{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In het onderhavige geval wordt door het Fonds aan het rechtsverkeer deelgenomen onder de naam ‘ [J] ’. Zo is het Fonds partij bij de MOA van 30 december 2011 met [F] BV en [K] BV (zie 2.9), bij de Loan Agreement van 30 december 2010 met [F] BV (zie 2.10), en bij de ‘Endfinanzierungs’-overeenkomst van 30 maart 2011 met de Bank (zie 2.14). Verder zijn facturen aan het Fonds gericht, waaronder een factuur van [CCC] BV van 19 april 2011 en een factuur van advocatenkantoor [DDD] van 18 augustus 2011 ter zake van verrichte werkzaamheden in de periode 25 maart 2010 tot en met 18 augustus 2011. Dat er bij enige overeenkomsten sprake is van gelieerdheid met de andere partij - zo maken de participanten [M] BV en [K] BV deel uit van [E] - doet niet eraan, af dat het Fonds aan het rechtsverkeer heeft deelgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het vorenstaande treedt het Fonds naar buiten onder een bepaalde als zodanig gevoerde naam. Het Fonds is derhalve aan te merken als ‘openbaar’, zodat de participanten in het Fonds rechtstreeks worden verbonden door verbintenissen die het Fonds is aangegaan. Dat bij enige overeenkomsten de verhaalsmogelijkheden op de participanten contractueel zijn beperkt, doet niet af aan de verbondenheid. De vraag of het Fonds een vennootschap onder firma betreft — blijkens artikel 16 Wetboek van Koophandel is een vennootschap onder firma een maatschap waarin onder gemeenschappelijke naam een bedrijf wordt uitgeoefend - behoeft geen beantwoording. De participanten in het Fonds, waaronder belanghebbende, kunnen derhalve als ondernemer worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.24 Vooropgesteld zij dat voor het aannemen van het onder gemeenschappelijke naam in het rechtsverkeer treden – dit is inderdaad van belang voor het bestaan van een openbare maatschap – doorslaggevend is of derde partijen waarmee gehandeld is, een reden hadden om aan te nemen dat daarvan sprake is.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.25 Uit het oordeel van het Hof blijkt dat hiervan in de onderhavige zaak sprake was. Het oordeel is voldoende gemotiveerd en overigens niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.26 De Staatssecretaris betwist daarnaast een aantal feitelijke vaststellingen van het Hof. Inzake die betwisting zij het volgende vermeld:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">i)</span>De Staatssecretaris stelt dat het de Beheerder op grond van artikel 17, lid 2 van de Fondsvoorwaarden verboden was de onderneming onder gemeenschappelijke naam te drijven, zodat het Hof niet heeft kunnen oordelen dat zulks wel het geval was. De voorwaarde waar de Staatssecretaris op wijst, luidt echter:</div>\n<p class=\"lf-p\">De beheerder noch de bewaarder is bevoegd een participant jegens een derde te verbinden, behoudens voor zover uit de fondsvoorwaarden respectievelijk de Participation- and Shareholders Agreement, alsmede de daarin vermelde overeenkomsten, anders blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieruit blijkt geen absoluut verbod, zodat dit onderdeel van het eerste middel van de Staatssecretaris feitelijke grondslag mist en derhalve faalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">ii)</span>De Staatssecretaris stelt dat het onbegrijpelijk is dat het oordeel van het Hof met zich brengt dat het handelen ‘voor rekening en risico van het fonds’ synoniem is aan ‘het namens participanten geschieden van rechtshandelingen in het rechtsverkeer’, omdat dit civielrechtelijk beschouwd verschillende zaken zijn. De Staatssecretaris maakt niet inzichtelijk uit welk gedeelte van de uitspraak van het Hof het voorgaande blijkt. Mij blijkt niet uit enig gedeelte van het oordeel van het Hof dat het Hof beoogd heeft synonieme begrippen vast te stellen, zoals de Staatssecretaris wel aan het Hof toeschrijft. Dit onderdeel van het eerste middel berust mijns inziens op een onjuiste lezing van het oordeel van het Hof en faalt reeds hierom. iii) Ook onbegrijpelijk acht de Staatssecretaris dat het Hof heeft geoordeeld dat de interne en geheime rechtshandelingen op 30 december 2010 tot gevolg hebben dat de participanten civielrechtelijk hoofdelijk extern verbonden worden voor ondernemingsverbintenissen. Ik neem aan dat wordt gedoeld op de volgende overweging van het Hof:</div>\n<p class=\"lf-p\">4.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof oordeelt ten overvloede dat de participanten – waaronder belanghebbende – ook worden verbonden nu zij rechtstreeks partij zijn bij een of meer overeenkomsten. In dat verband kan worden gewezen op de PSA van 30 december 2010 (zie 2.8), de overeenkomst Vaststelling economische eigendom van 30 december 2010 (zie 2.11) en de Escrow Agreement van 30 december 2010 (zie 2.12).