{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Naast het in lid 1 bedoelde vaste bedrag kan de schuldeiser aanspraak maken op een redelijke schadeloosstelling door de schuldenaar voor alle door diens betalingsachterstand ontstane invorderingskosten welke dat vaste bedrag te boven gaan. Daartoe kunnen onder meer de kosten worden gerekend die worden gemaakt voor het inschakelen van een advocaat of incassobureau.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.22 Het herziene tekstvoorstel voor de Richtlijn, dat de Commissie op 8 april 2009 publiceerde, bevatte in het vijfde lid van art. 5 een boeteclausule: “5. De lidstaten zorgen ervoor dat de schuldeiser recht heeft op een forfaitaire vergoeding ter hoogte van 5% van het verschuldigde bedrag wanneer interest voor betalingsachterstand verschuldigd is. Deze vergoeding komt bovenop de interest voor betalingsachterstand.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is na kritiek uit het voorstel geschrapt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.23 Deze richtlijn is per 16 maart 2013 omgezet. De art. 6:119a en 6:119b BW werden gewijzigd respectievelijk ingevoerd. Voorts werd art. 6 van de Richtlijn omgezet door middel van invoering van art. 6:96 lid 4 BW. Ten aanzien van de invorderingskosten werd − met uitzondering van het nieuwe bodembedrag van € 40 – overigens geoordeeld dat de bestaande regelgeving al aan de Richtlijn voldeed. De MvT merkt daarover op: “De bepalingen in (…) artikel 6 lid 3 (recht op vergoeding van aanvullende invorderingskosten naast vast bedrag van 40 euro) (…) zijn ongewijzigd gebleven en behoeven evenmin implementatie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">En: “Artikel 96 van boek 6 BW De bestaande regeling van artikel 6:96 BW dient ingevolge artikel 6 van de richtlijn nader te worden gepreciseerd. Voorgesteld wordt om in artikel 6:96 BW een nieuw vierde lid in te voegen. Hierbij wordt opgemerkt dat ervan is uitgegaan dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, het wetsvoorstel incassokosten tot wet is verheven en in werking is getreden, alsook het besluit. In het voorgestelde vierde lid wordt opgenomen dat in geval van een handelsovereenkomst een schuldeiser aanspraak kan maken op een bedrag van 40 euro ter vergoeding van redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte zoals bedoeld in lid 2 onder c. Een schuldeiser hoeft niet aan te tonen dat hij incassokosten ter hoogte van dit bedrag heeft gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kunnen partijen afspreken op welke bedragen een schuldeiser aanspraak kan maken ter vergoeding van zijn invorderingskosten, voor zover deze niet door het bedrag van 40 euro worden gedekt. Dit kan het geval zijn als de schuldeiser bijvoorbeeld voor de invordering van zijn openstaande facturen een advocaat of incassobureau heeft ingeschakeld, maar ook als hijzelf vanwege de hoogte van de vordering veel inspanningen heeft verricht om de vordering buitengerechtelijk te innen. Indien partijen ter zake niets zijn overeengekomen, geeft het besluit, nadat het inwerking is getreden, partijen duidelijkheid over op welk bedrag de schuldeiser recht heeft ter vergoeding van zijn invorderingskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit voorziet in een vergoedingenregeling die de schuldeiser een redelijke schadeloosstelling biedt voor de ten gevolge van de betalingsachterstand ontstane invorderingskosten, zoals bedoeld in artikel 6 lid 3 van de richtlijn.” [onderstreping toegevoegd; A-G] 4.24 Op de € 40 van art. 6 lid 1 Richtlijn kan de schuldeiser aanspraak maken zonder dat hij hoeft aan te tonen dat hij kosten heeft gemaakt en welke dat zijn. Maakt hij meer invorderingskosten dan die € 40, dan kan hij ook aanspraak maken op de redelijke kosten die hij boven dat bedrag heeft gemaakt. d. De invoering van de WIK en het BIK 4.25 Het wetsvoorstel inzake incassokosten (WIK) werd in dezelfde periode in de Kamer behandeld als de implementatiewetgeving voor de Richtlijn. Echter, waar de Richtlijn beoogde de belangen van (MKB-)schuldeisers te beschermen, was de WIK juist gericht op bescherming van schuldenaren (vooral consumenten en kleine bedrijven) tegen onredelijke incassokosten. Drie aspecten vragen in het bijzonder aandacht: de vrijheid van zakelijke partijen om af te wijken van de BIK-staffel; het ontbreken van een afzonderlijke BIK-staffel voor B2B-transacties; en de verhouding tussen WIK en art. 242 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Contractsvrijheid in B2B-gevallen 4.26 De invoering van het forfaitaire stelsel is niet zonder discussie tot stand gekomen. Aanvankelijk werd overwogen het BIK ten behoeve van elke schuldenaar dwingendrechtelijk te doen zijn, maar later is dit met het oog op B2B-relaties gewijzigd. De Minister van Justitie merkte in het kader van de gedachtewisseling met de Kamer over het onderwerp ‘Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting’ op: “Ik denk daarbij aan een regeling voor alle incasso’s, waarbij het niet alleen gaat om consumentenincasso’s, ook kleine ondernemers kunnen in de positie verkeren dat zij in onredelijke mate worden belast wanneer de incassokosten te hoog oplopen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een brief schetste hij later de contouren van het voorgenomen wetsvoorstel: “Ik stel voor aan te sluiten bij de hoofdsom van de vordering en te bepalen dat de incassokosten die in rekening mogen worden gebracht een bepaald percentage van de hoofdsom van de vordering bedragen, waarbij het percentage lager wordt naarmate de vordering hoger wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts stel ik voor de regeling alleen te laten gelden voor vorderingen waarbij de hoofdsom een bepaald maximumbedrag beloopt. Hierbij denk ik aan een hoofdsom van € 25 000,–.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wil in de regeling geen onderscheid maken tussen incassokosten voor vorderingen die bestaan tussen bedrijven en consumenten en vorderingen tussen bedrijven onderling. Vorderingen tot € 25 000,– zullen vaak voorkomen bij transacties waarbij consumenten of kleine bedrijven, zoals eenmanszaken, betrokken zijn. Vorderingen die hoger zijn, zullen eerder voorkomen bij transacties tussen (grotere) bedrijven. In dat geval zal men, wanneer betaling van een hoge hoofdsom achterwege blijft, eerder geneigd zijn de gang naar de rechter te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van € 25 000,– sluit aan bij het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel, dat mede betrekking heeft op de competentiegrenzen van de kantonrechter. Daarin wordt voorgesteld de competentiegrens te verhogen van € 5 000,– naar € 25 000,– (zie Kamerstukken II 2008/09, 29 279, nr. 89, p. 15 en 16). (…) De voorgestelde regeling zal in een algemene maatregel van bestuur worden opgenomen. In artikel 6:96 BW moet daartoe een wettelijke grondslag worden neergelegd. Dit zal een dwingendrechtelijke regeling zijn; partijen zijn voor het vaststellen van de incassokosten bij vorderingen tot € 25 000,– gebonden aan deze rekenwijze. Ook wanneer een incassogeschil aan de rechter wordt voorgelegd, is deze wat betreft de incassokosten gebonden aan de nadere regelgeving. Ook artikel 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden aangepast. Voor vorderingen met een hoofdsom van meer dan € 25 000,– blijft de huidige regeling gelden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De gedachte dat de BIK-staffel ook voor B2B-transacties van dwingend recht zou zijn, hing dus samen met de gepercipieerde noodzaak van bescherming van kleine bedrijven, die vaker te maken zouden hebben met vorderingen tot € 25.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.27 Naar aanleiding van het voorgenomen wetsvoorstel hebben de Vereniging van Credit Management (VCCM), het Verbond van Credit Management Bedrijven (VCMB), de Vereniging van Incasso-Advocaten (VIA) en de KBvG een gezamenlijk advies aan de Minister uitgebracht. In dit ‘Incassoadvies’ werd geadviseerd om een onderscheid te maken tussen B2C- en B2B-incasso’s. Opgemerkt werd dat een B2B-incasso complexer en meer internationaal is en dat naar analogie van de hogere handelsrente ook de incassokosten hoger zouden dienen te zijn. Er werd daarom een afzonderlijke staffel voor B2B-incasso’s voorgesteld. Daarbij werd aangetekend dat bedongen incassokosten toegewezen zouden moeten worden en dat uitsluitend in bijzondere omstandigheden de bedongen kosten zouden kunnen worden gematigd tot het bedrag van de B2B-staffel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.28 Deze voorstellen zijn niet overgenomen in het wetsvoorstel, dat in grote lijnen de contouren van het voorgenomen wetsvoorstel volgde.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.29 Naar aanleiding van opmerkingen vanuit de Vaste commissie van Justitie en onder invloed van de omzetting van de gewijzigde Richtlijn inzake bestrijding van betalingsachterstanden is het wetsvoorstel vervolgens aangepast: “De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering staat tegenover een scheiding tussen de incassokosten van consumenten en die voor bedrijven en of de regering bereid is de regeling dienovereenkomstig aan te passen. Ook de leden van de fracties van de PVV en het CDA vragen naar de toepasselijkheid van de regeling op betalingsverplichtingen tussen bedrijven, waarbij zij wijzen op de contractsvrijheid van bedrijven en de herziening van de richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (COM (2009) 126 def). Ook de leden van de fracties van de ChristenUnie en D66 vragen hoe deze richtlijn wordt betrokken bij de Nederlandse wetgeving. (…) Gezien de Europese ontwikkelingen en de in het verslag gemaakte opmerkingen heb ik besloten het wetsvoorstel op dit punt aan te passen. In het oorspronkelijke wetsvoorstel is opgenomen dat van de regels in de amvb niet ten nadele van de schuldenaar kan worden afgeweken. Ik pas deze zinsnede middels een nota van wijziging zo aan, dat dit verbod om af te wijken alleen geldt als de schuldenaar een consument is. (…) Dit betekent dat de regeling bij vorderingen op een schuldenaar die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, van regelend recht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval dat de schuldenaar geen consument is, kunnen partijen overeenkomen af te wijken van de wettelijke regeling voor incassokosten. Wanneer partijen niets regelen met betrekking tot de incassokosten, is de wettelijke regeling met een maximale vergoeding voor incassokosten zoals opgenomen in de amvb van toepassing. De regeling heeft daarom ook nog steeds een rol ten aanzien van (kleine) bedrijven die nalatig zijn in de nakoming van een vordering. Het is alleen mogelijk dat zij een hogere vergoeding voor de incassokosten moeten voldoen dan opgenomen in de amvb, indien zij dat zijn overeengekomen met de schuldeiser. Vanzelfsprekend blijft de norm van art. 6:96 BW gelden dat de incassokosten redelijk dienen te zijn en in redelijkheid dienen te zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijven kunnen ook de wettelijke regeling van toepassing verklaren door daarnaar te verwijzen in hun algemene voorwaarden. Verder verwacht ik dat de wettelijke maximale vergoeding voor incassokosten als leidraad kan dienen wanneer bedrijven afspraken maken over de vergoeding voor incassokosten. Zo zou de wettelijke regeling ertoe kunnen leiden dat een beding in de algemene voorwaarden dat in grote mate afwijkt van de regeling in de amvb doordat veel hogere incassokosten worden gevraagd, als onredelijk bezwarend kan worden beschouwd (vgl. artikel 6:233 BW).” [onderstreping toegevoegd; A-G] Op dat moment werd er nog wel van uitgegaan dat het BIK zag op vorderingen met een hoofdsom van ten hoogste € 25.000,-. Over de bescherming die in dat verband werd geboden aan kleine bedrijven werd in de Nota n.a.v. het Verslag nog opgemerkt (p. 9): “Zoals hierboven aangegeven, is de regeling van regelend recht met betrekking tot transacties tussen bedrijven. Kleine bedrijven zullen vaker dan grotere bedrijven als schuldenaar te maken hebben met vorderingen tot € 25 000. Door te bepalen dat bedrijven voor vorderingen tot € 25 000 alleen met hogere incassokosten dan de wettelijke maxima kunnen worden geconfronteerd indien zij dit overeenkomen, wordt ook bescherming geboden aan deze bedrijven.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in latere stadia van de parlementaire behandeling van de WIK is gewezen op de contractsvrijheid van professionele partijen ten aanzien van incassokosten; zie onder meer de passages die worden genoemd in de SO van [appellante] nrs. 30-32 en het navolgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen afzonderlijke B2B-staffel 4.30 In de Kamer is wel gepleit voor het opstellen van een speciale B2B-staffel, maar de Minister voelde hier niet voor: “Als ‌ik ‌het ‌goed ‌heb ‌begrepen,‌ roept ‌de ‌heer ‌Van ‌der Steur ‌op ‌om ‌in‌ de Algemene‌ Maatregel‌ van‌ Bestuur ‌een staffel‌ voor ‌vorderingen ‌op ‌consumenten‌ en‌ een‌ staffel voor ‌vorderingen‌ op‌ bedrijven ‌op ‌te‌ nemen. ‌Voor ‌vorderingen‌ tussen ‌bedrijven ‌onderling‌ bestaat‌ reeds‌ een‌ mogelijkheid‌ om ‌andere incassokosten ‌overeen ‌te ‌komen dan‌ de‌ incassokosten ‌in‌ de‌ AMvB,‌ zoals‌ de ‌heer Van‌ der Steur ‌ook ‌heeft ‌aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vorderingen‌ tussen‌ bedrijven ‌onderling ‌zijn ‌niet ‌per definitie ‌complex‌ en‌ grensoverschrijdend. ‌Juist‌ voor dergelijke‌ gevallen ‌bestaat‌ de ‌mogelijkheid‌ dat‌ bedrijven ‌afspraken‌ maken ‌over ‌hogere ‌incassokosten.