{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">“The activities of armed forces during an armed conflict, as those terms are understood under international humanitarian law, which are governed by that law, are not governed by this Convention, and the activities undertaken by military forces of a State in the exercise of their official duties, inasmuch as they are governed by other rules of international law, are not governed by this Convention.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">115.</span>Een bepaling met een andere inhoud, waarop eveneens een beroep wordt gedaan, betreft art. 21 Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme: “Nothing in this Convention shall affect other rights, obligations and responsibilities of States and individuals under international law, in particular the purposes of the Charter of the United Nations, international humanitarian law and other relevant conventions.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">116.</span>Anders dan in de twee andere instrumenten, wordt in dit artikel geen uitzondering gemaakt op het toepassingsbereik van het verdrag, maar wordt enkel aangegeven dat de verdragsverplichtingen geen gevolgen hebben voor rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden op basis van onder meer IHL.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">117.</span>Het toepassingsbereik van een deel van de gedragingen die op basis van het ‘Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme’ als terrorisme worden gekwalificeerd, wordt echter beperkt in de wijze waarop terrorisme wordt omschreven in art. 2, eerste lid onder b: “Any person commits an offence within the meaning of this Convention if that person by any means, directly or indirectly, unlawfully and wilfully, provides or collects funds with the intention that they should be used or in the knowledge that they are to be used, in full or in part, in order to carry out: a) An act which constitutes an offence within the scope of and as defined in one of the treaties listed in the annex; or b) Any other act intended to cause death or serious bodily injury to a civilian, or to any other person not taking an active part in the hostilities in a situation of armed conflict, when the purpose of such act, by its nature or context, is to intimidate a population, or to compel a government or an international organization to do or to abstain from doing any act.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">118.</span>Uit het feit dat deze internationale instrumenten geen betrekking hebben op IHL dan wel op gedragingen die krachtens IHL niet verboden zijn (vide art. 2, eerste lid onder b Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme) wordt opgemaakt dat die gedragingen niet als terrorisme mogen worden aangemerkt. Die opvatting miskent echter de strekking van de verplichtingen die in deze internationale instrumenten is opgenomen, dan wel wordt bepaald.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">119.</span>In de eerste plaats wordt in dit internationale instrumentarium een algemene definitie van terrorisme niet gegeven. In de tweede plaats lees ik de clausules die het toepassingsbereik van de verdragen bepalen, als een beperking van de verplichtingen die op de staten rusten. Zo zijn de staten niet verplicht de terroristische gedragingen te beoordelen vanuit situaties waarop IHL van toepassing is. De clausules vormen mijns inziens niet een absoluut plafond dat verdere expansie van de toepasselijkheid van het nationale strafrecht onmogelijk maakt. De verdragen en het Kaderbesluit bevatten verplichtingen om bepaalde gedragingen strafbaar te stellen en daarover rechtsmacht te vestigen ook indien die gedragingen in het buitenland door buitenlanders zijn begaan. Maar geen van de verdragen noch het Kaderbesluit stelt een beperking aan de bevoegdheden die staten dienaangaande hebben. Dit komt duidelijk tot uiting in de bepalingen die in dezelfde internationale instrumenten zijn opgenomen en waarin uitdrukkelijk is bepaald dat de verplichtingen niet afdoen aan het uitoefenen van rechtsmacht overeenkomstig de nationale wetgeving.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">120.</span>Uit het hierboven aangehaalde art. 21 Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme, kan worden opgemaakt dat naast de verplichtingen in dat verdrag nog andere verplichtingen bestaan die het verdrag onverlet laat, dus niet door het verdrag beperkt worden. Artikel 21 Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme bedoelt juist inmenging te voorkomen van de voorschriften die in dit verdrag zijn opgenomen, in die andere nationale en internationale rechten, plichten, en verantwoordelijkheden van staten en individuen. De inhoud van de verdragsbepalingen heeft, met andere woorden, geen betekenis voor de inhoud van IHL. Zo lees ik ook het Italiaanse Corte di Cassazione in zijn arrest van 21 januari 2014 in een zaak tegen een drietal Tamil Tijgers die wegens terrorisme werden vervolgd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">121.</span>De verdragen en het Kaderbesluit bevatten verplichtingen om bepaalde gedragingen strafbaar te stellen en daarover rechtsmacht te vestigen, óók indien die gedragingen in het buitenland door buitenlanders zijn begaan. Geen van de verdragen noch het Kaderbesluit bevat een beperking van de bevoegdheden die staten dienaangaande hebben. Dit komt duidelijk tot uiting in de bepalingen die in dezelfde internationale instrumenten zijn opgenomen en waarin uitdrukkelijk is bepaald dat de verplichtingen niet afdoen aan het uitoefenen van rechtsmacht overeenkomstig de nationale wetgeving.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">122.</span>Met betrekking tot de rechtsmacht waarin de lidstaten van de EU moeten voorzien, houdt art. 9, vijfde lid, Kaderbesluit, het volgende in: “Dit artikel sluit de uitoefening van een door een lidstaat krachtens de nationale wetgeving vastgestelde rechtsmacht niet uit.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">123.</span>Vergelijkbare bepalingen zijn opgenomen in de andere internationale instrumenten die verplichtingen bevatten om bepaalde (aan terrorisme gerelateerde) gedragingen strafbaar te stellen en daarover rechtsmacht te vestigen. Ik geef twee voorbeelden:</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6, vijfde lid, Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen “This Convention does not exclude the exercise of any criminal jurisdiction established by a State Party in accordance with its domestic law.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7, zesde lid, Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme: “Without prejudice to the norms of general international law, this Convention does not exclude the exercise of any criminal jurisdiction established by a State Party in accordance with its domestic law.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">124.</span>Uit deze bepalingen die betrekking hebben op rechtsmacht die overeenkomstig het nationale recht wordt gevestigd, kan worden opgemaakt dat de staten die partij worden, in het nationale recht een verdergaande rechtsmacht mogen regelen dan waartoe de internationale instrumenten verplichten en tevens dat zij niet verplicht zijn hun rechtsmacht in het nationale recht te beperken tot de voorwaarden waaronder die, op grond van deze internationale instrumenten, moet worden gevestigd. Ook het Corte di Cassazione wijst daarop in het hierboven aangehaalde arrest, met zijn verwijzing naar art. 7, zesde lid, Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme. Tot hoever de partijen een ruimere, verdergaande rechtsmacht mogen vestigen, is in dit instrumentarium open gelaten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">125.</span>Over de verhouding tussen de internationale verplichtingen inzake terrorismebestrijding en de toepasselijkheid van IHL, heeft het HvJ EU zich uitgelaten in zijn reeds meermalen genoemde arrest LTTE t. de Raad van de EU van 16 oktober 2014. Uit de hierna weer te geven overwegingen blijkt duidelijk waarop de zaak betrekking heeft, zodat deze geen nadere introductie nodig heeft: “56 Anders dan verzoekster betoogt, houdt de toepasselijkheid van het internationale humanitaire recht op een situatie van gewapend conflict en op de handelingen die in dat kader zijn verricht, niet de niet-toepasselijkheid van de regelgeving over het terrorisme op die feiten in. Dit geldt zowel voor de bepalingen van het Unierecht die in de onderhavige zaak zijn toegepast, met name gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en verordening nr. 2580/2001, als voor de bepalingen van internationaal recht die door verzoekster zijn ingeroepen 57 Wat in de eerste plaats het Unierecht aangaat, moet inderdaad worden opgemerkt dat het bestaan van een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht niet de toepassing van de bepalingen van het Unierecht inzake het terrorisme op eventuele in dat kader gepleegde terroristische daden uitsluit.</div>\n<p class=\"lf-p\">58 In gemeenschappelijk standpunt 2001/931 is wat zijn werkingssfeer betreft namelijk geen onderscheid gemaakt tussen het geval waarin de betrokken handeling is gepleegd in het kader van een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht en het geval waarin dat niet zo is. Daarnaast, en zoals de Raad terecht opmerkt, hebben de Unie en haar lidstaten de doelstelling het terrorisme te bestrijden, ongeacht de vorm die het aanneemt, zulks in overeenstemming met de doelstellingen van het geldende internationale recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">59 Juist om binnen de Unie uitvoering te geven aan resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van 28 september 2001, waarin deze „de noodzaak [herbevestigt] om met alle middelen, conform het Handvest van de Verenigde Naties, te strijden tegen de bedreigingen van de internationale vrede en veiligheid door terroristische handelingen” en „de staten [oproept] om de internationale samenwerking te vervolledigen door het nemen van aanvullende maatregelen, teneinde op hun grondgebied met alle geoorloofde middelen de financiering en de voorbereiding van terroristische daden te voorkomen en te beteugelen”, heeft de Raad gemeenschappelijk standpunt 2001/931 (zie de punten 5‑7 van de considerans van dit gemeenschappelijk standpunt) en vervolgens, overeenkomstig dit gemeenschappelijk standpunt, verordening nr. 2580/2001 (zie de punten 3, 5 en 6 van de considerans van deze verordening) vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">60 Wat in de tweede plaats de door verzoekster ingeroepen bepalingen van internationaal recht betreft, moet erop worden gewezen dat, naast het feit dat een gewapend conflict ontegensprekelijk kan leiden tot handelingen die naar hun aard terroristische handelingen zijn, dergelijke handelingen in het internationale humanitaire recht uitdrukkelijk als „terroristische handelingen” zijn aangemerkt, die met dat recht in strijd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">61 Het Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd van 12 augustus 1949 bepaalt uitdrukkelijk in artikel 33 dat alle maatregelen van terrorisme verboden zijn. In diezelfde zin bepalen de Aanvullende Protocollen I en II bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van de slachtoffers van internationale en niet-internationale gewapende conflicten van 8 juni 1977, die bedoeld zijn om deze slachtoffers beter te beschermen, dat daden van terrorisme te allen tijde en op iedere plaats verboden zijn (artikel 4, lid 2, van Aanvullend Protocol II) en dat daden van geweld of bedreiging met geweld, waarvan het belangrijkste oogmerk is de burgerbevolking angst aan te jagen, verboden zijn (artikel 51, lid 2, van Aanvullend Protocol I en artikel 13, lid 2, van Aanvullend Protocol II).</p>\n<p class=\"lf-p\">62 Uit een en ander volgt dat het plegen van daden van terrorisme door de partijen bij een gewapend conflict uitdrukkelijk voorwerp is van en als zodanig is veroordeeld door het internationale humanitaire recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">63 Daaraan moet worden toegevoegd dat het bestaan van een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht niet blijkt uit te sluiten dat in geval van een terroristische daad die in het kader van dat conflict wordt gepleegd, naast de bepalingen van bedoeld humanitair recht over schending van het oorlogsrecht, de specifieke bepalingen van het internationale recht over het terrorisme worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">64 Zo heeft het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme, dat op 9 december 1999 te New York is ondertekend, (hierna: „verdrag van New York van 1999”), uitdrukkelijk het plegen van terroristische daden in het kader van een gewapend conflict in de zin van het internationale recht voor ogen. In artikel 2, lid 1, sub b, van dit verdrag wordt als strafbaar feit aangemerkt „enige [...] gedraging/handeling bedoeld om de dood van of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken bij een burger, of een ander persoon die niet actief deelneemt aan de vijandelijkheden in een situatie van gewapend conflict, wanneer het doel van die gedraging/handeling, door haar aard of context, is een bevolking te intimideren of een regering of internationale organisatie te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling”.</p>\n<p class=\"lf-p\">65 Dit verdrag bevestigt dat er zelfs binnen een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht sprake kan zijn van terroristische daden waar als zodanig tegen kan worden opgetreden, en niet alleen als oorlogsmisdaden. Tot die handelingen behoren de handelingen die bedoeld zijn om burgers te doden of ernstig lichamelijk letsel toe te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">66 Verzoeksters tegenargument dat artikel 2, lid 1, sub b, van het verdrag van New York van 1999 een persoon die „actief deelneemt aan de vijandelijkheden in een situatie van gewapend conflict” uitdrukkelijk van de werkingssfeer van dat verdrag uitsluit, doet geenszins af aan die vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">67 Verzoekster betoogt dus ten onrechte dat de begrippen gewapend conflict en terrorisme in het internationale recht met elkaar onverenigbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">68 Wat de eventuele omstandigheid betreft dat de terroristische daden afkomstig zijn van „vrijheidsstrijders” of vrijheidsbewegingen die zich in een gewapend conflict met een „onderdrukkende regering” bevinden, volgt eveneens uit de bovenstaande overwegingen dat deze irrelevant is. Een dergelijke uitzondering op het verbod van terroristische daden in situaties van gewapend conflict heeft geen enkele grondslag in het Unierecht en zelfs niet in het internationale recht. Daarin wordt geen enkel onderscheid naargelang de hoedanigheid van de pleger of de doelstellingen die hij nastreeft gemaakt bij hun veroordeling van terroristische daden.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">126.</span>De preambule onder 11 Kaderbesluit 2002/475/JBZ is slechts van belang voor de reikwijdte van de verplichtingen die in dit Kaderbesluit zelf zijn opgenomen en bedoelt juist iedere bemoeienis te voorkomen met de inhoud van het internationaal humanitair recht. Dat kan worden geïllustreerd met de conclusie van advocaat-generaal Scharpston in de zaak waarin de Raad van State prejudiciële vragen aan het HvJ EU heeft voorgelegd (zie hierboven randnummer 33). Zij stelt zich daarin op het standpunt dat het Kaderbesluit 2002/475/JB inzake terrorismebestrijding – ik zou daaraan voor mijn conclusie in de onderhavige zaak willen toevoegen: zelfs – geen betekenis heeft voor de inhoud van het andere EU-recht dat betrekking heeft op terrorismebestrijding.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">127.