999, p. 374 en Belastingblad 2000, p. 504).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een poging van de gemeente Den Haag om dit probleem zelf op te lossen – door in het besluit van het college te bepalen dat parkeren zonder aan de voorwaarden te voldoen geacht wordt te zijn parkeren zonder dat de verschuldigde belasting is betaald – strandde bij de Hoge Raad (HR 11 januari 2008, nr. 41.262, NTFR 2008/231). Zo'n bepaling is in strijd met art. 20 AWR en daarom onverbindend. Met het arrest bevestigt de Hoge Raad zijn eerdere arrest uit 1997. (…) Met voorschriften die het college op grond van art. 225, lid 1, onderdeel a of b vaststelt, ligt dit overigens anders. Deze voorschriften betreffen het belastbare feit en de belastingplicht als bedoeld in art. 225, lid 1. (…) Gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad is bij betaald parkeren dus slechts van belang of de parkeerbelasting is betaald en niet of aan het voorschrift (dat het kaartje goed zichtbaar achter de voorruit is geplaatst) is voldaan. Zie bijvoorbeeld HR 15 maart 2000, nr. 35.201, NTFR 2000/414, en HR 3 december 2004, nr. 38.407, NTFR 2005/29. (…) Tot slot kan, indien bij zogenoemde kraskaarten niet aan alle voorwaarden is voldaan, de naheffingsaanslag toch onterecht zijn opgelegd. Rechtbank Den Haag oordeelde bijvoorbeeld dat de naheffingsaanslag vernietigd moest worden, omdat belanghebbende alleen de weekdag was vergeten weg te krassen, terwijl wel alle andere gegevens waren opengekrast (Rechtbank Den Haag 26 januari 2011, nr. 10/4801, NTFR 2011/663, LJN: BP4985).</p>\n<p class=\"lf-p\">5Beoordeling van de middelen 5.1 Het Hof heeft geoordeeld dat de opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting dient te worden vernietigd. Nu belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting voor het parkeren van een voertuig op de Locatie gedurende de aangegeven parkeertijd, heeft betaald, is naar het oordeel van het Hof, ondanks het invoeren van een ander kenteken dan dat van het geparkeerde voertuig, toch sprake van het voldoen op aangifte van de belasting voor het onderhavige parkeren. Alsdan is volgens het Hof naheffen van parkeerbelasting niet toegelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Het beroep in cassatie van het College, onder aanvoering van twee middelen, is met name gericht tegen deze overwegingen van het Hof en het daarop gebaseerde oordeel. Ik merk op dat het op zichzelf goed is dat deze kwestie thans wordt voorgelegd aan de Hoge Raad, gezien het maatschappelijke belang van deze moderne wijze van betalen van parkeerbelasting, de daarmee onvermijdelijk samenhangende typefouten en de publiciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Het komt mij voor dat de twee middelen van het College neerkomen op de stelling dat reeds bij het betalen van parkeerbelasting door middel van een app, door middel van aanklikken van een bepaald kenteken, definitief wordt bepaald voor welke auto parkeerbelasting wordt betaald. In de toelichting op het tweede middel wordt gesteld: ‘Er staan twee auto's in Amsterdam geparkeerd. Een Daihatsu en een Honda. Belanghebbende heeft betaald voor haar geparkeerde Daihatsu. Zij heeft niet betaald voor de geparkeerde Honda.’ 5.4 Parkeerbelasting moet door de gebruiker van de geparkeerde auto worden voldaan, dat wil zeggen: betaald, op (elektronische) aangifte. Doordat belanghebbende het verkeerde kenteken heeft ingegeven in de Parkmobile-app is hier sprake van een onjuiste aangifte.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Dit enkele gegeven sluit niet uit dat naderhand, na bezwaar, kan komen vast te staan dat de verschuldigde belasting toch is betaald. Naheffing van niet voldane parkeerbelasting ingevolge artikel 234 van de Gemeentewet, moet plaatsvinden op basis van artikel 20 AWR. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie inzake artikel 20 AWR volgt dat de verplichting tot het doen van aangifte en de verplichting tot betaling van de belasting weliswaar nauw met elkaar samenhangen, maar niettemin afzonderlijke verplichtingen vormen. Slechts een onvolledige of ontbrekende betaling vormt het aangrijpingspunt voor naheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 Daaruit volgt dat het feit dat in casu een onjuiste aangifte is gedaan nog niet behoeft te betekenen dat de verschuldigde parkeerbelasting niet kan zijn voldaan. Er kan, naar het mij voorkomt, ook rechtsgeldig betaald zijn hoewel de aangifte onjuist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 Dat betekent dat moet worden nagegaan of de onderhavige wijze van betaling, met invoering van het verkeerde kenteken, gezien de naderhand na bezwaar gebleken feitelijke omstandigheden, kan worden aangemerkt als de betaling van parkeerbelasting voor de in feite op de Locatie geparkeerde Honda.