‌ Die ‌afspraak ‌kan ‌de‌ vorm ‌hebben‌ van‌ een ‌beding ‌in‌ de‌ overeenkomst‌ dat‌ voor‌ producten‌ of‌ diensten ‌die ‌de‌ Nederlandse‌ schuldeiser‌ levert‌ in het ‌buitenland, ‌een ‌bepaald regime‌ voor‌ de ‌incassokosten‌ van ‌toepassing ‌is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er ‌is‌ daarom ‌naar‌ mijn ‌mening‌ eigenlijk‌ geen ‌reden om ‌een‌ aparte‌ staffel‌ voor ‌bedrijven‌ op te‌ nemen. ‌Bovendien ‌is ‌er ‌in‌ het ‌algemeen‌ geen ‌aanleiding‌ om‌ aan‌ te‌ nemen ‌dat‌ er‌ meer‌ handelingen‌ moeten ‌worden‌ verricht‌ en meer‌ incassokosten‌ worden‌ gemaakt‌ om‌ een‌ vordering op ‌een ‌bedrijf ‌te ‌innen.‌ Ik ‌ga ‌er van ‌uit ‌dat ‌de ‌voorgestelde ‌incassokosten‌ dan ‌redelijk‌ zijn. ‌Meerdere‌ staffels ‌bevorderen ‌de ‌eenvoud ‌van ‌de ‌regeling‌ niet. ‌Ik ‌voel ‌dus ‌niet zo‌ veel ‌– ‌of‌ om ‌het ‌helderder ‌te ‌zeggen: ‌weinig ‌– ‌voor ‌deze ‌benadering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De heer Van der Steur (VVD):</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betreurt de VVD-fractie natuurlijk in enige mate, zoals de minister zal begrijpen. Wij zijn immers juist zo blij met de contractvrijheid. De minister en ik zijn het erover eens dat het een goed idee is om het op die manier te doen, maar daarnaast is het als achtervang nog steeds wenselijk dat je voor het bedrijfsleven regelt welke kosten betaald moeten worden als er geen afspraak is gemaakt. Dat geeft de branche ook aan. De incassobureaus en het bedrijfsleven geven echter aan dat de incassokosten dan wel kostendekkend en redelijk moeten zijn. Die zijn, anders dan de minister stelt, hoger dan bij consumenten, bijvoorbeeld omdat er sprake is van ingewikkeldere vorderingen, zoals vorderingen op buitenlandse bedrijven. Die situatie is totaal anders dan bij consumenten. Dat rechtvaardigt een andere staffel. Ik ben dan ook nog niet overtuigd door de negatieve opmerkingen van de minister daarover. Ik verzoek hem dus nogmaals om daar nog eens goed over na te denken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minister Opstelten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik kan het herhalen, maar dit is misschien iets voor de tweede termijn. Op basis van de kennis die wij hebben opgedaan in het overleg met velen, kan niet worden gezegd dat de onderlinge vorderingen tussen bedrijven zo complex en grensoverschrijdend zijn. Er is geen groot verschil. Juist voor dergelijke gevallen bestaat de mogelijkheid om hierover afspraken te maken met bedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die mogelijkheid herkennen wij juist in de kwaliteit. Wat dat betreft, kom ik dus niet tegemoet aan het verzoek van de heer Van der Steur.” [onderstreping toegevoegd; A-G] 4.31 Na een uitgebreide consultatieronde heeft de Minister besloten geen aparte staffel voor bedrijven in het BIK op te nemen. Wel verviel de maximering tot vorderingen tot € 25.000,-: “(…) Ik heb toegezegd dat de initieel voorgestelde begrenzing van normering van de incassokosten van vorderingen tot € 25.000 kon vervallen. Ik heb aangegeven te consulteren over de vraag hoe de staffel voor de incassokosten voor dergelijke hogere vorderingen eruit zou moeten zien. Ook heb ik aangegeven te consulteren over de vraag of een aparte staffel nodig is voor de incassokosten van vorderingen van bedrijven op bedrijven. (…) In juni 2011 is een consultatiebrief gestuurd aan verschillende organisaties uit het bedrijfsleven en de incassobranche en aan consumentenorganisaties, waaronder VNO-NCW, NVI en LOSR. In die brief is een concreet voorstel gedaan voor de staffel van de incassokosten van vorderingen van meer dan € 25.000. Voorgesteld werd de laatste staffel met een percentage van 0,5%, uit te breiden en een maximum aan incassokosten van € 5775 op te nemen. Voor vorderingen boven € 800.000 zouden dan geen extra incassokosten mogen worden berekend. De reacties op dit voorstel waren wisselend. Zo is er voorgesteld geen maximum aan incassokosten vast te stellen, zodat de procentuele berekening van de incassokosten ook voor heel grote vorderingen doorloopt. Voorts zijn verschillende percentages om de incassokosten te berekenen voorgesteld. Ook is aangegeven dat ingestemd kon worden met het voorstel in de consultatiebrief. Op basis van deze reacties is de staffel van vorderingen van meer dan € 25.000 aangepast. Het maximum aan incassokosten wordt nu pas bereikt bij een vordering van € 1 miljoen, waarvoor maximaal dan € 6775 aan incassokosten mag worden berekend. Bedraagt de vordering bijvoorbeeld € 2 miljoen, dan blijven de maximale incassokosten € 6775. De wijze van berekening van de incassokosten wordt toegelicht in paragraaf 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder bleek uit de reacties op de consultatiebrief dat VNO-NCW geen behoefte heeft aan een aparte staffel voor de incassokosten voor vorderingen van bedrijven op bedrijven. Er is daarom voor gekozen in dit besluit niet een dergelijke staffel op te nemen.” [onderstreping toegevoegd; A-G] De reactie van VNO-NCW op de consultatiebrief is bij mijn weten niet gepubliceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIK en matiging van bedongen kosten op de voet van art. 242 Rv 4.32 In het kader van de parlementaire behandeling van de WIK is ook de matigingsbevoegdheid van de rechter op de voet van art. 242 Rv enige malen aan de orde gekomen. Daarbij is gewezen op het onderscheid tussen de situatie dat de BIK-staffel geldt en andere gevallen. Zo merkte de Minister op bij de behandeling in de Tweede Kamer: “De ‌heer ‌Van ‌der ‌Steur ‌heeft ‌ook ‌gevraagd‌ of ‌het ‌voor de‌ rechter ‌mogelijk ‌is ‌om de‌ incassokosten‌ te ‌matigen. De‌ rechter ‌kent ‌geen ‌vrijheid, ‌maar ‌moet ‌de wettelijke ‌regeling ‌volgen. ‌Hij ‌kan ‌de ‌wettelijke ‌incassokosten ‌dus ‌niet verder matigen.‌ Daarom‌ wordt in‌ het ‌wetsvoorstel ‌artikel ‌242 ‌van ‌het ‌Wetboek ‌van Burgerlijke‌ Rechtsvordering aangepast. ‌Alleen‌ als ‌bedrijven ‌heel ‌onredelijk ‌hoge incassokosten‌ overeenkomen,‌ is ‌het ‌denkbaar‌ dat ‌de ‌rechter ‌deze ‌in uitzonderingsgevallen ‌kan ‌matigen.” [onderstreping toegevoegd; A-G] De MvA I vermeldt op p. 7: “Artikel 242 Rv betreft de mogelijkheid voor de rechter om de incassokosten te matigen. De rechter kan overeengekomen incassokosten uitsluitend matigen tot incassokosten die, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht, jegens de wederpartij redelijk zijn. Doordat de incassokosten worden genormeerd, komt men in die gevallen aan het matigingsrecht van de rechter niet meer toe. De wet bepaalt immers reeds wat als redelijk heeft te gelden. Door het vervallen van de grens van € 25 000 geldt dat voor de genormeerde incassokosten voor geldvorderingen van onbepaalde hoogte. Dit draagt ook bij aan de rechtszekerheid. Overigens blijven voor de incassokosten waarover bedrijven onderling in afwijking van de wettelijke regeling afspraken hebben gemaakt, het bepaalde in artikel 241 Rv (van kleur verschieten) en artikel 242 Rv (matigingsrecht rechter) wel van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die kosten zijn immers niet wettelijk genormeerd zodat er geen sprake is van kosten als bedoeld in artikel 96, vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, die in de artikelen 241 en 242 van het toepassingsbereik zijn uitgesloten. Mochten bedrijven onderling afspraken hebben gemaakt over incassokosten, waardoor deze op een onredelijk bedrag uitkomen, dan kan de rechter deze incassokosten matigen. Ook de regel over het van kleur verschieten blijft hier van toepassing voor zover de overeengekomen incassokosten betrekking hebben op handelingen waarvoor de regeling inzake proceskosten een vergoeding pleegt in te sluiten.” [onderstreping toegevoegd; A-G] En op p. 12: “Bovendien kan een rechter thans op grond van artikel 242 Rv overeengekomen incassokosten uitsluitend matigen tot incassokosten die, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht, jegens de wederpartij redelijk zijn. Door de wettelijke normering van de maximale incassokosten wordt deze norm voor redelijke bedongen incassokosten ingevuld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Nadere MvA I wordt nog gesteld: “Met het wetsvoorstel wordt de huidige norm van artikel 6:96 BW dat incassokosten «redelijk» moeten zijn, ingekleurd. (..) Overigens kan een rechter bedongen incassokosten op grond van artikel 242 Rv nu slechts matigen tot redelijke kosten, waarbij wordt gekeken naar gebruikelijke tarieven. Door het vastleggen van de incassokosten wordt de onduidelijkheid over wat als redelijke kosten heeft te gelden, weggenomen.” [onderstreping toegevoegd; A-G] 4.33 Voorts is ook bij de omzetting van Richtlijn 2011/7/EU nog ingegaan op de WIK: “(…) Als de schuldeiser kosten heeft gemaakt voor de buitengerechtelijke invordering van zijn factuur die het bedrag van 40 euro overschrijden, kan hij ook aanspraak maken op vergoeding van het merendeel van zijn kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 onder c BW. Deze aanvullende kosten komen voor vergoeding in aanmerking voor zover deze kosten redelijk zijn. In de praktijk komt het erop neer dat als partijen geen onderlinge afspraken hebben gemaakt over de vergoeding van de invorderingskosten, het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten inzichtelijk maakt op welk aanvullend bedrag de schuldeiser aanspraak kan maken ter vergoeding van zijn invorderingskosten. (…) Als partijen daarentegen afspraken hebben gemaakt over de hoogte van de invorderingskosten waarop de schuldeiser aanspraak kan maken in geval van te late betaling van één of meerdere facturen, zullen de afgesproken vergoedingen gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de VVD-fractie merken op dat zij groot belang hechten aan de contractsvrijheid voor ondernemingen. Zij geven aan dat het voor hen de hoofdregel is dat ondernemingen zelf afspraken maken over de hoogte van de invorderingskosten die zij elkaar in rekening willen brengen. Ik deel deze mening. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voor handelstransacties van regelend recht. Ondernemingen kunnen in hun onderlinge verhouding zelf bepalen welke bedragen zij voor invorderingskosten in rekening brengen. Dit wetsvoorstel brengt daarop één beperking aan: er mag niet van de minimumvergoeding van 40 euro ten nadele van de schuldeiser worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van de vraag van de leden van de PVV-fractie waarom er geen maximumvergoeding voor invorderingskosten is opgenomen, merk ik op dat een maximumvergoeding niet bijdraagt aan het doel van dit wetsvoorstel: de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties. Overigens is in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten een maximum aan incassokosten opgenomen van 6 775 euro, dat wordt bereikt bij vorderingen van 1 miljoen. Wanneer bedrijven niets overeenkomen over de incassokosten geldt dit maximum. In reactie op de overige vragen ter zake de invorderingskosten van deze leden, merk ik op dat in het wetsvoorstel een minimumvergoeding voor invorderingskosten is opgenomen als financiële prikkel voor de schuldenaar om zijn facturen op tijd te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen behouden hun contractsvrijheid ten aanzien van de vergoeding van kosten voor buitengerechtelijke incassowerkzaamheden, voor zover deze niet door het bedrag van 40 euro worden gedekt. Er kan sprake zijn van aanvullende invorderingskosten als de schuldeiser bijvoorbeeld voor de invordering van zijn openstaande factuur veel inspanningen heeft moeten verrichten om de vordering buitengerechtelijk te innen. Afhankelijk van hetgeen partijen over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten in hun overeenkomst hebben opgenomen, maakt de schuldeiser naast aanspraak op de wettelijke minimumvergoeding van 40 euro ook aanspraak op de overeengekomen vergoeding van zijn overige invorderingskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als partijen niets ter zake de vergoeding van invorderingskosten zijn overeengekomen, geldt dat de vordering wordt berekend conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten waarbij de schuldeiser in ieder geval aanspraak maakt op de minimumvergoeding van 40 euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de SP-fractie vragen waarom het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van regelend recht is voor handelstransacties en niet van dwingend recht zoals dit voor consumententransacties geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondernemingen nemen als professionele partij deel aan het rechtsverkeer en zijn gebaat bij contractsvrijheid, terwijl consumenten als niet professionele en doorgaans zwakkere partij in het rechtsverkeer bescherming nodig hebben. Ondernemingen staat het daarom vrij om in hun contractuele verhouding af te wijken van de regeling voor vergoeding van invorderingskosten, zoals opgenomen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Mocht in de overeenkomst tussen partijen een buitensporige vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zijn opgenomen dan kan de schuldenaar de rechter verzoeken om matiging van deze kosten (artikel 6:94 lid 1 BW). De mogelijkheid om de rechter te verzoeken om matiging van een boetebeding in de overeenkomst kan niet contractueel worden uitgesloten (6:94 lid 3 BW). De rechter heeft bovendien de mogelijkheid om ambtshalve de buitengerechtelijke incassokosten te matigen (artikel 242 lid 1 Rv).” [onderstreping toegevoegd; A-G] 4.34 Na deze inventarisatie is het tijd voor een standpuntbepaling. e. Standpuntbepaling 4.35 De vragen 2-4 weerspiegelen de verschillende argumenten en standpunten zoals weergegeven in de bij 2.6.1-2.6.3 geciteerde overwegingen van het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.36 Vraag 2 stelt in de eerste plaats aan de orde of ─ ook ná de omzetting van de herziene Richtlijn betalingsachterstanden (2011/7/EU) en, zo voeg ik toe, de discussie tussen regering en parlement over de toepassing van de BIK-staffel in B2B-relaties ─ bedongen incassokosten in beginsel mogen worden gematigd tot het niveau van de kosten conform de BIK-staffel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag 3 is het spiegelbeeld van vraag 2 voor zover zij ertoe strekt te vernemen of bedongen incassokosten in beginsel dienen te worden gematigd tot het in de branche gebruikelijke incassopercentage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar vraag 2 als uitgangspunt neemt matiging tot de BIK-kosten met de mogelijkheid van een hogere vergoeding, gaat vraag 3 uit van toewijzing van in de branche gebruikelijke kosten tenzij er reden is tot matiging. Ik bespreek daarom eerst deze punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mag matiging tot BIK-staffel?