</span>Samenvattend: de genoemde verdragen en het Kaderbesluit 2002/475/JBZ inzake terrorismebestrijding bevatten geen algemene definitie van terrorisme, maar slechts verplichtingen om de gedragingen die in de instrumenten als terrorisme worden gekwalificeerd strafbaar te stellen en daarover in rechtsmacht te voorzien. Aan een ruimere toepassing van de nationale strafwet staan zij niet in de weg.</div>\n<p class=\"lf-p\">II.1.2.4.3. Afsluitende opmerkingen en bespreking motiveringsklacht aangaande het eerste middel 128. Nu ik aan het slot ben gekomen van de bespreking van de tweede rechtskwestie die aan de orde is gesteld in de middelen die namens de verdachte respectievelijk diens medeverdachten zijn voorgesteld, kan ik de belangrijkste bevindingen samenvatten. De eerste bevinding is dat de leden van een gewapende oppositiegroep die zijn gewikkeld in een gewapend conflict van een niet-internationaal gewapend karakter, niet worden aangemerkt als combattant. Dit betekent dat zij geen aanspraak kunnen maken op de daaraan verbonden status die inhoudt dat zij gerechtigd zijn aan de vijandelijkheden deel te nemen en die aan hen immuniteit toekent voor het deelnemen aan die vijandelijkheden. Hieruit volgt de tweede bevinding, die inhoudt dat het nationale strafrecht van toepassing blijft op alle gedragingen van de leden van een gewapende oppositiegroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de bereidheid van de leden van de gewapende oppositiegroep om de bepalingen van internationaal humanitair recht na te leven, zou het bevorderlijk kunnen zijn aan hen immuniteit toe te bedelen voor zover hun gedragingen de regels van internationaal humanitair recht respecteren. Maar het erkennen van een immuniteit zou inbreuk maken op de soevereiniteit van de staat tegen wie de gewapende oppositiegroep strijdt. De derde bevinding houdt in dat de regels van internationaal humanitair recht niet exclusief – dus met uitsluiting van het nationale strafrecht en het internationale recht inzake terrorisme – van toepassing zijn op de gedragingen van leden van een gewapende oppositiegroep.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">129.</span>Er is dus geen “waterscheiding” tussen de regels van internationaal humanitair recht die toepasselijk zijn op gewapende conflicten van een niet-internationaal karakter en het nationale strafrecht en de regels inzake terrorisme. Het toepasselijk blijven van het nationale strafrecht en de regels inzake terrorisme betekent dus niet “het failliet van het internationale humanitaire recht”, terwijl daardoor evenmin “de bodem onder dat humanitaire recht” wegvalt en evenmin het internationaal humanitair recht “in Nederland als afgeschaft [kan] worden beschouwd”. Dergelijke opmerkingen in de schriftuur van de steller van het middel miskennen de zelfstandige inhoud van het internationaal humanitair recht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">130.</span>Het hof heeft terecht de verweren verworpen die ertoe strekken dat het tenlastegelegde terroristisch oogmerk niet kan worden bewezen of de bewezenverklaarde feiten niet kunnen worden gekwalificeerd als terroristische misdrijven omdat hetzij de nationale wet niet van toepassing is, hetzij de internationale regelgeving inzake terrorisme daaraan in de weg zou staan. De tegen deze verwerping gerichte middelen falen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">131.</span>Ook faalt de klacht dat het hof niet de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende: “het juridisch raamwerk dat bepalend is voor de beoordeling van handelingen die vallen onder het internationale humanitaire recht sluit de toepassing van de rechtsregels voor de bestrijding van terrorisme uit.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">132.</span>Dan de (tweede) klacht dat het hof aan “sommige kernelementen” voorbij “lijkt” te zijn gegaan of “geheel voorbij” is gegaan terwijl het hof bij andere elementen “de kern” heeft gemist. Nog afgezien van de vraag hoe kan worden vastgesteld welke onderdelen van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt tot de “kern” van de onderbouwing kunnen worden gerekend, indien dit niet expliciet wordt aangegeven, is het hof niet gehouden om indien het afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in te gaan op ieder detail van de argumentatie.</div>\n<p class=\"lf-p\">II.1.3. Eindoordeel inzake het eerste middel 133. Het middel faalt in beide onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">II.2. Deelneming aan een internationale criminele organisatie en deelnemingsvormen krachtens internationaal recht/feit 1B – het tweede middel II.2.1. De klachten 134. Het tweede middel klaagt dat het hof “ten onrechte heeft geoordeeld dat de deelnemingsvormen die in het internationale strafrecht zijn ontwikkeld voor gewapende conflicten niet relevant zijn als de tenlastelegging wordt toegespitst op artikel 140 Sr” en dat het heeft verzuimd te reageren op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt of verweer “dat de Nederlandse rechter zich moet oriënteren op die rechtspraak bij de invulling van delictsbestanddelen.” Op de vraag wat met “die rechtspraak” wordt bedoeld, kom ik terug bij de bespreking van deze tweede klacht. Voorts bevat de toelichting op het middel de klacht dat het hof “de wetsgeschiedenis [miskent] die in de toelichting op het eerste cassatiemiddel is besproken” wanneer het hof “stelt dat uit niets blijkt dat de wetgever zou hebben beoogd om gewelddaden in een niet-internationaal gewapend conflict uit te zonderen van het bereik van de strafbepalingen die zien op (terroristische en andere) commune misdrijven”.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">135.</span>Het middel sluit aan bij het ter terechtzitting gevoerde verweer dat bij internationale misdrijven “strafrechtelijke verantwoordelijkheid […] alleen [kan] worden toegedeeld aan degenen die daadwerkelijk betrokken zijn geweest en niet aan degenen die op heel grote afstand openlijk sympathie hebben voor een strijd die zij zien als een vrijheidsstrijd.”</div>\n<p class=\"lf-p\">II.2.2. Bespreking van het tweede middel 136. Nog voordat ik verder inhoudelijk op het middel inga, wil ik opmerken dat het middel voortbouwt en berust op de opvatting dat IHL een exclusief domein vormt en deswege de mogelijkheid tot toepassing van het commune strafrecht uitsluit. Bij de bespreking van het eerste middel heb ik uiteengezet dat en waarom IHL niet een zodanig exclusief domein is als het gaat om schendingen ervan in het kader van een gewapend conflict van een niet-internationaal karakter. De combattantenstatus geldt niet voor leden van een gewapende oppositiegroep in een niet-internationaal gewapend conflict. Aan de orde is dus naar mijn mening niet dat gedragingen die volgens IHL toegelaten of straffeloos zouden zijn in de onderhavige zaak door middel van een of ander juridisch foefje – door het “speelveld” te verleggen, zoals door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd – bestaande uit het bewandelen van de omweg van het commune strafrecht, alsnog strafbaar worden verklaard.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">137.</span>Voorts heb ik bij de bespreking van het eerste middel aangegeven dat en waarom het commune strafrecht van toepassing blijft. Ik herhaal hier het toonaangevende werk Customary International Humanitarian Law dat onder auspiciën van het ICRC tot stand is gekomen en met betrekking tot de toepasselijkheid van het commune strafrecht tijdens een niet-internationaal gewapend conflict het volgende vaststelt: “The lawfulness of direct participation in hostilities in non-international armed conflicts is governed by national law.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">138.</span>Voor de beoordeling van het middel is verder van belang dat ter terechtzitting van het hof het verweer is gevoerd dat voor de tenlastegelegde (oorlogs)misdrijven geen collectieve strafrechtelijke aansprakelijkheid kan worden aangenomen op de voet van art. 140 Sr maar dat sprake moet zijn van persoonlijke betrokkenheid van de verdachte bij de specifieke misdrijven als dader of deelnemer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">139.</span>Het hof heeft dit verweer in het arrest als volgt samengevat en verworpen: “10.7.2. Individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, verkort en zakelijk weergegeven, dat er op grond van art. 6 lid 2 onder b AP II een vervolgingsbeletsel bestaat ten aanzien van feit 1.B. (behoudens de onderdelen a en d voor zover begaan in Nederland en onderdeel c voor zover geen verband houdend met een gewapend conflict), nu er voor de ten laste gelegde (oorlogs)misdrijven geen collectieve strafrechtelijke aansprakelijkheid kan worden aangenomen op de voet van art. 140 Sr.</div>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de verdediging dient er ter zake de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de ten laste gelegde internationale misdrijven steeds sprake te zijn van een persoonlijke (individuele) betrokkenheid van de verdachte bij de specifieke misdrijven als dader of deelnemer; het principe van de personal culpability. Ook bij de strafrechtelijke aansprakelijkheid op basis van toepasselijke deelnemingsvormen die in het internationale strafrecht zijn ontwikkeld, zoals de joint criminal enterprise en de begrippen common purpose en aiding and abetting, gaat het om het handelen en de persoonlijke betrokkenheid van de verdachte bij het specifieke misdrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu de verdachte geen significante of substantiële bijdrage heeft geleverd aan enige specifieke aanval of werving van kindsoldaten in de ten laste gelegde zin en hij er ook geen wetenschap van had dat hij door het inzamelen van geld in Nederland aan enig concreet delict zou bijdragen, kan hij daarvoor niet worden veroordeeld, aldus de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof neemt dit standpunt in zijn algemeenheid niet over en overweegt daarbij als volgt. Bij de beoordeling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de ‘dader’ moet voorop worden gesteld dat in het commune Nederlandse strafrecht op de voet van art. 51 lid 1 Sr strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan de strafvervolging tegen die rechtspersoon worden ingesteld, dan wel tegen de feitelijk leidinggever (art. 51 lid 2 Sr).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip ‘begaan’ wordt gebezigd ten aanzien van de pleger en de deelnemers, de medepleger, doen-pleger, uitlokker en functioneel dader (art. 47 Sr), medeplichtige (art. 48 Sr) en - voor de rechtspersoon - de feitelijk leidinggever en opdrachtgever daaronder (mede) begrepen. Zoals eerder is overwogen is voorts strafbaar het deelnemen van de dader aan een criminele organisatie of een verboden rechtspersoon (art. 140 Sr), al dan niet met terroristisch oogmerk (art. 140a Sr). Art. 46 Sr stelt ook de voorbereiding van ernstige misdrijven door de dader strafbaar. Voor beide organisatievormen geldt, dat onder deelneming mede wordt begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan, alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie (art. 140 lid 4 Sr en art. 140a lid 3 Sr).</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 140 lid 1 Sr betreft het zelfstandig delict van deelneming aan een criminele organisatie, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kunnen rechtspersonen in de zin van art. 51 Sr als deelnemer aan een criminele organisatie worden aangemerkt, waarbij de rechtspersoon overigens onder omstandigheden ook zelf als een ‘organisatie’ kan worden aangemerkt. Het hof merkt op dat de dader kan deelnemen aan het ‘plegen’ van deelneming aan een criminele organisatie. De toepassing van art. 140 lid 1 Sr levert individuele aansprakelijkheid voor deelneming aan een criminele organisatie, ook bij degenen die niet direct participeren in het plegen van de beoogde misdrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien iemand onderdeel is van een groep die een strafbaar feit heeft gepleegd, kan immers ook medeplegen worden aangenomen zonder dat zijn persoonlijke aandeel in de gebeurtenis is komen vast te staan. Deelneming aan een criminele organisatie is echter een zelfstandig delict zodat hieruit geen accessoriteit met bepaalde gronddelicten voortvloeit, in tegenstelling tot de algemene deelnemingsvormen in de artikelen 47-48 Sr die altijd accessoir zijn aan gronddelicten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is naar het oordeel van het hof echter meer vereist dan de enkele aanwezigheid bij bijeenkomsten van de criminele organisatie. Het incidenteel participeren aan de activiteiten is in beginsel onvoldoende om de verdachte aan de organisatie te ‘verbinden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deelneming aan een criminele organisatie moet niet alleen het bestaan van deze organisatie worden vastgesteld, maar ook het oogmerk tot het plegen van concrete onderliggende strafbare feiten. Vervolgens dient komen vast te staan dat de verdachte ‘behoort tot het samenwerkingsverband’ en voorts dat hij ‘een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het beoogde oogmerk’, alsmede dat hij ‘wetenschap had van het oogmerk van de organisatie’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafbepaling van het eerste lid van art. 140 Sr richt zich tot al diegenen die aan de organisatie ‘deelnemen’. Strafrechtelijk aansprakelijk zijn zij die, behorend tot een criminele organisatie, door hun gedragingen het criminele functioneren van die misdaadorganisatie, door hun gedraging actief bevorderen, er zorg voor dragen dat de organisatie haar misdadige plannen kan verwezenlijken. Zoals het hof eerder heeft overwogen hoeft niet te worden aangetoond waaruit ieders aandeel in de gepleegde misdrijven heeft bestaan. Allerlei vormen van deelneming in de verwezenlijking van het criminele oogmerk kunnen in beginsel al voldoende zijn voor het vestigen van strafrechtelijke aansprakelijkheid. De strafbepaling van het vierde lid van art. 140 Sr verduidelijkt voorts - zoals gezegd - dat het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de organisatie als deelneming in de zin van art. 140 Sr kan worden aangemerkt. De strafbare gedraging in art. 140 Sr bestaat uit deelneming aan een misdaadorganisatie, niet uit het deelnemen aan de verwezenlijking van de door de organisatie beoogde misdrijven zelf, waarbij niet de actieve betrokkenheid bij de misdrijven maar die bij de organisatie centraal staat. De organisatie wordt door die gedragingen in staat gesteld haar criminele activiteiten uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 140 Sr is een zelfstandig misdrijf waaraan kan worden deelgenomen in de zin van artt. 47 en 48 Sr. Ingeval van het ten laste gelegde medeplegen is het nodig dat de medepleger weet dat hij betrokken is bij de activiteiten van een criminele organisatie. Het hof is van oordeel, dat de ten laste gelegde deelnemingsvormen worden beheerst door het toepasselijke Nederlandse materiele strafrecht, meer in het bijzonder de criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr en zijn, anders dan de verdediging betoogt, de deelnemingsvormen en de daaruit voortvloeiende strafrechtelijke aansprakelijkheid uit het internationale recht niet relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt voorts het volgende. Niet ter discussie staat dat het voeren van een aanvalsoorlog naar internationaal recht strafrechtelijke aansprakelijkheid kan meebrengen. Lange tijd was minder duidelijk of schendingen die gelden in een gewapend conflict van een niet-internationaal karakter eveneens individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid met zich meebracht. De vraag of ernstige schendingen van het gemeenschappelijk art. 3 van de Geneefse Verdragen individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengt onder art. 3 van het Statuut van het ICTY (schendingen van de wetten en gebruiken van de oorlog) is bevestigend beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de rechtspraak van de tribunalen wordt voor wat betreft