{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In het subonderdeel in randnummer 2.4.3-V wordt verdedigd dat het hof de vrouw bij tussenbeschikking in de gelegenheid had moeten stellen om de resultaten van het onderzoek van de Russische notaris en mr. Caplan in het geding te brengen. Daartoe verwijst de vrouw naar een passage in de pleitnota van mr. Kaandorp voor de mondelinge behandeling van 14 januari 2016 waarin zij aanbiedt om bankafschriften uit Schotland in het geding te brengen. Ook in zoverre faalt de klacht. Uit rechtspraak van Uw Raad volgt namelijk dat van partijen mag worden verlangd dat zij relevante stukken zelf in het geding brengen en dat de rechter partijen daartoe niet in de gelegenheid behoeft te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.76 Volgens het subonderdeel in randnummer 2.4.3-VI zou het hof ook in rov. 4.14.(ii). hebben miskend dat het de man is die inzage dient te verschaffen. Het hof zou in dat licht ten onrechte hebben overwogen dat de vrouw aan de getuigenverklaringen geen bewijs kan ontlenen. Het subonderdeel faalt in zoverre op de gronden genoemd in randnummers 3.45 en 3.67. Verder heeft het hof volgens dit subonderdeel miskend dat de vrouw bij de nadere toelichting bewijs heeft aangeboden van het bestaan van (nog) een eurorekening beginnend met 4260 en eindigend op 015. Deze klacht faalt. Van de partij die de bewijslast draagt, mag volgens rechtspraak van Uw Raad in hoger beroep een gespecificeerd bewijsaanbod worden verlangd. De vrouw heeft echter niet toegelicht welke concrete feiten en omstandigheden zij zou willen bewijzen die het bestaan van de genoemde rekening (kunnen) onderbouwen. Het hof heeft het bewijsaanbod daarom als onvoldoende specifiek mogen passeren. Tot slot wordt betoogd dat het hof pagina’s 1 tot en met 12 van de nadere toelichting in dit verband onbesproken laat. Deze klacht faalt aangezien niet wordt vermeld welke concrete (essentiële) stellingen het hof zou hebben gepasseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.77 Het subonderdeel in randnummer 2.4.3-VII richt zich tegen de overwegingen van het hof in rov. 4.14.(ii). dat het enkele feit dat op de via de Russische notaris verkregen bankafschriften een nummer voorkomt met de eindcijfers 0000 onvoldoende is om te aanvaarden dat de man bij de Gazprombank een euro- of dollarrekening bezit en dat hetzelfde geldt als daarbij wordt betrokken de omstandigheid dat op de ABN Amro-rekening vanuit Rusland een rond bedrag groot € 100.000,- is ontvangen. De vrouw voert aan dat het hof ook had moeten ingaan op de door haar aangevoerde stellingen: (1) dat de tegenrekening bij ABN Amro een 4260 rekening was en dat van de -181 rekening 2 miljoen roebel is afgeschreven hetgeen net iets meer is dan wat er aan euro’s in een rond bedrag werd ontvangen en (2) dat de man naast een roebelrekening bij Gazprombank eindigend op -180 tenminste een tweetal (euro)rekeningen aldaar moet hebben gehad met als beginnummer 4260, waarvan er één eindigde op 000 en de ander op 015. Ook in zoverre faalt de klacht. In de klacht worden namelijk geen concrete feiten en omstandigheden genoemd waaraan het hof de gevolgtrekking had kunnen of moeten verbinden dat de man op de peildatum een euro- of dollarrekening bij Gazprombank zou hebben gehad. Ditzelfde geldt voor de verwijzing naar de verklaring van Gazprombank, die vertaald is geciteerd op pagina 8 van de nadere toelichting, aangezien deze verklaring de stand van zaken op 2 maart 2015, en dus niet op de peildatum, omschrijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.78 Het subonderdeel in randnummer 2.4.3-VIII betoogt het volgende: ‘Eveneens is onbegrijpelijk het oordeel van het hof in rovv 4.14 (iii) en iv) met betrekking tot de bonussen in het licht van hetgeen de vrouw gesteld heeft in het appelschrift en het aanvullend appelschrift (en de media verwijzingen, mede ook de door Bauke van der Meer gemaakte verwijzing naar de woordvoerder van Zenit, zie in dit verband onder meer voetnoot 68 tot en met 70), in samenhang met hetgeen door haar naar voren is gebracht in de brief na getuigenverhoor van 6 mei 2016.’ Subonderdeel D(3) van het aanvullend verzoekschrift voegt daaraan toe dat de vrouw blijkens p. 6-9 van het proces-verbaal ook ter zitting uitvoerig heeft betoogd dat en waarom er meer bankrekeningen moeten zijn. Ook deze klachten bevatten geen verwijzingen naar concrete stellingen die het oordeel van het hof onjuist of onbegrijpelijk maken. De klachten treffen dus geen doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.79 Het subonderdeel in randnummer 2.4.3-IX bevat een voortbouwende klacht tegen het passeren van het bewijsaanbod in rov. 4.14.(iv). Het subonderdeel bevat geen zelfstandige klacht en faalt daarom op de voornoemde gronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.80 Het subonderdeel van randnummer 2.4.3 en de subonderdelen D(1) en D(2) falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.81 Het subonderdeel van randnummer 2.4.4 komt op tegen de beslissingen in rov. 4.15.-4.17. In die overwegingen is geoordeeld dat de vrouw het hof er niet van heeft overtuigd dat er op de peildatum meer vermogen was dan uit de overge-legde bescheiden blijkt en de stelling verworpen dat de man gelden in Schotland en/of Engeland zou achterhouden. Het subonderdeel bevat vijf klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.82 Het subonderdeel in randnummer 2.4.4-I behelst een voortbouwende klacht. Het subonderdeel betoogt dat het hof ook in rov. 4.15.-4.17. heeft miskend dat het aan de man is om voldoende inzicht te geven in het door hem gevoerde beheer en dat het niet aan de vrouw is om te stellen en te bewijzen dat er op de peildatum meer vermogen was dan de man stelt en er op de man een verzwaarde stelplicht van de tot zijn domein behorende stukken rust. Dit subonderdeel faalt op de hiervoor in randnummers 3.45 en 3.67-3.68 genoemde gronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.83 Het subonderdeel in randnummer 2.4.4-II bevat opnieuw de klacht dat de volmachtverlening de man niet ontslaat van zijn informatieverplichting en zijn verzwaarde stelplicht. Verder herhaalt het subonderdeel de klacht dat de man in het licht van de reconstructie van mr. Hoekstra inzichtelijk moet maken waaraan hij de bedragen heeft uitgegeven. De klachten missen doel om de hiervoor in randnummers 3.42 en 3.62-3.63 genoemde redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.84 Het subonderdeel in randnummer 2.4.4-III verdedigt dat het hof ten onrechte de essentiële stelling zou hebben gepasseerd dat de volmacht van mr. Caplan niet bruikbaar zou zijn geweest. De vrouw heeft in dat kader gewezen op haar stelling dat de volmacht zou neerkomen op een ‘kattenbel’ met een enkele handtekening van de man eronder zonder dat deze was opgemaakt door een notaris en was voorzien van een apostille en dat de vrouw er daarom niets mee kon. Volgens de vrouw zou de man deze stelling slechts in algemene termen hebben weersproken. Ook deze klacht faalt. De vrouw heeft namelijk geen concrete stellingen betrokken of stukken overgelegd waaruit volgt dat de volmacht van mr. Caplan daadwerkelijk is geweigerd of onbruikbaar was. Verder staat het betoog haaks op de onbestreden vaststelling van het hof in rov. 4.17. dat uit het verrichte onderzoek is gebleken van het bezit van de man bij EBT.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.85 Het subonderdeel in randnummer 2.4.4-IV richt zich tegen de overwegingen met betrekking tot het uitgavenpatroon van de man. Het subonderdeel betoogt in dat kader opnieuw dat het hof de reconstructie van mr. Hoekstra niet buiten beschouwing had mogen laten. In dat kader is erop gewezen dat mr. Hoekstra in de reconstructie heeft aangegeven (i) dat het (conservatief berekende) huwelijkse inkomen van € 13.850.000,- is gebaseerd op de eigen uitlatingen van de man in zijn autobiografie, (ii) dat bij de reconstructie is uitgegaan van een bestedingspatroon van 25%, zijnde € 30.000,- per maand, dat de man die stelling niet voldoende heeft betwist en dat uit de afschriften uit de Schotse periode inderdaad blijkt van een maandelijkse consumptie van € 30.000,- en (iii) dat er geen rekening is gehouden met bonussen, overwaardes, aanvullende inkomsten uit reclames en uit het Trustfund alsmede bijstortingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze klacht faalt op de gronden die zijn genoemd in randnummer 3.51. Tussen partijen is niet in geschil dat dure goederen zijn gekocht en dat de man zich in zijn Russische periode heeft uitgeleefd in drank, drugs en vrouwen. Het is daarom niet onaannemelijk dat het uitgavenpatroon