{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het is geen aanbod, omdat haar juridische gevolgen volwaardig en zelfstandig zijn zonder enige aanvaarding. In deze analyse is in de vervangingsreservecasus overigens inderdaad geen sprake van een vaststellingsovereenkomst: de fiscus nam het standpunt in dat een vervangingsreserve gevormd kon worden. Of de belanghebbende wel of niet accepteerde dat alsnog belastingheffing zou volgen als niet vervangen zou worden, deed voor het standpunt van de fiscus niet ter zake. Daar valt immers niets aan te accepteren, want dat gevolg is een wettelijk wezenskenmerk van de vervangingsreserve. Er kan daarom trouwens ook geen onzekerheid of geschil bestaan hebben (en er kon dus ook geen vaststellingsovereenkomst gesloten worden) over de vraag of een vervangingsreserve belast vrijvalt na ongebruikte ommekomst van de vervangingstermijn.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Conclusie (…) Ik meen dat het criterium niet is of de burger zich wilde binden, maar de vraag of het voor de standpuntbepaling van de fiscus irrelevant is of de burger zich wilde binden. Anders gezegd: of de overheid er op mocht vertrouwen dat de burger zich wilde binden. Als het voor de standpuntbepaling van de fiscus niet ter zake doet of de burger zich wilde binden (zoals het voor het standpunt van de fiscus bij de aanslagregeling niet ter zake doet of de belastingplichtige zich met zijn aangifte wilde binden), is er ook geen reden de belanghebbende gebonden te achten (tenzij hij uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand deed van rechtsmiddelen): er is dan geen reden om de fiscus te beschermen tegen nieuwe inzichten of standpunten van de belanghebbende. Ik heb overigens niet de illusie dat hiermee voor alle in de praktijk voorkomende situaties duidelijkheid is geschapen. De “kaders voor vaststellingsovereenkomsten” van de fiscus van 1997, dus van na de toiletjuffrouw- en diamantconstructie-arresten schrijven voor dat indien zich iets voordoet wat de fiscus als een vaststellingsovereenkomst percipieert (maar daarin zit natuurlijk al een probleem: de afhankelijkheid van de perceptie van de fiscus), zulks schriftelijk vastgelegd wordt en dat die vastlegging de uitdrukkelijke verklaring van de belanghebbende moet inhouden dat hij afziet van rechtsmiddelen.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.35 Feteris heeft over beleidsregels geschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">De Staatssecretaris richt met regelmaat voorschriften aan ambtenaren van de belastingdienst, waarin staat aangegeven hoe zij de fiscale wetgeving moeten interpreteren of toepassen. Dergelijke beleidsvoorschriften kunnen leiden tot een behandeling die voor de belastingplichtige gunstiger is dan een strikte toepassing van de wet. De belastingplichtige kan zich tegenover de rechter beroepen op toepassing van dergelijke begunstigende beleidsregels, door een beroep te doen op algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat kan het gelijkheidsbeginsel zijn - of als het beleid gepubliceerd is - het vertrouwensbeginsel. Ook op grond van de Awb (art. 4:84) is een bestuursorgaan in beginsel verplicht om in overeenstemming te handelen met voor hem geldend beleid, indien dit is vastgelegd in een beleidsregel in de zin van art. 1:3, lid 4 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gevolg van het voorgaande komt het praktische effect van beleidsregels in de buurt van de werking van wettelijke voorschriften, zij het dat beleidsregels van lagere orde zijn. In dit licht bezien kunnen beleidsregels als rechtsbron worden beschouwd. Deze benadering is ook te vinden in de rechtspraak van de H R. Omdat de verhouding tussen de burger en het bestuur, ook in belastingzaken, in toenemende mate wordt bepaald door beleidsregels, is de H R van oordeel dat beleidsregels die aan bepaalde voorwaarden voldoend aangemerkt moeten worden as recht in de zin van art. 79, lid 1 van de Wet R O. Het gevolg daarvan is dat de H R de uitleg van die regels in cassatie ten volle kan beoordelen, en aldus een uniforme toepassing daarvan kan bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.36 Feteris heeft ook over beleidsregels geschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als (…) [beleidsregels] behoorlijk bekend zijn gemaakt vormen ze rechtsregels in de zin van art 79 Wet R O, zodat de H R rechterlijke uitspraken kan vernietigen wegens schending van beleidsregels. In het verleden heeft de H R echter beslist dat de rechter een beleidsregel allee dient toe te passen wanneer een partij in het proces daarop een beroep heeft gedaan. Sindsdien is met ingang van 1998 art. 4:84 Awb in werking getreden, op grond waarvan een bestuursorgaan in beginsel de wettelijke verplichting heeft om te handelen in overeenstemming met de voor hem geldende beleidsregels. Mijn inziens is dat geen wezenlijke verandering, omdat de verplichting voor bestuursorganen om beleidsregels na te leven vóór de inwerkingtreding van art. 4:84 Awb ook al bestond op grond van ongeschreven recht, en de verplichting voor de rechter om ambtshalve het recht toe te passen evenzeer geldt voor ongeschreven recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel heeft de H R in de afgelopen jaren een aantal keren ambtshalve de toepassing van een beleidsregel aan de orde gesteld. Er geldt voor de rechter dus geen algemeen verbod meer om beleidsregels ambtshalve toe te passen. Maar een algemene verplichting daartoe heeft de H R ook (nog) niet uitgesproken. Dat zou ook het praktische probleem opleveren dat de rechter ambtshalve op de hoogte zou moeten zijn van alle beleidsregels van alle bestuursorganen in Nederland. De huidige stand van het recht lijkt te zijn dat de rechter niet verplicht is, mar wel de bevoegdheid heeft om beleidsregels ambtshalve toe te passen. Voor de burger die zich niet op een beleidsregel beroept is het daardoor min of meer toeval welke rechtsregels de rechter in zijn geval zal toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als partijen niet op de toepassing van een beleidsregels voorbereid waren, zal de rechter die deze regel toch wil toepassen hen in de gelegenheid moeten stellen zich daarover uit te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.37 Feteris heeft over de gronden waarop de Hoge Raad een uitspraak van het Gerechtshof kan casseren geschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">De gronden waarop de H R een uitspraak van het Gerechtshof kan vernietigen (casseren) zijn te vinden in art. 79, eerste lid, Wet R O. a. Schending van het recht De belangrijkste cassatiegrond is schending van het recht. (…) Tot het recht in de zin van art. 79, eerste lid, Wet R O behoren alle algemeen verbindende voorschriften, dus zowel wetten in formele zin als lagere wetgeving. (…) Ook beleidsregels vormen recht in de zin van art. 79, eerste lid, Wet R O indien zij aan een reeks voorwaarden, zoals behoorlijke publicatie, voldoend. De H R kan daardoor ten volle beoordelen of de lagere rechter een juiste uitleg heeft gegeven aan een beleidsregel. Beleidsregels nemen echter een bijzondere positie in, aangezien de H R in 1990 heeft beslist dat de rechter alleen verplicht is ze toe te passen wanneer een partij in het proces daarop een beroep doet. Wanneer de lagere rechter nalaat om een beleidsregel ambtshalve toe te passen, maakt hij in die benadering geen fout en zou er dus geen aanleiding zijn om zijn uitspraak te casseren als toepassing van de beleidsregel tot een ander resultaat had geleid of had kunnen leiden. Zoals ik in § 4.3.5. al heb aangegeven, heeft de H R in de afgelopen jaren echter een aantal keren ambtshalve de toepassing van een beleidsregel aan de orde gesteld. Dat is alleen zinvol wanneer die toepassing zou kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van de lagere rechter die de beleidsregel niet heeft toegepast. Blijkbaar acht de H R zich daartoe bevoegd. De H R is echter niet expliciet ‘omgegaan’.