{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Aldus heeft het Hof geen inzicht in zijn gedachtegang gegeven. Niet duidelijk is of de hiervoor in 3.2 vermelde stelling van belanghebbende naar het oordeel van het Hof mede inhield dat tot de door de werkgeefster voor haar rekening te nemen autokosten ook behoren de lasten en afschrijvingen ter zake van de auto. Indien die stelling aldus moet worden opgevat en juist is, zou, anders dan het Hof heeft geoordeeld, het autokostenforfait van artikel 42 van de Wet van toepassing zijn. Immers, doordat - bij dat uitgangspunt - de werkgeefster zich jegens de werknemer zou hebben verbonden alle door hem gemaakte autokosten (in deze ruime zin) onder verrekening van een bijdrage voor privé-gebruik voor haar rekening te nemen, zou belanghebbende in zoverre op één lijn staan met een werknemer aan wie een personenauto ter beschikking is gesteld in de zin van artikel 42, lid 3, van de Wet (HR 19 oktober 1983, nr. 22014, BNB 1984/15, en HR 20 november 1991, nr. 27782, BNB 1992/32).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het Hof dit heeft miskend, berust zijn beslissing tot passeren van het bewijsaanbod op een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, berust die beslissing hetzij op een voorbijgaan aan de mogelijkheid dat de hier bedoelde stelling moet worden opgevat zoals hiervoor vermeld - welke beslissing evenwel nadere motivering behoeft - hetzij op een te beperkte uitleg van het aanbod van getuigenbewijs. Aldus is 's Hofs uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed. In zoverre treft het middel doel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Het middel behoeft verder geen behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.29 Vakstudie-Nieuws heeft bij het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2004 geannoteerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerkend voor de in het belastingrecht geldende vrije bewijsleer is dat de rechter in beginsel vrij is in de keuze en de waardering van de aangeboden bewijsmiddelen. \"In beginsel\" omdat het hem nadrukkelijk niet is toegestaan voorbij te gaan aan een aanbod tot getuigenbewijs. Doet een partij een dergelijk bewijsaanbod, dan moet de rechter in zijn uitspraak duidelijk aangeven waarop het bewijsaanbod betrekking heeft en, als hij dit aanbod passeert, vermelden waarom hij dit doet (HR 7 december 2001, 36 373, BNB 2002/97, V-N 2001/66.19). Algemeen wordt aangenomen dat de Hoge Raad deze relativering van de vrije bewijsleer (mede) baseert op het feit dat de belastingrechtspraak slechts één feitelijke instantie kent. Mogelijk dus dat de Hoge Raad vanaf 1 januari 2005, wanneer ook in belastingzaken een tweede feitelijke instantie zijn intrede doet, op dit punt soepeler zal worden. Daarnaast geldt nog dat de Awb, behoudens een aantal tussenbeslissingen waartegen overeenkomstig de vaste regel van het bestuursprocesrecht niet zelfstandig in beroep kan worden gekomen, niet voorziet in de mogelijkheid van een tussenuitspraak waarin een bewijsopdracht kan worden gegeven (vgl. HR 6 juli 1994, nr. 29 628, BNB 1994/258).</p>\n<p class=\"lf-p\">In HR 23 maart 1988, nr. 24 309, BNB 1988/274, beslist de Hoge Raad dat het hof niet uitsluitend op basis van een prognose een aanbod tot getuigenbewijs van de hand mag wijzen, maar de aannemelijkheid van de getuigenverklaringen pas mag beoordelen nadat deze zijn afgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In HR 25 augustus 1993, nr. 28 487, BNB 1993/301, beslist de Hoge Raad dat het in die zaak aan het hof vrijstaat voorbij te gaan aan het aanbod van belanghebbende tot getuigenbewijs. In het oordeel van het hof ligt namelijk besloten dat getuigenbewijs inzake de juistheid van de door belanghebbende gestelde feiten het hof niet tot een ander oordeel zouden brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bovenstaande zaak lijkt Hof 's-Gravenhage op twee gedachten te hinken. Enerzijds prognosticeert het hof (met belanghebbende) wat de getuigen ieder voor zich zullen verklaren (r.o. 6.5), anderzijds concludeert het hof op voorhand dat ook al zouden de door de getuigen gestelde feiten juist zijn, dit het hof niet tot een andersluidend oordeel zou brengen. Het is precies dit hinken dat de uitspraak van het hof \"cassabel\" maakt (\"Aldus heeft het Hof geen inzicht in zijn gedachtegang gegeven\"). Aan het verwijzingshof thans de taak om vast te stellen wat belanghebbende met zijn aanbod om door middel van getuigenverklaringen nader bewijs te leveren nu precies heeft willen bewijzen en, zo dit aanbod wordt gepasseerd, op welke grond dat dan geschiedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.30 Bij arrest van 6 juni 2008 heeft de Hoge Raad overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middel II strekt onder meer ten betoge dat het Hof ten onrechte het voorwaardelijke aanbod van belanghebbende tot het leveren van getuigenbewijs heeft gepasseerd. In 's Hofs oordeel ligt besloten dat de juistheid van de door belanghebbende gestelde feiten waaromtrent bewijs door de getuige G werd aangeboden, het Hof niet tot een ander oordeel zou brengen. Hiervan uitgaande stond het aan het Hof vrij voorbij te gaan aan het aanbod tot getuigenbewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.31 Bij arrest van 4 maart 2016 heeft de Hoge Raad overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het principale beroep komt met één middel op tegen het in 2.3.2 weergegeven oordeel van het Hof dat het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan intrekking met ingang van 1 januari 2008 van de ANBI-beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de behandeling van het middel wordt vooropgesteld dat artikel 6.33, lid 3, van de Wet de