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste zij vermeldt dat de overweging ten overvloede is, zodat, zelfs als deze overweging met succes wordt bestreden, dit niet tot cassatie leidt. Weliswaar zijn de PSA en de overeenkomst ’Vaststelling economische eigendom’ aan te merken als zuiver interne overeenkomsten, doch de Escrow agreement is een overeenkomst waarbij op zijn minst één derde partij betrokken is ( [F] B.V.), ten opzichte van wie het Fonds en de participanten worden gebonden, zodat gelet hierop het oordeel dat participanten extern worden verbonden, grond vindt in de vastgestelde feiten. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Ook dit middelonderdeel faalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">iv)</span>De Staatssecretaris acht ook onjuist het oordeel van het Hof dat het optreden van de participanten in persoon bij de verwerving en financiering van het schip met zich brengt dat zij degenen zijn die extern de onderneming zouden drijven. Onduidelijk is op welk gedeelte van het oordeel van het Hof de Staatssecretaris doelt. Mij is van een dergelijk oordeel door het Hof ook niet gebleken. Reeds hierom faalt dit middelonderdeel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">v)</span>Daarnaast vindt de Staatssecretaris het onbegrijpelijk dat het Hof aan een gevraagde financieringsverklaring ten behoeve van anonieme beleggers het gevolg verbindt dat participanten extern verbonden zouden zijn voor ondernemingsverbintenissen. Ook hier is mij niet duidelijk op welk gedeelte van het oordeel van het Hof de Staatssecretaris doelt. Mij is van een dergelijk oordeel door het Hof ook niet gebleken. Reeds hierom faalt dit middelonderdeel.</div>\n<p class=\"lf-p\">Eveneens onbegrijpelijk acht de Staatssecretaris dat het Hof de factuur van [CCC] B.V. kwalificeert als een ondernemingshandeling. [CCC] B.V. is een vennootschap van medeparticipant [GG] . Het is daarmee volgens de Staatssecretaris een interne factuur en niet een externe factuur (waarmee in het rechtsverkeer met derden wordt opgetreden). De civielrechtelijke werkelijkheid is in dezen echter dat een B.V. als rechtspersoon als een op zichzelf staande partij moet worden gezien. Voor het FGR is dit derhalve wel degelijk een derde partij, waarmee de factuur extern is. Ik acht het oordeel van het Hof in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk. Ook dit middelonderdeel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.27 Het tweede middelonderdeel faalt. iii. Er is geen regeling voor de draagplicht van participanten na aansprakelijkstelling door een van hen 8.28 Voor het standpunt van de Staatssecretaris dat de afwezigheid van een regeling voor de onderlinge draagplicht – in het geval van aansprakelijkheidsstelling van één van de vennoten – het bestaan van een maatschap verhindert, is geen steun te vinden in het positieve recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.29 Het derde middelonderdeel faalt. iv. De Fondsvoorwaarden zelve melden dat geen sprake is van een maatschap 8.30 In de uitspraak van het Hof ligt besloten dat het Hof van oordeel is dat de kwalificatie van het Fonds als maatschap mede een rechtsvraag behelst welke in onttrokken is aan hetgeen de participanten daaromtrent hebben vastgelegd. Een samenwerkingsverband dat aan de materiële vereisten voor een maatschap voldoet, moet immers als zodanig worden gekwalificeerd, ongeacht hetgeen partijen daarover hebben opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.31 Dat neemt niet weg dat de motivering van het oordeel dat de rechtsverhouding tussen partijen anders is dan in de overeenkomst expliciet staat omschreven, mijns inziens wel aan hoge eisen dient te voldoen. De door het Hof aan zijn oordeel gegeven motivering voldoet mijns inziens aan deze eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.32 Het vierde middelonderdeel faalt. v. Oprichtingsakte en inschrijving handelsregister 8.33 Het ontbreken van de akte heeft niet noodzakelijkerwijs tot gevolg dat geen sprake kan zijn van een openbare maatschap. Het bestaan van een maatschap wordt immers (dwingendrechtelijk) aangenomen op basis van materiële kenmerken, of, meer bepaald, op basis van feiten en omstandigheden alsmede objectief te beoordelen contractuele verhoudingen tussen partijen die aanleiding geven tot het constateren van het bestaan van een maatschap. Voldoende kan hiervoor zelfs zijn de situatie waarin personen afzonderlijk hun wil tot deelneming in het gezamenlijk