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.38 Feteris heeft ten aanzien van de vaststellingsovereenkomst geschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Rechtskarkater Het verbindende karakter van de vaststellingsovereenkomst berust op de omstandigheid dat de fiscus en de belastingplichtige zich jegens elkaar hebben gebonden, dus op de (publiekrechtelijke) overeenkomst die zij hebben gesloten ter bepaling van hun rechtspositie. (…). Doordat een vaststellingsovereenkomst met de fiscus een publiekrechtelijk karakter heeft, zijn de bepalingen in het BW over rechtshandelingen en overeenkomsten daarop mijn inziens niet rechtstreeks van toepassing. Wel lenen deze bepalingen zich in de regel voor overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Aanbod en aanvaarding (…) Volgens art. 6:217, eerste lid, BW komt een overeenkomst tot stand door een aanbod en aanvaarding daarvan. Van een aanbod in de zin van deze bepaling is pas sprake wanneer een voorstel zo concreet is dat door de aanvaarding daarvan een overeenkomst tot stand kan komen. (…) Een aanbod tot het aangaan van een overeenkomst kan door verschillende oorzaken zijn geldigheid verliezen. Een aanbod dat een termijn noemt voor de aanvaarding, vervalt naar burgerlijk recht door het verstrijken van die termijn. Op grond van beginselen van behoorlijk bestuur zal de termijn die de belastingdienst stelt wel een redelijke moeten zijn, zodat de belastingplichtige de gevolgen van de aangeboden afspraak kan overwegen, en de gelegenheid heeft om daarover van gedachte te wisselen met een adviseur. Een beleidsregel van de belastingdienst schrijft voor dat aan belastingplichtige een bedenktijd moet worden geboden van minstens een week, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk verklaart daaraan geen behoefte te hebben. (…) Een mondeling aanbod vervalt op grond van art. 6:221, eerste lid, BW wanneer het niet onmiddellijk wordt aanvaard. Ook hier geldt in belastingzaken dat de fiscus op grond van beginselen van behoorlijk bestuur een redelijke bedenktijd behoort te bieden: een onmiddellijk te aanvaarden aanbod is daarmee in het algemeen niet te verenigingen. (…) De aanvaarding van het aanbod zal meestal expliciet plaatsvinden. Zij kan echter ook begrepen zijn in andere gedragingen van degene tot wie het aanbod is gericht. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn doordat deze persoon handelt in overeenstemming met de voorgestelde afspraak, ook voor zover deze in zijn nadeel werkt. Een overeenkomst komt ook tot stand wanneer iemand een ander een aanbod daartoe doet, en die ander het aanbod weliswaar niet aanvaardt, maar door zijn gedragingen bij degene die het aanbod heeft gedaan wel het gerechtvaardigde vertrouwen wekt dat hij dit aanbod heeft geaccepteerd (zie art. 3:35 BW). Als de belastingplichtige een aanbod van de inspecteur voor een vaststellingsovereenkomst niet of niet tijdig heeft aanvaard, en er daardoor geen overeenkomst tot stand is gekomen, kan hij zich in de regel niet op grond van het vertrouwensbeginsel beroepen op dat aanbod of op elementen daarvan. (…) 3.4 Vorm en bewijs van overeenkomst De vaststellingsovereenkomst is niet aan enige vorm gebonden. Schriftelijke vastlegging is echter uit het oogpunt van bewijs zonder meer aan te bevelen, en is bij de rijksbelastingdienst ook in een beleidsregel voorgeschreven. Ontstaat geschil over het bestaan of de inhoud van een vaststellingsovereenkomst, dan rust de bewijslast op degene die zich op de overeenkomst beroept. Interne (klad)aantekeningen vormen niet altijd voldoende bewijs, omdat ze veelal de vraag openlaten of het daarin gestelde voor de andere partij kenbaar was, en of zij zich daaraan heeft willen binden.</p>\n<p class=\"lf-p\">(…) 5 Uitvoering van de overeenkomst 5.1 Formele Aspecten De belastingplichtige verbindt zich bij de overeenkomst doorgaans om een bepaalde vaststelling van de verschuldigde belasting of van elementen daarvan als juist te aanvaarden. Het zal zelden voorkomen dat de belastingplichtige zich toch door middel van een bezwaar- of beroepschrift tegen de desbetreffende aanslag(en) verzet. Uitgesloten is dat echter niet. Een vaststellingsovereenkomst brengt op zichzelf niet met zich mee dat het bezwaar of beroep van de belastingplichtige niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechter zal inhoudelijk op het beroep moeten beslissen, en wel in overeenstemming met de gemaakte afspraken, voor zover deze rechtsgeldig zijn. Er zijn gevallen waarin de belastingplichtige er belang bij heeft om een dergelijke beslissing van de belastingrechter in te roepen. Dat geldt in de eerste plaats wanneer de belastingplichtige van oordeel is dat de vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig is, en toepassing van de wettelijke regeling tot een lagere aanslag zou leiden. In de tweede plaats is het mogelijk dat de inspecteur in de visie van de belastingplichtige de aanslag(en) heeft vastgesteld op een hoger bedrag dan uit de afspraken voortvloeit, en dus de overeenkomst niet juist heeft toegepast. (…) Bezwaar en beroep tegen de desbetreffende aanslagen staan niet open als de betrokkene daarvan uitdrukkelijk afstand heeft gedaan (…). De rijksbelastingdienst heeft het beleid om een dergelijke afstand in vaststellingsovereenkomsten op te nemen, en daarin te bepalen dat een eventueel reeds ingediend bezwaar- of beroepschrift zal worden ingetrokken. Dit gaat mijn inziens te ver. Zoals ik in de eerste alinea van deze paragraaf al aangaf, behoort de belastingplichtige de mogelijkheid te hebben om de rechtsgeldigheid en de naleving van de overeenkomst door de fiscus ter discussie te stellen bij de belastingrechter. