{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Zowel het bestuursrecht, het burgerlijk recht, als het strafrecht kent aan getuigen een verschoningsrecht toe indien zij door te getuigen (onder andere) zichzelf aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf zouden blootstellen. Dit recht geldt slechts ten aanzien van specifieke vragen en niet ten aanzien van het gehele verhoor. Rueb heeft, mijn inziens terecht, opgemerkt dat het recht zichzelf te verschonen daarmee van louter theoretische betekenis is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.26 Niet is gebleken dat de getuigen die belanghebbende opgeroepen wenst te zien, bedreigde getuigen in de zin van artikel 226a Sv zijn, noch dat zeer zwaarwegende gronden hun anonimiteit noodzakelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.27 ’ ’s Hofs oordeel getuigt, afgezien van de onjuiste verwijzing naar artikel 8:46 Awb, gezien het bovenstaande niet van een onjuiste rechtsopvatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.28 Het middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde middel 7.29 Naar ’s Hofs oordeel hoefde de Rechtbank bij de berekening van de proceskostenvergoeding belanghebbendes nader ingezonden stuk d.d. 20 maart 2015 niet aan te merken als conclusie van repliek.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.30 Blijkens de uitspraak van het Hof heeft belanghebbende pas ná indiening van het stuk aan de Rechtbank verzocht om te mogen repliceren.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.31 De rechter kan ingevolge artikel 8:43 Awb de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen schriftelijk te repliceren. De Rechtbank is dus niet gehouden een procespartij de gelegenheid te bieden om conclusie van repliek te nemen. Zulks heeft de Rechtbank ook niet gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.32 Van repliek of dupliek in de zin van artikel 8:43, lid 1, Awb, is volgens de ABRvS slechts sprake als “expliciet en onder vaststelling van een termijn [de indiener van het beroepschrift; A-G] in de gelegenheid is gesteld tot het indienen van een reactie”.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.33 Nu i.c. niet expliciet en onder vaststelling van een termijn de gelegenheid is geboden om conclusie van repliek te nemen, is belanghebbendes nadere stuk niet als een dergelijke geschrift aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.34 Blijkens onderdeel A1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht kwalificeert belanghebbendes nader ingezonden stuk derhalve niet als een proceshandeling waarvoor punten worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.35 ’ ’s Hofs oordeel dat de Rechtbank geen proceskostenvergoeding behoefde toe te kennen voor het nader ingezonden stuk d.d. 20 maart 2015, getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.36 Het middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal De inspecteur van de Belastingdienst, [P] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Den Haag 26 augustus 2015, nrs. SGR 14/9029 en SGR 14/9030, ECLI:NL:RBDHA:2015:15960.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 17 augustus 2016, nrs. BK-15/01014 en BK-15/01015, ECLI:NL:GHDHA:2016:2397, FutD 2016/2064.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de boetebeschikkingen reeds door de Rechtbank zijn vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">P-V van de zitting van het Hof, p. 3: “namens de Inspecteur: […]: Ik doe niet moeilijk over het punt van de conclusie van repliek, ik vind het prima als daar een half punt voor wordt gegeven.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevoerd bij Wet van 15 december 1995, houdende vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, Stb. 1995/635. Afgeschaft bij Wet van 18 december tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2014), Stb. 2013/565.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 oktober 2013, nr. WJZ/560472 (10352), houdende regels voor subsidieverstrekking ter stimulering van praktijkleren en het verrichten van onderzoek (Subsidieregeling praktijkleren), Stcrt. 2013/31130.