{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Van een rechtstreeks verband tussen een vergoeding en een prestatie is volgens de Hoge Raad wel sprake ingeval huurders van videobanden een boete moeten betalen voor het te laat inleveren daarvan, indien die boete gelijk is aan de dagverhuurprijs vermenigvuldigd met het aantal dagen dat de videoband te laat wordt ingeleverd. Alsdan is de boete namelijk (in overeenstemming met de verhuurovereenkomst) afhankelijk gesteld van het voortgezette gebruik. In een dergelijk geval vormt de boete dan ook een vergoeding voor het voortgezette gebruik van de videobanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.36 De kosten die in het onderhavige geval ter zake van het opleggen van de naheffingsaanslag in rekening zijn gebracht zijn losgekoppeld van de duur van het straatparkeren. Uit artikel 234, lid 3, van de Gemeentewet volgt immers dat slechts de parkeerbelastingcomponent van de naheffingsaanslag is gekoppeld aan de parkeerduur. De kostencomponent is weliswaar gemaximeerd, maar is voor het overige losgekoppeld van het aantal geparkeerde uren. De kosten zijn dan ook niet afhankelijk gesteld van de tijdsduur dat een bepaald voertuig zonder betaling geparkeerd heeft gestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.37 Dat in aanmerking nemende, alsmede de omstandigheid dat betaling van de kosten de parkeerder niet het recht verschaft om langer te parkeren, doch slechts een prikkel vormt voor de parkeerder om de parkeerbelasting bij aanvang van het parkeren te voldoen, concludeer ik, met inachtneming van de hiervoor vermelde jurisprudentie van de Hoge Raad, dat een rechtstreeks verband tussen de in het kader van de naheffingsaanslag in rekening gebrachte kosten en het straatparkeren ontbreekt. De kostencomponent in het bedrag van de naheffingsaanslag behoort dan ook niet tot de vergoeding voor het straatparkeren, welke derhalve uitsluitend uit € 1,60 aan parkeerbelasting bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.38 Nu ik eerder heb geconcludeerd dat het aanbieden van straatparkeren een btw-belaste prestatie vormt, dient de gemeente een btw-factuur uit te reiken waarop een bedrag van (21/121x € 1,60 =) € 0,28 aan btw is vermeld. Omdat de naheffingsaanslag overeenkomstig de geldende Verordening en tarieventabel is opgelegd en, zoals volgt het voorgaande, inclusief verschuldigde omzetbelasting is, meen ik dat belanghebbende uitgaat van een juist uitgangspunt dat de naheffingsaanslag niet met het verschuldigde bedrag aan omzetbelasting moet worden verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 8.39 Op basis van vorenstaande concludeer ik dat zowel middel 1 als middel 2 slaagt. De middelen kunnen echter niet tot cassatie leiden. Wel geef ik de Hoge Raad in overweging in het arrest ‘op te merken’ dat de gemeente aan belanghebbende een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur als bedoeld in artikel 15, lid 1, onderdeel a, Wet OB moet uitreiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Conclusie De conclusie strekt ertoe dat zowel het beroep in cassatie van belanghebbende als het incidentele beroep van het College ongegrond wordt verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal De feiten zijn ontleend aan de nader te noemen uitspraak van het Hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten bedrage van € 57,60 (bestaande uit € 1,60 aan parkeerbelasting verhoogd met een bedrag van € 56 aan kosten ter zake van het opleggen van die naheffingsaanslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de conclusie genoemde wetteksten zijn geldend in het jaar 2013, tenzij anders vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen partijen is niet in geschil dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. De Rechtbank heeft geen grond gezien hierover anders te oordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 april 2014, nr. 13/01903, ECLI:NL:HR:2014:878, BNB 2014/122 m.nt. Lubbers, FED 2014/59 m.nt. Knops, NTFR 2014/1259 m.nt. Van Daal &amp; Okhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Noord-Nederland 16 december 2014, nr. LEE 14/1300, niet gepubliceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 4 december 2000, Fazenda Pública, C-446/98, na conclusie A-G Alber, ECLI:EU:C:2000:691, NTFR 2000/1927 m.nt. Nieuwenhuizen, V-N 2001/3.