{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In de praktijk komt het meer dan eens voor dat de ontvanger of de inspecteur stelt dat hij alleen de samenvattingen of relaasprocessen-verbaal van de politie of de FIOD heeft ontvangen, zodat hij niet gehouden is om de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal van verhoren van getuigen en verdachten, alsmede ambtshandelingen et cetera te verstrekken. Op de voet van art. 55 AWR (jo. art. 62 IW 1990) – hoe komt hij anders aan de bevindingen van de politie of FIOD? – kunnen de inspecteur en de ontvanger eenvoudig en zonder bijzondere inspanningen over de complete dossiers van de politie of FIOD beschikken dan wel de beschikking hierover verkrijgen. Indien en voor zover hij dan al niet over deze stukken heeft beschikt bij het opleggen van de aanslag respectievelijk aansprakelijkstelling, vloeit naar mijn mening mede voort uit het zorgvuldigheidsbeginsel van art. 3:2 Awb (de verplichting om de relevante feiten te verzamelen) dat de inspecteur of de ontvanger desgevraagd via de weg van art. 55 AWR het complete dossier bij de politie of FIOD opvraagt en overlegt aan belanghebbende en de rechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.79 De Hoge Raad heeft op 19 februari 2016 geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij brief van 9 februari 2011 heeft de Inspecteur belanghebbende – onder overlegging van het door OLAF opgemaakte onderzoeksrapport met uitzondering van bepaalde bij dat rapport behorende annexen (hierna: de annexen) - op de hoogte gesteld van zijn voornemen om met betrekking tot de hiervoor in 2.1.1 bedoelde invoeraangiften over te gaan tot navordering van douanerechten en antidumpingrechten. Belanghebbende heeft bij brief van 23 februari 2011 inhoudelijk gereageerd op dat voornemen. Op 24 februari 2011 heeft de Inspecteur bij de onderwerpelijke uitnodigingen tot betaling zowel douanerechten als antidumpingrechten van belanghebbende nagevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de bezwaarfase heeft belanghebbende, zowel voorafgaand aan als tijdens het horen voordat de Inspecteur op de bezwaren besliste, tevergeefs verzocht om overlegging van de annexen. Dit verzoek heeft zij tijdens de beroepsfase bij de Rechtbank, wederom tevergeefs, herhaald. Uiteindelijk heeft de Inspecteur in hoger beroep op vordering van het Hof de annexen alsnog aan belanghebbende verstrekt, zij het met weglating (‘witten’) van verschillende daarin voorkomende passages.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft geoordeeld dat de annexen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, Awb. De Inspecteur is daarom niet alleen verplicht deze stukken in beroep aan de rechter over te leggen maar ingevolge artikel 7:4 Awb ook verplicht deze in de bezwaarfase, voorafgaand aan het horen, ter inzage aan belanghebbende te verstrekken, aldus het Hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft vervolgens onder verwijzing naar artikel 8:31 Awb en na afweging van alle belangen geoordeeld geen gevolgen te verbinden aan de weglating van de passages, met dien verstande dat het Hof het hierna volgende in aanmerking heeft genomen en beslist. Door tijdens de bezwaarfase inzage in de annexen te weigeren heeft de Inspecteur, aldus het Hof, niet alleen artikel 7:4 Awb geschonden maar ook het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 juli 2014, gevoegde zaken Kamino International Logistics B.V. en Datema Hellman Worldwide Logistics B.V., C‑129/13 en C‑130/13, ECLI:EU:C:2014:2041, BNB 2014/231 (hierna: het arrest Kamino), heeft het Hof aan deze schending (hierna: de schending) geen gevolgen verbonden voor de onderhavige uitnodigingen tot betaling, omdat belanghebbende naar ’s Hofs oordeel niet aannemelijk heeft gemaakt dat de procedure zonder de schending een andere afloop had kunnen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij achtte het Hof van belang dat belanghebbende onvoldoende heeft geconcretiseerd wat zij nader had willen onderzoeken indien zij de annexen eerder tot haar beschikking had gehad, en waarom zij dat onderzoek zonder de niet verstrekte informatie niet heeft kunnen uitvoeren. Wel vormde de schending voor het Hof aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand die is verleend ter zake van het gemaakte bezwaar, het ingestelde beroep en het hoger beroep alsmede de door belanghebbende betaalde griffierechten. (…) 2.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft vastgesteld dat de Inspecteur door het niet overleggen van de annexen voorafgaand aan het doen van de uitspraak op bezwaar niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan belanghebbende ter inzage heeft verstrekt. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur daarmee het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft geschonden. Dat oordeel wordt in cassatie terecht niet bestreden. Schending van de rechten van de verdediging bij de totstandkoming van een (bezwarend) besluit leidt tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit, wanneer deze procedure zonder de onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter dient een en ander te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval (vgl. HR 26 juni 2015, nr. 10/02774bis, ECLI:NL:HR:2015:1666, BNB 2015/186, onderdelen 2.3.2 en 2.3.3). In ’s Hofs hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen ligt besloten het oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat wanneer zij tijdens de bezwaarfase wel (volledig) inzage zou hebben gehad in de annexen, zij een inbreng had kunnen leveren (waaronder een inbreng over de rol van de autoriteiten van Maleisië) die voor het vaststellen van de uitspraak op bezwaar van belang was en tot een andere uitspraak op bezwaar zou hebben kunnen leiden dan de uitspraak op bezwaar die de Inspecteur heeft gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat oordeel is – mede in het licht van de bevindingen van het door OLAF opgemaakte onderzoeksrapport zoals dat door de Inspecteur aan het Hof is overgelegd - niet onbegrijpelijk. Het Hof was derhalve niet gehouden tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar over te gaan. Middel I en middel II in zoverre falen mitsdien.</p>\n<p class=\"lf-p\">H. Jurisprudentie I Feitenrechtspraak 2.80 Op 13 februari 2002 heeft het gerechtshof Den Haag geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge artikel 8:42 van de Awb is de Inspecteur gehouden de op de zaak beschikking hebbende stukken aan het Hof toe te zenden. Blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling moet onder \"de op de zaak betrekking hebbende stukken\" worden verstaan: alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Het Hof is van oordeel dat het advies van de kennisgroep waarnaar de Inspecteur in zijn uitspraak op het bezwaarschrift van belanghebbende verwijst, onmiskenbaar een op de zaak betrekking hebbend stuk is als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.81 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 1 februari 2005 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) schrijft – onder meer – voor dat het bestuursorgaan, in dit geval de Inspecteur, de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Hof zendt. Uit het niet inzenden kan het Hof de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen (artikel 8:31 Awb). De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat hij om procestechnische redenen niet alle stukken heeft ingezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het Hof mag van een bestuursorgaan, dus ook van de Inspecteur, een meer neutrale proceshouding worden verwacht en is het niet toelaatbaar dat de Inspecteur, in verband met zijn procespositie en de verdeling van de bewijslast tussen partijen, stukken die op de zaak betrekking hebben achterhoudt. Dit geldt temeer omdat in het bestuursprocesrecht geen sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu het Hof alsnog over de stukken kan beschikken en in zijn beoordeling kan betrekken doordat belanghebbende deze ter zitting heeft overgelegd, zal het Hof daaraan geen gevolgen verbinden voor het beslechten van het materiële geschil. Het Hof vindt daarin echter aanleiding reeds op die grond de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende en hem te gelasten aan belanghebbende het griffierecht te vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.82 Naar aanleiding van de bovenstaande uitspraak zijn de volgende Kamervragen gesteld en beantwoord door de Staatssecretaris van Financiën:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag 2 Komt het vaker voor dat inspecteurs of ontvangers stukken die voor de beoordeling van de zaak van belang zijn om procestechnische redenen niet aan de rechter overleggen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag 3 Is een dergelijke aanpak naar uw oordeel in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht en met de transparantie die van de Belastingdienst mag worden verwacht?</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo neen, welke stappen bent u dan van plan te ondernemen om te zorgen dat een dergelijke aanpak niet meer voorkomt?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord op vragen 2 en 3 Op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht zijn de inspecteurs en ontvangers verplicht de op zaak betrekking hebbende stukken aan de rechter te sturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het om procestechnische redenen niet aan de rechter overleggen is dus niet alleen in strijd met de transparantie die van de Belastingdienst mag worden verwacht maar ook met de wet. Ik hecht eraan in dit verband op te merken dat de inspecteur die de onderhavige procedure heeft gevoerd mij heeft laten weten ter zitting te hebben verklaard om proceseconomische redenen (en derhalve niet zoals in de uitspraak is opgenomen om procestechnische redenen) niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken te hebben meegezonden. Ik acht dit verschil in woordkeus van wezenlijk belang. Immers om procestechnische redenen iets niet meezenden wekt de suggestie dat opzettelijk informatie is achtergehouden om de proceskansen van de inspecteur te vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inspecteur heeft mij verzekerd dat hiervan geen sprake was, maar dat hij louter om doelmatigheidsredenen in het verweerschrift een samenvatting van alle relevante feiten uit de stukken heeft gegeven. Dit was in deze individuele zaak ten onrechte. Het beleid van de Belastingdienst is er op gericht aan de rechter alle op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Uit navraag die ik heb gedaan bij de Belastingdienst komt het beeld naar voren dat de inspecteurs en ontvangers van de Belastingdienst conform dit beleid handelen. Dit laat onverlet dat bij de afweging of bepaalde stukken op de zaak betrekking hebben - en dus moeten worden meegestuurd - incidenteel inschattingsfouten kunnen worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op bovenstaande bestaat er voor mij geen aanleiding tot beleidsmatig ingrijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.83 De redactie van V-N heeft aangetekend:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een inspecteur die het bepaalde in art. 8:42 Awb aan zijn laars lapt, handelt onrechtmatig. Anders dan de staatssecretaris lijkt te denken, is het volstrekt niet van belang welke redenen de inspecteur voor zijn handelen heeft. Noch procestechnische, noch proceseconomische, noch andere overwegingen kunnen het handelen in strijd met een ondubbelzinnig wetsvoorschrift legitimeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.84 Gerechtshof Den Haag heeft in een verzet-procedure op 19 april 2005 overwogen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>(…) Belanghebbende is rechtstreeks benaderd door de Belastingdienst met het verzoek om zijn beroepschrift in te trekken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>(…) 4.1.2.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof overweegt dat het onder 3 vermelde verzoek van de Belastingdienst, dat zonder tussenkomst van het Hof direct aan belanghebbende is toegezonden, onmiskenbaar een op de zaak betrekking hebbend stuk is en dat blijkens de gedingstukken belanghebbende zich gedurende de gehele onderhavige procedure heeft laten vertegenwoordigen door drs. C. Gelet op het vorenstaande had het eerdervermelde verzoek in ieder geval aan de gemachtigde gezonden dienen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.85 Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft op 22 september 2005 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het voorgaande komt het Hof tot de conclusie dat de Inspecteur ten onrechte niet volledig heeft voldaan aan de verplichting op grond van de tussenuitspraak om stukken in het geding te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8:31 van de Awb verleent het Hof een discretionaire bevoegdheid om, indien een partij niet voldoet aan de verplichting stukken over te leggen, daaruit de gevolgtrekkingen te maken die het geraden voorkomen. (…) 4.9.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid die het aan artikel 8:31 van de Awb ontleent, stelt het Hof voorop dat het een fundamenteel beginsel van bestuursprocesrecht is dat de belanghebbende en de rechter kunnen beschikken over alle op de zaak betrekking hebbende stukken die bij het bestuursorgaan berusten. De belanghebbende wordt zonder kennisname van deze relevante stukken belemmerd in het voeren van gefundeerd verweer tegen de bestreden beslissing van het bestuursorgaan; de rechter wordt bij het ontbreken van relevante informatie belemmerd in de waarheidsvinding.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het beginsel dat het bestuursorgaan alle onder hem berustende relevante stukken in het geding moet brengen zijn weliswaar uitzonderingen mogelijk, maar de wetgever heeft die uitzonderingen zeer beperkt willen houden. Er moet daartoe sprake zijn van gewichtige redenen, en de aanwezigheid daarvan staat uitsluitend ter beoordeling van de rechter, via de met waarborgen omklede procedure van art. 8:29 van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval heeft de rechter beslist dat er ten aanzien van de niet-verstrekte passages geen gewichtige redenen voor geheimhouding bestaan. Er bestaat dus geen reden voor een uitzondering op het onder 4.9.1 bedoelde fundamentele beginsel. Desondanks heeft de Inspecteur welbewust en bij herhaling geweigerd de door de rechter verlangde informatie integraal te verstrekken. Het Hof rekent dit de Inspecteur ernstig aan, en is van oordeel dat een adequate reactie op die weigering geboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het Hof behoort die reactie zodanig te zijn, dat het gevaar van een beslissing die in strijd met beginselen van procesrecht tot stand komt zoveel mogelijk vermeden wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na een weigering van de inspecteur om relevante stukken in het geding te brengen, bestaat het gevaar van een inbreuk op die beginselen indien en voor zover een aanslag of een andere bezwarende beschikking van de fiscus in rechte stand houdt, terwijl de mogelijkheid bestaat dat die aanslag of beschikking zou moeten worden vernietigd of het bedrag ervan (verder) zou moeten worden verminderd indien de betreffende stukken wel in het geding zouden zijn gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.13.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijk gevaar doet zich in dit geval voor indien de navorderingsaanslagen geheel of gedeeltelijk in stand zouden blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.13.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door zijn weigering om een groot deel van de gevraagde passages in het geding te brengen, heeft de Inspecteur het Hof en belanghebbende immers de mogelijkheid ontnomen te onderzoeken of daarin informatie is opgenomen die zou moeten leiden tot vernietiging of vermindering van de navorderingsaanslagen. Voor het geval het zou gaan om een vermindering van deze aanslagen, heeft de Inspecteur het Hof en belanghebbende met zijn weigering ook belet om te onderzoeken hoe ver die vermindering zou moeten gaan, en tot welk bedrag de navorderingsaanslagen dus wel in stand zouden kunnen blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.13.