kapitaal onder vastgestelde voorwaarden kenbaar hebben gemaakt door het nemen van een participatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.34 Omdat de uit artikel 23 WvK volgende verplichting tot inschrijving in het handelsregister slechts geldt voor de vof, waarvan geen sprake is in de onderhavige zaak, behoeft het al dan niet ontbreken van deze inschrijving in deze conclusie geen verdere bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.35 Het vijfde middelonderdeel faalt. vi. In de stukken wordt het adjectief “besloten” gebruikt voor het samenwerkingsverband 8.36 De Staatssecretaris klaagt erover dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">In de stukken wordt steeds gesproken over “het besloten fonds voor gemene rekening [J] \". In fiscale zin is een vof per definitie transparant. Voor personenvennootschappen waarvan een deelnemer niet direct extern aansprakelijk is (zoals een c.v.), is voor fiscale transparantie vereist dat het samenwerkingsverband besloten is. In het geval het Fonds voor Gemene Rekening een vof was geweest, was het overbodig geweest om te spreken van een besloten fonds, want een vof is per definitie transparant, ongeacht of deze besloten of open is.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.37 Ik merk ten eerste op dat een open FGR belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting, terwijl een besloten FGR fiscaal transparant is. Het belang van het opnemen van het adjectief ‘besloten’ is daarmee gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.38 Ten aanzien van deze stelling van de Staatssecretaris geldt mijns inziens bovendien, in dezelfde zin als bij stelling (iv), dat een samenwerkingsverband dat voldoet aan de materiële vereisten van een maatschap, als zodanig moet worden gekwalificeerd, ongeacht hetgeen partijen daarover hebben opgemerkt. De motivering van het oordeel dat de rechtsverhouding tussen partijen anders is dan in de overeenkomst expliciet staat omschreven, dient evenwel aan hoge eisen te voldoen. De door het Hof aan zijn oordeel gegeven motivering voldoet mijns inziens aan deze eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.39 Het zesde middelonderdeel faalt. vii. Doorlopende verbondenheid voor meer verbintenissen vereist?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.40 De Staatssecretaris heeft in zijn beroepschrift in cassatie tevens aangevoerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is onjuist dan wel onbegrijpelijk dat het Hof bij de uitleg van artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (als er al sprake zou zijn van verbondenheid) heeft geoordeeld dat de verbondenheid voor slechts enkele overeenkomsten (de overdracht economische eigendom en de banklening) voldoende zou zijn om te kunnen spreken van verbondenheid in de zin van artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001. In de literatuur wordt immers aangenomen dat het moet gaan om een doorlopende verbondenheid voor (in ieder geval) meerdere verbintenissen van de onderneming. Het hoeft dan wel niet te gaan om alle verbintenissen, het moet in ieder geval gaan om het regelmatig aangaan van substantiële betekenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.41 In de wetsgeschiedenis is ten aanzien van de verbondenheidseis onder meer opgenomen: ‘Een belastingplichtige hoeft niet voor alle verbintenissen die betrekking hebben op een onderneming te zijn verbonden’. Vandaar dat in de bepaling gesproken wordt over “verbintenissen” in plaats van “alle verbintenissen” of “de verbintenissen”.’Wattel meent dat de verbondenheid het extern ondernemersrisico, dus het risico jegens derden, dient te betreffen en dat dit ‘meer dan incidenteel moet geschieden om te kunnen spreken van verbondenheid ‘voor verbintenissen betreffende de onderneming.’ Dat sluit ook aan bij de mogelijkheid dat in een stille maatschap een vennoot incidenteel ‘in naam van de vennootschap’ optreedt; in een dergelijk geval is mijns inziens niet aan de verbondenheidseis voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.42 De vraag of het gelopen ondernemersrisico voldoende omvangrijk is om aan de verbondenheidseis te voldoen, is feitelijk van aard. Op grond van de feiten en verbintenissen genoemd in ’s Hofs rechtsoverweging 4.17 is het Hof tot het oordeel gekomen dat belanghebbende rechtstreeks verbonden wordt voor verbintenissen van de onderneming. