{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In het licht van de hierboven genoemde jurisprudentie en de omstandigheden in casu, acht ik het oordeel van het Hof niet onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk.’s Hofs oordeel omtrent het ontbreken van bijzondere omstandigheden en de overweging dat belanghebbende ruim van tevoren is geïnformeerd over de (aankomende) opzegging (en aldus het daarmee gunnen van een redelijke termijn), geven mijns inziens blijk van een aanvaardbare feitelijke toetsing aan de redelijkheid en billijkheid. Dat is mijns inziens conform de jurisprudentie van de Hoge Raad over het opzeggen van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd zonder opzegbeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.19 Voorts betoogt belanghebbende dat ’s Hofs oordeel (met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst) voorbijgaat aan eerdere uitspraken van ‘hetzelfde Hof’. Volgens belanghebbende is de vaststellingsovereenkomst ook in een uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 februari 2012 behandeld en heeft de rechter hem toen in het gelijk gesteld. Bovendien waren alle feiten toen bekend en ongewijzigd gebleven, aldus belanghebbende. Anders dan belanghebbende kennelijk wil stellen, was in die zaak de vaststellingsovereenkomst geen onderdeel van het geschil; en overigens is zijn hoger beroep ongegrond verklaard. Dat belanghebbende eerder, voor de jaren 2005 en 2006, op grond van het vertrouwensbeginsel de persoonsgebonden aftrek in mindering mocht brengen, maakt dat nu niet anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.20 Ten slotte stelt belanghebbende dat het Hof, in navolging van de Rechtbank, ten aanzien van het afwijzen van de schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb niet de juiste rechtsregel zou hebben toegepast, ‘aangezien artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht op 1 juli 2013 is ingetrokken’ en ‘het Hof heeft nagelaten te verwijzen naar een wetsartikel inzake overgangsrecht die mogelijk hiervoor in de plaats is gekomen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.21 Ik merk op dat voor schadevergoeding op grond van het in casu toepasselijke artikel 8:73 van de Awb bij gegrondverklaring van het beroep door de rechtbank, het bestuursorgaan kon worden veroordeeld tot vergoeding van de schade geleden door een belanghebbende. Dus niet bij ongegrondverklaring, waarvan hier sprake is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.22 Een en ander betekent dat de klachten van belanghebbende alle falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 juni 2017, nr. 16/00825, ECLI:NL:GHARL:2017:5322, NTFR 2017/2171 met noot Van Daal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Gelderland 7 juni 2016, AWB 15/1808, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn meestal zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. In citaten voorkomende witregels zijn soms weggelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Gelderland 7 juni 2016, AWB 15/1808, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank van 30 maart 2016, waarbij ik opmerk dat voor ‘eiser’ moet worden gelezen belanghebbende en voor ‘verweerder’ de Inspecteur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: Bedoeld zal zijn 2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot A-G: Bedoeld zal zijn de uitspraak van 10 januari 2013, gepubliceerd op 30 januari 2013. Zie onderdeel 4.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van de zitting bij het Hof van 5 april 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">NTFR 2017/2171.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 juli 2013 is dit artikel vervallen en is een nieuwe schadevergoedingsregeling opgenomen in artikel 8:88 van de Awb. Op grond van het overgangsrecht, geldt deze nieuwe bepaling niet voor geschillen die zien op andere belastingen dan de vennootschapsbelasting. Zie daarvoor Kamerstukken II 2010/11, 32 621, nr. 2, artikel V, p. 8 en Stb. 2013, 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de Wet van 31 januari 2013 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten), Stb. 2013, 50. Het besluit tot inwerkingtreding is opgenomen in Stb. 2013, 162.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is opgenomen in titel 15 (vaststellingsovereenkomst).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.17, eerste lid, Wet IB 2001 is ontleend aan artikel 46 van de Wet IB 2001. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet IB 2001 (Belastingherziening 2001) is op te merken dat met de gewijzigde formulering geen inhoudelijke wijziging is beoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2008/09, 31 706, nr. 3, p. 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie V-N 1997/4702 met noot redactie. Dit besluit is in 2011 met andere besluiten samengevoegd tot het Besluit Fiscaal Bestuursrecht. Zie daarvoor het besluit van 4 april 2011, nr. BLKB2011/265M, V-N 2011/20.5 met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 21 oktober 1988, nr. 13 263, ECLI:NL:HR:1988:AD0483, (Mondia/Calanda), na conclusie A-G Biegman-Hartogh, NJ 1990, 439.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 21 april 1995, nr. 15 626, ECLI:NL:HR:1995:ZC1706, (Kakkenberg/Kakkenberg), na conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense, NJ 1995, 437.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 3 december 1999, nr. C98/156HR, ECLI:NL:HR:1999:AA3821, (Maison Louis Latour/De Bruijn Wijnkopers), na conclusie A-G Hartkamp, NJ 2000, 120.