{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">93.</span>Allereerst kan ik niet inzien waarom en op welke wijze de rechter gebonden zou zijn aan internationale verplichtingen waarmee internationale regelgeving zich niet tot hem richt, maar tot een lidstaat, en als afgeleide daarvan tot de nationale wetgever. Alle hiervoor geformuleerde verplichtingen hebben betrekking op een straf die op terroristische misdrijven zou moet worden gesteld; er wordt achtereenvolgens gesproken van “make those offences punishable”, “punishable by” en “vrijheidsstraffen te stellen”. Het gaat hier om verplichtingen waaraan de Nederlandse staat gehoor dient te geven en die nader in wetgeving dient te worden verwerkt. In cassatie wordt – en terecht – niet aangevoerd dat de straffen die in de Nederlandse wetgeving op terroristische misdrijven zijn gesteld, niet aan de daarvoor geldende internationale eisen voldoen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">94.</span>De hoogte van de straf die ter zake van terroristische misdrijven ten minste zou moeten worden opgelegd, wordt door het internationale recht niet aan de rechter gedicteerd, zij het dat de wetgever ertoe gehouden kan zijn voor opgehoogde maximumstraffen zorg te dragen, bijvoorbeeld op grond van art. 5 van het genoemde Kaderbesluit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">95.</span>Met betrekking tot de aangehaalde resoluties doet zich de vraag voor of de daarin opgenomen verplichtingen rechtstreekse werking hebben. Uitgangspunt is dat bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, als regels van internationaal recht, deel uitmaken van de Nederlandse rechtsorde. Zij hebben dan zonder nadere tussenkomst van de wetgever rechtstreekse werking en naar hun inhoud een voor eenieder verbindende kracht. De rechtstreekse werking van een resolutie van de VN Veiligheidsraad die wordt genomen op basis van hoofdstuk VII van het Handvest van de VN – welk hoofdstuk handelt over het optreden met betrekking tot bedreiging van de vrede, verbreking van de vrede en daden van agressie – kan niet worden uitgesloten. Naar art. 93 Grondwet vastlegt, geldt echter wel het vereiste dat die verdragsbepalingen en “volkenrechtelijke” besluiten pas rechtstreekse werking en een eenieder verbindende kracht hebben, nadat zij zijn bekendgemaakt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">96.</span>Reeds op die grond treft het beroep op Resolutie 1566 (2004) geen doel; deze is namelijk niet bekendgemaakt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">97.</span>Resolutie 1373 (2001) is in het Tractatenblad gepubliceerd. Noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze resolutie kan volgen dat geen rechtstreekse werking is beoogd. In dat geval is de inhoud van de bepaling beslissend voor het antwoord op de vraag of zij rechtstreekse werking heeft. Het gaat er dan om, in de woorden van de Hoge Raad in de zaak Staat/CAN, “of deze (bepaling, AG) onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast”. Hieraan voegt de Hoge Raad toe dat de rechtstreekse werking van een bepaling afhangt van het antwoord op de vraag “of de bepaling in de context waarin zij wordt ingeroepen, als objectief recht kan functioneren”. Deze toevoeging geeft de Hoge Raad met het oog op het geval waarin de wetgever of de overheid keuze- of beleidsvrijheid toekomt aangaande de te nemen maatregelen ter verwezenlijking van dat resultaat. Ik denk dat de toevoeging evenzeer van belang is voor de onderhavige verplichting die betrekking heeft op de straftoemeting omdat de rechterlijke vrijheid daarbij “bijzonder groot” is. De vraag zou dan moeten zijn of de verplichting – te verzekeren dat, kort gezegd, terroristische misdrijven worden gestraft met straffen die overeenkomen met de ernstige aard ervan – “in de context waarin zij wordt ingeroepen, als objectief recht kan functioneren”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">98.