{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In casu gaat het om een verbintenis uit de wet (dus niet uit overeenkomst), namelijk op grond van onrechtmatige (overheids)daad. Alsdan treedt verzuim reeds in zonder ingebrekestelling. Uit artikel 6:83 BW volgt dat het verzuim intreedt zonder ingebrekestelling, voorzover hier van belang, wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding. In dat geval treedt het verzuim terstond in en begint de termijn waarover wettelijke rente vergoed moet worden meteen te lopen na het ontstaan van de schade. Derhalve niet pas nadat in gebreke is gesteld, in casu in de vorm van een verzoek tot vergoeding van de wettelijke vertragingsrente.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 De artikelen 6:83 BW en 6:119 BW luiden (voor zover van belang) als volgt: “Artikel 6:83 Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in: a. (…) b. wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen; c. (…).” “Artikel 6:119 1. De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een bedongen rente die hoger is dan die welke krachtens de vorige leden verschuldigd zou zijn, loopt in plaats daarvan door nadat de schuldenaar in verzuim is gekomen.”</div>\n<p class=\"lf-p\">8.4 Uit het voorgaande leid ik af dat – indien belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding – de Inspecteur in verzuim is vanaf het moment van het onrechtmatig handelen, c.q. het moment waarop de schade is ontstaan en dat de wettelijke rente vanaf dat moment begint te lopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5 Het vermeende onrechtmatig handelen als gevolg waarvan belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding heeft plaatsgevonden in augustus 2008 (zie punt 2.5 van deze conclusie). Vanaf dat moment begint dan ook de wettelijke rente te lopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6 Artikel 4:101 Awb waarop belanghebbende subsidiair een beroep doet is niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7 Voor het geval komt vast te staan dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding die ziet op een langere periode dan het onderhavige belastingtijdvak, dient voor ieder tijdvak te worden vastgesteld 1) of sprake is van schade, c.q. of de kansspelbelasting door belanghebbende is voldaan en 2) op welke datum de kansspelbelasting is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8 Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat in het geval van belanghebbende sprake is van een individuele en buitensporige last als gevolg waarvan zij recht heeft op een schadevergoeding, heeft zij tevens recht op vergoeding van wettelijke rente en slaagt haar incidentele beroep in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Recapitulatie 9.1 Met zijn eerste cassatiemiddel komt de Staatssecretaris op tegen het oordeel van het Hof dat in het geval van belanghebbende de introductie van het kansspelbelastingregime, leidt tot een individuele en buitensporige last. De Staatssecretaris meent dat het Hof enerzijds een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een individuele en buitensporige last en anderzijds dat het Hof zich bij dit oordeel heeft gebaseerd op onvolledige informatie. Het middel slaagt. Het oordeel berust hetzij op een onjuiste rechtsopvatting, hetzij is het onvoldoende gemotiveerd. Voorts meen ik met de Staatssecretaris dat het Hof zijn oordeel dat sprake is van een individuele en buitensporige last heeft gebaseerd op onjuiste, c.q. onvolledige cijfermatige gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2 Tegen de toekenning van een schadevergoeding komt de Staatssecretaris op met zijn tweede cassatiemiddel. De Staatssecretaris is van mening dat niet aan alle voorwaarden van artikel 8:73 Awb is voldaan, meer specifiek dat het beroep van belanghebbende niet gegrond is verklaard. Dit middel faalt. Het Hof heeft het beroep van belanghebbende wel degelijk gegrond verklaard. Daaraan doet niet af dat het Hof de heffing van kansspelbelasting in stand laat. Artikel 8:73 Awb is (van overeenkomstige) toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3 Met zijn derde cassatiemiddel bestrijdt de Staatssecretaris de wijze waarop het Hof de schadevergoeding heeft vastgesteld en de hoogte daarvan. Dit middel slaagt. Onjuist is dat het Hof een schadevergoeding toekent over een langere periode dan het onderhavige tijdvak en voor schade die niet is geleden door belanghebbende maar door haar dochtermaatschappijen. Ook kan ik niet volgen waarom het Hof bij het toekennen van de schadevergoeding rekening houdt met de daling van het resultaat van belanghebbende en zich niet beperkt tot de belasting die belanghebbende méér is verschuldigd door de regimewijziging per 1 juli 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4 Tot slot slaagt ook het incidentele cassatiemiddel van belanghebbende. Indien komt vast te staan dat zij recht heeft op een schadevergoeding, heeft zij eveneens recht op vergoeding van de wettelijke rente vanaf het moment van het onrechtmatige handelen van de Inspecteur.