{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de vordering voor het bedrag van € 26.750,-- leent de regeling over product-aansprakelijkheid zich ook om een andere reden niet voor toepassing. In zoverre gaat het om een regresvordering van Achmea als gesubrogeerde cascoverzekeraar. Op grond van de zogenoemde Tijdelijke Regeling Verhaalsrechten subrogeert een verzekeraar niet in de rechten van de benadeelde ex art. 6:185 e.v. BW en kan hij deze rechten evenmin krachtens overeenkomst verkrijgen (art. 6:197 BW). Dit ligt anders bij de rechten van de benadeelde ex art. 6:162 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een tussenhandelaar kan een andere maatstaf voor aansprakelijkheid gelden. Zie HR 22 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7239, NJ 2000/644 (Haagman/Vaessen). Vergelijk tevens HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7005, NJ 2003/50 ( [.../...] ).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2994, NJ 2000/159 m.nt. A.R. Bloembergen (Koolhaas/Rockwool), HR 6 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2221, NJ 1997/219 (Du Pont de Nemours/ Hermans ) en HR 30 juni 1989, NJ 1990/652 m.nt. C.J.H. Brunner (Halcion).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/A.S. Hartkamp &amp; C.H. Sieburgh, De verbintenis uit de wet, deel 6-IV, Deventer: Kluwer 2015, nr. 259, A.L.M. Keirse, ‘Richtlijn 1985/374/EG inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken’, in A.S. Hartkamp e.a. (red.), De invloed van het Europese recht op het Nederlandse privaatrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 60-63. In het verleden werden nog bijkomende omstandigheden verlangd. Zie HR 25 maart 1966, ECLI:NL:HR:1966:AC4642, NJ 1966/279 m.nt. G.J. Scholten (Moffenkit) en G.H.A. Schut, Produktenaansprakelijkheid, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1974 p. 230-236.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijvoorbeeld A.L.M. Keirse in J. Spier e.a., Verbintenissen uit de Wet en Schadevergoeding, Deventer: Wolters/Kluwer 2015, nr. 151 en L. Dommering-van Rongen, Productaansprakelijkheid, Deventer: Kluwer 2000, nr. 1.2 en 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groene Serie Onrechtmatige daad, deel 3, afd. 6.3.3 inl. (C.J.J.M. Stolker), aant. 4.1, A.L.M. Keirse, ‘Richtlijn 1985/374/EG inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken’, in A.S. Hartkamp e.a. (red.), De invloed van het Europese recht op het Nederlandse privaatrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 61, J.M. Barendrecht en J.H. Duyvensz, ‘Productenaansprakelijkheid tegenover niet-consumenten (I)’, WPNR 2000/6390, p. 118 en L. Dommering-van Rongen, Productaansprakelijkheid, Deventer: Kluwer 2000, nr. 5.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2221, NJ 1997/219 (Du Pont de Nemours/ Hermans ) en hierover Asser/A.S. Hartkamp &amp; C.H. Sieburgh, De verbintenis uit de wet, deel 6-IV, Deventer: Kluwer 2015, nr. 258, A.L.M. Keirse, ‘Richtlijn 1985/374/EG inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken’, in A.S. Hartkamp e.a. (red.), De invloed van het Europese recht op het Nederlandse privaatrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 61 en J.M. Barendrecht en J.H. Duyvensz, ‘Productenaansprakelijkheid tegenover niet-consumenten (I)’, WPNR 2000/6390, p. 118.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 juni 1989, NJ 1990/652 m.nt. C.J.H. Brunner (Halcion). Het gaat hier in wezen om een toepassing van kelderluikfactoren (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136 m.nt. G.J. Scholten). Zie Groene Serie Onrechtmatige daad, deel 3, art. 6:186 BW (C.J.J.M. Stolker), aant. 2.5-2.6. Vergelijk tevens HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8782, NJ 2009/103 m.nt. I. Giesen (Eternit/[...]).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 februari 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB6726, NJ 1973/315 m.nt. L.J. Hijmans van den Bergh (Lekkende kruik I), J.M. Barendrecht en J.H. Duyvensz, ‘Productenaansprakelijkheid tegenover niet-consumenten (I)’, WPNR 2000/6390, p. 121 en L. Dommering-van Rongen, Productaansprakelijkheid, Deventer: Kluwer 2000, nr. 13.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5803, NJ 2011/69 ( [.../...] ).