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 16 september 2008, Isle of Wight Council e.a., C-288/07, na conclusie A-G Poiares Maduro, ECLI:EU:C:2008:505, NTFR 2008/1890 m.nt. Sanders, V-N 2008/47.21. Het Hof verwijst naar punt 33 en de verklaring voor recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 oktober 2010, nr. 09/01901, na conclusie A-G Van Hilten, ECLI:NL:HR:2010:BL5614, Belastingblad 2010/1686 m.nt. De Bruin, BNB 2011/117 m.nt. Swinkels, en NTFR 2010/2724 m.nt. Brakeboer, V-N 2010/54.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 18 mei 2016, nr. 15/00019, ECLI:NL:GHARL:2016:3819, Belastingblad 2016/317 m.nt. Schep, NTFR 2016/1609 m.nt. Soltysik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afschriften van de uitspraak zijn op 19 mei 2016 aangetekend per post aan partijen verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 3 november 2016, nr. 15/2830, ECLI:NL:RBGEL:2016:5821, Belastingblad 2016/521 m.nt. Koenis, NTFR 2016/3070 m.nt. Soltysik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beroepschrift in cassatie is door de Hoge Raad ontvangen op 27 juni 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 29 oktober 2015, Saudaçor, C-174/14, na conclusie A-G Jääskinen, ECLI:EU:C:2015:733, AB 2016/101 m.nt. Jak, NTFR 2015/2919 m.nt. Sanders, V-N 2015/57.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende heeft ter onderbouwing van deze stelling een tweetal parkeerbonnen overgelegd, opgelegd door gemeenten Göteborg en Mölndal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College is bij brief van 30 juni 2016 door de Hoge Raad in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken incidenteel beroep in cassatie in te stellen. Het incidentele beroep in cassatie is op 25 augustus 2016 bij de Hoge Raad ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vakstudie Algemeen Deel, art. 26 AWR, aant. 4.8 Procesbelang en de annotatie van M. Knops in FED 2014/59.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 mei 2017, nr. 15/05579, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2017:844, FED 2017/105, NLF 2017/1169 m.nt. Hageman, NTFR 2017/1382 m.nt. Lodder, V-N 2017/25.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook R.J. Koopman, Het belang van belang hebben, NTFR 2006/608.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 april 2014, nr. 13/01903, BNB 2014/122 m.nt. Lubbers, FED 2014/1259 m.nt. Knops, NTFR 2014/1259 m.nt. Van Daal &amp; Okhuizen, V-N 2014/18.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie artikel 34d, eerste lid, van de Wet OB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 11, eerste lid, onderdeel r, van de Wet OB luidt: “de levering van een roerende zaak die in het bedrijf van de ondernemer uitsluitend is gebruikt ten behoeve van vrijgestelde prestaties of voor doeleinden als zijn bedoeld in artikel 16, ingeval ter zake van de voorafgaande levering van die zaak geen belasting in aftrek is gebracht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 27 juni 2012, nr. BLKB 2012 477M, Omzetbelasting. Administratieve- facturerings- en andere verplichtingen, onderdeel 3.2.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 8 oktober 1987, Kolpinghuis Nijmegen, C-80/86, na conclusie A-G Mischo, ECLI:EU:C:1987:431.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 30 september 2003, Köbler, C-224/01, na conclusie A-G Léger, ECLI:EU:C:2003:513, AB 2003/429 m.nt. Widdershoven, BNB 2004/151 m.nt. Wattel, FED 2004/69, NJ 2004/160 m.nt. Mok, NTFR 2003/2125 m.nt. Kors.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 juni 2013, nr. 12/04324, ECLI:NL:HR:2013:CA2799, BNB 2013/186 m.nt. Bijl, V-N 2013/35.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">K.M. Braun, A.J. van Doesum, D. Euser, O.L. Mobach, G.J. van Norden, C.A. Peeters, Cursus Belastingrecht: omzetbelasting, Kluwer, Deventer, 2016, paragraaf 6.5.4., blz. 666.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 1967/68, 9324, nr. 135, blz. 9-10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord van de staatssecretaris van Financiën (van 28 februari 1977) op door het Parlement gestelde vragen (ingezonden op 26 januari 1977) ter zake van het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 1 april 1977, nr. BWBR0003099, Toepassing van artikel 38 van de wet op de omzetbelasting 1968.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 7 november 2013, Tulicâ en Plavoşin, C-249/12, ECLI:EU:C:2013:72, NTFR 2013/2235 m.nt. Sanders.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 5 februari 1963, Van Gend &amp; Loos, nr. 26/62, na conclusie A-G Roemer, ECLI:EU:C:1963:1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 3 juni 1964, Costa/ENEL, nr. 6/64, na conclusie A-G Lagrange, ECLI:EU:C:1964:66.