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de - omvangrijke - weggelaten passages informatie bevatten als bedoeld onder 4.13.2 acht het Hof niet ondenkbeeldig. In zijn tussenuitspraak heeft de negende enkelvoudige Belastingkamer overwogen dat de weggelaten passages onder meer informatie bevatten waaruit belanghebbende kan opmaken of hij in overeenstemming met het geformuleerde beleid is behandeld, en gegevens aan de hand waarvan hij de methode kan toetsen aan de hand waarvan zijn aanslag is berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.13.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande brengt het Hof tot het oordeel dat de navorderingsaanslagen, waarvan het volledige bedrag in geschil is, vernietigd moeten worden. Het Hof is zich bewust van het risico dat daarmee materieelrechtelijk een onjuiste beslissing wordt genomen, aangezien er wellicht geen aanleiding zou zijn geweest tot (gehele of gedeeltelijke) vermindering van de navorderingsaanslagen indien de betreffende passages wel zouden zijn verstrekt. Dat risico dient echter voor rekening van de Inspecteur te blijven. Het weegt naar het oordeel van het Hof minder zwaar dan het onder 4.12 omschreven gevaar van een inbreuk op beginselen van procesrecht, dat zou optreden indien de navorderingsaanslagen geheel of gedeeltelijk in stand zouden blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.86 Op 19 april 2006 heeft het gerechtshof Amsterdam bij tussenuitspraak geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof stelt voorop dat uit artikel 8:42, eerste lid, van de Awb volgt dat de inspecteur gehouden is “de op de zaak betrekking hebbende stukken” aan het Hof te zenden. Onder de op de zaak betrekking hebbende stukken moet, gelet ook op de wetsgeschiedenis van artikel 8:42 van de Awb (MvA, Kamerstukken II 1992-1993, 22 495, nr. 6, p. 53), worden verstaan alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Op de zaak betrekking hebbende stukken zijn stukken die de inspecteur bij het voorbereiden of het nemen van een besluit - in casu: het vaststellen van de navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen, dan wel het doen van de uitspraken op de bezwaren tegen die navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen - heeft geraadpleegd of die zich op dat moment in het dossier bevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent niet dat elk ‘8:42’-stuk voor een beslissing van het tussen partijen bestaande geschil relevant behoeft te zijn. Het is (uiteraard) evenmin zo dat uitsluitend ‘8:42’-stukken voor een beslissing van het tussen partijen bestaande geschil relevant kunnen zijn. De functie van artikel 8:42 Awb kan in dit verband niet worden losgezien van het bepaalde in artikel 8:45 Awb, aan welke bepaling de rechter de bevoegdheid ontleent om – ambtshalve dan wel op verzoek van (een der) partijen – stukken in het geding te (doen) brengen die (mogelijk) voor de beoordeling en beslissing van de voorliggende zaak relevant zijn. Of sprake is van een ‘8:42’-stuk is een feitelijke vraag. Daarover beslist – in beginsel – de (belasting)kamer die de hoofdzaak behandelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit laatste geldt ook voor de toepassing van art. 8:45 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of een stuk een ‘8:42-stuk’ is, dient op grond van dat stuk in zijn geheel en met inachtneming van het overheersende karakter van dat stuk te worden beantwoord. Een ‘8:42-stuk’ kan, anders dan de inspecteur (klaarblijkelijk) voorstaat, niet deels als een zodanig stuk worden bestempeld. Wel kan een dergelijk stuk op grond van artikel 8:29 van de Awb (deels) worden geheimgehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande vindt bevestiging in de wetsgeschiedenis van artikel 8:42 Awb (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.87 Op 5 april 2007 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt daarbij voorop dat zij bij de beoordeling van de vraag of bepaalde stukken zijn aan te merken als “op de zaak betrekking hebbende stukken” als bedoeld in artikel 8:42 Awb, aansluit bij de rechtsoverwegingen terzake van Hof Amsterdam in de uitspraak van 19 april 2006, nr. 04/4923 (VN 2006/36.1.2). “Op de zaak betrekking hebbende stukken” zijn stukken die de inspecteur bij het voorbereiden of het nemen van een besluit - in casu: het vaststellen van de aanslag en de boetebeschikking, dan wel het doen van de uitspraken op de bezwaren tegen die aanslag en boetebeschikking - heeft geraadpleegd of die zich op dat moment in het dossier bevonden. Dit betekent niet dat elk '8:42'-stuk voor een beslissing van het tussen partijen bestaande geschil relevant behoeft te zijn. In het onderhavige geval is echter wel van belang dat de aanslag en boete zijn gebaseerd op de voorstellen uit het controlerapport en derhalve op het controledossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inspecteur heeft ter zitting alsnog aangegeven dat naar zijn mening een deel van het controledossier niet bevat “op de zaak betrekking hebbende stukken”. De rechtbank onderschrijft deze stellingname niet. Vaststaat dat het controleonderzoek betrekking heeft op belanghebbende en haar fiscale situatie. Uit het dossier blijkt dat de fiscale situatie van belanghebbende sterk samenhangt met de situatie van een aantal andere, al dan niet aan haar gelieerde rechtspersonen en dat het onderzoek om die reden zich ook heeft uitgestrekt tot die andere rechtspersonen. Bovendien blijkt uit het dossier dat de aan belanghebbende opgelegde (navorderings)aanslagen betrekking hebben op het niet accepteren van kosten in verband met (een deel van) die andere rechtspersonen. Naar het oordeel van de rechtbank is er in een situatie als deze sprake van een zo duidelijke samenhang van de verschillende onderdelen van het onderzoek met de in (navorderings)aanslagen vastgelegde uitkomsten daarvan, dat het gehele controledossier als op de zaak van belanghebbende betrekking hebbend in de zin van artikel 8:42 van de Awb moet worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo dit al niet voorvloeit uit de artikelen 8:42 en 8:29 Awb, brengt het gegeven dat in dezen tevens sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) – aan belanghebbende zijn immers belastingaanslagen met verhogingen en boeten opgelegd – mee dat bij het geheimhouden voor belanghebbende van stukken uit het controledossier de grootst mogelijke terughoudendheid dient te worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen. (…) 4.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende heeft onder meer kladstukken en werkdocumenten/aantekeningen van de controleur opgevraagd. De inspecteur heeft ter zitting heel in het algemeen gesteld dat de controleur in vrijheid aantekeningen moet kunnen maken en dat dat belang wordt gedekt door artikel 11 van de WOB. De rechtbank acht het van belang dat medewerkers van de inspecteur bij controleonderzoeken in vrijheid kladstukken en werkdocumenten/ aantekeningen kunnen maken bij de voorbereiding van hun rapportage. De rechtbank is van oordeel dat deze medewerkers bij de voorbereiding van een rapportage van een controleonderzoek onevenredig zouden worden gehinderd indien zij zich bij elke aantekening zouden moeten afvragen hoe deze aantekening zou overkomen bij inzage door de belanghebbende. Daar komt nog bij dat kladstukken en werkdocumenten/aantekeningen slechts van belang zijn indien en voor zover zij enig gevolg hebben (gehad) voor de belastingheffing en dat mag worden aangenomen dat de kladstukken en werkdocumenten/ aantekeningen, voor zover relevant, hun weerslag vinden in de door de medewerker opgestelde rapportage. Dit een en ander, in onderling verband bezien, leidt de rechtbank tot het oordeel dat de inspecteur in het algemeen gewichtige redenen heeft om het overleggen van kladstukken en werkdocumenten/aantekeningen van de controleur te weigeren. Op deze gronden stuit ook af het door belanghebbende in de pleitnota gedane verzoek om overlegging van het integrale controledossier 2.88 De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 7 december 2007 geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inspecteur is van oordeel dat deze enkelvoudige belastingkamer (hierna ook: de geheimhoudingskamer) primair moet beoordelen of het Handboek [Carousselfraude, A-G] een op de zaak betrekking hebbend stuk is. De inspecteur heeft in dat verband gewezen op rechtsoverweging 4.1.3 van de tussenuitspraak van de meervoudige belastingkamer. Nog daargelaten of de door de inspecteur aangehaalde rechtsoverweging de beoordelingsruimte zou inhouden zoals de inspecteur voorstaat, overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de in 2.2.1 weergegeven passages uit het proces-verbaal van de zitting en de tussenuitspraak van de meervoudige belastingkamer, in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat de tussenuitspraak van de meervoudige belastingkamer niet anders gelezen kan worden dan dat zij daarin heeft geoordeeld dat het Handboek een op de zaak betrekking hebbend stuk is in de zin van artikel 8:42 Awb. Deze vraag en in verband hiermee de primaire en subsidiaire stellingname van de inspecteur behoeven derhalve door de geheimhoudingskamer niet meer te worden behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.89 Op 20 maart 2008 heeft de rechtbank Haarlem overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Verweerder heeft daarbij ook overgelegd een versie van het zogenoemde draaiboek “Risicoaanpak Belastingdienst. Participatieregelingen”, waarin hij onder verwijzing naar de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) passages heeft weggelaten. (…) 1.9 Ter zitting heeft de rechtbank geoordeeld dat het draaiboek als een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 8:42 Awb moet worden aangemerkt. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het draaiboek passages bevat die van belang kunnen zijn geweest bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen. Het door verweerder gemaakte onderscheid tussen passages die wel en passages die niet worden aangemerkt als op zaak betrekking hebbende in voornoemde zin, acht de rechtbank te kunstmatig. De rechtbank heeft daarop verweerder verzocht alsnog de integrale versie van het draaiboek over te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.10 Vervolgens heeft verweerder ter zitting “geschoonde” exemplaren van het draaiboek aan de rechtbank en eiser overgelegd. In de “geschoonde” exemplaren wordt aangekondigd dat verweerder nog meer tot heden geheimgehouden passages zal gaan vrijgeven. Daarnaast heeft verweerder een integrale versie van het draaiboek aan de rechtbank overgelegd. Met betrekking tot de passages in de integrale versie die niet zijn vermeld in de “geschoonde” exemplaren beroept verweerder zich op het bepaalde in artikel 8:29, eerste lid Awb, in die zin dat alleen de rechtbank daarvan mag kennis nemen. In de “geschoonde” versie heeft verweerder per weggelaten passage beargumenteerd waarom deze passage in zijn optiek voor eiser geheim moet blijven danwel alsnog kan worden vrijgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.90 Op 17 december 2008 heeft de geheimhoudingskamer van gerechtshof Amsterdam geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of een stuk een ‘8:42-stuk’ is, dient op grond van dat stuk in zijn geheel en met inachtneming van het overheersende karakter van dat stuk te worden beantwoord. Tussen partijen is niet langer in geschil, en het Hof onderschrijft die opvatting, dat een ‘8:42-stuk’ niet deels als een zodanig stuk kan worden bestempeld. Het Hof is voorts met partijen van oordeel dat een dergelijk stuk wel op grond van artikel 8:29 van de Awb (deels) kan worden geheimgehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande vindt mede bevestiging in de wetsgeschiedenis van artikel 8:42 Awb (…) 2.91 De enkelvoudige geheimhoudingskamer van rechtbank Den Haag heeft op 23 maart 2009 bij tussenuitspraak geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 Eisers stellen zich op het standpunt dat onder 'op de zaak betrekking hebbende stukken' niet alleen papier dient te worden verstaan, maar ook bijvoorbeeld digitale vastleggingen. In verband hiermee wordt eisers’ verzoek om overlegging van alle op de zaak betrekking hebbende stukken voor zover nodig tevens opgevat als het verzoek aan de rechtbank om verweerder te verzoeken inlichtingen te geven op grond van artikel 8:28 dan wel artikel 8:45 Awb. Daar waar het verzoek niet louter ziet op bestaande stukken, zal hierna worden gesproken van ‘gegevens’. (…) 2.13 Kort gezegd hebben eisers gesteld dat hun belang bij kennisneming is gelegen in de mogelijkheid de door verweerder gemaakte schatting te controleren, onder meer door een eigen statistische schatting te maken in hun zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.14 Eisers hebben erkend dat zij rekeninghouder van KB Lux zijn (geweest). Zij moeten dan ook als geen ander en relatief eenvoudig in staat worden geacht de juistheid van de schatting te controleren aan de hand van hun eigen wetenschap omtrent de door hen aangehouden rekeningen bij KB Lux. Van enige belemmering op dit punt is niet gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.15 De schatting van de correcties is gebaseerd op de in de tabellen opgenomen gegevens, die op hun beurt zijn ontleend aan de in oktober 2002 in de “Applicatie correcties” verwerkte gegevens. Bij het samenstellen van de tabellen zijn de cijfers verwerkt van belastingplichtige ondernemers en particulieren bij wie correcties inkomstenbelasting en vermogensbelasting zijn aangebracht. Grotendeels gaat het voor de vermogensbelasting en de inkomstenbelasting om dezelfde belastingplichtigen. In de tabellen zijn voorts de, uiteindelijk van de afdrukken van de microfiches afkomstige en in het “Zoeklicht” verwerkte, renseignementssaldi verwerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.16 Verweerders stelling dat het verzamelen van de cijfermatige gegevens van al deze personen fysiek vrijwel onmogelijk is, aangezien die gegevens vervat zijn in dossiers van over het gehele land verspreide inspecteurs, wordt onderschreven. De rechtbank onderschrijft eveneens verweerders stelling dat het selecteren van de gegevens betreffende de onder 2.15 genoemde belastingplichtigen uit de totale gegevens op de microfiches alsmede het anonimiseren van de afdrukken van de microfiches, gezien de hoeveelheid afdrukken van microfiches en de hoeveelheid daarop vervatte gegevens, een aanzienlijk tijdsbeslag vergt. Verstrekking van de ongeanonimiseerde afdrukken leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de daarop vermelde rekeninghouders en vormt om die reden geen bruikbaar alternatief.