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 9 februari 2006, ECLI:EU:C:2006:93, NJ 2006/401 m.nt. M.R. Mok (O’Byrne/Sanofi).</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin reeds L. Dommering-van Rongen, Productaansprakelijkheid, Deventer: Kluwer 2000, p. 13-15 en E.H. Hondius ‘Produktenaansprakelijkheid in het ziekenhuis’, TvG 1990, p. 423. Hierover beschrijvend Groene Serie Onrechtmatige daad, deel 3, afd. 6.3.3 inl. (C.J.J.M. Stolker), aant. 2.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld zal zijn: ‘zijn’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld zal zijn: ‘9 februari 2006’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie cassatiedagvaarding onder 21, schriftelijke toelichting Daf punten 15-17 en schriftelijke toelichting Achmea punten 2.24-2.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daf heeft er wel – en terecht – op gewezen dat het arrest O’Byrne/Sanofi in deze op art. 6:162 BW gebaseerde zaak niet rechtstreeks toepasselijk is en dat de rechter er dus strikt genomen niet aan is gebonden. Zie cassatiedagvaarding 20 (laatste zin), schriftelijke toelichting 13-14 en repliek 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld wordt kennelijk: ‘9 februari 2006’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een uitvoerige beschrijving van deze zaak A.Ch.M. Franken, ‘Productaansprakelijkheid in concernverband (HvJ EG 9 februari 2006 en 2 december 2009; O’Byrne/Aventis Pasteur)’, AV&amp;S 2010, p. 47-48.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 9 februari 2006, ECLI:EU:C:2006:93, NJ 2006/401 m.nt. M.R. Mok en JA 2006/54 m.nt. C.J.M. van Doorn en S.B. Pape (O’Byrne/Sanofi).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 2 december 2009 nr. C-358/08, ECLI:EU:C:2009:744, NJ 2010/210 m.nt. M.R. Mok, JA 2010/6, JGR 2010/34 m.nt. G. Klink (O’Byrne/Avantis Pasteur). Dienaangaande voorts A.Ch.M. Franken, ‘Productaansprakelijkheid in concernverband (HvJ EG 9 februari 2006 en 2 december 2009; O’Byrne/Aventis Pasteur)’, AV&amp;S 2010, p. 49-51. Vergelijk tevens HvJ EG 10 mei 2001, nr. C-203/99, ECLI:NL:XX:2001:AJ6699, VR 2001/111 (Veedfald/Arhus Amtskommune).</p>\n<p class=\"lf-p\">A.L.M. Keirse en R.H.C. Jongeneel, Eigen schuld en mede-aansprakelijkheid, Deventer: Kluwer 2013, nr. 18 en Groene Serie Schadevergoeding, art. 6:101 BW (R.J.B. Boonekamp), aant. 1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer C.J.M. Klaassen, ‘Risico-aansprakelijkheid als eigen schuld: heroverweging van heersende leer?’, in A.J.O. van Wassenaer van Catwijck e.a., Eigen schuld bij onrechtmatige daad, LSA, Lelystad: Vermande 1997, p. 61 e.v. en T. Hartlief in J. Spier e.a., Verbintenissen uit de Wet en Schadevergoeding, Deventer: Wolters/Kluwer 2015, nr. 232. Voor toerekening van gedragingen van een ander als eigen schuld van de benadeelde kan ook grond bestaan indien die ander niet een hulppersoon is in de zin van art. 6:76 BW, terwijl, als hij dat wel is, de mogelijkheid bestaat dat toerekening als eigen schuld onder bijzondere omstandigheden van het geval achterwege behoort te blijven (op grond van de in art. 6:101 BW neergelegde billijkheidscorrectie bijvoorbeeld).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5661, NJ 2006/444 m.nt. J.B.M. Vranken ( [.../...] ) waarover R.D. Lubach, ‘De reflexwerking van aansprakelijkheid voor personen bij eigen schuld. HR 2 december 2005, C04/263HR, RvdW 2005, 135 ( [.../...] )’, MvV 2006, p. 90-93, annotatie A.L.M. Keirse onder HR 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5661, JA 2006/35 ( [.../...] ) en T. Hartlief, ‘Onkruidverdelging in de lelieteelt. Reflexwerking van risico-aansprakelijkheid’, Ars Aequi 2006, p. 899-906. Kritisch over het arrest zijn A. Kolder, ‘Kwalitatieve aansprakelijkheid: afscheid van reflexwerking?’, AV&amp;S 2016 p. 146-147 en annotatie J.H.J. Teunissen en R.L.S.M. Pessers onder HR 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5661, AV&amp;S 2006/19 ( [.../...] ).