hoger zal hebben gelegen dan de in de reconstructie aangehouden ‘redelijke uitgavencomponent’. Daarin ligt dus ook een betwisting van de reconstructie van mr. Hoekstra besloten. De vrouw beklaagt zich in dit subonderdeel voorts nog over het feit dat de door haar in het kader van de incidentele vordering gestelde vragen niet door het hof zijn behandeld. Ook die klacht slaagt niet. Het hof heeft namelijk in rov. 4.28. terecht en op zich onbestreden geoordeeld dat het stellen van vragen niet onder het bereik van (een incidentele vordering op de voet van) art. 843a Rv valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof behoefde daarom niet in te gaan op de in dat kader door de vrouw voorgelegde vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.86 Het subonderdeel in randnummer 2.4.4-V komt op tegen de overweging van het hof in rov. 4.15 met betrekking tot de stelling over het uitblijven van protest van de man na het overhevelen van grote bedragen naar de rekening van de vrouw in 2009. Het hof heeft dienaangaande overwogen dat de man heeft uiteengezet dat hij niet heeft geprotesteerd omdat hij dacht dat het tussen de vrouw en hem nog wel goed zou komen. Het hof heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat deze door de vrouw aangevoerde omstandigheid minder gewicht in de schaal legt dan zij wil. Het subonderdeel acht die overweging onbegrijpelijk. Daartoe wordt erop gewezen dat de man heeft aangedrongen op een snelle uitspraak van de echtscheiding. De klacht faalt. Op het laatstbedoelde moment had de vrouw immers al het verzoek tot echtscheiding ingediend en was het dus (voor de man) duidelijk dat het niet meer goed zou komen. Verder wordt gewezen op de omstandigheid dat de man tegen de alimentatievordering heeft aangevoerd dat de vrouw na scheiding en deling zou kunnen leven van de opbrengsten van het vermogen. De vrouw heeft zich (voor zover uit het verzoekschrift blijkt) in feitelijke instanties in het kader van de verdeling niet op die stelling beroepen. Dit betekent dat het hof ook niet op die stelling behoefde in te gaan. Het subonderdeel van randnummer 2.4.4-V slaagt dus evenmin. Het subonderdeel van randnummer 2.4.4 is daarom vergeefs voorgesteld. Dit betekent dat onderdeel 4 in het geheel geen doel treft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.87 Het subonderdeel van randnummer 2.5 richt zich tegen de beslissingen in rov. 4.25. In die overweging is kort gezegd geoordeeld dat er geen aanleiding is om af te wijken van het uitgangspunt dat moet worden gekeken naar hetgeen partijen op de peildatum bezaten en dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld voor de veronderstelling dat de aanwezige afschriften onjuist zouden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.88 Het subonderdeel van randnummer 2.5.1 betoogt (opnieuw) dat het hof met dit oordeel zou hebben miskend dat het aan de man is om ter zake voldoende informatie te geven, dat op hem een verzwaarde stelplicht rustte en dat het hof zou zijn uitgegaan van een onjuiste verdeling van de stelplicht en bewijslast op dit punt. Dit subonderdeel faalt op de hiervoor in randnummers 3.45 en 3.67-3.68 genoemde gronden. Het subonderdeel van randnummer 2.5.1 slaagt dus niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling van een drietal aanvullende grondslagen 3.89 Het subonderdeel van randnummer 2.5.2 en het onderdeel van randnummer 2.6 betogen dat het hof een drietal grondslagen ten onrechte onbehandeld zou hebben gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.90 Het subonderdeel van randnummer 2.5.2 betoogt in de eerste plaats dat het hof het beroep op een afwijking van de verdeling bij helfte op grond van de redelijkheid en billijkheid ex art. 1:100 BW onbehandeld zou hebben gelaten. Deze klacht faalt op de gronden genoemd in randnummers 3.54-3.55 hiervoor. De vrouw heeft ter onderbouwing van het beroep op art. 1:100 BW slechts aangevoerd dat een andere verdeling gezien het bestedingsgedrag van de man redelijk zou zijn. Zoals gezegd kan die stelling, ook indien juist, niet het oordeel dragen dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de man zich jegens de vrouw beroept op een verdeling bij helfte.