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.17 Het overwogene onder 2.13 tot en met 2.16 leidt tot het oordeel dat tussen enerzijds het belang van eisers bij kennisneming van de gegevens uit de microfiches en de cijfermatige gegevens uit het Zoeklicht en de “Applicatie correcties” en anderzijds de daaraan verbonden (praktische) bezwaren een zodanige wanverhouding bestaat dat eisers in redelijkheid geen aanspraak op kennisneming van deze gegevens kunnen maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.18 Eisers aanspraak op de onder 2.11 onder c) bedoelde gegevens ziet op gegevens die niet zijn betrokken in de schatting, die ook overigens geen rol hebben gespeeld in de besluitvorming dienaangaande en die grotendeels bovendien - bijvoorbeeld ten aanzien van de nulcorrecties en renseignementsgegevens die niet in onderzoek zijn genomen - een andere groep belastingplichtigen/rekeninghouders bij KB Lux betreffen dan eisers. Niet kan dan ook worden gezegd dat de niet in de “Applicatie correcties” verwerkte gegevens van enig belang (kunnen) zijn geweest voor de besluitvorming in eisers’ zaken, hetzij in voor hen belastende, hetzij in ontlastende zin. Verweerder hoeft deze gegevens dan ook niet te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.19 Het voorgaande leidt tot de volgende slotsom. De complete en ongeschoonde versies van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven alsmede de complete en ongeschoonde afdrukken van de microfiches zijn op de zaak betrekking hebbende stukken. De beperking van de kennisneming door eisers daarvan tot de geschoonde versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven onderscheidenlijk tot de geschoonde versie van de twee fiches die op henzelf betrekking hebben, is evenwel gerechtvaardigd. Verweerder is evenmin verplicht de onder 2.11 bedoelde cijfermatige gegevens in het geding te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.92 Gerechtshof Amsterdam heeft op 2 juli 2009 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">5.0.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof begrijpt het verzoek van belanghebbende om overlegging van “een groot aantal van de feitelijke gegevens waarop [de inspecteur] zijn schatting voor de enkelvoudige belasting […] heeft gebaseerd”, mede gelet op de voorbeelden waarmee belanghebbende zijn verzoek heeft toegelicht, aldus dat belanghebbende meent dat de hierna opgesomde documenten door de inspecteur alsnog dienen te worden ingebracht:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het Draaiboek en de Nieuwsbrieven (zie 1.8);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de in het computerprogramma ‘Zoeklicht’ opgenomen gegevens (en/of de daaraan ten grondslag liggende documenten);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de in het gegevensbestand ‘Applicatie correcties’ (hierna: de Applicatie) opgenomen gegevens (en/of de daaraan ten grondslag liggende documenten);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de (gegevens op de) microfiches betreffende de weigeraars en de ontkenners;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>de documenten en gegevens betreffende tegoeden die meewerkers bij andere banken dan de KB-Luxbank hebben aangehouden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>alle stukken in het kader van de identificatie van belanghebbende;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>de gegevens die ‘[C]’ aan een medewerker van de Belastingdienst heeft overhandigd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>kopieën van de aangiften van belanghebbende voor alle betrokken jaren. (…) 5.0.6.</div>\n<p class=\"lf-p\">Op het verzoek van belanghebbende om overlegging van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven heeft de Derde Meervoudige Kamer beslist bij de onder 1.13 vermelde tussenuitspraak van 21 maart 2007 [hierin is geoordeeld dat een beperking van de kennisname van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven gerechtvaardigd moet worden geacht, A-G]. Hetgeen is vastgesteld, overwogen en beslist in die tussenuitspraak maakt integraal onderdeel uit van de onderhavige uitspraak. Nu die tussenuitspraak op 21 maart 2007 aan partijen is verzonden, zal het Hof deze niet aan de onderhavige uitspraak hechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.0.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof leidt uit de onder 5.0.3 aangehaalde brief van de inspecteur van 2 februari 2009 en uit hetgeen hij schrijft in zijn verweerschrift onder 6.6.1 af, dat de in het Zoeklicht opgenomen gegevens niet van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming in de zaak van belanghebbende. De inspecteur heeft immers gesteld dat het Zoeklicht twee functies had die geen van beide betrekking hadden op de besluitvorming betreffende de aanslagregeling. Enerzijds strekte het Zoeklicht ertoe medewerkers van de Belastingdienst informatie te verschaffen over de voortgang en de opbrengst van het Rekeningenproject. Anderzijds – zo staat ook in het Draaiboek onder 2.3.2.1 – had het Zoeklicht de functie de aanslagregelende ambtenaren uitsluitend administratief te ondersteunen, dat wil zeggen – naar het Hof begrijpt – in ieder geval niet te ondersteunen bij de besluitvorming in het kader van de aanslagregeling van een individuele belastingplichtige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft, mede gelet op de desbetreffende passages in het Draaiboek, geen enkele reden om aan deze niet, althans onvoldoende, weersproken stelling van de inspecteur te twijfelen. Dit betekent dat het Zoeklicht dus niet gebruikt kon worden in het kader van de besluitvorming met betrekking tot de individuele aanslagregeling. Noch met betrekking tot de vraag óf een aanslag diende te worden vastgesteld, noch met betrekking tot de vraag tot welk bedrag een aanslag diende te worden vastgesteld, speelde het Zoeklicht een rol. Derhalve is het Hof van oordeel dat de inspecteur niet gehouden is om de in het Zoeklicht opgenomen gegevens of de documenten die aan die gegevens ten grondslag liggen over te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.0.8.1. Het Hof leidt uit de evenvermelde brief van de inspecteur van 2 februari 2009 tevens af dat de Applicatie is ontworpen om te kunnen komen tot een schatting van de na te vorderen bedragen bij de ontkenners en de weigeraars. Daartoe zijn in de Applicatie bepaalde gegevens van meewerkers ingebracht, zoals hun namen en sofinummers, alsmede gegevens met betrekking tot het – aanvankelijk – verzwegen inkomen en vermogen. Op basis van de ingebrachte gegevens konden vervolgens de tabellen 3 tot en met 6 worden opgesteld (zie verder ook 5.4.3). Deze tabellen geven een overzicht van – uitsluitend – de renseignementssaldi en de daarbij behorende correcties per meewerker, uitgesplitst naar IB en VB en naar particulier en ondernemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tabellen zijn de namen en de sofinummers van de meewerkers weggelaten. Naar het oordeel van het Hof zijn de in de Applicatie opgenomen gegevens van belang geweest voor de besluitvorming in de zaak van belanghebbende. De inspecteur heeft echter volstaan met het inbrengen van de tabellen en geweigerd tevens de daaraan ten grondslag liggende gegevens, in het bijzonder de namen en de sofinummers van de meewerkers, te verstrekken. Het Hof acht gewichtige redenen aanwezig als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, Awb, welke deze weigering rechtvaardigen. Het verstrekken van die gegevens zou immers een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de meewerkers, zonder dat daarmee een redelijk belang van belanghebbende zou zijn gediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kunnen controleren van de juistheid van die namen en nummers is niet een zodanig belang, aangezien eventuele onjuistheden in die gegevens niet van betekenis zijn voor de hoogte van de correcties. Voor zover belanghebbende de namen, sofinummers en overige gegevens van de meewerkers wil hebben, teneinde te kunnen controleren of de inspecteur de juiste gegevens in de Applicatie heeft ingevoerd, is het Hof van oordeel dat ook hier het belang van belanghebbende moet wijken voor het belang van meewerkers op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Door uitsluitend de tabellen over te leggen heeft de inspecteur dan ook zijn verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen niet geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.0.8.2. Voorzover moet worden aangenomen dat belanghebbende tevens heeft verzocht om overlegging van de documenten die ten grondslag liggen aan de gegevens welke in de Applicatie zijn opgenomen, geldt het volgende. De inspecteur heeft gesteld en het Hof acht aannemelijk dat overlegging van die documenten op praktische bezwaren stuit, vrijwel onuitvoerbaar is en geen enkel redelijk belang dient. Op die grond is het Hof van oordeel dat zich hier een uitzonderingsgeval voordoet als is bedoeld in het onder 5.0.4 aangehaalde arrest van de Hoge Raad. De inspecteur is dus niet gehouden de bedoelde documenten over te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.0.8.3. Het Hof voegt hier – gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2009, nr. 07/13014, LJN BH 9184 – nog het volgende aan toe. De inspecteur heeft bij zijn verweerschrift onder 'B Informatieset' nummers 1 tot en met 15 en onder D9 (verder de B/D-bijlagen) verscheidene geanonimiseerde stukken ingebracht. Hoewel daaromtrent door partijen niets is gesteld gaat het Hof er veronderstellenderwijs van uit dat deze stukken de inspecteur ongeanonimiseerd ter beschikking stonden en dat hij ze omwille van zijn geheimhoudingsverplichting ex artikel 67 AWR en/of de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen heeft geanonimiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het Hof behoren de B/D-bijlagen – in hun originele vorm, dat wil zeggen zonder dat de daarin voorkomende namen onleesbaar zijn gemaakt – tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Ingevolge artikel 8:42, eerste lid, Awb diende de inspecteur derhalve deze documenten bij zijn verweerschrift te voegen. Hij heeft dit niet gedaan. Uit de omstandigheid dat de inspecteur geanonimiseerde documenten heeft overgelegd, begrijpt het Hof dat de inspecteur met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, Awb heeft geweigerd de niet-geanonimiseerde documenten over te leggen. Het Hof acht gewichtige redenen als bedoeld in die wetsbepaling aanwezig, welke die weigering rechtvaardigen. Het verstrekken van ongeanonimiseerde gegevens zou immers een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de desbetreffende personen, zonder dat daarmee een redelijk belang van belanghebbende zou zijn gediend. In dit kader acht het Hof van belang dat belanghebbende op geen – in ieder geval niet voldoende – wijze heeft aangegeven waarom zijn processuele positie geschaad zou zijn door het door de inspecteur inbrengen van de geanonimiseerde B/D-bijlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.0.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het Hof is de inspecteur ook niet gehouden de (stukken betreffende de) renseignementsgegevens en/of overige gegevens betreffende de weigeraars en de ontkenners over te leggen. Aangezien de schatting van de hoogte van de correcties is gebaseerd op de gegevens van de meewerkers, kunnen de gegevens betreffende de weigeraars en de ontkenners geen rol hebben gespeeld bij de besluitvorming in de zaak van belanghebbende. Het overleggen daarvan stuit bovendien – zoals de inspecteur heeft gesteld en het Hof aannemelijk acht – op praktische bezwaren, is vrijwel onuitvoerbaar en dient geen enkel redelijk belang. (…) 5.0.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof acht belanghebbendes verzoek om “gegevens van de database die als basis voor de identificatie hebben gediend”, voor zover dit verzoek geen betrekking heeft op stukken die in voorgaande rechtsoverwegingen aan de orde zijn gesteld, onbegrijpelijk en te vaag, zodat het reeds om die reden niet toewijsbaar is. De door belanghebbende gevraagde “beschrijving van de gebruikte methode van analyse” is naar het oordeel van het Hof geen document waarop artikel 8:42 Awb betrekking heeft. Het Hof heeft geen enkele reden om aan te nemen dat er betreffende de bedoelde methode meer documenten aan de inspecteur ter beschikking stonden dan die welke hij heeft ingebracht. Voor zover het verzoek betrekking heeft op gegevens die hebben geleid tot de vaststelling dat belanghebbende moet worden beschouwd als houder van een bankrekening bij de KB-Luxbank, is het te vaag. Ook hier geldt dat het Hof geen enkele reden heeft om aan te nemen dat er dienaangaande meer documenten aan de inspecteur ter beschikking stonden dan die welke hij heeft ingebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.0.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover belanghebbende om overlegging van meer of andere dan de hiervoor vermelde gegevens heeft verzocht, beschouwt het Hof dat verzoek als onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.0.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">De slotsom luidt dat de inspecteur op basis van artikel 8:42 Awb niet gehouden is meer stukken in het geding te brengen dan die welke hij reeds heeft ingebracht. Het Hof wijst het verzoek van belanghebbende om overlegging van stukken af, behoudens voor zover het betreft de Amsterdamse versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven, aan welk verzoek de inspecteur, naar niet in geschil is, adequaat gevolg heeft gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.93 De Hoge Raad heeft de tegen de bovenstaande rechtsoverwegingen ingestelde cassatiemiddelen afgedaan met toepassing van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.94 Op 14 juli 2011 heeft gerechtshof Amsterdam bij tussenuitspraak geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.11.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de overige informatie waarvan door belanghebbende om integrale openbaarmaking wordt verzocht (het Hof noemt hier bij wijze van voorbeeld: informatie omtrent opgelegde boeten en nevencorrecties in de sfeer van de zelfstandigenaftrek, berichten uit Lotus Notes, de resultaten van de afdeling onderzoek en analyse van BCPP, de basisgegevens en overige informatie die in de “applicatie correcties” zijn verwerkt en, in het algemeen, alle (cijfermatige) gegevens waarop de uitgangspunten en berekeningen zijn gebaseerd die ten grondslag liggen aan de door de inspecteur gemaakte schattingen) is het Hof van oordeel dat de Eerste Meervoudige Belastingkamer eerst heeft te beoordelen of het hier op de zaak betrekking hebbende stukken betreft en dat belanghebbende zich daaromtrent ten overstaan van die kamer dient uit te laten en dat het vervolgens aan die kamer is om ter zake van een eventuele toepassing van art. 8:29 Awb opnieuw de Derde Meervoudige Belastingkamer in te schakelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.12.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit hetgeen de inspecteur in haar brief van 21 december 2010, onder verwijzing naar de eerder genoemde arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008, heeft gesteld, leidt het Hof af dat tussen partijen niet meer in geschil is dat het Draaiboek en de Nieuwsbrieven als een 8:42-stuk zijn aan te merken. Nu dit gezamenlijke standpunt geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting volgt het Hof partijen hierin. Het Hof neemt voorts in aanmerking dat ‘8:42’-stukken (naar zijn opvatting) ondeelbaar zijn (r.o. 3.6) en dat, nu belanghebbende (op de voet van artikel 8:45 van de Awb) de inspecteur en vervolgens, bij dier weigering, het Hof heeft verzocht om Draaiboek en Nieuwsbrieven in het geding te (doen) brengen en tussen partijen ook niet in geschil is dat die stukken voor de besluitvorming in de zaak van belanghebbende relevant (kunnen) zijn, naar volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008, - ook reeds - uit hoofde van het verzoek van belanghebbende een beoordeling op de voet van artikel 8:29 Awb moet plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.95 Op 11 augustus 2011 heeft de geheimhoudingskamer van gerechtshof ’s-Hertogenbosch overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen partijen is niet in geschil dat het door de Inspecteur bij zijn brief van 5 oktober 2010 aan de geheimhoudingskamer ingezonden Draaiboek en de Nieuwsbrieven, behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb. (…) 3.32.