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat de overeenkomst slechts betrekking heeft op één of enkele elementen van een aanslag. In zo’n geval behoort de inspecteur mijn inziens niet te verlangen dat de belastingplichtige afstand van rechtsmiddelen doet, aangezien dat ook zou doorwerken naar andere elementen van de aanslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39 Pieterse heeft over de fiscale vaststellingsovereenkomst geschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepasselijk recht De typering van de vaststellingsovereenkomst als een figuur met publiekrechtelijke trekken, is geen vrijblijvende aangelegenheid. De Hoge Raad kwalificeert, als gezegd, het fiscale compromis onomwonden als een vaststellingsovereenkomst in de zin van art. 7:900 e.v. BW (§ 1), een privaatrechtelijke rechtshandeling dus, en lijkt daarmee de weg vrij te maken voor rechtstreekse toepassing van de civielrechtelijke regels, waaronder de regels die zijn neergelegd in art. 7:900 e.v. BW. Omdat een vaststellingsovereenkomst een obligatoire overeenkomst is (art. 6:213 BW), zijn (ook) de regels van Boek 6 van het BW rechtstreeks van toepassing. (…) De civielrechtelijke noties alleen zijn in ieder geval niet beslissend, omdat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel) ook een rol spelen bij onder meer het tot stand komen van een fiscale vaststellingsovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit volgt uit art. 3:14 BW, waarin is bepaald dat een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, niet mag worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht en uit art. 3:1, lid 1, Awb, dat bepaalt dat op ‘andere handelingen van bestuursorganen dan besluiten (…) de afdelingen 3.2 tot en met 3.4 van overeenkomstige toepassing [zijn], voor zover de aard van de handelingen zich daartegen niet verzet’. Dat kan er onder meer toe leiden dat een overeenkomst die naar civielrechtelijke maatstaven geldig is, verbindende kracht ontbeert, bijvoorbeeld omdat de inspecteur de beleidsmatig aan de belastingplichtige te gunnen bedenktijd niet in acht heeft genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbod en aanvaarding De vaststellingsovereenkomst komt tot stand door een aanbod (van de inspecteur) en de aanvaarding daarvan (art. 6:217, lid 1, BW). Op de vaststellingsovereenkomst zijn daarom de bepalingen over aanbod en aanvaarding van toepassing (zie § 3.4). Een aanbod kan worden herroepen (art. 6 :219, lid 1, BW), maar als de inspecteur zijn aanbod intrekt nadat de belastingplichtige het heeft aanvaard, komt aan deze intrekking geen effect toe. Als partijen onderhandelen over een vaststellingsovereenkomst, en dat zal niet zelden het geval zijn, brengt dat proces zekere verplichtingen met zich. Ook in de fase dat nog niet van een bepaalbaar aanbod kan worden gesproken, dienen partijen zich jegens elkaar naar redelijkheid en billijkheid te gedragen (vgl. art. 6 :248 BW). Als een partij zich op enig moment wil terugtrekken uit de onderhandelingen, staat dat haar in principe vrij. Dit uitgangspunt leidt uitzondering indien de onderhandelingen zover zijn gevorderd dat de andere partij mocht verwachten dat er een (vaststellings)overeenkomst tot stand zou komen. In dat geval kan het afbreken van het overleg onaanvaardbaar en schadeplichtig zijn, al zal zich dat niet vaak voordoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.40 Huisman heeft over mogelijke strijdigheid van een gesloten vaststellingsovereenkomst met het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 5 juli 2011 geschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">In het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 1 december 1997, dat later is opgegaan in een besluit van 5 juli 2011 (Kaders voor vaststellingsovereenkomsten) is onder meer aangegeven over welke onderwerpen belastinginspecteur afspraken maakt in strijd met dit besluit doet zich de vraag voor of deze afspraken geoorloofd zijn. In de literatuur gaat men ervan uit dat dergelijke overeenkomsten in beginsel rechtsgeldig kunnen zijn. Indien de inspecteur afspraken maakt in strijd met de Kaders voor fiscale vaststellingsovereenkomsten, rijst volgens Elbers de vraag in hoeverre art. 3:40 BW daaraan in de weg staat. Hij wijst erop dat deze kaders te kwalificeren zijn als recht in de zin van art. 99 RO (thans: art. 79 RO) en dat de rechter niet is gehouden tot ambtshalve toepassing van deze regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieruit volgt naar zijn mening dat de kaders niet van openbare orde zijn, zodat op zich geen sprake kan zijn van strijd met art. 3:40 lid 1 BW. Zijns inziens kan ook geen sprake zijn van strijd met art. 3:40 lid 2 BW, aangezien dit artikellid alleen ziet op wetten in formele zin en op bepalingen die op een uitdrukkelijke delegatie door de formele wetgever berusten. Hij concludeert dat overeenkomsten in strijd met de Kaders voor fiscale vaststellingsovereenkomsten in beginsel rechtsgeldig zijn. Feteris lijkt hier ook van uit te gaan en haalt in dit verband de uitspraak van de belastingkamer van Hof Amsterdam van 17 maart 2004 aan. Hij wijst erop dat een gepubliceerde beleidsregel die afspraken over heffingsrente verbiedt voor de rechter geen beletsel vormt om de belastinginspecteur te houden aan een toezegging die hij daarover niettemin had gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de redactionele aantekening bij deze uitspraak in Vakstudie Nieuws wordt een analyse gemaakt. Een uitlating van een belastinginspecteur kan mogelijk strijdig zijn met het beleid van de staatssecretaris zoals neergelegd in een besluit, maar tevens niet duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing. Het hof maakt volgens de redactionele aantekening duidelijk dat een toezegging van de belastinginspecteur, die verdergaat dan een beleidsregel, niet reeds op die grond meebrengt dat: a. de belastingplichtige op de nakoming van die toezegging niet mocht rekenen; of b. sprake is van een toezegging of afspraak die zozeer in strijd is met een juiste wetstoepassing, dat de belastingplichtige op de nakoming daarvan niet heeft kunnen rekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitgangspunt in de hiervoor aangehaalde literatuur dat afspraken in strijd met de Kaders voor fiscale vaststellingsovereenkomsten in beginsel rechtsgeldig zijn lijkt mij onjuist, althans te ongenuanceerd. In dit verband valt te wijzen op het algemene uitgangspunt dat beleidsregels in beginsel gevolgd dienen te worden (art. 3:14 BW jo. art. 4:84 jo. 1:3 lid 4 Awb). Onder omstandigheden kan het zijn dat van het beleid afgeweken kan worden. In dit licht is mogelijk de uitspraak van Hof Amsterdam te verklaren. Ten gunste van de belastingplichtige is het (gezien de specifieke omstandigheden van het geval) mogelijk rechtsgeldig van het beleid af te wijken. Ten nadele afwijken van het beleid is problematisch. In dit verband kan gewezen worden op het arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad van 16 november 2007. Op grond van de Kaders voor fiscale vaststellingsovereenkomsten komt een overeenkomst tot stand nadat de belastingplichtige een bedenktermijn is gegund. Is deze termijn niet gegund, en is dus in strijd met de Kaders gehandeld, dan heeft dit volgens de Hoge Raad tot gevolg dat de overeenkomst niet op regelmatige wijze tot stand gekomen is, zodat de rechtsgeldigheid is komen te ontvallen. Wanneer de in de Kaders vervatte