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.91 Verder bepleit het subonderdeel van randnummer 2.5.2 dat het hof ten onrechte niet zou hebben beslist op het beroep van de vrouw op art. 1:164 BW (schadevergoeding bij benadeling van de huwelijkse gemeenschap) en art. 6:162 BW (onrechtmatige daad). Deze klacht faalt eveneens. De vrouw heeft voor het eerst in de nadere toelichting een beroep gedaan op art. 1:164 BW en op art. 6:162 BW als grondslagen van de vordering. Verder heeft de vrouw voor het eerst in de nadere toelichting verzocht te bepalen dat de man schadevergoeding dient te betalen (hiervoor 3.23). Dit betekent dat in zoverre sprake is van een eisvermeerdering. Het hof heeft in rov. 4.5. geoordeeld dat de nadere toelichting buiten beschouwing blijft voor zover dit stuk een uitbreiding c.q. vermeerdering van de eis inhoudt. Naar mijn mening is de klacht tegen dat oordeel vergeefs voorgesteld (hiervoor 3.22). Dit betekent dat het hof niet inhoudelijk behoefde te beslissen op het beroep op art. 1:164 BW en op art. 6:162 BW. Dit betekent dat het subonderdeel van randnummer 2.5.2 vergeefs is voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.92 Onderdeel 5 treft daarom geen doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.93 Het onderdeel van randnummer 2.6 meent dat het hof zou hebben verzuimd te oordelen over de verdeling van de eenmanszaak en een Belgische, Nederlandse en twee Duitse bankrekeningen. Deze klacht slaagt evenmin. Ik licht dit toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.94 Voor wat betreft de Belgische en Nederlandse bankrekening heeft de vrouw zich beroepen op de volgende stellingen op pagina 36 van het appelschrift: “De man beschikte op de peildatum tenminste nog over 1 bankrekening in België (hij was inmiddels aldaar woonachtig) bij de Citibank onder nummer [002] . Graag zou de vrouw zien, dat de man op dit punt (inzichtelijk maken van alle door hem aangehouden rekeningen in België op de peildatum) tot bewijslevering wordt verplicht, waarvan akte! De vrouw komt een beroep toe op het bepaalde ex artikel 3:194 lid 2 BW. Dit houdt meer concreet in, dat alle bij de Citibank België op de peildatum aanwezige banktegoeden aan de vrouw dienen te worden verbeurd (…). Los van dit alles heeft de vrouw inmiddels ook vernomen dat de man op de peildatum nog beschikte over 1 of meerdere privérekeningen bij de ING bank. De vrouw verzoekt uw gerechtshof de man ook op dit punt tot (tegen)bewijslevering te verplichten, waarvan akte!” Met betrekking tot de Duitse bankrekeningen heeft de vrouw erop gewezen dat zij op pagina 10 van de nadere toelichting in appel nog een tweetal (tot dat moment onbekende) bankrekeningen (bij Commerzbank en Deutsche bank) heeft benoemd en daarvan bewijs heeft overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.95 Uit het vorenstaande volgt dat de vrouw met betrekking tot een Belgische rekening bij Citibank en een Nederlandse ING-rekening aan het hof verzocht om de man te verplichten tot nadere bewijslevering en om te bepalen dat de vrouw een beroep toekomt op het bepaalde in art. 3:194 lid 2 BW. De vrouw heeft geen verdeling van deze bankrekeningen gevorderd. In het appelschrift wordt weliswaar verzocht om in algemene zin verdeling van de banksaldi per peildatum (petitum sub 11, subsidiair), maar niet gesteld is welke saldi op de genoemde Belgische rekening bij Citibank en de Nederlandse ING-rekening zouden staan. De man heeft het bestaan van de rekeningen betwist (voorgedragen verweerschrift, randnummer 138).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het heeft in de beschikking tot uitdrukking gebracht waarom er naar zijn oordeel geen grond is voor een omkering van de bewijslast (rov. 4.14.(i).) of voor de toepassing van art. 22 Rv (rov. 4.28.). Het verzoek van de vrouw om de man te verplichten tot nadere bewijslevering met betrekking tot de Belgische en Nederlandse bankrekening is daarmee niet miskend, maar naar mijn mening op toereikende gronden (voor wat betreft art. 22 Rv: randnummers 3.34-3.35 en 3.51 hiervóór en voor de verdeling van de bewijslast: randnummers 3.67-3.68 hiervóór) verworpen. Daarom kan in rechte niet worden uitgegaan van het bestaan van de rekeningen. Het hof was bij deze stand van zaken niet gehouden de gestelde Belgische rekening bij Citibank en Nederlandse rekening bij ING in de verdeling te betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zoverre treft het