{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">HR 22 september 1987, NJ 1988, 379. Vgl. P.A.M. Mevis, ‘Samenloop’, in: H. den Doelder (red.), Caribisch Wetboek van Strafrecht, Nijmegen: Wolf Productions 2008, p. 77-123, p. 86: hij meent dat in dit geval sprake is van eendaadse samenloop. Zie voor een ander voorbeeld waarin twee onderdelen van dezelfde bepaling volgens de Hoge Raad strekken ter bescherming van verschillende belangen: HR 19 november 1985, NJ 1986/443.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 april 1984, NJ 1984/639.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:AD0697, NJ 1997/665 m.nt. ‘t Hart.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM2520, NJ 2004/152.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0183, NJ 2011/243.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 juli 1981, NJ 1981, 616 m.nt. Van Veen; HR 3 januari 1984, NJ 1984, 420 m.nt. ’t Hart en HR 11 december 1979, NJ 1980, 366 m.nt. Mulder.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 oktober 1988, NJ 1989/455, HR 20 december 1988, NJ 1989/500 en HR 19 december 2000, NJ 2001/140. Vgl. De Hullu 2015, p. 526.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. De Hullu 2015, p. 535.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook het preadvies van D. Hazewinkel-Suringa , “Behoeft de regeling van den samenloop, bezien in het licht van de huidige rechtspraak van den Hoogen Raad wijziging?”, HNJV 1941 I, derde stuk, p. 102-103.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noot van ’t Hart onder HR 29 april 1997, NJ 1997, 667.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hullu 2015, p. 527. Ook Mevis wijst erop dat het vrij eenvoudig is om op een abstract niveau een verschil in strekking van de overtreden delictsomschrijvingen aan te nemen. In concrete zaken is daardoor weinig discussie mogelijk over de vraag of sprake is van eendaadse of meerdaadse samenloop: met een verwijzing naar het verschil in strekking tussen de overtreden delictsomschrijvingen wordt een beroep op eendaadse samenloop al snel verworpen. Mevis 2008, p. 85.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hullu 2015, p. 557.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de noot van Taverne bij HR 27 juni 1932, NJ 1932, p. 1659.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 november 1961, NJ 1962/89 m.nt. Röling.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 december 1963, NJ 1964/385 m.nt. Pompe.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, NJ 2011/394 m.n.t Buruma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld expliciet: HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1165, NJ 2014/291.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de noot van Borgers onder HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5012, NJ 2013/176.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1452, onderdelen 4.6 en 4.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:501.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2001/02, 27 159, nr. 5, p. 8-10.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.C.W. de Graaf, ‘De rechtsfiguren eendaadse samenloop en voortgezette handeling nader beschouwd’, DD 2016/65.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem 23 maart 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BV9964 en hof ‘s-Hertogenbosch 11 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1804.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Noord-Holland 23 april 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:3475.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. De Hullu 2015, p. 547 en 556 en M.J.A. Duker, ‘De samenloopregeling herijkt’, DD 2011, p. 626-653.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hullu stelt zich op het standpunt dat de extra grondslag een meeromvattend feitsbegrip in art. 68 Sr rechtvaardigt. Ook hij acht het verschil evenwel niet onder alle omstandigheden te rechtvaardigen. Vgl. De Hullu 2015, p. 556.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie, met nadere verwijzingen, W.F. van Hattum, Non bis in idem. De ontwikkeling van een beginsel, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2012, p. 474-475.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J. Machielse, ‘Samenloop, art. 68 Sr en beginselen van een behoorlijk strafproces’, DD 1983, p. 137-146.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duker 2011, p. 646-647.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouwerkerk 2012, p. 505-506.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Hazewinkel-Suringa 1941.</p>\n<p class=\"lf-p\">Machielse 1983, p. 139.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband ook De Graaf 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Mevis 2008, p. 108-109.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. ten Bokkel Huinink, De rechtspraak naar aanleiding van art. 56 Wetboek van Strafrecht, Utrecht: A.H. ten Bokkel Huinink 1894, p. 12. De publicatie is te raadplegen via https://archive.org/details/derechtspraakna00huingoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Smidt 1891, deel I, p. 479-480.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, Arnhem: Gouda Quint BV 1985, p. 159.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 september 2003, nr. 02522/02 (niet gepubliceerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 18 mei 1999, NJ 1999/540, waarin het ging om het gelijktijdig voorhanden hebben van twee voorwerpen (opzetheling). Het hof had het gelijktijdig voorhanden hebben van die voorwerpen aangemerkt als een voortgezette handeling, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof hiermee had miskend dat het ging om voorwerpen die de verdachte gelijktijdig had verkregen en niet om handelingen die met elkaar in verband staan op de wijze als bedoeld in art. 56 Sr. Zie echter ook HR 6 juni 1933, NJ 1933, p. 1441.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. van Bemmelen en W.F.C. van Hattum, Hand- en leerboek van het Nederlandse strafrecht. Deel 1: algemene leerstukken, Arnhem: S. Gouda Quint – D. Brouwer en zoon 1953, p. 525.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 841.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 1 bij art. 56 (actueel t/m 2 oktober 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. De Hullu 2015, p. 558.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 843.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Noyon/Langemeijer/Remmelink (bijgewerkt tot 2 oktober 2015), aant. 1 bij art. 56.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hullu 2015, p. 558.