waarborgen voor de belastingplichtige worden veronachtzaamd dan tast dit de rechtsgeldigheid van het contract aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.41 De Blieck e.a. hebben over beleidsregels geschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde titel over beleidsregels is ook voor het belastingrecht van belang. (…) Interessant is voorts art. 4:84 Awb, dat bepaalt dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meerdere belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Dit artikel brengt mee dat de binding van het bestuursorgaan aan een beleidsregel berust op de wet en dus niet meer op algemene beginsel van behoorlijk bestuur, zoals voor het geval was. (…) Het maakt overigens niet veel uit of het bestuursorgaan aan een beleidsregel is gebonden op grond van art. 4:84 Awb dan wel op grond van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Toen art. 4:84 Awb er nog niet was, mocht de rechter volgens de Hoge Raad een beleidsregel niet ambtshalve toepassen. De belastingplichtige moest een beroep op aan de beleidsregels ontleend vertrouwen doen. Dit geldt echter niet meer sinds 1 september 1999. Sindsdien kan de belastingrechter op grond van art. 8:69, derde lid, Awb zelf de feiten aanvullen en derhalve ook ambtshalve acht slaan op een beleidsregel. Voor de Hoge Raad geldt art. 8:69 Awb niet, maar desondanks past ook de Hoge Raad beleidsregels, zou de rechter een verplichting tot ambtshalve toepassing van beleidsregel ook niet goed kunnen naleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.42 De Blieck e.a. hebben over de uitlegging van beleidsregels geschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een beleidsregel niet zonder meer duidelijk is, dient de rechter deze uit te leggen. Bij die uitlegging behoort de rechter ervan uit te gaan, dat de belastingplichtigen de regel hebben moeten begrijpen zoals zij naar de objectieve beschouwing van de rechter redelijkerwijze dient te worden opgevat. Als redelijkerwijze over de uitlegging kan worden getwijfeld in die zin dat een uitlegging zowel in overeenstemming met de wet als in strijd met de wet verdedigbaar is, behoort de rechter aan een uitlegging in overeenstemming met de wet de voorkeur te geven. De rechter mag zich bij zijn uitlegging van een beleidsregel niet richten naar de strekking van die beleidsregel, als die strekking niet met zoveel woorden in de tekst ervan tot uitdrukking is gebracht. De tekst van een beleidsregel prevaleert derhalve boven haar strekking, althans als zulks voor de belanghebbende gunstig is. Als de kennelijke bedoeling van de opsteller van een beleidsregel voor de belanghebbende gunstiger is dan haar duidelijke tekst laat de Hoge Raad die bedoeling prevaleren. Als de tekst van een beleidsregel vragen oproept, laat de Hoge Raad ook wel ten gunste van de belastingadministratie de kennelijke bedoeling van de opsteller prevaleren; de opvatting dat de beginselen van behoorlijk bestuur meebrengen dat indien een beleidsregel op meer wijzen kan worden uitgelegd in principe de voor de belanghebbende gunstige uitleg prevaleert, vindt (vooralsnog) geen steun in het recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Beoordeling van het middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1 Met het middel verzet belanghebbende zich tegen het oordeel van het Hof dat er een compromis tot stand is gekomen ten aanzien van de boeten, over alle belastingmiddelen (de OB en de Vpb) over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2009. Indien, zoals belanghebbende betoogt, geen compromis over de boeten tot stand is gekomen, dan dient te worden beoordeeld of de vergrijpboete van € 7.459 bij de naheffingsaanslag OB over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Naar ik begrijp zijn de vergrijpboeten ter hoogte van € 2.500 bij de overige naheffingsaanslagen in de OB over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009 en navorderingsaanslagen in de VPB over de jaren 2006 en 2007 onherroepelijk vast komen te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Belanghebbendes middel strekt, naar ik begrijp, ten betoge dat het Hof enkel heeft getoetst of belanghebbende het aanbod van de Boetespecialist om het totaal van alle boeten op € 10.000 vast te stellen heeft aanvaard. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het Hof had moeten beoordelen of er sprake was van aanvaarding van een aanbod tot een fiscaal compromis in de zin van 7:900 van het BW dan wel sprake was van een akkoordverklaring met de eenzijdige standpuntbepaling van de Boetespecialist.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Tevens heeft belanghebbende aangevoerd dat zij zich niet schriftelijk akkoord heeft verklaard met aanbod van de Boetespecialist en dat zij na enige bedenktijd heeft afgezien van het aanbod van de Boetespecialist.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Het Hof heeft geoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 Het Hof heeft geen reden om aan te nemen dat de vermelding in het rapport van het boekenonderzoek en in de brief van de Inspecteur aan belanghebbende van 17 augustus 2011 dat belanghebbende het voorgestelde compromis had geaccepteerd in strijd met de waarheid is. In geval van onjuistheid van die vermelding had het in de rede gelegen dat belanghebbende de Inspecteur na ontvangst van het controlerapport daarop zou hebben aangesproken, hetgeen zij evenwel heeft nagelaten. Zij heeft daarentegen de Inspecteur juist herinnerd aan ter zake van de boete gemaakte afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4 Op grond van het vorenoverwogene acht het Hof door de Inspecteur voldoende aannemelijk gemaakt dat het compromis als verwoord in het rapport van het boekenonderzoek en in de brief van de Inspecteur aan belanghebbende van 17 augustus 2011 tot stand gekomen is door aanvaarding door belanghebbende van het door de Inspecteur gedane voorstel. Voor een zwaardere vorm van bewijs als door belanghebbende voorgestaan bestaat geen wettelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Een fiscaal compromis is een vaststellingsovereenkomst in de zin van art. 7:900 van het BW, zodat aan de hand van het overeenkomstenrecht moet worden beoordeeld of het tot stand is gekomen en waartoe het de partijen verplicht. Artikel 6:217 van het BW bepaalt dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding daarvan. Artikel 6:221 van het BW bepaalt dat een mondeling aanbod vervalt, wanneer het niet onmiddellijk wordt aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 Een fiscaal compromis dient te worden onderscheiden van een eenzijdige standpuntbepaling van de Inspecteur waarbij de inspecteur aan een belastingplichtige zijn opvatting heeft medegedeeld, maar er geen overeenkomst tot stand is gekomen. Ook indien een belastingplichtige zich akkoord verklaart met de eenzijdige standpuntbepaling van de Inspecteur, bindt dit een belastingplichtige niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 Ik merk op dat het Hof kennelijk aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd dat tijdens het overleg op het belastingkantoor te Amstelveen op 16 augustus 2011 de Boetespecialist aan de DGA een mondeling aanbod tot een fiscaal compromis in de zin van artikel 7:900 van het BW heeft gedaan, dat belanghebbendes DGA zou hebben aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 Bij brief van 17 augustus 2011 heeft de Boetespecialist het verslag van deze bespreking op 16 augustus 2011 weergegeven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens zijn wij inhoudelijk op enkele aspecten van de resultaten van het onderzoek ingegaan. U gaf heel duidelijk aan dat u niet opzettelijk onjuiste aangiftes heeft ingediend. Hierop liet ik u blijken uw mening niet te delen [onderstreping toegevoegd, A-G] omdat u zeer zeker met betrekking tot de balansschuld omzetbelasting 2005 de indruk heeft gewekt dat u er op hoopte dat deze zou verjaren. We hebben gesproken over de wijze waarop de problematiek afgedaan zou kunnen worden. Ik heb duidelijk aangegeven dat ik wel opensta voor een oplossing maar dat ik u toch opzet blijf verwijten. U gaf aan dat u met de ontvanger een regeling heeft afgesproken. Maandelijks betaalt u een bedrag van € 3500 en u heeft tevens de toezegging gedaan dat u - zodra u uw woning heeft verkocht - u het bedrag van de overwaarde (u schat dat in op minimaal € 120.000) zal aanwenden om de resterende belastingschuld te betalen. Uiteindelijk heb ik u een compromis aangeboden waarin ik heb gesteld dat ik de totale boete (dus over alle middelen en jaren) ga vaststellen op € 10.000 [onderstreping toegevoegd, A-G]. U heeft dit compromis geaccepteerd. (…) Afgesproken is dat u een exemplaar van deze brief voor akkoord getekend aan mij zult retourneren. Ik zal vervolgens het dossier voor verdere afwerking weer aan (…) [de controle-ambtenaar] ter hand stellen. Ik hoop hiermee op duidelijke wijze de gemaakte afspraak te hebben weergegeven 5.9 De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift over het door de Boetespecialist aan belanghebbende aangeboden ‘compromis’ geschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 16 augustus 2011 heeft er een overleg plaatsgevonden tussen de belanghebbende en de boetespecialist. Bij dit overleg zijn er diverse afspraken gemaakt en is er wat betreft de op te leggen vergrijpboete een compromis voorgesteld. Dit compromis hield in dat als belanghebbende het compromis zou accepteren, zij tevens het bezwaarschrift zou intrekken. Dit compromis werd op dat moment geaccepteerd [onderstreping toegevoegd, A-G]. Tijdens het op 17 augustus 2011 gevoerde telefoongesprek heeft belanghebbende nogmaals aangegeven het bezwaarschrift in te trekken. Bij intrekking zou de afwerking van het bezwaarschrift administratief afgewerkt worden. Helaas heeft zij dit niet schriftelijk gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 Belanghebbende heeft ter zitting bij de Rechtbank de gang van zaken, bij de bespreking op 16 augustus 2011, als volgt beschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">En verklaart [A] :</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de bespreking met de Belastingdienst, kon ik van alles zeggen maar het had toch geen nut. (…) [De Boetespecialist, A-G] had de boete van € 10.000 al klaarliggen. Het totaalbeeld van de boete is besproken. Ik vond dat teveel. Er lag circa € 7.400 boete via de naheffingsaanslag omzetbelasting en toen is er nog een bedrag bij gekomen voor de andere belastingen. Vervolgens heeft (…) [de Boetespecialist] mij gebeld om het bezwaar in te trekken. Ik heb gezegd dat ik eerst een brief wilde zien van de ‘gemaakte afspraken’. Ik was het niet met de ‘gemaakte afspraken’ eens. (…) Ik kon de boetespecialist niet van mening laten veranderen, terwijl de controleur had gezegd dat hij (…) [de Boetespecialist] op de hoogte zou houden en dat hij vervolgens geen boete zou opleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik weet niet wat de insteek van het gesprek was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb een betalingsregeling met de Belastingdienst. Ik heb nog niet alles betaald. Ik heb zo’n € 30.000- € 35.000 betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik kreeg het een en ander een beetje opgedrongen. Ik wilde eerst verder praten met een advocaat. Ik heb dat niet meteen gedaan. Volgens mij na het afronden van het boekenonderzoek na 2011. Ik kwam er niet doorheen bij de Belastingdienst om hen te overtuigen dat het geen opzet was. Ik heb geen idee wanneer ik een advocaat heb ingeschakeld. (…) Verweerders gemachtigde [de Boetespecialist, A-G] verklaart in antwoord op vragen van de rechtbank:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zou in totaal een boetebedrag van € 30.000 zijn. Gelet op de omstandigheden hebben wij gemeend de totaalboete te matigen tot € 10.000. Omdat de omzetbelasting zou verjaren hebben we ter behoud van recht eerst een naheffingsaanslag omzetbelasting met een boete opgelegd. Vervolgens is (…) [de DGA] uitgenodigd voor een gesprek. Er is een totaalboete van € 10.000 afgesproken. Er was al € 7.500 opgelegd. Dan zou er nog € 2.500 opgelegd worden. Als (…) [de DGA] daarmee akkoord ging zou hij vervolgens zijn bezwaar intrekken. Ik heb de indruk gekregen dat hij zijn bezwaar heeft ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 In het op 4 oktober 2011 gedagtekende boekenonderzoek staat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform de richtlijnen heb ik de vraag over de eventuele op te leggen boet[e] en de hoogte daarvan voorgelegd aan een boetespecialist bij de Belastingdienst. Op 16 augustus 2011 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de (…) [DGA, A-G] en de boetespecialist. In goed overleg hebben de (…) [DGA] en de boetespecialist [een] compromis bereikt over het boetevraagstuk. Bij brief van 17 augustus 2011 heeft de boetespecialist de besproken punten en de gemaakte afspraken bevestigd. (…) Gezien het feit dat de (…) [DGA] akkoord is gegaan om voor alle controlemiddelen en -jaren een totaalbedrag van 10.000 euro boete te betalen, wordt zijn eerder ingediende bezwaarschrift overbodig. In dit verband heeft de boetespecialist op 17 augustus 2011 met de (…) [DGA] telefonisch contact gehad en hij heeft hem gevraagd om het bovenvermelde bezwaarschrift in te trekken, zodat een en andere administratief verwerkt kunnen worden. De (…) [DGA] heeft aangegeven dat te willen doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 Belanghebbende heeft in zijn hoger beroepschrift toegelicht wat op 16 augustus 2011 was besproken:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.1 Anders dan de rechtbank overwoog (…) is van een compromis, een schikkingsovereenkomst, geen sprake geweest. (…) 1.3 (…) De rechtbank wijst op het uitblijven van een reactie op een brief, het controlerapport en (de bevestiging van) een telefoongesprek. Kortom, de Belastingdienst vraagt uit een niet-reageren af te leiden dat er sprake is van instemming met het voorstel. (…) 1.4 In werkelijkheid is (…) [belanghebbende, A-G] in