</span>Voor een geval waarin het gaat om strafrechtelijke sanctionering moeten naar mijn mening aan de vereiste nauwkeurigheid hoge eisen worden gesteld, gelijk wanneer het gaat om het vaststellen van het strafbare feit zelf. Aan die hoge eisen voldoet de verplichting “to ensure that such acts are punished by penalties consistent with their grave nature” naar mijn mening niet. Hier is onvoldoende duidelijk wat die verplichting zou moeten meebrengen in het kader van de straftoemeting waarbij de Nederlandse rechter, zoals ik eerder opmerkte, beschikt over een grote mate van vrijheid met als doel “voldoende recht kunnen doen aan de handelingen en hun gevolgen, maar ook, en misschien vooral, aan het individuele geval in iedere concrete zaak.” De ernstige aard van de feiten is dus weliswaar een belangrijke factor, maar niettemin ‘slechts’ één van de factoren die de strafrechter moet betrekken bij het bepalen van de op te leggen straf. Daarbij komt dat niet snel mag worden aangenomen dat internationaal recht een onafhankelijke rechter in een concrete zaak zou verplichten een bepaalde straf op te leggen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">99.</span>Op grond van het voorgaande mist de eerste klacht doel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">100.</span>Dan de tweede klacht. Ook los van de internationale verplichtingen waarop een beroep is gedaan, wordt geklaagd dat de opgelegde straf en de motivering daarvan “verbazing wekt nu de opgelegde straffen niet in verhouding staan tot de ernst van de (terroristische) feiten”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">101.</span>Bij de beoordeling van dit onderdeel van het middel moet worden vooropgesteld dat:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>de keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn te achten, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en dat die keuze geen motivering behoeft; en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>in cassatie niet kan worden onderzocht of de opgelegde straf beantwoordt aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte. Dit beoordelingskader wordt niet anders omdat het hier om een zaak van de Tamil Tijgers gaat.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">102.</span>In de toelichting op het middel worden in het kader van de tweede klacht uiteenlopende bezwaren aangevoerd tegen verschillende onderdelen van de strafmotivering. Het is ondoenlijk die één voor één hier weer te geven en te bespreken en dat is ook niet nodig gelet op hetgeen bij de beoordeling van deze klacht is vooropgesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">103.</span>Daarbij komt dat het middel in gelijke bewoordingen is voorgesteld in de samenhangende zaken, ten gevolge waarvan enkele deelklachten niet zijn toegespitst op de strafmotivering die het hof in de onderhavige zaak heeft gegeven. Zo een deelklacht moet om die reden, bij gebrek aan feitelijke grondslag, falen. Als voorbeeld noem ik de klacht dat het “simpelweg niet begrijpelijk [is] dat de verdachten [L. T.], [J.M. J.] en [T. E.] een lagere straf krijgen voor het gedurende meer dan zes jaren fungeren als lid van een terroristische en criminele organisatie en als leider van een criminele organisatie die vele aanslagen pleegt met talloze doden tot gevolg dan de straffen die met enige regelmaat worden opgelegd aan personen die in een aanzienlijke kortere periode financiële delicten hebben gepleegd voor eigen gewin van veel beperkter omvang dan de geldstroom van verdachten voor terroristische misdrijven.” Verder wordt met een beroep op internationale regelgeving aangevoerd dat de verplichting om voor terroristische misdrijven doeltreffende, evenredige en afschrikkende straffen op te leggen die voldoende recht doen aan de ernst van die feiten, meebrengt dat voor terroristische misdrijven die gericht zijn tegen andere staten dezelfde straffen moeten worden opgelegd als voor terroristische misdrijven die gericht zijn tegen de staat van berechting.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">104.</span>Voor zover de klacht aldus berust op de opvatting dat het hof een lagere straf zou hebben opgelegd omdat de bewezenverklaarde terroristische misdrijven niet tegen Nederland zijn begaan, wijs ik op de eerste alinea van de overwegingen die het hof aan de strafoplegging heeft gewijd. Ik herhaal deze hier om duidelijk te maken waarom deze klacht en de aanverwante deelklachten feitelijke grondslag missen: “Het behoeft geen betoog dat de vaststelling dat een organisatie onder meer het oogmerk had om als terroristisch aan te merken aanslagen te plegen, schreeuwt om zware straffen voor de deelnemers aan een dergelijke organisatie, die van dat oogmerk kennis dragen. Geen enkele samenleving mag immers aan terreurdaden worden blootgesteld. Dat is niet beperkt tot de samenleving die door dergelijke aanslagen rechtstreeks wordt bedreigd of getroffen. Het openbaar belang, ook in de Nederlandse samenleving, eist dat ook deelnemingshandelingen aan zulke feiten serieus worden bestraft, ook al richt het oogmerk van de organisatie zich niet op het plegen van terroristische daden, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven in Nederland zelf, zoals in dit geval. Van de op te leggen straf dient daarom een duidelijk — ook internationaal gehoord — signaal uit te gaan van afkeuring en afschrikking.