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Conclusie De conclusie strekt ertoe dat zowel het beroep in cassatie van de Staatssecretaris als het incidentele beroep van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe beoordeling van de vraag of in het geval van belanghebbende als gevolg van de regimewijziging sprake is van een individuele en buitensporige last. Indien komt vast te staan dat van een dergelijke last sprake is, dient de schadevergoeding door het verwijzingshof opnieuw te worden vastgesteld en dient aan belanghebbende bovendien de wettelijke rente te worden vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal In de samenhangende zaak die bij de Hoge Raad is geregistreerd onder zaaknr. 15/04187 neem ik heden eveneens conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 juni 2014, nr. 12/04122, na conclusie A-G Van Hilten, ECLI:NL:HR:2014:1523, BNB 2014/219 m.nt. Meussen en V-N 2014/35.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 20 maart 1952, Trb. 1990, 157, zoals laatstelijk gewijzigd op 11 mei 1994, Trb. 1994, 165 (inwerkingtreding 1 november 1998).</p>\n<p class=\"lf-p\">De feiten zijn ontleend aan de nader te noemen uitspraak van het Hof. Ik heb ervoor gekozen de feitenvaststelling van het Hof in de punten 3.8 tot en met 3.31 hier niet te vermelden, omdat het niet om specifiek voor belanghebbende maar voor de gehele kansspelautomatenbranche geldende feiten gaat en die vaststelling bovendien ruim 25 pagina’s beslaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Rotterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beroepschrift in cassatie, gedateerd 8 september 2015, is op diezelfde dag binnengekomen bij de Hoge Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij wijst in dit kader op EHRM 19 juni 2006, Hutten-Czapska v. Poland, nr. 35014/97, ECLI:CE:ECHR:2006:0619JUD003501497, EHRC 2006/105 m.nt. Adriaansens, EHRM 12 juni 2012, Lindheim e.a. v. Norway, nrs. 13221/08 en 2139/10, ECLI:CE:ECHR:2012:0612JUD001322108, EHRC 2012/173 m.nt. Spath en NJ 2014/1 m.nt. Van Wijmen, EHRM 2 juli 2013, Nicolaas Nobel e.a. v. The Netherlands, nrs. 27126/11, 28084/12, 81046/12 en 81049/12, ECLI:CE:ECHR:2013:0702DEC002712611, NJ 2014/425 m.nt. Huydecoper en op HR 4 april 2014, nr. 12/04165, na conclusie A-G Wissink, ECLI:NL:HR:2014:826, NJ 2014/426 m.nt. Huydecoper.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Staatssecretaris verwijst naar EHRM 14 mei 2013, N.K.M. v. Hungary, nr. 66529/11, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911, FED 2013/79 m.nt. Pauwels, AB 2014/14 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik, H&amp;I 2013/7.3 m.nt. Thomas, NJB 2013/2015, O&amp;A 2013/85 en EHRC 2013/170 m.nt. Leijten, punten 60-62 en naar onderdeel 5.1.5. van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van A-G Van Hilten (ECLI:NL:PHR:2014:52) bij HR BNB 2014/219.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Staatssecretaris verwijst naar hof Den Bosch 15 maart 2013, nr. 11/00049, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ5430, punt 4.30, hof Amsterdam 30 juni 2015, nrs. 12/00313 en 12/00314, ECLI:NL:GSAMS:2015:3057, punt 4.21.1 en hof Den Haag 29 juli 2015, nr. BK-14/00769, ECLI:NL:GHDHA:2015:2118, punt 8.6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedateerd 21 december 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 3.9 en verder van de uitspraak van het Hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel a, luidde destijds (met mijn cursivering): “1. Onder kansspelen worden verstaan gelegenheden, gegeven tot mededinging naar: a. prijzen en premies, indien de aanwijzing der winnaar geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, met uitzondering van (…) toestellen, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen (speelautomaten).”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij Wet van 20 december 2007, houdende wijzigingen van enkele belastingwetten (Belastingplan 2008), Stb. 2007, 562.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk artikel 1, lid 1, onderdeel a en lid 2, artikel 3 en artikel 5, lid 1, van de Wet KSB (wettekst geldend op 1 juli 2008).