inspecteur uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt om een instelling niet meer als ANBI aan te merken vanaf een tijdstip gelegen vóór de datum van de intrekkingsbeschikking. Van deze mogelijkheid mag de inspecteur gebruik maken tenzij algemene beginselen van behoorlijk bestuur hieraan in de weg staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beantwoording van de vraag of een zodanige situatie zich voordoet heeft het volgende te gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de enkele omstandigheid dat de inspecteur een instelling als ANBI heeft aangemerkt op grond van het ingevulde standaardaanvraagformulier, waarbij onder meer de daarin opgenomen vraag “Dienen de werkzaamheden, feitelijk en volgens de regelgeving van de instelling, voor meer dan de helft het algemeen belang?” met ‘ja’ is beantwoord, kan die instelling niet het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat de inspecteur hiermee een weloverwogen standpunt heeft ingenomen met inachtneming van alle relevante feitelijke gegevens en omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende heeft in dit verband aangevoerd dat de Inspecteur op het tijdstip waarop hij de ANBI-beschikking nam, beschikte over haar financiële jaarstukken over de jaren 2005 en 2006 waaruit haar feitelijke activiteiten zouden blijken. De Inspecteur heeft betwist dat uit bedoelde stukken kan worden afgeleid dat belanghebbendes feitelijke werkzaamheden, anders dan in het aanvraagformulier vermeld, niet voor meer dan de helft het algemeen belang dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft op grond van de brief van 9 februari 2006, de overlegging van vorenvermelde jaarstukken en de afgifte van de ANBI-beschikking geoordeeld dat belanghebbende erop mocht vertrouwen dat de Inspecteur haar weloverwogen en met inachtneming van alle relevante gegevens over haar feitelijke activiteiten als ANBI heeft aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van de betwisting door de Inspecteur dat de overgelegde jaarstukken inzicht bieden in belanghebbendes feitelijke werkzaamheden, is dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel slaagt in zoverre.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.6.1 Het principale middel voor het overige bestrijdt ’s Hofs aan het slot van 2.3.2 weergegeven oordeel dat intrekking met terugwerkende kracht van een ANBI-beschikking uitsluitend mogelijk is indien de instelling kwade trouw kan worden verweten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de tekst van artikel 6.33, lid 3, van de Wet noch uit de totstandkomingsgeschiedenis daarvan volgt dat het tijdstip van intrekking van de ANBI-status van een instelling uitsluitend vóór de datum van dagtekening van de intrekkingsbeschikking kan liggen indien die instelling kwade trouw kan wordt verweten. De uitlating van de Staatssecretaris van Financiën in zijn in onderdeel 5.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal aangehaalde brief, noopt niet tot een andere conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het voorgaande volgt dat het principale middel ook voor het overige terecht wordt voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede middel van het incidentele beroep komt eveneens op tegen het oordeel van het Hof dat een ANBI-beschikking met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken indien de instelling kwade trouw kan worden verweten. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat kwade trouw bij de betrokken instelling niet in de weg kan staan aan toepassing van het vertrouwensbeginsel. Het middel faalt aangezien deze opvatting geen steun vindt in het recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.6.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde middel van het incidentele beroep bevat een herhaling van het door belanghebbende reeds voor het Hof gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel, aan behandeling waarvan het Hof niet is toegekomen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel komt zo nodig na verwijzing alsnog aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feitenrechtspraak 4.32 De Hoge Raad heeft met een beroep op artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie ongegrond verklaard het cassatieberoep tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch van 29 januari 2010 waarin het hof heeft overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van 8 oktober 2003 is de Wet gewijzigd bij Wet van 2 oktober 2003 (Stb. 2003, 378). Als gevolg van deze wetswijziging valt belanghebbendes situatie met ingang van 8 oktober 2003 onder de werking van artikel 6, tweede lid, onderdeel d, onder 10°, van de Wet. De vraag is of de Inspecteur ook voor de periode 8 oktober 2003 tot en met 31 juli 2005 gebonden is gebleven aan het standpunt, met als gevolg dat belanghebbende over de door haar gedurende die periode behaalde EU-omzet geen (Nederlandse) omzetbelasting is verschuldigd. Volgens vaste jurisprudentie geldt als regel dat een wetswijziging een omstandigheid is welke rechtvaardigt dat de Inspecteur niet langer is gebonden aan een standpunt dat hij heeft ingenomen onder vigeur van de regeling van vóór de wetswijziging (zie de arresten van de Hoge Raad van 1 juli 1998, nr. 33 233, onder andere gepubliceerd in BNB 1998/278, en 8 oktober 2004, nr. 39 612, onder andere gepubliceerd in BNB 2005/43).