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.37 [appellante] betoogt in verband met vraag 2 in de eerste plaats, dat de matigingsbevoegdheid van art. 242 Rv terughoudend moet worden toegepast (SO nrs. 18-19 en 69). Naar mijn mening volgt uit het bij 4.7 genoemde arrest van 24 september 2004 ([A]/Staat), dat het standpunt art. 242 Rv terughoudend moet worden toegepast als zodanig onjuist is bevonden. Anders dan [appellante] aanvoert, meen ik ook niet dat uit de omzetting van Richtlijn 2011/7/EU en de invoering van de WIK een ander uitgangspunt volgt. Ik licht dat nader toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.38 De wetgever heeft bij de omzetting van Richtlijn 2011/7/EU geen bijzondere aandacht besteed aan de contractsvrijheid van professionele partijen ten aanzien kostenbedingen. Ter gelegenheid van de omzetting van deze richtlijn is alleen art. 6:96 lid 4 BW ingevoerd, terwijl werd geoordeeld dat geen wetswijziging nodig was op het vlak van de incassokostenvergoeding. Wel is de omzetting van deze richtlijn van invloed geweest op de mate waarin de WIK van dwingend recht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39.1 De wetgever heeft bij de invoering van de WIK wel bijzondere aandacht besteed aan de contractsvrijheid van professionele partijen ten aanzien kostenbedingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39.2 Die vrijheid was goed beschouwd ook al in het aanvankelijke wetsvoorstel verdisconteerd, omdat toen nog de gedachte was dat de BIK-staffel dwingendrechtelijk de schuldenaren van ‘kleinere’ vorderingen zou beschermen, ongeacht hun hoedanigheid. Voor vorderingen van meer dan € 25.000 zou de staffel sowieso niet gelden en dus wel een eventueel tussen (zakelijke) partijen afgesproken kostenbeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39.3 Met de keuze om professionele partijen de mogelijkheid te bieden om van de BIK-staffel af te wijken, werd hun contractsvrijheid inderdaad voorop gesteld. Ook de afwijzing van de invoering van een afzonderlijke BIK-staffel voor B2B-transacties werd mede gemotiveerd met de mogelijkheid van partijen om een hoger incassotarief overeen te komen. Hierop wijst [appellante] terecht (SO nr. 29 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39.4 De contractsvrijheid werd daarbij door de wetgever afgewogen tegen een eventuele dwingendrechtelijke bescherming van zakelijke debiteuren. Geheel zonder bescherming zouden zij echter niet blijven. In beginsel zou de BIK-staffel gelden, afwijking ervan zou moeten worden overeengekomen; en “[v]anzelfsprekend blijft de norm van art. 6:96 BW gelden dat de incassokosten redelijk dienen te zijn en in redelijkheid dienen te zijn gemaakt”, aldus de Nota van wijzigingen, waarin de Minister tevens de verwachting uitsprak “dat de wettelijke maximale vergoeding voor incassokosten als leidraad kan dienen wanneer bedrijven afspraken maken over de vergoeding voor incassokosten” (4.29).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39.5 De contractsvrijheid van zakelijke partijen werd door de wetgever bij de totstandkoming van de WIK niet afgewogen tegen de matigingsbevoegdheid van de rechter op de voet van art. 242 Rv. Dit bleek al uit de Nota van wijzigingen. Ook de bij 4.32 genoemde passages uit de MvA I en Nadere MvA I bevestigen dit. In de Nota n.a.v. het Verslag voor de Tweede Kamer in verband met de omzetting van de richtlijn werd ook gewezen op de mogelijkheid van de rechter om ambtshalve de buitengerechtelijke incassokosten te matigen (4.33). In dit opzicht heeft het bij 4.27 bedoelde Incassoadvies (dan ook) geen kenbare sporen in de wetgeving achtergelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39.6 Een ander geluid blijkt mogelijk uit de opmerking van de Minister bij de behandeling van de WIK, dat “‌[a]lleen‌ als ‌bedrijven ‌heel ‌onredelijk ‌hoge ‌incassokosten‌ overeenkomen,‌ (…) ‌het ‌denkbaar‌ [is] dat ‌de ‌rechter ‌deze ‌in ‌uitzonderingsgevallen ‌kan matigen” (4.32). Indien die opmerking wordt begrepen in het licht van de opvatting van de Minister, dat de BIK-staffel het niveau van redelijke kosten aangeeft (zie bij 4.32 genoemde passages in de MvA I en nadere MvA I), dan is hiermee geen afwijkend geluid beoogd. Maar wellicht is deze opmerking niet zo bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39.7 Hoe dat ook zij, naar mijn mening komt aan deze opmerking mede in het licht van de andere passages in de parlementaire geschiedenis, onvoldoende gewicht toe om aan te nemen dat de wetgever heeft beoogd dat de rechter op een andere, meer terughoudende wijze toepassing zou moeten gaan geven aan de matigingsbevoegdheid van art. 242 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.40 [appellante] betoogt in de tweede plaats dat de matiging van bedongen incassokosten tot in beginsel het bedrag van de BIK-staffel zich niet verdraagt met de contractsvrijheid van professionele partijen, die hen juist is gegeven om van die staffel te kunnen afwijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.41 Ik vind dit op zichzelf een krachtig argument, dat mij bij nadere beschouwing niet overtuigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.42.1 De wetgever – die uiteraard op de hoogte was van de aanbevelingen van het rapport Voor-werk II − heeft bij de invoering van de WIK en omzetting van de Richtlijn geen aanleiding gezien om afstand te nemen van de bestaande situatie op het vlak van de ambtshalve matiging van bedongen buitengerechtelijke incassokosten. Evenmin is bij die gelegenheden de maatstaf voor de matiging van buitengerechtelijke kosten (art. 242, thans lid 1, Rv) inhoudelijk aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.42.2 Bij gebreke van duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel, kan naar mijn mening niet worden aangenomen dat het in strijd is met de bedoeling van de wetgever om de bestaande beleidsvrijheid van de rechter om bedongen kosten te matigen tot redelijke kosten c.q. de praktijk om bedongen kosten op de voet van art. 242 Rv in beginsel ambtshalve te matigen tot een redelijk geacht forfaitair bedrag (in aangepaste vorm) voort te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43.1 De wetgever heeft wel bepaald dat de matigingsbevoegdheid niet langer zou gelden voor gevallen waarin (naar dwingend of regelend recht) de kosten door het BIK zouden worden genormeerd (het huidige lid 2 van art. 242 Rv). De door het BIK genormeerde kosten worden door de wetgever geacht een redelijke, forfaitaire vergoeding voor de met de buitengerechtelijke incasso gemoeide werkzaamheden te omvatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43.2 Uit de parlementaire geschiedenis blijkt in het bijzonder dat volgens de wetgever een kostenvergoeding conform de BIK-staffel in beginsel ook in B2B-relaties aan de schuldeiser een redelijke vergoeding biedt. Er zijn aanwijzingen dat de wetgever verwachtte dat de BIK-staffel een zekere normerende werking zou kunnen hebben ten aanzien van de beoordeling van tussen zakelijke partijen bedongen incassokosten; zie bijvoorbeeld de Nota n.a.v. het Verslag (4.29), de Nadere MvA I (4.32) en de Nota n.a.v. het Verslag (omzetting Richtlijn, 4.33). Hogere kosten zouden gerechtvaardigd kunnen zijn bij bijvoorbeeld een gecompliceerde (buitenlandse) incasso. Maar niet gezegd kan worden dat volgens de WIK-wetgever B2B-incasso’s in beginsel gecompliceerder incasso’s zouden zijn (4.30-4.31).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43.3 Op grond hiervan kan niet worden gezegd, dat het gebruik van de BIK-staffel om te bepalen wat redelijke kosten als bedoeld in art. 242 Rv zijn, in strijd zou zijn met de bedoeling van de WIK-wetgever, die immers zelf meent dat die staffel in beginsel een redelijk kostenniveau weerspiegelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens biedt ook reeds de MvT op art. 57ab (oud) Rv steun voor de gedachte dat wat redelijke kosten als bedoeld in art. 242 Rv zijn, mede kan worden beoordeeld in het licht van hetgeen redelijke kosten in de zin van art. 6:96 lid 2 BW zijn (4.9). Die gedachte kan thans worden geconcretiseerd aan de hand van de BIK-staffel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.44 Kortom: inderdaad bestaat er een zekere spanning tussen, enerzijds, de gedachte dat zakelijke contractspartijen de vrijheid hebben om van de BIK-staffel af te wijken en, anderzijds, een aanbeveling aan de rechter om B2B-kostenbedingen in beginsel ambtshalve te matigen tot het kostenniveau van die staffel. Maar een dergelijke spanning is er voorheen ook geweest: art. 242 Rv geeft de rechter de bevoegdheid om ambtshalve kostenbedingen te monitoren en te matigen. Naar mijn mening heeft de wetgever aan dát uitgangspunt niet afgedaan: na invoering van de WIK en omzetting van de richtlijn blijft de contractsvrijheid van zakelijke partijen ter zake van incassokosten voortbestaan op het niveau waarop deze voorheen reeds bestond.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.45 De contractsvrijheid wordt door art. 242 Rv beperkt, maar is daarmee niet illusoir geworden. Hogere bedongen kosten kunnen worden toegewezen. Een niet-wettelijke aanbeveling kan weliswaar een handvat bieden voor de wijze waarop de rechter art. 242 Rv toepast, maar komt niet in de plaats komt van de wettelijke maatstaf. Daarom moet de rechter, zo blijkt uit de rechtspraak van Uw Raad (4.11.1-2), in ieder afzonderlijk geval de maatstaf van art. 242 Rv voorop stellen en zijn oordeel over de matiging van bedongen kosten voldoende motiveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.46 [appellante] heeft in verband met vraag 2 nog een drietal argumenten aangevoerd. Deze leiden mij niet tot andere bevindingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Haar eerste argument, dat handelspartijen niet zonder meer worden beschermd en geacht worden voor zichzelf te kunnen opkomen (SO nrs. 40, 49), is, wat daar verder van zij, niet een leidende gedachte voor de wetgever geweest in het kader van de WIK. De WIK-wetgever heeft ook oog gehad voor bescherming van handelsdebiteuren, met name in de vorm van de matigingsbevoegdheid van art. 242 Rv (4.39.4-5, 4.42.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.47 Het argument dat Richtlijn 2011/7/EU de schuldeiser recht geeft op een vergoeding van de invorderingskosten en niet slechts op een tegemoetkoming daarin (SO nr. 35), gaat niet op. Art. 6 lid 3 van Richtlijn 2011/7/EU geeft de schuldeiser recht op een redelijke schadeloosstelling door de schuldenaar voor alle door diens betalingsachterstand ontstane invorderingskosten. Indien de redelijke kosten van de schuldeiser worden vergoed (met een minimum van € 40,-), ontvangt hij dus volledige vergoeding van datgene waarop hij jegens de schuldenaar aanspraak kan maken. Daaraan doet niet af dat dit voor de schuldenaar kan overkomen als een ‘tegemoetkoming’ in zijn kosten indien deze hoger zijn geweest dan het bedrag waarop hij jegens de schuldenaar aanspraak kan maken. Dit volgt ook reeds uit het arrest van 27 april 2012 ([B]/[C]) ten aanzien van de kostenbepaling van Richtlijn 2000/35/EG (zie bij 4.19).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.48 Ten derde wijst [appellante] erop, dat bedongen kosten veelal ook een bepaald niveau hebben om de schuldenaar een prikkel te geven tot tijdige betaling en om te voorkomen dat de schuldenaar de schuldeiser als kredietverstrekker gebruikt (SO nr. 36, 64).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel hierover anders kan worden gedacht, biedt de richtlijn naar mijn mening geen steun voor de gedachte dat met deze functie rekening moet worden gehouden bij de kostenvergoeding. In de redelijke kosten van art. 6 van de Richtlijn 2011/6/EU lijkt immers geen boete-element te zijn verdisconteerd (4.22), terwijl betalingsprikkels wel zijn vervat in de minimale vergoeding van € 40,- en de hoge wettelijke handelsrente. Om deze reden zie ik ook weinig in het argument dat matiging van kosten tot de BIK-staffel niet zou stroken met art. 6:119a-119b BW (SO nr. 43).