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 19 november 2009, Filipiak, C-314/08, ECLI:EU:C:2009:719, NTFR 2009/2638 m.nt. Schaap.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 24 januari 2012, Dominguez, C-282/10, na conclusie A-G Trstenjak, ECLI:EU:C:2012:33, AB 2012/48 m.nt. Widdershoven, NJ 2012/154 m.nt. Mok.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 augustus 2007, nr. 43.169, na conclusie A-G De Wit, ECLI:NL:HR:2007:AZ3758, AB 2007/291 m.nt. Widdershoven, BNB 2007/277 m.nt. Bijl, NTFR 2007/1513 m.nt. Perié, V-N 2007/40.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie R.P.C.W.M. Brandsma, M. Chin-Oldenziel, S.R. Pancham, D.M. Weber, Cursus belastingrecht: Europees belastingrecht, Wolters Kluwer, Deventer, 2015, blz. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HvJ 9 maart 1978, Simmenthal, C-106/77, na conclusie A-G Reischl, ECLI:EU:C:1978:49.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 december 2002, nr. 37.666, na conclusie A-G Ilsink, ECLI:NL:HR:2002:AE4811, BNB 2003/122 m.nt. Meussen, 2002/1881 m.nt. Schellekens, V-N 2003/2.30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie R.P.C.W.M. Brandsma, M. Chin-Oldenziel, S.R. Pancham, D.M. Weber, Cursus belastingrecht: Europees belastingrecht, Wolters Kluwer, Deventer, 2015, blz. 23-25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Telecommunicatiediensten, levering van water, gas elektriciteit en stroom, goederenvervoer, haven- en luchthavendiensten, personenvervoer, levering van nieuwe goederen geproduceerd voor de verkoop, handelingen van landbouwinterventiebureaus met betrekking tot de landbouwproducten, die worden verricht op grond van verordeningen houdende een gemeenschappelijke marktordening voor deze producten, exploitatie van commerciële beurzen en tentoonstellingen, opslag van goederen, werkzaamheden van commerciële beurzen en tentoonstellingen, opslag van goederen, werkzaamheden van commerciële reclamebureaus, werkzaamheden van reisbureaus, exploitatie van bedrijfskantines, bedrijfswinkels, coöperaties en soortgelijke inrichtingen en werkzaamheden van radio- en televisiediensten voor zover deze niet uit hoofde van artikel 132, lid 1, onder q van de Btw-richtlijn zijn vrijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ‘belastingplichtige’ in de zin van de Btw-richtlijn en de ‘ondernemer’ in de zin van de Wet OB, worden in deze conclusie, als zijnde Unierechtelijke en nationaalrechtelijke equivalenten, als inwisselbare begrippen behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 25 januari 2012, Omzetbelasting en compensatie van omzetbelasting bij publiekrechtelijke lichamen, BLKB 2012/175M, V-N 2012/12.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 13 december 2007, Götz, C-408/06, ECLI:EU:C:2007:789, NTFR 2007/2303 m.nt. Sanders en V-N 2008/3.21. Zie ook Saudaçor, punten 30 - 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 september 1991, nr. 27 235, ECLI:NL:HR:1991:ZC4667, BNB 1991/298.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HvJ 26 september 1996, Enkler, C-230/94, na conclusie A-G Cosmas, ECLI:EU:C:1996:352, punten 24 tot en met 29 en HvJ 12 mei 2016, Gemeente Borsele, C-520/14, na conclusie A-G Kokott, ECLI:EU:C:2016:334, BNB 2016/186 m.nt. Swinkels, NTFR 2016/1399 m.nt. Sanders, V-N 2016/27.20, punten 28 tot en met 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HvJ 3 maart 1994, Tolsma, C-16/93, na conclusie A-G Lenz, ECLI:EU:C:1994:80, punt 14, HvJ 5 juni 1997, SDC, C-2/95, na conclusie A-G Ruiz-Jarabo Colomer, ECLI:EU:C:1997:278, punt 45, HvJ 26 juni 2003, MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring, C-305/01, na conclusie A-G Jacobs, ECLI:EU:C:2003:377, punt 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 15 mei 1990, Comune di Carpaneto Piacentino, C-4/89, na conclusie A-G Mischo, ECLI:EU:C:1990:204.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 3 maart, nr. 28441, ECLI:NL:HR:1993:ZCS5268, BNB 1993/178 m.nt. Brunt, HR 22 september 1993, nr. 28973, ECLI:NL:HR:1993:ZC5461, BNB 1994/93 m.nt. Finkensieper en HR 15 juli 1997, nr. 31440, na conclusie A-G Van den Berge, ECLI:NL:HR:1997:AA2224, BNB 1997/327 m.nt. Simons.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Van Hilten van 14 december 2009, nr. 09/01901, ECLI:NL:PHR:2010:BL5614.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 oktober 2010, nr. 09/01901, ECLI:NL:HR:2010:BL5614, BNB 2011/117 m.nt. Swinkels, NTFR 2010/2724 m.nt. Brakeboer en V-N 2010/54.