</p>\n<p class=\"lf-p\">Literatuur 4.33 Bergman e.a. hebben geschreven ter zake van aangeboden bewijs:</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft evenwel een daarmee belaste partij aangeboden bewijs van een relevant feit te leveren en heeft zij dit aanbod voldoende geconcretiseerd, dan staat het de rechter niet vrij bij voorbaat onaannemelijk te oordelen dat zij in dat bewijs zal slagen. Eerst nadat de partij in de gelegenheid is gesteld haar bewijsmiddelen over te leggen, c.q. haar getuigen te doen horen, zal de rechter de bewijsmiddelen kunnen, en dan ook moeten, beoordelen. Volgens art. 8:63, tweede lid, Awb kan de rechter (pas) afzien van het horen van een door een partij meegebrachte of opgeroepen getuige of deskundige, indien hij van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Een aanbod tot het leveren van getuigenbewijs mag bovendien niet spoedig worden gepasseerd enkel omdat het onvoldoende gespecificeerd zou zijn; het hof vragen zo nodig opheldering omtrent het aanbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts hoeft in het algemeen niet aangegeven te worden wat de getuigen zouden kunnen verklaren, noch welke personen men als getuigen gehoord wil zien, met dien verstande dat een partij niet zelf als getuige kan worden gehoord. Slechts indien het voorgestelde bewijs voor de te nemen beslissing irrelevant is, of indien het de procedure meer zou ophouden dan redelijk is mag de rechter een bewijsaanbod passeren. Als het bewijsaanbod in een laat stadium van de procedure (bijvoorbeeld pas ter zitting) wordt gedaan, vergt de beslissing op dat aanbod een belangenafweging die in de motivering van de uitspraak tot uitdrukking moet komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34 Feteris heeft geschreven ter zake van de ondervraging van getuigen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen kunnen getuigen naar de zitting meenemen of daartoe oproepen (art. 8:60, vierde lid, Awb). De rechter hoeft een dergelijke getuige niet te horen wanneer diens verklaring niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak (art. 8:63, tweede lid, Awb). Het vereiste van een behoorlijk proces van art. 6 EVRM verlangt dat ook niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.35 Langereis e.a. hebben geschreven ter zake van het aangeboden getuigenbewijs:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de rechtspraak valt af te leiden dat een rechter weliswaar vrij is in de waardering van het aangeboden bewijs, maar niet helemaal vrij is in het passeren van een bewijsaanbod. Dit houdt in dat ingeval een partij aanbiedt een bepaalde stelling te bewijzen, de rechter deze partij niet al te veel in de weg zal mogen leggen, tenzij dit bewijs wordt aangeboden door een meegebrachte getuige of deskundige. In die situatie zal de rechter kunnen afzien van het horen van de getuigen of deskundige, indien hij van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak (art. 8:63, lid 2, Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34 Jansen heeft geschreven ter zake van het vertrouwensbeginsel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet elk gewekt vertrouwen verdient (evenveel) bescherming. Het uitgangspunt is ‘dat de fiscus niet gebonden kan worden geacht aan alle zijnerzijds gedane uitlatingen waardoor bij een belastingplichtige verwachtingen zijn gewekt ten aanzien van een door de fiscus te volgen gedragslijn’. Of de fiscus gebonden is, hangt af van de wijze waarop het vertrouwen is gewekt. In de jurisprudentie van de Hoge Raad is beslist dat aan de volgende uitlatingen c.q. gedragingen van de Belastingdienst onder omstandigheden in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>beleidsregels (zie 3.3.1.1);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>inlichtingen (individueel en algemeen; zie 3.3.1.2);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>expliciete standpuntbepalingen (toezeggingen, akkoordverklaringen, rulings en uitlatingen van bewindslieden; zie 3.3.1.3); en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>impliciete standpuntbepalingen (het volgen van een bepaalde gedragslijn, afhandeling van een controle, voorlopige beslissingen; zie 3.3.1.4).</div>\n<p class=\"lf-p\">De Hoge Raad heeft voor elk van deze uitlatingen c.q. gedragingen verschillende regels ontwikkeld met betrekking tot het aan die uitlating c.q. gedraging te ontlenen vertrouwen. Daarbij staan steeds twee beginselen tegenover elkaar: het legaliteitsbeginsel (hier: het beginsel dat de wet moet worden gevolgd) en het vertrouwensbeginsel. De rechter dient in het concrete aan hem voorgelegde geval deze beginselen aan de hand van de door de Hoge Raad gegeven regels en de omstandigheden van het geval tegen elkaar af te wegen en een antwoord te geven op de vraag welk beginsel in het betreffende geval het zwaarst weegt. (…) 3.3.1.3 Expliciete standpuntbepalingen 3.3.1.3.1 Algemeen Expliciete standpuntbepalingen treffen wij behalve in toezeggingen (zie 3.3.1.3.2) aan in akkoordverklaringen (zie 3.3.1.3.3), in rulings (zie 3.3.1.3.4) en in sommige uitlatingen van bewindslieden (zie 3.3.1.3.5). In plaats van toezegging wordt in recente jurisprudentie meestal gesproken van bewuste standpuntbepaling. De nadruk valt daarmee terecht meer op de inhoud (standpuntbepaling) dan op de vorm (toezegging).