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 4.3.4 t/m 4.3.7 van HR BNB 2014/219, geciteerd in punt 3.2 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 5.3.5 van HR BNB 2014/219, geciteerd in punt 3.3 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 8.7 van de uitspraak van het Hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 25 juni 2013, Gáll v. Hungary, nr. 49570/11, ECLI:CE:ECHR:2013:0625JUD004957011, FED 2013/81 m.nt. Pauwels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens vaste rechtspraak is bij belastingheffing sprake van de minder vergaande vorm van inmenging in het eigendomsrecht: het reguleren van eigendom.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.K.G. Tjepkema, Nadeelcompensatie op basis van het égalitébeginsel: een onderzoek naar nationaal, Frans en Europees recht (diss.), Kluwer, Deventer, 2010, blz. 638 en verder.</p>\n<p class=\"lf-p\">CE: Anders dan bij onteigeningen, is een schadevergoeding bij eigendomsregulering geen noodzakelijke voorwaarde voor fair balance.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 28 juli 2005, Rosenzweig and Bonded Warehouse Ltd v. Poland, nr. 51728/99, ECLI:CE:ECHR:2005:0728JUD005172899.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vindplaats: zie voetnoot 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">CE: bedoeld wordt fair balance.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 19 december 1989, Mellachor e.a. v. Austria, nrs. 10522/83, 11011/84 en 11070/84, ECLI:CE:ECHR:1989:1219JUD001052283.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vindplaats: zie voetnoot 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 augustus 2011, nr. 10/02949, ECLI:NL:HR:2011:BR4868, punt 3.3.3, BNB 2011/248 m.nt. Van Eijsden, FED 2011/86 m.nt. Oenema, NTFR 2011/1879 m.nt. Niessen-Cobben en V-N 2011/39.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">In N.K.M. ging het om de heffing van – kort gezegd – een speciaal (hoog) tarief over ontslagvergoedingen van topambtenaren. Door dit speciale tarief was het effectieve tarief drie keer zo hoog als het reguliere tarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 januari 2016, nr. 15/00340, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2016:121, BNB 2016/163 m.nt. Happé, NTFR 2016/547 m.nt. Van Mulbregt en V-N 2016/7.17. Zie in gelijke zin HR 29 januari 2016, nr. 15/03090, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2016:124, BNB 2016/164 m.nt. Happé, NTFR 2016/548 m.nt. Mulbregt en V-N 2016/7.18, punt 2.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Gerards, EVRM - Algemene beginselen, Sdu Uitgevers, Den Haag, 2011, blz. 160.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk de laatste volzin van de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad, geciteerd in punt 3.4 en punt 6.1 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 september 2010, nr. 08/04653, na conclusie A-G Van Hilten, ECLI:NL:HR:2010:BK3103, BNB 2011/65, m.nt. Van Brummelen, FED 2011/33, m.nt. Pauwels, FED 2012/70, m.nt. Pauwels, NTFR 2010/2189, m.nt. Rolleman.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld punten 71 en 76 van N.K.M. Hierin oordeelt het EHRM dat de Hongaarse heffing over ontslagvergoedingen van topambtenaren een individuele en buitensporige last oplevert in het geval van de belanghebbende in die zaak. Zie ook Gáll, punten 70, 71 en 75, voor de verwijzing zie voetnoot 19 en EHRM 2 juli 2013, R.Sz. v. Hungary, nr. 41838/11, ECLI:CE:ECHR:2013:0702JUD004183811, FED 2013/80 m.nt. Pauwels, punten 60 en 62, waarin dezelfde belastingwetgeving aan de orde is als in N.K.M.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Mellacher e.a., punt 55 en 56, geciteerd in punt 6.11 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 49 en punt 55 tot en met 57 van N.K.M. Zie ook J. Gerards, EVRM – Algemene beginselen, Sdu Uitgevers, Den Haag, 2011, blz. 201 en verder.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 13 januari 2015, Vékony v. Hungary, nr. 65681/13, ECLI:CE:ECHR:2015:0113JUD006568113.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie C. Backes, noot bij Megadat.com SRL in EHRC 2008/75, zie voetnoot 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 8 april 2008, Megadat.com SRL v. Moldova, nr. 21151/04, ECLI:CE:ECHR:2008:0408JUD002115104, AB 2008/224 m.nt. Barkhuysen en Emmerik, EHRC 2008/75 m.nt. Backes.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 22 juni 2004, Broniowski v. Poland, nr. 31443/96, ECLI:CE:ECHR:2004:0622JUD003144396, EHRC 2004/77 m.nt. Van der Velde.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.R.T. Pauwels, Belastingen en mensenrechtenverdragen: kroniek 2011-2013, MBB 2014/04, blz. 178.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 november 2001, nr. C00/142HR, na conclusie A-G Mok, ECLI:NL:HR:2001:AD5493, NJ 2002, 469 m.nt. Alkema en Koopmans.