de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid het onderscheid tussen het internationale en niet-internationale conflicten vergaand gerelativeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook naar internationaal recht mag niemand worden veroordeeld wegens een strafbaar feit, behalve op grond van individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 6 lid 2 aanhef en onder b AP II luidt, in dit verband, als volgt: “2. Geen veroordeling mag worden uitgesproken en geen straf mag ten uitvoer worden gelegd met betrekking tot een persoon die schuldig is bevonden aan een strafbaar feit, behalve op grond van een voorafgaand vonnis, gewezen door een rechtbank die essentiële waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid biedt. In het bijzonder: […] b. mag niemand worden veroordeeld wegens een strafbaar feit, behalve op grond van individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid;”</p>\n<p class=\"lf-p\">De Nederlandse rechter dient zich, blijkens de wetsgeschiedenis van de WIM, “voor de invulling van delictsbestanddelen (objectieve en subjectieve) en voor het trekken van grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid te oriënteren op het internationale recht en de internationale jurisprudentie dienaangaande, zoals onder andere neergelegd in het Statuut van het Internationaal Strafhof opgestelde Elementen van Misdrijven, die dienen als hulpmiddel bij de interpretatie van de misdrijven”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een getrouwe toepassing van belangrijke regels van het internationaal strafrecht door de nationale strafrechter dient een tweeledig doel. In de eerste plaats dient voldaan te worden aan de volkenrechtelijke verplichtingen en verwachtingen wat betreft strafbaarstelling en vervolging van internationale misdrijven, hetgeen met zich brengt dat de aansprakelijkheid naar Nederlands recht niet tekort mag schieten ten opzichte van de aansprakelijkheid naar internationaal recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast dienen evenwel ook de grenzen van de aansprakelijkheid naar internationaal recht door de Nederlandse rechter te worden gerespecteerd. Beide elementen acht het hof van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens enkele uitzonderingen zijn de algemene regels van het commune strafrecht ook van toepassing bij de berechting van de internationale misdrijven (zie ook art. 91 Sr), waarmee in het bijzonder ook wordt gedoeld op de regels met betrekking tot deelneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Statuut van het Internationaal Strafhof bevat ook regels over deze onderwerpen, grotendeels in deel 3 betreffende Algemene beginselen van strafrecht. Over het geheel genomen hebben deze regels van het Statuut eenzelfde strekking en beogen ze dezelfde belangen en rechten te beschermen als de pendanten in ons Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Nederlandse rechter dient zich weliswaar voor het trekken van de grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid mede te oriënteren op het internationale recht dienaangaande, maar de Nederlandse wet geldt als kader.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de slotsom dat naar Nederlands recht van deelneming aan een strafbaar feit alleen dan sprake kan zijn indien een persoon een (rechtstreekse) bijdrage heeft geleverd en willen leveren aan een specifiek strafbaar feit. De - mogelijke - verschillen in benadering inzake daderschap en deelneming aan misdrijven tussen het internationale recht zoals toegepast door de tribunalen en het Nederlandse recht worden sterk gerelativeerd doordat het leveren van een bijdrage aan criminele groepsactiviteiten naar Nederlands recht het zelfstandige misdrijf van art. 140 Sr oplevert. Daarbij komt dat voor zover de tribunalen al van oordeel zijn dat de leerstukken met betrekking tot het medeplegen van en de medeplichtigheid aan internationale misdrijven volkenrechtelijk gewoonterecht weergeven, de Nederlandse rechter hiermee, gelet op art. 94 GW, geen rekening kan houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de gevoerde verweren, uitgaande van de stelling dat het internationale strafrecht ten aanzien van begrippen als medeplegen en medeplichtigheid en van individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid tot andersluidende conclusies zou dwingen dan het Nederlandse strafrecht, gaat het hof dan ook voorbij.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">140.</span>Ik begin met de bespreking van de tweede klacht die het middel bevat, dat het hof heeft verzuimd te reageren op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt of verweer “dat de Nederlandse rechter zich moet oriënteren op die rechtspraak bij de invulling van delictsbestanddelen”. Uit de hiervoor weergegeven overwegingen blijkt dat het hof heeft uiteengezet dat het hier gaat om “het leveren van een bijdrage aan criminele groepsactiviteiten naar Nederlands recht” hetgeen “het zelfstandig misdrijf van art. 140 Sr oplevert” en voorts dat “voor zover de tribunalen al van oordeel zijn dat de leerstukken met betrekking tot het medeplegen van en de medeplichtigheid aan internationale misdrijven volkenrechtelijk gewoonterecht weergeven”, de Nederlandse rechter daarmee gelet op het bepaalde in art. 94 Grondwet geen rekening kan houden. Hieruit volgt dat de tweede klacht feitelijke grondslag mist, zonder dat ik daarmee inhoudelijk een oordeel uitspreek over hetgeen het hof te dezen heeft overwogen. De tweede klacht is immers beperkt tot de stelling dat het hof heeft verzuimd te reageren op hetgeen is aangevoerd, maar voert geen inhoudelijke bezwaren aan tegen de overwegingen die het hof heeft gebezigd. Bovendien is in het middel noch in de toelichting daarop met de vereiste precisie “die rechtspraak” aangegeven waarop de Nederlandse rechter zich zou moeten oriënteren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">141.</span>Voor de beoordeling van de eerste klacht, dat het hof “ten onrechte heeft geoordeeld dat de deelnemingsvormen die in het internationale strafrecht zijn ontwikkeld voor gewapende conflicten niet relevant zijn als de tenlastelegging wordt toegespitst op artikel 140 Sr”, verdient opmerking dat de in art. 140 Sr strafbaar gestelde deelneming een zelfstandig misdrijf is. Het zelfstandige karakter van art. 140 Sr brengt mee dat een veroordeling wegens deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, niet betekent dat de verdachte aansprakelijk wordt gesteld als deelnemer aan de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie was gericht, maar als deelnemer aan die organisatie. De Vries-Leemans drukt dit als volgt uit: “Niet de betrokkenheid bij een bepaald misdrijf staat centraal maar de – actieve – betrokkenheid bij de organisatie.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">142.</span>De verdachte is in de onderhavige zaak niet veroordeeld als deelnemer aan oorlogsmisdrijven of als oorlogsmisdadiger, maar wegens “deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven” onderscheidenlijk “deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” zoals het hof de onder 1A en 1B bewezen verklaarde feiten heeft gekwalificeerd. Behalve uit de kwalificatie blijkt het verschil met deelneming aan oorlogsmisdrijven uit het toepasselijke strafmaximum. Op deelneming aan een criminele organisatie is in art. 140, eerste lid, Sr een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren gesteld en ingevolge art. 140a, eerste lid, Sr op deelneming aan een terroristische organisatie een gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren (met strafverhoging tot een maximum van dertig jaren voor oprichters, leiders of bestuurders als bedoeld in het tweede lid), terwijl deelneming aan oorlogsmisdrijven (waarop het oogmerk van de criminele organisatie dan gericht zou zijn, zoals blijkt uit de bewijsvoering van het hof) is bedreigd met een levenslange gevangenisstraf (art. 6, eerste lid, Wet internationale misdrijven).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">143.</span>Voor zover de klacht er wat betreft de individuele aansprakelijkheid van uitgaat dat de verdachte is veroordeeld wegens deelneming aan schendingen van IHL of oorlogsmisdrijven in Sri Lanka, berust zij op een onjuiste lezing van het arrest.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">144.</span>Dan resteert de derde klacht, inhoudende dat het hof “de wetsgeschiedenis [miskent] die in de toelichting op het eerste cassatiemiddel is besproken” wanneer het hof “stelt dat uit niets blijkt dat de wetgever zou hebben beoogd om gewelddaden in een niet-internationaal gewapend conflict uit te zonderen van het bereik van de strafbepalingen die zien op (terroristische en andere) commune misdrijven”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">145.</span>Die klacht voldoet niet aan de eisen die gesteld worden aan een middel van cassatie. In de eerste plaats omdat de klacht verwijst naar “wetsgeschiedenis die in de toelichting op het eerste cassatiemiddel is besproken” zonder nader aan te geven welke dat is terwijl die toelichting ruim tien bladzijden beslaat. Een klacht moet uit zichzelf begrijpelijk zijn en dat is deze klacht niet vanwege de zoektocht die dit in de toelichting op het eerste middel oplevert. In de tweede plaats omdat de tekst waarnaar kennelijk wordt verwezen in de toelichting op het eerste cassatiemiddel onder 1.19, inhoudt dat “uit een nauwkeurige lezing van de wetsgeschiedenis blijkt, zoals bij pleidooi is betoogd, dat de wetgever wel degelijk aansluiting heeft gezocht bij de zogenoemde waterscheiding tussen enerzijds het internationale humanitaire recht en anderzijds de regels betreffende de bestrijding van terrorisme.” Een verwijzing naar de wetsgeschiedenis is daar niet gegeven, zodat ook om die reden de klacht onvoldoende duidelijk is gepresenteerd. Volgens de pleitnota, die ik erbij pakte, blijkt de “nauwkeurige lezing van de wetsgeschiedenis” het volgende te omvatten: “Uit de parlementaire stukken kan niet worden opgemaakt dat de wetgever expliciet en weloverwogen een keuze heeft gemaakt om, in afwijking van het internationale recht, handelingen tijdens een gewapend conflict onder het bereik van de (Nederlandse) terrorismewetgeving te brengen.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">146.</span>Na dit speurwerk, kan ik in de derde plaats, ten overvloede opmerken dat de wetsgeschiedenis in de pleitnota die ter terechtzitting is overgelegd, is gebruikt ter onderbouwing van een ander standpunt dan waarop in cassatie een beroep wordt gedaan. Uit de pleitnota blijkt namelijk dat op “de wetsgeschiedenis” een beroep is gedaan om de stelling te onderbouwen dat niet kan blijken dat de wetgever ervoor heeft gekozen om handelingen die tijdens een gewapend conflict worden begaan onder het bereik van de terrorismewetgeving te brengen. Dat is iets anders dan dat daaruit zou blijken dat de wetgever “gewelddaden in een niet-internationaal gewapend conflict” zou hebben willen uitzonderen “van het bereik van de strafbepalingen die zien op (terroristische en andere) commune misdrijven”, om deels de overweging van het hof te parafraseren waarover wordt geklaagd. De wetsgeschiedenis waarop een beroep lijkt te worden gedaan, is niet in strijd met de hier bestreden overwegingen van het hof.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">147.</span>De derde klacht is door de verwijzing naar de wetsgeschiedenis onvoldoende duidelijk terwijl de wetsgeschiedenis zelf – voor zover daarop in de pleitnota een beroep is gedaan – het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk maakt.</div>\n<p class=\"lf-p\">II.2.3. Eindoordeel inzake het tweede middel 148. Het middel faalt in alle onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">II.3. Bewijs van deelneming aan de internationale criminele organisatie/feiten 1A en 1B – het derde middel II.3.1. De klachten 149. Het derde middel behelst de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte als deelnemer aan de internationale criminele organisaties heeft aangemerkt doordat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het daaromtrent gevoerde verweer of uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte “niet wist dat de in Nederland gevestigde stichtingen TCC/TRO als onderdeel van de LTTE zijn aan te merken en dat hij geen wetenschap had van de misdrijven waarop de organisatie(s)” het oogmerk hadden. Het middel richt zich in het bijzonder op drie onderdelen van de bewijsvoering. De eerste twee zijn verwoord in het middel zelf en hebben betrekking op de wetenschap van de verdachte dat de in Nederland gevestigde stichtingen TCC/TRO als onderdeel van de LTTE zijn aan te merken en dat het oogmerk van de organisaties was gericht op de tenlastegelegde (terroristische) misdrijven. Het derde onderdeel van de bewijsvoering waarover wordt geklaagd, betreft het inschrijfformulier; het hof zou ongemotiveerd en onbegrijpelijk voorbij zijn gegaan “aan het standpunt van de verdediging dat geen sprake was van een inschrijfformulier en dat verzoeker op dat formulier expliciet heeft vermeld dat hij geen lid was van de LTTE”. Ik begin met het inschrijfformulier en de klacht dienaangaande.</p>\n<p class=\"lf-p\">II.3.2. Bespreking van het derde middel 150. Voor zover in cassatie een beroep wordt gedaan op het standpunt van de verdediging “dat verzoeker op dat formulier expliciet heeft vermeld dat hij geen lid was van de LTTE”, merk ik allereerst op dat ik dit standpunt niet heb kunnen terugvinden in de pleitnota noch in het proces-verbaal dat van de terechtzittingen van het hof is opgemaakt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">151.</span>Ter terechtzitting is met betrekking tot de lidmaatschapskaart het volgende aangevoerd, voor zover dat blijkt uit de daar overgelegde pleitnota: “ [J.M. J.] is in 2003 bij een door de LTTE georganiseerde bijeenkomst in Sri Lanka geweest. Hij heeft zich toen met eigen ogen kunnen vergewissen van de situatie ter plaatse en heeft kennis kunnen nemen van de ideeën en de werkzaamheden van de LTTE. Maar daarmee is hij nog geen lid van de LTTE, net zo min als de voorgeschreven registratie – die slechts gedeeltelijk door hem zelf is ingevuld – als een lidmaatschapskaart van de LTTE kan worden beschouwd.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">152.</span>In de bewijsvoering onder 11.2.4 houdt het arrest met betrekking tot het inschrijfformulier het volgende in: “Door de autoriteiten van Sri Lanka zijn, zoals overwogen, aan het opsporingsteam documenten uit de administratie van [betrokkene 2] overgedragen. Deze documenten betreffen een bijeenkomst die in 2003 op Sri Lanka heeft plaatsgevonden en bevatten onder meer LTTE inschrijfformulieren. De titel van deze formulieren is ‘internationale contactplaats, vrijheidstijgers van Tamil Eelam, informatie over een buitenlandse medewerker’. Eén van deze LTTE inschrijfformulieren betreft [J.M. J.] . Als bijnaam van [J.M. J.] is vermeld ‘ [bijnaam J.M. J.] ’.</div>\n<p class=\"lf-p\">In het formulier gedateerd 3 januari 2004 is onder meer vermeld dat [J.M. J.] verantwoordelijke propagana/sportafdeling, bestuur muziekcomité, fondsenwerving was.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">153.</span>Uit de bewijsvoering kan ik niet opmaken dat het hof het inschrijfformulier als lidmaatschapskaart heeft aangemerkt zoals ter terechtzitting is aangevoerd. In zoverre mist de klacht in cassatie feitelijke grondslag. Ter terechtzitting is immers aangevoerd dat “de voorgeschreven registratie [niet] als een lidmaatschapskaart van de LTTE kan worden beschouwd”. Het hof heeft het formulier niet als lidmaatschapskaart beschouwd maar als inschrijfformulier. In zoverre merk ik ten overvloede op dat uit het formulier blijkt dat de verdachte zich voor een LTTE-bijeenkomst heeft ingeschreven, en dat de verdachte verantwoordelijk was voor werkzaamheden van de LTTE, te weten “propaganda/sportafdeling, bestuur muziekcomité, fondsenwerving”. Onder meer, en dus niet alleen, hieruit heeft het hof afgeleid dat de verdachte lid was van de LTTE en die gevolgtrekking vind ik geenszins onbegrijpelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">154.