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de WIK-wetgever lijkt er niet vanuit te gaan, dat de rechter bij matiging van bedongen buitengerechtelijke incassokosten specifiek rekening moet houden met een aansporende functie die in de hoogte van de bedongen kosten is verdisconteerd (vgl. 4.32). Wel zullen redelijke kosten als bedoeld in art. 242 Rv daarmee rekening kunnen houden, voor zover het niveau van die kosten wordt geënt op gebruikelijke tarieven waarin een dergelijke aansporende functie is verdisconteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.49 Tot nu tot ben ik tot de volgende bevindingen gekomen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de omzetting van Richtlijn 2011/7/EU en de invoering van de WIK betekenen niet dat volgens de wetgever art. 242 Rv ten aanzien van bedongen kosten terughoudend, althans meer terughoudend dan tot dan toe het geval was, moet worden toegepast; en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>niet blijkt uit de omzetting van Richtlijn 2011/7/EU of de invoering van de WIK, dat het in strijd is met de bedoeling van de wetgever om bij bedongen incassokosten mede aan de hand van de BIK-staffel te bepalen, wat redelijke kosten als bedoeld in art. 242 Rv zijn; maar</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de rechter zal steeds moeten toetsen aan de wettelijke maatstaf en zijn oordeel voldoende moeten motiveren.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.50 Ik neig daarom tot een bevestigende beantwoording van vraag 2, voor zover daarin wordt gevraagd of bedongen incassokosten in beginsel mogen worden gematigd tot het niveau van de kosten conform de BIK-staffel. Als gezegd, is voor een definitieve beantwoording ook nodig om vraag 3 in de beschouwing te betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Moet matiging in beginsel tot het in de branche gebruikelijke incassopercentage?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.51 Nog niet is aan de orde gekomen in hoeverre “de kosten die (….) jegens de wederpartij redelijk zijn” worden bepaald door “de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht”. In die sleutel lees ik vraag 3: dient art. 242 Rv, mede gezien de doelstelling van Richtlijn 2011/7/EU, aldus te worden uitgelegd dat bij de bepaling of jegens de schuldenaar redelijk is het bedrag van de buitengerechtelijke kosten dat, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht, in beginsel als uitgangspunt dient te gelden het in de branche gebruikelijke incasso percentage?</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij gaat het hof uit van de branche waarin beide partijen opereren, maar de vraag biedt ook ruimte voor de mogelijkheid dat het gaat om het in de incassobranche gebruikelijke percentage (rov. 10.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.52 [appellante] ziet de verhouding tussen enerzijds de gewoonlijk in rekening gebrachte tarieven en anderzijds het redelijkheidsoordeel aldus, dat wat in de markt gewoonlijk in rekening wordt gebracht een belangrijke objectieve factor vormt bij het redelijkheidsoordeel en doorgaans ook redelijk is. De tarieven die gewoonlijk in rekening worden gebracht en jegens de schuldenaar redelijk zijn, vormen daarmee de ondergrens voor de matiging (SO nrs. 45, 51).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bovengrens voor de kosten die in rekening mogen worden gebracht, is dat zij niet onredelijk mogen zijn (SO nrs. 51). Daarvan is volgens [appellante] sprake bij excessieve bedongen kosten (SO nrs. 46 en 69). Voorts kunnen ook subjectieve factoren een rol spelen bij het redelijkheidsoordeel, zoals aard en duur van de relatie tussen partijen; of de schuldenaar heeft ingestemd met het beding; of de schuldenaar is gesommeerd tot nakoming; of de schuldenaar opereert in een branche waarin een bepaald tarief (15%) redelijk wordt geacht; en of de schuldenaar als crediteur jegens zijn debiteuren ook een dergelijk tarief hanteert, in welk geval volgens [appellante] een percentage dat de schuldenaar zelf hanteert ten minste ook jegens hem als redelijk heeft te gelden (SO nrs. 66, 72). Of de kosten jegens de schuldenaar redelijk zijn, hangt dus af van de omstandigheden van het geval (SO nr. 70).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.53 Ik meen dat niet kan worden aangenomen dat het redelijkheidsoordeel in beginsel wordt bepaald door de gewoonlijk in rekening gebrachte tarieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.54.1 De MvT bij art. 57ab Rv verwijst naar tarieven voor incasso die worden gehanteerd door deurwaarders, kantongerechtsgemachtigden, incassobureaus en advocaten. De wetgever ging dus uit van het bestaan van verschillende tarieven, die in rekening worden gebracht door de verschillende partijen op de incassomarkt. Kennelijk is dat nog steeds zo. Ook het hof wijst er in rov. 10.7 op dat er niet één incassobranche (dus niet één incassotarief) is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De informatie in de SO van [appellante] noopt niet tot een ander uitgangspunt. ([appellante] wijst er in haar SO nr. 54 e.v. op, dat incassoafspraken aansluiten bij of in ieder geval niet hoger zijn dan de tussen schuldeiser en schuldenaar bedongen kosten; dat doorgaans een degressief tarief in rekening wordt gebracht bij een deelincasso en dat geen kosten worden berekend bij een mislukte incasso.) 4.54.2 Gegeven dat de wetgever uitging van het bestaan van verschillende tarieven, kan niet worden aangenomen dat de redelijkheidstoets wordt bepaald door ‘het’ gebruikelijke tarief van ‘de’ incassobranche.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenmin kan worden aangenomen, dat de redelijkheidstoets wordt bepaald door het tarief dat wordt gehanteerd door het type incasseerder die door de schuldeiser is ingeschakeld, omdat de redelijkheidstoets dan zou afhangen van de ‘toevallige’ keuze van de schuldeiser voor de bijstand van een bepaalde incasseerder: incassobureau, deurwaarder etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.55.1 Het hof gaat uit van het in de branche van partijen gebruikelijke tarief. Dat veronderstelt dus het (door de rechter vast te stellen) bestaan van een althans in die branche, dominante tariefstelling. [appellante] betoogt in het algemeen dat een vergoeding van in beginsel 15% van de hoofdsom in Nederland gebruikelijk tarief is (SO nrs. 60-66).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.55.2 Ook indien er wel een dominant gebruikelijk tarief is, kan men nog niet zeggen dat een matiging tot het bedrag van dat tarief redelijk is, omdat dat tarief gewoonlijk in rekening wordt gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het normatieve oordeel, of het bedrag van de kosten ‘redelijk’ is, is aan de rechter voorbehouden en volgt niet automatisch uit hetgeen in de markt gebruikelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de toelichting op art. 57ab Rv blijkt dat ook volgens de wetgever het doorberekenen van gebruikelijke tarieven onredelijk kan zijn. De MvT omschrijft deze tarieven weliswaar als ‘uitgangspunt’ bij het matigingsoordeel, maar kwalificeert deze uiteindelijk als een voor de rechter belangrijk gegeven waaraan deze bij de uitoefening van zijn matigingsbevoegdheid niet gebonden is. Een tarief als hier bedoeld moet met soepelheid kunnen worden gehanteerd (4.9).</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar de strekking van art. 242 Rv is dat de rechter een beleid kan voeren waardoor de kosten binnen redelijke grenzen blijven, ligt het niet voor de hand de geboden ruimte te beperken door de rechter bij de toepassing van de matigingsbevoegdheid in beginsel te beperken tot het bedrag van de gewoonlijk in rekening gebrachte kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.56 De doelstelling van Richtlijn 2011/7/EU kwam boven reeds ter sprake (4.47 en 4.48). Daaraan wordt mijns inziens voldaan indien de schuldeiser een vergoeding van redelijke incassokosten wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.57 Ik ben dus geneigd om de vraag of bedongen incassokosten in beginsel dienen te worden gematigd tot het in de branche gebruikelijke incassopercentage − of het nu of gaat om de branche van partijen dan wel de incassobranche (vgl. bij 4.75) − ontkennend te beantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten die jegens de wederpartij redelijk zijn 4.58 Het is m.i. niet verboden om tussen zakelijke partijen bedongen kosten in beginsel te matigen tot de BIK-staffel; maar dat wil dat niet zeggen dat de rechter de BIK-staffel tot uitgangspunt moet nemen. Het is m.i. niet voorgeschreven om in beginsel bedongen kosten te matigen tot het in de branche gebruikelijke tarief; maar dat wil niet zeggen dat de rechter dat niet zou mogen doen. De te hanteren maatstaf is immers uiteindelijk of de kosten jegens de wederpartij redelijk zijn. Een in beginsel bevestigende beantwoording van vraag 2 en een in beginsel ontkennende beantwoording van vraag 3, zijn daarom niet met elkaar in tegenspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.59 Met de tot nu toe bereikte bevindingen heb ik slechts een deel van de discussie behandeld. Ik meen dat de Hoge Raad, in cassatie of wanneer hij prejudiciële vragen beantwoordt, slechts tot op zekere hoogte invulling kan geven aan de redelijkheidstoets van art. 242 Rv. Met dat voorbehoud bespreek ik de resterende vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.60 Ter uitwerking van vraag 2 wordt nader gevraagd of voor vergoeding van hogere kosten dan voortvloeien uit de BIK-staffel:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de eis mag worden gesteld dat de schuldeiser de hogere, werkelijk gemaakte redelijke kosten aantoont aan de hand van daadwerkelijk gemaakte uren maal een redelijk uurtarief (vraag 2, vervolg);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>of dat daartoe in beginsel voldoende is, dat de schuldeiser stelt dat hij met de incasseerder een incassoafspraak heeft gemaakt, die inhoudt dat de schuldeiser aan de incasseerder verschuldigd is het tussen de schuldeiser en de schuldenaar bedongen (vaste of degressieve) incasso-percentage van de hoofdsom (vraag 2 in verbinding met vraag 4)?</div>\n<p class=\"lf-p\">4.61 Ter uitwerking van vraag 3 ligt voor of in verband met de redelijkheidstoets:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>gekeken moet worden naar het in de branche van partijen gebruikelijke percentage en, zo ja, of dan relevant is dat de schuldenaar zelf ook dat percentage ─ dan wel een vergelijkbaar percentage (rov. 10.7) ─ hanteert in de verhouding tot zijn schuldenaren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>gekeken moet worden naar het in de incassobranche gebruikelijke percentage (rov. 10.7); en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>of betekenis toekomt aan het bestaan van de eerder genoemde incassoafspraak tussen de schuldeiser en de incasseerder hoofdsom (vraag 3 in verbinding met vraag 4)?</div>\n<p class=\"lf-p\">4.62 Ik bezie eerst het vervolg van vraag 2 alsmede vraag 4. Wat te doen indien de schuldenaar vergoeding van méér kosten vordert dan op basis van de BIK-staffel worden vergoed? Gezien de maatstaf van art. 242 Rv zal het ook dan nog moeten gaan om kosten die jegens de schuldenaar redelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.63.1 Voor een vergoeding (boven het minimumbedrag van € 40,-) conform de BIK-staffel is volgens de aanbeveling van het rapport BGK-Integraal nodig dat wordt gesteld welke buitengerechtelijke incassohandelingen, dan wel handelingen ter verlening van buitengerechtelijke rechtsbijstand door of in opdracht van de schuldeiser zijn verricht. Wil de schuldeiser meer dan het bedrag van de BIK-staffel, dan zal hij ook moeten stellen dat de werkelijke kosten hoger zijn geweest en dat het redelijk was om buitengerechtelijk kosten te maken tot dit bedrag (zie bij 4.12.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.63.2 Daarmee worden naar mijn mening geen eisen aan de stelplicht van de schuldeiser gesteld waartegen Richtlijn 2011/7/EU zich zou verzetten (afgezien van het minimumbedrag van € 40,-). Deze richtlijn herhaalt niet de passage van art. 3 lid 1 sub e van richtlijn 2000/35/EG, dat de invorderingskosten moeten voldoen aan de beginselen van transparantie en verhouding tot de schuld in kwestie. Die parameters bieden m.i. wel houvast bij de toepassing van het Nederlandse recht conform Richtlijn 2001/7/EU. Zij bieden steun voor de gedachte dat het op de weg van de schuldeiser ligt om de samenstelling en omvang van de door hem gemaakte kosten duidelijk te maken en dat deze in redelijke verhouding tot de schuld staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.63.3 De stelplicht ter zake van hogere kosten in Voor-werk II kwam al aan de orde. BGK-Integraal zet deze lijn voort, zodat hetgeen bij 4.11.3 is opgemerkt ook daarvoor geldt. Als de schuldeiser niet gemotiveerd aangeeft dat hogere kosten zijn gemaakt dan door de BIK-staffel worden vergoed, dan kan de rechter daarin op zichzelf aanleiding vinden om de bedongen kosten te matigen tot het bedrag van de BIK-staffel, welk bedrag in beginsel een redelijk vergoedingsniveau weerspiegelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.63.4 Ik ben dus niet overtuigd door het argument van [appellante] dat niet valt in te zien waarom het redelijk is dat bedongen kosten alleen worden toegewezen indien de schuldeiser aantoont dat deze werkelijk zijn gemaakt (SO nr. 50) of dat het stellen van deze eis op gespannen voet staat met de contractsvrijheid van partijen (SO nr. 42). De matigingsbevoegdheid bestaat ook ten aanzien van bedongen kosten en de toepassing ervan wordt niet bepaald door de gebruikelijkheid van een bepaald tarief. Het argument dat de wetgever met het BIK zelf ook kiest voor een forfaitaire vergoeding (SO nrs. 56 e.v.) ziet er mijns inziens aan voorbij dat het hier gaat om de vergoeding van kosten die het bedrag van de BIK-staffel te boven gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.64 De discussie spitst zich vervolgens toe op de vraag of de schuldeiser in dit verband moet aanvoeren de daadwerkelijk gemaakte uren maal een redelijk uurtarief, of dat kort gezegd het bestaan van een incassoafspraak tussen schuldeiser en incasseerder volstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.65.1 Uur*tarief. De schuldeiser die aangeeft (i) welke werkzaamheden zijn verricht, (ii) hoeveel tijd daarmee is gemoeid en (iii) tot welke kosten op basis van uurtarief dit heeft geleid, biedt de rechter daarmee feitelijke aanknopingspunten voor het oordeel of de redelijke kosten hoger dienen te zijn dan de kosten conform de BIK-staffel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.65.2 Volgens [appellante] (SO nr. 53 e.v.) is dit niet werkbaar, omdat de incassobranche werkt op basis van no cure no pay en niet op basis van uur maal tarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.65.3 Dit argument ziet op de situatie dat de incasso uit handen is gegeven. Maar ook is denkbaar dat de schuldeiser zelf ter hand neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.65.4 Mij dunkt dat, of de schuldeiser nu zelf incasseert of de incasso uit handen geeft, verlangd kan worden dat inzicht wordt geboden in (i) de verrichte werkzaamheden. Anders kan niet worden beoordeeld of sprake is van jegens de wederpartij redelijke kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik veronderstel dat een incasseerder in ieder geval bijhoudt welke activiteiten hij heeft verricht (intake, aanmaak dossier, contacten met de schuldenaar, registratie van eventuele betalingsafspraken met deze, registratie van ontvangen deelbetalingen etc.) wil hij zijn onderneming kunnen uitoefenen en jegens de schuldeiser kunnen voldoen aan de verplichten van een goed opdrachtnemer. Voor de schuldeiser die zelf incasseert geldt mutatis mutandis hetzelfde.