</p>\n<p class=\"lf-p\">De HR voegt daaraan toe: “In het bijzonder - maar niet uitsluitend - kan dit het geval zijn, wanneer een varkenshouder wordt getroffen in mestproductie-/varkensrechten die hij tegen betaling heeft verworven, waarbij met name van belang is in hoeverre de Staat verwachtingen heeft gecreëerd, die, bijvoorbeeld, tot uitdrukking zijn gekomen in de prijs waartegen de betrokken rechten zijn verworven.”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem 17 november 2009, nr. 104.000.608, ECLI:NL:GHARN:2009: BK3304.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer de noot van Alkema en Koopmans bij het Varkenshoudersarrest, NJ 2002,469 en T.A. van Kampen, De ontdekking van art. 1 EP EVRM: een toereikende basis voor rechtsbescherming bij aantasting van verkregen rechten?, NTB 2002, blz. 63.</p>\n<p class=\"lf-p\">CE: bedoeld wordt Mellacher.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.L. Kawka, De crisisheffing: dat kan niet waar zijn, Fiscaal praktijkblad 2014/0605.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 19 juli 2012, nr. 10/00475, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX1893, NTFR 2012/2368 en V-N 2012/44.24.9. Ook de Hoge Raad bezigt deze term in punt 5.3.3 van HR BNB 2014/219.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedateerd 3 oktober 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit punt 8.5 zou kunnen worden afgeleid dat het Hof rekening heeft gehouden met een voorziening op uitstaande vorderingen uit hoofde van aan horecaexploitanten verstrekte leningen, maar het is mij niet duidelijk hoe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook punt 4.3 van de uitspraak van het Hof waar de Inspecteur een vergelijkbaar standpunt inneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In haar brief van 7 december 2011 (bijlage 4 bij de conclusie na verwijzing van belanghebbende) vermeldt belanghebbende dat zij op verzoek van (destijds) hof Amsterdam in een nader stuk gedeconsolideerde cijfers zal overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">CE: dit is ongeveer € 7.500.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nederlandse vertaling: “Artikel 41. Billijke genoegdoening. Indien het Hof vaststelt dat er een schending van het Verdrag of van de Protocollen daarbij heeft plaatsgevonden en indien het nationale recht van de betrokken Hoge Verdragsluitende Partij slechts gedeeltelijk rechtsherstel toelaat, kent het Hof, indien nodig, een billijke genoegdoening toe aan de benadeelde.”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld EHRM 19 juli 2016, Jovanovic v. Serbia, nr. 21497/13 en 21907/13, ECLI:CE:ECHR:2016:0719JUD002149713 en EHRM 24 oktober 2013, Damjanac v. Croatia, nr. 52943/10, ECLI:CE:ECHR:2013:1024JUD005294310.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behalve voor de bestuursrechter, kan ook een procedure voor de civiele rechter worden gestart. De civiele rechter kan een schadevergoeding toekennen als sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad. Anders dan de Staatssecretaris, meen ik dat belanghebbende voor het vorderen van een schadevergoeding in verband met de introductie van de kansspelbelasting voor kansspelautomaten, geen beroep hoeft in te stellen bij de civiele rechter. Belanghebbende mag kiezen of hij een schadevergoedingsprocedure voert voor de civiele of de bestuursrechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij Wet van 31 januari 2013 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten), Stb. 2013, 50. Het besluit tot inwerkingtreding is opgenomen in Stb 2013, 162.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010/11, 32 621, nr. 2, artikel V (blz. 8).</p>\n<p class=\"lf-p\">CE: Op grond van artikel 27j, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen, is dit artikel van overeenkomstige toepassing op belastingprocedures in hoger beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1992/93, 22 495, nr. 6, blz. 55-56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betreft de wettekst zoals deze gold in het jaar 2015 ten tijde dat het Hof uitspraak deed in de onderhavige zaak. Voor de wijziging per 1 januari 2013 werd in het artikel gesproken over ‘rechtbank’ in plaats van ‘bestuursrechter’. De leden 3 en 4 waren iets anders geformuleerd: “3. De rechtbank kan bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, kan zij: a. het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van deze uitspraak; b. bepalen dat de voorbereiding van het nieuwe besluit niet of niet geheel overeenkomstig de eisen bedoeld in afdeling 3.4, hoeft te geschieden; c. bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.”</div>\n<p class=\"lf-p\">HR 31 mei 1991, nr. 14415, na conclusie A-G Koopmans, ECLI:NL:HR:1991,ZC0261, AB 1992/290 en NJ 1993/112.