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk en geen nadere motivering behoevende, in cassatie niet met succes worden bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.43 Het laatste middelonderdeel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.44 Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Middel 3 8.45 De Staatssecretaris klaagt in zijn derde middel dat het Hof in r.o. 2.11 ten onrechte heeft vastgesteld dat de economische eigendom van het schip aan het Fonds is overgedragen. Vaststaat dat de juridische eigendom van het schip is geleverd aan [K] . Anders dan het Hof meent, heeft de Inspecteur volgens de Staatssecretaris niet bevestigd dat de economische eigendom van het schip is overgedragen aan het Fonds.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.46 Het belang van dit middel is erin gelegen dat, zoals in 8.2 uiteen is gezet, één van de twee vereisten om als ondernemer te kwalificeren is dat voor rekening van de belastingplichtige een onderneming wordt gedreven, hetgeen de Staatssecretaris in dit middel bestrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.47 Het Hof heeft in r.o. 4.11 onder andere overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de MOA, aanhef onder B en artikel 1 en 2, (zie 2.9) en de overeenkomst Vaststelling economische eigendom (zie 2.11) acht het Hof aannemelijk dat het Fonds de economische eigenaar van het schip is. Dit oordeel vindt zijn bevestiging in de verklaring van de Inspecteur ter zitting dat als de vrachttarieven sterk zouden stijgen, eventuele winsten voor rekening van het Fonds zouden komen. (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.48 Allereerst zij vermeldt dat het Hof niet oordeelt dat de Inspecteur bevestigd heeft dat de economische eigendom van het schip is overgedragen aan het Fonds, doch slechts overweegt dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat bepaalde winsten voor rekening van het Fonds zouden komen. De stelling van de Staatssecretaris dat het Hof ten onrechte ervan uit is gegaan dat de Inspecteur heeft bevestigd dat het economische eigendom van het schip is overgedragen aan het Fonds, berust dus op onjuiste lezing van de uitspraak van het Hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.49 Ik begrijp het middel van de Staatssecretaris zo dat hij tevens de motivering van het oordeel dat het Fonds de economische eigendom van het schip heeft verkregen betwist. Hij stelt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de oplevering van het schip is het fonds niet naar buiten toe in naam vertegenwoordigd geweest, noch is het fonds anderszins in het maatschappelijk verkeer met derden opgetreden (…) Daarmee heeft de inspecteur (…) bestreden dat de oplevering op naam van het fonds heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.50 De motivering van ’s Hofs oordeel luidt:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.11. (…) Ook wordt dit oordeel bevestigd in de niet weersproken stelling van belanghebbende dat het Fonds het schip heeft verzekerd. Verder volgt uit het besloten karakter van het Fonds, het ontbreken van rechtspersoonlijkheid van het Fonds, en uit de Fondsvoorwaarden (zie 2.6) dat de voor- en nadelen van de economische eigendom van het schip voor rekening en risico van de participanten komen. De stelling van de Inspecteur dat het schip voor rekening en risico van de juridisch eigenaar ( [K] BV) wordt geëxploiteerd, wordt derhalve afgewezen. De in de MOA (zie 2.9) en de Loan Agreement (zie 2.10) opgenomen beperkingen van de verhaalsmogelijkheden van de verkoper en de financier van het schip op de participanten - voor het geval het Fonds niet in staat mocht zijn de aankoopsom en/of de lening geheel te voldoen - doen niet af aan het vorenoverwogene. De scheepvaartonderneming wordt dus mede voor rekening van belanghebbende gedreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.51 Voor zover de Staatssecretaris beoogt erover te klagen dat het Hof niet of onvoldoende heeft gemotiveerd dat de economische eigendom berust bij het Fonds, stuit zulks af op de overweging van het Hof in onderdeel 4.11 van zijn uitspraak waarin het heeft geoordeeld ‘dat als de vrachttarieven sterk zouden stijgen, eventuele winsten voor rekening van het Fonds zouden komen’, ‘dat het Fonds het schip heeft verzekerd’ en ‘uit de Fondsvoorwaarden (zie 2.6) [blijkt] dat de voor- en nadelen van de economische eigendom van het schip voor rekening en risico van de participanten komen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.52 Het tweede middel van de Staatssecretaris faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.53 Alle middelen van de Staatssecretaris falen. Het beroep in cassatie dient mijns inziens ongegrond te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën ongegrond dient te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal De inspecteur van de Belastingdienst/ [P] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 1 mei 2014, nr. AWB 12/3760, ECLI:NL:RBGEL:2014:2878, V-N 2014/35.3.1, JOR 2014/255 met noot Groffen, FutD 2014/1189.