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door de Inspecteur aangevoerde gewichtige redenen tot geheimhouding zijn gerechtvaardigd, zodat hij kan volstaan met het overleggen van de geschoonde versies van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven. Beantwoording van de vraag of het juist is dat de Inspecteur beschikt over op de zaak betrekking hebbende (beleids)stukken die niet door hem zijn overgelegd, behoort niet tot de taak van de geheimhoudingskamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.96 Op 29 september 2011 heeft gerechtshof Amsterdam bij tussenuitspraak overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of een stuk een ‘8:42-stuk’ is, dient op grond van dat stuk in zijn geheel en met inachtneming van het overheersende karakter van dat stuk te worden beantwoord. Tussen partijen is niet langer in geschil, en het Hof onderschrijft die opvatting, dat een ‘8:42-stuk’ niet deels als een zodanig stuk kan worden bestempeld. Het Hof is voorts met partijen van oordeel dat een dergelijk stuk wel op grond van artikel 8:29 van de Awb (deels) kan worden geheimgehouden. (…) 3.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Eerste Meervoudige Belastingkamer heeft de 8:29-procedure verwezen met de opdracht dat de Derde Meervoudige Belastingkamer zich uitlaat over de vraag naar de gerechtvaardigdheid van het verzoek om (bepaalde passages uit) het Draaiboek geheim te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit hetgeen de inspecteur in zijn pleitnota voor de zitting van 17 november 2010 heeft gesteld, leidt het Hof af dat tussen partijen niet in geschil is dat het Draaiboek als een 8:42-stuk is aan te merken. Nu dit gezamenlijke standpunt geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting volgt het Hof partijen hierin. Het Hof neemt voorts in aanmerking dat ‘8:42’-stukken (naar zijn opvatting) ondeelbaar zijn (r.o. 3.4) en dat, nu belanghebbende (op de voet van artikel 8:45 van de Awb) de inspecteur en vervolgens, bij dier weigering, het Hof heeft verzocht om het Draaiboek in het geding te (doen) brengen en tussen partijen ook niet in geschil is dat dat stuk voor de besluitvorming in de zaak van belanghebbende relevant is of kan zijn, naar volgt uit de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008, - ook reeds - uit hoofde van het verzoek van belanghebbende een beoordeling op de voet van artikel 8:29 Awb moet plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het Hof dient het Draaiboek vanwege het belang van een eerlijk proces in beginsel in zijn geheel en integraal aan belanghebbende te worden geopenbaard, tenzij zwaarwichtige redenen (gedeeltelijke) geheimhouding op de voet van artikel 8:29 van de Awb rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof stelt hierbij voorop dat in de (fiscaal)bestuursrechtelijke procedure, met betrekking tot welke de wetgever heeft voorgeschreven dat het bestuursorgaan alle relevante stukken moet inbrengen, uit eigen beweging (artikel 8:42 van de Awb) of omdat de rechter daarom vraagt (artikel 8:45 van de Awb), sprake is van een ‘verzwaard’ belang van de belastingplichtige en dat de afweging van dit ‘verzwaarde’ belang bij informatie, tegenover het belang van het bestuursorgaan, in beginsel dient uit te vallen in het voordeel van het eerstgenoemde belang, (zeer) bijzondere omstandigheden daargelaten. Blijkens zowel bewoordingen als wetsgeschiedenis van artikel 8:29, tweede lid, van de Awb (Memorie van toelichting, Tweede Kamer, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 119 en 120) is de omstandigheid dat een bestuursorgaan een verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de WOB) zou kunnen afwijzen, daarbij niet doorslaggevend. (…) 3.17.1. Passages uit het Draaiboek aan welke belanghebbende (alsmede iedere belastingplichtige) inzichten kan ontlenen over de wijze waarop de Belastingdienst de feiten achterhaalt en onderzoekt, dan wel - mede in dit verband - haar werkprocessen inricht en logistiek organiseert, worden niet geopenbaard. Deze ten behoeve van het toezicht en de controle(strategie) geheim te houden informatie omvat bijvoorbeeld scenario’s betreffende de opsporing van belastingplichtigen en klantbehandeling, voorschriften en tips over de toe te passen tactiek en methodiek om aangiften en verklaringen van belastingplichtigen te toetsen, alsmede informatie betreffende dossiervorming en automatiseringssystemen. Deze strategieën en werkwijzen zijn in beginsel ook toepasbaar buiten het Project Buitenlands Vermogen en overstijgen daarmede de omvang van dit project, terwijl voorts voor de hand liggend is te achten dat zij ook daadwerkelijk worden gebruikt in andere, al dan niet vergelijkbare projecten en/of individuele gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zoverre acht het Hof aannemelijk dat het risico van frustratie van (de uitvoering en handhaving van) de belastingwet manifest zou kunnen worden doordat belastingplichtigen op grond van deze informatie zouden kunnen anticiperen op de controlestrategieën en werkwijzen van de Belastingdienst. Het Hof acht te dezen het algemene publieke belang van een - ook op het terrein van het toezicht en de controle - adequaat functionerende Belastingdienst van een groter gewicht dan het individuele belang van belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft het Hof in aanmerking genomen dat evenzeer voor de hand liggend is te achten dat, nu de Belastingdienst ter zake van het Project Buitenlands Vermogen met andere opsporingsinstanties (heeft) samen(ge)werkt, de in het Draaiboek verwerkte strategieën en werkwijzen mede zijn gebaseerd op door die andere opsporingsinstanties gehanteerde en aangereikte tactieken en methodieken en dat openbaarmaking daarvan ook voor (de toekomstige taakuitoefening van) die instanties tot onaanvaardbare - en door de Belastingdienst noch het Hof goed te overziene - gevolgen zou kunnen leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.97 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 10 november 2011 geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.0.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken door de Inspecteur overgelegd?</p>\n<p class=\"lf-p\">In geschil is het verzoek van belanghebbende om aan het dossier toe te voegen een afschrift van het verzoek van de klantbehandelaar van de Belastingdienst aan FIOD om een tweede 'identificatie'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de mededelingen van de Inspecteur, inhoudende dat hij niet over een dergelijk verzoek beschikt en dit vermoedelijk ook niet in schriftelijke vorm heeft bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof voegt daaraan toe dat uit het proces-verbaal van ambtshandeling blijkt dat er opnieuw een 'identificatie' heeft plaatsgevonden. De omstandigheid dat de Inspecteur niet een geschrift kan overleggen als waarom belanghebbende heeft gevraagd, geeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.98 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 29 december 2011 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.0.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken door de Inspecteur overgelegd?</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(1)</span>De integrale geschoonde versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Geheimhoudingskamer heeft in zijn eerder genoemde uitspraak beslist dat deze integrale en ongeschoonde versie behoort tot de stukken waarop de geheimhouding in de door de Inspecteur voorgestane zin gerechtvaardigd is. De Inspecteur heeft niet de integrale en ongeschoonde versie overgelegd. Het niet overleggen van deze versie vormt geen schending van artikel 8:42 Awb. Zo er al sprake is van een door belanghebbende aan het EVRM te ontlenen recht, is die inbreuk gerechtvaardigd. Dit wijzigt niet de oordelen waartoe het Hof hierna zal komen. Naar het oordeel van het Hof biedt het onderzoek van het Hof in deze zaak voldoende tegenwicht voor de bezwaren welke voor belanghebbende voortvloeien uit de omstandigheid dat hij niet beschikt over de integrale en ongeschoonde versie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(2)</span>Belanghebbende verzoekt om aanvulling van het procesdossier met de al dan niet geanonimiseerde kopieën van afdrukken van microfiches (ongeveer 800 pagina's) en de ongeschoonde kopieën van het informatiesetje inclusief de ongeschoonde kopieën van afdrukken van microfiches waarop de naam van belanghebbende voorkomt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende wil de niet-geanonimiseerde gegevens gebruiken om aan de hand daarvan de identificatie te controleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Geheimhoudingskamer heeft in zijn eerder genoemde uitspraak met betrekking tot deze stukken beslist dat de geheimhouding in de door de Inspecteur voorgestelde zin gerechtvaardigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende wil de geanonimiseerde gegevens gebruiken, naar het Hof begrijpt, om na te gaan of daarin verslagen of beschrijvingen in staan, bij voorbeeld van besprekingen die zijn gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Inspecteur heeft gesteld dat anonimisering uitermate tijdrovend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Geheimhoudingskamer van het Hof heeft beslist dat de gegevens voor de beslissing van de onderhavige zaak in het geheel niet van belang zijn. De brief van de Belgische belastingadministratie waarmee de gegevens zijn toegestuurd, biedt ook geen enkel aanknopingspunt voor de mogelijkheid dat op de kopieën van de afdrukken van de microfiches andere informatie zou voorkomen dan rekeningnummers, saldi en codes. De Geheimhoudingskamer heeft geconstateerd dat het verlenen van inzage in rekeningnummers en saldi een ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van derden zou vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het belang van belanghebbende bij verstrekking van de al dan niet geanonimiseerde gegevens is van onvoldoende gewicht om op te wegen tegen het door de Inspecteur te beschermen belang van anderen bij de (mogelijk) op hen betrekking hebbende gegevens op de prints, en de door de Inspecteur aangevoerde praktische bezwaren die verbonden zijn aan het verstrekken van die gegevens in geanonimiseerde vorm. De Inspecteur behoefde daarom niet tegemoet te komen aan de verzoeken van belanghebbende. Zo er al sprake is van een door belanghebbende aan het EVRM te ontlenen recht, is die inbreuk gerechtvaardigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Inspecteur heeft niet de gevraagde ongeschoonde kopieën of de geanonimiseerde kopieën overgelegd. Dit wijzigt niet de oordelen waartoe het Hof hierna zal komen. Naar het oordeel van het Hof biedt het onderzoek van het Hof in deze zaak voldoende tegenwicht voor de bezwaren welke voor belanghebbende voortvloeien uit de omstandigheid dat hij niet beschikt over de kopieën of de geanonimiseerde kopieën.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(3)</span>Belanghebbende verzoekt om overlegging van alle interne memo's. De Inspecteur stelt dat het verzoek te onbepaald is. De Inspecteur stelt dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht. Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat schriftelijk stukken, als door belanghebbende bedoeld, bestaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(4)</span>Belanghebbende verzoekt om overlegging van alle beschikbare aanslaggegevens alsmede alle overige stukken zoals verslagen, die betrekking hebben op de boeten. De Inspecteur stelt dat hij alle gegevens waarover hij beschikt heeft overgelegd. Het Hof acht dit aannemelijk. Belanghebbende heeft het tegenovergestelde ook niet aannemelijk gemaakt.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.99 De rechtbank Gelderland heeft op 23 september 2014 geoordeeld over een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>Het verzoek heeft betrekking op de informatie die verweerder in het kader van het boekenonderzoek over de jaren 2009 tot en met 2013 bij derden opvraagt en die verzoeker niet zelf ter beschikking heeft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat dergelijke informatie, zo lang het boekenonderzoek nog niet is afgerond, op zichzelf beschouwd niet als op de zaak betrekking hebbende stukken kunnen worden aangemerkt. Het betreft nog slechts informatie en gegevens die op verzoek van controlerend ambtenaren van verweerder zijn overgelegd en die eerst moeten worden be- en verwerkt om te bepalen of de informatie relevant is in het kader van het boekenonderzoek.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft verweerder verklaard dat in een omvangrijk onderzoek als in dit geval dergelijke grote hoeveelheden gegevens uit verschillende landen en van veel verschillende entiteiten zonder nadere analyse weinig tot geen zelfstandige betekenis hebben totdat zij zijn geanalyseerd en de daarop gebaseerde bevindingen door de controlerend ambtenaren in een rapport zijn neergelegd. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. Gelet hierop, zijn de opgevraagde gegevens en informatie niet aan te merken als op de zaak betrekking hebbend, omdat eerst nog moet worden beoordeeld of ze van belang zijn en, zo ja, op welke wijze, voor het boekenonderzoek en vervolgens, naar aanleiding daarvan, de besluitvorming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pas als sprake is van een rapport van een boekenonderzoek is sprake van een op de zaak betrekking hebbend stuk en pas dan, als onderliggend aan het rapport, behoren de gebruikte informatie en gegevens eveneens tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Verweerder is derhalve niet gehouden om gedurende een (omvangrijk) boekenonderzoek steeds alle opgevraagde informatie en gegevens met de belastingplichtige te delen, ook niet als reeds een aanslag is opgelegd waartegen bezwaar is gemaakt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>Nu verzoeker geen andere stukken aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd, ziet de voorzieningenrechter, gelet op het vorenoverwogene, aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.100 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij uitspraak van 7 mei 2015 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1 (…) Een dergelijk verslag zou, aldus belanghebbenden, tot de stukken van het geding hebben behoord. De Inspecteur heeft ontkend dat van dat gesprek een verslag is opgemaakt. Naar het oordeel van belanghebbenden behoren tot de stukken van het geding als bedoeld in artikel 8:42 Awb echter ook de stukken die er niet zijn maar die de Inspecteur had kunnen of moeten opmaken of kunnen verkrijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2 Belanghebbenden bestrijden niet dat van het betreffende gesprek geen verslag is gemaakt. Anders dan belanghebbenden betogen behoren stukken die niet bestaan, niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb (vgl. HR 20 december 2013, 12/02985, ECLI:NL:HR:2013:1776, BNB 2014/58). Evenmin dwingt artikel 8:42 Awb de Inspecteur actief op zoek te gaan naar ontlastend materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.101 Bij tussenuitspraak van 20 mei 2016 heeft (de geheimhoudingskamer van) gerechtshof ’s-Hertogenbosch overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.59.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende heeft in zijn brief van 8 maart 2012 gesteld dat de Inspecteur nog niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd aan de geheimhoudingskamer. Hij heeft de Inspecteur verzocht nog twee bestanden, waarnaar in de e-mail van 5 december 2006 wordt verwezen (een ‘applicatie’ en een niet overgelegde bijlage, genaamd ‘checklist project Bank Zonder Naam.doc’), over te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de ‘checklist project Bank Zonder Naam’ heeft de Inspecteur gesteld dat deze checklist niet meer door hem te achterhalen is. De geheimhoudingskamer is met belanghebbende van oordeel, dat stukken die ten tijde van de besluitvorming de Inspecteur ter beschikking stonden en daarbij een rol hebben gespeeld, behoren tot de op zaak betrekking hebbende stukken (Hoge Raad 23 mei 2014, 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182, r.o. 3.3.2.). De omstandigheid, dat de checklist niet meer door hem te achterhalen is dient voor zijn rekening en risico te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.61.