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">105.</span>Naast de deelklachten die gemeenschappelijk inhouden dat het hof te weinig gewicht heeft toegekend aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, staat de deelklacht die als strekking heeft dat het hof te veel gewicht heeft gehecht aan de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte. Het wordt onbegrijpelijk genoemd dat het hof in strafmatigende zin rekening heeft gehouden met (i) de omstandigheid dat de verdachte “bijzonder gemotiveerd was om zich in te zetten voor een door hem als een gerechtvaardigd ervaren gewapende strijd op Sri Lanka tussen de regering en de vertegenwoordigers van de Tamil-bevolkingsgroep” en (ii) “het ontbreken, bij de verdachte, van enig machts- of zelfverrijkingsmotief”, want, zo vervolgt de deelklacht, een en ander “is voor terroristen van IS en Hamas niet anders dan voor terroristen van de Tamil Tijgers.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">106.</span>Ten eerste merk ik op dat de gewraakte overwegingen van het hof worden gemaakt als opmaat voor een op de persoon van de verdachte toegesneden overweging dat “vele gevechtshandelingen, van beide zijden, in dat kader hebben plaatsgevonden in de laatste decennia van de vorige, en het eerste decennium van deze eeuw waaronder – ook – de Tamilbevolking zwaar heeft geleden” en “aannemelijk is geworden dat zijn motieven geheel gelegen zijn geweest in de drang om waar mogelijk het Tamilvolk op Sri Lanka te steunen, zowel in humanitaire projecten als in de gewapende strijd tegen een in hun ogen de Tamilbevolking onderdrukkend regiem.” Binnen dit perspectief moeten de gewraakte overwegingen van het hof naar haar inhoud worden gewaardeerd, en zo bezien vind ik die overwegingen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">107.</span>Ten tweede is wat de onderhavige zaak betreft in cassatie geen plaats voor het maken van vergelijkingen tussen organisaties als de LTTE, Hamas en Islamitische Staat. Daarmee zou worden voorbijgegaan aan de eigen, ook ten opzichte van elkaar, meer of minder terroristische en/of afschuwwekkende karakteristieken van die organisaties, en zo ook aan de individualisering waardoor een strafproces wordt getypeerd, nu daarin een persoon terechtstaat en niet de gehele organisatie waaraan hij heeft deelgenomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">108.</span>Ten derde wijs ik erop dat het middel wel heel sterk de nadruk lijkt te (willen) leggen op het terroristische karakter van de bewezenverklaarde misdrijven, terwijl het hof – het spreekt zelf ook van de terreurdaden van de LTTE – daarbij een zekere nuancering heeft aangebracht door in strafmatigende zin ook rekening te houden met de bijzondere context waarin die misdrijven zijn begaan en de rol die de verdachte daarbij heeft vervuld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">109.</span>Wat dan nog resteert zijn klachten die voortkomen uit een vergelijking met een reeks andere strafzaken en de daarin bewezenverklaarde feiten en opgelegde straffen. Uit die vergelijking zou (tevens) blijken dat en waarom de aan de verdachte ter zake van de bewezenverklaarde feiten opgelegde straf verbazing wekt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">110.</span>Deze deelklachten miskennen (eveneens) grotendeels dat een dergelijke vergelijking een feitelijk oordeel vergt en dat daarvoor in de cassatieprocedure geen plaats is. Bovendien dateren een zevental door de stellers van het middel gegeven voorbeelden van na de uitspraak van het hof waartegen het cassatieberoep is gericht. Eenzelfde probleem doet zich voor met de zaken waarop in cassatie een beroep wordt gedaan maar die niet aan het hof zijn voorgelegd. Anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, kunnen die voorbeelden lijkt mij er evenmin toe “dienen om vast te stellen of aan de genoemde verplichtingen uit het internationaal recht is voldaan”, nu ook dat een vergelijking en dus een feitelijk oordeel zou vergen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">111.