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 21 juli 2015, nr. 14/00558, ECLI:NL:GHARL:2015:5435, V-N 2015/48.2.1, FutD 2015-2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 21 juli 2015, nr. 14/00558, ECLI:NL:GHARL:2015:5435, r.o. 2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 juni 2011, nr. 10/01299, ECLI:NL:HR:2011:BP5707 m. concl. van mijn hand, BNB 2011/246.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 november 2014, nr. 13/01800, ECLI:NL:HR:2014:3209 m. concl. van mijn hand, BNB 2015/17 m. nt. Cornelisse.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zulks is in de onderhavige zaak niet in geschil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 92.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie tevens Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 126.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 97. In vergelijkbare zin: Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 126.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 98. In vergelijkbare zin: Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 126.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 126-127.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 juli 2006, nr. 42 125, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5067, BNB 2006/321 m. nt. Zwemmer, FED 2006/103 m. nt. Van der Wal, NTFR 2006/1033 m. nt. Hemels, V-N 2006/39.14, FutD 2006/1300, r.o. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 november 2008, nr. 42 927, ECLI:NL:HR:2008:BC3673, BNB 2009/98 m. nt. Cornelisse, V-N 2008/55.11, NTFR 2008/2226 m. nt. Roerdink, FED 2010/65 m. nt. Weerepas, FutD 2008/2344.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.9. De gemeenschappelijke bijlage behoort tevens bij HR 14 november 2008, nr. 43 302, ECLI:NL:HR:2008:BC3679, NTFR 2008/2227, V-N 2008/55.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het besluit van de Staatssecretaris van 25 augustus 2000 (V-N 2001/14.12), onderdeel B. 3.2.f, blijkt dat hij meent dat aan het verbondenheidscriterium wordt voldaan indien een stille maat regelmatig verbintenissen aangaat van substantiële betekenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noot bij BNB 2009/99.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verplichting is eveneens neergelegd in de Handelsregisterwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2002/2003, 28 746, nr. 3, p. 13 (MvT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Maeijer 5-V, 1995/55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2002/2003, 28 746, nr. 5, p. 13 (NV).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 december 1931, B. 5095.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 juni 1932, NJ 1932, p. 1587.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 april 1942, NJ 1942, p. 50124.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 april 1960, NJ 1960, p. 413.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 januari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC8776, BNB 1968/81 m. nt. Schuttevaer, NJ 1968/134 m. nt. Scholten.</p>\n<p class=\"lf-p\">BNB 1968/81.</p>\n<p class=\"lf-p\">NJ 1968/134.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch, nr. 103 006 162, ECLI:NL:GHSHE:2009:BK5488, JOR 2009/315 m. nt. Stokkermans.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 september 2011, nr. 09/04986, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876, NJ 2012/75, NJB 2011/1630, RCR 2011/86, RN 2011/101, RvdW 2011/1041, JOR 2011/361.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. van Olffen, Ondernemer en ondernemingsvermogen (Ars Notariatus XLI), Deventer: Kluwer 1989, p. 61-62.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. van Olffen, Ondernemer en ondernemingsvermogen (Ars Notariatus XLI), Deventer: Kluwer 1989, p. 117.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Maeijer 5-V, 1995/40.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.P.D. Mathey-Bal, De positie van de vennootschap onder firma. In civielrechtelijk, vennootschapsrechtelijk, publiekrechtelijk en Europeesrechtelijk perspectief (diss. Rijksuniversiteit Groningen), Deventer: Kluwer 2016, p. 26-27.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. van Olffen, Ondernemer en ondernemingsvermogen (Ars Notariatus XLI), Deventer: Kluwer 1989, p. 62.