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.65.5 Het argument van [appellante] ziet dus in het bijzonder op de aspecten (ii) en (iii). Ik weet niet of schuldeisers die zelf incasseren bijhouden hoeveel tijd zij daaraan besteden. Ik weet ook niet of incasseerders dat doen. Ik veronderstel wel dat een incasseerder die op basis van een no cure no pay-tarief werkt in zijn relatie tot de schuldeiser in beginsel geen prikkel heeft om bij te houden hoeveel tijd aan de verschillende werkzaamheden is besteed. Advocaten die dergelijke werkzaamheden verrichten zullen het tijdsbeslag mogelijk wel registreren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.65.6 Een en ander lijkt mij met het oog op de onderhavige kwestie in die zin minder relevant, dat de rechter, indien hij eenmaal weet welke activiteiten de incasseerder heeft verricht, de matigingsvraag kan afstemmen op een in verband daarmee te hanteren norm voor een ‘redelijke tijdsbesteding’ tegen een ‘redelijk uurtarief’. Dat objectiveert de toepassing van art. 242 Rv (in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever). Wat in dit verband redelijk is, kan de rechter op basis van diens uitgebreide ervaring met incassozaken (en, indien zij dat wensen, na voorlichting door partijen) zelf vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen die wel precies hun tijdbesteding en tarief kennen, kunnen uiteraard die gegevens aan de rechter voorleggen. Maar ook dan zal de rechter tot een redelijkheidsoordeel moeten komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.65.7 Naar mijn mening mag daarom op zichzelf de eis worden gesteld dat de schuldeiser de hogere, werkelijk gemaakte redelijke kosten aantoont aan de hand van daadwerkelijk gemaakte uren maal een redelijk uurtarief. Maar het ontbreken van dergelijke gegevens ontslaat de rechter niet van zijn verplichting om gemotiveerd te oordelen over de redelijkheid van de gevorderde kosten. Zie voorts bij 4.72.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.66 Incassoafspraak. Bij wijze van alternatief wordt gevraagd of in beginsel voldoende is, dat de schuldeiser stelt dat hij met de incasseerder een incassoafspraak heeft gemaakt, die inhoudt dat de schuldeiser aan de incasseerder verschuldigd is het tussen de schuldeiser en de schuldenaar bedongen (vaste of degressieve) incasso-percentage van de hoofdsom. In deze variant worden tussen schuldeiser en schuldenaar bedongen kosten dus in beginsel gematigd tot de BIK-staffel en vervolgens ‘verhoogd’ tot het niveau van de kosten volgens de incassoafspraak tussen schuldeiser en incasseerder. [appellante] geeft aan dat 15% van de hoofdsom een gebruikelijk incassopercentage is in de verhouding tussen schuldeiser en schuldenaar en dat de door incasseerders jegens schuldeiser gehanteerde tarieven op no cure no pay- of no win no fee- basis aansluiten bij de afspraken tussen schuldeiser en schuldenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.67 Deze vraag is geïnspireerd op de aanvaarding van een no cure no pay-afspraak in HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797 (Scheper Ziekenhuis). Hierin beoordeelde de Hoge Raad de redelijkheid van de gevorderde invorderingskosten in de context van aansprakelijkheid. De Hoge Raad overwoog: “3.4.1. Redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte komen op de voet van art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b en c, BW als vermogensschade in aanmerking voor vergoeding door de aansprakelijke partij (Parl. Gesch. Boek 6, p. 337), behoudens voor zover de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn (art. 6:96 lid 3 BW). De vergoeding strekt ertoe dat de benadeelde ook op het punt van de gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou hebben verkeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst en de strekking van art. 6:96 lid 2 BW stellen geen eisen aan de wijze van berekening van de kosten. Uit de parlementaire geschiedenis van die bepaling is niet af te leiden dat is beoogd kosten uit te sluiten van vergoeding op de grond dat zij zijn gemaakt op basis van een overeenkomst als de onderhavige tussen de benadeelde en diens rechtsbijstandverlener. De vraag in hoeverre kosten die de benadeelde aldus heeft gemaakt op de voet van art. 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen, dient aan de hand van de hiervoor in 3.4.1 vermelde maatstaf te worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit dit arrest valt op te maken dat invorderingskosten berekend op basis van no cure no pay e.d. niet op voorhand geheel of gedeeltelijk uitgesloten zijn van vergoeding; bezien moet worden of in het concrete geval voor een zodanige kostenberekening voldoende grond bestond. In zijn conclusie voor het arrest is A-G Timmerman ingegaan op de mogelijke gevolgen van het toelaten van een vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Ook Hebly wijst daarop in zijn annotatie in JA. Engberts en Lindenbergh wijzen in hun annotaties op de specifieke omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.68 Zoals het hof in rov. 10.6 van het verwijzingsarrest terecht opmerkt, stuiten op basis van no cure no pay berekende invorderingskosten niet perse af op de dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 BW. Bij bedongen incassokosten gaat het om de toepassing van art. 242 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het antwoord op de bij 4.66 bedoelde vraag zonder meer ja is, dan geldt in feite dat degene die stelt en bij betwisting bewijst, een dergelijke incassoafspraak te hebben gemaakt het afgesproken incassopercentage van de hoofdsom toegewezen krijgt. Verwacht mag worden dat de incassopraktijk daarop vlot zal inspelen, zodat van de matigende aanpak van Voor-werk II en BGK-Integraal in de praktijk weinig zou overblijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het antwoord kan echter niet zonder meer bevestigend luiden, omdat de eindtoets van art. 242 Rv is of dit incassopercentage resulteert in een bedrag aan kosten dat jegens de schuldenaar redelijk. Het hof onderscheidt in vraag 4 daarom terecht twee stappen: (a) toont zo’n incassoafspraak aan dat de werkelijke kosten hoger zijn dan de BIK-kosten en (b) is dan ook sprake van redelijke kosten?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.69.1 Wat betreft stap (a) verzet zich er mijns inziens in beginsel niets tegen om aan te nemen dat aan de hand van een dergelijke incassoafspraak kan worden aangetoond dat de werkelijke kosten hoger zijn dan de BIK-kosten. Dat zal niet per definitie het geval zijn – alleen al omdat moet blijken dat het gaat om een kostenpercentage dat inderdaad hoger ligt dan de kosten volgens de BIK-staffel − maar wel veelal het geval zijn. [appellante] heeft de gebruikelijkheid van dergelijke incassoafspraken en de redenen daarvoor uiteengezet in haar SO nr. 53 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.69.2 Als op basis van een dergelijke incassoafspraak de schuldeiser kosten aan de incasseerder verschuldigd is, dan zijn dat voor de schuldeiser werkelijke kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daaraan doet niet af dat de incassoafspraak vermoedelijk zal inhouden dat de verschuldigdheid van die kosten afhangt van het succes dat de incasseerder heeft (no cure no pay etc.). Immers als wordt geïncasseerd, dan is ook volgens een dergelijke afspraak de schuldeiser jegens de incasseerder kosten verschuldigd. En zonder het vooruitzicht op deze beloning bij een succesvolle incasso, zal de incasseerder die een dergelijke incassoafspraak met zijn opdrachtgever heeft gemaakt, geen werkzaamheden verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de schuldenaar, die aan zijn schuldeiser op grond van het tussen hen afgesproken kostenbeding sowieso een bepaald percentage van de hoofdsom als buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is, maakt de aard van de afspraak tussen schuldeiser en incasseerder in zoverre geen verschil uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.70 Wat betreft stap (b) verzet art. 242 Rv zich er mijns inziens tegen om aan te nemen dat reeds aan de hand van een dergelijke incassoafspraak kan worden aangetoond dat deze kosten redelijk jegens de wederpartij zijn. De redelijkheid van de kosten moet worden beoordeeld in de relatie tussen schuldeiser en schuldenaar en kan daarom niet worden bepaald door een afspraak tussen schuldeiser en een derde, de incasseerder. De redelijkheidstoets van art. 242 Rv wordt voorts niet volledig bepaald door de gebruikelijkheid van dergelijke tarieven. Ik verwijs naar de bespreking van vraag 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.71.1 [appellante] voert in dit verband aan dat een no cure no pay-afspraak niet alleen in de incassobranche gebruikelijk is en door de markt wordt bepaald, maar ook dat deze redelijk is. Niet alleen is het gebruikelijke tarief van 15% bij succes kostendekkend, het maakt ook door kruissubsidiëring de incasso van kleine vorderingen mogelijk die anders niet geïnd zouden worden en het biedt een prikkel tot betaling (SO 53 e.v., 64). Voorts wordt aangevoerd, dat het tarief van 15% niet te hoog is. Door de economische crisis wordt minder op krediet geleverd, zodat er minder incassozaken zijn. Bedrijven regelen relatief eenvoudige incassozaken vaker zelf, dus de meer bewerkelijke blijven over voor de incasseerder. Die zaken zijn ook vaak (40%) internationaal (SO nr. 61 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.71.2 Dit betoog − dat in grote lijnen de reactie van VIA op het concept van het rapport BGK-Integraal volgt – richt zich op de noden van de incassobranche. Volgens art. 242 Rv dient de rechter de vraag te beantwoorden of de kosten jegens de wederpartij redelijk zijn. Het feit dat het vergoedingssysteem tussen schuldeiser en de incasseerder die hij inhuurt gemiddeld genomen redelijk uitpakt, hoeft niet te betekenen dat dit systeem ook jegens de schuldenaar in kwestie redelijk uitpakt. Zo kan de hoogte van de hoofdsom een rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.72.1 In verband met vragen 2 en 4 voert [appellante] ten slotte nog een argument aan tegen de benadering “uur*tarief” en voor de benadering “incassoafspraak”. Zij wijst er op (SO nr. 74) dat de schuldeiser in het algemeen een deel van kosten zelf zal moeten dragen indien “de gecontracteerde incassokosten, die gelijk zijn aan het gewoonlijke en redelijke tarief en die door de incasso-intermediairs als honorarium in rekening worden gebracht, worden gematigd tot een bedrag op basis van de uren die in de betreffende zaak zijn gemaakt maal uurtarief”. Daarmee wordt, als ik het goed zie, bedoeld een tarief van 15% van de hoofdsom in geval van succes.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.72.2 Ik probeer dit concreet te maken aan de hand van een voorbeeld. Bij een vordering van € 100.000,- volgt uit de BIK-staffel een vergoeding van € 1.775,-. Indien aan de incassowerkzaamheden bijvoorbeeld feitelijk 30 uren zijn besteed tegen een tarief van € 100,- per uur, dan gaat het om een vergoeding van € 3.000,- die volgens BGK-Integraal, indien redelijk, toewijsbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een incassoafspraak van 15% van de hoofdsom in geval van succes, bedragen de kosten die de schuldeiser aan de incasseerder verschuldigd is volgens de tarieven waarop [appellante] doelt kennelijk € 15.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.72.3 Onder die omstandigheden is mijns inziens de vraag gerechtvaardigd of toewijzing van € 15.000,- jegens de schuldenaar redelijk is. Nu zou in dat verband een rol kunnen spelen dat de schuldeiser – als mijn voorbeeld juist is – zou blijven zitten met een rekening van zijn incasseerder van € 12.