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Inspecteur heeft met betrekking tot de applicatie ‘BZN’ uiteengezet dat de applicatie geen stuk is als bedoeld in artikel 8:42 Awb, maar een onder Access draaiende applicatie die kantoorbehandelaars ondersteunt bij de behandeling van renseignementen en die voorts bestuurlijke informatie genereert. De Inspecteur stelt tevens dat de applicatie geen andere of nieuwe informatie bevat dan die al deel uitmaakt van het procesdossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.62.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geheimhoudingskamer heeft op 21 april 2016 met partijen de werking van de applicatie aanschouwd. Deze applicatie werkt alleen op basis van een beveiligde verbinding met de systemen van de rijksbelastingdienst. Op 21 april 2016 heeft de Inspecteur via een internetverbinding en met de gegevens van belanghebbende de werking van de applicatie in het Paleis van Justitie getoond en heeft belanghebbende mee kunnen kijken en vragen kunnen stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.63.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de geheimhoudingskamer duidelijk geworden dat de applicatie gegevens bevat van de dossiers van diegenen die in het kader van het project BZN zijn benaderd. In de applicatie is aan de hand van naam of BSN-nummer o.i.d. terug te vinden of en wanneer belastingplichtigen zijn benaderd met een vragenbrief, of, wanneer en tot welke bedragen belastingaanslagen zijn opgelegd, de stand van zaken met betrekking tot bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie enzovoorts. Voorts zijn in de applicatie de vermeende aan een belastingplichtige toe te rekenen tegoeden vastgelegd, ontleend aan de rekeningstandenlijsten B.1, B.2 en B.6.. Aan de applicatie is een excel-rekenbestand toegevoegd. Dit bestand rekent met het vaste gegeven dat de groei van het vermogen (voor bepaalde jaren) 23,5% is, maar dit bestand geeft geen inzicht hoe dit percentage tot stand is gekomen. De applicatie bevat historische gegevens, in die zin dat oude gegevens niet worden overschreven door nieuwe gegevens (na bijvoorbeeld (hoger) beroep). Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer bevat de applicatie op digitale wijze hetgeen normaliter in een papieren dossier wordt vastgelegd. Het voordeel van de applicatie is evident dat op één plek (bestuurlijke) informatie kan worden gevonden ten aanzien van alle van het project BZN deel uitmakende belastingplichtigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.64.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is de applicatie een op de zaak van belanghebbende betrekking hebbend stuk, in zoverre gegevens zijn opgenomen van belanghebbende. Nu de Inspecteur geen gewichtige redenen voor geheimhouding heeft aangevoerd dient de Inspecteur de applicatie tot het procesdossier te laten behoren. De applicatie als zodanig (op een USB-stick of DVD) kan, zonder beveiligde verbinding met de systemen van de rijksbelastingdienst, niet werken. Met de zitting op 21 april 2016 heeft belanghebbende tezamen met de geheimhoudingskamer en de Inspecteur voldoende inzicht kunnen krijgen in de werking en van de inhoud van de applicatie. De Inspecteur heeft hierbij volle openheid gegeven en is zeer transparant geweest. Mitsdien heeft de Inspecteur voldaan aan de op de hem uit hoofde van art. 8:42 van de Awb rustende verplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.102 De redactie van V-N tekende daarbij aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw is de digitale applicatie BZN, waarvan de werking is getoond op de zitting van de geheimhoudingskamer. Het betreft een link naar de database van de Belastingdienst waaruit beheersgegevens kunnen worden opgevraagd als data van verzending vragenbrieven, belastingaanslagen, welke tegoeden er zijn toegerekend, de stand van zaken met betrekking tot bezwaar, beroep, hoger beroep en dergelijke. Ook die applicatie is een op de zaak betrekking hebbend stuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toekomst, na invoering van de KEI-wetgeving, wordt (nagenoeg nog) uitsluitend digitaal geprocedeerd. Hoe dan zal worden omgegaan met het begrip ’op de zaak betrekking hebbende stukken’, is nu nog onduidelijk. Te zijner tijd zal daarover ongetwijfeld jurisprudentie verschijnen, maar beter is onzes inziens om de wet hierop aan te passen en de gehanteerde terminologie meer toe te snijden op de digitale wereld.</p>\n<p class=\"lf-p\">I. Jurisprudentie I Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) 2.103 Op 14 mei 1996 heeft de CRvB geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij zijn besluitvorming is heeft gedaagde zich (mede) laten leiden door informatie van appellants werkgever omtrent appellants ziekteverzuim, welke informatie door een medewerker van X. B.V. telefonisch aan de arbeidsdeskundige G.J.W. van der Hulst was doorgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar eerst ter zitting van de Raad is gebleken, heeft gedaagde hangende het geding bij de rechtbank schriftelijk nadere informatie bij X. B.V. ingewonnen. De aldus verkregen informatie wierp, naar hierboven is overwogen, een geheel ander licht op de omvang van appellants ziekteverzuim.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze nadere informatie is niet aan de rechtbank, noch nadien aan de Raad overgelegd. De Raad wil niet nalaten op te merken dat het onthouden van deze voor de beoordeling van het geschil zeer essentiële informatie aan appellant(s gemachtigde) en de rechterlijke colleges die zich over het geschil bogen in flagrante strijd moet worden geacht met een goede procesorde, met name de wijze waarop een bestuursorgaan zich als procespartij dient te gedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.104 De CRvB heeft op 27 maart 1997 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad overweegt voorts dat niet a priori kan worden aangenomen dat in geval van aansprakelijkstelling van een bedrijf als dat van appellante voor onbetaald gebleven premies van V., stukken die betrekking hebben op door een bestuursorgaan verricht onderzoeken bij andere bedrijven die met V. hebben gecontracteerd, behoren tot de ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ als bedoeld in art. 8:42 Awb. Niettemin kan onder omstandigheden een partij als appellante er een gerechtvaardigd belang bij hebben dat zodanige stukken wel in de beoordeling kunnen worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.105 Op 28 mei 1997 heeft de CRvB overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedaagde [het bestuursorgaan, A-G] heeft op 28 september 1995 een schrijven van de internist dr. B.A. P. van 1 maart 1994 aan de Raad gezonden, waarbij gedaagde heeft opgemerkt dat verzuimd is om deze brief als een op de zaak betrekking hebbend stuk aan de rechtbank te doen toekomen. (…) Met appellants gemachtigde heeft de Raad moeten constateren dat gedaagde meergenoemde brief van dr. De Planque, welke verricht was aan een verzekeringsgeneeskundige van de GMD, eerst in hoger beroep heeft overgelegd. Deze brief dient zonder meer aangemerkt te worden als een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van art. 8:42, eerste lid, van de Awb. Deze handelwijze van gedaagde, wat de oorzaak daarvan ook zij, verdraagt zich naar het oordeel van de Raad niet met voormelde wetsbepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad deelt echter niet het namens appellant ingenomen standpunt dat gedaagdes handelwijze in het onderhavige geding zou dienen te leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad overweegt daartoe dat de zakelijke inhoud van meergenoemde brief is opgenomen in een van de zijde van appellant aan de rechtbank overgelegde brief d.d. 10 april 1995 van de internist-nefroloog dr. J. M. aan de medisch adviseur FNV en in het verzekeringsgeneeskundige rapport van 28 april 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet daarop is de Raad van oordeel dat de enkele omstandigheid dat meergenoemde brief niet aan de rechtbank is overgelegd, thans niet kan leiden tot de door appellant gewenste consequentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.106 De CRvB heeft bij uitspraak van 5 maart 1998 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het ontbreken van een bezwaarschriftprocedure was de bestuurlijke besluitvorming van het Lisv afgerond met het nemen van de bestreden beslissing. Tijdens de bestuurlijke besluitvormingsprocedure is S. in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verschaffen, bijvoorbeeld in de vorm van een schaduw(loon)administratie of een manurenregistratie, ter verantwoording van de werkzaamheden van de voor S. werkzame werknemers van W. Om haar moverende redenen heeft S. toen die nadere informatie niet verschaft, noch verzocht om een gelegenheid om die nadere informatie alsnog te verschaffen. Naar het oordeel van de Raad moeten de gevolgen hiervan in beginsel voor risico van S. komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anderzijds kan het Lisv reeds sinds maart 1991 over deze stukken beschikken, en heeft het Lisv zelf deze stukken niet als op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding (bij de rechtbank) ingebracht, en eerst op uitdrukkelijk verzoek van de Raad de relevante stukken inzake het strafrechtelijke onderzoek betreffende W. in het geding gebracht. Anders dan in het geval beslist in de voormelde uitspraak van 22 mei 1997, zijn de relevante gegevens niet tardief, namelijk eerst ter zitting van de Raad, naar voren gebracht. De Raad ziet dan ook gezien de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden geen reden voor het oordeel dat de gegevens zo laat in de procedure zijn ingebracht dat het in strijd met een goede procesorde zou zijn om mede op basis van deze gegevens te toetsen of de door het Lisv gevolgde berekeningsmethode rechtens aanvaardbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent dat beoordeeld moet worden of deze gegevens aanleiding moeten geven om te komen tot een andere methode van berekening van de aansprakelijkstelling van S.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.107 Bij uitspraak van 27 november 1998 heeft de CRvB geoordeeld: (…) In de eerste plaats overweegt de Raad dat appellant op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb gehouden is de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank te zenden. Met de rechtbank is de Raad echter van oordeel dat de functie-enquêteformulieren niet tot deze stukken behoren. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat niet gebleken is dat appellant bij de voorbereiding en het nemen van het bestreden besluit van deze formulieren gebruik heeft gemaakt en dat evenmin gebleken is dat deze rechtstreeks hebben bijgedragen tot dat besluit. Deze bepaling verplichtte appellant derhalve niet de functie-enquêteformulieren spontaan aan de rechtbank te zenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.108 De CRvB heeft bij uitspraak van 30 juli 1999 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad stelt — evenals de rechtbank — vast dat appellant hangende de gedingvoering in eerste aanleg niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingezonden. Dit geldt met name een aantal bijlagen bij het ‘rapport bureau opsporing BVG’. Hieruit volgt dat appellant de in art. 8:42, eerste lid, van de Awb neergelegde verplichting niet is nagekomen. De omstandigheid dat appellant door de rechtbank niet is uitgenodigd om de ontbrekende stukken in te zenden kan daaraan niet afdoen aangezien het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken eigener beweging dient in te zenden. Het standpunt van appellant dat de nodige stukken zijn ingezonden wordt verworpen aangezien art. 8:42, eerste lid, van de Awb in die zin geen beperking aanbrengt in de in te zenden stukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.109 Bij uitspraak van 12 december 2000 heeft de CRvB overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het oordeel van de rechtbank dat appellant [het bestuursorgaan, A-G] ten onrechte niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingezonden, overweegt de Raad dat uit artikel 8:42 van de Awb voortvloeit dat het bestuursorgaan alle op de zaak betrekking hebbende stukken dient in te zenden. Dit geldt ook voor medische stukken die zich onder een adviserende instantie als de GGD bevinden, tenzij de belanghebbende op wie die stukken betrekking hebben geen toestemming geeft voor toezending aan het bestuursorgaan. Dat laatste doet zich in het onderhavige geval voor zodat niet gezegd kan worden dat appellant in casu niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken als in voormelde bepaling bedoeld aan de rechtbank heeft toegezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.110 De CRvB heeft bij uitspraak van 16 januari 2001 geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 8:42 lid 1 Awb bepaalt dat binnen vier weken na de dag van verzending van het beroepschrift aan het bestuursorgaan, dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank inzendt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Appellant heeft in de eerste plaats betoogd dat hij aan de in art. 8:42 lid 1 Awb neergelegde verplichting heeft voldaan door in beroep naar behoren de op de zaak betrekking hebbende stukken te hebben ingezonden. Hieraan heeft appellant toegevoegd — samengevat — dat niet juist is dat de rechtbank zonder hem te verzoeken ontbrekende stukken in te zenden, toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 8:31 Awb zoals zij heeft gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad onderkent dat, mede gezien de stukken die appellant in hoger beroep heeft ingezonden, bezwaarlijk volgehouden kan worden dat appellant in beroep alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank heeft overgelegd. Hij stelt vast dat appellant heeft volstaan met het inzenden van de stukken die naar zijn inzicht essentieel zijn voor het beoordelen van het bestreden besluit in rechte. Dit strookt naar het oordeel van de Raad niet met de tekst en strekking van het bepaalde in art. 8:42 lid 1 jo. 8:29 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het voetspoor van zijn uitspraak van 30 juli 1999, onder andere gepubliceerd in RSV 1999/286, overweegt de Raad voorts dat in art. 8:31 Awb een bevoegdheid van de rechtbank is neergelegd die niet zonder onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden en zonder evenredige belangenafweging kan worden uitgeoefend. Dit betekent dat de rechtbank alvorens gevolgtrekkingen te maken als in dat artikel bedoeld, de desbetreffende partij in de gelegenheid dient te stellen ontbrekende stukken in te zenden, dan wel aan te geven waarom bepaalde stukken niet zijn ingezonden. Aangezien de rechtbank in casu appellant niet de gelegenheid heeft geboden de ontbrekende stukken in te zenden, heeft zij een onjuiste toepassing gegeven aan de haar in art. 8:31 Awb gegeven bevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte het bestreden besluit reeds met toepassing van art. 8:31 Awb heeft vernietigd. Die uitspraak komt dan ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.111 De CRvB heeft bij uitspraak van 19 september 2001 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bestreden besluit van 31 maart 1998 heeft gedaagde overwogen dat hij aanleiding heeft gezien de rechtsfeiten met betrekking tot appellants kinderbijslagaanspraken rechtstreeks te doen controleren door middel van een onderzoek door een bij de Nederlandse Ambassade te Islamabad ([C.]) geaccrediteerde vertrouwensadvocaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het besluit zijn de conclusies van het onderzoek, kort, weergegeven; zij vormen de basis voor het besluit van gedaagde, waarbij kinderbijslag alsnog is geweigerd en teruggevorderd. Die conclusies zijn van de zijde van appellant in deze procedure steeds bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft gedaagde in het besluit meegedeeld dat en waarom hij appellant tijdens de bezwaarprocedure geen inzage heeft gegeven in het rapport