</span>De twee resterende klachten worden weerlegd door de bewijsvoering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">155.</span>Uit de bewijsvoering onder 11.2.4 blijkt dat de verdachte geld heeft opgehaald en als betalingsbewijs kwitanties heeft verstrekt met daarop het rode embleem van de Tamil vrijheidsstrijders. Bovendien blijkt uit de voor de bewijsvoering gebezigde verklaring van medeverdachte [S. R.] dat via de TCC werkzaamheden voor de LTTE zijn verricht en dat het “allemaal één” is. Hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat de in Nederland gevestigde stichtingen TCC/TRO als onderdeel van de LTTE zijn aan te merken. Deze desbetreffende klacht faalt daarom.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">156.</span>Voorts heeft het hof voor de bewijsvoering de door de verdachte in hoger beroep ter terechtzitting afgelegde verklaring gebruikt die onder meer inhoudt dat hij “op het internet of op het nieuws” te weten kwam als “er ergens op Sri Lanka een incident plaatsvond”. Hieruit heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte wetenschap had van aanslagen die in Sri Lanka door de LTTE werden begaan (of aan de LTTE werden toegeschreven) en daarmee wetenschap had van de misdrijven waarop het oogmerk van de organisaties was gericht, zodat ook deze laatste klacht van het middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">II.3.3. Eindoordeel inzake het derde middel 157. Het middel faalt in alle onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">II.4. Overtreding van de Wet op de kansspelen/feit 2 sub e – het vierde middel II.4.1. De klachten 158. Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat de organisatie waaraan de verdachte heeft deelgenomen het oogmerk had op het overtreden van de Wet op de kansspelen. Het middel valt in twee klachten uiteen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">159.</span>De eerste klacht houdt in dat het hof in strijd met het recht heeft geoordeeld dat de vrijstelling waarin is voorzien in art. 7c Wet op de kansspelen (WoK) niet van toepassing is althans dat het zijn oordeel daarover onvoldoende heeft gemotiveerd. De tweede klacht is gericht tegen de bewezenverklaring van het onderdeel dat de organisatie het oogmerk had op het overtreden van de WoK.</div>\n<p class=\"lf-p\">II.4.2. Bespreking van het vierde middel 160. Voor de beoordeling van het middel is van belang dat het hof ten laste van de verdachte onder 2 heeft bewezenverklaard dat: “2. De nationale criminele organisatie hij in de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [T. E.] en/of [R. S.] en/of [L. T.] en/of anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:d) (gewoonte)witwassen (zoals bedoeld in artikel 420ter en/of 420bis Wetboek van Strafrecht) ene) overtreding van art. 1 van de Wet op de Kansspelen opzettelijk begaan enf) dwang (zoals bedoeld in artikel 284 Wetboek van Strafrecht) enh) de opzettelijke voorbereiding van eerdervermelde misdrijven. (artikel 140 Wetboek van Strafrecht)”.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">161.</span>Op de terechtzittingen van het hof is namens de verdachte aangevoerd dat de uitzondering van art. 7 Wet op de kansspelen (WoK) van toepassing is zodat geen vergunning was vereist voor de gehouden loterijen, en voorts de overtreding van art. 1 WoK niet opzettelijk is begaan en derhalve geen misdrijf oplevert maar een overtreding.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">162.</span>Het hof heeft ter zake het volgende overwogen en daarbij tevens het gevoerde verweer weergegeven en verworpen: “11.3.3.2. Overtreding van de Wet op de kansspelen (Feit 2 sub e) In feit 2 sub e is tenlastegelegd dat de LTTE (hét hof feest: waaronder de TCC) het oogmerk had op overtreding van art. 1 van de Wet op de Kansspelen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof oordeelt als volgt. [S. R.] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep als volgt: ‘Er werd ook nog op andere manieren geld ingezameld. Van 2003 tot 2008 werden er een soort loterijen georganiseerd. Deze loterijen vonden op twee manieren plaats. Tijdens de sportdagen, waar ongeveer 800 tot 1000 mensen op afkwamen, werd ter vermaak van de mensen een loterij gehouden. De loten kostten twee à drie euro per lot. In 2005 zijn er overigens ook loten voor de loterij gedrukt, maar die loterij heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden. In 2006, 2007 en 2008 is er ook twee keer een loterij georganiseerd voor de Chencholai weeskinderen. Deze loterijen hebben zonder toestemming van de Nederlandse overheid plaatsgevonden. Iemand had ons advies gegeven en gezegd dat het vragen van toestemming niet nodig was, omdat de loterij alleen onder Tamils en vrienden zou worden gehouden. Dit advies bleek onjuist.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige [getuige] verklaart, zakelijk weergegeven: “Ik heb wel loten gekocht voor één a twee euro per stuk. De loterijen werden verkocht voor de sport en soms bij de huizen. De kosten zoals scheidsrechters worden daar mee betaald. De loterij wordt gehouden op de heldendag. Omdat ik heb deelgenomen aan de heldendag heeft [S. R.] mij gevraagd om bij te houden wie wat verkocht had en dat zou ik hem geven. De gegevens van de loterij boekjes, hoeveel die persoon wel of niet heeft verkocht. Ik moest dat noteren, mijn vrouw heeft genoteerd. Ik zei wat zij moest noteren. Je kan een laptop of een fiets winnen dat soort dingen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het vestigingsadres van de TCC te ’s-Gravenhage zijn vier loten in beslag genomen, voor een loterij die plaats heeft gevonden in 2003.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Nederlandse administratie, in beslag genomen zowel in de woning van [L. T.] te Breda, als in de woning van [R. S.] te Schagen, staat onder 31 oktober 2007 een bedrag van € 6.100,00 vermeld, met de omschrijving “De loterijgelden aan Sencholai gegeven”. [S. R.] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard: “Het klopt dat er op 14 januari 2008 een loterij is georganiseerd. Dit is Pongal Day, Tamil Nieuwjaar.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Namens [J.M. J.] , [S. R.] en [T. E.] is het verweer gevoerd dat er geen vergunning nodig was voor het organiseren van de loterijen omdat deze zouden vallen onder de uitzondering van artikel 7c van de Wet op de kansspelen. Het hof verwerpt dit verweer, nu deze uitzondering slechts geldt voor kleine loterijen georganiseerd door Nederlandse verenigingen. De LTTE noch de TCC zijn echter verenigingen naar Nederlands recht. Ook blijkt uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van [S. R.] ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij over de noodzaak van het vragen van een vergunning advies had gevraagd (en ten onrechte het advies had gekregen dat zulks niet nodig was), dat hij zich bewust is geweest van de mogelijke strijdigheid van de loterijen met de wetgeving terzake, zodat ook in zoverre sprake is geweest van de voor het delict vereiste mate van opzet, en er ook sprake is van het misdrijf als bedoeld in de Wet op de Economische delicten.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">163.</span>Artikel 1 WoK luidt als volgt: “1. Behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde is het verboden: a. gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend; b. de deelneming hetzij aan een onder a bedoelde gelegenheid, gegeven zonder vergunning ingevolge deze wet, hetzij aan een overeenkomstige gelegenheid, gegeven buiten het Rijk in Europa, te bevorderen of daartoe voor openbaarmaking of verspreiding bestemde stukken in voorraad te hebben; c. gebruik te maken van een onder a bedoelde gelegenheid, wetende dat voor het geven daarvan geen vergunning ingevolge deze wet is verleend; d. opzettelijk in strijd met de waarheid het vermoeden te wekken dat voor een gelegenheid als onder a bedoeld ingevolge deze wet vergunning is verleend, of dat aan de verleende vergunning geen voorschrift of niet al de gestelde voorschriften zijn verbonden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden te handelen in strijd met de aan de verleende vergunning verbonden voorschriften.\"</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">164.</span>Titel Va van de WoK, waarnaar in de aanhef van het eerste lid wordt verwezen, heeft betrekking op speelautomaten, en is voor de beoordeling van het middel niet relevant.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">165.</span>Artikel 7c, eerste en tweede lid, WoK luidde ten tijde van de bewezen verklaarde feiten als volgt: “1. Onder het organiseren van het kleine kansspel wordt verstaan het door een ten minste drie jaar bestaande Nederlandse vereniging, die krachtens zijn statuten een duidelijk omschreven doel - niet zijnde de beoefening van enigerlei vorm van kansspel - beoogt te dienen, ten bate van een genoemd, niet met het algemeen belang in strijd zijnd doel beleggen van een bijeenkomst, waar gelegenheid tot het deelnemen aan het kleine kansspel wordt gegeven, waarbij de prijzen of premies in geld of goederen, die door de deelnemers aan het spel kunnen worden verkregen, geen hogere waarde hebben dan € 350,- per serie of set en de gezamenlijke waarde daarvan niet meer bedraagt dan € 1.400,- per bijeenkomst.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden een bijeenkomst, waar gelegenheid tot het deelnemen aan het kleine kansspel wordt gegeven, te organiseren: a. indien niet ten minste veertien dagen tevoren aan burgemeester en wethouders van de gemeente, waar de bijeenkomst zal plaatsvinden, op door hen aan te geven wijze of bij gebreke vandien bij aangetekend schrijven, mededeling is gedaan van de plaats waar en het tijdstip waarop de bijeenkomst wordt georganiseerd, b. indien burgemeester en wethouders zodanige bijeenkomst hebben verboden.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">166.</span>Met ingang van 1 januari 2008, zijn de in art. 7c, eerste lid, WoK genoemde bedragen vastgesteld op respectievelijk € 400,- en € 1.550,-.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">167.</span>Met betrekking tot de eerste klacht, dat het hof in strijd met het recht heeft geoordeeld dat de vrijstelling waarin is voorzien in art. 7c WoK niet van toepassing is, althans dat het zijn oordeel daarover onvoldoende heeft gemotiveerd, wordt aangevoerd dat “een stichting zoals de TCC wel degelijk gelijk kan worden gesteld met de vereniging, zodat de vrijstelling van artikel 7c WoK ook van toepassing is op de onderhavige loterijen.” Voor de onderbouwing daarvan wordt verwezen naar rechtspraak, praktijk van gemeenten en literatuur waarop ter terechtzitting van het hof een beroep is gedaan. Ik merk op dat in cassatie verder niet wordt onderbouwd dat de LTTE kan worden gelijkgesteld met de vereniging zoals bedoeld in art. 7c WoK, zodat ik het middel aldus uitleg dat het zich beperkt tot de TCC.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">168.</span>Literatuurverwijzingen heb ik in de pleitnota waarnaar wordt verwezen, op dit punt niet aangetroffen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">169.</span>Een beroep wordt gedaan op de Afdeling Rechtspraak Raad van State (Voorzitter) van 15 april 1986 waarin het “voorshands” niet uitgesloten wordt geacht dat het organiseren van een kansspel door een stichting die zich materieel niet of weinig onderscheidt van een vereniging tevens onder art. 7c WoK kan vallen. Dit wordt ondersteund door een beroep op regelingen in de gemeenten Gemert-Brakel, Ridderkerk en Brielle die ook zouden gelden voor verenigingen en daarmee gelijk te stellen stichtingen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">170.</span>Blijkens de tekst van art. 7c WoK kan een vergunning als bedoeld in art. 1 WoK worden aangevraagd door een “Nederlandse vereniging”. De tekst van de wet is duidelijk en biedt geen ruimte voor een andere (ruimere) uitleg. De Afdeling Rechtspraak Raad van State kiest voor een restrictieve uitleg van art. 7c WoK in zijn uitspraak van 8 augustus 1985, waarin zij overweegt “onvoldoende grond voor een ruime interpretatie van het bepaalde in art. 7c eerste en tweede lid” te zien omdat in Titel Ia WoK “reeds een bijzondere, en met name in vergelijking met hetgeen in het algemeen geldt ten aanzien van kansspelen minder restrictieve, regeling ten aanzien van het kleine kansspel is getroffen”. Op dit punt wijkt de Afdeling dus af van de latere beslissing van de Voorzitter waarop in cassatie een beroep wordt gedaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">171.</span>Toch biedt de parlementaire voorbereiding van deze regeling van de zogenoemde “kleine kansspelen” een aanknopingspunt voor een ruime uitleg. De Memorie van Toelichting bij het initiatiefwetsvoorstel houdt over de uitzondering op het verbod op kansspelen dat voor kleine kansspelen zou worden gemaakt, het volgende in: “Kleine kansspelen als het kienen, rad van avontuur, vogelpiekspel e.d. worden met name in het zuiden van ons land als een volstrekt onschuldig volksvermaak beschouwd, waarbij met een bescheiden inleg zowel de kas van de eigen vereniging wordt versterkt als een kans op een aardige prijs wordt verkregen. Het onschuldige karakter van deze spelen gaat uiteraard verloren, indien organisatoren uit eigen winstbejag optreden en door steeds verlokkelijker aanbiedingen de deelnemers tot hogere inzetten trachten te bewegen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Wij achten het juist, dat deze laatste vorm van beoefening van het zgn. kleine kansspel onder de werking van de wet blijft vallen. Anders is het echter gesteld met bijv. de kienavonden, door verenigingen voor hun leden en introducé’s gehouden met het doel de opbrengst van de kas der vereniging ten goede te doen strekken. Mits voldoende waarborgen worden getroffen dat hier geen gokclubs kunnen opereren, lijken ons geen bezwaren aanwezig deze activiteiten aan de werkingssfeer van de wet te onttrekken. Zodanige waarborgen achten wij gelegen in het voorschrift, dat bijeenkomsten tot het beoefenen van het kleine kansspel alleen belegd kunnen worden – wil van een geoorloofde vorm van kansspel sprake zijn – door verenigingen, die tenminste 5 jaar bestaan en krachtens hun statuten een duidelijk omschreven doel – anders dan de beoefening van een vorm van een kansspel – beogen, te dienen, en dat Burgemeester en Wethouders voor het houden van zo’n bijeenkomst vergunning moeten verlenen, die wordt geweigerd als persoonlijk voordeel wordt beoogd en op termijn wordt verleend, als zulks uit oogpunt van een ordelijk verloop van zaken gewenst is. ”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">172.</span>Bij de bespreking van het initiatiefwetsvoorstel wordt vanuit de bijzondere commissie de reikwijdte van de uitzonderingen voor het kleine kansspel te beperkt gevonden. Bij vele leden was de vraag gerezen “waarom het aantal kienavonden per vereniging beperkt zou moeten worden tot twee keer per jaar. Dit zou ten opzichte van de bestaande praktijk een achteruitgang zijn. De verenigingen organiseren immers regelmatig kienavonden om de ledenbinding en om hun leden een gezellige middag of avond te bezorgen. Hiernaast vallen uiteraard de grote kienavonden, georganiseerd om geld voor een bepaald doel bijeen te brengen, normaal onder de wet op de kansspelen.[…]Vele andere leden waren van mening dat juist de sociale contacten van groot belang zijn bij het kienen en dat daarom gelegenheid moet worden geboden éénmaal per maand een kien-, bingo- of rad van avontuur-avond te organiseren.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">173.