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevoerd per 1 oktober 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: ingevolge artikel 1, onderdeel e, Wet op het onderwijstoezicht is onderwijs “bij of krachtens een onderwijswet geregeld onderwijs”. De WEB is in artikel 1, onderdeel d, gedefinieerd als onderwijswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1995/96, 24 458, nr. 3, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 januari 2016, nr. 15/00350, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2016:38, BNB 2016/82 met noot Mertens, V-N 2016/5.19 met noot van de Redactie, NTFR 2016/648 met noot Schouten, FED 2016/30 met noot Bentohami en FutD 2016/0099 met noot van de Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013/14, nr. 33 752, nr. 3 (MvT), p. 9. Voetnoten niet opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 20 december 2000, nr. CPP2000/2944M (vragen en antwoorden over afdrachtverminderingen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nr. 2403 (brief minister van OCW 2 juli 2014, nr. 636611).</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief minister van OCW 3 november 2014, nr. 684111. De Kamervragen zijn mede namens de staatssecretaris van Financiën beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanhangsel Handelingen II 2014/15, nr. 432 (brief minister van OCW 3 november 2014, nr. 689427).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 29, p. 9-10 (brief van de staatssecretaris van Financiën d.d. 7 november 2014).</p>\n<p class=\"lf-p\">Belastingdienst, Handboek loonheffingen 2010, p. 272. Vgl. Belastingdienst, Handboek loonheffingen 2011, p. 239-240. De tekst van het Handboek Loonheffingen 2011 is van gelijke strekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijksoverheid, ‘Vragen en antwoorden over middelbaar beroepsonderwijs’, https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/middelbaar-beroepsonderwijs/vraag-en-antwoord/waar-vind-ik-een-overzicht-van-erkende-opleidingen (laatst geraadpleegd op 29 maart 2017).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienst Uitvoering Onderwijs, ‘Crebo opleidingen’, https://www.duo.nl/open_onderwijsdata/databestanden/mbo/crebo/ (laatst geraadpleegd op 29 maart 2017).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 januari 2016, nr. 15/00350, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2016:38, BNB 2016/82 met noot Mertens, V-N 2016/5.19 met noot van de Redactie, NTFR 2016/648 met noot Schouten, FED 2016/30 met noot Bentohami en FutD 2016/0099 met noot van de Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Niessen 10 juni 2015, nr. 15/00350, ECLI:NL:PHR:2015:2196, V-N 2016/5.24.11 en FutD 2015/2640 met noot van de Redactie. Voetnoten niet opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.H. Eenhoorn en M.L. Kawka, Wegwijs in de loonbelasting, Den Haag: SDU 2015, p. 146-147.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 1 bij: Kamerstukken II 2012/13, nr. 31 935, nr. 11 (brief d.d. 18 september 2012 van de minister van OCW). Regioplan, Evaluatie van de afdrachtvermindering onderwijs 2006-2011, Amsterdam: Regioplan 2012, p. III.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie onderdeel 5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991/92, nr. 22 495 (voltooiing eerste fase herziening rechtelijke organisatie), nr. 3, p. 138.</p>\n<p class=\"lf-p\">Later: artikel 82 Wet RvS.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 25 januari 2005, nr. 02/2607 NABW, ECLI:NL:CRVB:2005:AS7071, JWWB 2005/136. Zie ook een bespreking van deze uitspraak in R.J. Koopman, ‘Bewijslast en bewijsmiddelen in duale geschillen’, in: Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter? Preadviezen. (VAR Vereniging voor Bestuursrecht, nr. 142), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2009, p. 204-205.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 mei 2014, nr. 12/05526, ECLI:NL:HR:2014:1194, BNB 2014/154 met noot Haas, V-N 2014/27.11 met noot van de Redactie, NJB 2014/1294, NTFR 2015/1491 met noot Thijssen, FED 2014/57 met noot Van der Wal en FutD 2014/1203.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 maart 2009, nr. 43 313, r.o. 3.2.2, ECLI:NL:HR:2009:BH5559, BNB 2010/4 met noot Van Slooten, NTFR 2009/730 met noot Benning, V-N 2009/13.25 met noot van de Redactie en FutD 2009/0555.