</p>\n<p class=\"lf-p\">D.F.M.M. Zaman, De randvoorwaarden voor de moderne personenvennootschap, De personenvennootschap anno 2015 en haar toekomst (Ars Notariatus 159), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. van Olffen, Ondernemer en ondernemingsvermogen (Ars Notariatus 41), Deventer: Kluwer 1989, p. 63-64.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Maeijer 5-V, 1995/29.</p>\n<p class=\"lf-p\">V.A.E.M. Meijers, De personenvennootschappen en rechtspersoonlijkheid, De personenvennootschap anno 2015 en haar toekomst (Ars Notariatus 159), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 22-24.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.P.D. Mathey-Bal, De positie van de vennootschap onder firma. In civielrechtelijk, vennootschapsrechtelijk, publiekrechtelijk en Europeesrechtelijk perspectief (diss. Rijksuniversiteit Groningen), Deventer: Kluwer2016, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. van Olffen, Ondernemer en ondernemingsvermogen (Ars Notariatus 41), Deventer: Kluwer 1989, p. 63-64.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.L. Wery, Hoofdzaken maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap (Serie Hoofdzaken handelsrecht), Deventer: Kluwer 2003, p. 48.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.W.P.M. van der Velden, Beleggingsfondsen naar burgerlijk recht (diss. Radboud Universiteit Nijmegen), Deventer: Kluwer 2008, p. 320-321.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tekst &amp; Commentaar Burgerlijk Wetboek Boek 7A, Artikel 1655, online geraadpleegd, bijgewerkt tot 18 mei 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tekst &amp; Commentaar Burgerlijk Wetboek Boek 7A, Artikel 1662, online geraadpleegd, bijgewerkt tot 18 mei 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">V.A.E.M. Meijers, De personenvennootschappen en rechtspersoonlijkheid, De personenvennootschap anno 2015 en haar toekomst (Ars Notariatus 159), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.S.J.M. Tervoort, Het Nederlandse personen-vennootschapsrecht (ONR 8), Deventer: Kluwer 2015, p.35.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.P.D. Mathey-Bal, De positie van de vennootschap onder firma. In civielrechtelijk, vennootschapsrechtelijk, publiekrechtelijk en Europeesrechtelijk perspectief (diss. Rijksuniversiteit Groningen), Deventer: Kluwer 2016, p. 31-32.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. van Olffen, Ondernemer en ondernemingsvermogen (Ars Notariatus 41), Deventer: Kluwer 1989, p. 61-117.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Maeijer 5-V, 1995/105.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.L. Mohr, Van maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap, Deventer: Kluwer 1998, p. 106.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.L. Mohr, Van maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap, Deventer: Kluwer 1998, p. 85.</p>\n<p class=\"lf-p\">Chr. M. Stokkermans, Maatschap vs. VOF, De personenvennootschap anno 2015 en haar toekomst (Ars Notariatus 159), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 15-16.</p>\n<p class=\"lf-p\">V.A.E.M. Meijers, De personenvennootschappen en rechtspersoonlijkheid, De personenvennootschap anno 2015 en haar toekomst (Ars Notariatus 159), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 80-81.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.P.D. Mathey-Bal, De positie van de vennootschap onder firma. In civielrechtelijk, vennootschapsrechtelijk, publiekrechtelijk en Europeesrechtelijk perspectief (diss. Rijksuniversiteit Groningen), Deventer: Kluwer 2016, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. van Olffen, Ondernemer en ondernemingsvermogen (Ars Notariatus 41), Deventer: Kluwer 1989, p. 119.</p>\n<p class=\"lf-p\">Chr. M. Stokkermans, Maatschap vs. VOF, De personenvennootschap anno 2015 en haar toekomst (Ars Notariatus 159), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 9-10.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 december 1957, nr. 13 378, BNB 1958/84.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 12 maart 2015, nr. 13/00455, ECLI:NL:GHAMS:2015:811, V-N 2015/27.1.2, FutD 2015-0618, JOR 2015/133 met annotatie van Stokkermans, JONDR 2015/548.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 12 maart 2015, nr. 13/00455, ECLI:NL:GHAMS:2015:811, V-N 2015/27.1.2, FutD 2015-0618, JOR 2015/133 met annotatie van Stokkermans, JONDR 2015/548, r.o. 4.4-4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 22 oktober 2015, nrs. AWB 14/7254 en 14/7259, ECLI:NL:RBGEL:2015:6472, FutD 2015/2590. Zie in vergelijkbare zin: Rb. Gelderland 22 oktober 2015, nr. AWB 14/1201, ECLI:NL:RBGEL:2015:6473.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betreffende zaaknummers zijn: 15/1499 en 15/1500.