het gesprek slechts te kennen gegeven dat de boete € 10.000 was. Dat was geen voorstel en zeker geen acceptatie. (…) 2.2 (…) Tijdens het gesprek met de boetespecialist werd [belanghebbende] opzet aangerekend met een 50% verhoging. Bezwaar mocht (…) [belanghebbende] niet maken, aldus de boetespecialist, anders zou de boete nog hoger worden. Het resultaat was een boete van € 10.000. Hiervan schrok (…) [belanghebbende]. Het stond haaks op de uitspraak van de controlerende ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13 De Inspecteur heeft ter zitting bij het Hof op 22 juni 2016 toegelicht wat op 16 augustus 2011 was besproken:</p>\n<p class=\"lf-p\">De Inspecteur licht toe dat een compromis was gesloten, waarbij de boete van € 30.000 in verband met verzachtende - financiële - omstandigheden was gematigd [onderstreping toegevoegd, A-G] tot € 10.000. Daarbij heeft hij zijn stelling dat sprake was van opzet gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14 Belanghebbende heeft in zijn hoger beroepschrift aangevoerd: ‘In werkelijkheid is (…) [belanghebbende, A-G] in het gesprek slechts te kennen gegeven dat de boete € 10.000 was’. ‘Bezwaar mocht (…) [belanghebbende] niet maken, aldus de boetespecialist, anders zou de boete nog hoger worden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15 Belanghebbende heeft, naar ik begrijp, hiermee aangevoerd dat de Boetespecialist haar geen aanbod tot een fiscaal compromis in de zin van 7:900 van het BW heeft gedaan, maar dat er sprake is van een eenzijdige standpuntbepaling van de Boetespecialist omtrent de hoogte van de op te leggen boeten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.16 Het Hof had, naar ik meen, deze stelling niet onbesproken kunnen laten, omdat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad naar voren komt dat als een belastingplichtige zich akkoord verklaart met de eenzijdige standpuntbepaling van de inspecteur er geen ‘compromis’ in de zin van artikel 7:900 van het BW tot stand is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.17 De Hoge Raad heeft bij arrest van 25 november 1992 ter afbakening van een akkoordverklaring met een eenzijdige standpuntbepaling en een ‘compromis’ overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende aan deze akkoordverklaring is gebonden omdat 'de algemene opdracht van een cliënt aan een fiscale adviseur om de afwikkeling van een fiscale zaak met de Inspectie te regelen, mede omvat het sluiten van compromissen met de belastingdienst'. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat dit in het onderhavige geval anders zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierin ligt besloten het oordeel van het Hof dat hier niet sprake is van een enkele akkoordverklaring, maar van een compromis. Tegen dit oordeel keren zich de middelen terecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een compromis is slechts sprake indien een inspecteur en een belastingplichtige een overeenkomst hebben gesloten waarbij zij - zoals het in het ontwerpartikel 7.15.1 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek is verwoord - ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen partijen rechtens geldt, een vaststelling aanvaarden, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken. Feiten die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat tussen belanghebbende en de Inspecteur een overeenkomst als hiervoor vermeld is gesloten zijn door het Hof niet vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.18 Uit dit arrest leid ik af dat voor een compromis, in de zin van artikel 7:900 van het BW, vereist is dat de Boetespecialist en belanghebbende een compromis hebben gesloten ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.19 De te beantwoorden vraag is of in casu een onzekerheid of geschil tussen de Boetespecialist en belanghebbende is opgelost en of derhalve zou kunnen worden gesproken van een aanbod van een compromis in de zin van artikel 7:900 van het BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.20 Dat is, naar ik meen, niet het geval. Immers, uit de in onderdeel 5.8 weergegeven brief van 17 augustus 2011 blijkt dat belanghebbende en de Boetespecialist nog steeds van mening verschilden en geen overeenstemming hebben bereikt over de vraag of het aan opzet van belanghebbende te wijten is dat er onjuiste aangiftes zijn ingediend. De vraag of het aan opzet te wijten was dat de aangiften onjuist waren ingediend was, naar het mij voorkomt, het belangrijkste geschilpunt tussen de Boetespecialist en belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.21 Wat wel uit het overleg op 16 augustus 2011 is gekomen is hetgeen de Inspecteur heeft verklaard ter zitting bij het Hof. De Inspecteur heeft verklaard dat ‘de boete van € 30.000 in verband met verzachtende - financiële - omstandigheden was gematigd’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.22 Ik merk op dat de Boetespecialist op de voet van artikel 5 van § 6 van het BBBB indien hij op de hoogte is van boeteverlagende, bijzondere omstandigheden, gehouden is bij het opleggen van de boete daarmee op eigen initiatief gehouden rekening te houden. Op grond van artikel 5 van § 7 van het BBBB behoren ook de in casu aan de orde zijnde financiële omstandigheden van belanghebbende tot dergelijke omstandigheden die aanleiding kunnen geven de op te leggen of opgelegde boete te matigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.23 Samenvattend, meen ik, dat het door de Boetespecialist aan belanghebbende gedane voorstel geen aanbod voor een compromis is, in de zin van artikel 7:900 van het BW ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt. Immers, belanghebbende en de Boetespecialist verschillen nog steeds van mening over de vraag of belanghebbende opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan. Het komt mij voor dat het aldus aan belanghebbende voorgelegde voorstel om de boeten, blijkbaar in verband met de financiële omstandigheden van belanghebbende, te matigen tot € 10.000 feitelijk een eenzijdige standpuntbepaling van de Boetespecialist is omtrent de hoogte van de boeten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.24 Indien in casu, in weerwil van het bovenstaande, de conclusie niettemin zou zijn dat het aan belanghebbende gedane voorstel op 16 augustus 2011 wel aan te merken zou zijn als een aanbod voor een compromis in de zin van artikel 7:900 van het BW, dan geldt mijn inziens het navolgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.25 Blijkens de door de Boetespecialist aan belanghebbende gestuurde brief van 17 augustus 2011 behelsde het aanbod van de Boetespecialist op 16 augustus 2011 dat de totale boeten over alle jaren en alle middelen op € 10.000 zou worden vastgesteld, als belanghebbende zijn bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag OB over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 zou intrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.26 Aangezien belanghebbende de brief van 17 augustus 2011, met