van de vertrouwensadvocaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de bij brief van 17 juni 1998 door gedaagde aan de rechtbank toegezonden stukken behoort niet vorenbedoeld rapport. Bij de inzending is geen melding gemaakt van de niet-inzending van enig stuk, dan wel de weigering zulks te doen. Tot de aan de rechtbank toegezonden stukken behoort wel een drietal, op de inventarislijst als 34 A-B, 35 A-B en 36 A-B genummerde verklaringen, opgesteld in het Urdu en vergezeld van een vertaling in het Nederlands, waarvan wordt vermeld dat het verklaringen zijn, \"opgetekend in het bijzijn van vertrouwensadvocaat\". De stukken genummerd 34 B en 35 B dragen het stempel \"Enclosure\", met het cijfer 5, respectievelijk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat gedaagde niet ten volle heeft voldaan aan het voorschrift van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank over te leggen. Artikel 8:29 van de Awb voorziet in een procedure voor het geval een partij, op wie de verplichting rust stukken over te leggen, om gewichtige redenen weigert zulks te doen, dan wel de kennisneming van die stukken wenst te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad acht het een fundamenteel beginsel van het bestuursprocesrecht dat de justitiabele in beginsel over alle stukken kan beschikken welke met betrekking tot zijn zaak onder het bestuursorgaan berusten. Indien gewichtige redenen zich tegen volledige kennisneming verzetten, dient de met waarborgen omklede procedure van artikel 8:29 van de Awb te worden gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door voorbij te gaan aan de kenbare onvolledige toezending van stukken heeft de rechtbank voormelde bepalingen van de Awb, welke de uitdrukking vormen van het zojuist bedoelde fundamentele procesrechtelijke beginsel, geschonden, zodat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan worden gelaten. Het komt de Raad aangewezen voor de zaak, na vernietiging van de aangevallen uitspraak, naar de rechtbank terug te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.112 Bij uitspraak van 10 oktober 2002 heeft de CRvB geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Appellante is van opvatting dat de door haar verzochte en bij het bestreden besluit geweigerde documenten door gedaagde hadden moeten worden overgelegd aan de rechtbank, aangezien deze documenten zijn aan te merken als \"op de zaak betrekking hebbende stukken\" als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad kan appellante niet volgen, aangezien de \"op de zaak betrekking hebbende stukken\" de geschriften zijn die onderdeel uitmaken van de totstandkoming van het primaire en het bestreden besluit. Indien, zoals in het onderhavige geval, aan de weigering om documenten over te leggen ten grondslag ligt dat de aanvrager geen aanspraak heeft op de gevraagde documenten, dan is voor de beoordeling door de rechter van de houdbaarheid van het besluit voldoende dat over de aard en inhoud van de documenten duidelijkheid bestaat. Aan deze voorwaarde is voldaan. De Raad merkt nog op dat de zienswijze van appellante zou meebrengen dat een besluit, houdende de weigering om documenten te overleggen, illusoir zou worden indien in een gerechtelijke procedure over die weigering de documenten zouden moeten worden overgelegd. De betrokkene zou daarmee immers, onafhankelijk van het resultaat van de gerechtelijke procedure, bereiken hetgeen het bestuursorgaan hem ontzegd had.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.113 Op 17 april 2003 heeft de CRvB geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het bestuursorgaan is de Raad van oordeel dat de database en applicatie, behoudens eventuele uitdraaien uit die database, niet behoren tot de stukken als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb, welke voorafgaand aan het horen ter inzage dienen te liggen. Aangezien belanghebbende tijdens de bezwaarschriftprocedure naar het oordeel van de Raad voldoende in gelegenheid is gesteld om de administratie in te zien en belanghebbende tijdens de bezwaarschriftprocedure niet om verdere uitdraaien dan de op 13 oktober 1998 aan zijn accountant verstrekte uitdraai heeft gevraagd, heeft het bestuursorgaan naar het oordeel van de Raad gehandeld zoals voorgeschreven in artikel 7:4 van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.114 De CRvB heeft op 15 april 2005 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedaagde [de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, A-G] heeft naar aanleiding van dit verzoek en de overgelegde gelegaliseerde geboorteakten aanleiding gezien een verificatieonderzoek te laten verrichten in Pakistan. Dit onderzoek is ingesteld door tussenkomst van de Nederlandse Ambassade te Islamabad en uitgevoerd door een vertrouwensadvocaat. Uit dit onderzoek is gedaagde gebleken dat alle geboorteakten onjuist en vervalst zijn, dat Nadeem, Faisal en Farhana verzonnen personages zijn en dat Imran en Abdullah geen kinderen van appellant zijn. Appellant is een samenvatting van de inhoud van het ambtsbericht verstrekt. (…) De Raad overweegt vooreerst dat aan appellant, door de beperking van de kennisneming, het ambtsbericht zowel tijdens de bezwaarfase als in beroep bij de rechtbank ten onrechte is onthouden. Als gevolg daarvan heeft naar het oordeel van de Raad een zodanige schending van een fundamenteel beginsel van bestuursprocesrecht plaatsgevonden, dat dit -onder gegrondverklaring van het beroep- dient te leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.115 Op 26 april 2005 heeft de CRvB overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Met appellante is de Raad van oordeel dat gedaagde, in strijd met artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in bezwaar – ondanks uitdrukkelijk verzoek van appellante – niet ook de stukken ter inzage heeft gelegd waarnaar in het rapport van de sociale recherche wordt verwezen. Het betreft hier in het bijzonder de processen-verbaal van verhoor van appellante, van haar moeder en van C. Als gevolg daarvan is appellante onvoldoende in de gelegenheid geweest in het kader van de bezwarenprocedure haar bezwaren tegen het primaire besluit van 19 september 2001 naar voren te brengen en te onderbouwen. Dat gedaagde die stukken in beroep, na afwijzing van een verzoek tot beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, alsnog in het geding heeft gebracht, kan daar niet aan afdoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.116 De CRvB heeft op 16 januari 2008 de volgende uitspraak gedaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5 Artikel 6:17 van de Awb bepaalt dat indien iemand zich laat vertegenwoordigen, het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde dient toe te zenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 De Raad stelt vast dat het College een dossier aan de gemachtigde van appellante en aan de rechtbank heeft toegezonden waarin de aan het medisch advies ten grondslag liggende stukken ontbreken. Appellante heeft geen toestemming gegeven voor het niet toezenden, onderscheidenlijk inzenden van deze stukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7 Uit vaste jurisprudentie van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 12 december 2000, LJN ZB9092, volgt dat medische stukken die zich onder een adviserende instantie bevinden tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren, tenzij de belanghebbende op wie die stukken betrekking hebben, om reden van bescherming van de persoonlijke levenssfeer, geen toestemming geeft voor toezending ervan aan een of meer derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8 Dit betekent dat — nu appellante juist toevoeging verlangt — de in geding zijnde onderliggende medische stukken niet in het dossier hadden mogen ontbreken en aan de rechtbank, onderscheidenlijk — gezien artikel 6:17 van de Awb — aan de gemachtigde van appellante hadden moeten worden toegezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9 Hiermee is gegeven dat het hoger beroep slaagt wegens strijd met de wet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd. Het betekent tevens dat het beroep gegrond is en dat het besluit van 28 november 2005 dient te worden vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.117 De CRvB heeft op 25 februari 2008 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge artikel 7:4, tweede lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het bezwaarschrift en verder alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende tenminste een week voor belanghebbenden ter inzage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad merkt het ambtelijk pre-advies aan als een schriftelijke neerslag van de raadpleging door het College van een interne adviseur die betrekking heeft op de positiebepaling van het bestuursorgaan ten aanzien van aan de orde zijnde rechtsvragen. Een dergelijk stuk kan niet worden aangemerkt als een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in voormeld artikellid. De Raad verwijst in dit verband onder meer naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 november 2003, LJN AN7220. De voorzieningenrechter volgt verzoekers dan ook niet in de stelling dat sprake is van schending van het inzagerecht in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb omdat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om voorafgaand aan het horen in bezwaar van dit stuk kennis te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.118 Bij uitspraak van 25 september 2008 heeft de CRvB overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Appellant heeft de Raad er niet van weten te overtuigen dat door het college niet alle op de gedingen betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. De “op de zaak betrekking hebbende stukken” bedoeld in artikel 8:42 van de Awb, zijn de geschriften die (rechtstreeks) betrekking hebben op de thans in geding zijnde besluitvorming. Ingevolge vaste rechtspraak (ABRS 24 april 1998, LJN AH6607 en JB 1998/145, en CRvB 25 februari 2008, LJN BC6720 en JB 2008,102) kunnen ambtelijke preadviezen ten behoeve van de besluitvorming door het bestuursorgaan niet als zodanig worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.119 Op 11 november 2014 heeft de CRvB geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage gelegd. Anders dan appellanten kennelijk menen, kunnen de stukken met betrekking tot de voorgeschiedenis van de aanvraag en het verleden van appellant niet worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken. Appellanten kunnen dan ook niet worden gevolgd in hun stelling dat sprake is van schending van het inzagerecht in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb omdat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om voorafgaand aan het horen in bezwaar van deze stukken kennis te nemen. In het verlengde hiervan bestaat evenmin grond voor het oordeel dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.120 De CRvB heeft bij uitspraak van 13 juli 2017 geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het meergenoemde onderzoeksrapport is naar het oordeel van de Raad geen op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. In dit geval gaat het om ontslag op eigen verzoek, neergelegd in de vorm van een vso. De beweegredenen voor appellant om de overeenkomst te sluiten, liggen niet ten grondslag aan de inhoudelijke standpuntbepaling of besluitvorming van het college. Niet valt dan in te zien dat de feiten en omstandigheden die kunnen blijken uit het rapport van belang zijn voor het bezwaar en beroep tegen het uit de vso voortvloeiende besluit van 20 augustus 2014. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het rapport niet ingebracht hoefde te worden. Omdat appellant te kennen heeft gegeven dat de door hem voorgedragen getuigen kunnen worden gehoord juist omtrent (de inhoud en totstandkoming van) het onderzoeksrapport gaat de Raad aan het verzoek van appellant om deze getuigen te horen voorbij.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Jurisprudentie I Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (hierna: ABRvS) 2.121 Bij uitspraak van 20 maart 1995 heeft de ABRvS geoordeeld:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>(…) Vast is komen te staan dat de staatssecretaris de gegevens waarop de verzoeken van Era/Dura van 19 jan. 1994 betrekking hebben niet op de voet van het bepaalde in art. 8:42 Awb aan de rechtbank heeft gezonden. Voorts staat vast dat de rechtbank niet met toepassing van art. 8:45 Awb aan de staatssecretaris heeft verzocht bedoelde stukken in te zenden, zodat deze geen deel hebben uitgemaakt van het dossier van de rechtbank. De Afdeling bestuursrechtspraak is echter, mede gelet op de aard van het onderhavige geschil, waarvan de inzet is de openbaarmaking van de stukken in kwestie, van oordeel dat de kennisneming van deze op de zaak betrekking hebbende stukken onontbeerlijk is voor een juiste beoordeling van de in het bestreden besluit gemaakte afweging tussen enerzijds het openbaarheidsbelang en anderzijds de belangen die door de in de WOB neergelegde gronden waarop het verstrekken van informatie achterwege kan worden gelaten. Uitspraak had dan ook moeten worden gedaan mede op de grondslag van meerbedoelde stukken. Nu de president daarover niet de beschikking heeft gehad, heeft zij ten onrechte geoordeeld dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak als bedoeld in art. 8:86 Awb, zodat dit artikel ten onrechte is toegepast. In zoverre bevindt de Afdeling bestuursrechtspraak ambtshalve het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak komt in aanmerking voor gehele vernietiging.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.122 Op 25 juni 1996 heeft de ABRvS geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling is voorts van oordeel dat verweerder in strijd met art. 7:4 tweede en derde lid Awb heeft nagelaten om bij de toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken het verslag van de vergadering van de cie. Erkenningen van de Ziekenfondsraad van 20 sept. 1994 te voegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.123 Bij uitspraak van 24 april 1998 heeft de ABRvS geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">De president heeft, kort weergegeven, overwogen dat appellant in strijd met het bepaalde in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb, de Stichting geen inzage heeft verleend in het door haar in haar brief van 25 september 1995 genoemde stuk, zijnde een zogenoemde ambtelijke ‘oplegnota’ oftewel aanbiedingsnota bij het besluit van 4 juli 1995. (…) Indien de overheid niet, zoals andere rechtzoekenden, de mogelijkheid zou hebben om haar interne en externe adviseurs te raadplegen over de aan de orde zijnde rechtsvragen alvorens haar positie te bepalen, zou de gelijkwaardigheid tussen behartigers van het algemene en van het individuele belang in het gedrang kunnen komen. De schriftelijke neerslag van die raadpleging levert niet een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb op.