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 Vast staat dat belanghebbende ter zake van het parkeren van een auto op de Locatie een bedrag aan parkeerbelasting van € 5 via Parkmobile heeft betaald en dat dit bedrag als zodanig klopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 Tevens staat vast dat belanghebbende ten onrechte aangifte heeft gedaan voor haar Daihatsu, die op dat moment elders in de stad met parkeervergunning stond geparkeerd. Die aangifte is echter, als gezegd, niet beslissend voor de uitleg van het begrip ‘betalen’, en daarmee de voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 Het gaat dus om de hier toepasselijke uitleg van het begrip ‘betalen’. In dat kader zal moeten worden beoordeeld of rechtens juist te achten is de uitleg van het College welke er, als gezegd, op neerkomt dat reeds bij het betalen van parkeerbelasting door middel van een app, door middel van aanklikken van een bepaald kenteken, definitief wordt bepaald voor welke auto parkeerbelasting wordt betaald, zodanig dat er geen ruimte meer is voor nadere duiding van die betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 Noch in de belastingwetgeving noch in de fiscale jurisprudentie komt een eigen begrip ‘betalen’ voor. Voor uitleg en omschrijving van het begrip ‘betaling’ zal dus elders moeten worden gezocht, met name door aan te sluiten bij het burgerlijke recht. Het bestuursrecht haakt hier in principe aan bij het civiele recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 Wel is er fiscale jurisprudentie waarin is beslist dat het feit dat bij overmaking van verschuldigde belasting door de belastingplichtige een onjuist aanslagnummer is vermeld, niet aan betaling in de weg behoeft te staan. Achteraf kan namelijk blijken welke bedoelingen de belastingplichtige heeft gehad met welke betalingen. Het ligt mijns inziens in de rede die jurisprudentie door te trekken naar het geval dat bij de aangifte parkeerbelasting een onjuist kenteken is ingevoerd, als nadien, in bezwaar door de belastingplichtige uitgelegd. In casu heeft belanghebbende van meet af aan bedoeld te betalen voor de Honda.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13 Ik werp nog een blik op het civiele recht ter zake. Ingevolge artikel 6:114, eerste lid, BW kan een schuldenaar zijn schuld voldoen door overschrijving van het verschuldigde bedrag op rekening van de schuldeiser. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat zo een betaling geschiedt op het tijdstip waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd. Meer dan overschrijving van het verschuldigde bedrag vergt artikel 6:114 BW niet. Dus ook niet dat voor een rechtsgeldige betaling volledige en juiste betaalkenmerken zouden moeten worden vermeld. Uit artikel 6:43, lid 1 BW volgt dat als een schuldenaar een betaling verricht die zou kunnen worden toegerekend op twee of meer verbintenissen jegens een zelfde schuldeiser, die betaling in principe wordt toegerekend op de verbintenis welke de schuldenaar bij de betaling aanwijst. Ik noem dit artikel hier niet om reden dat er in casu sprake zou zijn van twee verbintenissen tot betaling, maar omdat het mijns inziens duidelijk maakt dat aan een schuldenaar in principe het recht toekomt een betaling die hij reeds heeft gedaan, toe te rekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14 Het komt mij voor dat gemeten naar maatstaven van burgerlijk recht onjuist te achten is de voornoemde uitleg van het begrip ‘betalen’ van het College, erop neer komende dat reeds bij het betalen van parkeerbelasting door middel van een app, door middel van aanklikken van een bepaald kenteken, definitief wordt bepaald voor welke auto parkeerbelasting wordt betaald, zodanig dat er later geen ruimte meer zou zijn voor uitleg en toerekening van de kant van de betaler.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15 Op een en ander stuiten beide middelen af.