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een toezegging of andere expliciete standpuntbepaling onderscheidt zich van een beleidsregel of van (algemene) voorlichting doordat zij is gericht tot één bepaalde belastingplichtige. (…) 3.3.1.3.2 Toezeggingen De Hoge Raad heeft in zijn standaardarrest van 26 september 1979, nr. 19.250, BNB 1979/311, beslist dat bij de afweging van het legaliteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel in het geval van een toezegging aan het vertrouwensbeginsel doorslaggevende betekenis wordt gegeven. De Hoge Raad heeft in dit arrest toezeggingen omschreven als uitlatingen van de zijde van de inspecteur, waaraan een belastingplichtige het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de inspecteur, na kennisneming van alle daartoe vereiste bijzonderheden van het betreffende geval, aan de door hem in acht te nemen regels, voor zover omtrent de toepasselijkheid of de toepassing daarvan vragen zijn gerezen, in zijn geval een bepaalde toepassing zal geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze omschrijving valt af te leiden dat er pas sprake is van een toezegging als de bijzonderheden van het concrete geval aan de orde zijn geweest vóórdat van de zijde van de fiscus een uitspraak is gedaan over een bepaalde toepassing van de fiscale regels. Bij de verstrekking van inlichtingen ter voorlichting van de belastingplichtige zal dat in de regel niet het geval zijn. (…) Van gebondenheid aan een toezegging is volgens de Hoge Raad sprake indien:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>de inspecteur, na kennisneming van alle daartoe vereiste bijzonderheden van het geval van de belastingplichtige, heeft toegezegd aan de wettelijke voorschriften en/of beleidsregels een bepaalde toepassing te zullen geven;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>de door de belastingplichtige verschafte informatie aan de fiscus niet alleen relevant is voor de onderhavige toezegging, maar ook juist is; en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>de gedane toezegging niet zo duidelijk in strijd is met een juiste toepassing van de belastingwet dat de belastingplichtige in redelijkheid niet op nakoming van de toezegging mocht rekenen. (…) 3.3.1.3.5 Uitlatingen van bewindslieden Aan uitlatingen van bewindslieden tijdens het wetgevingsproces kan door belastingplichtigen in de regel geen vertrouwen worden ontleend. Het besprokene tijdens de parlementaire behandeling van een voorstel van wet speelt weliswaar een belangrijke rol bij de rechtsvinding (uitleg van de wet), maar de in dat kader door de betrokken bewindslieden als medewetgever gedane uitlatingen leveren geen grond op voor een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel. Indien daarentegen in het verkeer met de Staten-Generaal uitlatingen door de bewindslieden zijn gedaan, die in de sfeer van de uitvoering van de belastingwet liggen, bijvoorbeeld over het te voeren hardheidsclausulebeleid, kan wel sprake zijn van een toezegging. De belastingplichtigen mogen aan dergelijke algemene, tot hen gerichte uitlatingen vertrouwen ontlenen indien het gaat om een toezegging die voldoende concreet en duidelijk is. Meestal zijn de toezeggingen daarvoor echter niet concreet genoeg. (…) 3.3.2.3 Expliciete standpuntbepalingen 3.3.2.3.1 Intrekking (…) Indien de wet op een of meer essentiële punten is gewijzigd en de belastingplichtige op deze punten niet meer aan de wet voldoet, zal derhalve aan een eerdere bewuste standpuntbepaling geen vertrouwen meer kunnen worden ontleend.</div>\n<p class=\"lf-p\">5Beoordeling van de middelen Eerste middel: aangeboden getuigenbewijs 5.1 Het Hof heeft het getuigenaanbod van belanghebbende gepasseerd. Daartegen is het eerste middel gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 In r.o. 4.10 heeft het Hof geoordeeld dat voorbij wordt gegaan aan het door belanghebbende gedane aanbod om twee personen, waaronder één van de broers, respectievelijk onder ede en schriftelijk, nader te laten verklaren ‘hoe de gelden zijn besteed’, omdat die verklaringen naar hun aard niet kunnen af- of toedoen aan de door belanghebbende in het geding gebrachte administratie en derhalve niet relevant kunnen zijn voor de in dit geding ter beoordeling staande vraag of die administratie aan de wettelijke eisen voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Ik attendeer erop dat ingevolge artikel 8:63, tweede lid, van de Awb een bestuursrechter kan ‘afzien van het horen van door een partij meegebrachte of opgeroepen getuige (…) indien hij van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak’. Dergelijk passeren mag niet lichtvaardig geschieden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het buiten iedere twijfel dient te zijn dat het op die grond niet horen van getuigen aangewezen is. Een rechterlijk college zal specifiek en ordelijk moeten motiveren waarom in een bepaald geval een bewijsaanbod wordt gepasseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Dat het Hof in casu het aangeboden getuigenbewijs heeft gepasseerd, is gebaseerd op het uitgangspunt dat een aanbod tot getuigenbewijs mag worden gepasseerd indien een bepaalde stelling zich niet leent voor bewijslevering door middel van getuigen, c.q. het uitgangspunt dat zelfs indien er vanuit wordt gegaan dat het aangeboden bewijs zal worden geleverd, dit de rechter niet tot een ander oordeel kan brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Ik merk op dat de administratieplicht een zelfstandige verplichting is, waaraan overigens tijdig dient te worden voldaan. Ingevolge artikel 52, eerste lid, onder b, van de AWR is belanghebbende verplicht ‘op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken’. Uit de toelichting gegeven tijdens de parlementaire behandeling van artikel 52 van de AWR volgt dat belanghebbende ‘krachtens het bepaalde in artikel 14 [10, A-G], boek 2, van het Burgerlijk Wetboek verplicht [is] zodanige aantekeningen te houden van [haar] vermogenstoestand dat daaruit [haar] rechten en verplichtingen kunnen worden opgemaakt. Er kan dus van worden uitgegaan, dat niet-belastingplichtige lichamen over bescheiden beschikken waarin hun vermogen, en de mutaties daarin, zijn bijgehouden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 Ingevolge artikel 41a UR IB c.q. artikel 1a UR AWR dient de administratie van belanghebbende zodanig te zijn ingericht dat daaruit duidelijk de aard en de omvang van haar inkomsten c.q. het vermogen blijkt. In de toelichting op artikel 41a van de UR IB staat: ‘Het doel van de regeling moet echter altijd in het oog worden gehouden: het waarborgen dat de door de instelling bijeengebrachte middelen daadwerkelijk en controleerbaar ten behoeve van de - het algemeen nut betreffende - doelstelling worden ingezet’. (…) ‘De administratie van de instelling dient ten slotte ook blijk te geven van de aard en omvang van de inkomsten (van derden ontvangen vermogensbestanddelen, inkomsten uit vermogen en vermogenswinst) en het vermogen van de instelling (onder 3° en 4°). Deze administratieve voorwaarden beogen mogelijk te maken de bestedingen van de instelling te beoordelen op het bestedingscriterium van artikel 41b van deze regeling’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 In casu heeft het Hof geoordeeld dat het niet (tijdig) hebben opgesteld van een adequate administratie heeft mogen leiden tot de intrekking van de anbi-status van belanghebbende. Geconstateerde gebreken in de administratie kunnen naar mijn mening niet (achteraf) worden geheeld doordat, als aangeboden, getuigen verklaren ‘hoe de gelden zijn besteed’. De administratieplicht is een zelfstandige plicht. Indien daaraan niet is voldaan, is belanghebbende in zoverre in gebreke, zodat het wettelijk voorziene gevolg van intrekking van haar anbi-status, kan intreden. Getuigenverklaringen zijn naar hun aard niet geschikt om op grond daarvan te kunnen voldoen aan de administratieplicht. Aan de administratieplicht kan mijns inziens alleen worden voldaan indien de administratie, bestaande uit schriftelijke stukken en andere gegevensdragers, zelf adequaat te achten is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 Het oordeel van het Hof dienaangaande geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel kan, als voldoende gemotiveerd en verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 Daarop stuit het eerste middel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede middel: vertrouwensbeginsel 5.10 Belanghebbendes tweede middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte, althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, heeft geoordeeld dat aan belanghebbende geen beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt. Belanghebbende acht de intrekking van de anbi-status in strijd met het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende en de Inspecteur hebben namelijk per brief van 7 januari 1997 afspraken gemaakt over de administratie van belanghebbende, waaraan belanghebbende zou hebben voldaan. Het middel bevat kennelijk twee klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 De eerste klacht ziet op de (on)mogelijkheid om de anbi-status met terugwerkende kracht in te trekken. Belanghebbende is per 4 juli 2012 ontbonden en per 13 mei 2013 is de anbi-status door de Inspecteur ingetrokken, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 Met ingang van 1 januari 2008 zijn de regels van het anbi-regime aangescherpt. Ingevolge artikel 6:33, derde lid, van de Wet IB (de regeling is per 2012 verplaatst naar artikel 5b, zesde lid, van de AWR en per 2013 verplaatst naar artikel 5b, zevende lid, van de AWR) kan een eerder verleende anbi-status met terugwerkende kracht worden ingetrokken, indien niet (meer) aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13 Ik merk op dat het op zichzelf juist is dat opgewekt vertrouwen, als gebaseerd op een weloverwogen standpuntbepaling van de inspecteur, in de weg kan staan aan intrekking van een anbi-status, al dan niet met terugwerkende kracht. Echter, bij arrest van 4 maart 2016 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een belanghebbende dergelijk vertrouwen niet kan ontlenen aan het feit dat de inspecteur na kennisname van een ingevuld standaardaanvraagformulier, een belanghebbende heeft aangemerkt als anbi. Dit is, anders gezegd, niet aan te merken als het innemen van een weloverwogen standpunt, na kennisneming van alle relevante feitelijke gegevens en omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14 Dat betekent in casu dat aan belanghebbende, tot handhaving van haar anbi-status, geen beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt, waar dat slechts is gebaseerd op de aanvaarding door de Inspecteur van ingezonden aanvraagformulieren en dergelijke. Daarmee faalt de eerste klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15 De tweede klacht is erop gebaseerd dat de Inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden omdat er afspraken zijn gemaakt over de administratieverplichtingen van belanghebbende, waaraan deze zich zou hebben gehouden. Kennelijk stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de voorwaarden waaraan haar administratie zou moeten voldoen met ingang van 1 januari 2008, gelijk zijn aan de voorwaarden die reeds voor die tijd voor haar hebben gegolden, zijnde: a) belanghebbende en de Inspecteur hebben in de brief van 7 januari 1997 ter zake van de administratie van belanghebbende afspraken gemaakt, b) in de statuten van belanghebbende waren bepalingen inzake de administratie van belanghebbende opgenomen, en c) in de toentertijd vigerende wetgeving waren ook voorwaarden gesteld aan de administratie van belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.16 Belanghebbende ziet niet in welke extra verplichtingen het nieuwe wettelijke regime per 1 januari 2008 voor haar teweeg heeft gebracht. In dat verband wordt erover geklaagd dat het Hof niet heeft uitgelegd welke extra administratiefrechtelijke verplichtingen vanaf 2008 voor belanghebbende zouden gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.17 Het Hof heeft in r.o. 4.11.1 overwogen: ‘Het Hof ziet niet in dat de intrekking van de ANBI-status in strijd zou zijn met het vertrouwensbeginsel. Hierbij stelt het Hof voorop dat