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van de oplegnota. Zij heeft vastgesteld dat deze interne nota beschouwingen bevat over feiten die elders in het dossier naar voren komen en betrekking heeft op de positiebepaling van appellant ten aanzien van de aan de orde zijnde rechtsvraag. De nota is derhalve niet een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">De president heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat door appellant in de bezwaarfase niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. Het hoger beroep is in zoverre gegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.124 Op 4 juni 1999 heeft de ABRvS geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft ten slotte evenzeer met juistheid overwogen dat gedeputeerde staten, nu zij met de op de zaak betrekking hebbende stukken niet ook het Streekplan c.a. ter inzage hebben gelegd, niet hebben gehandeld in strijd met artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het betreft openbare stukken van algemene aard die op ieder moment zij het op een andere locatie – kunnen worden ingezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.125 Bij uitspraak van 9 februari 2001 heeft de ABRvS overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Appellanten hebben ook betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat de bij de berekening gehanteerde buitenlandse prijslijsten ten onrechte door de minister niet als op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb zijn overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betoog treft geen doel. Weliswaar zijn de desbetreffende lijsten door de minister niet overgelegd, maar zulks is niet achterwege gelaten met een beroep op artikel 8:29 van de Awb. De minister heeft geen bezwaar tegen kennisneming van de lijsten door appellanten, doch slechts tegen het verstrekken van een afschrift daarvan, gelet op de contractuele verplichtingen die hij is aangegaan om dat niet te doen. Appellanten hebben voorts tijdens de voorprocedure inzage in de lijsten gekregen. Niet aannemelijk is dat zij door het niet overleggen van de lijsten aan de rechtbank in hun belang zijn geschaad. Aan dit oordeel draagt bij dat de lijsten bij de desbetreffende buitenlandse instanties tegen betaling ook voor appellanten te verkrijgen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb strekt er mede toe zeker te stellen dat de rechter volledig wordt voorgelicht over de zaak. In de onderhavige procedures heeft de Afdeling zich door de wél overgelegde stukken en de daarop door de partijen gegeven toelichting voldoende over de zaken voorgelicht geacht. Overlegging van de lijsten oordeelt de Afdeling niet noodzakelijk, nu in de onderhavige procedures tegen de inhoud van de lijsten als zodanig geen bezwaren zijn ingebracht. Het niet overleggen van de lijsten heeft daarom geen betekenis voor de beoordeling door de Afdeling. Voor zover appellanten in dit verband hebben betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat de minister bij de berekening van de referentielandgemiddelden voor Duitsland ten onrechte is uitgegaan van de zogenoemde \"gecombineerde IFA- en ABDATA-lijsten\", is de rechtbank hen in dat betoog terecht niet gevolgd, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat verificatie van deze lijsten niet mogelijk zou zijn. In ieder geval zijn ook deze lijsten voor appellanten tegen, betaling te verkrijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.126 De ABRvS heeft bij uitspraak van 20 december 2002 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het hiervoor weergegevene, bezien in samenhang met de door appellant gestelde Portugese nationaliteit, blijkt dat de inbewaringstelling uitsluitend is gebaseerd op de vaststelling dat het door appellant gebruikte paspoort vervalst was. Aldus is het proces-verbaal, waaruit blijkt dat is vastgesteld dat dat paspoort is vervalst, een op de zaak betrekking hebbend stuk, als bedoeld in voormeld artikel 8:42, eerste lid, van de Awb, dat de minister had behoren over te leggen. Mede aan de hand daarvan diende de rechtbank te beoordelen of de minister in dat proces-verbaal terecht grond heeft gevonden om appellant in bewaring te stellen. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat zij daarmee zou oordelen over de aanwending van een niet bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheid. Gelet hierop en op de betwisting door appellant van de bevindingen, in dat proces-verbaal gerelateerd, had de rechtbank de minister behoren te gelasten dat alsnog over te leggen en had zij het ter kennis van appellant moeten brengen. De grief treft doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.127 De ABRvS heeft bij uitspraak van 5 november 2003 geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Belangenvereniging Almere-Hout stelt dat verweerders in strijd met het bepaalde in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb, niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen in de bezwaarfase ter inzage hebben gelegd. Het gaat daarbij om een advies van de Landsadvocaat aan verweerders en eventuele correspondentie daarover.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweerders hebben appellante bij brief van 4 februari 2002, ingevolge artikel 7:4, zesde lid, van de Awb bericht dat zij het advies van de Landsadvocaat en de daarover gevoerde correspondentie niet ter inzage zullen leggen. (…) 2.4.3. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 24 april 1998, inzake H01.96.0308 (JB1998/145) vormt de schriftelijke neerslag van de raadpleging door het bestuursorgaan bij interne of externe adviseurs die betrekking heeft op de positiebepaling van het bestuursorgaan ten aanzien van aan de orde zijnde rechtsvragen, niet een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweerders hebben verklaard dat zij het advies van de Landsadvocaat en de daarover gevoerde correspondentie niet ter inzage hebben gelegd aangezien dit advies betrekking heeft op hun positiebepaling ten aanzien van de aan de orde zijnde rechtsvragen in de voorliggende besluiten. De Afdeling acht de verklaring omtrent de in geschil zijnde stukken geloofwaardig, nu deze stukken correspondentie tussen een advocaat en zijn cliënt betreffen. Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders door het advies van de Landsadvocaat en de daarover gevoerde correspondentie niet ter inzage te leggen voor de hoorzitting in de bezwaarfase, niet in strijd hebben gehandeld met artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.128 Op 4 augustus 2004 heeft de ABRvS geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">De verplichting voor een bestuursorgaan alle onderliggende stukken in het geding en ter kennis van de andere partij(en) te brengen, vervalt indien het daarvoor gewichtige redenen heeft en de rechtbank de weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd acht, met toepassing van artikel 8:29 van de Awb. Zowel de Afdeling als de rechtbank hebben met het verzoek van de staatssecretaris de internationale correspondentie met België uitsluitend ter kennis van de Afdeling dan wel de rechtbank te brengen, ingestemd. Het is appellante die, door haar weigering de Afdeling toestemming te geven om van de aldus overgelegde stukken kennis te nemen, haar de mogelijkheid ontneemt de rechtmatigheid van de besluiten van de staatssecretaris en het daaraan ten grondslag liggende verzoek van de Belgische fiscale autoriteiten te toetsen. In beginsel zijn de gevolgen van een dergelijke weigering voor risico van appellante. In hetgeen appellante heeft aangevoerd kan geen reden worden gevonden hierop een uitzondering te maken. Bedoeld risico brengt mee dat de Afdeling geen aanleiding ziet het in de beslissing op bezwaar ingenomen standpunt van de staatssecretaris voor onjuist te houden. De rechtbank is eveneens tot die conclusie gekomen. Dit betekent dat de Afdeling aan bespreking van de overige, al dan niet voor het eerst in hoger beroep aangevoerde, gronden niet kan toekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.129 Op 23 januari 2008 heeft de ABRvS overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de door de Minister van Justitie geparafeerde conceptbeslissing een op de zaak betrekking hebbend stuk is als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht en dat de minister dit stuk aan de rechtbank had moeten zenden. Nu de minister het stuk ter zitting aan de Afdeling heeft getoond en de Afdeling met de gemachtigde van [wederpartij] heeft geconstateerd dat de conceptbeslissing is geparafeerd door de Minister van Justitie en de besluitvorming derhalve in overeenstemming met die minister heeft plaatsgevonden, is naar het oordeel van de Afdeling de grond van de vernietiging van het besluit op bezwaar in zoverre komen te ontvallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.130 De ABRvS heeft op 20 februari 2008 geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 november 2003 in zaak nr. 200204636/1), vormt de schriftelijke neerslag van de raadpleging door het bestuursorgaan bij interne of externe adviseurs die betrekking heeft op de positiebepaling ten aanzien van aan de orde zijnde rechtsvragen niet een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. Indien de memo niet ter inzage is gelegd voorafgaand aan de hoorzitting van 7 juni 2006, leidt dat reeds hierom niet tot het oordeel dat is gehandeld in strijd met artikel 7:4, tweede lid, van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">De memo bevat evenmin feiten of omstandigheden die niet op 7 juni 2006 bekend waren, zodat geen reden bestond zulke feiten of omstandigheden aan [appellant] mee te delen en hem opnieuw in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. De rechtbank heeft deze beroepsgrond dan ook terecht verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.131 Op 10 december 2008 heeft de ABRvS overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plan Nederland betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de beoordelingshandleiding en het beoordelingsformulier evenals het advies van de ambtelijke vergewiscommissie tot de tot het geding behorende stukken behoren en in strijd met artikel 7:4, tweede lid, van de Awb niet aan haar ter beschikking zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beoordelingshandleiding en het beoordelingsformulier maken geen deel uit van het door de adviescommissie aan de minister uitgebrachte advies. De minister heeft de beoordelingshandleiding en het beoordelingsformulier ook niet nodig geacht noch gebruikt ten behoeve van het nemen van het primaire besluit. Reeds daarom is geen sprake van op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. De rechtbank is met juistheid tot dat oordeel gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat het advies van de ambtelijke vergewiscommissie een intern advies is dat ziet op de eigen standpuntbepaling van de minister. Ook het advies is daarom geen op de zaak betrekking hebbend stuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt derhalve niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.132 Bij uitspraak van 5 oktober 2009 heeft de ABRvS geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vreemdeling is op 14 juli 2009 op grond van artikel 59, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 in bewaring gesteld, omdat de Slowaakse autoriteiten reeds op 1 april 2009 ten behoeve van de vreemdeling een claim akkoord hebben afgegeven. Aldus is het claim akkoord van de Slowaakse autoriteiten van 1 april 2009, een op de zaak betrekking hebbend stuk, als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb, dat de staatssecretaris had behoren over te leggen. Mede aan de hand daarvan diende te rechtbank te beoordelen of de vreemdeling terecht op grond van het tweede lid van artikel 59 van de Vw 2000 in bewaring kon worden gesteld. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de vreemdeling reeds in beroep heeft geklaagd over het niet overleggen van het claim akkoord, had de rechtbank de staatssecretaris behoren te gelasten dat alsnog over te leggen en had zij het ter kennis van de vreemdeling moeten brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.133 De ABRvS heeft op 2 december 2009 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat de minister niet heeft voldaan aan zijn verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank blijkt dat de minister het verweerschrift in bezwaar en een brief van de Inspectie voor de Gezondheidszorg van 3 oktober 2006 niet heeft overgelegd. De rechtbank heeft deze stukken voor beantwoording van de vraag of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden blijven kennelijk niet nodig geacht. De Stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat de rechtbank op grond van de zich in haar dossier bevindende stukken niet tot een weloverwogen oordeel heeft kunnen komen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om aan te nemen dat de rechtbank niet alle voor de behandeling van de zaak van belang zijnde stukken bij haar overwegingen heeft betrokken. Het betoog faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.134 Op 28 april 2010 heeft de ABRvS geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.12.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling volgt het CBD en FaCo en Bayer e.a. in hun betoog dat het College ten onrechte heeft nagelaten om alle gegevens waarnaar in het besluit van 2 juli 2009 wordt verwezen, aan de Afdeling te verstrekken. Ingevolge artikel 8:42 van de Awb diende het College de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de Afdeling toe te zenden. Tot deze stukken behoren de documenten waarop het besluit van 2 juli 2009 is gebaseerd. Bij brief van 22 december 2009 heeft het College deze documenten aan de Afdeling verstrekt, met uitzondering van de aan het besluit ten grondslag gelegde gegevens uit de databank EudraVigilance, die, zoals hiervoor is overwogen, evenmin aan het CBD en FaCo en Bayer e.a. zijn verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het College konden laatstbedoelde gegevens om gewichtige redenen niet aan het CBD en FaCo en Bayer e.a. worden overgelegd. Het College heeft echter niet verklaard waarom deze gegevens niet met toepassing van artikel 8:29 van de Awb ter vertrouwelijke kennisneming aan de Afdeling konden worden overgelegd. Het College heeft aldus niet voldaan aan de verplichting van artikel 8:42 van de Awb. De Afdeling ziet ook hierin evenwel onvoldoende aanleiding om het besluit van 2 juli 2009 te vernietigen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het CBD en FaCo en Bayer e.a., die, zoals hiervoor is overwogen, meldingen van bijwerkingen uit andere, voor hen bekende bronnen hebben kunnen afleiden, de juistheid van het in het besluit vermelde, aan EudraVigilance ontleende overzicht van meldingen van bijwerkingen niet hebben betwist.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.135 De ABRvS heeft op 2 april 2014 geoordeeld:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De Afdeling heeft geen aanleiding gezien om, zoals [appellante] heeft verzocht, de Belastingdienst/Toeslagen op te dragen een rapport van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst betreffende het [gastouderbureau] over te leggen, omdat de onderscheiden besluiten van 26 september 2012, zoals gehandhaafd bij besluit van 25 oktober 2012, niet op dat rapport zijn gebaseerd. Derhalve kan dit rapport niet als een op de zaak betrekking hebbend stuk, als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden aangemerkt.