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik vraag mij af of het zo werkt in de praktijk. Een schuldeiser die een dergelijke tariefafspraak wil maken met zijn incasseerder in de wetenschap van de bedragen die de rechter zou kunnen gaan toewijzen, dient zich wel tweemaal te bedenken. Dat marktwerking desalniettemin ook voor dergelijke bedragen leidt tot een dergelijk incassotarief, lijkt moeilijk voorstelbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de reactie van VIA op BGK-Integraal wordt opgemerkt dat een vast percentage bij zeer hoge vorderingen een onrechtvaardig eindresultaat zou kunnen opleveren en dat dan teruggevallen kan worden op de in het Incassoadvies voorgestelde B2B–staffel (p. 15). Die staffel is volgens VIA tot stand gekomen op basis van de staffels die de grootste partijen op het gebied van B2B incasso hanteren (p. 16). Uit die B2B-staffel volgt een vergoeding van € 5.300,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.72.4 Ik kan het bij 4.72.1 bedoelde argument daarom niet goed op waarde schatten. Het beroep op Richtlijn 2011/7/EU gaat mijns inziens ook in dit verband niet op, wanneer de rechter redelijke incassokosten toewijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.73 Wat betreft vraag 4 in verbinding met vraag 2 is mijn slotsom, kort gezegd, dat het de rechter vrijstaat om te oordelen dat met een dergelijke incassoafspraak in beginsel voldoende is gesteld om aan te nemen dat de ‘werkelijke incassokosten’ hoger zijn dan het forfaitaire bedrag van de BIK-staffel, maar dat dit enkele gegeven niet voldoende is om aan te nemen dat het bedrag van dergelijke kosten jegens de wederpartij redelijk is in de zin van art. 242 lid 1 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.74 Via deze route kom ik dan uit bij de resterende uitwerkingskwesties van vragen 3 en 4. Daarover kan ik kort zijn. Bij de bepaling van hetgeen jegens de schuldenaar redelijk is, dient de rechter alle omstandigheden van het geval in zijn beoordeling te betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.75 Daartoe behoren objectieve gegevens als het in de branche van partijen gebruikelijke percentage of het in de incassobranche, indien daarvan gesproken kan worden, gebruikelijke percentage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 242 Rv biedt naar mijn mening ruimte om acht te slaan op gebruikelijke tarieven die door de verschillende typen incasseerders aan hun opdrachtgevers (de schuldeisers) in rekening worden gebracht; maar ook bijvoorbeeld op tarieven die (in een bepaalde branche) tussen schuldeisers en schuldenaren gebruikelijk zijn. De MvT bij art. 57ab (oud) Rv wijst in aansluiting op de tarieven van incasseerders immers ook op de mogelijkheid van “tarifering van de bedragen die een wederpartij die niet tijdig betaalt, aan buitengerechtelijke kosten verschuldigd zal zijn, hetzij rechtstreeks, hetzij ingevolge een door de rechter gematigd beding.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar het is niet zo dat toepassing van dergelijke incassopercentages, omdat zij gebruikelijk zijn, voldoet aan de maatstaf van art. 242 Rv welke de rechter voorschrijft te toetsen of bepaalde kosten jegens de schuldenaar redelijk zijn. Omstandigheden als de hoogte van de vordering en de verrichte werkzaamheden kunnen bijvoorbeeld ook een rol spelen in de afweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.76 Eveneens kan van belang zijn of de schuldenaar zelf ook dat percentage ─ dan wel een vergelijkbaar percentage (rov. 10.7) ─ hanteert in de verhouding tot zijn schuldenaren. Daarmee is het pleit niet beslecht, anders dan [appellante] (SO nr. 72) bepleit. Het is immers óók geen automatisme dat de schuldenaar in zijn hoedanigheid van crediteur zijn kosten vergoed zal krijgen op basis van dat percentage.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.77 In dit verband komt mijns inziens aan het bestaan van de eerder genoemde incassoafspraak tussen de schuldeiser en de incasseerder geen andere betekenis toe dan eerder werd besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.78 Ik merk ter afsluiting nog op, dat de beantwoording van de prejudiciële vragen mijns inziens niet de gelegenheid is om de feitenrechter gedetailleerd voor te schrijven hoe deze met zijn matigingsbevoegdheid van art. 242 Rv dient om te gaan. Naar mijn mening zijn verschillende benaderingen denkbaar om te komen tot het oordeel dat bepaalde kosten jegens de wederpartij redelijk zijn. Voorop staat dat de rechter de in art. 242 Rv bedoelde maatstaf hanteert en zijn oordeel voldoende motiveert.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.79 De wetgever heeft geen afzonderlijke B2B-staffel opgesteld, de opstellers van het Rapport BGK-Integraal achten zich daartoe niet geëquipeerd. Mocht behoefte bestaan aan een dergelijke staffel (waarin bijvoorbeeld zou worden onderscheiden tussen eenvoudige en gecompliceerde en/of buitenlandse incasso’s), dan is het in eerste instantie aan de betrokken (organisaties van) partijen om daarover met elkaar in overleg te treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.80 De stelling, te kort gezegd, dat de matigingsbevoegdheid van art. 242 Rv zo moet worden ingezet dat bedongen kosten (ad 15% van de hoofdsom) in beginsel worden toegewezen, leidt mijns inziens tot een te grofmazige benadering van de problematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Beantwoording De vragen zouden als volgt beantwoord kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitengerechtelijke incassokosten vallen onder het begrip “kosten” van art. 6:44 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vragen 2-4:</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter kan bedongen buitengerechtelijke incassokosten in een B2B-relatie ambtshalve toetsen aan art. 242 Rv. Daarbij dient de rechter de maatstaf van art. 242 Rv te hanteren – waarbij het uiteindelijk aankomt op de vraag of de kosten jegens de wederpartij redelijk zijn − en zijn oordeel dienaangaande voldoende te motiveren in het licht van alle omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet in strijd is met de bedoeling van de wetgever om ten aanzien van bedongen incassokosten in een B2B-relatie mede aan de hand van de BIK-staffel te bepalen, wat redelijke kosten als bedoeld in art. 242 lid 1Rv zijn. Voor toewijzing van hogere, werkelijk gemaakte redelijke kosten mag de rechter verlangen dat de schuldeiser deze aantoont aan de hand van daadwerkelijk gemaakte uren maal een redelijk uurtarief. Indien de schuldeisers alleen opgave doet van de verrichte werkzaamheden, kan de rechter aan de hand van een redelijke inschatting van de daarmee gemoeide tijd en kosten zijn oordeel motiveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de omstandigheden van het geval kan de rechter aanleiding zien om te oordelen dat met een incassoafspraak als bedoeld in vraag 4 in beginsel voldoende is gesteld om aan te nemen dat de ‘werkelijke incassokosten’ hoger zijn dan het forfaitaire bedrag van de BIK-staffel. Dan nog zal beoordeeld moeten worden of de kosten jegens de wederpartij redelijk zijn in de zin van art. 242 lid 1 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet zo dat art. 242 lid 1 Rv, mede gezien de doelstelling van Richtlijn 2011/7/EU, aldus dient te worden uitgelegd dat bij de bepaling of jegens de schuldenaar redelijk is het bedrag van de buitengerechtelijke kosten dat, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht, in beginsel als uitgangspunt dient te gelden het in de branche waarin beide partijen opereren, dan wel in ‘de incassobranche’, gebruikelijke incassopercentage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie De conclusie strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen als voorgesteld onder 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Hof 's-Hertogenbosch 3 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:319, rov. 11.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 10 december 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:5953, Prg. 2014/55, had reeds aangegeven voornemens te zijn deze vraag te stellen, maar de zaak werd nadien ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof doelt hiermee op de relatie tussen twee ondernemingen, de zogenaamde “business-to-business” relatie. Zie het tussenarrest in deze zaak van 2 december 2014, rov. 7.4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het tussenarrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 22 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2234, NJF 2014/362, rov. 4.1.1-4.1.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens rov. 4.5.2 van dit arrest speelt de imputatieregel van art. 6.3 van de algemene voorwaarden in deze zaak geen rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797, NJ 2015/84 m.nt. S.D. Lindenbergh, JA 2014/136 m.nt. M.R. Hebly, JBPR 2015/15 m.nt. B.J. Engberts (Scheper Ziekenhuis).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 10.8 van het arrest van 3 februari 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik verwijs naar mijn conclusie sub 3.1 e.v. voor HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405, NJ 2014/406 m.nt. S.D. Lindenbergh, JBPR 2014/51 m.nt. A.W. Jongbloed, JIN 2014/157 m.nt. J. Blom en N.J. Meuwese, JOR 2015/27 m.nt. M.R. Ruygvoorn, Prg. 2014/192 m.nt. P.J.M. Ros, TvC 2014, p. 311 m.nt. H.J.S.M. Langbroek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2012, 140 en 142.</p>\n<p class=\"lf-p\">De huidige leden 5 t/m 7 en het Besluit (Stb. 2012, 141) zijn met ingang van 1 juli 2012 van kracht geworden. Art. 1 Besluit bepaalt: “Dit besluit is van toepassing op een uit overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van een geldsom. Indien de verbintenis strekt tot vergoeding van schade, is dit besluit daarop alleen van toepassing voor zover deze verbintenis is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst of voor zover de in de eerste zin bedoelde verbintenis tot betaling van een geldsom is omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding in de zin van artikel 87 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het huidige lid 4 is met ingang van 16 maart 2013 ingevoegd in verband met de omzetting van de herziene Richtlijn 2011/7/EU betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II, 1986-1987, 19785, nr. 3, p 89; N.J.H. Huls, Wet op het consumentenkrediet, 1993, p. 97; T&amp;C Vermogensrecht (V. Heutger), 2013, aantekening bij art. 34 WCK.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus F.M. Visser, noot sub 2 onder Rb. Amsterdam 4 juni 1997, ECLI:NL:RBAMS:1997:AM265, WR 1998/1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbevelingen zijn gepubliceerd in De Gerechtsdeurwaarder 2013, p. 13-15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 308 Fw geeft bij schuldsanering een afwijkende regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA II Inv., Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. Boeken 3, 5 en 6), p. 1226; R.M.Ch.M. Koot, GS Verbintenissenrecht, art. 6:44, aant. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Hartkamp &amp; Sieburgh 6-I* 2012/262; M.W. Scheltema, Nakoming (Mon. BW B32a), 2008, nr. 24 onder b; Koot, GS Verbintenissenrecht, art. 6:44, aant. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Hartkamp &amp; Sieburgh 6-I* 2012/259-260. Vgl. ook HR 19 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5542, BNB 2000/184 m.nt. J.W. Zwemmer, rov. 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Hartkamp &amp; Sieburgh 6-I* 2012/262.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar oud recht was betwist of de schuldeiser in plaats van de betaling te weigeren, de ontvangen betaling eenzijdig kon toerekenen in de door de wet (art. 1433 (oud) BW) aangegeven volgorde. Zie GS Contractenrecht (Rank), nr. 2877.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 180; GS Contractenrecht (Rank), nrs. 2879, 2887.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. de Pinto, Handleiding tot het Burgerlijk Wetboek, 1860, p. 542; Veegens-Oppenheim, Schets van het Nederlandsch Burgerlijk Recht, derde deel, 1921, p. 153; J. Ph. Suijling, Inleiding tot het Burgerlijk recht, 2e stuk, 1e gedeelte, 1934, p. 395; S. van Brakel, Leerboek van het Nederlandsche verbintenissenrecht, I, 1942, p. 161; H.F.A. Völlmar, Nederlandsch Burgerlijk Recht, 3e deel, 2e stuk, 1944, p. 399; H.P.J.M. Coebergh, WPNR 4214 (1951), p. 488; Hofmann-Drion-Wiersma, 1959, p. 325; Asser-Rutten I, 1973, p. 340; Pitlo-Bolweg, 1979, p. 379; Asser-Hartkamp I, 1988, nrs. 252-253; W.A.K. Rank, GS Contractenrecht, nrs. 2876-2879; R.M.Ch.M. Koot, GS Verbintenissenrecht, art. 6:44, aant. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veegens-Oppenheim, Schets van het Nederlandsch Burgerlijk Recht, derde deel, 1921, p. 153; Asser-Rutten I, 1973, p. 340. In deze zin Rb. Den Haag 14 oktober 1919, NJ 1919, p. 1146.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Mannoury, Prg. 1981, p. 276.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Rb. Arnhem, 3 november 1977, Prg. 1981, p. 279 m.nt. J. Mannoury: art. 1433 BW werd toegepast op de rente en de hoofdsom; daarnaast werd een bedrag aan buitengerechtelijke kosten toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Interesse vindt men in het Romeinse recht terug in de algemene betekenis van “schadeloosstelling voor de verbreking van een overeenkomst”. aldus M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands onder “interesse” (kenbaar via http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/interesse).