{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Iets dergelijks kan zich niet voordoen bij toepassing van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb, omdat dit niet uitgaat van een verzoek, maar van een eigen verplichting van de inspecteur.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.44 Naar mijn mening is er noch in de wettekst, noch in de wetsgeschiedenis bij artikel 40 van de Wet WOZ of bij artikel 7:4 van de Awb, steun te vinden voor de op exclusiviteit gerichte opvatting van het College.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.45 Een en ander betekent dat klacht iii) het lot van de voorgaande twee moet delen, zodat het derde middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde middel 5.46 Het vierde middel van het College luidt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten onrechte overweegt het Hof dat eerst in hoger beroep voldoende inzicht is geboden in de totstandkoming van de waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.47 Dit middel is gericht tegen de volgende overweging van het Hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ten onrechte weigeren om de grondstaffel te verstrekken vormt voor het Hof geen aanleiding om de uitspraken op bezwaar te vernietigen, omdat de beschikte waarde immers niet te hoog is vastgesteld. Wel zal het Hof de Heffingsambtenaar veroordelen in de proceskosten van de beroepsfase en de hoger beroepsfase. Belanghebbende is immers door de weigerachtige houding van de Heffingsambtenaar moeten blijven procederen tot in hoger beroep om een gefundeerd oordeel te kunnen vormen van de door de Heffingsambtenaar vastgestelde waarde om aan de hand van de ontvangen gegevens in alle redelijkheid te kunnen inschatten of hij al dan niet (hoger) beroep zou instellen. Pas na ontvangst van het verweerschrift in hoger beroep, met daarbij gevoegd de nieuwe matrix met de grondstaffel en de definitieve, gewijzigde, cijfers betreffende de grondwaardes en de waardes van de (hoofd)woningen van de onroerende zaak en de referentieobjecten, kon belanghebbende de hiervoor vermelde inschatting maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bezwaarfase veroordeelt het Hof de Heffingsambtenaar niet voor de door belanghebbende in bezwaar gemaakte kosten. Van de Heffingsambtenaar kan immers niet verlangd worden om (ongevraagd) voorafgaande aan of gelijktijdig met het versturen van de beschikking en de aanslag de grondstaffel aan belanghebbende te verstrekken, opdat deze voorafgaande aan het al dan niet instellen van bezwaar de voor zijn onroerende zaak vastgestelde waarde kan toetsen en controleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.48 Blijkens de toelichting bestrijdt het College ’s Hofs (impliciete) oordeel dat onvoldoende inzicht is geboden. Het College betoogt dat het alle gegevens heeft verstrekt als bedoeld in artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet WOZ. Tevens heeft het College blijkens de toelichting op het vierde middel herhaald, wat zij bij de toelichting op haar vierde middel reeds heeft betoogd, namelijk dat alleen het taxatieverslag geldt als ‘gegevens’ in de zin van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ en dat daarmee ’s Hofs impliciete oordeel ‘dat (…) de heffingsambtenaar niet aan zijn verplichting tot het leveren van informatie heeft voldaan’ onbegrijpelijk is. Dat ik dit anders zie, blijkt uit de bovenstaande behandeling van het derde middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.49 Ten slotte acht het College het onbegrijpelijk dat ‘het niet verstrekken van de grondstaffel (…) belanghebbende verhindert een juiste beoordeling van de juistheid van de waarde te maken’, maar het ontbreken van de grondstaffel de Rechtbank en het Hof er niet van heeft weerhouden om een oordeel over de vastgestelde waarde te vellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.50 Bij de behandeling van dit vierde middel stel ik voorop dat uit artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet WOZ in samenhang met de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ, is af te leiden dat het taxatieverslag ten minste moet bevatten: de objectaanduiding, de waarderelevante objectgegevens, de motivering van de individuele afwijking ten opzichte van de relevante marktgegevens en de getaxeerde waarde. Anders dan het College kennelijk voorstaat, kan daaruit naar mijn mening niet worden afgeleid dat daarmee per definitie is voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 40 van de Wet WOZ, alsmede artikel 7:4, tweede lid, van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.51 Ik acht het niet onbegrijpelijk dat het Hof enerzijds heeft geoordeeld dat de Heffingsambtenaar aan het verzoek van de gemachtigde om de grondstaffel te verstrekken tegemoet had moeten komen, maar anderzijds heeft geoordeeld dat het ten onrechte weigeren daarvan geen aanleiding vormt om de uitspraken op bezwaar te vernietigen, nu volgens het Hof de beschikte waarde niet te hoog is vastgesteld. Het College miskent hier dat sprake is van twee verschillende oordelen op de twee verschillende geschilpunten bij het Hof, te weten een oordeel ten aanzien van een materiële klacht (of de vastgestelde waarde van de onroerende zaak van € 373.000 per peildatum 1 januari 2013 te hoog is vastgesteld) en een oordeel ten aanzien van een formele klacht (of de Heffingsambtenaar aan het verzoek van de gemachtigde om de grondstaffel te verstrekken tegemoet had moeten komen).