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.136 Op 16 april 2014 heeft de ABRvS geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Niedersächsische Landesbetrieb für Wasserwirtschaft, Küsten under Natürschutz heeft aan RWE een lijst gestuurd met projecten die in de Duitse deelstaat Nedersaksen worden uitgevoerd. Deze lijst met ongeveer 650 projecten is gebruikt om te bepalen welke projecten zouden worden betrokken bij de beoordeling van de cumulatieve effecten. De lijst heeft niet ter inzage gelegen. Naar het oordeel van de Afdeling is de lijst met de Duitse projecten evenwel geen op de zaak betrekking hebbend stuk dat voor belanghebbenden ter inzage had moeten liggen, nu dit stuk niet redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling van de besluiten. Verder hebben verweerders toegelicht dat aan het IBL-rapport stikstofdepositie de emissiegegevens ten grondslag zijn gelegd die zijn neergelegd in de memo ‘Uitgangspunten berekening OPS-pro’ van 1 augustus 2012. Deze memo heeft voor belanghebbenden ter inzage gelegen. De stelling van de Waddenvereniging en andere en Greenpeace en andere dat de gegevens die ten grondslag zijn gelegd aan het IBL-rapport stikstofdepositie niet kenbaar zijn voor belanghebbenden kan daarom niet worden gevolgd. Gelet op het voorgaande hebben verweerders niet in strijd gehandeld met artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. Het betoog faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.137 De ABRvS heeft op 16 juli 2014 geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter zitting van de Afdeling heeft de burgemeester desgevraagd verklaard dat de verklaringen van de broer van verhuurder, de bewindvoerder en de wijkagent, de aangifte van verhuurder en de lijst van antecedenten van wederpartij niet bij de rechtbank zijn overgelegd. Daarbij heeft hij toegelicht dat het bij een procedure over de oplegging van een huisverbod ongebruikelijk en ongewenst wordt geacht om de aangifte en lijst van antecenten over te leggen. Dit laat evenwel onverlet dat de burgemeester zijn besluit mede op deze stukken heeft gebaseerd en dat hij ingevolge artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gehouden is de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Desgewenst kan hij daarbij een beroep op artikel 8:29 van de Awb doen. De rechtbank beschikte derhalve ten onrechte niet over alle op de zaak betrekking hebbende stukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.138 Bij uitspraak van 3 september 2014 heeft de ABRvS overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de brieven van 22 oktober 2011 en 30 augustus 2012, waarin onderscheidenlijk aan [appellant] om informatie is verzocht en aan hem is meegedeeld dat hij niet aan alle voorwaarden voldoet om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen, is het onderzoek van de FIOD genoemd als aanleiding voor de controle van de Belastingdienst/Toeslagen naar de aanvraag van [appellant] om kinderopvangtoeslag. Dat in deze brieven het onderzoek van de FIOD naar [gastouderbureau] is genoemd, betekent niet dat stukken van dit onderzoek ten grondslag liggen aan het besluit van 14 september 2012 zoals gehandhaafd bij besluit van 3 december 2012. Zoals reeds onder 3 is overwogen is aan het besluit van 3 december 2012 ten grondslag gelegd dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt kosten van kinderopvang te hebben gehad en dat de overgelegde overeenkomsten voor kinderopvang niet voldoen aan artikel 52 van de Wko, gelezen in samenhang met artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling. Stukken uit het onderzoek van de FIOD naar [gastouderbureau] kunnen daarom niet worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat deze stukken niet hoefden te worden ingebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.139 Op 18 maart 2015 heeft de ABRvS overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het proces-verbaal van de aanhouding op 4 december 2011 ligt ten grondslag aan de mededeling van de Regiopolitie Haaglanden van 13 mei 2012 en aldus aan de besluitvorming van het CBR in deze zaak. Gelet hierop is het proces-verbaal een stuk als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Dat [wederpartij] de aanhoudingsgegevens niet heeft betwist, maakt dat niet anders. Uit de uitspraak van de rechtbank en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat de rechtbank overlegging van het proces-verbaal van de aanhouding op 4 december 2011 noodzakelijk achtte, doch het CBR een andere mening was toegedaan en het proces-verbaal niet heeft overgelegd. Onder deze omstandigheden behoefde de rechtbank, alvorens toepassing te geven aan artikel 8:31 van de Awb, het CBR niet nogmaals in de gelegenheid te stellen het proces-verbaal na te zenden en heeft zij op grond van die bepaling bij de beoordeling van het beroep aan het ontbreken van dit stuk de gevolgtrekkingen mogen verbinden die haar geraden voorkwamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.140 De ABRvS heeft op 15 april 2015 geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij brief van 2 januari 2013 heeft [appellant] Bureau Jeugdzorg naar aanleiding van een verstrekte second opinion verzocht om openbaarmaking van: 1. De schriftelijke, anonieme melding, (…) , en de andere melding inzake kindermisbruik van zijn [stiefkleinkinderen]; 2. Verslag van het contact met de melder (…) , alsmede de opname van dit telefoongesprek; 3. Verslag van de gesprekken die zijn gevoerd met de ouders, (…); 4. Verslag van de telefonische overleggen met de leerkrachten, huisarts en wijkverpleegkundige (…).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Bureau Jeugdzorg heeft de door [appellant] verzochte documenten waarvan het openbaarmaking heeft geweigerd niet overgelegd. Dat naar het standpunt van Bureau Jeugdzorg de Wjz in plaats van de Wob op de desbetreffende documenten van toepassing is, zodat volgens hem voor het in geding brengen van de documenten bij de rechter geen aanleiding bestaat, laat onverlet dat Bureau Jeugdzorg ingevolge artikel 8:42, eerste lid, van de Awb gehouden is de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Gelet op hetgeen onder 2.2. is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat haar onderzoek in deze zaak niet volledig is geweest, zodat aanleiding bestaat om dit te heropenen. De Afdeling zal Bureau Jeugdzorg alsnog in de gelegenheid stellen de desbetreffende documenten onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb over te leggen teneinde te kunnen beoordelen of en in hoeverre deze daadwerkelijk onder de Wjz vallen. Voor zover de gevraagde documenten niet onder de Wjz vallen, maar onder de Wob, zal vervolgens bezien moeten worden of daarop door het Bureau in te roepen weigeringsgronden uit de Wob van toepassing zijn. De Afdeling wijst er ten slotte op, dat indien Bureau Jeugdzorg niet voldoet aan de in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb neergelegde verplichting, de Afdeling daaruit ingevolge artikel 8:31 van de Awb de gevolgtrekkingen kan maken die haar geraden voorkomen.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.141 Op 12 juli 2017 heeft de ABRvS geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door [appellant A] bedoelde e-mail van 15 april 2015 is een door het college aan de rechtbank toegezonden inventarisatielijst in verband met een door [appellant A] gevraagde voorlopige voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet gebleken is dat deze e-mail bij de voorbereiding of het nemen van het besluit op bezwaar is gebruikt. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat deze email geen op de zaak betrekking hebbend stuk is als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft [appellant A] verwezen naar een ongedateerde ambtelijke notitie met de titel \"Planologisch advies n.a.v. aanvraag omgevingsvergunning\". Deze notitie betreft een intern advies over de beantwoording van de vraag of het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan \"Stadsgezicht Edam\" en het voorontwerp van het bestemmingsplan \"Stadsgezicht Edam 2012\" (hierna: het interne advies). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 november 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN7220), vormt de schriftelijke neerslag van de raadpleging door het bestuursorgaan bij interne of externe adviseurs die betrekking heeft op de positiebepaling ten aanzien van aan de orde zijnde rechtsvragen niet een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. (…)Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet gebleken is dat niet alle op de zaak betrekking hebbend stukken ter inzage hebben gelegen voor de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">K. Jurisprudentie I College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) 2.142 Het CBb heeft bij uitspraak van 23 mei 1995 geoordeeld:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>(…) Ten slotte overweegt het college dat de grief van appellante met betrekking tot de weigering door verweerster inzage te geven in het door haar terzake aan de staatssecretaris uitgebrachte advies — dat inderdaad deel uitmaakt van de op de zaak betrekking hebbende stukken — gegrond is. Art. 7:4 tweede en vierde lid Awb schrijft het bestuursorgaan de ter inzage legging, resp. het verstrekken van afschriften van deze stukken aan de belanghebbende voor. Het college vindt evenwel aanleiding om dit verzuim met toepassing van het bij art. 6:22 Awb bepaalde te passeren aangezien de inhoud van het advies geen reden geeft om te veronderstellen dat appellante door de onbekendheid met dat advies mogelijk een kans heeft gemist om met succes te pleiten voor een gunstiger besluit dan het door verweerder genomen besluit.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.143 Het CBb heeft op 18 januari 2005 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5 Verweerder heeft niet voldaan aan de ingevolge artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op hem rustende verplichting alle \"op de zaak betrekking hebbende stukken\" aan het College over te leggen. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat mkz op het bedrijf van D is vastgesteld, heeft verweerder volstaan met het overleggen van twee interne verslagen van ID-Lelystad B.V.. Verweerder heeft echter niet de relevante originele laboratoriumdossiers van ID-Lelystad B.V. overgelegd. Door appellanten geen inzage te geven in deze laboratoriumdossiers handelt verweerder in strijd met beginselen van behoorlijk procesrecht, waaronder het verdedigingsbeginsel en het fair-trial-beginsel. Deze laboratoriumdossiers, die onder meer een nauwkeurige rapportage bevatten met betrekking tot (-) de identiteit van de onderzochte monsters, (-) de wijze waarop de testen zijn uitgevoerd en moeten worden uitgevoerd, (-) de testuitslagen (gemeten waarden en waargenomen verschijnselen), alsmede (-) de wijze waarop de testuitslagen zijn geïnterpreteerd, dienen als \"op de zaak betrekking hebbende stukken\" te worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inzage in de laboratoriumdossiers is essentieel voor de beoordeling van de onderhavige zaken. De overgelegde interne verslagen van ID-Lelystad B.V. geven een oncontroleerbaar, selectief en onvolledig beeld. De laboratoriumdossiers zouden duidelijkheid kunnen verschaffen omtrent de betrouwbaarheid van de uitgevoerde testen en daarmee van de deugdelijkheid van de feitelijke grondslag van de door verweerder ten aanzien van appellanten genomen ruimingsbesluiten. Nu verweerder appellanten feitelijk geweigerd heeft inzage te verlenen in de laboratoriumdossiers van ID-Lelystad B.V., zijn appellanten ernstig in hun rechtsbescherming geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.144 Op 22 juni 2006 heeft het CBb overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Het bezwaar van appellant dat verweerder hem in de bezwaarfase wezenlijke informatie heeft onthouden is gegrond. De projectanalyse maakt deel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Artikel 7:4, tweede en vierde lid, Awb schrijft het bestuursorgaan de ter inzage legging, respectievelijk het verstrekken van afschriften van deze stukken aan de belanghebbende voor. Het College vindt evenwel aanleiding om dit verzuim met toepassing van het bij artikel 6:22 Awb bepaalde te passeren aangezien de inhoud van de projectanalyse geen reden geeft om te veronderstellen dat appellant door de onbekendheid met de gehele projectanalyse een kans gemist heeft om met succes te pleiten voor een gunstiger besluit dan het door verweerder genomen besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.145 Het CBb heeft op 15 juli 2008 geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Het bezwaar van appellante dat verweerder haar in de bezwaarfase wezenlijke informatie heeft onthouden is gegrond. De zienswijze van de programmacommissie maakt deel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken, die op grond van artikel 7:4, tweede en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door het bestuursorgaan ter inzage gelegd respectievelijk in afschrift verstrekt dienen te worden. Het College vindt evenwel aanleiding om dit verzuim met toepassing van het bij artikel 6:22 Awb bepaalde te passeren, aangezien de inhoud van de zienswijze geen reden geeft om te veronderstellen dat appellante door de onbekendheid met de zienswijze een kans gemist heeft om met succes te pleiten voor een gunstiger besluit dan het door verweerder genomen besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.146 Bij uitspraak van 6 november 2009 heeft het CBb geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts vormt het uiteindelijk alsnog op 22 juni 2009 overleggen van het onderzoeksdossier, gelet op omvang, samenstelling en inhoud daarvan, bezien tegen de achtergrond van de van meet af aan in het procesdossier aanwezige gegevens en mede in aanmerking genomen de brede en relevante manier waarop IMC, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep grieven heeft ontwikkeld en argumenten heeft ontvouwd, geen reden om te komen tot het oordeel dat zij haar recht van (hoger) beroep niet ten volle heeft kunnen benutten. Tenslotte leidt de hiervoor omschreven constatering tot de conclusie dat het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat zij op grond van de (toen) voorhanden stukken tot een voldoende weloverwogen beoordeling ten gronde heeft kunnen komen, achteraf bezien, inhoudelijk juist was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van deze conclusies overweegt het College als volgt. In een procedure waarin een belanghebbende, zoals hier IMC, opkomt tegen een opgelegde boete moet deze in staat worden gesteld om alles aan te voeren wat zij in het belang van haar verdediging noodzakelijk acht. Dat betekent dat wanneer een belanghebbende gemotiveerd uiteenzet dat en waarom hij het van belang acht dat bepaalde stukken die zich onder het bereik van de toezichthouder bevinden, die stukken als op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb moeten worden aangemerkt en dus, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, moeten worden overgelegd, ook als deze volgens de toezichthouder geen rol hebben gespeeld in het besluitvormingsproces dat aan het opleggen van de boete is vooraf gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet uit te sluiten valt immers dat uit die stukken feiten of omstandigheden blijken die in het belang zijn van de verdediging van de belanghebbende. De belanghebbende behoort op dit punt derhalve niet afhankelijk te zijn van een selectie die de toezichthouder zelf maakt uit het geheel van de zich onder zijn bereik bevindende stukken. Het standpunt van AFM dat op basis van de in artikel 48l Wte 1995 vervatte functiescheidingseis alleen de stukken uit het ‘geschoonde’ dossier van de boetefunctionaris als op de zaak betrekking hebbende stukken kunnen worden aangemerkt, kan niet als juist worden aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.147 Bij uitspraak van 13 juli 2011 heeft het CBb geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.4 Het College stelt vast dat verweerster ten behoeve van haar besluitvorming gebruik heeft gemaakt van gegevens aangeleverd door instellingen als, onder meer, het College van Zorgverzekeringen (CvZ), Vektis en CapGemini Consulting. Verweerster heeft deze gegevens, die veelal in rapporten zijn neergelegd, in de onderhavige procedure als op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Daaronder bevinden zich 30 cd-rom bestanden met brondata en berekeningen (bijlagen 263 tot en met 292 bij het verweerschrift).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College is van oordeel dat verweerder daarmee de op de onderhavige zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet is uitgesloten dat voormelde instellingen bij de bewerking van de brongegevens correcties hebben toegepast. Naast de door verweerster gehanteerde en overgelegde gegevens kunnen er derhalve ruwe of ongecorrigeerde brongegevens bestaan. Naar het oordeel van het College staan deze ruwe of ongecorrigeerde brongegevens in een dusdanig verwijderd verband tot de thans in geding zijnde besluitvorming dat verweerster deze niet als op de zaak betrekking hebbende stukken hoefde te overleggen. Dit geldt eveneens voor eventuele onderliggende berekeningen met betrekking tot de ruwe of ongecorrigeerde brongegevens die niet bij verweerster berusten. (…) 6.6.5</p></div>", "next": 239113}