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In casu is in cassatie niet langer in geschil of sprake is van een onderneming. Ik zal aan dat onderwerp in deze conclusie derhalve geen speciale aandacht meer besteden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie tevens r.o. 4.4.2 van de uitspraak van het Hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de jurisprudentie in onderdeel 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de jurisprudentie in onderdeel 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitspraak van het Hof, r.o. 4.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitspraak van het Hof, r.o. 4.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor parlementaire behandeling waar dit uit blijkt de onderdelen 5.5 en 5.6. Jurisprudentie waaruit dit ook blijkt heb ik opgenomen in de onderdelen 5.7 en 5.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitspraak van het Hof, r.o. 4.13-4.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zulks blijkt uit de parlementaire behandeling welke ik in deze conclusie heb opgenomen in onderdeel 5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de in onderdelen 6.10, 6.14, 6.17 en 6.18 opgenomen jurisprudentie. Zie ook de literatuur in onderdeel 6.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het arrest HR NJ 2012/75, opgenomen in onderdeel 6.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 6.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Citaat uit het beroepschrift van de Staatssecretaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de wettelijke bepaling in onderdeel 6.1, de jurisprudentie in onderdelen 6.9 en 6.17 en de literatuur in de onderdelen 6.23, 6.24, 6.31 en 6.41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zulks is niet onomstreden. Zie de literatuur die ik heb opgenomen in de onderdelen 6.29 tot en met 6.36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervan is sprake in de onderhavige casus. Artikel 8, eerste lid, aanhef juncto onderdeel a van de Fondsvoorwaarden stelt immers: “1. De beheerder is belast met: a. het voor rekening en risico van het fonds innen van de bedragen die de participanten dienen in te brengen in het fonds (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering van het beroep in cassatie, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitspraak van het Hof, r.o. 4.15-4.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze conclusie opgenomen in onderdeel 5.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het arrest opgenomen in onderdeel 6.12 en de literatuur in de onderdelen 6.38 tot en met 6.41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitspraak van de Hoge Raad in onderdeel 6.12. Zie ook de literatuur in de onderdelen 6.38, 6.41 en 6.43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de door het Hof vastgestelde feiten welke ik heb opgenomen in onderdeel 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de literatuur in onderdelen 6.19 tot en met 6.22. Zie meer bepaaldelijk onderdeel 6.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de laatste zin van het citaat van het in onderdeel 6.18 opgenomen arrest van de Hoge Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitspraak van het Hof r.o. 4.13-4.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de in onderdelen 6.10, 6.14, 6.17 en 6.18 opgenomen jurisprudentie. Zie ook de literatuur in onderdeel 6.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het arrest HR NJ 2012/75, opgenomen in onderdeel 6.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 6.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik verwijs naar het de tekst van het wijzigingsbesluit fonds voor gemene rekening: Lichter toestemmingsvereiste (‘besloten’) fgr van 15 december 2015, nr. BLKB2015/1511M van het Besluit van 11 januari 2007, nr. CPP2006/1870M, VN 2016/2.4, NTFR 2016/335 en M. Beudeker, A.J.A. Stevens, Update CV-Besluit en FGR-Besluit: Versoepeling van het toestemmingsvereiste!?!, WFR 2016/32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de Hofuitspraak r.o. 4.13-4.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 5.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze eis is te onderscheiden van de rechtstreekse verbondenheid voor verbintenissen betreffende de onderneming, welke verbondenheid de Staatssecretaris met zijn eerste middel heeft bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij het Hof staat: ‘Desgevraagd verklaart de Inspecteur (…). Zij erkent dat indien de vrachttarieven sterk zouden stijgen een eventuele winst voor rekening van Fonds zou komen.’</p></div>", "next": 0}