de afspraken uit 1996 en 1997 waarop belanghebbende zich beroept niet van belang zijn voor de beoordeling van de vraag of belanghebbende met ingang van 1 januari 2008 (al dan niet) terecht als ANBI is aangemerkt. (…) Ten overvloede overweegt het Hof dat, naar de inspecteur terecht heeft aangevoerd, belanghebbende de in de brief van 7 januari 1997 (zie 2.10.1) opgenomen afspraak dat “een administratie van de uitgaven in Brazilië en Paraguay zal worden bijgehouden” niet is nagekomen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.18 Dienaangaande zou ik willen wijzen op de arresten van de Hoge Raad van 1 juli 1998 en 30 september 2011. Blijkens dit arrest was Hof Den Bosch terecht gekomen tot het oordeel: ‘Volgens vaste jurisprudentie geldt als regel dat een wetswijziging een omstandigheid is welke rechtvaardigt dat de inspecteur niet langer is gebonden aan een standpunt dat hij heeft ingenomen onder vigeur van de regeling van vóór de wetswijziging (…)’. Dat doet zich naar mijn mening in casu voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.19 Overigens komt het mij voor dat de Inspecteur hier zorgvuldig te werk is gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.20 Ik merk op dat in cassatie niet is aangevoerd dat de intrekking van de anbi-status met terugwerkende kracht tot 2008 in strijd zou zijn met het vertrouwensbeginsel vanwege toezeggingen die de inspecteur heeft gedaan in de brief van 16 mei 2012. Dit was wel gesteld bij het Hof (zie r.o. 4.5). Voorts zijn ter onderbouwing van het tweede middel niet aangevoerd de brieven van de inspecteur van 26 oktober 2012 en van 22 april 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.21 Bij brief van 16 mei 2012 heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd dat belanghebbende niet voldeed aan artikel 41a, eerste lid, onder 1, van de UR IB. Over de mogelijke intrekking van de ANBI status met terugwerkende kracht heeft de Inspecteur opgemerkt: ‘Vanzelfsprekend dient de administratie vanaf heden (naast de nog op te stellen administratie over de jaren 2008 tot en met 2011) aan alle regelgeving te voldoen, wil men de ANBI-status behouden. In de maand februari 2013 zal opnieuw een boekenonderzoek worden belegd waarbij deze afspraak wordt gecontroleerd. Indien bij dit te plannen boekenonderzoek geconcludeerd moet worden dat de administratie niet voldoet, of er niet wordt voldaan aan andere ANBI-voorwaarden heeft dit gevolgen voor de ANBI-status van [belanghebbende]. Intrekking van de ANBI-status zal dan (mogelijk met terugwerkende kracht) plaatsvinden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.22 Voorts heeft de Inspecteur bij brief van 26 oktober 2012 belanghebbende geïnformeerd: ‘Uiterlijk begin februari 2013 dient er een deugdelijke financiële verantwoording van de transacties in Brazilië en Paraguay aanwezig te zijn voor controle. Er dient tevens een complete, doorgrondbare administratie van [belanghebbende] aanwezig te zijn over de jaren 2008 tot en met 2011. Deze complete administratie, bestaande uit jaarstukken, grootboek en alle onderliggende bescheiden dien ik binnen een redelijke termijn te kunnen doorgronden. Indien deze administratie niet uiterlijk begin februari 2013 voorhanden is dan wel niet voldoende inzichtelijk is, vindt intrekking van de ANBI-status met terugwerkende kracht naar 1 januari 2008 plaats.’ 5.23 Op een en ander stuit ook de tweede klacht af, zodat het tweede middel niet tot cassatie kan leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde middel: administratieplicht van artikel 52 van de AWR 5.24 Met het derde middel wordt opgekomen tegen ’s Hofs in r.o. 4.8.2. gegeven oordeel: ‘De inspecteur heeft onbetwist aangevoerd dat belanghebbende vanaf 1 januari 2008 tot aan de controle van de Belastingdienst geen jaarstukken opstelde en ook overigens geen enkele administratie voerde. Hieruit volgt dat belanghebbende vanaf die datum niet heeft voldaan aan de eisen die volgen uit artikel 52 AWR en de toepasselijke bepalingen in de Uitvoeringsregeling, respectievelijk de UR AWR’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.25 Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de reikwijdte van de administratieplicht niet artikel 52 van de AWR relevant is, maar uitsluitend de voorwaarden neergelegd in de artikelen 41a, 41b, 41c van de Uitvoeringsregeling AWR.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.26 Belanghebbende klaagt erover dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld ‘dat de vraag of belanghebbende aan haar administratieplicht heeft voldaan, uitsluitend beoordeeld dient te worden aan de hand van artikel 52 AWR’. Ik merk op dat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende moet voldoen aan zowel de voorwaarden gesteld in de artikelen 41a, 41b en 41c van de UR AWR als aan de voorwaarden gesteld in artikel 52 van de AWR. Dus niet uitsluitend aan de artikelen 41a, 41b, 41c van de Uitvoeringsregeling AWR. Waar de klacht uitgaat van een andere lezing, mist die feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.27 Naar mijn mening is artikel 52 van de AWR hier wel van toepassing; als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.28 In artikel 52 van de AWR is bepaald dat administratieplichtigen zijn: lichamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.29 In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de AWR is bepaald dat ‘Deze wet verstaat onder: lichamen: verenigingen en andere rechtspersonen (…)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.30 In artikel 2:3 van het BW is bepaald: ‘Verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en stichtingen bezitten rechtspersoonlijkheid’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.31 Daaruit volgt dat ook een stichting, zoals belanghebbende, een administratieplichtige is in de zin van artikel 52 van de AWR.