subonderdeel van randnummer 2.6 dus geen doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.96 Voor wat betreft twee rekeningen bij de Duitse Commerzbank geldt het volgende. De nadere toelichting bevat een passage waarin is gesteld dat de man op de peildatum rekeningen bij de Commerzbank aanhield (pagina 10, derde alinea). Het hof heeft deze nadere toelichting echter geweigerd (rov. 4.5.) en de tegen die overweging gerichte klacht treft naar mijn mening geen doel (randnummer 3.20 hiervóór). Het hof heeft de vrouw wel toegestaan om de nadere toelichting ter zitting voor te dragen. De vrouw heeft de nadere toelichting daarop gedeeltelijk als pleitnota voorgedragen. De niet voorgedragen gedeelten zijn door het hof in de pleitnota weggestreept (rov. 4.5.). De passage met betrekking tot de Commerzbank is doorgehaald. Dit betekent dat deze passage ter zitting niet is voorgedragen en derhalve geen deel uitmaakt van de rechtsstrijd. Het hof behoefde om die reden niet te responderen op de passage uit de nadere toelichting over rekeningen bij de Commerzbank. Ook in zoverre is het onderdeel van randnummer 2.6 dus vergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.97 Voor wat betreft het verzoek om de eenmanszaak te verdelen, heeft de vrouw in cassatie gewezen op de volgende passages uit haar processtukken. In het appelschrift heeft zij verzocht de eenmanszaak aan de man toe te scheiden onder verbeurte van de waarde van de eenmanszaak aan de vrouw, zijnde een bedrag ad € 225.000, althans een door het gerechtshof in goede justitie te bepalen bedrag, althans subsidiair bij helft te verdelen (petitum sub 13). In de nadere toelichting heeft de vrouw daartoe onder meer gesteld dat de man het goedlopende café ‘Se7en’ naar eigen zeggen in 2009 heeft aangekocht voor € 225.000,-, dat de waarde van het café op de peildatum op dit bedrag dient te worden gesteld en dat het café ook beschikte over een zakelijke rekening, te weten [003] (nadere toelichting pagina 15, sub 7).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.98 Bij de mondelinge behandeling is de waarde van het café op de peildatum aan de orde gekomen. Blijkens het proces-verbaal heeft de advocaat van de man hierover het volgende aangevoerd (pagina 4, laatste alinea en pagina 5, eerste alinea): “De man huurde bedrijfsruimte van Heineken, er waren kosten voor verbouwing en inrichting van het café. Er is betaald voor goodwill en inventaris. Het bedroeg € 30.000,- exclusief verbouwingskosten. De exploitatie van het café was rampzalig. De zoon van de vrouw was bedrijfsleider. Het is ontruimd en gesloten door de gemeente. Het voldeed niet aan het bouwbesluit, het plafond was te laag. Er was een huurschuld van € 80.000,- en de schuld aan Heineken deed mee in de verdeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De man probeerde het café over te dragen. Er is € 15.000,- door een ander aan Heineken betaald. Die ander probeerde het café te exploiteren. Mr. Laus, de vorige raadsman van de vrouw, verhinderde dat. Men trof een vreemde man aan, maar dat was niet de bedoeling. De zoon van de vrouw, [getuige 5] , zou het café namelijk exploiteren. Lubeck was de beoogde koper, maar Heineken trok de stekker eruit. De zoon heeft zich in 2013 in het handelsregister ingeschreven. Hij exploiteert het café. Alles is gestript en de inventaris van de man is weg. De onderneming vertegenwoordigt dus geen waarde op de peildatum. De vrouw is overbedeeld in het kader van die verdeling. De man kon een onderhandse verkoop doen ten tijde van de sluiting door Heineken, maar de vrouw werkte niet mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">De man heeft € 80.000,- schuld voor zijn rekening genomen. Als blijkt dat de zoon het café om niet voortzet, dan is het flauw dat men in hoger beroep nog stelt dat het café nog tegen een waarde van € 225.000,- verdeeld dient te worden.” Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt niet dat de vrouw op deze stellingen heeft gerespondeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.99 Het hof heeft geen overwegingen gewijd aan het verzoek tot verdeling van de eenmanszaak. Daarover wordt naar mijn mening in het onderdeel van randnummer 2.6 terecht geklaagd. Mijns inziens kan die klacht echter niet tot cassatie leiden. Een afweging van de hiervoor genoemde stellingen moet tot de conclusie leiden dat de vrouw haar stellingen dat het café op de peildatum een bepaalde waarde vertegenwoordigde, tegenover de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende heeft onderbouwd. De vrouw heeft immers niet gemotiveerd weersproken dat het café (kort gezegd) vooral geld kostte, niet mocht worden verkocht omdat het door de zoon van de vrouw werd geëxploi-teerd en om die reden op de peildatum geen waarde vertegenwoordigde. Onder deze omstandigheden kan het verzoek tot verdeling van de eenmanszaak niet leiden tot een andere beslissing dan het hof heeft bereikt (te weten, kort gezegd, bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank en afwijzing van het meer of anders gevorderde). Dit betekent dat het hier genoemde gedeelte van het onderdeel van randnummer 2.6 niet tot cassatie kan leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.100 Onderdeel 6 leidt dus niet tot cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.101 Onderdeel E van het aanvullend verzoekschrift betoogt dat uit het proces-verbaal van de zitting zou volgen dat de vrouw openstaat voor een redelijke oplossing, maar dat daartoe geen mogelijkheid bestaat, omdat de man geen open kaart speelt. Het is mij niet duidelijk waarom dit betoog, wat daar ook van zij, zou afdoen aan de door het hof gegeven beschikking. Het onderdeel E faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.102 Het onderdeel van randnummer 2.7 bevat een voortbouwende klacht. Deze klacht heeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van de overige klachten. Het onderdeel van randnummer 2.7 is dus vergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 3.103 Het vorenstaande zou meebrengen dat het cassatieberoep van de vrouw moet worden verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Beschikking rechtbank Alkmaar 15 juli 2010, p. 1 (eerste alinea).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Alkmaar 15 juli 2010, p. 2 (dictum).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 2.1 en beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 22 januari 2014, p. 3 (derde alinea van onderen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van 10 februari 2010 van mr. H.C.A. de Groot aan de rechtbank, p. 1, derde alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van 14 januari 2013 van mr. L. Laus aan de rechtbank, p. 1 (tweede alinea) en p. 2 (derde alinea).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 22 januari 2014, p. 1 (alinea’s 1-3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 22 januari 2014, p. 1 (laatste alinea) en p. 2 (alinea’s 1-3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van 7 juni 2013 van mr. L. Laus aan de rechtbank met als productie 27 de betekende dagvaarding in kort geding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 22 januari 2014, p. 2 (laatste drie alinea’s).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 22 januari 2014, p. 3 (één na laatste alinea).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 3.2 en 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 22 januari 2014, p. 3 (laatste alinea).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de beschikking is overwogen als volgt: ‘Van de zijde van de vrouw dient op de voet van artikel 9.2 van genoemd procesreglement nog een formulier – met producties – te worden overgelegd. Op grond van artikel 9.3 procesreglement scheiding zal de vrouw hiertoe nog één maal een termijn worden gegeven van vier weken.’ Zie beschikking rechtbank Noord-Holland 22 januari 2014, p. 4 (derde en vierde alinea). Blijkens het procesreglement scheiding heeft art. 9.2 van dat reglement betrekking op het formulier ‘verdelen en verrekenen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 22 januari 2014, p. 4 (vijfde alinea).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 3.4 en 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van 21 augustus 2014, p. 5 (eerste en tweede alinea).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.8 en 1.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.9-1.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.14-1.