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 2 bij art. 56 (actueel t/m 2 oktober 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot herziening van het Wetboek van Strafrecht in 1900 (de “novelle Cort van der Linden”) stelde de minister dat van geval tot geval moest worden bepaald of sprake was van gelijksoortige feiten en dat “iedere beperking a priori leidt tot willekeur”. Zie Kamerstukken II 1900/01, 100, nr. 3, p. 25 en De Hullu 2015, p. 533.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 2 oktober 1990, NJ 1991/130 m.nt. Corstens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 25 maart 1929, NJ 1929, p. 1156.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 5 bij art. 56 (actueel t/m 2 oktober 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 maart 1929, NJ 1929, p. 1156.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 29 maart 1988, NJ 1989/163. Zie ten aanzien van ‘criminele gezindheid’ HR 18 oktober 1988, NJ 1989/228 m.nt. Van Veen, waarin het ging om meer handelingen met verschillende partijen drugs. Van Veen merkt in zijn annotatie treffend op dat het in art. 56 Sr gaat om een voortgezette handeling en niet om een ‘voortgezette handel’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 2 oktober 1990, NJ 1991/130 waarin in cassatie werd betoogd dat het hof ten onrechte geen voortgezette handeling had aangenomen, terwijl de twee bewezen verklaarde feiten (het verkopen van respectievelijk 495 gram drugs op 8 maart en 450 gram op 16 maart) de uitvoering vormden van een tevoren gemaakte afspraak om in totaal één kilo te leveren. Het hof oordeelde dat – mede gelet op de tijdsspanne tussen de feiten – niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een uiting van hetzelfde ongeoorloofde wilsbesluit. De Hoge Raad laat het arrest in stand. Vgl. ook HR 4 december 1990, NJ 1991/345.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 2.2 bij art. 56 (actueel t/m 2 oktober 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook De Hullu 2015, p. 533. Het verschil met de – feitelijke – beoordeling of de feiten het uitvloeisel vormen van één ongeoorloofd wilsbesluit komt goed tot uitdrukking in HR 17 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1273.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 18 oktober 1988, NJ 1989/228. Zie ook G. Knigge en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 325.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. De Hullu 2015, p. 534 met verwijzingen naar HR 11 december 1979, NJ 1980/366 m.nt. Mulder en HR 15 mei 1979, NJ 1980/90 m.nt. Melai.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 juni 1913, NJ 1913, p. 1096.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 maart 1939, NJ 1939/833 m.nt. Pompe.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1014, NJ 1998/609.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 februari 1980, NJ 1980/384.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 april 1997, NJ 1997/665.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:1165, NJ 2014/291.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 mei 1979, NJ 1980/90.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:501, rov. 4.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hullu 2015, p. 533.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te wijzen valt op HR 19 februari 1980, NJ 1980/384 en HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1165, NJ 2014/291.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Machielse voor HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:377, onderdeel 4.4.7.3. Zie voor voorbeelden daarvan: HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1014, NJ 1998/609 en HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1165, NJ 2014/291.</p>\n<p class=\"lf-p\">Knigge en Wolswijk 2015, p. 325.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 19 februari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6817, NJ 1980/384, waarin de Hoge Raad het heeft over geheel andere strekkingen van de in het geding zijnde strafbepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Graaf 2016, p. 733-735.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 12 augustus 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BI1486.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Noord-Holland 18 januari 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:232.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015/16, 34 294, nr. 3, p. 7. Kritisch: M.J. Borgers en T. Kooijmans, ‘Van probleem naar oplossing en weer terug: het conceptwetsvoorstel aanpassing witwaswetgeving’, DD 2015/8.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, NJ 2011/394, m.nt. Buruma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ten aanzien van mogelijke samenloop van de nieuwe strafbaarstelling van eenvoudig witwassen en het grondmisdrijf: HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook De Graaf 2016 en De Hullu 2015, p. 558.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 842 en A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 5 bij art. 56 (actueel t/m 2 oktober 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, NJ 2011/394, m.nt. Buruma, rov. 2.2.3 en rov. 2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen. Vgl. ook HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3551, NJ 2015/29, HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:501 en HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:268, NJ 2015/137.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken van 22 november 2016, nr. 15/01570 (niet gepubliceerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijlage 1 bij het schadeopgaveformulier van benadeelde [betrokkene 1] en het requisitoir van de officier van justitie in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2858, NJ 2016/70.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5624, NJ 2007/413 en HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2858, NJ 2016/70 m.nt. Keulen, rov. 3.3. Daarin verschilt de onderhavige zaak van de zaken die hebben geleid tot HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201 en HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 24 maart 1998, NJ 1998/537, HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:779 en HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:134. Zie ook de noot van Groenhuijsen onder HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8117, NJ 2007/295.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Langemeijer 2010, p. 152-153 voor een aantal omstandigheden die een rol kunnen spelen bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie zijn conclusie voorafgaand aan HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241 (ECLI:NL:PHR:2016:947).</p></div>", "next": 0}