</span>Deze opmerkingen hebben geleid tot een aanpassing van het initiatiefwetsvoorstel dat erop neerkomt dat de vereiste vergunning wordt vervangen door een meldplicht, zoals die uiteindelijk in art. 7c WoK is neergelegd. De toelichting bij de nota van wijziging, houdt het volgende in: “Onze opzet was een wettelijk stramien te geven, waarbinnen zowel het onschuldig volksvermaak met zijn bescheiden prijzen een plaats zou kunnen vinden als de wat forser opgezette bijeenkomsten, die door de limitering van het prijzentotaal tot f 5000 nog niet als zware goksessies kunnen worden aangemerkt. Het was bepaald niet onze bedoeling om het onschuldig volksvermaak in een te nauw keurslijf te binden, noch om een regeling te treffen voor bijeenkomsten, waaraan geen behoefte bestaat. Na overleg met gemeentelijke en justitiële autoriteiten in Limburg hebben wij dan ook een nieuwe regeling ontworpen, waarvan het hoofdkenmerk is, dat bijeenkomsten om te kienen belegd kunnen worden door tenminste vijf jaar bestaande verenigingen, mits zulke bijeenkomsten 14 dagen tevoren aan B en W worden aangemeld. Op deze wijze wordt verzekerd, dat in ieder geval controle kan worden uitgeoefend. De voor B en W gecreëerde mogelijkheid die bijeenkomsten te verbieden, achten wij gewenst.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">174.</span>In de Memorie van Antwoord wordt naar de voorgestelde wijzigingen verwezen en ingegaan op de reikwijdte van de in art. 7c, eerste lid, bedoelde vereniging: “Met de van vele zijden gemaakte opmerkingen, dat het door ons voorgestelde regiem onvoldoende rekening houdt met het onschuldige karakter van met name het kienen, hebben wij bij onze nadere voorstellen op dit punt rekening gehouden.[…]Wij hechten eraan, dat de voorgestelde mogelijkheden slechts worden geboden aan verenigingen (waaronder wij willen begrijpen ook andere doelorganisaties (waaronder wij willen begrijpen ook andere doelorganisaties, die leden kennen, maar formeel niet tot de verenigingen worden gerekend, als kerkgenootschappen, kerkelijke gemeenten en parochies), die ook overigens hun waarde hebben bewezen.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">175.</span>De uitzondering op het verbod op kansspelen dat is gemaakt voor de zogenoemde “kleine kansspelen” is in de wet opgenomen om het reeds bestaande “onschuldig volksvermaak” buiten de reikwijdte van de strafwet te houden, in overeenstemming met de destijds bestaande opsporingspraktijk. Ik meen de uitzondering te kunnen samenvatten als te zijn gericht op “Nederlandse folklore”. Vandaar de beperking tot Nederlandse verenigingen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">176.</span>De uitzondering voor kleine kansspelen is in het bijzonder opgenomen met het oog op kansspelen die worden georganiseerd voor leden van een vereniging aangevuld met introducees. Het gaat om bijeenkomsten die voor de leden van de vereniging worden georganiseerd, waarbij het sociale karakter, de onderlinge band tussen de leden of de band tussen de leden en de vereniging voorop staat. Vandaar de verwijzing naar “leden”, ook in de opmerking in de Memorie van Toelichting waar een ruimere uitleg van het begrip vereniging wordt gegeven tot “andere doelorganisaties, die leden kennen”. Bij gebrek aan leden – die een stichting niet mag hebben – kan een stichting als de TCC geen aanspraak maken op de uitzondering voor kleine kansspelen waarin art. 7c WoK heeft voorzien.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">177.</span>Het oordeel van het hof, dat de uitzondering in art. 7c, eerste lid, WoK niet geldt voor de TCC, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is dat oordeel niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van regelingen van de gemeenten waarop ter terechtzitting een beroep is gedaan nu dit niet de gemeenten zijn waar de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten zijn begaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">178.</span>De eerste klacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">179.</span>De tweede klacht is gericht tegen de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat de organisatie het oogmerk had op het overtreden van de WoK. De bewezenverklaring zou ontoereikend zijn gemotiveerd omdat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de organisatie opzet had op het ontbreken van de vereiste vergunning. De door het hof voor de bewijsvoering gebruikte verklaring van de medeverdachte [S. R.] zou “niet voldoende [zijn] om tot opzet te komen” omdat daaruit “bezwaarlijk [kan] worden afgeleid dat deze medeverdachte ook de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat met een loterij de WoK werd overtreden”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">180.</span>Alvorens inhoudelijk in te gaan op de voorgestelde klacht, merk ik op dat ik het middel en de toelichting daarop aldus versta dat daarin niet afzonderlijk wordt geklaagd dat het hof voorbij is gegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt “dat het opzet moet zijn gericht op het organiseren van loterijen zonder vergunning”. In de toelichting wordt wel weergegeven dat dit standpunt ter terechtzitting is ingenomen, maar de klacht dat het hof daaraan voorbijgegaan zou zijn gegaan, ontbreekt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">181.</span>Voor zover dit van belang is voor de beoordeling van de (tweede) klacht die ik wél in het middel en de toelichting heb gelezen, heeft het hof ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat hij tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen “aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten […] e. overtreding van art. 1 van de Wet op de Kansspelen, opzettelijk begaan”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">182.</span>De bijzondere overwegingen die het hof heeft gewijd aan de bewijsvoering van dit onderdeel van de bewezenverklaring, heb ik hierboven integraal weergegeven bij de bespreking van de eerste klacht. De tweede klacht richt zich tegen de overweging van het hof dat uit de voor de bewijsvoering gebruikte verklaring van [S. R.] blijkt dat hij “zich bewust is geweest van de mogelijke strijdigheid van de loterijen met de wetgeving terzake, zodat ook in zoverre sprake is geweest van de voor het delict vereiste mate van opzet”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">183.</span>Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat de opvatting, dat het opzet ook op het niet-naleven van de in de bewezenverklaringen bedoelde wettelijke verplichtingen dient te zijn gericht, onjuist is. Bovendien is in deze zaak niet het overtreden van vergunningsvoorschriften tenlastegelegd, zodat de in HR 15 april 2008 gestelde eis, dat het opzet van de verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm op het overtreden van die vergunningsvoorschriften gericht moet zijn geweest, niet van toepassing is. In het verlengde hiervan ligt dat evenmin is vereist dat het opzet gericht moet zijn op het bestaan van een vergunningsvereiste. Daarbij komt nog dat overtreding van art. 1 WoK niet als zelfstandig strafbaar feit ten laste is gelegd, maar enkel dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie waarvan het oogmerk was gericht op overtreding van art. 1 WoK, zodat het voor een bewezenverklaring in het geheel niet nodig is dat art. 1 WoK daadwerkelijk door de verdachte is overtreden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">184.</span>De gevolgtrekking die het hof aan de verklaring van [S. R.] heeft verbonden – “dat sprake is geweest van de voor het delict vereiste mate van opzet” – geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. De medeverdachte [S. R.] heeft tezamen en in vereniging met de verdachte en de andere medeverdachten de criminele organisatie gevormd waarvan het oogmerk was gericht op het plegen van misdrijven, zodat ik het alleszins begrijpelijk vind dat het hof op basis van de wetenschap die het bij [S. R.] aanwezig heeft geacht, tot de conclusie komt dat het oogmerk van de criminele organisatie was gericht op het plegen van misdrijven, te weten overtreding van art. 1 WoK zoals verwoord in het tenlastegelegde en bewezenverklaarde art. 140 Sr (feit 2).</div>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, blijkt uit het door [S. R.] inwinnen van advies – welk advies luidde dat een vergunning niet was vereist – niet dat hij geen wetenschap had van het ongeoorloofde van het door hem en zijn medeverdachten (waaronder de verdachte in de onderhavige zaak) organiseren van de loterijen maar heeft het hof daaruit mogen afleiden, en kennelijk ook afgeleid, dat [S. R.] wist dat op het organiseren van loterijen de WoK van toepassing was en dat daarvoor in de regel een vergunning is vereist. Met een blik over de papieren muur merk ik in zoverre ten overvloede op dat [S. R.] de naam van degene die hem zou hebben gezegd dat een vergunning niet was vereist, niet heeft willen geven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">185.</span>De tweede klacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">186.</span>Voor zover de toelichting op het middel nog de klacht bevat dat het opzet op overtreding van de WoK op basis van de verklaring van [S. R.] niet aan de verdachte kan worden toegerekend – ik lees daarin: “valt niet in te zien dat die wetenschap van [S. R.] ook aan de ten laste gelegde organisatie en daarmee aan verzoeker kan worden toegerekend” –, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij wijs ik er nogmaals op dat ten laste van de verdachte niet is bewezenverklaard dat hij art. 1 WoK opzettelijk heeft overtreden maar dat hij (tezamen en in vereniging met anderen) heeft deelgenomen aan een organisatie die het oogmerk had op het overtreden van art. 1 WoK. Rechtstreeks opzet van de verdachte op de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie was gericht, is daarvoor niet vereist.</div>\n<p class=\"lf-p\">II.4.3. Eindoordeel inzake het vierde middel 187. Het middel faalt in alle onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">III De door het Openbaar Ministerie voorgestelde vijf middelen Nu de namens de verdachte voorgestelde middelen zijn besproken, ben ik toegekomen aan bespreking van de middelen die door het Openbaar Ministerie zijn voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">III.1. De afpersing van Tamils in Nederland/feit 2 sub g – het eerste middel 188. Het eerste middel van het Openbaar Ministerie komt met een rechtsklacht en een motiveringsklacht op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het deelnemen aan een nationale criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van afpersing (feit 2 aanhef en onder g).</p>\n<p class=\"lf-p\">III.1.1. De tenlastelegging en de vrijsprekende beslissing van het hof 189. Voor de beoordeling van het middel is van belang dat aan de verdachte onder 2 aanhef en sub f en g ten laste is gelegd dat: “2. De nationale criminele organisatie hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [T. E.] en/of [J.M. J.] en/of [R. S.] en/of [L. T.] en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven [zaaksdossier B01], te weten:[…]f) dwang (zoals bedoeld in artikel 284 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B06] en/ofg) afpersing (zoals bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B06]”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">190.</span>Het hof heeft in het verband van deze nationale criminele organisatie en het oogmerk van deze organisatie (als bedoeld in 2 aanhef) de dwang wél, doch de afpersing niet bewezen geacht, en daaromtrent het volgende overwogen: “11.3.3.3. Dwang (Feit 2 sub f) […] [S. R.] verklaart in hoger beroep als volgt: “U vraagt mij of [betrokkene 2] mij instructies heeft gegeven hoe verder te handelen in Nederland. In 2003 was er een reorganisatie bij de LTTE. Er is toen een boekje uitgekomen met allerlei regels over wat wij moesten doen.</div>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij of dit boekje het handboek betreft waarin ook het organisatieschema, dat u mij zojuist heeft voorgehouden, is opgenomen. Ja, dat is hetzelfde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het boek stonden de algemene regels beschreven. Elk land mocht deze regels op zijn eigen wijze toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt of ik degene was die daarvoor verantwoordelijk was in Nederland. Ja, dat klopt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft voorts kennis genomen van het door [S. R.] genoemde handboek. Uit dit geschrift blijkt dat het internationale secretariaat van de LTTE van de verantwoordelijken in de afzonderlijke landen verwacht dat alle noodzakelijk maatregelen getroffen dienen te worden om van elke Tamil in dat land een maandelijkse donatie te verkrijgen ten behoeve van de vrijheidsstrijd op Sri Lanka.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de woning van [S. R.] is op een CD een brief aangetroffen van 11 februari 2007 van [S. R.] (het hof begrijpt: [S. R.] ) aan de districtsverantwoordelijken. [S. R.] schrijft hierin dat zij onmiddellijk de namen, adressen en telefoonnummers van mensen uit hun regio die geen enkele contributie hebben betaald, moeten e-mailen naar Chencholai en Arivucholai verzorgingshuizen en de reden waarom zij niet hebben meegedaan. In bedoeld pand is tevens een brief aangetroffen van [J.M. J.] (het hof begrijpt: [J.M. J.] ) aan [S. R.] met namen en telefoonnummers van mensen in Midden Nederland die niet hebben meegedaan en niet willen meedoen. Voorts is in dit pand een lijst aangetroffen met namen en adressen van Tamils in Nederland en België, waarbij achter sommige namen is geschreven “no pay” of “negative”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 26 april 2010 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het adres van [betrokkene 4] te Londen. Daarbij is (in een computerbestand) een brief aangetroffen gedateerd 15 maart 2007 met de volgende inhoud: “ [betrokkene 5] , [geboortedatum] -1983 uit Den Haag wil de vrouw die voor hem is uitgezocht hier naar toe laten halen. Ze zijn daarheen gegaan voor een pas. Ze hebben verteld dat ze dat pas kunnen geven nadat er een antwoord van ons is. [betrokkene 5] en de moeder van [betrokkene 5] zijn naar me toe gekomen. Hun deelname 2004-2005, totaal € 500,- heb ik ontvangen. In 2006 geen deelname. Voor 2007 heb ik ze ontmoet. Ze hebben geschreven dat ze € 60,- per maand zullen geven. Ik heb een maand 60 euro ontvangen. Mijn mening: als er 2500 gevraagd wordt, zouden we kunnen krijgen. Hoogachtend, [betrokkene 4] .” [betrokkene 6] , wonend in Breda, heeft zakelijk weergegeven verklaard dat de mensen die aan de deur kwamen zware morele druk op hem legden. Zij zeiden dat hij zijn land in de steek liet. Met zij bedoelt hij de mensen die aan de deur kwamen; [betrokkene 7] , [betrokkene 8] en nog een paar anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als hij naar zijn broer in Sri Lanka wilde, en hij moest via het gebied van de LTTE, dan had hij een nummer nodig. In Omantha is een controlepost van de LTTE en dan heb je een nummer nodig om te kunnen passeren. Hij moest eerst betalen en dan zou hij een nummer krijgen. Hij heeft geld overgemaakt aan de TCC. Toen is er ook al eens om een groot geldbedrag gevraagd voor de “onophoudelijke golven”. Hij kon dat niet betalen en toen is overeengekomen dat hij periodiek zou betalen. Bij het tonen van foto 1 ( [L. T.] ) verklaart hij dat dat [L. T.] is en dat die in Breda woont. Hij was tot aan het verlies van de LTTE ervan overtuigd dat hij een nummer nodig had om daar in Sri Lanka te komen, zo niet dan zouden zij hem vasthouden bij Omantha tot alsnog betaald was. Hij verklaart dat [betrokkene 7] praat of hij wil slaan. [betrokkene 7] belde soms en vroeg of het geld al klaar lag. Als hij dan zei van niet, zei [betrokkene 7] dat hij maar een telefoontje hoefde te plegen. Daaruit begreep hij dat hij in Sri Lanka problemen kon verwachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij verklaart dat [betrokkene 7] in 2004 zijn districtsverantwoordelijke was. [betrokkene 9] , wonend in Breda, heeft ter terechtzitting in hoger beroep zakelijk weergegeven verklaard: “Ik had van landgenoten die naar Sri Lanka zijn gereisd gehoord dat ik, in het geval ik naar Sri Lanka wilde reizen, een pasje/reisdocument nodig zou hebben. Ik moest geld betalen om dat document te kunnen krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wilde naar mijn vaderland reizen en ik heb toen aan [betrokkene 7] gevraagd hoe ik zo’n pas zou kunnen regelen en aan wie ik daarvoor geld moest betalen. Van andere mensen heb ik geld geleend om de pas te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik moest naar Sri Lanka reizen en ik was bang dat ze mijn paspoort in beslag zouden nemen, daardoor voelde ik mij bedreigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb aan [betrokkene 7] € 500,- betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2005 ben ik in verband met een bezoek aan mijn vader naar Sri Lanka gereisd met een Sri Lankaans paspoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik denk dat ik de kwitantie van [betrokkene 7] heb gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar stond op dat ik 500 rupees had betaald en dat dit het bewijs daarvan was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het klopt dat ik tegen de politie heb gezegd dat [betrokkene 7] tegen mij gezegd heeft dat ik het betalingsbewijs kon meenemen zodat ik dat daar bij de LTTE kon laten zien. [betrokkene 10] , wonend in Lelystad, heeft ter terechtzitting in hoger beroep zakelijk weergegeven verklaard: “U houdt mij voor dat ik tegenover de rechter-commissaris heb verklaard dat ik in 2009 contact heb gehad met een persoon genaamd [J.M. J.] . U zegt dat u uit mijn verklaring heeft begrepen dat hij bij mij kwam voor geldinzameling voor de LTTE.