</span>Tot slot wordt geklaagd dat ’s hofs verwijzing naar een drietal uitspraken die buitenlandse rechters hebben gedaan in zaken die betrekking hebben op de LTTE onbegrijpelijk is. De hiertegen gerichte deelklacht dat buitenlandse strafzaken per definitie “niet goed inzichtelijk zijn voor Nederlandse procesdeelnemers door een gebrek aan kennis van het buitenlands rechtssysteem en de daar geldende regels”, wekt bij mij enige bevreemding. Op de terechtzittingen van het hof heeft het Openbaar Ministerie er immers zelf bij het hof op aangedrongen om bij de strafoplegging de daarop betrekking hebbende verplichtingen uit het internationaal recht mee te wegen. Waar het in de kern om gaat is dat de zaken waarin die drie uitspraken zijn gedaan evenals de onderhavige zaak betrekking hebben op de LTTE en – naar het hof kennelijk feitelijk heeft vastgesteld – in zoverre enigszins vergelijkbaar met elkaar zijn. Vanuit die invalshoek bezien wekt het geen verbazing dat het hof mede acht heeft geslagen op strafzaken die in andere landen zijn gevoerd tegen personen wegens deelneming aan de LTTE en is de verwijzing naar het drietal uitspraken door het hof niet onbegrijpelijk.</div>\n<p class=\"lf-p\">II.3.2. Eindoordeel inzake het vijfde middel 112. Het middel faalt in alle onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">III. Afronding 113. Alle middelen falen. Naar het mij voorkomt kunnen het tweede middel, het derde middel, het vierde middel en de tweede klacht van het vijfde middel worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">114.</span>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</div>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG ECLI:NLGHDHA:2015:1082.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zaak tegen een zesde verdachte is geseponeerd, zo maak ik op uit de beschikking van Rb. Den Haag 15 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:2697 op een verzoekschrift ex art. 89 Sv. Zie over de zaken in eerste aanleg H. Post, ‘Tamil Tijgers voor de Haagse strafkamer’, NJB 2012/589.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel echter als misdrijven waarop het oogmerk van de nationale criminele organisatie zou zijn gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Report of the Secretary-General’s Panel of Experts on Accountability in Sri Lanka, 31 maart 2011, p. 115 par. 421: “Both parties to the armed conflict in Sri Lanka conducted military operations with flagrant disregard for the protection, rights, welfare and lives of civilians and failed to respect the norms of international law. There is reasonable basis to believe that large-scale violations of international humanitarian law and human rights law were committed by both sides. As a direct consequence, up to tens of thousands of Sri Lankan civilians were killed and hundreds of thousands suffered immensely, including through the loss of loved ones, serious injuries, displacement and loss of homes and livelihoods.” Het rapport is te raadplegen via &lt;www.un.org/en/rights/srilanka.shtml&gt; Overigens wordt het rapport elders in het arrest door het hof aangehaald (zie sub 10.4.2.3.4 (voetnoot 101) en 11.3.2.3.1.2). Zie voorts mijn bespreking van het vijfde middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen deze uitleg van het hof keert zich zowel in de zaak-[R. S.] als in de zaak-[T. E.] het eerste middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierboven onder I.1. (ad 4) en het arrest onder 11.3.1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierboven onder I.1. (ad 4) en het arrest onder 11.3.2.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierboven onder I.1. (ad 4) en het arrest onder 11.3.2.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals ik al opmerkte waren de opruiingsdelicten niet zelfstandig tenlastegelegd aan de medeverdachte [R. S.]. Hij is vrijgesproken van de opruiing waarop het oogmerk van de nationale criminele organisatie zou zijn gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pb EG L 344/70 van 28 december 2001. In Verordening EG 2580/2001 wordt kortheidshalve verwezen naar “de Raad”, in de tekst van art. 1, eerste lid, Sanctieregeling Terrorisme 2002 wordt verwezen naar “de Raad van de Europese Unie”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie R. van Elst, T&amp;C Internationaal strafrecht 2015, Inl. opm., aant. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 1, tweede lid sub 17, Besluit van de Raad van 29 mei 2006 tot uitvoering van artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van Besluit 2005/930/EG (2006/379/EG). Zie Pb EU L 144, 31 mei 2006, p. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Van Elst, supra noot 11, Inl. opm., aant. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de plaatsing in de lijst groepen en entiteiten, is de LTTE in Nederland van rechtswege verboden. Vgl. art. 5b Wet Conflictenrecht corporaties (oud): “Een corporatie die niet is een Nederlandse rechtspersoon en is vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 (PbEG L 344) of in Bijlage I van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 (PbEG L 139) of is vermeld en met een ster aangemerkt in de Bijlage bij het Gemeenschappelijk Standpunt nr. 2001/931 van de Raad van 27 december 2001 (PbEG L 344) is van rechtswege verboden en niet bevoegd tot het verrichten van rechtshandelingen.” Met ingang van 1 januari 2012 is de Wet Conflictenrecht corporaties ingetrokken en de verbodsbepaling ex art. 5b opgenomen in art. 10:123 BW; zie art. IV onder i Wet Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek, Stb. 2011/272 (i.w.tr. Stb. 2011/340).</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:EU:T:2014:885 punt 187.</p>\n<p class=\"lf-p\">PbEU C 89 van 16 maart 2015, p. 6 (zaaknummer C-599/14 P).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de goede orde: de middelen hebben dus geen betrekking op het oordeel dat het kaderbesluit van toepassing is op gevallen van een niet-internationaal gewapend conflict.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van advocaat-generaal E. Sharpston 22 september 2016, ECLI:EU:C:2016:723 (punt 125-126 onder verwijzing naar punt 77-91, i.h.b. punt 89).</p>\n<p class=\"lf-p\">Meest recent de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1127 van de Raad van 12 juli 2016 tot uitvoering van art. 2, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2425, PbEU L 188/1 van 13 juli 2016. Hieraan vooraf gingen (teruggaande tot de uitspraak van het HvJ EU van 16 oktober 2014) de Uitvoeringsverordening van respectievelijk 21 december 2015 (2015/2425), 31 juli 2015 (2015/1325) en 26 maart 2015 (2015/513). De aan de laatstgenoemde Uitvoeringsverordening voorafgaande Uitvoeringsverordening dateert van 22 juli 2014 en betreft nr. 790/2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Requisitoiraantekeningen bij de zitting “Koninck” d.d. 26 januari 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 26 januari 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">In volgorde van de zaaknummers gaat het om de medeverdachten [J.M. J.] (15/02147), Stcrt. 2010, 9235; [L. T.] (15/4689), Stcrt. 2010, 9224; [T. E.] (15/04691), Stcrt. 2010, 9233; [R. S.] (15/04692), Stcrt. 2010, 9227 en de verdachte (15/04693), Stcrt. 2010, 9229.</p>\n<p class=\"lf-p\">RvS (Bestuursrechtspraak) 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1148. De hierboven aangehaalde uitspraak van het Gerecht van het HvJ EU van 16 oktober 2014 is gedaan in een andere zaak na het verzoek van de Raad van State aan het HvJ EU om bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de zes geformuleerde vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie advocaat-generaal Sharpston 29 september 2016, zaak C-158/14, ECLI:EU:C:2016:734.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voetnoten van het hof heb ik ter wille van de leesbaarheid weggelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 284 Sr luidt, voor zover hier relevant, dat hij “die een ander door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, gericht hetzij tegen die ander hetzij tegen derden, wederrechtelijk dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden”, gestraft wordt met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie. Art. 316 Sr luidt, voor zover van belang, dat hij “die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt hetzij tot de afgifte van enig goed dat geheel of ten dele aan deze of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld, hetzij tot het ter beschikking stellen van gegevens” als schuldig