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze weergave is ontleend aan beschikking rechtbank Noord-Holland 18 maart 2015, rov. 1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze zin maakt niet helemaal duidelijk of het genoemde bedrag van € 90.000,00 het geheel of de helft van de contanten in de kluis van Rabobank vormt. Uit de beschikking van het hof blijkt echter dat in deze kluis in totaal € 180.000,00 aan contanten aanwezig was (hierna 2.47).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 1.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2015:3475, NJ 2016/15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2008-2009, 31 758, nr. 3, p. 18 (memorie van toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder meer HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210 (Bureau Pals/L) en HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2117, NJ 1997/495 m.nt. H.J. Snijders (De Nieuwe Woning/Staat).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2798, NJ 2014/418 (Van Agt/Pessers), HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2804, NJ 2014/419 (Persaud/Scharroo) en HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2813, NJ 2014/417 (L/Eimers en ASR).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF1210, NJ 2004/172 m.nt. H.J. Snijders (Dipasa/Huyton).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk HR 4 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1524, NJ 1995/98.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk HR 29 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1186, NJ 1990/732.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal hof Amsterdam zitting 14 januari 2016, p. 3 (vijfde tekstblok).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe verwijst de klacht onder meer naar Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein &amp; E.M. Wesseling-van Gent, Hoger beroep, Deventer: Kluwer 2012, nr. 245.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2599, NJ 2013/102 (Pinckaers/Weisz en Van Gelderen), HR 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0731, NJ 2012/654 en HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2914, NJ 2000/220 m.nt. J.B.M. Vranken ( [… ] / [… ] ).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9226, NJ 2012/552.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 m.nt. H.J. Snijders (mr. Wertenbroek q.q./Van den Heuvel) en HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 m.nt. J.M.M. Maeijer en H.J. Snijders ( [… ] /NOM).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7201, NJ 2009/476 m.nt. H.J. Snijders ( [… ] / [… ] ), HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810, NJ 1999/342, HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1176, NJ 1994/686 m.nt. M.M. Mendel (Fraser &amp; Co/Bruinisse BV) en HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, NJ 1992/814 (mr. Vermeulen q.q./Nationale-Nederlanden).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9898, NJ 2012/157, HR 16 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1941, NJ 2004/425 ( [… ] / [… ] ) en Asser Procesrecht/E. Korthals Altes &amp; H.A. Groen, Cassatie, Deventer: Kluwer 2015, nr. 265 met verwijzing naar onder meer HR 2 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2881, NJ 1999/656 m.nt. S.F.M. Wortmann onder NJ 1999/657, HR 21 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1242, NJ 1994/335, HR 2 december 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8207, NJ 1989/301 (Dijkstra/mr. Kemperink q.q.) en HR 2 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8075, NJ 1988/1037.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3264, NJ 2013/288 m.nt. H.B. Krans (Snuut BV/Optiver Holding) en HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3263, NJ 2013/287 (ABN Amro/A).</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst daartoe naar p. 23-26 en p. 61-70 van het appelschrift en naar p. 5-8 van de nadere toelichting en productie 76.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst daartoe naar p. 8 van het appelschrift en producties 44, 48, 53 en 82.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst daartoe naar p. 6, 32 en 44 van het appelschrift en p. 8 (punt 13) van het p-v van het getuigenverhoor d.d. 21 januari 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst daartoe naar p. 11, 12, 15, 16, 22 en 50-51 van het appelschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst daartoe naar p. 17 van het appelschrift, p. 6-9 van de nadere toelichting en p. 7-10 van de brief van mr. Kaandorp d.d. 6 mei 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst daartoe naar p. 31-32 en 60-63 van het appelschrift, p. 20-22, p. 2, 5 en voetnoot 2 van de brief van mr. Kaandorp d.d. 6 mei 2016, p. 114-115 van de gedeponeerde (auto)biografie en naar productie 69.