daarin opgenomen het verslag van de bespreking van het overleg op 16 augustus 2011 en een verklaring van afstand van rechtsmiddelen, waarin staat dat belanghebbende een exemplaar van deze brief voor akkoord getekend aan de Boetespecialist zal retourneren, niet voor akkoord getekend heeft geretourneerd, heeft belanghebbende het mondelinge aanbod van de Boetespecialist niet geaccepteerd, althans zeker niet onmiddellijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.27 Nu belanghebbende het mondelinge aanbod van de Boetespecialist niet onmiddellijk heeft aanvaard en dat evenmin achteraf schriftelijk heeft aanvaard, is er mijns inziens geen (vaststellings)overeenkomst tot stand gekomen, ook niet voor een gedeelte van de boeten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.28 ’ ’s Hofs oordeel in r.o. 4.4 dat de Inspecteur voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het compromis als verwoord in het rapport van het boekenonderzoek en in de brief van de Inspecteur aan belanghebbende van 17 augustus 2011 tot stand gekomen is door aanvaarding door belanghebbende van het door de Inspecteur gedane voorstel, acht ik zonder nadere motivering welke ontbreekt, onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.29 Aan het slot van r.o. 4.4 heeft het Hof nog overwogen dat voor een zwaardere vorm van bewijs als door belanghebbende voorgestaan geen wettelijke grondslag bestaat. In dat verband wijs ik erop dat volgens de eigen regels van de Belastingdienst, zowel in het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 14 juli 2011, als in de rechtsvoorgangers daarvan, de schriftelijke vorm is voorgeschreven. Het vertrouwensbeginsel en het bepaalde in artikel 4:84 van de Awb, dat een bestuursorgaan in beginsel de wettelijke verplichting heeft om te handelen in overeenstemming met de voor hem geldende beleidsregels, dwingen hier mijns inziens tot volgen van de schriftelijke vorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.30 Dat betekent naar mijn mening ook dat bij ontbreken van schriftelijke vastlegging, belanghebbende zich erop mag beroepen dat (mede) om die reden geen rechtsgeldige vaststellingovereenkomst tot stand is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 juli 2016, nr. 15/00505, ECLI:NL:GHARL:2016:5925, V-N Vandaag 2016/1712.</p>\n<p class=\"lf-p\">In casu gaat het hier om de controle-ambtenaar [B] , die ook het boekenrapport heeft opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Boetespecialist heeft ter zitting bij Rechtbank en het Hof opgetreden als de Inspecteur.</p>\n<p class=\"lf-p\">In casu gaat het om het totaal aan boeten ten aanzien van de Vpb over de jaren 2006 en 2007 en ten aanzien van de OB over de jaren 2005 tot en met 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Noord Nederland 24 maart 2015, nr. AWB 13/3653, ECLI:NL:RBNNE:2015:1430, niet gepubliceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie onderdeel 1.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor [P] . In onderhavige zaak trad hij (eveneens) op als de boetespecialist van de Inspecteur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie onderdeel 4.18 van deze conclusie voor genoemd arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie onderdeel 4.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: Belanghebbende verwijst naar het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 7 januari 2015 met nr. BLKB2015/62M. Voor het op 16 augustus 2011 geldende Besluit Fiscaal Bestuursrecht, zie onderdeel 4.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn meestal zonder de daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. Witregels zijn soms weggelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 juli 2016, nr. 15/00505, ECLI:NL:GHARL:2016:5925, V-N Vandaag 2016/1712.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: Uit de gedingstukken blijkt dat de brief is opgesteld door de Boetespecialist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: de controle-ambtenaar die het rapport van het boekenonderzoek heeft opgesteld. Zie ook r.o. 2.8 van de feitenvaststelling door het Hof in onderdeel 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Noord-Nederland 24 maart 2015, nr. AWB 13/3653, ECLI:NL:RBNNE:2015:1430, niet gepubliceerd Proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank van 15 december 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: de Boetespecialist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 juli 2016, nr. 15/00505, ECLI:NL:GHARL:2016:5925, V-N Vandaag 2016/1712.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van de zitting bij het Hof van 22 juni 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: Belanghebbende verwijst naar het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 7 januari 2015 met nr. BLKB2015/62M. Voor het op 16 augustus 2011 geldende Besluit Fiscaal Bestuursrecht, zie onderdeel 4.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie onderdeel 4.16 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 5 juli 2011 is een herziening van het besluit van 4 april 2011, met nr. BLKB2011/265M, gepubliceerd in de Stcrt. 13 april 2011 nr. 6414. Die herziening beoogde geen inhoudelijke wijziging maar bevat enkel een aantal aanpassingen vanwege spel- en typfouten. In het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 4 april 2011 waren een vier eerdere besluiten samengevoegd, waarvan in casu van belang is: het besluit van 1 december 1997, nr. AFZ97/2412U over de vaststellingsovereenkomst. In artikel 9 van dit besluit was reeds voorzien in schriftelijke vastlegging van een vaststellingsovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 8 april 1987, nr. 23 977, ECLI:NL:HR:1987:AW7701, BNB 1987/191 met noot Hofstra.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 28 maart 1990, nr. 25 668, ECLI:NL:HR:1990:ZC4258, BNB 1990/194 met noot Den Boer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 18 december 1991, nr. 27 761, ECLI:NL:HR:1991:ZC4855, FED 1992/639 met noot Pechler.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 27 mei 1992, nr. 27 848, ECLI:NL:HR:1992:ZC4996, BNB 1992/302 met noot Van Dijck.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 25 november 1992, nr. 28 717, ECLI:NL:HR:1992:ZC5181, BNB 1993/63 met noot Scheltens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 28 juni 1995, nr. 30 281, ECLI:NL:HR:1995:BI5427, BNB 1995/293 met noot Niessen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 9 oktober 1996, nr. 30 872, ECLI:NL:HR:1996:AA1913, V-N 1996/4183.5 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 22 april 1998, nr. 33 249, ECLI:NL:HR:1998:AA2428, BNB 1998/214 met noot Wattel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 25 oktober 2000, nr. 35 697, ECLI:NL:HR:2000:AA7844, V-N 2000/49.3 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 16 november 2007, nr. 42 257, ECLI:NL:HR:2007:BA2267, BNB 2008/20 met noot Van Leijenhorst.