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 september 2015, nr. 14/03674, ECLI:NL:HR:2015:2798, BNB 2016/217 met noot De Bont, V-N 2015/48.5 met noot van de Redactie, NTFR 2015/2634 met noot Fase en FutD met noot van de Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 29 november 1990, nrs. MAW 1988/69 en MAW 1989/13, ECLI:NL:CRVB:1990:AK5061, TAR 1991/19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Almelo 20 november 2006, nr. 05/608, ECLI:NL:RBALM:2006:AZ2660. Vgl. rb. Den Haag 22 januari 2003, nr. AWB 02/40295, ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5175, rb. Haarlem 16 augustus 2006, nr. 04/1, ECLI:NL:RBHAA:2006:AY6571, in welke zaken gebruik werd gemaakt van anonieme informanten. R.J. Koopman, ‘Bewijslast en bewijsmiddelen in duale geschillen’, in: Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter? Preadviezen. (VAR Vereniging voor Bestuursrecht, nr. 142), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2009, p. 212-213.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 3 juli 2013, nr. 201201524/1/A3, ECLI:NL:RVS:2013:111, NJB 2013/1696, JB 2013/165, AB 2013/275 met noot Stijnen en Gst. 2013/112 met noot Rogier.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 december 2015, nr. 15/01348, na conclusie A-G IJzerman, ECLI:NL:HR:2015:3600, BNB 2016/39 met noot Haas, V-N 2015/66.4 met aantekening van de Redactie, NJB 2016/162, FED met noot Bartel, JOR 2016/54 met noot Van der Voort Maarschalk, FutD met noot van de Redactie, JB 2016/36 en USZ 2016/51.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 april 2009, nr. 07/13014, ECLI:NL:HR:2009:BH9184, BNB 2009/153 met noot Koopman, V-N 2009/17.10 met noot van de Redactie, NTFR 2009/766 met noot Snitker en FutD 2009/0708.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.P.J. van der Meij, commentaar op artikel 219 Sv, in: Tekst &amp; Commentaar Strafvordering, Deventer: Kluwer 2015 (boek en online).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevoerd bij de Wet getuigenbescherming van 11 november 1993, Stb. 1993, 603.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Wattel 24 mei 2013, nr. 12/03379, ECLI:PHR:2013:CA1396, onderdeel 7 voor HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1042.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.Q.C. Tak, Het Nederlands bestuursprocesrecht in theorie en praktijk, deel I (boek 3), Oisterwijk: WLP 2014, p. 1786-1987.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: De artikelen 42, derde lid, en 82, derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Artikel 114, tweede lid, van de Beroepswet (oud), 90 van de Aw.’29 (oud) en 46 van de Wet Arbo. De Jong e.a. legden art. 114 van de Beroepswet (oud) zo uit, dat de griffier zo mogelijk bij de kennisgeving van de zitting partijen informeerde, maar dit ook nog later kon doen, tot vlak voor de zitting. Indien een partij zich door een late kennisgeving in zijn processuele belangen benadeeld achtte, kon zij om aanhouding van de zitting verzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: zie vorige noot.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.J.J.C. van Nispen, commentaar op artikel 165 Rv, in: Tekst &amp; Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Kluwer 2016 (boek en online).</p>\n<p class=\"lf-p\">A.S. Rueb, Burgerlijk procesrecht, Deventer: Kluwer 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.Q.C. Tak, Het Nederlands bestuursprocesrecht in theorie en praktijk, deel I (boek 2), Oisterwijk: WLP 2014, p. 1346-1348.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie ook MvT, p. 130. Art. 8:46 is overigens niet rechtstreeks van toepassing, nu dit artikel slechts ziet op het vooronderzoek en niet op het onderzoek ter zitting: ABR 7 juli 1998 (Van der Does, Van der Burg en Korthals Altes), RAwb 160.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: CRvB 19 okt. 1989, TAR 1989, 243. Eiser werd niet door de anonimiteit van de verklaring geschaad geacht, omdat hij in de gelegenheid was gesteld op het rapport te reageren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: HR 20 nov. 1989, NJ 1990, 245 (‘Kostowski’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: CRvB 7 dec. 1989, TAR 1990, 27, m.nt. B.W.N. de Waard in TAR 1990, 7/8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: CRvB 29 nov. 1990, TAR 1991, 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: ABR 3 juli 2013 (Vlasblom, Feteris en Verheij), ECLI:NL:RVS:2013:159 [bedoeld zal zijn 2013:111; A-G], inzake alcoholverkoop aan jongeren. [Zie onderdeel 5.13.] Voetnoot in origineel: A.C. Overduin, De waarde van getuigenbewijs in het bestuursprocesrecht; in: JBplus 2011, p. 113-128.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.C. Borman, commentaar op artikel 8:60 Awb, in: Tekst &amp; Commentaar Algemene wet bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2015 (boek en online).