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parlementaire Geschiedenis Herziening Rechtsvordering, p. 155 (memorie van toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst daartoe naar p. 20-22, 37-38, 41-42 en 50 van het appelschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst daartoe naar p. 56-64 en 66 van het appelschrift en de brief van mr. Kaandorp d.d. 21 december 2015 met de bijbehorende productie 82.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst daartoe naar p. 6, 40-41, 48-49 en punt 11 van het petitum van het appelschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst daartoe naar punt 12 (primair) van het petitum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2002-2003, 28867, 3, p. 15-16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook Groene Serie Personen- en familierecht, art. 1:83 BW (J.H. Lieber, voorheen A.L.G.A. Stille), aant. A2, A3 en 1 alsmede Asser/J. de Boer, W.D. Kolkman en F.R. Salomons, Huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven (deel 1-II), Deventer: Kluwer 2016, nr. 141.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 18 april 2011 tot wijziging van de titels 6, 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen), Stb. 2011, nr. 205.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is op zijn beurt gebaseerd op de uitspraak HR 3 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB6790, NJ 1972/338 m.nt. E.A.A. Luyten (Hotel Jan Luyken).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/J. de Boer, W.D. Kolkman en F.R. Salomons, Huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven (deel 1-II), Deventer: Kluwer 2016, nr. 141 met verwijzing naar W.D. Kolkman, F.R. Salomons &amp; L.C.A. Verstappen, Parlementaire geschiedenis Moderniserings-wetgeving huwelijksvermogensrecht, Derde tranche, Deventer: Kluwer 2012, p. 135.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2015:3475, NJ 2016/15.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst daartoe naar p. 11-13, 15, 63 en 77 van het appelschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2050, NJ 2014/129 m.nt. S.F.M. Wortmann. ( [… ] / [… ] ).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1393, RvdW 2013/1395, HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR2013:CA3748, NJ 2013/450, HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407 m.nt. S.F.M. Wortmann, Groene Serie Personen- en familierecht, art. 1:100 BW (B.E. Reinhartz), aant. 3 en 7 alsmede Asser/J. de Boer, W.D. Kolkman en F.R. Salomons, Huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven (deel 1-II), Deventer: Kluwer 2016, nr. 359.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk in dat verband HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407 m.nt. S.F.M. Wortmann.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2015:3475, NJ 2016/15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dat verband bijvoorbeeld HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6106, NJ 2012/603 m.nt. H.J. Snijders ( [… ] / [… ] ).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9204, NJ 2012/174.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 juli 2004 ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270 m.nt. W.D.H. Asser (OZ Export Planten/Roozen Holland).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6196, RvdW 2010/1328.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst in dat kader naar p. 57-58 van het appelschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst in dat kader naar p. 5-9 en 57-70 van het appelschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst in dat kader naar p. 53-54 van het appelschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst daartoe naar p. 16 en 50 van het appelschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst daartoe naar p. 11, 12 en 50-51 van het appelschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouw verwijst daartoe naar p. 49 van het appelschrift.</p></div>", "next": 0}