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.52 Aldus faalt ook het vierde middel van het College.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk ongegrond dient te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 februari 2017, nr. 15/01429, ECLI:NL:GHSHE:2017:501, FutD 2017/0886.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de integrale wettekst 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn meestal zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. In citaten voorkomende witregels zijn soms weggelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaar wordt hierna verwezen als: Bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 februari 2017, nr. 15/01429, ECLI:NL:GHSHE:2017:501, FutD 2017/0886.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 oktober 2015, nr. AWB 14/7668, ECLI:NL:RBZWB:2015:7281, FutD 2015/2886.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 februari 2017, nr. 15/01429, ECLI:NL:GHSHE:2017:501, FutD 2017/0886.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: tegen deze uitspraak is eveneens cassatie ingesteld. De zaak is thans aanhangig bij de Hoge Raad onder nr. 16/04497. Ik neem in de onderhavige zaak en de zaak met nr. 16/04497 gelijktijdig, als onderdeel van een cluster zaken, conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">NTFR 2017/1431.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belastingblad 2017/200.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 september 1999 is hoofdstuk 8 van de Awb van overeenkomstige toepassing verklaard op het belastingrecht. Zie: Wet van 29 oktober 1998, houdende aanpassing van het fiscale procesrecht aan de Algemene wet bestuursrecht en wijziging van een aantal fiscale en andere wetten (herziening van het fiscale procesrecht), Stb. 1998, 621 Met ingang van 1 oktober 2016 is artikel 40 van de Wet WOZ gewijzigd door alleen van toepassing te zijn op een bepaalde onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient. Zie voor de verstrekking van waardegegevens ten aanzien van een bepaalde onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dient artikel 40a van de Wet WOZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, p. 27-29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit onder meer de derde nota van wijziging bij de Wet WOZ is af te leiden dat het oorspronkelijke voorgestelde artikel 40 van de Wet WOZ is komen te vervallen, zodat uiteindelijk artikel 41 is vernummerd tot artikel 40. Waar in het citaat ‘artikel 41’ wordt genoemd, wordt aldus artikel 40 van de Wet WOZ bedoeld. Zie: Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 198, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 10, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 22, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 1994/874.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet WOZ van 23 december 2009, Stb. 2009,615.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze instructie is vervat in de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ van 30 december 2011, Stcrt. 2011,22974.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 7 juni 2002, nr. 36 801, ECLI:NL:HR:2002:AE3833, BNB 2002/284 met noot Spek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 21 april 2006, nr. 41 185, ECLI:NL:HR:2006:AW2326, NTFR 2006/607 met noot Kastelein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 13 augustus 2010, nr. 08/04247, ECLI:NL:HR:2010:BK8502, BNB 2010/323 met noot Van Casteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 20 december 2013, nr. 12/02872, ECLI:NL:HR:2013:1797, na conclusie A-G IJzerman, BNB 2014/42 met noot Pechler.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 25 november 2016, nr. 16/01414, ECLI:NL:HR:2016:2667, BNB 2017/41 met noot Jansen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 december 2014, nr. AWB/14/4804, ECLI:NL:RBZWB:2014:8315, Belastingblad 2015/108 met noot Borghols.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 11 augustus 2004, nr. 200306466/1, ECLI:NL:RVS:2004:AQ6645, Belastingblad 2004/998.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 5 juni 2013, nr. 201204362/1/A3, V-N 2013/32.8 met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 7 augustus 2013, nr. 201208505/1/A3, ECLI:NL:RVS:2013:629, V-N 2013/54.4 met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 11 december 2013, nr. 201208181/1A3, ECLI:NL:RVS:2013:2326, V-N 2014/5.11 met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ABRvS heeft de volgende overwogen reeds in diverse uitspraken opgenomen: ‘Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 40 van de Wet WOZ (…) volgt dat de wetgever met deze bepaling een toegesneden regeling inzake openbaarmaking en geheimhouding heeft willen treffen ter zake van bij de waardevaststelling van woningen betrokken gegevens. Daarbij heeft de wetgever getracht een evenwicht te vinden tussen het belang van degene te wiens aanzien een beschikking is genomen om de waardevaststelling van de eigen woning te kunnen controleren en het belang van geheimhouding van gegevens over een niet aan hen toe te rekenen object’. Zie de volgende uitspraken: Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 2 april 2014, nr. 201308103/1A3, ECLI:NL:RVS:2014:1161, V-N 2014/50.28 met noot redactie, afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 23 december 2015, nr. 201502882/1/A3, ECLI:NL:RVS:2015:3918, afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 