{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Zie hierover A-G Keus in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2016:998) voor HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998, NJ 2017/203, Ars Aequi 2017, p. 434 e.v. m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates.nl 2016-1482 m.nt. P. Kruit en TRA 2017/19 m.nt. D.J. Buijs (Mediant), randnummer 5.19. Zie verder E. Verhulp in zijn NJ-noot onder 9 bij HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:571, NJ 2017/204 m.nt. E. Verhulp, JAR 2017/116 m.nt. A. van Zanten-Baris, JIN 2017/90 m.nt. D.A.D. Mees en AR-Updates.nl 2017-0392 m.nt. F.M. Dekker (Vlisco) alsmede F.M. Dekker, ‘Voorwaardelijke ontbinding in hoger beroep in zeven scenario’s’, TAP 2017/5, par. 4, F.A. Chorus en S. van Waegeningh, ‘In staat van ontbinding? De voorwaardelijke ontbinding onder de Wwz’, Arbeidsrecht 2016/33, p. 11 e.v. en W.H.A.C.M. Bouwens en D.M.A. Bij de Vaate, ‘Voorwaardelijke procedures in het nieuwe ontslagrecht’, ARBAC april 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2013-2014, 33818, nr. 3, p. 119-120.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.R. Houweling, ‘Herstel van de arbeidsovereenkomst onder de Wwz. De theorie, de statistieken en de parenthesen van de Hoge Raad’, TvO 2017/3, p. 112.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.R. Houweling, ‘Herstel van de arbeidsovereenkomst onder de Wwz. De theorie, de statistieken en de parenthesen van de Hoge Raad’, TvO 2017/3, p. 113. Hij verwijst daarbij overigens naar F.M. Dekker, die zelf ook de visie aanhangt dat bij herstel sprake is van een nieuwe overeenkomst, maar toch nog wel een andere uitweg ziet: hij suggereert dat best te accepteren valt dat een ontbinding wordt uitgesproken voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt hersteld. Op het moment van de ontbindingsbeschikking bestaat dan (mogelijk) geen arbeidsovereenkomst maar die is er achteraf gezien door het herstel toch, althans wanneer de arbeidsovereenkomst wordt ‘hersteld’ met terugwerkende kracht tot een datum gelegen vóór de ontbindingsbeschikking. In dat geval kan dan de juridische fictie worden gehanteerd dat ten tijde van de ontbindingsbeschikking een arbeidsovereenkomst bestond die vatbaar was voor ontbinding. Zie de noot van F.M. Dekker in AR-Updates.nl onder 4 bij HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:571, NJ 2017/204 m.nt. E. Verhulp, JAR 2017/116 m.nt. A. van Zanten-Baris, JIN 2017/90 m.nt. D.A.D. Mees en AR-Updates.nl 2017-0392 m.nt. F.M. Dekker (Vlisco). Overigens zat A-G Keus in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2016:998) voor HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998, NJ 2017/203, Ars Aequi 2017, p. 434 e.v. m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates.nl 2016-1482 m.nt. P. Kruit en TRA 2017/19 m.nt. D.J. Buijs (Mediant), randnummer 5.19 al op een vergelijkbaar spoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">D.A.D. Mees ziet in zijn JIN-noot onder 4 bij HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:571, NJ 2017/204 m.nt. E. Verhulp, JAR 2017/116 m.nt. A. van Zanten-Baris, JIN 2017/90 m.nt. D.A.D. Mees en AR-Updates.nl 2017-0392 m.nt. F.M. Dekker (Vlisco) nog een derde optie voor zich: hij betoogt dat de tussen haakjes geplaatste tekst het daarbuiten geplaatste verduidelijkt en bevestigt. In zijn ogen is het dus (enkel) de werkgever die daartoe opgedragen of veroordeeld door de rechter de overeenkomst herstelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Keus in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2016:998) voor HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998, NJ 2017/203, Ars Aequi 2017, p. 434 e.v. m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, AR-Updates.nl 2016-1482 m.nt. P. Kruit en TRA 2017/19 m.nt. D.J. Buijs (Mediant), randnummer 5.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G De Bock voor HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:571, NJ 2017/204 m.nt. E. Verhulp, JAR 2017/116 m.nt. A. van Zanten-Baris, JIN 2017/90 m.nt. D.A.D. Mees en AR-Updates.nl 2017-0392 m.nt. F.M. Dekker (Vlisco), randnummer 2.23. Ook Verhulp zit op dat spoor. Zie zijn NJ-noot onder 9 bij HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:571, NJ 2017/204 m.nt. E. Verhulp, JAR 2017/116 m.nt. A. van Zanten-Baris, JIN 2017/90 m.nt. D.A.D. Mees en AR-Updates.nl 2017-0392 m.nt. F.M. Dekker (Vlisco).</p>\n<p class=\"lf-p\">F.A. Chorus en S. van Waegeningh, ‘In staat van ontbinding? De voorwaardelijke ontbinding onder de Wwz’, Arbeidsrecht 2016/33, p. 11 e.v. onder 4.2.2. Daartegen echter A.R. Houweling, ‘Herstel van de arbeidsovereenkomst onder de Wwz. De theorie, de statistieken en de parenthesen van de Hoge Raad’, TvO 2017/3, p. 112 en ook A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra &amp; Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, Den Haag: Bju 2018, p. 175 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweerschrift in cassatie, randnummer 2.4 en hiervoor randnummer 3.43.</p></div>", "next": 0}