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze risicosfeer wordt aldus mede bepaald door de vraag voor wiens gedragingen men jegens derden aansprakelijk zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 11 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1733, NJ 2010/333 ( [.../...] ), HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6996, NJ 2011/307 (Zürich/ [...] ), HR 17 november 2006, ECLI:NL:HR: 2006:AY9749, RvdW 2006/1076 ( [...] /NBM), HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4042, NJ 2007/141 m.nt. C.J.H. Brunner (Skeelerongeval), HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2026, NJ 2006/20 (Stad Rotterdam/ [...] ), HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9414, NJ 2004/460 (Regiopolitie/Hovax) m.nt. J.B.M. Vranken onder NJ 2004/461, HR 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4046, NJ 2001/632 ( [...] /NBM), A.L.M. Keirse en R.H.C. Jongeneel, Eigen schuld en mede-aansprakelijkheid, Deventer: Kluwer 2013, nr. 63 en Groene Serie Schadevergoeding, art. 6:101 BW (R.J.B. Boonekamp), aant. 3.7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1987-1988, 19 636, nr. 6, p. 21 (MvA bij de Aanpassing van het Burgerlijk Wetboek aan de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1985-1986, 19 636, nr. 3, p. 9 (MvT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. A.L.M. Keirse in J. Spier e.a., Verbintenissen uit de Wet en Schadevergoeding, Deventer: Wolters/Kluwer 2015, nr. 141.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daf heeft in dat kader verwezen naar punten 21-22 van haar conclusie van antwoord, punten 32 e.v. van haar conclusie van dupliek en punten 25-27, 30 en 32 e.v. van haar memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt verwezen naar het gestelde in punten 21-22 van de conclusie van antwoord en punten 26-27 van de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daf heeft in het kader van de zevende grief (die zich richt tegen de verwerping van het beroep op eigen schuld) onder meer aangevoerd dat Loven Trucks B.V. een zusterbedrijf is van Bemo Bedrijfswagens B.V. (mvg punt 33). Het hof heeft onbestreden als feit vastgesteld dat Bemo Bedrijfswagens B.V. en Loven Trucks B.V. dochterondernemingen zijn van Loven Beheer B.V. (hiervoor 1.3). Deze vaststelling rechtvaardigt de gevolgtrekking dat Bemo Bedrijfswagens B.V. en Loven Trucks B.V. zusterondernemingen zijn. Het hof is hier bij de beoordeling van het beroep op eigen schuld ook vanuit gegaan (rov. 4.8.3). Deze overwegingen van het hof zijn in zoverre onbestreden. In cassatie dient bij de beoordeling van de klachten over eigen schuld dus tot uitgangspunt te worden genomen dat Loven Trucks B.V. een zusterbedrijf is van Bemo Bedrijfswagens B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daf verwijst in dit verband naar conclusie van antwoord punt 41, conclusie van dupliek punten 30-31 en memorie van grieven punt 33. Overigens spreekt het beeld dat de aansprakelijkheid van Daf louter op een risicotoedeling zou berusten, mij niet aan. Het gaat hier immers om aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad en zowel rechtbank (rov. 4.25-4.27) als hof (rov. 4.6) zijn tot het oordeel gekomen dat haar onrechtmatig handelen aan Daf kan worden toegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daf verwijst in dat verband naar punt 31 van de conclusie van dupliek en punt 33 van de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dat punt is de rechtspraak van Uw Raad overigens tamelijk streng. Zie HR 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0657, NJ 2002/495 m.nt. K.F. Haak (Geldnet/Kwantum) en HR 10 oktober 2003, ECLI:Nl:HR:2003:AI0828, NJ 2005/89 m.nt. M.M. Mendel (‘t Witte Paerdje). In dit geval is aan de in deze rechtspraak gestelde voorwaarden voor art. 6:76 BW niet voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD7395, NJ 2002/75 (Delfland/Stoeterij) en HR 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9596, NJ 2010/389 ( [...] /Sijm Agro).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6343, NJ 2000/535, HR 3 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3820, NJ 2000/119 (Algemeen Christelijk Ziekenhuis Groningen/Lugtendorp) en Asser Procesrecht/E. Korthals Altes en H.A. Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Kluwer 2015, nr. 48.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting Achmea paragraaf 2.41, tweede tekstblok.</p></div>", "next": 0}