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.16 Overigens kunnen er nog andere typefouten en dergelijke worden gemaakt bij het via een mobiele telefoon doen van aangifte voor de parkeerbelasting. Zoals het invoeren van een onjuist parkeervaknummer. Ook in dergelijke gevallen heeft mijns inziens te gelden dat dit vatbaar is voor uitleg en toerekening achteraf door de betaler, zodat naheffing achterwege moet blijven, althans als de betaalde parkeerbelasting toereikend is voor het vak waarin de auto daadwerkelijk geparkeerd stond; parkeren in het centrum kan immers duurder zijn dan in een buitenwijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Amsterdam ongegrond dient te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Gerechtshof Amsterdam 18 juni 2015, nr. 13/00742, ECLI:NL:GHAMS:2015:2495, V-N 2015/50.25, FutD 2015/2272.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal onbewerkt weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Amsterdam 12 november 2013, nr. AMS 13/2614, niet gepubliceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 283a (oud) van de Gemeentewet is ingevoerd bij Wet van 21 juni 1990, Stb. 1990, 426, tot wijziging van de gemeentewet, de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966, de Wet op de rechterlijke organisatie en de Wet gemeenschappelijke regelingen inzake parkeerbelastingen. Ingevolge het KB van 12 december 1990, Stb. 1990, 603 is deze wet per 1 januari 1991 in werking getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1989/90, 19 405, nr. 13 (TNvW), p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1989/90, 19 405, nr. 13 (TNvW), p. 11-12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3 (MvT), p. 37-38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 13 mei 1981, nr. 20 326, V-N 1981, p. 1289.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 22 februari 1984, nr. 21 979, ECLI:NL:HR:1984:AW8642, na conclusie A-G Van Soest, BNB 1984/233 met noot Scheltens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 22 februari 1984, nr. 22 238, ECLI:NL:HR:1984:AW8643, na conclusie A-G Van Soest, BNB 1984/234 met noot Scheltens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Van Soest bij het arrest HR 22 februari 1984, nr. 22 238, ECLI:NL:HR:1984:AW8643, BNB 1984/234 met noot Scheltens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bijlage is gepubliceerd onder het arrest Hoge Raad 22 februari 1984, nr. 21 979, ECLI:NL:HR:1984:AW8642, zoals opgenomen in BNB 1984/233.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 8 januari 1997, nr. 31 657, ECLI:NL:HR:1997:AA3200, na conclusie A-G Loeb, BNB 1997/68 met noot Van Leijenhorst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 8 januari 1997, nr. 31 902, ECLI:NL:HR:1997:AA3187, BNB 1997/69 met noot Van Leijenhorst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 8 januari 1997, nr. 31 696, ECLI:NL:HR:AA3204, BNB 1997/82.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 15 maart 2000, nr. 35 201, ECLI:NL:HR:2000:AA5139, BNB 2000/162.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 11 januari 2008, nr. 41 262, ECLI:NL:HR:2008:BC1593, BNB 2008/72, V-N 2008/6.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">V-N 2008/6.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad Hoge Raad 13 augustus 2010, nr. 09/00018, ECLI:NL:HR:2010:BN3840, V-N 2010/37.5, FED 2010/101 met aantekening Oenema; Hoge Raad 13 augustus 2010, nr. 09/00019, ECLI:NL:HR:2010:BN3847, BNB 2010/303, V-N 2010/37.4, FED 2010/102; Hoge Raad 13 augustus 2010, nr. 09/00020, ECLI:NL:HR:2010:BN3949, V-N 2010/37.6, FED 2010/103. De geciteerde tekst is ontleend aan het arrest met nr. 09/00019.</p>\n<p class=\"lf-p\">V-N 2010/37.4 Hoge Raad 26 november 2010, nr. 09/03340, ECLI:NL:HR:2010:BN7172, na conclusie van A-G IJzerman, BNB 2011/55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 februari 1998, nr. 96/1528, ECLI:NL:GHSHE:1998:AA6054, Belastingblad 2000/1130.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 mei 1998, nr. 97/0215, gepubliceerd onder Hoge Raad 3 maart 1999, nr. 34 493, ECLI:NL:HR:1999:AA2686, BNB 1999/203.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 3 maart 1999, nr. 34 493, ECLI:NL:HR:1999:AA2686, BNB 1999/203, en Belastingblad 1999/374 met aantekening Van der Burg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem 14 juni 2001, nr. 99/3563, ECLI:NL:GHARN:2001:AB2964, Belastingblad 2001/950.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof ’s-Gravenhage 13 september 2002, nr. 01/02510, ECLI:NL:GHSGR:2002:AS2266, Belastingblad 2003/326.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 19 maart 2003, nr. 01/4093, ECLI:NL:GHAMS:2003:AF6650, Belastingblad 2003/1191.