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2009 had ik een winkel. Toen heb ik hem daar gezien. Hij zei “wij verzamelen geld bij iedereen”. U vraagt mij wie hij met ‘wij’ bedoelde. Hij kwam niet alleen. Hij zei “wij gaan alle winkels langs”.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij of hij de Tamiltijgers of de LTTE heeft genoemd. Hij had een brief bij zich. Hij zei dat hij voor hun geld inzamelde. U vraagt mij of hij nader heeft aangegeven wie met ‘hun’ bedoeld werden. Hij zei dat hij een brief heeft gekregen van ‘daar’ en daarom zamelde hij geld in voor de LTTE. Dat heeft hij gezegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij of hij een bonnenboekje heeft laten zien. Ja, dat heeft hij.</p>\n<p class=\"lf-p\">U toont mij nu op een groot scherm pagina A07 0155 van het dossier en u vraagt mij of ik dit herken. Ja.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij of ik toen iets soortgelijks heb gezien. Ja, het was zoiets.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij of ik het rode embleem herken. Dat was toen in het zwart.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij wat het voorstelt. Dat is van de Tamiltijgers. Dat staat er ook in de Tamil taal.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij in welke periode [J.M. J.] bij mij is geweest. Mijn winkel is in februari 2009 geopend. Ik denk dat het ongeveer twee maanden na de opening was.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste keer dat hij langskwam zei hij dat ze langs alle Tamilwinkels gingen om geld in te zamelen. Hij zei dat wij moesten helpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij naar de tweede keer dat [J.M. J.] langskwam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij vroeg mij toen of ik nagedacht had. Hij liet mij weer een brief zien en zei “het geld is niet voor mij, maar het is voor ons”.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij wie hij met ‘ons’ bedoelde. Ik denk dat hij de LTTE bedoelde, want op de brief die hij liet zien stond LTTE. Ik weet zeker dat de LTTE problemen maakt voor de mensen die geen geld geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij of er andere personen bij mij zijn langs geweest. [bijnaam J.M. J.] is met een brief langs geweest. Hij vertelde dat zij bij iedereen 1000 euro inzamelden. Toen ik zei dat ik geen 1000 euro had, zei hij dat ik ook elke maand 50 euro kon geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij zei “Je bent Tamil, je moet ons helpen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij of ik mij op enigerlei wijze onder druk gezet voelde door [J.M. J.] of [S. R.] . Ja, dat voelde ik wel zo.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij of ik kan toelichten waarom ik dat zo voelde. Toen [J.M. J.] mij om geld ging vragen ben ik een beetje bang geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij wat hij deed waardoor ik bang werd. Als er geen geld werd betaald, misschien kreeg ik dan problemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij of ik dat dacht of dat hij dat zo gezegd heeft. Hij heeft gezegd dat hij iemand is die problemen kan maken en dat hij andere mensen die niet hebben betaald heeft geslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij of hij nog andere dingen heeft gezegd waardoor ik bang werd. Hij zei “je moet betalen” en ja, ik heb ook kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij of hij mij op enige wijze bedreigd heeft met mijn kinderen. Hij heeft gezegd “als je niet betaalt dan heb je een probleem”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij heeft gezegd “je moet geld geven, anderen hebben dat ook al gedaan”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast heeft hij gezegd “ik heb al problemen gemaakt bij andere mensen die niet betalen”. Toen dacht ik dat hij problemen met mijn kinderen kon maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">U houdt mij in dit kader voor dat ik in antwoord op vragen van de rechter-commissaris heb gezegd dat hij had gezegd “Je moet geld betalen of jij moet hulp aanbieden aan de Tijgers”, dat “hij had deelgenomen aan de strijd en scherven in zijn hart heeft” en “Als jij niet helpt, ga ik kinderen ontvoeren”. U vraagt mij of ik dit zo bij de rechter-commissaris heb gezegd. Dit klopt. Ik heb dit zo bij de rechter-commissaris gezegd. Het is zo dat als men problemen met kinderen verwacht, men automatisch geld gaat geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vraagt mij of hij heeft gezegd op welke kinderen hij doelde. Hij kwam geld vragen bij mij, dus ik dacht dat het over mijn kinderen ging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij heeft gezegd dat als ik geld gaf ik geen problemen zou krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">U houdt mij voor dat ik bij de rechter-commissaris heb gezegd dat hij zei “jouw kinderen”. Omdat hij geld aan mij vroeg, ging het over mijn kinderen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3.3.3.1. Het oordeel van het hof Uit deze getuigenverklaringen en bescheiden, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert het hof, met de rechtbank dat door degenen die geld inzamelden voor de LTTE (waaronder dus begrepen de TGC en andere sub-organisaties) een indringend beroep werd gedaan op leden van de Tamilgemeenschap in Nederland om financieel bij te dragen aan de activiteiten en/of doelstellingen van de LTTE (en sub-organisaties). Mensen werden herhaaldelijk door twee of drie leden van de organisatie bezocht, ook al hadden zij laten weten niet te willen bijdragen of het geld niet te kunnen missen. Er was sprake van een minimaal te betalen bijdrage. Er werd nauwkeurig geregistreerd wie wel en wie niet betaalde en deze registratie werd ook aan Sri Lanka doorgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze (huis)bezoeken werd mensen te verstaan gegeven dat zij, als zij niet zouden betalen, het onder controle van de LTTE staande gebied in Sri Lanka niet zouden kunnen inreizen of daar problemen zouden kunnen ondervinden. In een geval is gedreigd met ontvoering van kinderen. Veel slachtoffers hadden angst voor de LTTE gelet op hetgeen zij zelf of hun familie in Sri Lanka hadden meegemaakt. Door dit alles werd zodanig op de slachtoffers ingewerkt en ingepraat dat sprake is van bedreiging met enige feitelijkheid als bedoeld in artikel 284 Sr. Deze handelwijze leidde tot zodanige psychische druk dat de slachtoffers hieraan geen weerstand konden bieden en uiteindelijk gingen zij overstag en betaalden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immers, veel van de slachtoffers wilden de mogelijkheid openhouden om hun moederland, Sri Lanka, te bezoeken of hadden daar nog familie om wier welzijn zij zich zorgen maakten. Zij vreesden dat die mogelijkheid hun zou worden onthouden als zij niet betaalden. Van die angst werd misbruik gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan wel door de verdediging is betoogd ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de hier weergegeven (onderdelen van de) verklaringen van de getuigen. Voor bewijsuitsluiting is dan ook geen grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het vorenstaande komt het hof, net als de rechtbank, mede gelet op het stelselmatige karakter van de aanpak, tot bewezenverklaring van dwang als één van de misdrijven waarop de organisatie het oogmerk had.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3.3.4. Afpersing (Feit 2 sub g) Onder feit 2 sub g wordt de LTTE (het hof leest: waaronder de TCC) verweten het oogmerk te hebben op afpersing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt hierover als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan ten aanzien van “dwang” moet immers, voor bewezenverklaring van het oogmerk van de organisatie op afpersing, komen vast te staan dat dat oogmerk was gericht op het plegen van geweld dan wel het bedreigen met geweld tegen personen, en wel zodanig dat bij de afgifte geen andere motieven dan de dreiging met geweld dan wel het geweld een doorslaggevende rol hebben gespeeld. Anders dan bij “dwang” in de zin van artikel 284 Sr, kan het dwingende karakter niet worden afgeleid uit andere feitelijkheden dan geweld en dreiging met geweld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel uit de hiervoor bewezenverklaarde dwang een aanwijzing kan worden afgeleid dat de Tamils in Nederland, van wie bijdragen ten behoeve van de LTTE werden gevorderd, onder druk werden gezet en er evenzeer aanwijzingen zijn in de daarover afgelegde verklaringen, dat sommige Tamils ook zeer zware druk hebben ervaren, blijkt uit geen van de afgelegde verklaringen dat in die dwang of bedreiging in het algemeen de (enige) reden was gelegen om (financiële) bijdragen aan de LTTE te leveren. Immers: veelal werden de bijdragen kennelijk ook gegeven om humanitaire hulp te doen verstrekken terwijl anderen, ondanks de handelwijze van de collectanten, weigerden een bijdrage te leveren. Andere omstandigheden waaruit het oogmerk op afpersing, anders dan op grond van de door het openbaar ministerie ook wel aangevoerde, meer algemene beschrijvingen van de LTTE in (internationale) rapporten of verder niet gespecificeerde uitspraken van buitenlandse rechters, die op zichzelf in dit verband niet voldoende gewicht in de schaal leggen, zijn niet komen vast te staan, reeds omdat daarbij niet steeds helder is in hoeverre onderscheid wordt gemaakt tussen de juridische begrippen “dwang” en “afpersing”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder die omstandigheden, acht het hof weliswaar — zoals hiervoor betoogd — het oogmerk van de organisatie op het uitoefenen van dwang in een aantal gevallen, gelet op de bewezenverklaarde feitelijkheden, bewezen, maar het oogmerk op afpersing onvoldoende gespecificeerd en door vaststaande feiten onderbouwd om tot een bewezenverklaring van het oogmerk van de LTTE op het afpersen van Tamils te komen. Van het onder feit 2 sub g. ten laste gelegde zal de verdachte dan ook worden vrijgesproken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">III.1.2. Bespreking van het eerste middel 191. Voorop dient te worden gesteld dat onder feit 2 dwang (art. 284 Sr) en afpersing (art. 317 Sr) niet als zelfstandige delicten zijn tenlastegelegd. Tenlastegelegd is hier de deelneming aan een (nationale) criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr, die onder meer tot oogmerk heeft het plegen van dwang (sub f) en afpersing (sub g). Zouden dwang en afpersing, een delict dat als een bijzondere en ernstigere vorm van dwang wordt getypeerd, wel beide afzonderlijk zijn tenlastegelegd, dan zou het verschil in delictsomschrijving en strafbedreiging strafrechtelijk relevant zijn, zowel voor de bewezenverklaring en de kwalificatie, als voor de strafoplegging. Maar deze relevantie is gelet op het onder 2 tenlastegelegde niet aan de orde, nu het er voor de kwalificatie en de strafbedreiging er niet zoveel toe doet of het oogmerk van de nationale criminele organisatie was gericht op dwang en/of afpersing.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">192.</span>Daarbij komt nog het volgende. Uit de tenlastelegging en de bewijsvoering blijkt dat zowel de dwang (sub f) als de afpersing (sub g) betrekking heeft op betalingen die aan de LTTE zijn gedaan of, als het aan de organisatie had gelegen, gedaan hadden moeten worden. Het hof heeft de tenlastelegging voor wat betreft sub f en sub g klaarblijkelijk en – gezien de “en/of”-constructie – niet onbegrijpelijk als impliciet primair/subsidiair uitgelegd. Die aan het hof voorbehouden uitleg is met de bewoordingen van de tenlastelegging niet onverenigbaar, waarbij ik tevens in aanmerking heb genomen dat sub f en sub g beide verwijzen naar zaakdossier 06.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">193.</span>Reeds op grond van het voorgaande meen ik dat het middel in al zijn onderdelen niet tot cassatie kan leiden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">194.</span>Aldus bezien, bespreek ik het middel hierna ten overvloede. De toelichting op het middel bevat twee klachten met elke een deelklacht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">195.</span>De rechtsklacht houdt in dat het hof ten onrechte als eis heeft gesteld “dat er slachtoffers waren die daadwerkelijk betaald hebben aan de LTTE als gevolg van dreiging met geweld door de LTTE […], aangezien in de onderhavige zaak het oogmerk op afpersing bij een criminele organisatie ten laste is gelegd, en niet de afpersing als zelfstandig delict”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">196.</span>Uit de bewijsvoering blijkt allereerst dat het hof zich er rekenschap van heeft gegeven (i) dat het onder feit 2 gaat om het oogmerk van een nationale criminele organisatie op dwang en/of afpersing, (ii) dat (dus) niet afpersing als zelfstandig delict is tenlastegelegd en (iii) (impliciet) dat voor het bewijs van dat oogmerk niet nodig is dat de organisatie daadwerkelijk succesvol was met het dwingen van slachtoffers tot afgifte van geldbedragen door dreiging met geweld. Wel heeft het hof voor het bewijs van het tenlastegelegde oogmerk (feit 2 aanhef) kennelijk de vraag van betekenis geacht of dat oogmerk daadwerkelijk uit concrete feiten en omstandigheden kan blijken en heeft het daarvoor het bewijsmateriaal enkel kunnen ontlenen aan misdrijven die in het verband van de nationale criminele organisatie reeds waren begaan. Het hof komt dan uit bij misdrijven die, naar het hof heeft vastgesteld, (enkel) dwang opleveren en (nog net) niet afpersing, reden waarom volgens het hof het oogmerk van de organisatie te dezen was gericht op dwang en niet op afpersing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">197.</span>Het op deze (impliciete) overwegingen berustende oordeel van het hof dat vrijspraak dient te volgen voor deelneming aan een criminele organisatie voor zover deze het oogmerk had op het plegen van afpersing, geeft dan ook geen blijk van een onjuiste of beperkte rechtsopvatting ten aanzien van de reikwijdte en/of werkingssfeer van art. 140 Sr (terwijl het voorts niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd is).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">198.