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 8 juni 2006, Feuerbestattungsverein Halle, C-430/04, ECLI:EU:C:2006:374, NTFR 2006/938 m.nt. Sanders, V-N 2006/46.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de investeringskosten die een exploitant voor de aanleg en het onderhoud van een parkeergarage moet maken, is het de vraag of de toepassing van een vrijstelling voor exploitanten van parkeergarages daadwerkelijk gunstiger zal uitpakken. Dat zal van geval tot geval verschillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 4 juni 2009, SALIX Grundstücks-Vermietungsgesellschaft, C-192/08, ECLI:EU:C:2009:345, NTFR 2009/1384 m.nt. Sanders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie SALIX Grundstücks-Vermietungsgesellschaft, punten 66 en 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HvJ 19 januari 2017, National Roads Authority, C-344/15, na conclusie A-G Szpunar, ECLI:EU:C:2017:28, NTFR 2017/197 m.nt. Van den Berg, V-N 2017/8.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">National Roads Authority, punt 39. Zie ook HvJ 25 maart 2010, Commissie/Nederland, C-79/09, ECLI:EU:C:2010:171, punt 90, HvJ 17 oktober 1989, Comune di Carpaneto Piacentino, nrs. 231/87 en 129/88, ECLI:EU:C:1989:381, punt 22 en HvJ 16 september 2008, Isle of Wight Council e.a., punt 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie National Roads Authority, punt 40. Zie ook Comune di Carpaneto Piacentino, punt 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie National Roads Authority, punt 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer Saudaçor, punt 74.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Isle of Wight Council, punt 64.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1992/93, 22 495, nr. 3, blz. 142.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Fiscale handboeken: Formeel belastingrecht, Kluwer, Deventer 2007, blz. 448 en 479-480.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 12 mei 2006, nr. 40 684, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2006:AT8202, BNB 2006/267 m.nt. Van Vijfeijken, waarin de Hoge Raad oordeelde dat van algemene bekendheid is dat: “een professionele voetbalclub (…) er bovenal naar streeft om in nationale en internationale wedstrijden en competities zo veel mogelijk te winnen en beter te presteren dan andere clubs, ten bate van zichzelf”.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 maart 2016, nr. 14/01773, na conclusie A-G Vegter, ECLI:NL:HR:2016:522, Ars Aequi AA20160753 m.nt. Stevens, NBSTRAF 2016/117 m.nt. Hendriks, NJ 2016/456 m.nt. Mevis.</p>\n<p class=\"lf-p\">NTFR 2016/1609, bij Hof Arnhem Leeuwarden 18 mei 2016, nr. 15/00019, ECLI:NL:GHARL:2016/3819.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken, Kluwer, Deventer, 2014, blz. 146.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 12 september 2000, C-408/97, ECLI:EU:C:2000:427, BNB 2007/377 m.nt. Finkensieper.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Isle of Wight Council e.a., punten 45 - 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">V-N 2017/8.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 13 juli 2017, London Borough of Ealing, na conclusie A-G Wathelet, ECLI: EU:C:2017:544.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld National Roads Authority, punt 50 en Götz, punt 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">De locatie waar de parkeerhandeling van belanghebbende, ter zake waarvan de naheffingsaanslag is opgelegd, heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 29 van die rechtbankuitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 december 1991, nr. 27 128, ECLI:NL:HR:1991:BH8149, BNB 1992/183 m.nt. Simons.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 december 1991, nr. 27 561, ECLI:NL:HR:1991:ZC4802, BNB 1992/37.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hoge Raad verwijst in dit kader naar HvJ 8 maart 1988, Apple and Pear Development Council, C-102/86, na conclusie Sir Gordon Slynn, ECLI:EU:C:1988:120 en HvJ 5 februari 1981, Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats, C-154/80, na conclusie Warner, ECLI:EU:C:1981:38, BNB 1981/232 m.nt. Tuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 april 1995, nr. 30265, ECLI:NL:HR:1995:AA1575, BNB 1995/181, FED 1995/384 m.nt. Nieuwenhuizen, V-N 1995/1562.</p>\n<p class=\"lf-p\">De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt opgelegd over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van hetzelfde voertuig worden per aaneengesloten periode de kosten niet vaker dan eenmaal per kalenderdag in rekening gebracht.</p></div>", "next": 0}