</p>\n<p class=\"lf-p\">BNB 2008/20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 29 oktober 2010, nr. 43 761 bis, ECLI:NL:HR:2010:BN0666, BNB 2011/24 met noot Kavelaars.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 15 maart 2013, nr. 12/00097, ECLI:NL:HR:2013:BY6057, BNB 2013/140 met noot Pechler.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 12 april 2013, nr. 12/03956, ECLI:NL:HR:BZ6831, NTFR 2013/909 met noot Den Ouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">NTFR 2013/909.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 28 maart 2014, nr. 13/00279, ECLI:NL:HR:2014:685, BNB 2014/194 met noot De Bont.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 6 november 2015, nr. 14/02920, ECLI:NL:HR:2015:3225, BNB 2016/51 met noot Jansen.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.A. Smit, ‘Over fiscale vaststellingsovereenkomst, afstand van rechtsmiddelen en mededeling van boete’, WFR 1993/639.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie onderdeel 4.17 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie onderdeel 4.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.J. Wattel, ‘De reikwijdte van de fiscale vaststellingsovereenkomst (I)’, WPNR 1996/6218, p. 249 - 252.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie onderdeel 4.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.J. Wattel, ‘Enkele “akkoordverklaring” of een vaststellingsovereenkomst?’, WPNR 2001/6429.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie r.o. 3.5. zoals weergegeven in onderdeel 4.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie r.o. 3.2. zoals weergegeven in onderdeel 4.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 439 - 440.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 502 - 504.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 531 - 548.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.J.A. Pieterse, ‘De fiscale vaststellingsovereenkomst: Over simultane rechtstoepassing op het grensgebied van belastingrecht en privaatrecht’, MBB 2010/09.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: zie onderdeel 4.13. Het aan het Besluit Fiscaal Bestuursrecht ten grondslag liggende besluit van 1 december 1997 stond bekend als Kaders voor vaststellingsovereenkomsten. Zie ook noot 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.J. Huisman, De fiscale vaststellingsovereenkomst, Deventer: Kluwer, 2013, p. 66 - 68.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: Hoge Raad 16 november 2007, nr. 42 257, ECLI:NL:HR:2007:BA2267, BNB 2008/20 met noot Van Leijenhorst.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.A. de Blieck e.a., Algemene wet inzake rijksbelastingen, Deventer: Wolters Kluwer, 2015, p. 14 - 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.A. de Blieck e.a., Algemene wet inzake rijksbelastingen, Deventer: Wolters Kluwer, 2015, p. 294.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 2.7 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de arresten van de Hoge Raad in 4.18, 4.19 en 4.23. Zie ook de kwalificatie van het compromis als een vaststellingsovereenkomst in de zin van 7:900 van het BW door Wattel in onderdeel 4.33 en Pieterse in onderdeel 4.39. Feteris ziet de vaststellingsovereenkomst als een publiekrechtelijke overeenkomst waarop de voorschriften van artikel 7:900 van het BW van overeenkomstige toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën in onderdeel 3.5 waar staat: ‘Uit 's Hofs oordeel volgt dat belanghebbende het aanbod mondeling heeft aanvaard (…)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Inspecteur heeft deze brief in zijn verweerschrift ‘Verslag bespreking d.d. 17 augustus 2011’ genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 2.2 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook onderdeel 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 2.8 van de feitenvaststelling door het Hof in onderdeel 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoger beroepschrift van 30 april 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze procedure heeft de Boetespecialist opgetreden als de Inspecteur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het arrest van de Hoge Raad van 25 november 1992 in onderdeel 4.19 en het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2000 in onderdeel 4.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2000, in onderdeel 4.23 en de noot van Van Leijenhorst bij het arrest van de Hoge Raad van 16 november 2007 in onderdeel 4.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Boetespecialist heeft in deze brief geschreven: ‘U gaf heel duidelijk aan dat u niet opzettelijk onjuiste aangiftes heeft ingediend. Hierop liet ik u blijken uw mening niet te delen omdat u zeer zeker met betrekking tot de balansschuld omzetbelasting 2005 de indruk heeft gewekt dat u er op hoopte dat deze zou verjaren’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo staat in het controle-rapport van 4 oktober 2011 opgenomen: ‘Verder is van belang om op te merken dat de boetespecialist zowel tijdens het gesprek als in de brief duidelijk heeft aangegeven dat hij, ondanks het compromis, van mening blijft dat het aan opzet te wijten is [onderstreping toegevoegd, A-G] dat er te weinig omzet- en vennootschapsbelasting is betaald’.</p>\n<p class=\"lf-p\">In casu fungeerde de Boetespecialist als Inspecteur ter zitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift van 22 juli 2015 eveneens aangegeven: ‘Hierbij liet [de controle ambtenaar, de A-G] blijken dat gezien de financiële omstandigheden van de B.V. hij een voorstander was om de nog op te leggen vergrijpboete (die ook vastgesteld zou gaan worden op 50%) in ieder geval te matigen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014 in onderdeel 4.30. In r.o 3.4.2 staat: ‘indien een bestuursorgaan een bestuurlijke boete oplegt en daarbij (…) rekening houdt met de draagkracht van de overtreder, moet het daarbij acht slaan op diens financiële positie ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het BBBB onderdeel 4.14. Zie ook Haas en Jansen, Fiscale boeten onder de vierde tranche Awb, Deventer: Kluwer, 2010, p. 52 - 55 over de gebondenheid van de Inspecteur aan het BBBB en p. 95 - 99 ten aanzien van strafverminderende omstandigheden in het BBBB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 5.9 voor het verweerschrift van de Inspecteur waar staat: ‘Dit compromis hield in dat als belanghebbende het compromis zou accepteren, zij tevens het bezwaarschrift zou intrekken. Dit compromis werd op dat moment geaccepteerd’. Ter zitting bij de Rechtbank heeft de Inspecteur aangegeven: ‘Er is een totaalboete van € 10.000 afgesproken. Er was al € 7.500 opgelegd. Dan zou er nog € 2.500 opgelegd worden. Als (…) [de DGA] daarmee akkoord ging zou hij vervolgens zijn bezwaar intrekken’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.13 en noot 22 daarbij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu het gaat om gepubliceerd uitvoeringsbeleid mag een dergelijk beroep, naar ik meen, ook voor het eerst in cassatie worden gedaan.</p></div>", "next": 0}