</span>Voorts lees ik in de toelichting op het middel de deelklacht dat de feiten zoals die door het hof zijn vastgesteld wel degelijk als bedreiging met geweld moeten worden aangemerkt. Zo begrijp ik tenminste de verwijzing naar gevallen waarin ook sprake is van “dreiging met geweld indien de daders een dermate dreigende situatie hebben gecreëerd dat de vrees van de slachtoffers voor geweld van hun zijde gerechtvaardigd is”, alsook het beroep op de in de bewijsvoering opgenomen mededelingen dat de betrokkenen problemen zouden kunnen ondervinden wanneer zij niet betaalden. Daarover wordt in de toelichting op het middel opgemerkt dat die “in een andere context wellicht neutrale mededeling […] in deze context onmiskenbaar een bedreiging met geweld” is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">199.</span>Bij de beoordeling van deze deelklacht moet worden vooropgesteld dat het oordeel of een gedraging kan worden aangemerkt als bedreiging met geweld, afhangt van allerlei omstandigheden en noodzakelijkerwijs verweven is met waarderingen van feitelijke aard, zodat dit oordeel in cassatie slechts marginaal kan worden getoetst. Het hof heeft uitvoerig overwogen dat en waarom de beschreven handelwijzen van de inzamelaars/huisbezoekers wel kunnen worden aangemerkt als bedreiging met enige feitelijkheid als bedoeld in art. 284 Sr, maar niet als bedreiging met geweld in de zin van art. 317 Sr. Ook die overwegingen acht ik niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigen. Daarbij zij nog opgemerkt dat de “problemen” die men zou kunnen ondervinden en waarop in de toelichting op het middel wordt gewezen, door het hof kennelijk niet in verband zijn gebracht met bedreiging met geweld in de zin van art. 317 Sr, maar met praktische problemen die de betrokkenen of derden zouden kunnen ondervinden bij een bezoek aan Sri Lanka omdat voor het bezoek in een door de LTTE gecontroleerd gebied een “nummer” nodig was dat kennelijk (in Nederland) eerst tegen betaling afgegeven werd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">200.</span>Voor het oordeel of in de onderhavige zaak een gedraging kan worden aangemerkt als bedreiging met geweld, is – anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd – niet essentieel “dat de LTTE een criminele en terroristische organisatie is die zich op Sri Lanka schuldig heeft gemaakt aan vele gevallen van ernstige gewelddadige misdrijven tegen de burgerbevolking”. De onder 2 tenlastegelegde feiten hebben, zo blijkt uit de aanhef ervan, betrekking op de “nationale criminele organisatie” waarbij de feiten zijn begaan in Nederland; in tegenstelling tot de feiten 1A en 1B ontbreken de woorden “en/of in Sri Lanka en/of elders in de wereld” in de tenlastelegging van feit 2. Dat betekent dat het verwijt dat in feit 2 aan de verdachte (en zijn medeverdachten) wordt gemaakt, zich niet uitstrekt over vormen van bedreiging van geweld (of van geweld) waaraan de LTTE zich in Sri Lanka schuldig heeft gemaakt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">201.</span>De motiveringsklacht houdt in dat de overweging van het hof dat de vaste handelwijze van de organisatie van verdachten (de LTTE) enerzijds geen blijk gaf van een oogmerk op bedreiging met geweld, en dus oogmerk tot afpersing, onbegrijpelijk is gelet op de vaststellingen die het hof anderzijds heeft gedaan, zoals bijvoorbeeld dat “de LTTE overtuigend is beschuldigd van vele gevallen van ontvoering, afpersing, gedwongen verdwijningen en willekeurige opsluiting op Sri Lanka” en “veel slachtoffers angst hadden voor de LTTE gelet op hetgeen zij zelf of hun familie in Sri Lanka hadden meegemaakt”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">202.</span>In het arrest van het hof heb ik geen verwijzing naar een “vaste handelwijze” aangetroffen. Voor het overige moet een onderscheid worden gemaakt tussen “allerhande gedragingen” die naar het oordeel van het hof voor rekening van de LTTE komen, en de “gedragingen die voor rekening van de LTTE komen én betrekking hebben op de betalingen”, want om die laatste gedragingen gaat het bij ’s hofs oordeel over de vraag of het oogmerk van de organisatie – voor wat betreft de betalingen – was gericht op dwang of afpersing. Als dat onderscheid in acht wordt genomen, maken de vaststellingen waarop een beroep wordt gedaan het oordeel van het hof inzake het oogmerk niet onbegrijpelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">203.</span>Een deelklacht is gericht tegen de overweging van het hof dat “veelal bijdragen kennelijk ook gegeven werden om humanitaire hulp te doen verstrekken terwijl anderen, ondanks de handelwijze van de collectanten, weigerden een bijdrage te leveren”. Deze overweging strookt niet met het op dwang gerichte oogmerk van de organisatie, aldus de stellers van het middel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">204.</span>Om twee redenen heb ik cassatie-technisch moeite met deze deelklacht. In de eerste plaats omdat de klacht in feite is gericht tegen de bewezenverklaring door het hof van het op dwang gerichte oogmerk van de organisatie. Het Openbaar Ministerie kan niet zonder nadere motivering, welke ontbreekt, in cassatie met succes opkomen tegen de veroordeling van de verdachte ter zake van een feit waarom het zelf ter terechtzitting heeft gevraagd. Ten tweede preciseert de klacht niet waarom de aangehaalde overweging van het hof de vrijspraak van het op afpersing gerichte oogmerk van de organisatie, onbegrijpelijk zou maken.</div>\n<p class=\"lf-p\">III.1.3. Eindoordeel inzake het eerste middel 205. Ook op grond van de voorgaande beschouwingen ten overvloede faalt het middel in al zijn onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">III.2. De opruiingsfeiten/ feiten 2 sub a en b, 5 en 6 – het tweede, het derde en het vierde middel 206. Het tweede, het derde en het vierde middel richten zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat hetgeen onder 2 sub a en b alsmede onder 5 en 6 – betreffende kort gezegd de opruiingsfeiten – is tenlastegelegd niet kan worden bewezenverklaard. Het derde en het vierde middel klagen beide in de kern over de uitleg die het hof heeft gegeven aan art. 10 EVRM waardoor het hof ten onrechte tot (deel)vrijspraken ter zake van de opruiingsfeiten is gekomen. Het derde middel heeft meer in het bijzonder betrekking op de feiten die onder 5 en 6 ten laste zijn gelegd, het vierde middel legt het accent op de feiten die in 2 sub a en b zijn omschreven. Het tweede middel ligt naar mijn inzicht in het verlengde van het derde en het vierde middel, en klaagt over de uitleg die het hof heeft gegeven aan art. 17 EVRM waardoor de verdachte en zo ook de medeverdachten ten onrechte een beroep hebben kunnen doen op art. 10 EVRM.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">207.</span>Alvorens tot bespreking van deze middelen over te gaan, ga ik in op het wettelijk kader, de tenlastelegging van de betreffende opruiingsfeiten, de uitleg die het hof daaraan heeft gegeven en de overwegingen van het hof die betrekking hebben op de gegeven vrijspraken.</div>\n<p class=\"lf-p\">III.2.1. De artikelen 131 en 132 Sr 208. De feiten genoemd onder 5 hebben betrekking op art. 131 Sr, terwijl de onder 6 aangeduide feiten op art. 132 Sr zien. Het hof heeft de tenlastelegging aldus uitgelegd, dat onder 2 sub a en b gesteld wordt dat het oogmerk van de nationale criminele organisatie (mede) was gericht op de onder 5 en 6 tenlastegelegde feiten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">209.</span>De tekst van de genoemde artikelen luidden ten tijde van de tenlastegelegde periode, en ook nu nog, als volgt:</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 131 Sr 1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 132 Sr 1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien het strafbare feit waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.</div>\n<p class=\"lf-p\">III.2.2. De tenlastelegging en de vrijsprekende beslissingen van het hof 210. Aan de verdachte is onder 2 sub a en b, respectievelijk onder 5 en 6 ten laste gelegd dat: “2. De nationale criminele organisatie hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [T. E.] en/of [J.M. J.] en/of [R. S.] en/of [L. T.] en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven [zaaksdossier B01], te weten: a) het in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 131 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B09] en/of b) het verspreiden en/of het, om verspreid te worden, in voorraad hebben van een geschrift en/of afbeelding waarin wordt opgeruid tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 132 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B09] […] 5. Opruiing hij op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 9 juli 2005 tot en met 27 november 2009 te Utrecht en/of Oosterbeek en/of Den Haag en/of Amsterdam, en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [T. E.] en/of [J.M. J.] en/of [L. T.] en/of een of meer ander(en), althans alleen, in het openbaar de volgende (mondelinge) uitlatingen heeft gedaan:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>“Overal ontploffen bommen, maar als die niet ontploffen krijgt de Tamil geen tijd van verlichting (…) Gisteren is er een schip tot ontploffing gebracht en in stukken uiteen gevallen. Als onze: jongens iets doen, doen ze het goed.” (op of omstreeks 9 juli 2005 te Oosterbeek: B09-0036)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>\"Tamil Eelam zal zegevierend geboren worden en alle vijanden zullen onder onze voeten vertrapt worden\" en/of \"Onder het leiderschap van onze leider Pirabakaran en zijn tijgermacht zal het land herwonnen worden\" en/of \"Oorlog is oorlog; we zullen jullie afmaken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Waar dan ook zullen wij met precisie aanvallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kom, kom, kom, lijdt nog maar meer nederlagen Waarom, waarom, waarom, wil je niet leven?</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie, zie, zie onze moed Het is het land waarin wij leven’ Op zee zullen tijgerschepen komen met kracht;</p>\n<p class=\"lf-p\">In de lucht zullen Tamil vliegtuigen komen als een verassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar dan ook zullen wij met precisie aanvallen Willen jullie nog steeds oorlog? Kom dan maar op \"Oorlog is oorlog; we zullen jullie afmaken Denken jullie dat het jullie huis is?</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar dan ook, wanneer dan ook Zullen wij met precisie aanvallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar dan ook, wanneer dan ook Zullen wij met precisie aanvallen Waar dan ook, wanneer dan ook Zullen wij met precisie aanvallen\" (op of omstreeks 25 juli 2007 te Amsterdam: B09-0040/41, 1505/1510) c) \"Sluit nu uw ogen, denk aan de grote strijders. Houd uw ogen strak gesloten en breng deze. goddelijke zielen naar voren in uw gedachten. Want dat ideaal waar u voor heeft geleefd, dat ideaal waarvoor u een heroïsche dood heeft omarmd, dat ideaal zullen wij bereiken. Om uw dromen waar te maken, zullen wij uw plichten uitvoeren als de onzen. Doe deze belofte stil in uw hart. U bent niet gestorven U leeft en u vervult ons hart. De plichten die u op uw schouders heeft genomen, zullen wij doen als de uwe, tot ons einde. Doe de belofte dat we voor altijd de nationale leider zullen steunen Dit is geen tijd om te huilen, dit is een tijd om ons opnieuw toe te wijden\" en/of \"Deze grote helden zijn niet gestorven. We moeten onszelf aan hun plichten herinneren en onszelf opnieuw vertellen dat we ons deel zullen doen. Organisatoren zoals wijzelf kunnen worden gearresteerd. Wij kunnen zelfs vandaag de dood vinden. Maar wanneer er bij u aan de deur wordt geklopt, verzaak dan niet uw plicht voor het moederland. (..) Daarom, ongeacht wat - hard werk en bloedvergieten - kunnen wij alleen ervoor werken en onze vrijheid verkrijgen. Niemand anders zal dat voor ons doen. Dus, denk hieraan en ga verder met het doen van uw plicht. Die grootse mensen zijn niet dood. We moeten alleen oppakken waar zij gebleven waren en het goede werk voortzetten laat ons dat bevestigen.\" en/of \"Nee, een echt eerbetoon betekent onze plicht doen die we hem verschuldigd zijn. Zijn onvoltooide werk afmaken is de beste hommage die we hem kunnen brengen. Daarom, mijn dierbaren, open uw deuren voor deze onafgemaakte plichten- laat de deuren open. De natie heeft zich nog steeds niet geopenbaard. De vijand heeft de oorlog verklaard en werpt bommen. Of we het leuk vinden of niet, we moeten de oorlog onder ogen zien Dit is wat de geschiedenis ons heeft opgelegd, deze historische onvermijdelijkheid en onze plicht. Niemand kan daarvan weglopen. Het is niet een soort van sport waarvan we kunnen zeggen 'daar hebben we geen belangstelling voor'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Moeilijke familie omstandigheden kunnen geen excuus worden, want het gaat hier over het leven van velen. Zie dit als uw belangrijkste zorg, ons belangrijkste probleem, houdt de deur van uw huis open, open de deur en doe uw plicht.\" (op of omstreeks 4 november 2007 te Utrecht: B09-0039/40, B02-01253/1254, B02-1280) d) \"Tamil, staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen\" en/of \"Er is geen andere weg dan te strijden\" en/of \"Wij zullen zeker winnen . Dus de leider verwacht nu dat jullie een nog grotere bijdrage leveren dan die jullie altijd al leverden. Als jullie ons blijven steunen zullen wij snel een eigen Tamil Eelam krijgen.\" (op of omstreeks 22 juni 2008 te Den Haag: B09-0037/38,13.18/1319) e) \"Vandaag is de heldendag. De dag waarop de helden worden geprezen voor de opofferingen die zij gedaan hebben. Deze opofferingen zijn niet voor niets geweest, de droom van de helden zal uitkomen. Tamil Eelam zal zeker ontstaan. (.... ) De droom van de helden zal zeker uitkomen. Daar moeten wij in de diaspora allemaal voor werken.\" (op of omstreeks 27 november 2009 te Utrecht: B09-0032) althans woorden van gelijke strekking, zijnde uitlatingen waarmee wordt opgeruid tot enig strafbaar feit, en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (Artikel 131 Wetboek van Strafrecht) 6. Verspreiding ter opruiing hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist en/of Ammerzoden, en/of elders in Nederland, (telkens ) tezamen en in vereniging met [T. E.] en/of [J.M. J.] en/of [L. T.] en/of een of meer ander(en), althans alleen, de/het volgende geschrift(en) en/of (een) afbeelding(en) heeft verspreid en/of openlijk tentoongesteld (op internet en/of op zogenaamde Heidendagen en/of Zwarte Tijgerdagen en/of andere(LTTE/Tamil)herdenkingsdagen en/of andere (LTTE/Tamil)bijeenkomsten) en/of, om verspreid of openlijk tentoongesteld te worden, in voorraad heeft gehad:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>een affiche voor Heldendag op 27 november 2009 te Utrecht met (onder andere) de tekst \"Wij zullen een eed zweren door de weg te volgen van de grote helden die geschiedenis hebben geschreven door zichzelf te vernietigen in hel vuur van het ware doel\" (B09-35/36, 1262/1263) en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>Een kalender van het jaar 2010 waarop geweldplegingen door de LTTE worden beschreven(B07-67/69, 75, 81, 1688/2065; B09-531/535, 566) en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>DVD Levend wapen, versie 7 (B09-22/23, 605/610) en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">d)</span>DVD Levend wapen, versie 8 (B09-22/23, 611/621) en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">e)</span>DVD Levend wapen, versie 9 (B09-22/23, 622/629) zijnde (een) geschift(en) en/of (een) afbeelding(en) waarin wordt opgeruid tot enig strafbaar feit, en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) en waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zodanige opruiing daarin voorkwam (Artikel 132 Wetboek van Strafrecht)”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">211.</span>Omtrent de verbinding tussen de onder 2 sub a en b genoemde feiten en de feiten die afzonderlijk zijn tenlastegelegd onder 5 en 6, heeft het hof in zijn arrest het volgende gezegd: “12. Beoordeling feiten 5 en 6 12.1.