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Woordenboek der Nederlandsche taal uit 1911 (kenbaar via http://gtb.inl.nl/iWDB/search?actie=article&amp;wdb=WNT&amp;id=M028177) staat het volgende ter toelichting van het begrip interest / interesse: “Beide woorden komen uit het Latijn; het zijn eigenlijk twee onderscheiden, als znw. gebezigde vormen van hetzelfde ww., t.w. interest, de 3de pers. sing. praes. ind. (in onpersoonlijk gebruik), interesse, de infinitief. De ingewikkelde geschiedenis der beteekenissen van deze vormen als znw. — in haar oorsprong en samenhang — in het Romeinsche recht, in het Middeleeuwsch Latijn, het Oudfransch enz., kan hier niet worden uiteengezet (verg. b.v. hetgeen daarover bij murray 5, 394 is aangeteekend). Het Ndl. kent ze in de volgende, voor een deel verouderde, opvattingen. A. Schade, verlies. Mnl. interest, ook in de verbinding scae ofte interest. B. Schadevergoeding, schadeloosstelling. Verg. voor deze bet. fra. dommages (et interêts), eng. damages. C. Percentsgewijze vergoeding voor het gebruik van geleende penningen of andere verbruikbare zaken, of wegens een onafgedane schuld; rente. Ook, met dezelfde bet., in 't mv.: renten. D. Belang (in verschillende opvattingen).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in de toelichting bij het ontwerp voor een Benelux-overeenkomst inzake nakoming van verbintenissen (waarvan art. 17 overeenstemde met het ontwerp NBW), werd het begrip kosten niet toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 180.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Hartkamp I 1988, nr. 253. Zo ook R.A. Dozy en Y.A.M. Jacobs, Hoofdstukken huurrecht voor de praktijk, 1992, p. 77, die vermelden dat art. 1433 eenzelfde regeling inhield als art 6:44 lid 1 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:BH7741, BNB 1989/123 m.nt. P den Boer, rov. 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Rb. Rotterdam (sector kanton) 18 november 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:BB1863.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Hartkamp &amp; Sieburgh 6-II* 2013/261.</p>\n<p class=\"lf-p\">De TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 528, laat oerigens in het midden of rente en/of bedongen boeten systematisch als nevenrechten van de hoofdvordering moeten worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 6, p. 192-195; Parl. Gesch. Boek 6 Inv., p. 1237-1238.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 307.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J. Feenstra, ‘Het aanbod tot betaling van schadevergoeding en kosten in art. 6:86 BW: harmonie- of conflictmodel?’, WPNR 6319, p. 409 e.v. Vgl. voorts B.M. Katan, GS Verbintenissenrecht, art. 6:86, aant. 6-7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koot, GS Verbintenissenrecht, art. 6:47, aant. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.M. Visser, noot sub 4 onder Rb. Amsterdam 4 juni 1997, ECLI:NL:RBAMS:1997:AM265, WR 1998/1; G.J. Knijp, ‘Betaling, toerekening en rentegrondslag’, Executief 2004, p. 115; P. van der Sanden in: J. Sengers en P. van der Sanden (red.), Huurrecht Woonruimte, 2013, p. 127.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Den Bosch (kantonrechter Eindhoven) 27 oktober 2011, ECLI:NL:RBSHE:2011:BU2154, NJF 2011/504, Prg. 2012/2, rov. b.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Knijp, a.w., p. 115, doet dat met zoveel woorden (“Het maakt daarbij niet uit of het gaat om de wettelijke rente of een contractueel vastgelegde rente.”). Visser, t.a.p., gaat m.i. impliciet van een dergelijk rentebegrip uit, waar hij schrijft: “Ten tweede strekken deze betalingen tot mindering op de verschenen rente. Het gaat daarbij echter alléén om achterstallige, reeds vervallen rente en niet om de lopende rente. De nog lopende rente, die bestanddeel van de hoofdvordering uitmaakt, zal immers niet zelfstandig, los van de hoofdsom betaalbaar zijn. In huurzaken zal het bij een rentevordering meestal slechts gaan om nog lopende rente, die pas bij eindafrekening wordt becijferd. Dat moet echter van geval tot geval worden bekeken.” Te late betaling van de huurprijs levert normaliter tekortschieten van de huurder op zodat verschuldigde rente moet worden gezien als schadevergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Knijp, a.w., p. 116.</p>\n<p class=\"lf-p\">Knijp, a.w., p. 116. Daarvan lijkt ook Visser, t.a.p., uit te gaan als hij, verwijzend naar art. 6:43 lid 2 BW, opmerkt dat betalingen eerst op de huurachterstand en daarna op de kosten in mindering komen, mede omdat de huurachterstand in de tijd aan de buitengerechtelijke incassokosten vooraf zal zijn gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Alkmaar (sector kanton, locatie Hoorn) 29 november 2010, ECLI:NL:RBALK:2010:BO7931.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ktr. Utrecht 13 oktober 1994, ECLI:NL:KTGUTR:1994:AI9089, Prg. 1995/4228; Rb. Amsterdam 4 juni 1997, ECLI:NL:RBAMS:1997:AM2650, WR 1998/1 met noot Visser; Rb. Maastricht (sector kanton, locatie Maastricht) 4 maart 2009, ECLI:NL:RBMAA:2009:BH5407, Prg. 2009/90; Rb. Limburg (Ktr. Maastricht) 19 maart 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:2997, rov. 2.19. Vgl ook het oordeel van de Nationale Ombudsman 2010 nr. 261 (te vinden op https://www.nationaleombudsman.nl/rapporten/2010/261), waarin van deze lezing van art. 6:44 BW werd uitgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam (sector kanton) 18 november 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:BB1863; Rb. Alkmaar (sector kanton, locatie Hoorn) 29 november 2010, ECLI:NL:RBALK:2010:BO7931.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Leeuwarden (sector kanton, locatie Heerenveen) 18 mei 2006, ECLI:NL:RBLEE:2006:AX3651, rov. 17.2; Hof Arnhem (nevenzittingsplaats Leeuwarden) 17 juli 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA9777, rov. 10; Rb. Den Bosch (kantonrechter Eindhoven) 27 oktober 2011, ECLI:NL:RBSHE:2011:BU2154, NJF 2011/504, Prg. 2012/2, rov. b.1 en b.2; Rb. Den Bosch (sector kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch) 15 maart 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BV9689, Prg. 2012/166.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raad voor de Rechtspraak 2000 Rapport Voorwerk II, paragraaf 8.7. Zie over de verhouding met BGK-Integraal 2013 en de aktuele betekenis van Voorwerk II: M.K.M. Enderink &amp; A. Al Mansouri, ‘Nieuwe regeling buitengerechtelijke kosten’, Tijdschrift voor de Procespraktijk 2014-5, p. 134 en verder. http://www.rechtspraak.nl/Actualiteiten/Nieuws/Pages/Nieuw-rapport-voor-toewijzen-buitengerechtelijke-kosten.aspx.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.C.F. Schoordijk, Het algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht naar het Nieuw Burgerlijk Wetboek, 1979, p. 133-134; Pitlo/Cahen, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, 2002, p. 48; Jac. Hijma en M.M. Olthof, Compendium van het Nederlands Vermogensrecht, 2014, nr. 346; Asser/Van Mierlo &amp; Van Velten 3-VI* 2010/111; Scheltema, Nakoming (Mon. BW B32a), 2008, nr. 24 onder b en Bestuursrechtelijke geldschulden (Mon. Awb A10), 2010, nr. 2.8, p. 60 e.v.; H.J. Rossel, Huurrecht algemeen, 2011, p. 273; Asser/Hartkamp &amp; Sieburgh 6-I* 2012/262; W.L. Valk, T&amp;C BW 2013, art. 6:44, aant. 1; A.R. de Jonge, Huurrecht, 2013, p. 147; H.B. Krans in: G.T. de Jong, H.B. Krans en M.H. Wissink, Verbintenissenrecht algemeen, 2014, nr. 82; Koot, GS Verbintenissenrecht, art. 6:44, aant. 3; D.P. van Strien, Sdu commentaar vermogensrecht, art. 6:44, aant. C.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.L.J.M. de Waal, GS Huurrecht, art. 7:212, aant. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.C.P. Teeuw, Huurgeschillen ontleed, 2013, p. 1066; R.M.Ch.M. Koot, GS Verbintenissenrecht, art. 6:44, aant. 2 (die althans verwijst naar Ktr. Utrecht 13 oktober 1994, Prg. 1995/4228 en naar Ktr. Maastricht 4 maart 2009, Prg. 2009/90, LJN BH5407, waarin onder kosten buitengerechtelijke incassokosten werden verstaan); Brahn/Reehuis, Zwaartepunten van het vermogensrecht, 2010, nr. 511, begrijpt onder kosten in art. 6:44 lid 1 BW ‘inningskosten’ en lijkt daarmee gezien het voorbeeld te doelen op incassokosten en niet op kosten van betaling in de zin van art. 6:47 lid 1 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.M. Visser, noot sub 4 onder Rb. Amsterdam 4 juni 1997, ECLI:NL:RBAMS:1997:AM265, WR 1998/1; G.J. Knijp, ‘Betaling, toerekening en rentegrondslag’, Executief 2004, p. 115; P. van der Sanden in: J. Sengers en P. van der Sanden (red.), Huurrecht Woonruimte, 2013, p. 127.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2012-2013, 26643, nr. 284 (verslag van een schriftelijk overleg).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gewicht van een dergelijke uitlating moet per geval worden bepaald. Zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU7412, NJ 2013/273 m.nt. Jac. Hijma, rov. 3.6.3 Vgl. HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3535, NJ 2015/57 noot S.F.M. Wortmann, rov. 3.7.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie A-G Rank-Berenschot, conclusie sub 2.2-2.3 voor HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0528, NJ 2011/307 m.nt. S.F.M. Wortmann; Wortmann, GS Personen- en Familierecht, art. 1:408, aant. 2; Asser/De Boer I* 2010/1063.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II 1994/95, 23 938, nr. 3, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Cremers, T&amp;C Gezondheidsrecht, 2015, art. 8a Zw, aant. 1-2.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II, 2008–2009, 31736, nr. 3, p. 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II 2003-2004, 29702, nr. 3, p. 39-40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. voorts M.W. Scheltema, Bestuursrechtelijke geldschulden, 2010, p. 60-64; Jacobs, T&amp;C Awb, 2013, art. 4:92 aant. 2 onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens worden in afwijking van art. 7 betalingen eerst afgeboekt op de schuldvordering en de interest en pas daarna op de in Nederland op basis van de Kostenwet invordering rijksbelastingen berekende vervolgingskosten, indien de invordering plaatsvindt op basis van richtlijn 2008/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 26 mei 2008, PbEU 2008 L 150, betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen. Zie Vetter/Tekstra/Wattel/De Wit 2012, Invordering van belastingen, nrs. 504 en 1005-1008.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II, 1988-1989, 20 588, nr. 3, p. 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3283, JOR 1997/149 met noot B. Wessels, BNB 1998/6 met noot P.J. Wattel, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. reeds HR 22 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:BH7741, BNB 1989/123 m.nt. P den Boer, rov. 5.2, geciteerd bij 3.13.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijvoorbeeld A-G Van Soest, conclusie sub 6.4 voor HR 1 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3283, JOR 1997/149 (“art. 7, lid 1, Inv.W. 1990, welke regeling trouwens (mede blijkens het arrest van 1989) evenmin afwijkt van de, voor deze situatie getroffen, civielrechtelijke regeling, die thans neergelegd is in art. 6:44, lid 1, BW.”; de noot onder dit arrest van B. Wessels, JOR 1997/149 (“Deze regel is verweven in art. 6:44 BW, welke tezamen met genoemd art. 7 Invorderingswet 1990 aan art 6:43 BW derogeert.”); en de noot onder dit arrest van P.J. Wattel I BNB 1998/6 (“en geldt als regel - zowel civielrechtelijk (art. 6 : 44 BW) als fiscaalrechtelijk (art. 7, eerste lid, Inv.W. 1990) - dat betalingen in de eerste plaats strekken - afgezien van eventuele incassokosten - tot delging van de reeds verschenen rente en pas daarna tot delging van de hoofdsom en de lopende rente”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2564, VR 2014/56, JWR 2014/38 met noot J.W. van der Hulst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grüneberg, Pallandt BGB 2015, § 367 Rn. 4; Fetzer, Münchener Kommentar 2012 BGB § 367 Rn. 5 (“Wechsel-, Prozess- und Vollstreckungskosten, darüber hinaus alle sonstigen Aufwendungen, die der Gläubiger zur Verfolgung und Durchsetzung seines Anspruchs gemacht hat”); Schulze u.a., Bürgerliches Gesetzbuch 2014 § 367 Rn. 2; Olzen, Staudinger BGB, 2011, § 367 Rn. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">BeckOK BGB/Dennhardt BGB § 367 Rn. 4; Grunewald/Peifer, Verbraucherschutz im Zivilrecht, 2010, p. 79.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kessal-Wulf, Staudinger BGB, 2012 § 497 Rn. 33 (voor zover de incasso uit handen is gegeven); Schürnbrand, Münchener Kommentar 2012 BGB § 497 Rn. 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cour de cassation 7 februari 1995, n° 92-14.216, Bull. 1995, I, n°75: “L'article 1254 du code civil s'applique aux frais de recouvrement d'une créance, qui constituent, au même titre que les intérêts visés par ce texte, des accessoires de la dette”; Cour de cassation 1 juni 1995, n° 92-21.833, Bull. 1995, V, n° 174: “à défaut de convention contraire, les versements effectués par un débiteur doivent s'imputer d'abord sur les frais exposés par le créancier en vue du recouvrement de sa créance dont ils constituent l'accessoire”; Henry e.a. 2015, Code Civil (Dalloz), art. 1254 aant. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dalcq 1988, “L’imputation des paiements”, J.T. 1988, 77; C. Biquet-Mathieu 1998, Le sort des intérêts dans le droit du crédit. Actualité ou désuétude du Code Civil?, nr. 169.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Beroep van Gent 21 december 1993, RW 1994-1995, 1169.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Koophandel Brussel 20 juni 2008, RW 2011-2012, 706.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ch. von Bar en E. Clive (eds.), DCFr (Full edition), 2009, p. 753-759.