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 maart 2007, nr. 40633, na conclusie A-G Van Ballegooien, ECLI:NL:HR:2007:BA1792, BNB 2007/242 m.nt. Happé, FED 2007 m.nt. Boxem, NTFR 2007/622 m.nt. Van de Merwe en V-N 2007/22.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook punt 3.5 van HR 20 februari 2009, nr. 07/12314, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2009:BD5468, BNB 2009/262 m.nt. Burgers, FED 2009/65 m.nt. Smit, NTFR 2009/468 m.nt. Douma en V-N 2009/11.9 en R.H. Happé, ‘Algemeen fiscaal bestuursrecht’, Kluwer, Deventer, 2013, blz. 401. Voorts laat ook het EHRM in N.K.M. de (excessieve) heffing over de ontslagvergoeding in stand en komt belanghebbende tegemoet door het toekennen van een schadevergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 5 maart 1996, Brasserie du Pêcheur en Factortame, C-46/93 en C-48/93, na conclusie A-G Tesauro, ECLI:EU:C:1996:79.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat onder ‘particulieren’ niet alleen natuurlijke personen, maar ook rechtspersonen dienen te worden verstaan, volgt uit de rechtspraak van het HvJ. Hieruit blijkt dat niet alleen natuurlijke personen een beroep kunnen doen op het recht op schadevergoeding, maar ook rechtspersonen. In Brasserie du Pêcheur ging het bijvoorbeeld om een SA (Société Anonyme), een rechtsvorm vergelijkbaar met onze NV en in Factortame om een Ltd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 55 van Brasserie du Pêcheur en Factortame.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 7 september 2006, N, C-470/04, na conclusie A-G Kokott, ECLI:EU:C:2006:525, BNB 2007/22 m.nt. Burgers, NTFR 2006/1288 m.nt. Albert en V-N 2006/46.4 Zie onder meer punt 60 en 61 van N.K.M., geciteerd in punt 6.17 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook onderdeel 8 van de bijlage bij de conclusie van A-G van Hilten bij HR BNB 2014/219.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140 m.nt. Albert, NTFR 2016/752 m.nt. E.C.G. Okhuizen, V-N 2016/13.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juni 2011, nr. 09/02639, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232 m.nt. Van Amersfoort, FED 2011/65 m.nt. Thomas, NTFR 2011/1366 m.nt. Van der Vegt en V-N 2011/31.7. Uit een arrest van de Hoge Raad van dezelfde datum (HR 10 juni 2011, nr. 09/05112, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2011:BO5080, BNB 2011/233 m.nt. Van Amersfoort, FED 2011/63 m.nt. Thomas, NTFR 2011/1367 m.nt. Van der Vegt en V-N 2011/31.5.) volgt nog duidelijker dat ook bij een ongegrondverklaring van het beroep een schadevergoeding kan worden toegekend. In die zaak had hof Arnhem expliciet geoordeeld dat geen recht bestond op een schadevergoeding omdat het beroep van de belanghebbende in die zaak ongegrond was. Niettegenstaande dit feit, oordeelde de Hoge Raad dat “[m]et overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb (…) de inspecteur tot vergoeding van die schade [kan] worden veroordeeld.”. Zie voor een derde arrest van dezelfde datum met eveneens als onderwerp van geschil de immateriële schadevergoeding HR 10 juni 2011, nr. 09/05113, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2011:BO5087, BNB 2011/234, m.nt. Van Amersfoort, FED 2011/64 m.nt. Thomas, NTFR 2011/1368 m.nt. Van der Vegt en V-N 2011/31.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vindplaats: zie voetnoot 64.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem 31 augustus 2007, nr. 00-00191, ECLI:NL:GHARN:2007:BB3047, NTFR 2007/1679 m.nt. Albert en V-N 2008/11.1.4, punt 4.16 tot en met 4.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vindplaats: zie voetnoot 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Hutten-Czapska (punt 239) en EHRM 17 juli 2008, Ghigo vs. Malta, nr. 31122/05, ECLI:CE:ECHR:2008:0717JUD003112205 (punt 29).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 april 2014, nr. 12/03373, na conclusie A-G IJzerman, ECLI:NL:HR:2014:836, BNB 2014/180 m.nt. Van Amersfoort, NTFR 2015/217 en V-N 2014/18.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G IJzerman 4 oktober 2013, nr. 12/03373, ECLI:NL:PHR:2013:1115, V-N 2013/60.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel luidt: “Voor zover het bestuursorgaan uitstel van betaling heeft verleend of de rechter de verplichting tot betaling heeft geschorst, is de schuldenaar over de termijn van uitstel of schorsing wettelijke rente verschuldigd, tenzij bij het uitstel of de schorsing anders is bepaald.”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit blz. 2 van het proces-verbaal van de zitting van 16 maart jongstleden volgt dat nog niet alle kansspelbelasting is ingevorderd.</p></div>", "next": 0}