</p>\n<p class=\"lf-p\">T.C. Borman, commentaar op artikel 8:33 Awb, in: Tekst &amp; Commentaar Algemene wet bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2015 (boek en online).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 177, lid 1, Rv luidt: Op de bepaalde dag vraagt de rechter de getuigen hun naam, voornamen, leeftijd, beroep en woon- of verblijfplaats, of zij bloed- of aanverwant zijn van de partijen of van een van hen, en zo ja in welke graad, alsmede of zij in dienstverband staan tot partijen of een van hen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noot A-G: bedoeld zal zijn CRvB 29 november 1990, TAR 1991/19.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J. Koopman, ‘Bewijslast en bewijsmiddelen in duale geschillen’, in: Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter? Preadviezen. (VAR Vereniging voor Bestuursrecht, nr. 142), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2009, p. 215-216. Voetnoten niet opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Internationaal belastingrecht, Aantekening 3.33.2 Het gebruik van anonieme verklaringen (getuigen/tipgevers) bij: EVRM, artikel 6 (online editie, bijgewerkt tot 28 januari 2017).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 14 WVA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een in artikel 7.2.2, lid 1, onderdelen a t/m e WEB bedoelde beroepsopleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De 60%-eis wordt in het tweede lid gesteld. Zie onderdeel 4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdelen 4.20 en 4.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.4.1, eerste lid, jo. 1.1.1, onderdeel a, WEB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Uitlatingen van de minister van OCW (zie onderdelen 4.15 t/m 4.17) en de staatssecretaris van Financiën (zie onderdeel 4.18).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 6.1.4, 6.1.5 en 6.1.5b WEB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Uitlatingen van de minister van OCW (onderdeel 4.15).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van de staatssecretaris van Financiën d.d. 10 februari 2014, met kenmerk DGB/2014/888 U, naar aanleiding van een WOB-verzoek inzake landelijke controle-actie WVA onderwijs. Als bijlage bij de brief zijn onder meer gevoegd het genoemde convenant en een document genoemd “toelichting indienen verzoek om bijstand onderwijsinspectie”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie feitenvaststelling Hof (geciteerd in onderdeel 2.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">R.o. 4.1.1. (opgenomen in onderdeel 2.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie geschilomschrijving in r.o. 4.1.2. (geciteerd in onderdeel 2.6). De 60%-eis wordt in het artikel 7.2.2, lid 2, WEB gesteld. Zie onderdeel 4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 december 1999, nr. 33 830, na conclusie A-G Van den Berge, ECLI:NL:HR:1999:AA3862, BNB 2000/126 met noot Van Dijck, V-N 1999/58.15 met noot van de Redactie, NTFR 2000/22 met noot Alink, en PJ 2000/29 met noot Kappelle.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer artikel 6.4.1, eerste lid, jo. 1.1.1, onderdeel a, WEB met betrekking tot het aanleggen van het CREBO en artikelen 6.1.4, 6.1.5 en 6.1.5b WEB met betrekking tot waarschuwingen en ontneming van rechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie citaat in onderdeel 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 2 van het verweerschrift in hoger beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o 7.9 (geciteerd in onderdeel 2.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer onderdelen 5.21 en 5.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdelen 5.5-5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Tak (onderdeel 5.21).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 5.18 en 5.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 5.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 5.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onderdelen 5.12-5.13, 5.15 en 5.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 8:33, lid 3, Awb (5.1) juncto/en 165, lid 3, Rv (5.7) en artikel 219 Sv (5.16).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 5.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 8 februari 2012, nr. 201104498/1/T1/A3, ECLI:NL:RVS:2012:BV2155, JB 2012/67, AB 2013/13 met noot Marseille en JOM 2012/397, r.o. 2.4.1.</p></div>", "next": 0}