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.32 Het derde middel strandt aldus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde middel: administratie van belanghebbende 5.33 Het vierde middel komt op tegen het in r.o. 4.8.2 gegeven oordeel ‘De inspecteur heeft onbetwist aangevoerd dat belanghebbende vanaf 1 januari 2008 tot aan de controle van de Belastingdienst [cursivering toegevoegd, A-G] geen jaarstukken opstelde en ook overigens geen enkele administratie voerde.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.34 Belanghebbende klaagt erover dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld ‘dat belanghebbende geen enkele administratie zou hebben gevoerd’. Ik merk op dat het oordeel van het Hof in tijd is beperkt tot de periode vanaf 1 januari 2008 tot de controle van de belastingdienst, die blijkens r.o. 2.26 van het Hof op 7 november 2011 heeft plaatsgevonden. Het komt mij voor dat het oordeel van het Hof inhoudt dat belanghebbende in de periode tussen 1 januari 2008 en 7 november 2011 geen jaarstukken heeft opgesteld en overigens ook geen enkele administratie voerde.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.35 Belanghebbende heeft ter onderbouwing van het vierde middel gewezen op a) r.o. 2.29, b) r.o. 2.30.1 tot en met r.o. 2.30.6 en c) r.o. 2.43, 2.44.1 en 2.44.2. Mijns inziens volgt uit deze rechtsoverwegingen juist dat het vierde middel van belanghebbende niet kan slagen; als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.36 De in r.o. 2.29 van het Hof geciteerde brief van 19 december 2011 van belanghebbende aan de Inspecteur, vind ik eerder steun bieden aan het bestreden Hofoordeel, waar belanghebbende aan de Inspecteur heeft geschreven: ‘Verder zijn er ook geen jaarstukken van [belanghebbende] opgesteld. Indien u dat nodig acht, kunnen deze stukken alsnog worden opgesteld’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.37 Mijns inziens impliceert r.o. 4.8.2 van het Hof dat de in r.o. 2.30.1 tot en met 2.30.6 genoemde overgelegde en aldaar vermelde bijlagen, bestaande uit e-mails, een verklaring, akten van schenking en ‘Overzichten [C]’, niet zijn aan te merken als een adequaat te achten administratie, in de zin van artikel 52 van de AWR en de artikelen 41a, 41b, 41c van de Uitvoeringsregeling AWR. Dit oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.38 In r.o. 2.43 heeft het Hof een brief van belanghebbende aan de Inspecteur van 14 februari 2013 geciteerd, waarin met betrekking tot belanghebbende staat: ‘Als bijlage voegen wij de ondertekende jaarstukken 2006 tot en met 2012 toe’. In de brief is ten aanzien van de Associaçao opgenomen: ‘U heeft reeds de jaarrekening 2007 en 2008 en de grootboekkaarten 2008 van de Associaçao Beneficente [FF] (…) van ons ontvangen’. In r.o. 2.44.1 en 2.44.2 zijn details van de jaarstukken weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.39 Aangezien de brief gedateerd is op 14 februari 2013 (dat is ná de in geschil zijnde periode), kan deze brief mijns inziens niet afdoen aan het oordeel van het Hof dat belanghebbende in de periode tussen 1 januari 2008 en 7 november 2011 geen jaarstukken heeft opgesteld en overigens ook geen enkele administratie voerde. Voorts impliceert de in geschil zijnde overweging van het Hof dat de overgelegde jaarrekening 2007 en 2008 en de grootboekkaarten 2008 van Associaçao niet kunnen worden aangemerkt als een adequaat te achten administratie van belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.40 Een en ander betekent dat het vierde middel het lot van de voorgaande moet delen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Gerechtshof Amsterdam 5 juli 2016, nr. 15/00085, ECLI:NL:GHAMS:2016:2781, V-N 2016/46.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: Hierin is een (achterliggend) heffingsbelang voor de inkomstenbelasting gelegen, bij (behoud van) de anbi-status van belanghebbende; ook na haar ontbinding, per 4 juli 2012, voor het verleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit was initieel de inspecteur verbonden aan Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen [Q] , naderhand de inspecteur van de Belastingdienst/ [S] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn meestal zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. Witregels worden soms weggelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 5 juli 2016, nr. 15/00085, ECLI:NL:GHAMS:2016:2781, V-N 2016/46.1.1. De door het Hof vastgestelde feiten zijn in deze conclusie uitvoeriger weergegeven, waar in het beroepschrift in cassatie wordt verwezen naar door het Hof vastgestelde feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Noord-Holland 23 januari 2015, nr. HAA 13/4857, ECLI:NL:RBNHO:2015:257, FutD 2015/0240.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Noord-Holland 23 januari 2015, nr. HAA 13/4857, ECLI:NL:RBNHO:2015:257, FutD 2015/0240.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 5 juli 2016, nr. 15/00085, ECLI:NL:GHAMS:2016:2781, V-N 2016/46.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 5 juli 2016, nr. 15/00085, ECLI:NL:GHAMS:2016:2781, V-N 2016/46.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: het Hof wijst hiermee op de wet- en regelgeving weergegeven in het citaat van 2.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie 4.31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie r.o. 3, 7, 9 en 10 van de Rechtbank zoals opgenomen in 2.7 en 2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1985/86, 19 393, 5, p. 1 en 4 (Memorie van Antwoord).