</p>\n<p class=\"lf-p\">Joseph M. Perillo, Unidroit Principles of International Cornrnercial Contracts: The Black Letter Text ond a Review, 63 Fordham L. Rev. 281 (1994), op p. 298.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie recent hieromtrent N. Jungmann, E. Lems, F. Vogelpoel, G. van Beek en P. Wesdorp, Onoplosbare schuldsituaties (Rapport NVVK), 2014, i.h.b. p. 12-13, 18-19, 36-37, 41, 46-47 en 57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Visser in diens noot onder Rb. Amsterdam 4 juni 1997, ECLI:NL:RBAMS:1997:AM265, WR 1998/1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP6874, NJ 2006/200 ([A]/Staat) en HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP7760, NJ 2006/201, m.nt. H.J. Snijders ([D]-[E]), rov. 5. Volgens B.J. Engberts, ‘Wettelijke normering van buitengerechtelijke incassokosten’, Trema 2012, p. 197, lijkt de rechter in de praktijk de eerste redelijkheidstoets overigens wel toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de vorige noot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voorts E.J. Numann, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 242 Rv, aant. 2; Snijders, Klaassen en Meijer, 2011, nr. 125; Hugenholtz/Heemskerk, 2015, nr. 128; Asser Procesrecht Van Schaick 2 2011/129.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijke benadering van bedongen kosten werd nog wel afgeleid uit HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0836, NJ 1993/597 m.nt. H.J. Snijders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zakelijke dienstverlening: NBBU en ABU (uitzend), FME (internationale dienstverlening), DNR 2011 (architect, ingenieur en adviseur), NIVRE (experts en taxateurs). Bouwnijverheid: Hibin (bouwmaterialen), Noa (afbouwbedrijven), Alib (installatiebedrijven), Metaalunie. Financiële instellingen: Adfiz (financiële adviseurs). Landbouw: VGB (bloementeelt), Plantum (tuinbouw). Vervoer &amp; Opslag: Evo (vervoer), Fenex (expeditie en logistiek). Informatie en Communicatie: Fenit/Nederland (ICT), KVGO (grafische industrie). Handel: FTN (textiel).</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II, 1980-1981, 16 593, nr. 3, p. 10-12 (Parl. Gesch. Inv. Boeken 3, 5 en 6, Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering etc., p. 40-41).</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Dam-Lely, T&amp;C Rv, art. 242 Rv, aant. 1. http://www.rechtspraak.nl/Zoeken/Pages/default.aspx?k=Rapport%20voorwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6690, NJ 2012/277, JBPR 2012/62 m.nt. K. Teuben ([B]/[C]).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 28 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4605, NJ 2000/256, rov. 4.3; HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2122, NJ 2014/222 m.nt. P. van Schilfgaarde, rov. 5.2.3-5.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP6874, NJ 2006/200.</p>\n<p class=\"lf-p\">K. Teuben, Buitengerechtelijke kosten van verweer, Bb 2005/47, §6; H.J. Snijders, noot sub 3 onder HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP7760, NJ 2006/201.</p>\n<p class=\"lf-p\">V. van den Brink en P.M. Wamsteker, Contractueel bedongen kosten, TCR 2005/1, p. 4-5; M.L. Hendrikse, De buitengerechtelijke kosten (preadvies voor de Vereniging van Incasso-Advocaten) 2005, p. 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het blijft overigens een kwestie van uitleg van het beding. Vgl. Rb Amsterdam 14 maart 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BA3124, NJF 2007/254, rov. 4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2122, NJ 2014/222 m.nt. P. van Schilfgaarde, rov. 5.2.3-5.2.4. Teuben, t.a.p., en Snijders, noot sub 4 in NJ 2006/201, lazen in HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP7760, NJ 2006/201, dat niet de eis kan worden gesteld dat de schuldeiser, die vergoeding vordert van bedongen buitengerechtelijke kosten naast bedongen gerechtelijke kosten, stelt dat dergelijke kosten zijn gemaakt. Een andere lezing van dat arrest is echter mogelijk (vgl. Van den Brink en Wamsteker, t.a.p.) en lijkt te volgen uit het arrest van 20 december 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.M.A.M. Venhuizen, ‘Is Rapport Voor-werk II thans aanvaard?’, PP 2006/4, p. 138 en 139. Vgl. ook M.L. Hendrikse, a.w., p. 30-31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie H.J. Snijders, noot sub 4 onder HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP7760, NJ 2006/201; V. van den Brink en P.M. Wamsteker, t.a.p.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raadpleegbaar via http://www.rechtspraak.nl/Procedures/Landelijke-regelingen/Sector-civiel-recht/Documents/Rapport-BGK-integraal.pdf. [noot 22 in BGK-Integraal] “In geval van een handelsovereenkomst alleen als er sprake is van een vordering van € 40,- of meer, ingevolge art. 6:96 lid 4 BW.” [noot 32 in BGK-Integraal] “Kamerstukken II, 3371 nr. 3 p. 9 bovenaan. ‘Geeft partijen duidelijkheid over…’ Dit lijkt erop te wijzen dat de minister van oordeel is dat ook in geval de werkelijk gemaakte kosten hoger zijn dan het uit de staffel voortvloeiende bedrag, toewijzing van slechts het staffelbedrag conform de tekst en de doelstellingen van richtlijn 2009/38/EG (herschikkingsrichtlijn) is.” NB: de Richtlijn 2011/7/EU wordt door sommige auteurs ook wel aangeduid als Herschikkingsrichtlijn; vermoedelijk betreft de aanduiding ‘2009/38/EG’ hier een fout, nu deze richtlijn de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (Herschikking) betreft. [noot 33 in BGK-Integraal] “Hiermee wordt aanbeveling I van Rapport Voor-Werk II gecontinueerd.” [noot 34 in BGK-Integraal] “Kamerstukken I 2011-2012, 32 418, nr. E, § 2.”</p>\n<p class=\"lf-p\">SO [appellante] nr. 54. De reactie van VIA is gevoegd bij de SO van [appellante].</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties, Pb L 200/35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 2 sub 1 Richtlijn 2000/35/EG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 6 lid 2 Richtlijn 2000/35/EG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota n.a.v. het Verslag, Kamerstukken I, 2002–2003, 28 239, nr. 16a, p. 4-5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota n.a.v. het Verslag, Kamerstukken I, 2002–2003, 28 239, nr. 16a, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 7 november 2002 tot uitvoering van de Richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (Stb. 2002/545), iwtr. Stb. 2002/561.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo reeds de MvT, Kamerstukken II, 2001–2002, 28 239, 3, p. 3-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2001–2002, 28 239, B, p. 4; S.M.A.M. Venhuizen, ‘Procedures en kosten’, in: M.H. Wissink &amp; T.H.M. van Wechem (red.), Betalingsachterstanden bij handelstransacties, Boom 2006, p. 149-152; H.B. Krans, Nederlands burgerlijk procesrecht en materieel EU-recht, Kluwer, 2010, p. 93-96.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6690, NJ 2012/277, JBPR 2012/62 m.nt. K. Teuben ([B]/[C]).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties, PB L 48/1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s d.d. 25 juni 2008, COM(2008) 394, p. 5; Preambule 2011/7/EU, zie m.n. alinea’s 3, 6, 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">COM(2009)0126. Uiteindelijk vernummerd tot art. 4 Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapporteur Baldassare van de Committee on Legal Affairs stelde voor deze bepaling te schappen: “The compromise amendment tackles some legal aspects of Article 5. Paragraph 5 is deleted as it represents an unjustified and punitive measure which is contrary to Union law.” Zie Opinion of the Committee on Legal Affairs for the Committee on the Internal Market and Consumer Protection on the proposal for a directive of the European Parliament and of the Council on combating late payment in commercial transactions (recast) (COM(2009)0126 – C7-0044/2009 – 2009/0054(COD)), 2009/0054(COD) p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met dienovereenkomstige wijzigingen van art. 241 en 242 Rv en de Overgangswet NBW. Zie Stb. 2012/647 en 2013/9.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II, 2011–2012, 33 171, nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II, 2011–2012, 33 171, nr. 3, p. 8-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">En natuurlijk relaties met de overheid (‘B2G’). Volgens art. 6:96 lid 5 BW is overigens alleen de hoedanigheid van de schuldenaar van belang. De bepaling is dus ook van regelend recht in C2B-relaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verslag van een algemeen overleg, Kamerstukken II, 2008-2009, 24 515, nr. 144, p. 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van de Minister van 29 juni 2009, Kamerstukken II 2008–2009, 24 515, nr. 155, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het advies is gevoegd bij de SO van [appellante] en voorts te raadplegen op: http://www.internetconsultatie.nl/wetsvoorstel_incassokosten/reactie/117/bestand (bijlage bij brief VCCM d.d. 11 november 2009).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009-2010, 32 418, nrs. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota n.a.v. het Verslag, Kamerstukken II, 2010-2011, 32 418, nr. 5, p. 3-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 12 april 2011, 72-17 p. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">NvT bij het BIK, Stb. 2012/141, p. 4-5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eerder genoemde reactie van VIA (mede namens VVCM en VCBM) op het concept van het rapport BGK-integraal wordt (op p. 16) geklaagd dat de Minister toen ten onrechte alleen VNO-NCW heeft geraadpleegd (die in het overleg met betrekking tot de totstandkoming van de WIK niet betrokken was en zich op dit punt niet had voorbereid) en niet de marktpartijen die hij eerder had geraadpleegd bij de totstandkoming van de WIK.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie reeds de MvT, Kamerstukken II, 2009-2010, 32 418, nr. 3, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 12 april 2011, 72-17 p. 40 (rk).</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA, Kamerstukken I, 2011–2012, 32 418, C.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadere MvA, Kamerstukken I, 2011–2012, 32 418, E, p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota n.a.v. het Verslag, Kamerstukken II, 2011–2012, 33 171, nr. 6, p. 4-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de kritische bespreking van Aanbeveling I van Voor-werk II door A-G Huydecoper in zijn conclusie sub 13 e.v. voor HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7004, NJ 2003/566, Zie voorts M.L. Hendrikse, De buitengerechtelijke kosten (preadvies voor de Vereniging van Incasso-Advocaten) 2005, p. 32, 51-52; M.R. Ruygvoorn en W.J.W. Engelhart, Beding buitengerechtelijke incassokosten zinloos?, JBPR 2004/903.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook H.J.S.M. Langbroek en M. Holthuis, Rapport BGK-Integraal 2013: leuker kon misschien niet, wel makkelijker?, BER 2014, p. 24; H.J.S.M. Langbroek, ORP 2015(1) 50 onder ‘Vergoeding bij handelsovereenkomst’; M.K.M. Enderink en A. al Mansouri, ‘Nieuwe regeling buitengerechtelijke kosten’, Tijdschrift voor de Procespraktijk, 2014, p. 137.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijvoorbeeld MvT, Kamerstukken II, 2009-2010, 32 418, nr. 3, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die zin ook MvA I Inv, Parl. Gesch. Inv. Boeken 3, 5 en 6, Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering etc., p. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de MvT, geciteerd bij 4.23. Zie voorts F.P.C. Strijbos, in: A.S. Hartkamp e.a.: De invloed van het Europese recht op het Nederlandse privaatrecht, deel II, Kluwer, 2014, p. 467-475; H.N. Schelhaas, MVV 2011, p. 260; A.C. Rozeman, NTER 2011, p. 155-156; M. Freudenthal, Schets van het Europees civiel procesrecht, 2013/7.4.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie A-G Huydecoper, conclusie sub 15, 20 voor HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7004, NJ 2003/566, n.a.v. Richtlijn 2000/35/EG.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.H.B. den Hartogh Jager, Wettelijke rente, 2012, p. 9, kent aan de handelsrente een punitief karakter toe. Overigens kan de wettelijke handelsrente blijkens de considerans sub 17 van Richtlijn 2000/35/EG ook al voor een deel kosten vergoeden (4.15).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo ook J.W. Westenberg, noot onder Rb Almelo 18 december 2002, ECLI:NL:RBALM:2002:AF5781, JBPR 2003/48, §3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarvan is per definitie sprake bij bedongen incassokosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook K. Teuben in haar noot sub 6 onder HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6690, JBPR 2012/62 ([B]/[C]).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Strijbos, a.w., p. 472; Freudenthal, t.a.p.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. (kritisch op dit punt) W. Grooten, NJB 2011, p. 2205.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijvoorbeeld Rb Rotterdam 19 februari 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:1846, rov. 4.33. Vgl. ook de MvT op art. 57ab (oud) Rv. Deze kwalificeert het incassotarief van deurwaarders van 15% van de vordering als ‘niet onredelijk’; die kwalificatie moet worden begrepen in het licht van de incasso van vorderingen die ver beneden de competentiegrens van de kantonrechter (destijds f. 3.000) liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik geef dit alleen als rekenvoorbeeld, niet als indicatie van wat een redelijk tarief is.</p></div>", "next": 0}