aan afpersing wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 140 Sr houdt in, voor zover van belang, dat deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie (eerste lid). Deze gevangenisstraf kan met een derde worden verhoogd ten aanzien van oprichters, leiders of bestuurders (derde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559 (rov. 3.4): “Voor het bewijs van dit oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarbij de stellers van het middel verwijzen naar HR 22 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0225, NJ 1988/785 m.nt. Th.W. van Veen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dezelfde zin N. Keijzer in zijn annotatie (sub 2) onder HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096, NJ 2011/228 met betrekking tot bedreiging als bedoeld in art. 285 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met weglating van de voetnoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank motiveerde de vrijspraak ter zake van de feiten onder 5 en 6 als volgt (vonnis p. 29):“Feit 5[…]Van een aantal van de uitlatingen moet worden geoordeeld dat ze ontegenzeggelijk een opzwepend karakter hebben. Van de context waarin de uitlatingen gedaan zijn, herdenkingsbijeenkomsten, kan enerzijds gezegd worden dat het herdenken van omgekomen strijders het opzwepend karakter mogelijk versterkt, maar anderzijds ook dat juist dergelijke herdenkingen begrijpelijkerwijs tot enigszins krachtiger taal aanleiding geven. Een directe oproep tot het plegen van strafbare feiten kan daarin niet gevonden worden. Ook de zinsnede ‘staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen’ kan onder de gegeven omstandigheden, waaronder de geografische, evenmin als zodanig geduid worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een uitlating begrepen zou kunnen worden als een indirecte aansporing, zal die uitlating tevens moeten worden beoordeeld in het licht van de vrijheid van meningsuiting, zoals beschermd door onder andere artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).De rechtbank is, alles afwegend, van oordeel dat de tenlastegelegde uitlatingen, ook die waarin een hoge morele waardering voor geweld wordt uitgesproken, in de gegeven omstandigheden geen van alle dusdanig zijn dat daarmee de grens van de vrijheid van meningsuiting is overschreden en zal verdachte vrijspreken van feit 5 (cursivering van mij, AG).Feit 6De inhoud van de drie dvd’s en de scheurkalender, vermeld in feit 6, heeft, hoewel daar ook bewondering voor gewelddadigheden en het sterven in een strijd uit blijkt, een voornamelijk verhalend en herdenkend karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enige directe of indirecte oproep tot het plegen van strafbare feiten, die ook nog eens de grens van de vrijheid van meningsuiting overschrijdt (cursivering van mij, AG), kan daarin niet gevonden worden. Ook de tekst op het affiche voor de Heldendag 2009, die eerder als bombastisch gekwalificeerd moet worden, overschrijdt niet de grens van vrijheid van meningsuiting. De rechtbank zal verdachte derhalve ook vrijspreken van feit 6.”</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 2 december 2014 (Güler en Uğur t. Turkije), nr. 31706/10 en 33088/10, par. 52. De door het EHRM verstrekte Engelse vertaling luidt als volgt: “The Court thus accepts that certain forms of identification with a terrorist organisation, and especially apologia for such an organisation, may be regarded as a manifestation of support for terrorism and an incitement to violence and hatred. Similarly, the Court accepts that to disseminate messages praising the perpetrator of an attack, to denigrate the victims of an attack, to raise money for terrorist organisations, or to engage in other similar conduct, may constitute acts of incitement to terrorist violence […].”</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar – waarbij ik de paragraaf en het citaat daaruit verbeterd weergeef – EHRM 8 juli 1999 (Errond en İnce t. Turkije), nrs. 25067/94 en 25068/94 [GC], par. 52: “nor could they be construed as liable to incite to violence”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2004, 290 (i.w.tr. op 10 augustus 2004, Stb. 2004, 373).