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 28 oktober 2011, nr. 10/00299, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, (De Ronde Venen/Stedin) na conclusie A-G Rank-Berenschot, NJ 2012, 685 met noot Tjong Tjin Tai.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 14 juni 2013, nr. 12/01625, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163, (Auping/Beverslaap) na conclusie A-G Keus, NJ 2013, 341 met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 21 maart 2014, nr. 12/02793, ECLI:NL:HR:2014:635, na conclusie A-G Wattel, BNB 2014/116 met noot Lubbers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 15 april 2016, nr. 14/05715, ECLI:NL:HR:2016:660, na conclusie A-G Wuisman (Provincie c.s./Amsterdam), NJ 2016, 236 met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 10 juni 2016, nr. 14/06348, ECLI:NL:HR:2016:1134, na conclusie A-G Timmerman (Alcatel), NJ 2016, 450 met noot Tjong Tjin Tai.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 7 juli 2017, nr. 15/03787, ECLI:NL:HR:2017:1270, na conclusie A-G Van Peursem, (Golden Earring/Nanada), NJ 2017/344 met noot Verkade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 23 februari 1995, nr. 93/1284, ECLI:NL:GHSGR:1995:AW133, V-N 1995/1203.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Arnhem 18 januari 2011, nr. AWB 10/1632, niet gepubliceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 februari 2012, nr. 11/0018 en 11/00119, ECLI:NL:GHARN:2012:BV7577, NTFR 2012, 782 met noot Bruijsten. Het door de belanghebbende ingestelde cassatieberoep zag niet meer op de vervoerskosten en is overigens door de Hoge Raad onder verwijzing naar artikel 81 van de Wet RO ongegrond verklaard. Zie: Hoge Raad 28 september 2012, nr. 12/01344, ECLI:NL:HR:2012:BX8395, NTFR 2012, 2280.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 10 januari 2013, nr. 11/00903, ECLI:NL:GHAMS:2013:BY9824, NTFR 2013/456, met noot Van Arnhem.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.L. Valk in: J. Hijma e.a., Rechtshandeling en overeenkomst, Deventer: Kluwer 2016, p. 319-322.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.S. Hartkamp &amp; C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. Verbintenissenrecht. Algemeen overeenkomstenrecht, 6.III*, Deventer: Kluwer 2014, p. 561-564.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, tweede druk, Kluwer, Deventer: 2007, p. 548-551.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.J.F. Spreen Brouwer en S. Okma, 'Een man een man, een woord een woord: over het terugkomen door de inspecteur op een ingenomen standpunt', TFB 2011/5.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.J. Huisman, De fiscale vaststellingsovereenkomst, Deventer: Kluwer 2013, p. 93-99.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.J.A. Pieterse, ‘De fiscale vaststellingsovereenkomst: Over simultane rechtstoepassing op het grensgebied van belastingrecht en privaatrecht’, MBB 2012/09.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.J. Tanja, ‘Een college opzegging van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd’, Bedrijfsjuridische Berichten 2017/63.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de klachten en de toelichting daarop onderdeel 3 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor casuïstiek onderdeel 4.9 e.v. van deze conclusie. Zie nader 5.12 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 2.8 en 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 2.8 (slot).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 2.2 voor de tekst van deze vaststellingsovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.8 voor het Besluit Kaders voor vaststellingsovereenkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wel aangeduid als ‘de objectieve meerkosten’. Zie uitgebreid daarover de conclusie van A-G Niessen voor Hoge Raad 24 juni 2011, nr. 09/03304, ECLI:NL:HR:2011:BP2239, BNB 2011/243.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oftewel de zogenoemde ‘maatman’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook het proces-verbaal van de zitting bij het Hof in onderdeel 2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. 4.6 voor artikel 6.17 van de Wet IB 2001 en 4.7 voor de parlementaire geschiedenis daarbij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 2.5 voor het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank op 30 maart 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de onderdelen 4.22, 4.27 en 4.28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het arrest van de Hoge Raad van 3 december 1999 in onderdeel 4.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook 4.17 voor de uitspraak van gerechtshof Den Haag van 23 februari 1995, waarin het ging om een zonder tijdsbepaling gedane toezegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.12 voor het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.15 van deze conclusie voor het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ging in deze zaak om duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd zonder opzegregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.17 voor het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 3.3 voor de toelichting van belanghebbende op zijn klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de uitspraak van gerechtshof Den Haag van 23 februari 1995, opgenomen in onderdeel 4.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.2 en 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor deze arresten de onderdelen 4.10 - 4.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 februari 2012 onderdeel 4.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.1 voor artikel 8:73 van de Awb en het in de noot daarbij genoemde overgangsrecht.</p></div>", "next": 0}