</p>\n<p class=\"lf-p\">Fiscale Encyclopedie De Vakstudie, Administratie commentaar op de Algemene wet bestuursrecht, artikel 52, aantekening 3.1 De administratieplichtige. Het commentaar is bijgewerkt tot en met 2 februari 2017. Online geraadpleegd op 14 februari 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 006, 2 (Voorstel van wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijziging Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 en Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2007, 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2012, 12737.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 139 (Memorie van Toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1997/98, 25 175, 5, p. 17-18 (Nota naar aanleiding van het Verslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Fiscale Encyclopedie De Vakstudie, Door partijen ingeschakelde getuigen en deskundigen; commentaar op de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:63, aantekening 3.1 Redelijkerwijs geen bijdrage aan de zaak. Het commentaar is bijgewerkt tot en met 10 februari 2017. Online geraadpleegd op 14 februari 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 23 maart 1988, nr. 24 309, ECLI:NL:HR:1988:ZC3796, BNB 1988/274 met noot Scheltens. Zie ook: Hoge Raad 29 mei 2009, nr. 43 816, ECLI:NL:HR:2009:BI5113, BNB 2009/173 en Hoge Raad 4 januari 1989, nr. 25 921, ECLI:NL:HR:1989:ZC3964, BNB 1989/60 waarin de Hoge Raad daadwerkelijk het begrip ‘prognose’ gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 18 juli 1989, nr. 25 726, ECLI:NL:HR:1989:ZC4086, BNB 1989/261.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 18 september 1991, nr. 27 554, BNB 1991/308.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 25 augustus 1993, nr. 28 487, BNB 1993/301.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 1 juli 1998, nr. nr. 33 233, ECLI:NL:HR:1998:AA2327, BNB 1998/278 met noot Zwemmer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 13 september 2000, nr. 35 466, ECLI:NL:HR:2000:AA7072, V-N 2000/45.9 met noot Kluwer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 3 mei 2002, nr. 36 836, ECLI:NL:HR:2002:AE2248, BNB 2002/217. Vgl. HR 12 november 1997, nr. 32 681, ECLI:NL:HR:1997:AA3303, BNB 1997/410.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 5 december 2003, nr. 39 133, ECLI:NL:HR:2003:AN9566, BNB 2004/88. Zie bijvoorbeeld ook: Hoge Raad 12 maart 1997, nr. 31 753, ECLI:NL:HR:1997:AA2124, BNB 1997/231 met noot Happé, Hoge Raad 7 december 2001, nr. 36 373, ECLI:NL:HR:2001:AD6776, BNB 2002/97 met noot Van Vijfeijken en Hoge Raad 28 mei 2004, nr. 39 269, ECLI:NL:HR:2004:AP0229, BNB 2004/250.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 28 mei 2004, nr. 39269, ECLI:NL:HR:2004:AP0229, BNB 2004/250.</p>\n<p class=\"lf-p\">V-N 2004/42.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 6 juni 2008, nr. 07/10781, ECLI:NL:HR:2008:BD3138, V-N 2008/28.6 met noot Kluwer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 4 maart 2016, nr. 14/05821, ECLI:NL:HR:2016:354, BNB 2016/107.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 30 september 2011, nr. 10/00976, ECLI:NL:HR:2011:BT5868, NTFR 2011/2187.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Bosch 29 januari 2010, nrs. 08/00519 en 08/00520, ECLI:NL:GHSHE:2010:BM2890.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.M. Bergman e.a., Fiscaal procesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 120-121.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 373.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Langereis e.a., Procesrecht in belastingzaken, Deventer: Kluwer 2015, p. 217.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.G.M. Jansen, Beginselen van behoorlijk bestuur in het belastingrecht, Den Haag: SDU 2013, p. 71, 72, 77, 78, 81 en 91.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: de auteurs verwijzen in een voetnoot bij dit citaat onder andere naar het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 1998, nr. 33 233, BNB 1998/278 (zie 4.24) en naar de uitspraken van het Hof Den Bosch van 29 januari 2010, nrs. 08/00519 en 08/00520 (zie 4.32) inclusief de ongegrond verklaring door de Hoge Raad van het tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch ingestelde cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 3.3 en 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.16. Op grond van artikel 8:108 van de Awb is artikel 8:63 van de Awb van overeenkomstige toepassing op de belastingprocedure in hoger beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.23 en 4.30. Zie voor overige uitgangspunten voor passeren mijn conclusie van 13 september 2016, nr. 15/05839, ECLI:NL:PHR:2016:954 bij Hoge Raad 16 december 2016, nr. 15/05839, ECLI:NL:HR:2016:2860.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de behandeling van het derde cassatiemiddel in 5.23 tot en met 5.31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.11 en 4.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 3.5 en 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.6 tot en met 4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.32.</p>\n<p class=\"lf-p\">In cassatie is niet aangevoerd dat de intrekking van de anbi-status met terugwerkende kracht tot 2008 in strijd zou zijn met het vertrouwensbeginsel vanwege toezeggingen die de inspecteur heeft gedaan in de brief van 16 mei 2012. Dit was wel gesteld bij het Hof (zie r.o. 4.5). Voorts zijn ter onderbouwing van het tweede middel niet aangevoerd de brieven van de inspecteur van 26 oktober 2012 en van 22 april 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 3.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 3.7 en 3.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 3.9 en 3.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 2.12.</p></div>", "next": 0}