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2002/03, 28463, 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vonnis van de rechtbank komt dit fraai naar voren in de overweging waarmee wordt vrijgesproken van de onder 2 sub a en b tenlastegelegde feiten (p. 29): “Ook de overige uitlatingen en uitingen in het dossier zijn onvoldoende voor het bewijs dat de onder feit 2 bedoelde organisatie het oogmerk had op de strafbare feiten van – kort gezegd – opruiing of verspreiding ter opruiing.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de Inleidende opmerkingen in de (niet gepagineerde) schriftuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het arrest is dit voetnootnummer 606 met de volgende inhoud: “Zie o.a. United States v. Thavaraja, United States Court of Appeals, Second Circuit (Docket no. 12-4330-cr) d.d. 23 January 2014, zie: http://caselaw.findlaw-.com/us-2nd-circuit/1655425.html (gezien op 20 april 2015); Gerechtshof Parijs (Cour d'Appel de Paris, pool 8, kamer 1, RG nr. 09.13096) d.d. 22 februari 2012, p. 34-36 (D03-1043 t/m 1045) en Federaal Gerechtshof Düsseldorf (III-6 StS 4/10, III-6 StS 1/11) dd 20 oktober 2011 p. 41-45 (D09-0464 t/m 0468).”</p>\n<p class=\"lf-p\">New York 9 december 1999, Trb. 2000, 12 p. 8 (i.w.tr. 10 april 2002, ook voor Nederland, Trb. 2002, 110, p. 9).</p>\n<p class=\"lf-p\">Warschau 16 mei 2005, Trb. 2006, 34, p. 10 (i.w.tr. 1 juni 2007, voor Nederland 1 november 2010, Trb. 2010, 244, p. 8).</p>\n<p class=\"lf-p\">PbEG L 164 van 22 juni 2002, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">VN document S/RES/13737 (2001), Trb. 2001, 179, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">VN document S/RES/1566 (2004), geraadpleegd op &lt;documents-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/N04/542/82/PDF/N0454282.pdf?OpenElement&gt;. Anders dan de eerdergenoemde Resolutie is deze niet gepubliceerd in het Tractatenblad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9941, NJ 2013/296 rov. 2.3 m.b.t. de in art. 23 Verdrag van Lanzarote opgenomen verplichting: “Each Party shall take the necessary legislative or other measures to criminalise […]”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontleend aan L. Besselink, ‘Internationaal recht en nationaal recht’, in N. Horbach, R. Lefeber &amp; O. Ribbelink, Handboek internationaal recht, Den Haag: T.M.C. Asser Press 2007, p. 47-80. Deze auteur noemt echter niet uitdrukkelijk besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Dat doen wel P.A. Nollkaemper, Kern van het Internationaal publiekrecht, Den Haag: Boom juridische uitgevers 2014, p. 467, en J.W.A. Fleuren, Een ieder verbindende bepalingen van verdragen (diss.), Den Haag: Boom juridische uitgevers 2004, p. 3 en 19-20. Zie voor verdragen expliciet HR 3 maart 1919, NJ 1919 p. 317 en HR 25 mei 1906, W 8383.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR (Tweede Kamer) 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8351, NJ 2013/411 m.b.t. resoluties van de VN Veiligheidsraad gebaseerd op Hoofdstuk VII van het Handvest VN. B. Simma e.a. (eds.), The Charter of the United Nations. A Commentary, vol. I, Oxford: Oxford University Press 2012, p. 806 nr. 53 (A. Peters): “The traditional criteria of suitability for direct application, namely unconditionality and precision of the international act normally do not pose a problem for Security Council decisions. […] the direct effect of the Council decision should not be ruled out as impossible from the outset”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarover: J.W.A. Fleuren, ‘The Application of Public International Law by Dutch Courts’, Netherlands International Law Review LVII (2010), p.245-266 (op p. 247 schrijft hij: “treaties and resolutions of international organizations to be binding on all persons insofar as they had been published”, en op p. 249: “In so far as such resolutions are published and contain provisions which are self-executing, they may affect the rights and duties of natural and legal persons and will have supremacy over the Constitution, Acts of Parliament and other legal rules”. En zo ook J.W.A. Fleuren in T&amp;C Grondwet, 2015, art. 93, aant. 1 (online, bijgewerkt tot 1 oktober 2015). Besselink 2007, supra noot 46, p. 64 schrijft: “Bekendmaking beoogt niet zozeer het verdrag deel te laten uitmaken van de rechtsorde, maar is slechts een rechtszekerheidseis met het oog op de belangen van de burgers die door een verdragsbepaling direct of indirect kunnen worden geraakt.” C.A.J.M.