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van het Openbaar Ministerie […] Naar het hof begrijpt dienen dezelfde teksten en aangetroffen goederen volgens het openbaar ministerie tot bewijs van sub a en b van het onder 2 ten laste gelegde, derhalve in zoverre tot bewijs van het oogmerk van de nationale criminele organisatie, waarvan alle verdachten wordt verweten te hebben deel uitgemaakt.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">212.</span>Ten aanzien van de onderhavige (deel)vrijspraken heeft het hof het volgende overwogen: “11.3.3. Beoordeling met betrekking tot feit 2 11.3.3.1. Opruiing en verspreiding ter opruiing (Feit 2 sub a en b) Onder feit 2 sub a en b is tenlastegelegd dat de LTTE (het hof leest: waaronder de TCC) het oogmerk had op opruiing en verspreiding ter opruiing.</div>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen bij de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de LTTE het oogmerk heeft gehad op de onder 2 sub a en b ten laste gelegde misdrijven. […] 12. Beoordeling feiten 5 en 6 […] 12.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van het hof 12.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingskader van de feiten 5 en 6 Het hof stelt bij de bespreking van deze feiten het volgende voorop waarin de door partijen ingenomen standpunten worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artt. 131 en 132 Sr beogen de openbare orde te beschermen en te voorkomen dat met bepaalde middelen tot het begaan van strafbare feiten of van gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt aangezet. Onder openbaar gezag wordt het Nederlands openbaar gezag verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts bevatten de artt. 131 en 132 Sr het bestanddeel ‘openbaar’ waaronder het hof verstaat dat de opruiing geschiedt onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze dat zij tot het publiek is gericht en door het publiek kan worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling of een uitlating of een geschrift in strafbare zin al dan niet als opruiend moet worden aangemerkt is voorts van belang een toetsing aan de vrijheid van meningsuiting - zoals onder meer beschermd door art. 10 EVRM - die immers tot de fundamenten van de Nederlandse rechtsorde behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artt. 131 en 132 Sr moeten worden beschouwd als, in het kader van het EVRM toegestane, wettelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting die in een democratische samenleving noodzakelijk is. Uit de Europese jurisprudentie moet worden afgeleid dat “noodzakelijk” inhoudt: een dringende maatschappelijke noodzaak (“pressing social need”) waarbij aan de lidstaten een zekere vrijheid toekomt bij de waardering van die noodzaak. Bij die waardering moet een afweging worden gemaakt tussen het fundamentele belang van de vrijheid van meningsuiting (het individuele grondrecht) en het fundamentele belang van bescherming van de democratische (rechts-)staat (het algemene fundamentele maatschappelijke belang) plaatsvinden. Een aanvaardbare beperking van de vrijheid van meningsuiting dient in ieder geval te voldoen aan eisen van proportionaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen deze achtergrond is de vraag in hoeverre de overheid gerechtigd is een inbreuk te maken op het grondrecht niet in algemene zin te beantwoorden zijn, maar zullen, naast de letterlijke betekenis van de uitlating of boodschap, de omstandigheden van het geval uitsluitsel moeten geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof neemt bij de beoordeling van de ten laste gelegde uitingen en goederen ter verspreiding de navolgende omstandigheden en factoren in aanmerking:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de uitlatingen als geheel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de kennelijke bedoeling van de uitlating;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de context waarin de uitlating heeft plaatsgevonden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>onder wiens verantwoordelijkheid werd de uitlating gedaan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de plaats of gelegenheid waar de uitlating wordt gedaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof tekent daarbij aan dat niet gebleken is dat, voor zover al vereist, geen toestemming door de (lokale) autoriteiten zou zijn gegeven voor de hierna te bespreken manifestaties. Evenmin is gebleken dat deze manifestaties niet vreedzaam zouden zijn verlopen, noch dat er enig gevaar voor de openbare orde zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte en diens medeverdachten, behorend tot de Tamil bevolkingsgroep, hebben gesteld zich te hebben ingespannen voor de Tamilgemeenschap en zich betrokken te hebben gevoeld bij de toenmalige gewapende strijd van de Tamilgemeenschap op Sri Lanka en bij de gevolgen daarvan voor de (Tamil-)inwoners van Sri Lanka. Zij hebben aangegeven dat de bijeenkomsten, waarop de onder 5 ten laste gelegde uitingen (zouden) zijn gedaan, het karakter hadden van herdenkingen van de slachtoffers van de strijd en van het vereren van de strijders met de bedoeling om het moreel van de Tamils te versterken voor de voortdurende strijd en om de toehoorders te bewegen die strijd te (blijven) ondersteunen.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3.1.1. De onder 5 ten laste gelegde uitingen 12.3.1.1.1. Onder 5 sub a Deze tekst is, zo blijkt uit het dossier, afkomstig uit een toneelstuk dat is uitgevoerd tijdens de Zwarte Tijgerdag op 9 juli 2005 in een zalen &amp; party-centrum te Oosterbeek. Deze Zwarte Tijgerdag was een herdenkingsdag voor de Zwarte (Tamil) Tijgers en blijkens het affiche georganiseerd door de TCC. [L. T.] heeft een rol gehad in dit toneelstuk en in zijn huis is de DVD gevonden waarop onder meer dit toneelstuk is vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst bevat geen concrete, directe aansporingen tot geweldsuitoefening door de toehoorders. Het daarbij - in positieve zin - bezingen van (strijd)geweld kan gelet op de theatrale vorm en in het licht van het karakter van de Zwarte Tijgerdag als herdenking van slachtoffers naar het oordeel van het hof niet worden gekwalificeerd als opruiend in strafrechtelijke zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3.1.1.2. Onder 5 sub b Uit het politieonderzoek is gebleken dat deze uitlatingen zijn gedaan op een Zwarte Juli herdenkingsdag op de Dam in Amsterdam op 25 juli 2007. Herdacht werden de vele Tamils die gedood werden tijdens de onlusten die uitbraken op Sri Lanka in 1983.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de tekst in positieve zin geweld beschrijft kan daarin, gelet ook op het herdenkende karakter ervan, geen directe aanzet tot het plegen van geweld door de toehoorders worden gelezen, anders dan in termen die het belang van de strijd van de Tamilgemeenschap beschrijven, een overigens ook niet ongewoon kenmerk van oorlogs-strijdliederen en - toespraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3.1.1.3. Onder 5 sub c Deze tekst werd uitgesproken bij een herdenkingsbijeenkomst op 4 november 2007 in het zalencomplex Maresca te Utrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van deze herdenkingsbijeenkomst ter gelegenheid van zes omgekomen LTTE strijders, waaronder [betrokkene 11] , de politiek leider van de LTTE, zijn op DVD’s beelden aangetroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de beelden is te zien en te horen dat [S. R.] op een podium achter een spreekgestoelte staat en daar in het Tamil spreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de zich in het dossier bevindende teksten, waarvan de ten laste gelegde passages een onderdeel vormen, moet worden afgeleid dat de teksten zijn uitgesproken in een duidelijk herdenkingskader van grote strijders en slachtoffers. Weliswaar wordt de strijd van de Tamilgemeenschap bewierookt, maar uit de tekst valt geen (directe) aanzet tot het plegen van geweld door het aanwezige publiek te destilleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3.1.1.4. Onder 5 sub d In de woning van [S. R.] is een DVD inbeslaggenomen met daarop de tekst: ‘Nederland Pongu Tamil 22-06-2008’. Op deze DVD zijn beelden aangetroffen van een zogeheten Pongu Tamil manifestatie op 22 juni 2008 op het Plein in Den Haag, waar [J.M. J.] optrad als ‘gastheer’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een Pongu Tamil manifestatie is een LTTE evenement dat in meerdere landen wordt gehouden en waarbij wordt beleden dat de LTTE de enige vertegenwoordiger is van de Tamils.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beelden van de DVD is een lied “Tamil, staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen” te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de beelden is voorts een toneelstuk te zien waarin de ten laste gelegde uiting: \"Er is geen andere weg om te strijden” voorkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens de beelden op de DVD heeft [betrokkene 12] een toespraak gehouden, waarin de volgende ten laste gelegde uitingen voorkomen: \"Wij zullen zeker winnen/Dus de leider verwacht nu dat jullie een nog grote bijdrage leveren dan die jullie altijd al leverden/Als jullie ons blijven steunen zullen wij snel een eigen Tamil Eelam krijgen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook hier kunnen naar het oordeel van het hof de uitingen niet worden gekwalificeerd als directe aanzet tot geweld door de toehoorders, mede gelet op het duidelijke herdenkings- en vereringskader van de - weliswaar - gewapende strijd en de strijders, waarbij ook de vorm van liederen en toneelstukken bijdraagt aan dat herdenkings- en vereringskarakter van de bijeenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3.1.1.5. Onder 5 sub e Tijdens een doorzoeking van het perceel [a-straat 1] te Raalte is een DVD aangetroffen en inbeslaggenomen. Op deze DVD zijn beelden aangetroffen van een speech van [S. R.] , waarin de ten laste gelegde teksten voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De speech was onderdeel van de Heldendag die op 27 november 2009 plaatsvond in Partycentrum Maresca te Utrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heldendag is de nationale dag van de grote helden van Tamil Eelam. Op deze dag worden grote helden die hun leven hebben opgeofferd herdacht. Deze bijeenkomst vond derhalve plaats na 18 mei 2009, zijnde de dag waarop het leger van de LTTE door het Sri Lankaanse leger werd verslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijeenkomst was aangekondigd middels een affiche.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof kunnen de gewraakte uitlatingen niet worden uitgelegd als een directe aanzet van de toehoorders tot geweldpleging, mede gelet op het hiervoor weergegeven karakter van de bijeenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3.1.1.5.1. Conclusie van het hof ten aanzien van feit 5 Het hof komt bij de beoordeling van feit 5 tot het eindoordeel dat de ten laste gelegde uitlatingen in de gegeven omstandigheden en context niet kunnen worden gekwalificeerd als opruiing tot gewelddadig optreden tegen het Nederlands openbaar gezag noch tot enig strafbaar feit, als bedoeld in art. 131 Sr. Voor zover de uitingen een opzwepend karakter hebben - daarvan is zeker sprake, soms in onomfloerste bewoordingen - beoordeelt het hof die, gelet op alle omstandigheden, vooral als een moreel appel op het gehoor, passend bij het saamhorige karakter van de (herdenkings- en vererings-) bijeenkomsten. Het hof hoort in de ten laste gelegde teksten onvoldoende directe aansporingen tot financiële steun of concrete deelneming aan gewelddadige (terroristische) activiteiten van de LTTE, zodat ook in zoverre van strijd met art. 131 Sr geen sprake is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al met al ziet het hof ten aanzien van geen van de gewraakte uitingen grond voor de conclusie dat op het uitgangspunt, neergelegd in de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM, een uitzondering gerechtvaardigd zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het door het openbaar ministerie gedane beroep op art. 17 EVRM treft geen doel, nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat met de ten laste gelegde uitingen enig in het EVRM gegarandeerd recht door de verdachten of door een organisatie zou zijn aangetast. Dat de LTTE, zoals het openbaar ministerie stelt, nu juist activiteiten aan de dag legt om te komen tot een Tamil-staat (op Sri Lanka) waarin aan Tamils de in het EVRM vastgelegde rechten en vrijheden in hoge mate zouden worden ontzegd, doet daaraan - wat er overigens van zij - niet af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal derhalve, alles afwegende en net als de rechtbank, de verdachte vrijspreken van feit 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3.1.2. De onder 6 ten laste gelegde opruiende goederen 12.3.1.2.1. Onder 6 sub a In de woning van [S. R.] is een externe harde schijf in beslag genomen met daarop tal van affiches. Daarbij gaat het om uitnodigingen voor bijeenkomsten, herdenkingsdagen, demonstraties en sportdagen in de periode van 2004 tot en met 2010, waaronder die van de Heldendag op 27 november 2007 te Utrecht. Op de affiche staat onder meer als tekst weergegeven: “Wij zullen een eed zweren door de weg te volgen van de grote helden die geschiedenis hebben geschreven door zichzelf te vernietigen in het vuur van het ware doel.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Tamil Eelam nationale leider -”.</div>\n<p class=\"lf-p\">12.3.1.2.2. Onder 6 sub b Tijdens doorzoekingen binnen het onderzoek Koninck op maandag zijn op diverse plaatsen scheurkalenders van het jaar 2010 aangetroffen, onder meer op het woonadres van [L. T.] . Op de veel grotere achtergrondplaat van de kalender staat een afbeelding van de oprichter en leider (tot aan zijn dood) van de LTTE, Velupillai Prabhakaran. Op tal van dagen in de kalender zijn afbeeldingen en namen weergegeven van omgekomen Black Tigers, waarbij in het kort, heroïsch, wordt weergegeven bij welk incident zij om het leven zijn gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast deze afbeeldingen zijn in de kalender ook afbeeldingen te vinden van internationaal bekende personen, zoals Mahatma Ghandi, Martin Luther King, David Ben-Gurion.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3.1.2.3. Onder 6 sub c, sub d en sub e Onder het in het onderzoek Koninck aangetroffen propagandamateriaal zijn onder meer DVD's aangetroffen, getiteld (vertaald) \"Levend wapen\", versie 5 tot en met 9. Volgens opdruk zijn ze vervaardigd door, of in opdracht van, de LTTE.</p>\n<p class=\"lf-p\">De DVD's bevatten videobeelden en gesproken tekst. Onderwerpen zijn overwegend geslaagde zelfmoordaanslagen. Naast die aanslagen komen meermaals de zelfmoordenaars in beeld, soms met de grote leider. De gebeurtenissen worden mondeling toegelicht door leidinggevenden van de LITE.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3.1.2.3.1. Conclusie van het hof ten aanzien van feit 6 Het hierboven besproken beoordelingskader in acht nemend komt het hof ten aanzien van de ten laste gelegde goederen tot de navolgende overwegingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de inhoud van de drie dvd’s en de scheurkalender, vermeld in feit 6, hoewel daaruit bewondering voor (ernstige) gewelddadigheden en het sterven in een strijd blijkt, een voornamelijk verhalend en herdenkend karakter heeft. Enige directe of indirecte oproep aan de toehoorders tot het plegen van strafbare feiten, als bedoeld in art. 132 Sr, kan daarin niet voldoende gevonden worden. Ook de tekst op het affiche voor de Heldendag 2009, die eerder als bombastisch gekwalificeerd moet worden, overschrijdt niet de in art. 132 Sr bedoelde norm. De hier genoemde bescheiden roepen niet op tot gewelddadig optreden tegen het Nederlands openbaar gezag.</p></div>", "next": 239546}