16 november 2016, nr. 201600879/1/A3, ECLI:NL:RVS:2016:3022, V-N 2016/62.25.11 met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 2 april 2014, nr. 201308103/1/A3, ECLI:NL:RVS:2014:1161, V-N 2014/50.28 met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 16 november 2016, nr. 201600879/1/A3/, ECLI:NL:RVS:2016:3022, NLF 2017/0555 met noot Van der Vegt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor deze overwegingen onderdeel 2.1 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zo’n staffel wordt de prijs per m² grond gegeven, waarbij geldt: hoe meer grond, des te goedkoper per m². Dat wil zeggen dat de prijs per m² afneemt naarmate de perceeloppervlakte groter wordt. Deze staffel wordt toegepast omdat bij grote percelen niet het gehele perceel hetzelfde nut oplevert. Voorbeeld: bij een vergelijkbare woning met meer grond wordt een lagere prijs per m² gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat geen verschil bestaat in de te hanteren toets of sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken bij zowel artikel 7:4, tweede lid, van de Awb en artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is naar mijn mening expliciet af te leiden uit r.o. 2.4.2 van het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015. Zie onderdeel 2.73 van de Bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel ik betwijfel of daarin de juiste volgorde en opzet zijn gekozen, ten aanzien van toepassing van de artikel 40 van de Wet WOZ of artikel 7:4, tweede lid, van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de tekst van dit artikel onderdeel 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de wetsgeschiedenis bij de Awb de onderdelen 2.23 – 2.35 van de Bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘applicatie’ moet volgens Van Dale Handwoordenboek Hedendaags Nederlands worden verstaan: ‘computerprogramma’. Het gaat daarbij naar mijn mening om het in elektronische vorm verzamelen en ordenen van gegevens, als onderworpen aan programmaregels, welke kunnen leiden tot uitkomsten (‘applications’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2013 de onderdelen 2.64 en 4.30 van de Bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de uitspraak van gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 mei 2016 de onderdelen 2.101 en 4.53 van de Bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De CRvB oordeelde op 17 april 2003 andersluidend en overwoog dat een database en applicatie behoudens eventuele uitdraaien uit die database niet behoren tot de stukken als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. Zie onderdeel 2.113 van de Bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit volgt uit de toelichting op het eerste middel, zoals opgenomen in onderdeel 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de onderdelen 3.11 en 3.14 van de Bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2013 de onderdelen 2.64 en 4.30 van de Bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie 4.20 voor de uitspraak van de ABRvS van 5 juni 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie 4.22 voor de uitspraak van de ABRvS van 11 december 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie 4.23 voor de uitspraak van de ABRvS van 2 april 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de tekst van artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.17 voor het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de tekst van artikel 30 van de Wet WOZ onderdeel 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarvoor ook het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2013 de onderdelen 2.64 en 4.30 van de Bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten overvloede merk ik op dat de ABRvS bij uitspraak van 23 december 2015 en 16 november 2016 heeft geoordeeld dat de regeling van de Wet WOZ (waaronder artikel 40 van de Wet WOZ) een lex specialis is ten opzichte van de WOB en daarop voorgaat. Zie onderdeel 4.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de toelichting op het derde middel onderdeel 3.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het standaardarrest van 25 april 2008, zoals opgenomen in 2.45 en 4.40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. hetgeen ik in onderdeel 5.2. heb opgemerkt over het belang van het College bij deze procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer de uitspraken van de ABRvS in de onderdelen 4.21 t/m 4.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, p. 27, als opgenomen in onderdeel 4.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitspraak van de ABRvS in onderdeel 4.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de toelichting op het derde middel onderdeel 3.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.23 voor de uitspraak van de ABRvS van 2 april 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de uitspraak van de ABRvS van 16 november 2016 onderdeel 4.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de wetsgeschiedenis bij artikel 40 van de Wet WOZ de onderdelen 4.8 t/m 4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de volledige toelichting op het vierde middel onderdeel 3.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de tekst van artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet WOZ onderdeel 4.11 en 4.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 3.1. van de uitspraak van het Hof.</p></div>", "next": 0}