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortmann, bewerkt door P.P.T. Bovend’Eert e.a., Constitutioneel recht, Deventer: Kluwer 2012, p. 171: “In deze zin bezit art. 93 Gw een dualistisch trekje: bekendmaking is vereist, wil een eenieder verbindende bepaling van een verdrag toegepast kunnen worden, als een burger er een beroep op doet of ermee wordt geconfronteerd.” Zie voorts A.K. Koekkoek (red.), de Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 457 (F.M.C. Vlemminx &amp; M.G. Boekhorst) onder aanhaling van Kamerstukken II 1951/52, 2374, 10, p. 32: “Ook onder diegenen, die zich plaatsen op het standpunt van de gelding van de internationale overeenkomst boven een latere nationale wet, zijn er, die ernstige bezwaren hebben tegen de stelling, dat de onderdanen van de Staat gebonden zouden kunnen zijn aan regels, van welker bestaan zij geen kennis hebben kunnen nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit achten zij in strijd met de primaire rechtsbeginselen en zij weigeren deze uiterste consequenties van de theorie van het primaat van het internationale recht te aanvaarden. De Regering is het hiermede eens. De rechtszekerheid van het individu is een kostbaar goed, en aantasting daarvan moet in hoge mate bedenkelijk worden geacht. Indien een nationale Regering nalaat de burgers in kennis te stellen van het bestaan van internationale regels, die ook voor de burgers bindend zijn, moet uitsluitend deze nalatige Regering hiervoor aansprakelijk worden gesteld, zonder dat de onderdanen slachtoffer moeten worden van dit verzuim.” En in Kamerstukken II 1977/78, 15049 (R1100), 7, p. 17 kan men lezen: “Deze bepaling […] houdt voor de burgers de waarborg in, dat de een ieder verbindende bepalingen van verdragen of besluiten hen eerst daadwerkelijk verbinden nadat deze bepalingen zijn bekendgemaakt op door de wet voorgeschreven wijze.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In de resolutie zelf wordt niet naar voorbereidende documenten verwezen. In het gepubliceerde verslag van de zitting van de Veiligheidsraad van 28 september 2001 waar de resolutie is aangenomen, wordt verwezen naar een ontwerpresolutie welke unaniem is aangenomen. Uit het gepubliceerde verslag blijkt niet dat tijdens de vijf minuten durende zitting stemverklaringen zijn afgelegd, zie VN doc. S/PV.4385.</p>\n<p class=\"lf-p\">Staat/CAN, HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928, NJ 2015/12 m.nt. E.A. Alkema, en AB 2015/21 m.nt. S. Philipsen en J.C. de Wit.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928, NJ 2015/12 m.nt. E.A. Alkema, en AB 2015/21 m.nt. S. Philipsen en J.C. de Wit (onderdeel 3.5.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.M. Corstens/M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 233.</p>\n<p class=\"lf-p\">Simma e.a. 2012, supra noot 47, p. 805 nr. 51 (A. Peters): “The third aspect of direct effect is the principle of legality. […] The question […] is whether a Security Council decision constitutes a sufficient legal basis. That question is most acute when it comes to the establishment of a crime through a rule of international law.”</p>\n<p class=\"lf-p\">P.M. Schuyt, Verantwoorde straftoemeting, diss. Leiden, Deventer: Kluwer 2010, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dezelfde zin N. Keijzer, Het Europees verdrag tot bestrijding van terrorisme, openbare les Amsterdam (VU), Deventer: Kluwer 1979, p. 10. Volgens Keijzer kunnen “verdragsluitende partijen hun onafhankelijke rechters natuurlijk niet binden.” Vgl. evenwel ook de VN Veiligheidsraadresolutie 748 (1992) op basis waarvan Libië werd verplicht twee met naam en toenaam genoemde verdachten uit te leveren. Zo een verplichting zou mijns inziens ook voor de rechter rechtstreeks kunnen werken. Ik kan me wel voorstellen dat internationaal recht een onafhankelijke rechter verbiedt een bepaalde straf op te leggen, zoals de doodstraf (of een levenslange gevangenisstraf zonder tussentijdse toetsing).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4837, NJ 2013/33 (rov. 2.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 januari 1978, ECLI:NL:HR:1978:AB7055, NJ 1978/246 m.nt. Th.W. van Veen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nr. 8 in de toelichting op het middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schrift gesteld requisitoir overgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2015, p. 6.</p></div>", "next": 0}