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 30 juli 2013, nr. BK-12/00722, ECLI:NL:GHARN:2001:AB2964, Belastingblad 2013/374 met annotatie De Bruin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank ’s-Gravenhage 13 juli 2006, nr. AWB 05/6318, ECLI:NL:RBSGR:2006:AY8345, NTFR 2006/1550, Belastingblad 2007/23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Gelderland 15 oktober 2013, nr. AWB-13_1424, ECLI:NL:RBGEL:2013:3729, NTFR 2013/2401, Belastingblad 2013/493.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.A. de Blieck e.a., Algemene wet inzake rijksbelastingen, Deventer: Kluwer 2015, p. 267-269.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Heffing van belasting door middel van betaling op aangifte, Deventer: Kluwer 2005, p. 32-33.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 119-120.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Heffing van belasting door middel van betaling op aangifte, Deventer: Kluwer 2005, p. 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Heffing van belasting door middel van betaling op aangifte, Deventer: Kluwer 2005, p. 41-42.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Heffing van belasting door middel van betaling op aangifte, Deventer: Kluwer 2005, p. 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Heffing van belasting door middel van betaling op aangifte, Deventer: Kluwer 2005, p. 288.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Heffing van belasting door middel van betaling op aangifte, Deventer: Kluwer 2005, p. 290.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.M.P.G. Niessen-Cobben, Wegwijs in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, Den Haag: Sdu Uitgevers 2014, p. 103-104.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.C.G. Okhuizen, ‘Wijzen van heffing’, in: E.C.G. Okhuizen (red.), Hoofdzaken formeel belastingrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2014, p. 80-82.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J. van Leijenhorst en J.K. Lanser, Decentrale heffingen (tweede druk), Deventer: Kluwer 2013, p. 353-354.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.P. Monsma, NDFR Deel WOZ en lokale belastingen, Gemeentewet, commentaar bij artikel 234 Gemeentewet (Wijze van heffen parkeerbelasting), onderdeel 2.3.2, online geraadpleegd op 6 oktober 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 5.17 van de Hofuitspraak zoals opgenomen in onderdeel 2.10 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dat verband de negen uitspraken van het gerechtshof Amsterdam van 5 november 2015, nrs. 14/00375, 14/00589, 14/00779 t/m 14/00782, 14/01016, 15/00274 en 15/00112 en de naar aanleiding daarvan op onder andere nu.nl gepubliceerde berichtgeving (http://www.nu.nl/geldzaken/4159267/geen-naheffing-parkeren-verkeerd-kenteken.html; geraadpleegd op 9 november 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 3.6 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 2.3 tot en met 2.5 van de Hofuitspraak zoals opgenomen in 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.24 - 4.26. Zie ook 4.47, 4.54 en 4.55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.20 en 4.21. Zie ook 4.6. Voorts 4.26, 4.44, 4.47 en 4.51 - 4.55 Zie 4.47 - 4.55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.51: Na een negatief advies van de Raad van State heeft de regering afgezien van de indiening van een wetsvoorstel dat de mogelijkheid zou bieden om betaalde maar niet aangegeven parkeerbelasting toch na te heffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. 4.29, inzake GSM-parkeren en een kopie transponderkaart, en 4.36-4.37, inzake een verkeerd ingevoerd vaknummer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 2.6 en 2.7 van de Hofuitspraak zoals opgenomen in 2.1. Vgl. 4.8, 4.18, 4.34 en 4.53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.49. Hoewel de term betaling ‘op aangifte’ in de AWR anders zou kunnen suggereren, is een betaling ook rechtsgeldig indien er bij die gelegenheid (en ook nadien) helemaal geen aangifte wordt gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.45, 4.52 en 4.53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.45 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bestuursrecht geldt als hoofdregel in artikel 4:89, Awb, girale betaling. Als tijdstip van betaling geldt conform artikel 6:114, tweede lid, BW, het tijdstip waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.31 - 4.34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 2.9 en 3.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.35.</p></div>", "next": 0}